Esoterische raadselen – beschouwingen voor de vakantie 

image_pdf

16 juli 1957

Er zijn een paar punten in de esoterie, waar je eigenlijk voor raadselen wordt geplaatst. Die raadselen zijn zeker niet alleen de raadselen van de grote wereld, van God, van de schepping en het ontstaan, maar ook heel vaak de problemen van de praktijk. Je leeft natuurlijk geestelijk, je streeft geestelijk, je zoekt naar een steeds groter wordende  bewustwording en kennis maar er komt een ogenblik, dat je bewustwording en kennis in de praktijk niet meer te verenigen zijn met de wereld, waarin je leeft. En juist wanneer je op dat punt bent gekomen, wordt het noodzakelijk, dat je gaat zoeken naar de praktische waarde van de esoterische stellingen. We beginnen allereerst met het eenvoudigste. Beschouwingen voor de vakantie.

Geestelijke bewustwording betekent voor een gedeelte ontrukking aan het stoffelijk zijn. D.w.z., dat naarmate de geest verder doordringt in geestelijke werelden, nieuwe krachten en bewustwordingen, zij minder intens het stoffelijk leren gaan appreciëren, waardoor vele waarden van het stoffelijk leven, die tot op dat ogenblik belangrijk waren, terzijde worden gesteld. Dat alles is heel begrijpelijk. Maar het kan nooit het uiteindelijke doel zijn. Zoals wij reeds meerdere malen naar voren hebben gebracht, komt er een ogenblik, dat je niet meer alleen kunt werken met de stof of alleen met de geest. Het wordt noodzakelijk alle werelden, die in je bestaan, te doen samensmelten tot een geheel. En wanneer je dat gaat doen, sta je voor de grote vraag: Hoe kan ik mijn geestelijk bewustzijn op de juiste manier in de stof omzetten?

Nu wil ik hier een paar heel oude regels aanhalen. Het zijn de regels van de priester O(e)serptah, die – als ik mij niet vergis – bijna 4000 jaar voor uw eigen jaartelling leefde. Deze hogepriester – want dat was hij – leefde ook in een wereld, waarin schijnbaar dezelfde problemen op de voorgrond kwamen. Hij heeft toen getracht die problemen zo kort mogelijk – a.h.w. in een soort van tien geboden neer te leggen. En het resultaat was dit: Als eerste raad zegt hij tot de mens: “Probeer u niet bewust te zijn van een scheiding tussen stoffelijk bestaan en geestelijke bewustwording.”

Ten tweede: “Waar de stof niet volledig kan deelhebben aan de geest, kan de geest dit niet aan de stof. Het is belangrijk slechts dat intens te beleven, waaraan stof en geest gelijkelijk deel hebben.” Dit is ook heel logisch en begrijpelijk.

Maar zijn derde punt vraagt een klein beetje meer uitleg, want hij zegt op een gegeven ogenblik: “Het is dus noodzakelijk, dat de ware esotericus zowel delen van zijn geestelijk als van zijn stoffelijk zijn onbewust beleeft.”

Dat onbewust beleven is op zichzelf natuurlijk al een heel probleem. Je vraagt je af “Hoe kun je iets onbewust beleven?” Maar het commentaar, dat gelukkig later aan die wetten is verbonden, maakt het ons mogelijk hier de stoffelijke oplossing te geven en dan zal ik daar maar meteen mijn eigen visie achteraan zeggen.

In de eerste plaats zegt hij: “Daar waar de stof en de geest, samen aan ontstaat een intens beleven, waarbij de geestelijke kracht in de stof werkzaam wordt en alle bewustzijn van de stof in de geest wordt opgenomen. Wanneer er nu stoffelijke punten komen, noodzaken bv. van voedsel tot u nemen, handel drijven en verdere bezigheden, die ge geestelijk niet kunt waarderen, ofschoon er niets in uw wezen is, dat zich ertegen verzet, beleef deze dingen dan zonder erover na te denken, onderga ze, volbreng ze als een normaal deel van uw bestaan, maar tracht niet daarin enige betekenis te leggen. Wat meer is, probeer uw gevoelens zoveel mogelijk in bedwang te houden, opdat uw gevoelsleven geen deel heeft aan deze onverschillige uitingen van uw stoffelijk bestaan.”

De commentator vervolgt dan in de uitleg op die gebodene. “Ook in de geest bestaan er mogelijkheden, waaraan wij met ons stoffelijk bewustzijn geen deel kunnen hebben. Die bezigheden kunnen dus stoffelijk voor ons nooit een werkelijke betekenis hebben. Zolang wij leven in het lichaam op deze wereld, zullen wij dus te allen tijde dergelijke geestelijke belevingen moeten trachten te ontdoen van elke gevoelsinhoud, die een beïnvloeding op onze eigen wereld zou betekenen.”

Ik heb dit wel erg modern overgezet – het wordt in de commentaren zelf heel symbolisch gezegd met vergelijkingen van helden en demonen en goden maar daarop komt het neer – en dan is mijn eigen opinie over dit deel als volgt: In je leven zijn er maar een paar dingen belangrijk. Veel minder dan je denkt. Een groot gedeelte van de handelingen, die je volbrengt in je leven, zijn gebaseerd op gewoonte of op noodzaak en in zichzelf betekenen ze niets dan alleen de handhaving van een bepaalde sfeer in je bestaan. Nu kan die sfeer voor ons heel belangrijk zijn en wij mogen die sfeer niet verstoren. Maar is het nu wel noodzakelijk de volle concentratie van ons wezen te gebruiken (dus alle capaciteiten, die we bezitten) om die onbelangrijke dingen te doen. Alleen wanneer er een werkelijk bewustzijn uit kan voortvloeien, hoeft het belang. Daarom kunnen wij heel rustig veel dingen doen, die eigenlijk esoterisch of geestelijk geen enkele reden hebben, wanneer wij maar in staat zijn ons bewustzijn daarvan tegen te houden. Wanneer je geestelijk hoger leeft dan stoffelijk mogelijk is, kun je natuurlijk denken, dat het erg belangrijk is om boven die stoffelijke mogelijkheden uit te stijgen, maar op dat ogenblik kun je toch de zaak niet voor jezelf tot werkelijkheid maken. Zo goed als het onderbewustzijn van de mens stoffelijk alle handelingen – ook die niet intens worden beleefd – opslaat in een soort geheugen, zo zal ook de geest alle ervaringen, die boven het op het ogenblik redelijke peil uitliggen, in zichzelf kunnen bewaren. Ze komen dus tot uiting op het ogenblik, dat ze nodig zijn.

Wanneer wij nu die dingen gaan najagen, komen wij voor problemen te staan. Problemen, die ons terughouden in de werkelijke beleving van wat belangrijk is. Daarom is het m.i. krachtsverspilling om te ver buiten je eigen wereld te willen treden in de geest, of te zeer zuiver materialistisch en stoffelijk te willen denken en leven, wanneer je weet dat een geestelijke bewustwording mogelijk is.

Het volgende punt “Elke esoterische groei gaat gepaard met het kennen van geheimen. Het kennen van geheimen betekent de mogelijkheid deze te kunnen toepassen. Toepassen van geheimen is magie.” Daar wordt met erg veel woorden eigenlijk gezegd, dat een ieder die een goed esotericus is, ook tevens magiër behoort te zijn. Ik kan die stelling onderschrijven. Want wat hebben wij eraan, wanneer wij de grootste geestelijke gave moeten ontvangen en wij gebruiken haar niet? Wat kan het ons helpen, wanneer wij alle machten van de wereld in onszelf dragen zonder ze ooit ten bate van anderen te hebben aangewend? Het is noodzakelijk, dat wij leren gebruik te maken van de dingen, die in ons ontwaakt zijn dat wij onze kennis kunnen omzetten in de praktijk.

Nu is het heel aardig, dat de steller van die regels onmiddellijk een waarschuwing daaraan toevoegt. Die waarschuwing is ook weer heel aardig in een gelijkenis gekleed. Het gaat overeen dwerg, die probeerde een berg te verplaatsen en dat ging niet. Maar hij kon wel een paar stenen verplaatsen en dat was veel belangrijker dan al zijn pogingen om die berg te verplaatsen. Je zou het korter krachtig kunnen omzetten in moderne taal. Probeer nooit iets te doen, waarvoor je niet werkelijke capaciteiten hebt. Het is beter je krachten te beproeven op het kleine en steeds zwaardere taken voor jezelf te aanvaarden, dan een zware taak op je te nemen en te falen.

Dat is ook weer heel belangrijk. Per slot van rekening, wanneer u op u zoudt nemen een wonder te doen, een mirakel te volbrengen, dan zoudt u het waarschijnlijk niet kunnen. U heeft de capaciteiten er wel voor, maar u hebt niet geleerd ze te gebruiken. U hebt niet voldoende training. Wanneer u dat probeert te doen en het gaat niet, dan voelt u zich ontmoedigd, terneergeslagen. Dan zegt u: “Ja, bij mij gaat het toch niet.” Maar wanneer u probeert in de kleine, heel eenvoudige dingen de zaak te beheersen, dan gaat het plotseling wel. Dan blijkt u, dat u met uw bedachten, met uw geestelijke krachten soms ontzettend veel kunt doen in de stof. En dat is belangrijk. Want kunt u die kleine dingen doen, dan zult u automatisch steeds iets verder grijpen en steeds resultaten halen. U leert uw eigen sterkte, uw eigen zwakte kennen. U leert, hoe u gebruik moet maken van alle krachten, die rond u leven.

En in dit leren gebruiken van de kracht, die in en rond u is, komt u tot een bewust werken met alle vermogens, die in uzelf bestaan. Dan kan er niets belangrijker zijn dan dat. Vandaar dat het volgende punt ook zeer interessant is.

“Ware esoterie”, zegt onze schrijver, de oude priester, ware esoterie is slechts het kennen van het ik temidden van het Al. Maar het kennen van de eigen persoonlijkheid temidden van het Al  betekent gelijktijdig een bepalen van de richting, die de persoonlijkheid inslaat. Wie werkelijk bewustzijn op esoterisch gebied vergaard heeft, zal nooit en te nimmer zich afvragen: Welke richting moet ik inslaan? Indien u uzelf dit afvraagt, ondervraag dan eerst uw geest, of ge wel werkelijk een volledige ontwikkeling hebt doorgemaakt.”

Met andere woorden Esoterie is weten over andere werelden, is weten omtrent grote en hoge krachten in en rond je, ook in je eigen wereld. Het weten, dat je daar bezit, het gevoel en het ervaren, dat je hebt doorgemaakt, zijn voor jou een voortdurende stimulans. Dan ga je eenvoudig die richting uit, via ‘t zo is het goed. En dan aarzel je niet. Dan zeg je niet “Zou het nu wel, of zou het nu niet?” Dan zeg je “Dit is de juiste keuze volgens mijn beste wetten, dus die weg ga ik.”

Dat is zeer interessant, omdat daaruit voortvloeit, dat een esotericus nooit in dubio staat, nooit in twijfel staat. Iemand, die een goede esoterische achtergrond heeft, zal in alle situaties van het leven de juiste oplossing weten te vinden en de krachten weten te vinden om die oplossing tot werkelijkheid te maken. En denkt u niet, dat dit opschepperij is. Dit geldt reeds voor elk van u, zoals u hier aanwezig bent.

We gaan nog maar even verder met die oude voorschriften. Dan wordt verder een wet gegeven: “Zoals ge rust gunt aan uw lichaam, zult ge rust gunnen aan uw geest. Om de geest rust te gunnen, geef het lichaam arbeid, zoals de rust van het lichaam voor de geest en mogelijkheid tot werken betekent.”

Als je daaruit weer de conclusie gaat trekken – uit deze verkorte weergave – dan komt het eigenlijk hierop meer. Er zijn tijden, dat je zuiver lichamelijk bezig moet zijn en niet moet werken. Daarnaast zijn er tijden, dat je je lichaam werkelijk moet ontspannen en alleen geestelijk werkzaam zijn. Dit wordt aangeraden, omdat daardoor in beide factoren van het leven een onafhankelijke ontwikkeling kan ontstaan. Een lichaam, dat a.h.w. zonder denken gemerkt heeft, zich vermoeid heeft, heeft ervaringen opgedaan. De geest, die zonder de belemmeringen van het lichaam haar eigen belevingen heeft kunnen realiseren, heeft bewustwording opgedaan. De bewustwording van deze beiden samengebracht maakt het leven voor u in de stof dus tot een grotere realiteit met meer mogelijkheden, een steeds groeiende scala a.h.w. van uitdrukkingsgebied.

Daarop volgt de leer “Degene, die zich esotericus noemt en “ik” zegt, verloochent de lering, die hij zegt verworven te hebben.” Misschien een eigenaardige stelregel, maar de verklaring daarvan is simpel. Wanneer je zegt “ik” dan zonder je jezelf af van het heelal, dan begrens je jezelf. Daarmee verbreek je de banden, die je bewustwording met het hele Al heeft geknoopt.

Ik ben het met die stelling niet helemaal eens. Want ik neem aan, dat men het “ik” bewust kan uitbreiden, zodat ik het begrip “ik” rustig gebruiken kan. Maar dan betekent het een veel grotere portie van de schepping dan bij een mens, die niet bewust is en die “ik zegt. Maar goed, hoe het ook zij, onze oude hogepriester vindt het blijkbaar noodzakelijk de mens te waarschuwen tegen ik-zucht, omdat het begrip “ik” het meest fatale is, dat er kan bestaan.

Nu mag ik misschien een aardig voorbeeld aanhalen en dat is het verhaal over een paar nonnetjes. Die nonnetjes hebben ook hun regels ze mogen bv. niet spreken over “ik”, tenminste in sommige orden niet. Toen was er een zustertje, dat haar rok had gescheurd. Dat vond ze zo verschrikkelijk, dat ze naar de moeder-overste toe ging en zei “Moeder-overste, wij moeten boete doen, want we hebben onze rok gescheurd.” En het resultaat was, dat de moeder-overste inderdaad met het zonnetje de penitentie voor die onvoorzichtigheid heeft volbracht. Want het was een gemeenschappelijk bezit en de gehele gemeenschap was verantwoordelijk voor alle bezit van de gemeenschap. En daarin wordt het aardig uitgedrukt.

Ik weet het wel, heel veel van die nonnetjes kennen niet de inhoud, de betekenis van die dingen. Maar aan de andere kant komt het toch aardig naar voren, dat een gemeenschappelijke aansprakelijkheid wel degelijk kan bestaan, juist voor de bewuste mens.

De bewuste mens zal nooit zeggen “Nu ja, de wereld is slecht, maar ik ben goed.” Die zal altijd zeggen “Wij hebben gezondigd, dus zijn wij slecht en moeten wij boeten”, ook al heeft die persoon er niets aan af of toe gedaan. En dat om de doodeenvoudige reden, dat het feit, dat hij deel is van die wereld, voor hem een één-zijn met die wereld inhoudt en dus ook een verantwoording voor de wereld.

Degenen, die de duistere kanten der esoterie opzoeken, zeggen het vaak omgekeerd. Die zeggen: “door de schuld van de een moeten allen lijden.” Dat is natuurlijk niet aanvaardbaar voor de esotericus, omdat hij zegt “De enige, die straffen mag, is God.” Maar goed, het idee zit er toch in. Wij zijn allen verantwoordelijk voor alle dingen, waar we deel van uitmaken. Dan komen er nog een paar stellingen, die ik maar kort achter elkaar zal geven, maar die toch misschien wel aardig zijn om even te horen. Er wordt n.l. gezegd. “Hoe groter de lichtende geest, die u ontmoet, hoe kleiner het bewustzijn, dat ge zelf bezit.” Verder wordt er opgemerkt: “Hoe hoger ge meent te staan, hoe lager gij zijt.” En dan richt de esotericus, die oude priester, bovendien nog op: Een ieder, die meent veel te zijn, ontneemt zijn waardigheid aan alle anderen en is schuldig ten opzichte van de wereld.”

Ik noem deze drie regels tegelijk, omdat ze een aardige indruk geven van de werkelijke opvatting der esoterie. Als u nu werkelijk een hoge geest ontmoet, ben ik zelf nog niet zo ontwikkeld. Want ben ik geestelijk voldoende bewust, dan ontmoet ik geen hoge geest, maar heb ik met die hoge geest deel aan dezelfde kracht. Wanneer ik meen, dat ik hoog sta, verkeer ik in een waantoestand, omdat ik op grond van mijn eigen oordeel over anderen een oordeel uitspreek. En daarmede geef ik weer aan dat ik geen begrip heb voor de samenhang van alle dingen. Dus hoe hoger ik mijzelf acht, hoe lager ik zelf sta.

Dan is het natuurlijk ook weer heel begrijpelijk – voor iedereen zou ik zeggen – dat hieruit voortvloeit, dat de intensiteit, waarmede je samenwerkt met anderen en dus opgaat in dezelfde kracht, het belangrijkst is in het Al. Buiten dat bestaat er niets. En alle esoterie, moet uiteindelijk gericht zijn op het ontstaan van een toestand in uzelf, die zeker aan genoemde regelen voldoet.

  • U hebt zo-even gezegd Wij hebben niet te straffen, maar God straft ons. Ik zou juist zeggen. De daad straft zichzelf.

Dus, als hij zichzelf straft, straft God. Want God heeft de wet geschapen, waardoor de daad zijn eigen consequenties met zich brengt. “God straft” is een begrip, dat natuurlijk ligt in een wereld (menigeen hangt het nog aan) die primitiever is in zijn denken, dan men op het ogenblik behoeft te zijn om nog in die wereld te passen.

Maar het begrip “God straft” is heel eenvoudig te omschrijven. God is de wet. De wet is de oorzaak van het leed, dat wij ondergaan. Het zijn de fouten van ons eigen handelen, ons onbegrip voor andere mensen, voor hun leven, hun denken, hun zoeken naar bepaalde waarden, dat voor ons consequenties meebrengt. Soms bestaat er een directe relatie tussen.

Dan zeggen we “Inderdaad, de daad straft zichzelf.” In andere gevallen zeggen we “Ja, maar dat is toeval, dat mij nu juist dit moet ondergaan.” Het is dus eigenlijk een onbekende kracht, die ons ermee beproeft. Maar in feite is het steeds God, die via Zijn wetten een bepaald gebeuren als consequentie van ons eigen bestaan op ons doet afkomen en ons daarin doet lijden, vreugde doet vinden, enz. Ik zou zeggen, dat is toch eenvoudig?

  •  Zo gezien wel. Want iedere daad, die een schepsel stelt, heeft een reeks van gevolgen.

Vanuit menselijk standpunt gezien, ja. Maar laten we….

  • Maar ook geestelijke gevolgen?

Dat laatste zou ik niet altijd willen onderschrijven. Maar goed, we mogen een ding niet vergeten. Wanneer we spreken vanuit menselijk standpunt, laten we heel veel toestanden en mogelijkheden buiten beschouwing. Want misschien hebt u er nog nooit over nagedacht, maar is een daad, die u stelt t.o.v. uw eigen daad?

  • Niet altijd. Het kan zelfs een daad van een ander zijn, waartoe wij worden geïnspireerd door de een of andere toevallige omstandigheid.

Dan bent u er nog niet. Kan er een daad bestaan, zonder dat God de kracht geeft tot die daad en de toestand schept, waarin de daad gesteld kan worden?

  • Het is altijd een leiding Gods.

Ja. Het is de leiding Gods. En wanneer wij nu proberen om in de esoterie door te dringen dan moeten wij ons altijd een ding realiseren: Wij denken een daad te stellen, maar wij kunnen niets anders doen, dan voor ons realiseren, wat God af hang heeft gedaan, al tot stand heeft gebracht. Niets van wat wij doen kan dus in zichzelf kwaad of goed zijn, maar het is de wijze, waarop wij het doen en beleven, die het voor ons goed of kwaad maakt.

  • Had u het daar ook niet in de vorige les over het één-worden van het goede en het kwaad?

Inderdaad. En wij kunnen zelfs nog iets verder gaan. Wanneer het onze interpretatie is van een in-Gods-bestaande waarde, die op zichzelf goed noch kwaad is (waar ze uit God voortkomt), kunnen we nooit zeggen, dat de gevolgen van onze daden op anderen geheel op onze rekening komen. Slechts de reacties, die wij zelf hebben op deze gevolgen. (uit God geboren), betekenen in ons voor het bewustzijn een mogelijkheid van schuld of niet-schuld, van vreugde of leed.

  • Je kunt dus nooit zeggen “Het is een kwaad.” Het is eigenlijk een lering.

Ja. Dat is heel juist uitgedrukt. Wat er ook gebeurt en hoe het ook gebeurt, het is altijd een lering goor ons, indien wij tenminste geneigd zijn die lering te aanvaarden. En naarmate wij de leringen, die uit het door God gestelde in de schepping, voor ons duidelijk worden, beter accepteren, zullen wij ook minder innerlijk verzet kennen tegen de toestand, waarin wij bestaan en ook minder…….. ik wil niet zeggen “verantwoordelijkheid”, dat is niet juist, maar laten we zeggen minder gevoeligheid hebben voor de gevolgen van onze daden.

Wij zoeken dan een God in ons beleven. En de daad, die uit dit God-zoeken voortvloeit, is voor ons een daad, welke consequenties voor anderen ons niet beroert. Dat beroert alleen God en de anderen. Daar komt het dan uiteindelijk op neer. En nu is het eigenaardige, dat – omdat de gevolgen bij die anderen ons wel beroeren – wij dus op de duur door deze wijze van denken een compenserende invloed werden, die bij anderen de bewustwordingsmogelijkheid aan de hand van gebeurtenissen groter maakt.

  • Het is alleen de grote moeilijkheid, dat je dus eigenlijk naar het aanvaarden van alle dingen moet toegaan.

Dat is uw persoonlijk standpunt.

  • Maar hierin schuilt het gevaar – tenminste voor mij – dat je in sommige opzichten laks gaat worden, wanneer je bezig bent die dingen te leren aanvaarden.

Wat noemt u laks?

  • Ik ben bang, dat je laks wordt in sommige dingen, omdat je dan zegt “Je moet het doel in het oog houden.”

Kijkt u eens, laks word je hierdoor niet. Want op het ogenblik, dat je jezelf zoudt kunnen verwijten, dat je iets niet gedaan hebt, ontstaat er in jezelf een schuldbesef, dat niet weggepraat kan worden met “Dit heeft God gedaan.” Dat bewustzijn heb ik wel degelijk voor mezelf gevormd. Dus een feitelijke laksheid kan hier niet ontstaan. Tel kan er ontstaan een zeker streven, waarbij wij alle verschijnselen accepteren. Alle verandering in ons bestaan, alle verrijking, alle verarming. Dat accepteren is het aanvaarden. Maar wij kunnen niet zeggen “Ik ga daadloos zitten wachten.” Want als ik daadloos ga zitten wachten op wat God decreteert, dat in mijn leven zal gebeuren, dan zou dat inderdaad een soort laksheid zijn, waar u over spreekt. Dan heb ik voor mijzelf toch steeds weer het gevoel, dat het anders had kunnen zijn. En dit gevoel, dat het anders had kunnen zijn, gaat mijn ontwikkeling negatief. Want ik ga nu leven in het verleden, dat ik ga proberen te kritiseren en te herbeleven terwijl ik in het heden geen daad stel en dus geen werkelijke toekomstverwachting in mij draag. Dan krijg je dus een negatieve ontwikkeling, een negatieve bewustwording.

  • Maar wanneer je nu krijgt, wat in de bijbel staat “De kinderen zullen opstaan tegen de ouders”, is dat dan ook een daad afkomstig van of gedecreteerd door God?

Ja. Zelfs door alle wetten van God. Want als de kinderen opstaan tegen de ouders, is dat het resultaat van het wanbegrip van de ouders voor de kinderen. Dat klinkt erg hard, maar het is zo. Want de ouders – en dat is nu juist het belangrijke – zien in de kinderen een soort bezit. Dus met andere woorden, wij verkrijgen een verkeerde identificatie met andere delen van de schepping. Niet een aanvaarden als eenheid en gelijkwaardigheid, maar als een extensie van ons wezen, waar wij alleen zeggingskracht over hebben. Op het ogenblik, dat wij zo handelen, wekken wij automatisch het verzet (goddelijke wet), dat deze wet teniet doet. En dat het voor ons smartelijk is, dat zo’n waan gebroken wordt, ja, dat is natuurlijk maar. Maar begrijpen wij daarvan de oorzaak, dan zijn we door de bewustwording weer verder gekomen in onze conceptie van het Al.

  • Kunt u iets zeggen over het citaat van Rudolf Steiner “Bevor das Auge sehen kan, mus er der Tranen sich entwóhnen, Bevor das Ohr bemacht zu heen, must es die Schwindigkeit ihm schwinden.”

Kijkt u eens. Een traan, daar wordt hier natuurlijk niet de normale werkzaamheid van de traankliertjes mee bedoeld, maar een traan, die door leed of vreugde, in ieder geval door emotie is ontstaan. Maar het is logisch, dat die traan een teken is van een niet-reëel, niet-redelijk staan tegenover de wereld. Want daarin ligt een zelfbeklag, of zelfverheerlijking.

Kortom, daarin ligt een toestand besloten, die het ik niet meer in reëel verband met de wereld plaatst. En toch moet je in de werkelijkheid leven. Je kunt niet leven in een waantoestand.

Eerst wanneer het teken verdwenen is en daarmee de toestand, kun je in de werkelijke wereld weer dat betekenen. Om een paar voorbeelden te geven: Een kind wil zuurtjes hebben. Het krijgt ze niet. ‘t Wordt boos. ‘t Begint van woede te huilen.

Dat kent u allemaal wel. Op dat ogenblik is dat kind niet redelijk. Het zuurtje krijgt een betekenis groter dan die van de zon, van de aarde, van de ouders en alles tezamen. Het kind realiseert zich dat gelukkig niet. Maar door deze irreële houding zal het zich de hele wereld tot vijand kunnen maken, zich van de hele wereld kunnen vervreemden en niet meer in staat zijn dus om zo te handelen, als noodzakelijk zou zijn.

Nu zeggen we bij een kind “Nu ja, zo’n onredelijkheid gaat voorbij. Een kind moet nog zoveel leren.” Maar kunnen we dat ook nog zeggen van een volwassene? Neem een voorbeeld: Een volwassene heeft iemand verloren Dat is erg bitter, erg onplezierig. Daar sta je nu in het leven. Dan kun je zeggen “Ik ga verder met het leven zonder beklag, ja zelfs zonder mijzelf door verdriet naar beneden te halen. Want het leven gaat verder.” Doe je dat, dan zul je in die wereld staan als in een werkelijkheid. Dat wil zeggen, je zult begrijpen, wat die wereld voor je betekent. Je zult accepteren, wat ze voor je doet. Je zult accepteren de manier, waarop ze je tegemoet komt. Je zult ook begrijpen, wat ze van je eist. En op die manier zul je dus in het plan van de wereld verder kunnen leven en de volle betekenis van het leven ondergaan.

Maar neem eens het tegenovergestelde geval, dat je dat verdriet blijft koesteren. Van binnen of van buiten. Het behoeven per slot van rekening niet altijd tranen te zijn, die uit je ogen rollen. Vat gebeurt er dan? Dan maak je jezelf blind voor een grootgedeelte van die wereld.

Om eens een voorbeeld te noemen: Iemand, die verdriet heeft en daardoor een soort zelfbeklag kent – al wordt het meestal niet zo erkend – neemt als zijn recht de sympathie van de wereld en meent, dat daar niets tegenover behoeft te worden gesteld, want het feit, dat men lijdt, is voldoende om de sympathie, enz. te rechtvaardigen. Kijk, dat is eigenlijk een foutieve instelling. Want die sympathie blijft slechts zo lang, als het oorspronkelijk geval – de aanleiding tot de sympathie – nog levend is voor de mensen, maar dat zakt af. Blijf je aan dat leed vasthouden, dan vervreemdt die wereld. Die trekt zich terug en je ziet die wereld in een onsympathiek licht, dat in werkelijkheid niet bestaat. Daardoor ga je anders denken, dan je zou moeten doen. Dan krijg je een wereldvoorstelling, die – nu ja, neem me niet kwalijk – vaak bij de beesten af is en je wordt een beetje cynisch. Je besluit te veel je eigen leven in je zelf en als resultaat daarvan kun je eigenlijk geestelijk ook niet meer verder.

Maar stel nu eens, dat we het eerste geval hebben, dus een reële wereldaanvaarding. Dan heeft het verlies tevens een bewustzijn gewekt. Dat bewustzijn werkt stoffelijk zowel als geestelijk, zodat men stoffelijk zekere waarden kan zoeken of kan verwerpen op de juiste manier, terwijl gelijktijdig de gevoeligheid voor geestelijke invloeden wordt vergroot en men zo dus tot een reëler beleven komt van alle mogelijkheden, die erin liggen. Daarom vind ik deze zinsnede niet onjuist.

Ik heb u dit voorbeeld gegeven, maar ik zou er natuurlijk honderd andere aan toe kunnen voegen. Want het hele leven bestaat voor een mens veelal uit grotere of kleinere zelfbegoochelingen. En dat komt, doordat je jezelf te serieus neemt. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik dat zo opmerk. Je meent, dat je belangrijk bent en ziet al het andere als gebonden aan je eigen belangrijkheid. Dat druk je natuurlijk niet zo uit, maar je zegt: “Ik houd daarvan”, of “Ik zou het graag willen”, of “Het zou voor de wereld goed zijn, als het zo was”.

Maar in feite onderdruk je daarmee de eigen persoonlijkheid en de werkelijke toestanden van de wereld en pas je ze aan jouw belangrijkheid aan elke aantasting van de belangrijkheid wordt dan een wereldvervreemding.

Maar je zoekt toch uiteindelijk in het leven – of je moet tenminste zoeken – naar de werkelijkheid. En waar ligt nu die werkelijkheid? De werkelijkheid is de eenheid – ik zou haast zeggen de onverbrekelijke eenheid – die er bestaat tussen alle sferen en werelden, omdat ze alle uit dezelfde bron ontstaan zijn en voortbestaan. Daarin is niets meer of niets minder dan de ander. Maar men is ook tevens harmonisch in een binding, die niet gebroken wordt. Door niets. Ook niet door een daad of door een gedachte. Met door een dood of een geboorte. Die binding blijft bestaan. Realiseer je je dat, dan zeg je niet meer “ik” of neem je je eigen ogenblikkelijke belangrijkheid als punt om alles te bezien. Het resultaat is, dat je openstaat voor alle invloeden uit alle werelden. En naarmate je eigen bewustzijn je in staat stelt om die beter te vertalen, dus uit te drukken op een manier, dat je zelf in je eigen wereld er ook bewust van wordt, zul je a.h.w. meer kosmisch gaan leven.

Kosmisch leven, dat is de behoefte die wij hebben. Wij hebben er geen behoefte aan om afgescheiden en eenzaam te zijn. Je kunnen soms ten opzichte van een wereld of aspecten van een wereld tijdelijk een eenzaamheid zoeken, omdat we eerst ons moeten aanpassen aan een nieuwe toestand. Dat is niet kwaad. Maar wij mogen ons niet zo maar uit die wereld terugtrekken en afzonderen, nietwaar? Naarmate we intenser deel zijn – geestelijk en stoffelijk – van alle werelden, die zich voor ons openbaren, zullen wij intenser een zijn met de schepping als zodanig. Naarmate we minder de nadruk leggen op onze eigen persoonlijkheid en meer op het grote geheel, waarin we bestaan, zullen we intenser deel zijn van het geheel en dus van iets, dat dichter bij God staat dan wijzelf.

Want geestelijk gezien is het omgekeerd ten opzichte van de stoffelijke waardering, waarbij men zegt, dat het gemiddelde altijd ligt onder de top. Neen, de gemiddelde aanvaarding van God, van het Grote, is altijd intenser dan van de eenling omdat a.h.w., de grotere persoonlijkheden, de regerende krachten voor de kosmos, in de groep als eenheid zijn uitgedrukt, waar ze in het individu zelf door onbewust zijn nog een betrekkelijk kleine rol spelen. Wij worden dus a.h.w., één met de goden.

Nu mag ik u misschien herinneren aan de Hindoe-leer, waarin gezegd wordt, dat het ogenblik, dat Ataia, (dus de wereldziel) zich verveelt, hij een nieuwe God stelt. Maar hij zegt niet, dat hij die God stelt voor het hele Al, voor de kosmos, maar bv. voor de zon van de 14 werelden. Dus voor een bepaald deel van het Al. Dat is dan op het ogenblik Brahma. Wanneer wij één zijn met die kracht, met Brahma in een bepaalde vorm – de Hindoe neemt op het ogenblik aan, dat het een zekere madeo, een vorm van Shiwa dus,- dan zal elke vereniging van het eigen bewustzijn met de groep een benadering betekenen van deze persoonlijkheid, die een scheppende persoonlijkheid is, uit God geboren. Deze heeft dus veel groter bewustzijn niet alleen omtrent God, maar omtrent alle wereldmogelijkheden, die binnen God bestaan, ook de voor ons onstoffelijke. Daaruit vloeit voort, dat juist de vergroting van ons leven, van onze ervaring en van ons bewustzijn gelijktijdig betekent een vergroting van ons geestelijk vermogen. Als wij nu maar niet te trots zijn op wat wij geestelijk bereiken, maar het eerder zien als een kracht, die door ons de wereld ingaat, dan wordt de intensiteit, waarmede wij de wereld beleven zo groot, dat wij daaruit alle geluk putten.

Het eigenaardige is, dat dat geluk zich meestal stoffelijk weerspiegelt. Je moet niet denken, dat je een geestelijke bewustwording alleen ten koste van een ontkenning der materie kunt vinden. Een harmonie tussen stof en geest betekend, dat het hooggeestelijke bewustzijn gelijktijdig een verwerkelijking van alle behoeften in de stof mogelijk maakt. Soms met zekere remmingen, die niet onbeperkt behoeven te zijn. Hoe intenser je een bent met de wereld, met de mensheid, hoe groter je geestelijk bewustzijn is, hoe beter het je geestelijk en stoffelijk gaat. Want de harmonie, die je uit de kosmos verwerft, egaliseert de oneffenheden van het schijnbaar werkelijke bestaan in bv. uw stofwereld. Het egaliseert de moeilijkheden en de strijd, die je op geestelijk gebied kunt hebben en brengt daarvoor in de plaats een sereniteit, die tot basis wordt voor een grotere geestelijke bewustwording en de aanvaarding van een nog groter deel van het AL als – en dan zeg ik het misschien toch nog verkeerd, maar ik wil het toch zo zeggen – als deel van je eigen wezen. Omgekeerd jezelf als deel – misschien beter gezegd – van dit kosmisch AL, daarin opgaande en daarin de goddelijke wil vervullende.

o-o-o-o-o

  • Wilt u iets over het schone leven vertellen?

Natuurlijk wil ik daarover iets zeggen. Maar dan alleen uit geestelijk standpunt dus niet uit het standpunt van waterland op Zaterdagavond. Het schone leven. De vraag, die we ons allereerst gaan stellen, is natuurlijk: Ja, wanneer we zo zeggen “het schone leven”, hebben wij dan werkelijk gelijk? Is het leven werkelijk schoon? Wat is de schoonheid, die er in het leven schuilt, wanneer wij toch zoveel leed hebben, wanneer wij vaak zoveel tegenslag hebben, kortom wanneer het ons toch niet altijd geheel naar den vleze gaat? En als je dat uit zuiver materieel oogpunt wilt bekijken, ach, dan is het inderdaad wel wat moeilijk. Maar laten wij nu eens proberen het eerst te rationaliseren, om het daarna misschien voor een kort ogenblik te beschrijven.

Wij hebben niet om het leven gevraagd. Wij hebben niet gevraagd. “God, geef ons leven.”

Want wij hadden geen bewustzijn, toen wij werden geschapen! In zoverre zouden wij dus het recht kunnen hebben om het leven te verwerpen. Maar hoe vaak brengt het leven ons geen vreugde, geen nieuwe ontdekking?

Hoe vaak toont het leven ons niet, nieuwe impulsen, nieuwe krachten, nieuwe werkelijkheden?

Ik geloof, dat ieder van u uit eigen ervaring zal zeggen: “Er gaat haast geen dag in mijn leven voorbij, of ik heb een kleine vreugde. Er gaat haast geen ogenblik voorbij, of er is een gedachte, een nieuwe mogelijkheid tot bewustwording. Hoe kan het leven anders dan mooi zijn, wanneer je leeft .”

Leven is natuurlijk een kunst dat geef ik gaarne toe. En juist te leven in ongetwijfeld een moeilijke taak. Maar stel u voor, dat u niet zoudt leven. Stel u voor, dat u de zon niet meer zoudt zien, en de regen. Dat u de wind niet meer zoudt kunnen horen of zoudt kunnen voelen als een koele aanval op je hele wezen. Stel u voor, dat u de kleuren van de bloemen niet zoudt kennen. Dat u niet de klank zoudt leunen van een kerkklok op zondagmorgen. Stel u voor, dat u de glimlach in het gelaat van een ander niet zoudt zien. Dat er niets zou zijn dan doodse leegte, hoe ondraaglijk wordt het bestaan dan!

Hoe vol is je leven zelfs, wanneer je alleen de stoffelijke dingen neemt. Hoe wonderlijk goed is het om te bestaan. Hoe schoon is het leven, wanneer je weet, dat je leeft, dat je betekenis hebt. Wat is er mooier dan een ogenblik te weten, dat je voor een mens iets betekent. Wat is er mooier dan te weten, dat je iets hebt kunnen geven, iets hebt kunnen doen. Wat is er beter dan de vreugde van binnen, de rust van binnen, wanneer je je een ogenblik uit het gewoel van het leven terugtrekt en wat napeinst over de dingen, die gebeurd zijn. Ik geloof, dat wij op grond van de voorgaande feiten, zelfs bij een zuiver stoffelijke waardering reeds kunnen zeggen, dat het leven mooi is. Het leven is schoon, omdat het leven zelve bewustzijn, beleven, doorvoelen, kennen van vreugde en van smart betekent.

Maar het leven is meer dan dat. Want er is een geest, die leeft. En wanneer eens het ogenblik komt, dat je een stoffelijke wereld verlaat, het ogenblik, dat de poorten van de dood voor je opengaan, dan begint een andere, een nieuwe en lichtende wereld. Je bestaan gaat voort. De vreugden, die je bekend hebt, zij herleven. De smart, die je gekend hebt, zíj wordt je verklaard en verduidelijkt. Wanneer je maar eerlijk bent en het leren durft te aanvaarden, dan wordt alles opgeklaard tot een vreugde en een sereniteit in jezelf, die is als een goudenregen, zich spiegelend in een stille vijver. Het is zo’n wonderlijke cascade van licht, die in jezelf doordringt, dat je niets anders kunt zeggen dan geestelijk leven is nog, schoner dan stoffelijk leven.

En wie leeft in de stof, heeft deze verwachting voor de geest. Wie leeft in een lage geestelijke sfeer, voelt reeds de komende ontwikkeling aan van intenser licht en groter bewustzijn, van diepere vreugde en beter begrip.

Mogen wij dan niet spreken van een schoon leven? Van een werkelijk schoon leven?

Ach, in de wereld, daar kent u zelf de vreugden en de smarten. Maar laten wij voor een ogenblik eens iets tekenen van de schoonheid van het leven, zoals je die zelfs in een lagere sfeer kunt ontmoeten. Een sfeer, waarin het licht nog is als een schemering, belovende de komende zomer van een fel geestelijke zon, die je doordringt en doordrenkt.

De schemer is opgeklaard en in de verte, aan een onbestemde hemelhoepel, kondigt zich het gouden licht aan als een dageraad van bewustzijn. Het lichtend parelgrijs, dat je omringt, geeft een eigenaardige schijn aan al, wat je waarneemt. Je gaat verborgen paden in een woud.

Een woud, waarin de stilte verbroken wordt door de zang van een vogel, alsof een koor een loflied zingt over de Schepper. En je droomt van een voorbij leven. Je staat een wijle stil en je herleeft, wat eens was.

Je pad gaat verder. En bovenaan de hemel wordt het parelgrijs en teer zeegroen, roze van kleur. Een kleur als een naderende brand. En het geelgoude licht wordt scherper en scherper merkbaar.

Je pad gaat verder. In het bos ruist een stroom en een kalme waterval. En het water – als levend zilver – weerkaatst beelden, die je geluk betekenen. Dan ineens, als door een wonder, treed je uit het bos. En voor je ligt een vlakte als een grazige weide. Vlinders levend geworden bloemen, spelen in de houden stralen, die zo-even voor het eerst het leven op deze vlakte gewekt hebben. Bloemen ontplooien zich en wuiven zachtjes in een opstekende wind, alsof ze je begroeten en welkom heten. Er is vreugde in je hart, vreugde over een schoonheid, die je geheel doordrenkt.

Dan zie je een gestalte naderen. Een gestalte, vrolijk en lichtend. Daar klinkt een bekende lach en een bekende stem mengt zich in het koor der natuurstemmen, die je rond je hoort. Dan herken je jezelf in die ander en je weet: “Het leven, dat ik gebroken achtte, is weer één geworden.” En je ziel is als een bron, die overstroomt doom de zuivere vreugde van het bestaan. Hoe schoon is dan het leven. En toch is het maar een begin. Het is een lage sfeer, waarin het licht ternauwernood bewustzijn doet ontluiken. Neem een ander beeld. Een eerzame tempel, gebouwd van wit marmer en porfier. Met een open gaanderij. In het midden een kleine vlam, die brandt en gewijde geur als van waskaarsen en wierook, Je hebt stil gezeten in die tempel en in je gedachten hebben krachten gewerkt, tot langzaam maar zeker – als wolken, die de berg ontstijgen – de wereld beneden je uitdoofde, er is nog de tempel, maar de meester is heengegaan. Er brandt nog de vlamt en je bent alleen in een sidderende verwachting.

Dan – je weet niet van waar – dringen klanken tot je door. Het is als hoor je alle stemmen der wereld een lofzang zingen als hoor je de klachten van werelden in mineur een ondertoon geven, die alle tezamen van onuitsprekelijke schoonheid zijn. Een ogenblik droom je nog, ondergaand het geweldig gebeuren, tot overvloeiers toe gevuld met dit vervrachten van een nieuwe heiligheid en een nieuw ontwaken.

Dan verschemert het porfier. Het marmer wordt tot vloeibaar licht. Een wereld van kleuren ontstaat. En in een spel van kleur en lijn en dan voel je jezelf ontrukt. Je vorm vergaat en je bent licht. Een lichtstraal, spelend met lichte stralen, gaande van kleur tot kleur, zoekend en purend de volheid van alle wezens, in jezelf wordend tot licht en zon. Een ogenblik nog priemt je denken neer. En in die oude sfeer staan ze daar vol verwondering te kijken naar de vlakte, waar een ogenblik een lichtende zuil zich ten hemel verheft, schemerend in ongekende kleuren.

Dan aanvaard je het nieuwe bestaan, Een nieuw denken, een nieuw weten, een nieuw leven zonder grens. Je speelt als een straal van het licht, gaande van einder tot einder, doorkruisend heel het Al. En alle stemmen worden in je wakker. Ze spreken tot je en fluisteren je toe hun diepste geheimen. De melodie van het scheppend wezen klinkt in wondere akkoorden. En het is of je dansen moet, dansen als een kind, gevangen door een melodie, oneindig groot en toch intiem klein. Je zingt je lied en je danst. Je danst en je wijsheid wordt groter en je vereent je met anderen. Licht wordt geboren en herboren. In de volheid van je bestaan ontwaak je nu tot nieuwe vreugde en tot nieuw weten. Was ooit het leven zo schoon?

Maar verder voert de weg. In de warreling van kleuren en klanken wordt de state geboren. De stem, die zong met de anderen, dooft. Te vol is je wezen van vreugde en vrede te vol is je ziel, geladen met de geheimen der schepping. Je trekt je terug in jezelf …. en wordt herboren..

Een bol van licht, gaande in het duister, dat in zijn vreemde donkere tinten de luister verkondt van al wat leeft. En je zwerft en je droomt. Schemerende kleuren omhullen je: de gedachten, die door je wezen gaan. Het is alsof lichtende kracht uit het duister tot je vloeit. Je wezen groeit en groeit een bol, gespannen met een draad van de wereld tot oneindigheid.

De tijd vergaat en je weet het niet want het is de vreugde, die in je hart komt. Het is de vreugde, die het schemerende kleurenspel tekent, dat je voor anderen nog kenbaar maakt.

De volheid van je wezen is een bron. Je keert tot een tempel in en je spreekt tot hen, die wachten op een nieuw ervaren. Je gaat door de wereld en geeft de mens licht en bewustzijn.

En al hun vreugden, al wat je geeft, keert tot je terug. Zo groot wordt de vreugde, dat het lichtende hart van je lichtende zijn breekt. En je wezen vloeit uit tot heel het AL. Een licht, dat een wijle het duister verdrijft en zich er mee vervlecht, tot het één wordt met het licht, tot het een wordt met licht en leven.

Hoe wonderlijk is de gave van het leven, dat deze schoonheid, deze wonderlijke beleving mogelijk maakt. Hoe wonderlijk is het, dat in ons allen het zaad va die grootheid ligt. En zelfs dan staat de reis niet stil.

Het AL vervult zich van vibrerend geluk, van levende kracht en scheppingsdrang. En uit het duister baar je werelden. Werelden en zonnen. Je speelt met een bewustzijn, dat groeit.

Bewustzijn door onbewusten geïncarneerd in jouw schepping. En al hun lijden en hun geluk is jouw ervaren. Je bent niet eenzaam omdat steeds weer zielen tot je opgaan. En je voelt een vrede zonder gelijke. Je kent een vreugde, die zijn weerga niet heeft. Dan wordt die vreugde tot ervaren, het ervaren tot aanvaarden. Weg vloeit het laatste bestaan in een volheid, die geen woord kan tekenen. Het leven is tot leven teruggekeerd. En het leven is schoon!

Het zijn maar een paar beelden. Helemaal niets bijzonders. Dingen, die wij allen kunnen doormaken. Dingen, die voor ons allemaal bestaan. Vanaf de eerste tocht door een woud van overpeinzing tot in het juichend akkoord je oplost in het leven zelf. Het is onze weg.

En wanneer je weet, dat dit je weg is en wanneer je voelt, dat zelfs nu het leven het leven waard is, omdat het zo vol is met belevingen, met bewustwording, met kleine vreugden, hoe zou je anders kunnen zeggen over hetgeen mij als onderwerp is gegeven, dan dit is het schone leven.

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

De reis van de zon.

Ik zou u wat willen vertellen over de reis van de zon. Dat sluit n.l. wel enigszins bij ons vorig onderwerp aan. De mensen weten niet wat de tocht is, die de zon maakt. Ze zien haar altijd staan, wanneer de dag komt en menen, dat ze aan de horizon verdrinkt in de zee, wanneer ze weer ondergaat. Maar ze weten niet, dat de zon zelve een reis maakt. Een heel lange reis….

Toen de aarde nog jong was en bloosde van het in haar gloeiend vuur, toen was de zon al op haar reis. En wanneer de aarde koud en oud zal worden, geen leven meer dragend, dan zal de zon misschien haar reis beëindigd hebben. Want de zon reist door het AL met een zeer bepaald doel.

Lang voordat onze zon een zon was, was zij eens een man, jong en sterk en vol van vreugde.

En deze jongeman had een vrouw lief. Maar man en vrouw konden elkaar niet geheel begrijpen en verstaan. En zo zocht elk zijn eigen weg. De man werd krijgsman, werd soldaat, werd staatsman …… ontdekte waarheden van de geest en volgde een eigen weg tot bewustwording, tot hij eindelijk herboren als lichtende bol in de ruimte stond en zelf het scheppende spel begon.

Maar de vrouw in haar nederige liefde zocht naar de vervulling van haar zijn en uit haar gedachten bloeide een wondere plant. Een bloem van levend licht, die omhoog rankte tot de troon, waar de Schepper zetelt.

Toen zei de Schepper tot haar: “Kind, keer tot mij.” Maar zij zeide “Ik ben eenzaam, Heer want een deel van mijn wezen leeft in een ander.” En toen? Toen glimlachte de Schepper en zeide: “Het is werkelijk waar en goed, dat ge de vervulling van uw wezen zoekt, een vervulling, die ge hebt erkend. Zo keer terug en schep.”

De vrouw keerde terug, de plant werd een lichtende bol, schiep planeten en werelden, waarin bewustzijn ontwaakte werelden, waarin de kosmische liefde de grote wet werd. En toen de lichtstralen door de ruimte gingen, beroerden zij uw zon. De zon, die droomde van een volmaking van zijn wezen en ondanks het geluk van het scheppend zijn zich soms wat eenzaam voelde.

De man, de zon, had nog niet geschapen, maar droomde ervan eens te scheppen. Toen nu het licht hem beroerde van de kracht, die eens zijn vrouw was, voelde hij plotseling zijn wezen zwanger van nieuwe krachten en gedachten. En rond zich schiep hij zich de planeten, wierp ze in een wervelende gang rond zich als een sabeldans. Maar het vuur was niet genoeg en de droom bleef ledig.

Zo begon de zon haar reis. Steeds verder trekt ze naar dat onbekende punt in de ruimte, waar de ster haar wacht. De ster, die het einde is van de zon en het laatst ontwaken van een geest, die eens mens was. Dan vereend en tot eenheid geworden, opgaand in de Schepper in vol bewustzijn.

Maar omdat de reis zo lang is en de zon zo, droomt van het geluk, tracht hij het geluk te scheppen. De schepselen, levend op de werelden, die de zon eens baarde, zij zijn als zon zelf. Krijgslustig in hun aard, niet kennende nog de volheid van kosmisch liefhebben, van volledig besef van alle leven. Maar telkens weer beroert een straal van de verre ster de zon en telkens weer zendt de zon die straal tot de werelden. Een stem van liefde, sprekend uit de kosmos, helpend al tot bewustzijn te komen.

De zonnereis gaat nog verder. Maar eens, wanneer het doel nabij is, zullen alle schepselen saam gekomen zijn in een bewustzijn van werkelijke eenheid. Dan zal er geen strijd meer zijn tussen mens en mens, tussen geest en geest. Dan zullen er geen planten, dieren en mensen meer leven op de werelden, maar lichtende krachten, die rond glijden over uitgedoofde planeten en in hun vuur vangen het licht van kosmisch begrip, dat aan alle kanten neerregent.

Wanneer dan de zon zijn vereniging bijna heeft gevonden, wanneer de reis bijna ten einde is, dan zullen die vele, lichtjes, die dolen over de werelden, die de zon schiep, uitspringen als herauten voor de zon uit. En zij zullen uittroepen “Ziet, het kosmisch huwelijk, is voltrokken.

De tegendelen hebben elkaar gevonden. Isis en Osiris, herboren in een liggen geknield aan de voeten van de Schepper!”

Wanneer de zonnereis teneinde is, wie weet, welke wezens dan als zon zullen leven in een nieuw AL, in een nieuw bestaan? Maar de zon zal zijn loopbaan vervuld hebben. En de ster, die zo geduldig op hem wachtte, zal – het wezen vervuld ziende – de Schepper kennen in zijn volle glorie.

Zoals de zon zijn doel toestreeft, zo streven reeds nu de schepselen hun doel toe, ook wanneer zij het niet kennen. Want in allen is de leegte, die vraagt naar aanvulling, die vraagt naar vervolmaking en groter eenheid. Die leegte is niet stoffelijk, ze is geestelijk. En het doel ligt ver, ver weg in tijd en ruimte. Zoals de zon zijn baan gaat, altijd voort, zo zal eens de mens zijn baan voltooid hebben. En – zich vervullend – zal de mens zijn als de zon. Het doel gevonden hebbend, een met de scheppende Kracht, een licht, dat in de hemel opblinkt, wanneer alles dooft. Herscheppend volgens de wil van de Schepper, barend het leven, dragend het bewustzijn en kennend de lichtende vreugde.

o-o-o-o-o

Meditatie

Weten 

Een aarzelende droom van een nieuw bestaan. Een vraag Wie ben ik? Waarom? Een bewustzijn, dat nog niet geboren is, maar reeds ziend ‘t licht, dat komt.

Bewustzijn wordt mijn wezen en wordt de werkelijkheid. Ik weet Ik ben! Het is het weten, dat verder mij geleidt.

Ik vraag: Waar zijn de grenzen van vlezen en bestaan? ‘k Vraag later naar de grenzen tussen werkelijkheid en waan? ‘k Vraag Ben ik deel van geest of ben ik deel der mensen? ‘k Wil weten wie ik ben. En alle andere wenen zijn onbelangrijk in ‘t bestaan. Ik wil mijzelf kennen en zo nog verder gaan.

En dan weet ik wat van ‘t eigen leven ik erken een wet, geschapen door God, ‘k erken een deel van m’n eigent streven en voel me geleid door een werkelijk lot, waarover bestemming ook mij is gegeven. Ik weet omtrent werelden, waarop ik leef. Ik weet van gevaren, waarvoor ik nog beef. Ik weet van een liefde, onmetelijk groot en ik weet van het raadsel, de poort van mijn dood. En het weten wordt tot begin van mijn kracht, maar niet voldoende ook om te bestaan er zijn gedachten, die hoger en krachten, die hoger, die verder, onmetelijk verder gaan.

En dan – diep in mijzelf bewogen – neem ik de wetenschap en bied ze aan, aan krachten, die in hun vermogen mij zo ver te boven gaan. En dan geef ik het weten en ik ontvang het begrijpen. ‘k Word deel van een groter werkelijkheid en voord door al, wat in mij dan ontwaakt, tot nieuw bestaan en tot weten geleid.

Maar het is weten nu omtrent andere waarden en aanvaarden van kosmos, van kosmisch bestaan. En zo durf ik te breken – voor ‘t eerst van mijn leven met ik-heid en weten, met wijsheid en eraan. Dan durf ik geheel mijzelf te vergeten en deel zijn van de Kracht, die het Al regeert. Dan ben ik door vreten bevrijd van het weten, waar mijn ziel zich vreet tot haar Schepper keert.

En daarmede heb ik dan getracht tenminste niet te onwaardig een einde voor deze avond te creëren aan de hand van het gegeven onderwerp.

Vrienden, de tijd, waarin wij samen hebben gestreefd dit jaar, is teneinde. Een ogenblik rust en we gaan verder. Verder, nog meer in de stijl, van wat u deze avond en in het verleden reeds heeft mogen horen. Want buiten het weten, buiten het denken moet er en voor u en voor ons een weg mogelijk zijn, die door ons innerlijk voert tot een begrip. Een begrip, dat de basis wordt voor u van een verdere bewustwording voor ons van een grotere kracht, om anderen dat geluk te brengen, dat wij zelf reeds – dank zij de grote Kracht, die ons leidt – hebben mogen verwerven.

Moge onze kracht in alle tijden zich verenigen in God. Dat wij zo de bewustwording gezamenlijk mogen vinden.

image_pdf