Esoterische praktijk

uit de cursus ‘Praktische bewustwording’ 1958-1959

Bij het bezien van alle geestelijke krachten die in de wereld bestaan, komen bij ons ongetwijfeld enkele vragen op. Wij weten nl. wel dat er meer verborgen is achter de sluier van de materie, dan de doorsnee mens denkt. Maar het is dikwijls heel moeilijk je in te denken, hoe de zaak nu eigenlijk precies werkt. Wilt u echter in de praktijk iets hebben aan alle lessen en raadgevingen die wij u geven, dan zullen wij hier toch ook iets moeten vertellen over de praktische kant van bepaalde esoterische stellingen. Hieruit vloeien dan voor uzelf bepaalde consequenties voort. Laat ons in de eerste plaats vaststellen dat de periode, die onder het beeld de Vissen stond, praktisch is afgelopen. Dat is een heel belangrijk punt. Het teken Vissen is nl. kosmisch gezien negatief. Het is zoals men zegt een nachtperiode ofwel een duister uur. De periode Aquarius, die op het ogenblik komt, is wat men noemt een positieve periode of een dag periode. Dit zegt u niet veel, wanneer u niet bekend bent met de werkingen en de geschiedenis van de wereld. Ik wil u echter een klein voorbeeld geven.

De grote, op geestelijke waarden gebaseerde beschavingen hebben bestaan tot kort voor Jezus komst op deze wereld. De grote geheimscholen zijn praktisch alle verdwenen of althans verwaterd tijdens de periode van Jezus leven, kort daarvoor of daarna. Daarna is een periode gekomen van een steeds toenemend materialisme. Wij hebben dat kunnen zien in de achteruitgang van het christendom, maar evenzeer in de steeds materialistischer opvattingen van andere godsdiensten. Wij hebben het ook kunnen zien in de vorm die de maatschappij begon aan te nemen. Een vorm waarbij langzaam maar zeker een adel van innerlijk wezen en afstamming plaats moest maken voor de zgn. geldadel. Er zijn perioden dat de materie bijzonder sterk haar invloed doet gelden. Het was een Kali‑periode of een ijzeren periode, die nu juist is afgelopen. Wat nu komt is een zgn. gulden periode, gouden periode of duizendjarig rijk. En daarmee zijn allerhande veranderingen gemoeid.

De belangrijkste punten van de esoterie zijn steeds weer in het getal 12 terug te vinden. Langzaam maar zeker heeft de wereld dit vergeten en zij moet langzaam maar zeker weer tot ditzelfde bewustzijn groeien. Maar reeds in de tijd van Pythagoras werd praktisch de gehele bewustwording en de gehele esoterische erkenning (de gnosis) gebaseerd op een 12‑hoekig vlak. De gulden snede was in die tijd niet zoals men tegenwoordig wel eens zegt 3‑4‑5, maar de gulden verhouding was toen 4‑4‑4 In beide gevallen is het eindgetal weer 12. 12 was het getal van de volledig geopenbaarde Godheid. Nu zijn wij op het ogenblik bezig aan een periode, waarbij de zgn. top gaat terugvloeien, het getal 5 gaat terugvloeien tot het getal 4. Gelijktijdig, echter zal het lagere gedeelte, het getal 3, worden opgetrokken tot het getal 4. (Wat volgorde betreft heb ik mij hier gehouden aan de rangorde van de cijfers.) Dat betekent voor uzelf, dat alle verhoudingen in de wereld zich gaan wijzigen. Die verhoudingen liggen natuurlijk op het terrein van geloof en van wetenschap, op het terrein van mysterie en van inwijding. Daarnaast echter komen ook andere waarden op de voorgrond. En dan moet ik toch iets vertellen over oude inwijdingsgeheimen, zij het dan dat ik daar niet te veel op mag doorgaan.

In de oudheid kende men de zgn. onbevlekt ontvangene. En direct onder hen de tweemaal geborenen. Over onbevlekte ontvangenis horen wij in de legenden nog, wanneer wij spreken over de Boeddha, over Jezus. De titel tweemaal geborene wordt nu nog door vele Brahmanen opgeëist. Wat is nu eigenlijk de inhoud daarvan?

In de inwijding komt men tot een erkenning van de wet van evenwicht, de grote kracht van de goddelijke harmonie. Deze harmonie wordt niet alleen astrologisch uitgedrukt, maar ook in verdere verhoudingsgetallen en eigenschappen. Op grond daarvan kwam men in de oudheid tot het stellen van de zgn., tempelmaagden of tempelgodinnen. Zij waren verplicht om zich te onthouden van elk seksueel verkeer, behalve wanneer een zgn. engel of ingewijde tot hen kwam. Zij hadden zelf een geestelijk peil bereikt dat voldoende hoog was en gingen dan na de bevruchting de wereld in. Dit eerste kind dat zij droegen, was dus een kind dat zonder hartstocht ontvangen was en dat ‑ volgens elke waarde en waardering die men maar kende ‑ zo harmonisch mogelijk was en zoveel mogelijk in overeenstemming met de wet van evenwicht, met de goddelijke harmonie. Dit bracht met zich mee dat men dus kon komen tot een zo perfect mogelijk mens.

Wanneer wij sedertdien de ontwikkeling nagaan, komen wij tot enkele ontstellende ontdekkingen. In de eerste plaats dat de nadruk die op het seksuele is gelegd, steeds meer de verkeerde kant is uitgegaan. Men spreekt misschien over zedeloosheid of bandeloosheid in deze dagen. Maar of wij nu gaan kijken in Rome, in het rijk van keizer Karel, die er ook een zeer behoorlijk aantal concubines op nahield, in de middeleeuwen (vroege middeleeuwen of late middeleeuwen), altijd weer vinden wij datzelfde terug, een verkeerd begrip van de seksuele functie. Dat betekent dat door het kiezen van niet harmonische partners de wetten van evenwicht in de voertuigen van de mensen vermoord werden. Onevenwichtigheid is het noodzakelijke resultaat van een dergelijke wijze van paring. Daarnaast heeft men een laten wij zeggen bijna buitennatuurlijk belang gehecht aan het seksuele als genotsmiddel, maar ook als een factor in de maatschappij. Ook dit is in strijd met de goddelijke wetten. Daardoor staat u dus zelf in een wereld, waarin het grootste gedeelte van de mensen absoluut disharmonisch is. Niet alleen maar wat betreft hun eigen wezen, maar vooral wat betreft hun voertuig.

Deze onevenwichtigheid kan niet zonder meer gecompenseerd worden. In een nieuwe tijd zal langzaam maar zeker de mensheid moeten toegroeien naar een punt, waar men wederom tracht het volmaakt evenwichtige voertuig te scheppen, waarin de volmaakt evenwichtige geest een onmiddellijk contact met het Goddelijke kent en gelijktijdig toch komt tot een uitdragen van de goddelijke wil op aarde. Maar tot op heden is dat niet zo. Wij moeten beginnen in alle dingen rekening ermee te houden dat de voertuigen die wij rond ons zien, absoluut onevenwichtig zijn. En onevenwichtigheid kun je alleen compenseren door daar een anders gerichte onevenwichtigheid tegenover te stellen. Dat betekent dat een leven volgens de directe normen die als goed aanvaard worden in deze maatschappij over het algemeen niet mogelijk is. En verder dat een zich volledig en stipt houden aan die normen voor velen betekent een onnodige zelfkwelling, een onnodig aantal problemen en vooral, een steeds groter innerlijke onrust, die eigen kracht en daadkracht begint te verteren.

In de oudheid wist men verder dat er bepaalde zedenwetten bestaan. En die zedenwetten zijn ook alweer gebaseerd op dit evenwicht, maar nu uitgedrukt in de mens. En dan horen wij daar o.a.: het is noodzakelijk om eerlijk te zijn tegenover jezelf en tegenover anderen.

Het is noodzakelijk voortdurend te beantwoorden aan je eigen maat­staven van goed. Het is voortdurend noodzakelijk om in je hele leven te zoeken naar een zodanig tevreden zijn (niet bevredigd maar tevre­den zijn) dat een aanvaarding van de gehele wereld, als door God be­zield, mogelijk wordt. Want de wereld is één geheel. Daaraan kunnen wij niet ontkomen. Of je nu in de stof bent of in de sferen, deze eenheid blijft voortbestaan. In deze eenheid te leven betekent je even­wicht vinden en in dat evenwicht God.

Toch is het niet voldoende om alleen je evenwicht te herstellen. In deze onevenwichtige wereld zou men allicht denken: nu ja, goed, wij zijn dan onevenwichtig in onze voertuigen en wij zullen dat ongeveer in orde maken en dan zijn wij klaar. Maar er zijn bepaalde eisen gesteld door het wezen van God zelf. En nu heb ik zo-even het woord gnosis gebruikt. Gnosis is geen stoffelijk weten. Het is wel een wetenschap. Het is een weten dat bereikt wordt door contact met het Goddelijke. Het kan ook niet in boeken worden neergelegd, het kan zelfs niet van mens tot mens worden gesproken. Het is en het blijft een innerlijk ge­heim. Die wetenschap echter is voor ons bereikbaar, wanneer wij de we­reld op de juiste manier benaderen. En in een praktische bewustwording zullen wij er altijd naar streven om nu, op dit ogenblik, zoveel mogelijk te bereiken, zoveel mogelijk te doen. Het is dus logisch dat wij, zelfs wanneer onze vorm misschien onevenwichtig is en wij daarvoor een compen­satie moeten zoeken, toch anderzijds trachten om dit hoogste beginsel reeds in deze eerste periode van een gouden tijdperk binnen onszelf sterker te wekken. Er zijn dan de volgende dingen voor nodig.

In de eerste plaats (en denkt u nu niet dat ik het weer uit den treure herhaal, maar het is zo): naastenliefde. Naastenliefde wordt uitgedrukt als een begrip van eenheid, waarbij het zeer goed mogelijk is, dat juist door dit begrip van eenheid de groei van andere waarden wordt beperkt of anders gericht. Naastenliefde is dus geen absolute deugdzaamheid of lijdzaamheid. Maar het is een ‑ ten koste van eigen wezen en krachten zo nodig ‑ richten van het totaal der schepping, opdat daarin evenwichtigheid moge ontstaan.

Ten tweede: Eenieder heeft een vrije wil. Om een wil waarlijk vrij te maken, dient de mens zich te ontdoen van het hem obsederend begeren van de hem obsederende angsten. Het is noodzakelijk moed te vergaren. In de eerste plaats moed om zonder vrees voor de dood te kunnen overgaan. In de tweede plaats moed om te kunnen leven volgens eigen inzichten en principes. In de derde plaats moed om alle offers te brengen die noodzakelijk zijn voor het bereiken van een innerlijk evenwicht.

Als wij deze hoofdwaarden nu even laten rusten, dan moeten wij terugkeren tot hetgeen wij gezegd hebben over de ontwikkeling van verschillende gaven in uzelf. En dan wil ik ook hier trachten een paar van de hoofdpunten aan te stippen. In de eerste plaats: er zijn twee factoren, die beide berusten op het goddelijk scheppend vermogen. De eerste noemt men kracht en deze is positief, de tweede noemt men macht en die is negatief. Een mens die macht begeert, zal zijn kracht verliezen. Een mens echter die kracht bezit, zal deze nimmer mogen gebruiken om zijn macht t.o.v. anderen te tonen. Alle kracht die uit het Goddelijke wordt geput, kan alleen geput worden indien dit in een dienend verband gaat. Men moet de Schepper dienen en slechts daardoor kan men de scheppende kracht voortdurend in zichzelf gewaarworden. Men kan die kracht overdragen aan anderen. Overdracht van kracht is alleen dan mogelijk, wanneer deze kracht in de ander niet wordt omgezet in macht en ook geen verstoring betekent van een noodzakelijk evenwicht binnen die mens. Er is niemand voor wie de kracht niet bereikbaar is, God is in alle dingen. Wanneer God in alle dingen is, is Hij ook in u. Wanneer Hij in u is, zult u Zijn kracht evengoed kunnen ervaren als ieder ander en zult u instrumenteel kunnen zijn voor de uiting van die kracht ten opzichte van ieder ander. Dit moet een innerlijk weten zijn, een zekerheid, waaraan men niet twijfelt. Twijfel is in vele gevallen de dood van de bewustwording wanneer het gaat om het gebruik van de zgn. occulte of paranormale waarden.

In de tweede plaats: ofschoon wij over het algemeen spreken over de uitstraling als iets wat waardebepalend is, moeten wij niet vergeten dat het gehele gebied van de schepping ingedeeld is in een reeks van frequenties, van trillingen. En nu wil ik niet zo ver gaan, dat ik abstracties ga aanhalen als de 10 Sephiroth, die Gods kracht ontvangen uit en in hun eigen trilling, waarbij hun getal 7 is, want 7 is gelijk aan 10. Dat is heel aardig wanneer u die raadseltjes kunt oplossen. In feite zijn de 10 gelijk aan de 7, omdat beide getallen een uitdrukking geven aan de goddelijke waarde, in het geval 7 aan de vormwerelden en al het daarbij behorende, in het geval 10 aan alle geestelijke werelden en al het daarbij behorende. Maar goed, er zijn dus Sephiroth, als u het zo wilt noemen (of goden, als u hen zo wilt noemen), die elk een eigen deel van de kosmos beïnvloeden. Dit zijn trilling gebieden. Die trilling gebieden zullen elkaar vaak kunnen doorkruisen zonder elkaar volkomen te beroeren. Elk deel van de schepping valt onder de heerschappij van één van die krachten, één van die trillingen. Elk van die trillingen zal t.o.v. andere trillingen in een vaste verhouding liggen. Denkt u maar eens aan dodecatonale muziek, die u misschien niet mooi vindt, maar die in een 12‑tonige scala een verhouding geeft van verschillende trillingen t.o.v. elkaar met daarbij zeer eigenaardige combinatiemogelijkheden. Waarbij wij meteen ons 12‑voud weer terug hebben, zoals u merkt.

Er zijn 12 krachtgebieden, 12 trillingen. Niet alle trillingen zijn harmonisch met elkaar. Het is noodzakelijk dat wij steeds rekening houden met de waarden die voor ons harmonisch zijn. Wanneer wij “zien”, dan hebben wij niet alleen rekening te houden met de uitstraling die wij waarnemen maar ook wel degelijk met onze eigen uitstraling. Wanneer u blauw bent, dan zult u combineren met blauw, maar ook met wit, ook met geel, in geen geval echter met groen en ook niet met rood. Wanneer u dat weet, zult u aan de hand van uw eigen uitstraling proberen zoveel mogelijk harmonische factoren rond u te verzamelen. Het is zaak zoveel mogelijk te leven in het rijk van zijn eigen kracht, zijn eigen trilling. Het is zaak om waar dit nodig is (bv. voor het volbrengen van scheppende handelingen) contact te zoeken met die gebieden die met eigen trilling harmonisch zijn. Men onthoudt hierbij: elke persoonlijke bereiking wordt het best volbracht op het eigen trilling terrein. Elke bereiking echter die scheppend is, waaruit dus voor de wereld of voor de geest iets geboren moet worden ‑ ook buiten uzelf ‑ kan alleen bereikt worden door een contact met een andere trilling die harmonisch is met de uwe. Hier hebben wij dus o.m. wisselwerkingen. En u zult goed moeten onthouden dat elke mens die werkt met de geest, zal werken met een geest van een ander trilling gebied dan zijn eigen. Beide krachten dienen echter om goede resultaten te waarborgen harmonisch te zijn.

Wanneer u “ziet”, is het noodzakelijk dat u leert alles op zijn trilling waarde te kennen. Alle trilling waarden, die niet harmonisch zijn met de uwe, worden ‑ ongeacht de schijnbare belangrijkheid van het getoonde beeld ‑ terzijde gezet. Zij zijn voor u zozeer misleidend en vreemd, dat een juiste interpretatie nooit kan plaatsvinden. Wanneer wij te maken heb­ben met trillingen, die harmonisch zijn met onze wereld, dan zal altijd een dergelijke verschijningsvorm voor ons een daad nood met mee zich brengen. Wij zullen iets moeten doen. Liggen de gebieden echter in onze eigen tril­ling, dan kunnen wij zeggen dat het hier een persoonlijke ervaring en openbaring is waarvan de betekenis t.o.v. de buitenwereld nul kan zijn, maar die in ons een versterking van de voor ons noodzakelijke goede tendensen kan betekenen.

Natuurlijk ligt dit alles nog betrekkelijk ver verwijderd van de normale praktijk in het leven. Wat u nodig heeft is niet alleen een reeks van aanwijzingen omtrent de werkingen van de kosmos zonder meer. U moet leren uzelf stoffelijk volgens uw eigen waarden en kennis aan te passen. U zult mij dus niet kwalijk nemen dat ik nu hier een paar conclusies ga trekken, die van werkelijk zuiver praktische aard zijn.

Ten eerste: Voor elke mens is het noodzakelijk dat hij elke verbittering weet te bestrijden. Verbittering bestrijden kan geschieden door de erkenning van de positieve waarden in het eigen leven met het gelijktijdig erkennen van de negatieve waarden in het leven van anderen. Het wordt daardoor mogelijk misschien niet alle dingen “goed” te heten, maar wel ze te accepteren en zo de huidige toestand voor jezelf beter te beleven. In verband hiermee is het raadzaam het verleden slechts in zoverre te doen meetellen, als men herinneringen heeft die in het heden qua ervaring nog belangrijk zijn. Verder laat men het verleden rusten en werkt men in het heden aan het heden en de zeer nabije toekomst. Wanneer U verbitterd bent, zult u hierdoor uw eigen onevenwichtigheid die waarschijnlijk stoffelijk voertuiglijk reeds aanwezig was, op het geestelijk terrein overbrengen en doen worden tot een fixatie die u zowel stoffelijk als geestelijk zeer nadelig beïnvloedt, elke uitbreiding van bewustzijn onmogelijk maakt en ‑ wat belangrijker is – gelijktijdig maakt tot een negatieve of vernietigende factor in uw eigen wereld.

In de tweede plaats: Er bestaan geen vaste waarden of waarderingen. Dit kan niet genoeg herhaald worden. Elk dogma is het fixeren van een gebeuren op zichzelf waar in één bepaald punt van de tijd, dat in alle andere punten van de tijd niet zo geldt of behoeft te gelden. Men dient open te staan voor elke leer en voor elke kracht, die gegeven wordt, die men horen kan. Men dient verder open te staan voor alle mogelijkheden die in het leven bestaan en men mag nooit trachten kunstmatig blind te zijn voor bepaalde mogelijkheden. Het erkennen van mogelijkheden betekent niet dat die mogelijkheden ook aanvaard worden, maar wel dat men aan de hand van de mogelijkheden die in het heden bestaan, een oordeel kan vellen, waardoor men in de toekomst volgens eigen vrije wil zonder zelfverblinding verder kan gaan. Neem uw besluiten nooit alleen maar na een ogenblik van nadenken. Neem ze nooit alleen omdat het nu eenmaal logisch of redelijk is dat je zoiets doet. Als u zo begint, dan gaat u zelf dogmatisch denken. Wanneer ge uzelf vastklampt aan een dogma, laat u de persoonlijke waarden teloorgaan, uw vrije wil verdwijnt in een schijnbeeld dat u voor uzelf opbouwt, in feite een psychologische afwijking.

Een derde punt. Er zijn veel verschillende begrippen mogelijk van goed. Maar voor u is maar één ding goed, nl. niet datgene wat u begeert, maar wat u voor uzelf volkomen aanvaardbaar vindt en wat bij u geen en­kel schuldbewustzijn wekt t.o.v. anderen. Vermijd elke daad waaruit een schuldbewustzijn kan voortkomen. Maar wanneer eenmaal een daad zonder dit schuldbewustzijn is gepleegd, laat u niet door latere ervaringen tot een schuldbewustzijn daaromtrent bewegen. Een nieuwe bewustwording kan betekenen dat uw waardering van goed veranderd is en het betekent ook dat uw daden veranderen moeten. Maar dit geschiedt alleen doordat uw eigen evenwichtigheid veranderd is en u dus compenserend moet werken om zoveel mogelijk althans de goddelijke harmonie in uzelf te kunnen blijven beleven.

Een vierde punt. Er zijn vele dingen in de wereld die wij moeten afwachten. De wereld wordt geregeerd door grote krachten. En er bestaat ergens een denkwereld, waarin niet alleen de goddelijke kracht zichzelf openbaart, maar waarin a.h.w. de prototypen, de oertypen van alle vor­men die ooit zullen bestaan, reeds aanwezig zijn. Vanuit die denkwereld worden bepaalde sjablonen gelegd op de voor u bestaande kleinere we­reld. De uitvoering van die sjablonen ligt in de hand van wat u noemt: goden, halfgoden en helden. Zij zijn de uitvoerders van een goddelijke wil. U bent niet sterk genoeg om daar tegenin te gaan. Binnen de sjablonen echter is het voor u zeer goed mogelijk om een eigen keuze te maken. Houdt u aan de waarde van uw eigen wereld slechts in zoverre als dit noodzakelijk is, maar dan ook geheel. Zoek daarnaast door eigen directe daadstelling en daadkracht verder te komen. Die punten vloeien onmiddellijk voort uit hetgeen ik zo-even heb gezegd.

Nu gaan wij weer een ogenblik terug naar de gedachte van de oude mystiek en de oude inwijding om het mij zo mogelijk te maken nog enkele parallellen te trekken. De oude inwijdingsgedachte, die in het christendom nog een tijdlang een voortbestaan in de graalgedachte kent, wat men noemt de Steen der Wijzen. (Of, zo u wilt, de avondmaalsbeker, volgens de legende gesneden uit één smaragd.) Deze Steen der Wijzen of deze avondmaalsbeker is natuurlijk niet een concreet iets. Het is een gedachte. Ons eigen wezen, zelfs wanneer wij alleen in de stof denken te vertoeven, neemt deel aan de goddelijke scheppende kracht en zo ook aan de goddelijke denk‑ of gedachtewereld. Wij zijn te allen tijde onmiddellijk verbonden met de grote krachten die onszelf besturen. Nu is het echter mogelijk om deze grote krachten allen tezamen tot een harmonische verhouding te brengen. Wij maken ons daarbij onafhankelijk van ons eigen trilling gebied. Dit is de bron des levens, de Steen de Wijzen, de Graal. Het is a.h.w. een direct erkennen van het middelpunt, de levende Kracht, waaruit alle verschijningsvormen zich openbaren.

Dat deze verschijningsvormen in God alle gelijktijdig bestaan, betekent nog niet dat dit voor ons werkelijk is. In de inwijdingsgedachte leren wij dan ook steeds weer dat de goddelijke gedachte als een zaad wordt gebracht in de wereld van chaos en dat zij in deze wereld van chaos zich langzaam ontplooit, totdat zij identiek is aan het beeld dat deze vrucht heeft gedragen, dus aan de goddelijke gedachte. Voor onszelf dienen wij dit aan te houden.

Voorbeelden te over zijn hiervan te vinden, want overal zien wij de levensboom, wij zien het in de stellingen van de zgn. maanrunen bij de druïden, wij kunnen dit terugvinden in de kabbala, maar ook in de gedach­ten van bv. de Germaanse wereld. In alle gevallen hebben wij te maken met een vader‑ en een moederprincipe. De harmonie tussen vader‑ en moe­derprincipe betekent eenheid. Uit vader en moeder als eenheid wordt ge­boren het kind, dat de volmaakte weergave is van vader en moeder. Maar dit kind is niet ‑ en nu moet u even goed opletten ‑ het product van een geboorte, maar van de volkomen harmonische eenwording van vader en moeder. De eenheid van vader en moeder baart de perfecte hermafrodiet, doordat zij beiden oplossend in grote harmonie tot een nieuwer en groter wezen, alle factoren binnen zich besluiten. (Dit behoeft u niet te onthouden, maar het geeft u misschien een beter inzicht in hetgeen ik nu verder wil gaan zeggen.)

Wanneer nu een leraar komt op deze wereld, dan moet hij de uitdrukking zijn van twee dingen: van geloof en van weten, beide samenkomend tot gnosis, tot goddelijk weten. Zo’n leraar kan alleen optreden in de beginperiode van een nieuwe area, van een nieuw tijdperk. Wanneer hij optreedt, is hij de verpersoonlijking van de krachten die tot uiting komen.

Is die periode, een duistere periode, bv. een ijzeren periode, de nacht van Kali, dan weten wij, dat zo’n leraar niet het doel heeft een absolute bewustwording mogelijk te maken, maar wel om de krachten van regressie a.h.w. te kanaliseren. In de oude leer zei men wel: Een ijzeren tijd is een tijd van Ahriman. Ahriman is de vader van de leugen. Indien de leugen gekanaliseerd is, zal zij de waarheid in zich blijven bergen en deze openbaren. Dat is de bedoeling geweest van bv. Jezus komst.

Het in duidelijk, dat wanneer een periode komt, waarin het geestelijke weer vrij wordt en positief, er een mentor komt die in de eerste plaats zal afkeuren. Hij zal aangeven wat niet meer deugdelijk is en daarnaast een waarheid geven in de hoop dat door het erkennen van die waarheid plus het breken met de vele gebruiken en gewoonten, die in de Ahriman‑periode, de leugenperiode zijn gevormd, de nieuwe waarheid en de nieuwe harmonie ontstaan. Die kracht werkt in iedereen. In een nieuwe meester of een nieuwe leraar is dat een culminatie, een direct contact van het Goddelijke, het Wezen Zelf, met een deel van de uiting.

Voor ons is het meestal niet mogelijk zo ver te gaan. Maar ook wij ondergaan diezelfde tendensen. En wij zullen deze ontdekken in de eer­ste plaats, doordat wij kritisch worden t.o.v. veel omstandigheden en toestanden die wij tot op dit ogenblik zonder enig aarzelen of vragen hebben geaccepteerd. In de tweede plaats zullen wij ontdekken dat wij in onszelf verbetering voelen en kennen t.o.v. bestaande waarden. Soms kunnen wij die niet uiten, wij voelen in onszelf dat wij daar­voor toch iets beters zouden moeten weten of dat we beter zouden moe­ten doen. In de derde plaats: ontevredenheid. Ontevredenheid is een aspect van het onharmonische en moet dus bestreden worden. Maar dit ontevreden zijn wordt geboren uit een erkenning van bestaande disharmonieën. Men wil de dissonanten in de schepping vervangen door consonanten, door samenklinkende factoren. Op deze wijze ondergaat ook ieder van u de thans steeds verder groeiende tendens tot geestelijk inzicht, tot geestelijke rijping.

Nu is dit een beginperiode en wij kunnen er wel zeker van zijn dat de kritiek die u voelt, ten dele onjuist is. Het aanvoelen van grote geestelijke waarden kan u bv. zeer kritisch doen staan t.o.v. openba­ringen die nog net niet dat behelzen wat u eigenlijk reeds verwacht, maar wat u in feite nog niet kunt verwerken. Zij kunnen u zeer kritisch, ja, soms op een sarcastische manier kritisch zelfs doen staan t.o.v. vaste instellingen, zoals geloof, sociale structuur. Het is niet zonder reden, want u voelt dat deze dingen onjuist zijn. U voelt aan dat ze absoluut niet deugen in deze vorm. Op zichzelf is uw kritiek wel ge­rechtvaardigd. Maar u bent niet in staat het zonder dit geloof of zonder deze instellingen te doen. U bent niet in staat deze te veranderen of te verbeteren. Wanneer u naar buiten blijft denken, dan blijft u exo­terisch handelen. Exoterisch handelen in een esoterische periode bete­kent altijd mislukking. Alle kritiek naar buiten toe gevoeld, moet wor­den omgezet in een zekerheid van komende krachten van het goed binnen het eigen persoonlijke leven. Elk begrip van verbetering t.o.v. de buitenwereld ontstaan, moet worden omgezet in een verbeteren van eigen wezen, eigen leven en eigen persoonlijkheid.

Een typisch verschijnsel in deze maatschappij is op het ogenblik bv. het verzet tegen onvrijheid. Men voelt zich te veel gebonden, men wenst deze banden niet meer te aanvaarden en komt er vaak toe om met een haast vernietigende kritiek elke binding van de maatschappij en het gezin terzijde te werpen. U zult begrijpen dat deze houding ook weer exoterisch is en in een esoterische periode dus onjuist, onevenwichtigheden scheppend, onredelijk, bewustzijn-belemmerend. Wanneer u echter al deze waarden nu omzet in een innerlijke vrijheid, die zuiver persoonlijk wordt genoten en wel bij voorkeur op geestelijk terrein, wanneer deze vrijheid niet gebruikt wordt om een eigen bandeloosheid goed te praten maar om een eigen verantwoordelijkheid volgens eigen besef te erkennen en te aanvaarden, dan bent u in één‑klank gekomen met deze nieuwe tendens, met deze nieuwe maatschappij.

Nu zal niemand u een volmaakt of een harmonisch voertuig kunnen geven. Het onvolmaakte voertuig dat u hebt, kunt u waarschijnlijk iets dichter bij de harmonie, bij de juiste evenwichtigheid brengen. Maar niet volmaakt, dat is onmogelijk. Wij dienen dus in deze periode vooral ons te richten op het geestelijke, de geestelijke kracht en het geestelijk leven.

In de oudheid, zoals ik reeds zei, had men die inwijdingsscholen en daar kwamen inderdaad zeer vele occulte krachten voor. Ik denk hier bv. aan telepathie over ongelooflijk grote afstand, teleportatie, ook van eigen wezen, levitatie, het spreken met geesten, het ingaan in andere werelden etc. Deze dingen worden in de moderne tijd weer mogelijk.

Maar zij worden door te velen gezien als een doel of misschien ook een middel. Slechts weinigen beseffen dat zij het nevenproduct zijn van een innerlijk proces. De mens die onmiddellijk gaat streven naar het paranormale, streeft exoterisch. Hij komt daarmee in de richting van de zwar­te magie en dat is alweer een periode van dood. Hij gaat voor zichzelf teruggrijpen naar de oude en stoffelijke waarden om zo zijn geestelijk le­ven te verwerkelijken. Dat is onmogelijk, tenminste wanneer u ten goede wilt streven. Wilt u ten goede streven, een actuele bewustwording door­maken direct in verband met deze tijd, dan moet het innerlijk streven, het zoeken naar innerlijk evenwicht, innerlijke rust worden gezocht zowel langs de weg van stoffelijke compensatie als van geestelijke compensatie, totdat een directe wereldaanvaarding mogelijk is.

En dan komt vanzelf hier de praktijk weer naar voren. Wanneer wij alleen verlangen naar occulte krachten, paranormale vermogens, dan zullen wij nergens terecht komen. Dan zullen wij voortdurend stuiten op mislukkingen. Dan zullen wij zien dat wij zonder meer niet verder komen. Het is echter duidelijk dat elk innerlijk contact met het Goddelijke deze waarden als nevenproduct wekt. In de overgangsperiode waarin u leeft, is het nog aanvaardbaar zich tot het Goddelijke te wenden om daardoor deze krachten als uiting van een goddelijke wil ‑ en niet anders ‑ te verkrijgen en werkzaam te zijn daarmee in eigen wereld.

Al deze krachten worden verkregen door geloof, meditatie, zoeken naar inzicht. Inzicht verkrijgt u het eenvoudigst wanneer u leert na te denken. Nadenken kun je alleen wanneer je voldoende feiten kent. Reca­pitulatie van hetgeen men in een bepaalde periode heeft volbracht (bij voorkeur bv. per dag) is dus zeer aan te bevelen. Indien u zich realiseert waar u gefaald hebt op een dag, waar u iets goeds hebt gedaan, waar iets voor anderen hebt gedaan of waar u dit hebt nagelaten, omdat het u te lastig was of omdat u voor uzelf iets prettigers meende te vinden, dan krijgt u ook inzicht in de wijze waarop u staat tegenover God. Elke daad, elke handeling, elke gedachte is in feite niets anders dan het bepalen van eigen harmonie t.o.v. de kosmische harmonie, eigen tril­ling t.o.v. de grote, alomvattende kracht. Stel u voortdurend deze Kracht voor als volmaakt. Beroep u op die Kracht, tracht door mediteren of bid­den tot contact met die Kracht te komen. Denk niet dat dit kinderlijk is. Er zijn heel veel dingen die kinderlijk lijken zonder het te zijn. Houd er verder rekening mee dat uw eigen wereld, uw stofwereld, een aantal zgn. fysische wetten kent. Deze fysica is voor een groot gedeelte gebaseerd op het gedachteleven van de mens. De wijze waarop u bepaalde wetten aanvaardt, bepaalt hoe ze voor u werken.

Wat de geest betreft, is de instelling geheel anders. Er zijn werelden zeer nabij de uwe, waarin ook de nuance of het gebruik de enige bepa­lende wet is. Nu is gebed een nuance onder de mensen om zo het Goddelijke te benaderen, geestelijke krachten te benaderen. Gebruik het gebed dan, omdat dit volgens geestelijke wetten de juiste weg is. Het gaat niet om de inhoud, het gaat om de vorm, het gaat om het gebruik. Pas ook in an­dere dingen u aan bij gebruiken. Denk niet in de eerste plaats na over magie, maar pas u aan bij al wat ge kent aan gebruiken omtrent geestelij­ke werelden. Maak desnoods stoffelijke handelingen tot symbool van      gees­telijke verlangens. Op deze manier benadert ge de gebieden van het geeste­lijk terrein, waarin ge harmonische trillingen kunt vinden, (meestal van een andere en vaak hogere waarde), waardoor uw eigen wezen kan worden aangevuld, uw eigen vermogen tot evenwichtigheid en ook uw werking in de buitenwereld dus tenslotte wordt vergroot.

In de vorige les hebben wij erop gewezen hoeveel natuurgeesten en natuurrijken u omgeven. Bedenk steeds dat elke natuurkracht, elke elementaal, ondergeschikt is aan een oer‑persoonlijkheid, een grote gedachte, een grote persoonlijkheid of godheid die speciaal op dit terrein regeert. Wendt u wanneer het noodzakelijk is bij voorkeur tot die persoonlijkheid, maar handel in overeenstemming met hetgeen ge weet omtrent de elementalen.

Wanneer ge geestelijke lering nodig hebt, ge verlangt naar de leermeester die u innerlijk tot een steeds grotere hoogte kan opvoeren, dan is het niet redelijk om een dergelijke meester te zoeken. De kosmische wijsheid vindt voor uw trilling-gebied een verpersoonlijking in de Sephiroth, de directe godheid van uw gebied. Wendt u tot deze. In een zo groot mogelijke harmonie met deze zult ge uit uw eigen gebied de nodige impulsen verkrijgen, waardoor u contact krijgt met een meester. Dat deze uit een harmonisch gebied stammen zal, vloeit voort uit bepaalde geestelijke wetten die ik u zonder meer niet verklaren kan.

Dan nog een laatste punt. Gij zijt zelfstandig. Natuurlijk is er een grote kosmische wet, de wet van evenwicht. Maar direct daaruit komt voort, wat wij noemen oorzaak en gevolg of ook wel karma. De wetten van karma, van oorzaak en gevolg, zijn in feite wetten van compensatie, waardoor het totale evenwicht gehandhaafd blijft. Als zodanig komt alle lijden, alle misverstand, alle ongeluk enz. voort uit dat oorzaak en gevolg. In feite dus uit een verstoring van uw eigen harmonie t.o.v. de kosmos. Acht u nooit gebonden aan een karma of aan een noodlot. Weet dat voor u altijd een weg is te vinden, waardoor ge al de consequenties van een vroeger bestaan kunt ontgaan. Die weg is: ontken de waarde van het verleden, verwerp de invloed van het verleden en zoek in dit ogenblik op uw eigen wijze een zo groot mogelijke harmonie met het Goddelijke te bereiken. Wanneer u dan soms een openbaring kan worden gegeven die u ver verheft boven eigen bereiken, zal uw bewustzijn zijn aangepast aan uw streven. Is dit het geval, dan wordt alle oorzaak en gevolg nietig, waar de wet van harmonie prevaleert.

Zelfstandigheid

Zelfstandigheid. Zelf staan. Op jezelf durven steunen. Dat vraagt in zekere zin ook zelfbewustzijn. De mens die zelfstandig is, moet op zichzelf weten te vertrouwen. Hij moet een klein beetje begrijpen wat hij zelf is en wat hij zelf betekent. Pas op die manier kan hij komen tot een werkelijk goed resultaat, tot een voor zichzelf streven en voor zichzelf denken.

Maar je kunt nooit helemaal alleen staan. Er is altijd een kracht die je in stand houdt. Er is altijd ergens een gedachte op de achtergrond die voor jou de inhoud is, datgene wat je gelooft, wat je vertrouwt. En pas dan kun je staan. Dan kun je voor jezelf, ongeacht wat de wereld denkt of zegt, dan weet je voor jezelf wat goed is. Dan voel je voor jezelf wat je doen kunt en wat je moet laten. En dan pas ken je wa­re zelfstandigheid. Daarom kan ik het misschien het best zo zeggen: Kind uit licht en chaos, langzaam ontwaakt tot eigen weten, kind van gedachten en ervaren, zoekend naar eigen kracht, door bewustzijn soms in tegenstellingen uit elkaar gereten, vind je toch een keer je eigen kracht, vertrouwen en een innerlijk weten.

Wanneer je alleen met jezelf strijdt te midden van het leven, dan ken je geen eeuwigheid, dan ken je geen leven, dan ben je de slaaf van al wat bestaat. Maar op het ogenblik dat in je een kracht voor het eerst zich vernemen laat, je voelt: dit is goed en zo kan ik doen; dat is kwaad, dat zou mijzelf doen haten. Dan kun je je op jezelf verlaten, dan kun je je eigen wegen gaan, dan kun je op jezelf staan.

Het is moeilijk om zelfstandig te zijn. Het is zo gemakkelijk op anderen te bouwen en erop te vertrouwen dat anderen wel volbrengen wat je zelf niet ligt. Het is zo gemakkelijk aan anderen te laten ‑ in haast verwaande lijdzaamheid ‑ des levens strijd. Het is moeilijk voor jezelf te torsen de last van het leven. Het is moeilijk voor jezelf te streven, te denken en te zorgen, te weten: niet slechts morgen maar zelfs de hele eeuwigheid ligt nu in mijn handen. Het is mijn verantwoordelijkheid. Dit moet ik dragen.

Maar kun je aanvaarden, kun je begrijpen, dan maak je je los van al wat je steunt misschien maar gelijktijdig ook leidt in een richting, die je niet meer ligt. Dan krijg je in de wereld een ander beeld. Een nieuw gezicht rijst op, een nieuwe werkelijkheid. Je vecht je eigen strijd, je draagt je eigen lasten. Zelfstandigheid.

Zelfstandigheid blijft voortbestaan, totdat je ten laatste hebt volbracht wat nodig was om alle kracht te beseffen die rond je leeft. Dan eerst besef je dat de zelfstandigheid, die jou als pantser soms, als wapen nog omgeeft, deel is van de grote onafhankelijkheid waarin God en Zijn wezen bestaan, de eeuwige gedachte waarin jouw zijn als deel van gedachte ondergaat en toch blijft voortbestaan. Zelfstandigheid is een deel van de strijd die de waan overwint en openbaart Gods werkelijkheid.

Hiermee heb ik getracht dit onderwerp mee te verwerken in een zin waarin ik het zelf aanvoel. Er is voor ons een tijd dat zelfstandigheid nog niet goed is, omdat we te weinig weten, omdat we te weinig durven, omdat we te weinig verantwoordelijkheid willen dragen. Maar als je eenmaal wakker bent geschud en begrijpt dat je je eigen leven moet leven, dat je bewustwording je eigen verantwoordelijkheid is en je eigen taak, dan durf je misschien alle lasten daarvan te aanvaarden. En dan ben je vrij. Een heerlijke vrijheid, maar ook een zware weg.

En in deze nieuwe vrijheid vind je dan vaak – naast zware lasten en soms een kruisweg ‑ iets van die innerlijke vreugde en die innerlijke vrede, die je ‑ juist omdat je zelfstandig bent en van niemand afhankelijk – God doet aanvaarden, de goddelijke kracht doet ondergaan en je zo, zijnde wie je bent, kan doen opgaan in het eeuwig scheppingsbeeld, voor altijd deel ervan. Niet meer genoopt om te handelen en toch product van al wat je door eigen krachten hebt bereikt.

Ik moet nog even iets zeggen: Wat u nu als praktische esoterie heeft voorgeschoteld gekregen, houdt heel wat meer in dan het u misschien op het eerste gehoor lijkt. Let nu eens in de eerste plaats op die paar leefregels die worden gegeven. Die zijn veelomvattend, maar voor jezelf kun je ze in de praktijk brengen. Gebruikt u dan deze regels als aanvulling van de vorige les, dan hebt u inderdaad een mogelijkheid gekregen om voor uzelf nu een klein beetje meer baas in eigen leven te worden.