Esoterische waarde van muziek en moderne kunst

14 februari 1957

Ja, nu is aan mij deze avond de taak te beurt gevallen om met u te gaan spreken over moderne kunst. Nu ben ik eigenlijk een heel klein beetje geschrokken, toen ik zo-even hier ‑ terwijl ik klaar stond om bezit te nemen ‑ zo die term heb gehoord van moderne kunst en muziek. Dat klinkt net of je muziek geen kunst vindt. Voordat iemand daarover zou struikelen, wil ik dat natuurlijk even recht zetten. Muziek is voor ons zeer zeker ook kunst, wanneer ze tenminste beantwoordt aan de eisen, die men m. i. aan werkelijke kunst mag stellen. En dan wil ik daar graag mee beginnen.

We kunnen zo dadelijk discussiëren zolang als u wilt daarover, maar van mijn kant en natuurlijk ook van uit mijn wereld, benader ik ook het fenomeen van de moderne kunst. En dat betekent voor mij dat ik duidelijk moet maken, waarom ik een zekere waardering heb, waarom voor mij bepaalde waarden optreden juist in de moderne creaties, die door vele mensen op aarde enigszins uitgelachen en bespot worden. Ik moet verder trachten duidelijk te maken, hoe ik o.a. wijzigingen in dichtstijl, in proza ook, in verbeelding van waarden, enz. zie. En daarom stel ik voorop: Kunst is voor mij een innerlijk beleven.

Veel van hetgeen onder de klassieken kunst heet, is in feite niet veel anders dan een gedegen vakmanschap. Een vakmanschap, waarin wel degelijk de grootmeester van het penseel of van de beitel, de schepper ook met tonenreeksen, te vinden is, maar die toch per slot van rekening op de keper beschouwd niet veel verder komt dan een onderschrijving van bekende waarden. En daar blijft het dan bij stilstaan.

Je kunt zeggen: “Ook dat is een kunst.” Het kan een kunst zijn, maar alleen dan, wanneer het eigen wezen, de eigen visie daarin sterk meespreekt. Ik kan bv. een weergave van een gebeurtenis ‑ volledig neutraal ‑ kunstig vinden, omdat het moeilijk is neutraliteit te handhaven, jezelf uit te schakelen. Maar kunst kan datzelfde voor mij worden, wanneer iemand werkelijk zijn eigen wezen en ziel daarin uitstort.

Ja, en dan zullen we proberen om dat eventjes dus te omschrijven voor elk der kunsten, die ik met u hoop te bespreken, zij het in het kort. In de eerste plaats de oudste en misschien meest gedegen kunst: de schilderkunst. Want lang voordat er geschreven werd, werd er al getekend en geschilderd

Wanneer een kunstenaar iets opmerkt, wat een ander niet ziet, dus zijn speciale visie en deze weergeeft met kleuren of lijnen, gewassen gouache, in een eenvoudige pentekening of in een zwaar olieverfschilderij misschien, dan moet die kunstenaar behalve zijn speciale visie ook nog zijn beleven uitbeelden. Eerst wanneer hij iets doorleeft, geeft hij iets weer, wat voor mij kunst is. Omdat het niet alleen bij de beschouwer een soort van reactie wekt als: Dat kan elke fotograaf ook. Maar wanneer hij daar zijn eigen ziel, zijn eigen gedachtegang en zijn eigen wezen inlegt, dan zeg je; “Hé, wat een sfeer, wat een stemming.” En daar ligt nu het verschil. Een kunstig werk, dat beschouw je; een kunstwerk onderga je.

En laat ik nu de fotograaf niet al te veel beledigen ‑ al passen ze misschien niet helemaal in mijn betoog vanavond. Er zijn onder de fotografen mensen gekomen, die ‑ zij het door hun technische middelen ‑ ook eindelijk in staat zijn gebleken, juist vaak in het vangen van een enkel detail – de stemming weer te geven, Op het ogenblik dat ze dit zo doen, dat ze op een ander de emotie overdragen, kan ik zelfs hier nog van kunst spreken. U ziet, mijn opvatting van kunst is hier algemeen.

Dan krijgen we natuurlijk daaropvolgend: de letteren. Kijk eens, wanneer een schrijver iets weergeeft, dan kan hij dat op verschillende manieren doen. Hij kan een soort reportage geven, koud, zakelijk, nuchter, zo kort mogelijk de feiten weergevende. Hij kan woordkunstenaar gaan spelen en met soms wat gezwollen en melodramatische effecten, zoals sommige oudere schrijvers dat graag deden, een weergave scheppen van een of ander gebeuren, een of andere toestand. Maar is dat werkelijk kunst? Kunst wordt het, wanneer die woorden van binnenuit geboren worden.

Iemand, die zelf schrijft, zal misschien weten, wat ik bedoel. Er is een ogenblik dat je vijf woorden zou kunnen gebruiken en je weet niet precies, waarom je dat ene kiest. Maar al die andere passen niet voor jou. De betekenis blijft gelijk. Zo wordt in de reeks van woorden, in de keu­ze, in de ritmiek ook, die zeker ook in proza naar voren kan komen, een apart beeld geschapen dat buiten de directe inhoud van de woorden een ze­kere stemming brengt, de lezer beroert, meesleept, onttrekt aan een werkelijkheid en daarvoor tijdelijk een andere werkelijkheid in de plaats stelt. Dat is dan weer een kunstenaar.

In de oude tijd meende men heel vaak dat je de kunst moest wringen in een soort keurslijf. We vinden dat opmerkelijk bij de oude Chinezen, die zelfs het aantal lettergrepen van hun gedichten vaststelden en het neerschrijven van een gedachte in een gedicht als de werkelijke kunst zagen. De modernen zijn daarvan veel losser gekomen en proberen heel vaak op experimentele wijze (met gebroken rijmen en dergelijke) ook hun eigen wezen te uiten. En dan moet ik eerlijk zeggen, er zijn bepaalde stijlen in de moderne dichtkunst, die mij persoonlijk niets kunnen zeggen. Maar zelfs al zeggen zij mij persoonlijk niets, voel ik soms daarin aan, hoe een mensenziel probeert zich uit te spreken. En dan ben ik het direct met de doorsnee‑beschouwer en lezer eens, dan mag het kindertaal zijn, maar wanneer hier het eigen ik wordt uitgesproken, dan is hier ‑ primair althans ‑ sprake van kunst.

Ook de beeldhouwer. De beeldhouwer, die zich beperkt tot een driedimensionale weergave van een bestaand iets zonder meer, heeft m.i. geen enkel recht op de naam van kunstenaar, hoogstens op de naam van vakman. Op het ogenblik echter dat hij zijn eigen gedachte, zijn beschouwing of beleving, weet neer te leggen in een al dan niet uit de realiteit stammende weergave ‑ onverschillig in welk van zijn materialen ‑ dan is hij kunstenaar.

Ach, ik zou verder kunnen gaan, maar u heeft ongetwijfeld al begrepen wat ik hier probeer te betogen. Kunst moet voor mij geboren worden van binnenuit. Maar naast deze eis wil ik voor het kunstwerk dat geschapen wordt, zeker nog een tweede eis stellen. En dat is het vakmanschap. Want zonder een beheersing van je materiaal, van je gereedschap ‑ of dat nu een pen, een penseel, een beitel is of misschien alleen maar een reeks notenbalken ‑ zonder beheersing kun je geen weergave van je innerlijke toestand bereiken. Dan blijft het een gestumper, waarbij degene, die tracht weer te geven, kunstenaar kan zijn zonder ooit de productie van iets dat kunst mag heten, te bereiken.

Ik mag aannemen dat mijn standpunt nu duidelijk genoeg is. En ik zou dan allereerst graag de beeldende kunst onder de loep willen nemen.

De grootste kunst, die wij beeldend vinden in de tweedimensionale weergave, is m.i. de schets. Velen zullen me dit willen bestrijden en zeggen: “Maar de kleur heeft zoveel betekenis”. Toch ligt m.i. de schets als grondslag voor al deze dingen. En het is opvallend, hoe vele grote kunstenaars in staat zijn met enkele lijnen een vloeiend beeld te scheppen dat een zuivere impressie geeft van beweging, ja zelfs van karakter. Later wordt dit uitgewerkt, natuurlijk. Want deze lijnen zijn de innerlijk gedreven weergave op één moment. Het is een beleving van een ogenblik.

Juist deze wijze van vastlegging wordt door vele moderne kunstenaars verwaarloosd. De schets, de grondslag, het fundament voor je latere kunst­werk behoort gemaakt te worden in een inspiratief ogenblik van ervaring. De weergave daarvan ‑ onverschillig hoe je dat verder wilt doen, hetzij lithografisch, hetzij in schilderwerk met verschillende materialen of pastels ‑ is een tweede zaak. Want het ogenblik van inspiratie, dat ontvangen is en in de schets is neergelegd, dient verwerkt te worden. Deze verwerking betekent dat het probleem, de beschouwing en beleving, die gelegen zijn in de schets, eerst innerlijk moeten worden gesorteerd, verwerkt en doordacht, opdat niet een willekeurige flits van inspiratie wordt weergegeven, maar een overlegd beeld, waarin de kunstenaar inderdaad geheel uitdrukt: “Ziet, dat heb ik beleefd, zo heb ik het ervaren, dit is de waarde ervan en zo zie ik dit in kleur en lijn.”

Juist hier zondigt m.i. de moderne kunstenaar vaak. Al te velen grijpen hun penselen, mengen wat kleuren en gooien met driftige streken en lijnen een beeld op het doek, dat qua impressie misschien zijn waarde kan bezitten, maar nooit een voleinding betekent, een oplossing van een gesteld probleem, of zelfs maar een werkelijk overlegd gesteld probleem. En toch meen ik van een kunstenaar al is het maar het laatste tenminste te mogen verwachten.

Een psychologische duiding, waarbij vele kleuren en lijnen worden samengevoegd in vreemd verwrongen vlakken, waarin de scherpe stelling van tint tegenover kleur ten slotte een impressie wekt, kan goed zijn ‑ ook al begrijpt de menigte het niet. Maar daarachter moet schuilen: de bezieling, de gedachte. Vandaar dat ik in de schilderkunst helaas een groot gedeelte van het zgn. moderne werk zou willen rubriceren onder kunstenmakerij i.p.v. onder kunst. Dat neemt echter niet weg dat de ernstige scheppers, degenen die niet alleen maar proberen eens wat aardigs te maken of die zich gedrongen voelen om eventjes opschepperig een doekje te scheppen, maar mensen die hun innerlijk wezen willen uitdrukken, soms naar diezelfde lijn, diezelfde uitdrukking grijpen, die van binnenuit komt.

Het lijkt me belangrijk hier meteen even vast te stellen dat juist het psychisch werkzaam zijn bij de moderne kunst veel sterker naar voren komt dan bij alle klassieke kunsten het geval is geweest. Zeker, in de schilderkunst wordt dit voor eenieder zichtbaar. Want wij vinden hier vaak lijnstellingen terug, vlakverdelingen die ons doen denken aan het onwillekeurig geteken en gekrabbel van iemand die in gedachten verdiept is. Of aan de kinderlijke weergave van een ervaring, waarbij diepte, perspectief, zelfs zuivere vorm minder betekenis heeft dan de impressie op zichzelf. Dat een modern kunstenaar dit overlegd kan doen, moet ook voor u aannemelijk zijn.

Wanneer hij dit overlegd doet, dan komt hij niet ‑ zoals velen aannemen ‑ tot een willekeurige verwarring. Integendeel. Hij heeft een groot gedeelte van de beeldende werking ontdaan van bijzaken, van details. Het gaat om de hoofdgedachte. Voor de moderne beeldende kunst mag ik dus wel in de eerste plaats zeggen dat zij ‑ ernstig beoefend ‑ geleerd heeft de gedachte primair te stellen. Dat zij daardoor is teruggekeerd tot de zeer primitieve vormgeving en ook vaak de zeer primitieve kleurstelling. Dit neemt niet weg dat zij juist door de primitiviteit een gedachte zo scherp en zo helder kan stellen, dat zij in de ongeschoolde beschouwer vaak ‑ indien hij zich de tijd gunt het werk op zich in te laten werken en niet alleen een oppervlakkig oordeel spreekt ‑ ook in deze het probleem kan wekken en misschien zelfs de gesuggereerde oplossing.

Wanneer u enkele voorbeelden wilt van de kunst in deze moderne, vaak vormloze kunst, dan zou ik dat zo willen doen: Een mens wordt weergegeven. Bij deze mens worden verschillende bewegingsfasen gelijktijdig aangeduid. Deze aanduiding gezien de verschillende waarde van elke beweging wordt in verschillende kleuren weergegeven. De figuur van deze mens zelf ‑ door het uitdrukken van meerdere bewegingsfasen ineen ‑ wordt misschien wat fantastisch vervormd en verwrongen. We zien een mens met zes hoofden, met drie gezichten. We zien eindeloze armen en benen uitrekken en zoeken naar een plaats in de ruimte, terwijl de achterhoofden in een mengeling van tint soms zelfs tegen een dood vlak ‑ ons het geheel schijnt te willen onttrekken.

Degene, die daar voor komt te staan en probeert het te ontleden, zegt. “Wat moet dat zijn? Een danseres? Of een werkman? Ja, maar dat kan er nooit zo uitzien.” Maar wanneer men dat ondergaat, dan blijkt dat hier niet is weergegeven het beeld, zoals u dat zelf ziet, maar een impressie van de werkzaamheid van de beweging, van de dans. En er zijn kunstenaars geweest die de vloeiende lijn van een danseres hebben weten vast te leggen in verschillende tegenover elkaar gezette kleuren met daarin de korte vlakken, die de bewegende ledematen aangeven. Iemand die dat kan, is een groot kunstenaar, ook al wordt hij niet begrepen.

Mag ik een ander voorbeeld geven? Iemand piekert over deze tijd. Deze tijd, die voor zo velen van u wat hopeloos schijnt. En hij meent: “Er moet een oplossing komen.” Wat wordt nu zijn beeld? Zijn doek met een rozige herinnering aan het verleden, zal misschien een randwerk opzetten van lichtere kleur, enkele vlakken in een oranje of geel, vervloeiend en vervagend tot via bruin, grauw, grijs dan een somber blauw tevoorschijn komt. Het is alsof u kijkt in een eindeloze koker die ‑ naast u nog licht zijnde ‑ in de toekomst duisterder en duisterder wordt.

En dan zien we daar een eigenaardige figuur. Het is maar een soort bocht, daar neer geslingerd in een felgeel, bijna tegen wit aan. En dan vraag je je af: ” Wat betekent dat?” Maar kijk je, dan is het net of daar een lichtend vraagteken in de verte ligt. Die weergave is dan het gebed van de schilder om licht in een toekomst, die zelf duister ervaren wordt. En wie het beschouwt, kan het ondergaan. Hier is een gedachte, een gehele probleemstelling, een levensbeschouwing weergegeven. Vrienden, misschien begrijpt u het niet, misschien ook wel. Maar kunst is dit zeker.

En na mijn pleidooi voor de moderne schilderkunst een paar opmerkingen voor degenen die ze misschien niet zo appreciëren. U moogt niet vergeten dat uw moderne wereld u in staat heeft gesteld het natuurgetrouwe beeld weer te geven op duizend en één wijzen. Uw films brengen u in schrillere kleuren dan de werkelijkheid zelfs beelden van alle streken van de wereld. Portretten van de groten der aarde worden geprojecteerd op doeken in duizenden, ja honderdduizenden plaatsen misschien tegelijk over de gehele wereld. In Uw kranten staan beelden. Foto‑tijdschriften brengen u van overal de gegevens, de voornaamste punten, tot u overweldigt hierdoor soms denkt de hele wereld te kennen in uw huiskamer. Vroeger was het de schilder die dit deed.

Wanneer een Tintoretto zijn Venetië vangt in warme kleuren, met een lichtend spel, zodat het is alsof de lucht ademt, dan is het niet in de eerste plaats voor hem de zaak zijn impressie te geven van Venetië, maar om Venetië te tonen aan de beschouwer. Wanneer ook kunstenaars uiteindelijk, zeer kunstzinnige mensen althans, op grote doeken het oude Jeruzalem vangen of misschien het oude Scheveningen, wanneer ze een toekomstbeeld tekenen en dat in grote, ronde panorama’s ophangen, opdat de mensen kunnen kijken, dan doen ze feitelijk iets, waarvoor thans de film enz. in de plaats is gekomen.

De functie van de kunst is veranderd. De functie van de schilder, ja, ook de functie van de beeldhouwer. Want was de vroegere beeldhouwer eigenlijk degene die mensen moest verheerlijken en slechts terloops zo nu en dan een idee kon verwerkelijken, tegenwoordig is het de taak van de beeldhouwer om een idee, een gedachte, een ideaal neer te zetten, een impressie.

En wat moet een modern kunstenaar eigenlijk vaak niet weergeven? Hij moet een vernietiging weergeven van een stad. Of de opbouw van een heel land. Hij moet een geloof in de toekomst uitdrukken, universeel. Of een stil herdenken van naamlozen. Dat is heel wat moeilijker dan een standbeeld te maken van Willem I of Willem V. Het is heel wat moeilijker zelfs dan een Bijbelse figuur in zijn volle geweld uit te beelden als een Michelangelo heeft gedaan. Vergeet één ding niet: de gedachte moet levend worden in steen, in brons. Dan moet je wel zoeken naar uitdrukkingsmiddelen, die ver gaan boven het natuurlijke uit. En dan zoeken sommigen het in een spel van vlakken. Zij stellen hun vlakken zodat ‑ valt het licht juist ‑ een impressie wordt geschapen die van binnenuit doet zeggen: “God, wat mooi.” Of “Wat verschrikkelijk.” Maar ja, dat licht valt niet altijd juist. Het beeld staat niet altijd goed. En voor de beschouwer die er eenvoudig voorbijloopt is het alleen maar een zinloze samenstelling zonder meer. En dan zeg je: “Wat heeft zo’n idiote constructie te betekenen?”

De moderne kunst is soms net zo ver gevorderd als de filosofie. Dat wil zeggen, wilt ge haar argumenten en haar uitbeeldingen begrijpen, dan zult ge u de tijd moeten gunnen om haar te bestuderen. En juist voor de studie heeft de moderne mens veel minder tijd dan vroeger.

Zeker, er zijn beeldhouwers geweest, die hun plastieken hebben gemaakt en hun beelden op een wijze die misschien sensatie zoeken genoemd mag worden, maar zeker geen kunst. Die in het absurde een attractie hebben gezocht voor deze haastige tijd, die alleen maar een ogenblik zich gevangen voelt voor het opzienbarende. Maar daarnaast zijn er toch de werkelijke kunstenaars, de werkelijk modernen. Die modernen, die soms ‑ omdat het nu eenmaal niet anders gaat ‑ ook wat beeldjes maken, wat kleine plastiekjes, die u voor een paar gulden in een winkel kunt kopen, omdat ze moeten leven; maar die dromen van een weergave van hun eigen ziel. Mensen, die met hun eigen levensadem beitelen en vormen, wiens handen, knedend in klei, niet een extensie zijn van de ogen, maar van de gedachten en soms nog meer van het hart.

Wanneer u zo de moderne kunst, de moderne beeldende kunst gaat beschouwen, dan zult u misschien minder snel oordelen. U weet net zo goed als ik: er is zeer veel kitsch onder deze kunst, meer dan goed is. Er is heel veel eenvoudige productie omwille van het gewin en heel veel exploitatie van de sensatielust van de mensen. Maar het zou kunnen dat een schilder zijn ziel heeft uitgestort in dat werk dat u verachtend voorbijgaat. Daarom probeer het te beleven.

Want wanneer je een modern schilderstuk probeert werkelijk te ondergaan, zonder vooroordeel, wanneer je in de beschouwing van een modern stuk beeldhouwwerk een ogenblik jezelf durft te vergeten, dan merk je al heel gauw of het kunst is. Want wanneer je de tijd neemt en niet alleen maar kritisch er voor staat, dan zegt ze je soms iets. Wanneer een kunstwerk spreekt tot u, zodat het wordt tot een stem die in u iets weergeeft omtrent hogere waarden, omtrent idealen en gedachten, dan zal u het toch met mij eens moeten zijn dat er ook hier kunst is geboren.

Ja, misschien een beetje hartstochtelijk, dit pleidooi? Als u het niet goed vindt, kunt u dadelijk erop voortgaan. Maar ja, ik mag helaas niet alleen blijven stilstaan bij één aparte tak van kunst. Ik moet ze allemaal onder handen nemen, tot de muziek toe. En dan wil ik graag de letteren tot het laatst bewaren. Sta me dus toe op het ogenblik de muziek een ogenblikje in haar moderne bebop‑hemd te zetten. Want vooral in de muziek zien we op het ogenblik opzienbarende verschijnselen.

Muziek moet ook een beleven zijn. Zoals een oud kunstenaar het eens uitdrukte: “Soms is het of je een flard van de eeuwigheid vangt. En dan probeer je koortsachtig om het om te zetten in tonen, voordat het weer voorbij is en teloor is gegaan. En als je dan klaar bent, vindt een ander het mooi. Maar jij hoort erachter nog dat akkoord, dat je niet kon vol­tooien en dat toch leeft, ergens.”

Zo hoort muziek te zijn, ook in het amusement, ook in het lichtere genre. De muziek moet werkelijk een gedachte weergeven. Ze moet niet alleen maar een reeks van aangename ritmen zijn en een melodietje, dat iedereen zonder meer mee‑neuriet. Dat echter deze kunst, deze kunstwaarde in heel veel verschillende soorten van muziek mag liggen, zal duidelijk zijn.

Helaas hebben de mathematici zich van de moderne muziek wel heel erg meester gemaakt. Wanneer je de dodecatonale muziek hoort, heb je soms het idee, dat hier een zeer knap rekenmeester zijn cijfers heeft vervangen door tonen. Maar de wereld is geen som. En de muziek mag zeker geen verzameling van statistieken zijn, al brengen die dan nog zoveel ongewenste tegenstellingen met zich.

Neen, wanneer het gaat om de kunstwaarde, ligt die soms nog eerder in de musique concrète. De muziek die uit de klanken van het leven mecha­nisch wordt opgebouwd en die zeker in zijn weergave het herscheppende en dus de voortdurende herbeleving mist. Maar die dan toch in ieder geval vaak een eerlijke kreet, is om rust en vrede, die in zijn fantastische samen­bundeling van klanken ‑ ja, ik durf niet eens meer te zeggen: klanken ‑ van geluiden en geruis, zoekt naar een uitweg, ook al vindt ze die niet.

En daarnaast misschien de componist van het eenvoudige levensliedje. Ja, het klinkt haast komisch. En toch, wanneer je eigenlijk dat ritme eens hoort en je denkt niet aan de woorden, zit er niet iets beschrijvends in? Maar meteen ook een heel klein tikje van een beleving. Het wekt niet alleen maar een voorstelling, maar het geeft zelfs een zekere indruk. Als je zo dat liedje hoort, zoals ik het dan hoor door mensenoren ‑ ik ben misschien bevooroordeeld, hoor; niet iedereen luistert naar die dingen. Dat klinkt misschien dwaas, maar het zit erin.

En om nu even over te stappen naar iets anders dat dan ook nog wel modern genoemd mag worden, noem bv. eens een Grand Canyon‑suite. Beschrij­vende muziek, zeker. Wanneer ze daar beginnen met Sunrise en je hoort er eigenlijk zo langzaam maar zeker de kleuren ontwaken, een paar vogels kwet­teren, nou ja, dan heb je zo half en half het idee: Ja, je hebt nu wel ge­probeerd om met kleuren te schilderen en dat om te zetten in tonen, maar je bent niet helemaal geslaagd. En wanneer dan daar het pseudo‑humoris­tische bijkomt van “On the Trail” met zijn balkende ezel, die voortdurend kop­pig blijft herhalen dat het stuk nog niet uit is, ach, dan voel je je eigen­lijk eerder op een reis-filmvertoning thuis dan in een concertzaal. Maar dan ‑ in Cloudburst, daar komt een ogenblik dat de componist zichzelf ver­geet. En dat hij iets vangt van het geweld, van de wolkbreuk, die daar neer ­ruist en die de hele wereld tijdelijk betovert en verandert. En dan komt in zo’n enkel ogenblik de kunst toch weer tot uiting. Je kunt het overal vinden.

Wilt u wat meer ingaan op wat men hier in Nederland nog de modernen pleegt te noemen? En dan wil ik niet op de constructies ingaan van bv. een Pijper. Maar laten we denken aan Debussy en Ravel, die op het ogen­blik al zeer bezadigde mensen zijn geworden. Hoe speelt een Debussy het soms klaar om een manestraal, een ruisend beekje, een mijmerende mens te vangen in haast te traag verklinkende tonen? En hoe kan hij soms plotseling een jacht neerzetten, die ‑ of je wilt of niet ‑ je een ogenblik meesleept. Een mens die ongetwijfeld de oplossing zoekt in de wereld buiten. Die de oplossing ergens moet vinden. En deze lang niet altijd weet te vinden. En dan vaak met een haast humoristische vertekening even zijn probleem ertegenaan gooit en basta…daar is het dan maar.

Of voelt u meer voor een Ravel? Ravel, die ondanks alles zijn innerlijke verwarring steeds weer uitdrukt. Ook wanneer hij komt met de meer populair geworden stukken. De Bolero kent zijn melodie, zeker. En zij jaagt. Het is misschien werkelijk het aanzwellen van een naderend onheil wat erin zit. Maar in zijn wals bijvoorbeeld? Zeker, hij bouwt uit een kakofonie van geluiden een ogenblik een melodie op, zoals een mens uit zijn leven een ogenblik uit vele schijnbaar onsamenhangende feiten toch een moment dat geluk te pakken krijgt; even een beleving en dan uit. Maar hij kan er niet in blijven. Het barst weer uit elkaar. Het spat uit elkaar en het eindigt haast, zoals het begonnen is.

Kijk, daar heb je eigenlijk de toonkunst op de juiste wijze. Of de stem, waarmee de toonkunstenaar zijn instrumenten en zijn zangers doet zingen nu suikerzoet is of ‑ laten wij zeggen ‑ wrang, bitter, haast onverstaanbaar door de voortdurende tegenstellingen en dissonanten, hij kan zich vaak uitleven. Dat uitleven gebeurt even vaak in een fox‑medley of een calypso, in een wals of in een zgn. komisch stukje, een humoreske, als in zijn serenades en zijn grote magistrale werken.

Dan is één ding opvallend. De kunstenaar die wat te zeggen heeft tegenwoordig, moet kort zijn. Ook in de muziek. De meeste mensen hebben het geduld niet meer om een hele avond te besteden aan de ontrafeling van een enkel probleem. Ze voelen er niets voor om met mathematische zekerheid opgebouwd het probleem te zien groeien, waarin zich vervlechtend de oplossing komt, die dan langzaam maar zeker leidt naar de ontknoping, naar het slotkoor. De mens van tegenwoordig heeft zo veel tijd niet meer voor muziek. En hij heeft te veel muziek.

Vroeger kon een componist schrijven als een romancier. Tegenwoordig moet hij ‑ wil hij zijn idee aan de mensen werkelijk brengen ‑ een klein beetje iets weg hebben van een reclameman. Hij moet een muzikale slagzin neerschrijven. Een slagzin die treft, die iedereen neuriet en herhaalt en dit toch in zich draagt iets van een waarde, die groots is, die onwillekeurig de gedachten op een ander plan brengt.

En ja, daarin slaagt men tegenwoordig niet altijd. Want de moderne kunstenaar is ‑ evenals de wereld en zeker de moderne toonkunstenaar – een mens vol van conflicten, vol van onzekerheden, vaak instabiel. En hij is niet in staat om zo zonder meer een verklanking van dit probleem te vinden die redelijk aanvaardbaar is. En dan vervalt hij in een zoeken naar het buitengewone. Dan meent hij dat de eenvoudige structuur van de aloude muziek niet meer geschikt is om zijn stem, zijn wezen uit te drukken. En in deze zelfoverschatting verliest hij zichzelf en zijn ideeën maar al te vaak. Maar wanneer die smartkreet, wanneer die innerlijke onzekerheid en die vraag aan de wereld er nog in blijft, ja, dan wil men het toch wel kunst noemen. Ook al geef ik toe dat heel veel van de scheppende kunstenaars van deze dagen juist falen in datgene, wat voor mij muzikaal zo belangrijk is. Niet alleen in tonen ‑ dus in iets wat de mens tot in het diepst van zijn wezen kan dringen – het probleem leggen, maar ook althans een aanduiding geven van een mogelijke oplossing. De moderne muziek die zichzelf au sérieux neemt en die niet, zich aanpassend aan de tijd, met korte slagzinnen, geniaal soms, de menselijke belevingen aan anderen toeroept, verliest zich te veel in een pessimisme en te weinig in een oplossing.

Voor de herscheppende kunstenaars die we zeker ook bij de muziek niet mogen uitsluiten, zou ik het volgende willen opmerken: Elke weergave van een componist, een oude of een nieuwe, vraagt een terzijde‑stellen van het eigen wezen. Om een componist werkelijk te kunnen verklanken ‑ onverschillig met welk instrument ‑ moet je zelf worden tot een extensie van degene die de noten heeft geschreven. En dat wil zeggen dat je het muziekstuk moet hebben doorleefd. Hoe vaak faalt men daar niet.

Kortgeleden had ik ook op aarde de mogelijkheid om enkele fragmenten van een uitvoering van werken van Frank te horen. En er viel mij op dat de componist hier alleen maar een dirigent was geworden, die de eigen gevoelens van de dirigent voor het orkest moest uitdrukken. Op een dergelijke manier zien we de groten en de kleinen uit oude en nieuwe tijd heel vaak onderdanig worden aan de herscheppende kunstenaar. En in sommige gevallen moet ik zeggen is het een verbetering. Maar niet altijd. En daarom zou ik willen zeggen: “Een van de gebreken die ik in de moderne muziek vind, bij de herscheppende kunstenaar vooral, is vaak een te weinig het probleem beschouwen van de componist en te veel ingaan op zijn techniek.

En ja, dan ben ik natuurlijk nog niet compleet, wanneer ik de dansmuziek er niet bij neem. Nu kunnen we over die dansmuziek heel lang en heel kort praten. Lang laat de tijd me helaas niet toe, ik moet dus uit de aard der zaak kort zijn. De moderne dansmuziek kan met zijn ritme soms bepaalde oerdriften in de mens eenvoudig losmaken. Wanneer dit op de juiste wijze gebeurt, dan kan ze zelfs als een soort therapeutisch middel beschouwd worden, een uitlaat voor onderdrukte gevoelens en dergelijke.

Wanneer de moderne kunstenaar in de jazz‑stijl bv. gaat schrijven die via bob en swing en dergelijke als ik me niet vergis op het ogenblik op rock ‘n roll zijn gekomen, dan is dus de vraag, niet alleen de probleemstelling, maar ook het effect dat men weet te bewerkstelligen. En hier valt mij op dat de componist vaak zeer onbetekenend is; dat zijn melodie en uitwerking eigenlijk maar een zeer goedkoop, vaak nog half‑gestolen bewerkseltje zijn. Maar dat de herscheppende kunstenaar door zijn overgave ‑ niet aan de melodie maar aan de vreugde van het musiceren zelf, gedragen door het ritme ‑ soms komt tot een creatie, die ontstellend van schoonheid kan zijn. Iets wat sommigen onder u zeker niet zullen kunnen waarderen. Die zeggen: “Zo’n gillende klarinet, zo’n schetterende trompet, zo’n loeiende trombone hebben mij weinig te zeggen”. Toch zijn er ogenblikken, waarin de kunstenaar niet alleen de compositie maar ook zichzelf en zijn eigen kunnen, gedragen door ritme, gedragen door een overgave aan de vlucht uit de werkelijkheid ‑ want dat is het feitelijk ‑ komt tot een prestatie die een nieuwe wereld tekent, een andere wereld. En ik geloof dat ik niet rechtvaardig zou zijn, wanneer ik de dansmuziek dan ook maar zou afdoen met een “Nou ja, het is alleen maar om te dansen.” Neen.

Sommige componisten, maar vooral de herscheppende kunstenaars in de dansmuziek, kunnen soms op een bezielende wijze een uitlaat scheppen. Want de mensheid van tegenwoordig vlucht maar al te graag weg uit de werkelijk­heid. En in deze vlucht kan zij soms ‑ geleid door de muziek ‑ komen tot een innerlijke ontspanning, waardoor ze wel degelijk voor zichzelf een nieu­we beleving, nieuwe kracht en vitaliteit krijgt. Hier hebben we dan niet meer te maken alleen maar met de uitdrukking van een idee. Ja, in vele ge­vallen ‑ wij vinden dat bv. heel sterk in de vroege blues‑stijl van New Or­leans, maar ook nog wel in de meer technische New York‑ en Chicago‑stijl bv. voor de Jazzmuziek ‑ vinden wij de vlucht uitgebeeld op een wijze, die de mens het dragen van de werkelijkheid mogelijk maakt. En de gevoelens die­ hierin worden uitgedrukt, zijn dan heel vaak gaande van een soort van wan­hoop en lijdzaamheid door verzet tot een oplossing. “0, ik ben iemand en ik heb iets te betekenen.”

Juist daarom is het ook niet verwonderlijk dat veel van de moderne amusementsmuziek juist zijn oorsprong vindt in landen, waar kleurlingen onderdrukt zijn of waar het volk arm is. Juist hier heeft de mensheid behoefte aan het tot zichzelf en de wereld zeggen. “Kijk, ik ben iemand, ik besta, ik heb wat te betekenen.” En in deze persoonlijkheidsuitdrukking mogen wij zeer zeker ook de moderne muziek waarderen. Ook de dansmuziek.

Ja, en nu de letteren. En dat is het meest uitgebreide gebied eigenlijk, want daar zijn zoveel verschillende vormen en zoveel ‑ismen in naar voren gekomen dat de schilderkunst van de negentiger jaren er een klein kind bij is.

Ik geloof dat in een van de eerste punten die mij opvallen, de neiging tegenwoordig is om satirisch te zijn. Ook hier komt de vlucht uit de werkelijkheid naar voren. Er is een tijd geweest dat men aandrong op het realisme. Men zocht dat realisme in felle woorden en weigerde om met schoon gevlochten uitdrukkingen de waarheid te verhullen. Men sprak niet meer over een lachende vrouw, die met zwaaiende rokken de mannen lokte. Men sprak van een hoer. Men sprak niet meer over de geheimzinnig verborgen met een enkel woord aangeduide genietingen der liefde. Maar men bracht kamertjeszonde in volle uitdrukking.

Maar die tijd is voorbijgegaan. De tijd dat dergelijke dingen geheim waren, dat de onthulling daarvan een benadering van de werkelijkheid schoon te betekenen, is allang voorbij. Men heeft geleerd dat de idealen uit die tijd niet voldoende zijn. Zeker, enkelingen verlagen zich (want dat noem ik eigenlijk een verlagen) tot een beschrijving van buitengewoon seksuele feiten, psychologisch verantwoord, in de hoop, dat de goede lezer door het prikkelende van de lectuur getrokken dan toch ook schrijver en uitgever aan een redelijke beloning zal helpen. Anderen zoeken het in problemen, waarin moord en doodslag elkaar opvolgen. Ik voor mij, ik vind dat heel vaak een soort prostitutie van de kunst. En toch vinden we ook hier vaak weer mensen die een idee, een levensbeschouwing, zelfs in zo’n dramatische roman of zelfs in zo’n zoeken naar werkelijkheid, satirisch of niet, in moord en­ doodslag‑type of het schijnbaar werkelijke liefdesgedoe, naar voren weten te brengen. Ook hier zijn kunstenaars.

Ik vind het een beetje moeilijk om hier nu direct mijn mening zo weer te geven, zonder dat ik daarbij levende schrijvers moet gaan noemen. Ik kan overtuigd zijn van het eerlijk streven van deze mensen. Maar wat zij creëren is veel te vaak een constructie en geen kunst. Wanneer wij psychologisch delven in de ziel van de held en daar een Oedipuscomplex vinden dat wij gebruiken om vervolgens bepaalde verhoudingen met zijn omringende wereld daaruit te creëren en dan conflicten schoppen om vooral te bewijzen, dat Oedipus ten slotte zijn moeder terugvindt in elke vrouw, dan kan het knap werk zijn, maar het is een constructie. Het heeft voor mij minder waarde dan een eenvoudig, nuttig skelet van beton, dat je ergens neerzet om er een huis aan op te hangen.

Maar wanneer iemand een ogenblik zichzelf verliest in een figuur, eventjes zich identificeert daarmee, dan krijgt plotseling het geheel een andere toon. Dan mag literair gesproken het werk misschien van minder waarde zijn, dan zullen er fouten in zitten, maar dan leeft het. Dan spreken plotseling die mensen daar ‑ verborgen liggend achter die reeksen van letters ‑ niet alleen meer met de nuchtere stemmen van een ontleedkundige.

En dan zijn de beschrijvingen niet meer het ontleedmes dat ergens in het weefsel wordt gezet van een rauwe mensheid, een vergane mensheid. Het zijn plotseling mensen die spreken, dingen die in de beschouwer leven. Die niet alleen de sensatie wekken van “Hoe zou het aflopen?” maar die on­willekeurig de zelfbeschouwing wekken, “ja en nee ik zou dat toch zo gedaan hebben.” En haast een debat zich doen ontspinnen in de lezer tus­sen hem en de figuren van het boek. Daar heeft de kunstenaar het ware ge­schapen.

Er zijn woordkunstenaars bij geweest, die met groots geweld een natuurscène wisten te ontrollen. Die spreken van de grauwe, nevelige rotsen, die afdalen naar het dal dat reeds gehuld is in de schaduw van de nacht. De wolken die geheimzinnig drijvend naderbij komen, alsof ze zo dadelijk willen uitgrijpen met een vurige hand om alle leven te vernietigen. Ja, het is allemaal aardig, maar heeft het zin in het geheel?

Ook de woordkunstenaar heeft niet meer alleen de taak om een omgeving te beschrijven. Hij kan een sfeer creëren. Een sfeer die je soms met de meest absurde middelen bereikt. En menige moderne schrijver heeft daar – en niet altijd te zijnen nadele ‑ iets geleerd van de bizarre, barokke kunst, die Poe heeft gebracht in zijn verschillende verhalen. We vinden daar dezelfde tegenstelling tussen kleurenpracht en doodsheid. We vinden de geheimzinnig griezelige oplossing, die als een hoonlach de lezer tegen grijnst: “Hier is alleen maar ondergang en verder niets.” Dan leeft die kunst, ook wanneer de figuren wel eens een beetje te veel praten. En dan lijkt het mij helemaal geen verplichting om daar nu beschouwingen aan toe te gaan voegen over het al of niet nuttig zijn van een beperking van het woordgebruik.

Mijn persoonlijke mening wil ik hierover wel even zeggen. Mij dunkt dat de doorsneeschrijver, die een intens beleven in zich kent omtrent hetgeen hij beschrijft, met eenvoudige en simpele woorden in korte zinnen vaak met veel meer doorslagskracht kan formuleren, dan in de mooi gesponnen beschrijvingen, die bv. een Couperus nog kende. Maar dat is mijn persoonlijke mening.

En dan de dichter. Ja, vroeger ‑ ik heb het al gezegd ‑ was het woord gewrongen in een keurslijf. Hexameter na hexameter vormde gezamenlijk een drama, waarin de werkelijke helden werden vergeleken met alle Griekse goden om vervolgens, wanneer daar de zaak was uitgeput en de Olympus ontvolkt was, over te gaan naar het Walhalla en zo nog eens eventjes met een nieuwe reeks helden en beelden hetzelfde te herhalen. Op zichzelf een aardige sport, maar zelden kunst. Het wordt pas kunst, wanneer je iets voelt. 0 zeker, er zijn kunstenaars geweest, die dat in een zeer schoon woordgebruik wisten te doen. Dat heeft zeker in de ernstige stijl bv. Vondel verschillende malen gedaan. En niet in de eerste plaats ‑ als u het mij vraagt ‑ in zijn vaak zo geprezen drama’s. Vaak juist in zijn kleinere gedichten. Gedichten die tot een persoon waren gericht en waarin een ogenblik iets van de schrijver meespreekt. Soms in zijn haast fantastische beschouwing van dieren, waarin hij een diergaarde tekent, zo vrolijk en gelijktijdig ook zo vormschoon, dat zelfs een moderne lezer m.i. daarin zou kunnen opgaan.

Maar de dichter van tegenwoordig moet zoeken naar een uitdrukking van zijn innerlijk. De uiterlijke wereld beschrijven heeft zo weinig zin. Zeker, er zijn nog altijd mensen genoeg, die getroffen worden door een beschrijving van het gebroken hart, dat stervend met de bloem neder stort. Maar de doorsneemens weet dat dergelijke dingen onzin zijn. Ja, zelfs het beeld alleen, wat de woorden oproepen, is niet voldoende meer. Er moet een klank‑intensiteit zijn. En die mag niet meer altijd gebonden zijn aan het beperkte rijm.

Zeker, men heeft ook tegenwoordig nog dichters, die dichten in een vast omschreven rijmvorm. En die soms in een luchtig rondeel meer weten te zeggen over de moderne mens dan een ander in een artikel van vijf kolommen tot in een boek van 377 blz. Maar de ernst, waarmee een moderne dichter vaak zijn problemen benadert, brengt met zich mee dat hij zich van die gewone uitdrukkingswijze wil ontdoen. Ze zijn een keurslijf. Ze beletten hem te zeggen wat hij zeggen wil. En ja, dan komt hij zelfs tot een stamelend klanken‑ dadaïsme, waarin alleen klanken een indruk moeten geven, die met woorden niet meer te bereiken lijkt. Soms is dat een gebrek aan vakmanschap. Maar soms ook een eerlijk zoeken.

Vrienden, ik zou juist voor die moderne kunst een opmerking willen maken. Wanneer u dergelijke experimentele gedichten moet lezen, lees ze dan hardop. Maar beter nog, probeer ze te horen, zoals ze gezegd worden door iemand, die het kan verstaan en begrijpen. Misschien dat dan die schijnbaar zinloze klankenreeksen plotseling voor u een betekenis krijgen. Dat deze gebroken klanken en woorden, deze geluiden zonder zin, alleen al door hun klank en ritme worden tot een soort muziek, die toch duidelijker dan vele woorden een bepaalde emotie kan overbrengen. Maar geloof niet dat iedereen die met b, b begint en dan vervolgens c, c en d, d erbij haalt, nu noodgedwongen een dichter is. Het kan wel een gefrustreerd lid van de C.C.D. zijn.

Ik wil maar zeggen: Ook hier schuilt veel kaf onder het koren. En velen, die niet in staat zijn om zijn Nederlandse taal juist te schrijven, meent zich met dichterlijke vrijheid te kunnen ontdoen van al hetgeen de Nederlandse taal betekent. En voor andere landen dito. Dat is natuurlijk dwaasheid. Maar er is een ogenblik dat een enkel zeggen betekenis krijgt, waarbij we toch werkelijk moeten toegeven: “Hé, hier spreekt iets in ons aan. Het gaat hier niet meer om de verzen, het gaat hier niet meer om de lyriek van het woord, maar het gaat om de emotie, die het voortstuwt en die juist alleen door dit ritme wordt uitgedrukt. Al heeft het dan ook niets meer te maken met versvoet en rijm.”

U merkt, ik houd eigenlijk een pleidooi voor de moderne kunst. Dat moet u me niet kwalijk nemen. Want ‑ ofschoon wij dan wilden spreken over de waarden, speciaal van de moderne kunst en muziek ‑ we moeten dan ook de esoterische achtergronden daarvan even proberen te begrijpen. Zonder dat zou geloof ik mijn betoog zeker niet volledig zijn.

Wat is de esoterische achtergrond achter alle kunst? Een beleven dat zich feitelijk onttrekt aan het redelijk gekende peil van de mensheid. Een gevoelsbeleving, zult u zeggen. Maar een gevoelsbeleving gaat veel die­per dan de meesten zich voorstellen.

Men heeft vroeger wel eens gelachen om Aristomedes met zijn beschrijvingen van dromen en psychologie en gezegd dat men hier dan toch wel een idee had van de dwaasheid van die oude esoterici. Maar de tegenwoordige dieptepsycholoog staat vol verbazing stil en ontbloot vol achting het hoofd: “Ziet, hier ligt een miskend en groot mens begraven in wat woorden.”

Kijk, zo gaat het met heel veel van die dingen. Men begrijpt op het ogenblik de inhoud niet van al hetgeen wij geestelijk en bovennatuurlijk vinden. Psychologie? Nu ja, daar is men een beetje aan gewend. En dadelijk komt de dieptepsychologie in de mode en gaat men daarin ook wat doordringen. Maar de achtergronden van het menselijk wezen liggen zo ver buiten het eigenlijk gebruik der zinnen, buiten woorden en klanken, zoals u ze kent in een redelijk verband, dat juist de kunst, die zich van de redelijke normen kan ontdoen en vaak het onredelijke kan kiezen als tegenstelling tot het nuchtere, tot de rede, en zo waarden in je wekken, dat juist die kunst kan spreken tot gedeelten van uw wezen, die normaal niet te bereiken zijn. Zij kan ideeën doen doorklinken, die je niet kunt horen of begrijpen uit je eigen wereld. Die achter woorden en klanken verborgen liggen. Die ergens diep in een kleur doorzinderen, tot ze uiteindelijk bij het beschouwen in jezelf ontbranden. De waarde van de kunst is, dat een mens, die als oprecht kunstenaar intens beleeft heel zijn wezen ‑ en niet alleen maar zijn stoffelijke be­grensdheid, of zijn rede en zijn beperkte moraal, maar alles van zijn wezen erin neerlegt. Niet alleen een hartenkreet. Neen, iets uit de ziel, iets uit een geloof aan lichtender werelden, waarvan je weet en waarover je toch niet kunt spreken, omdat het zo dwaas lijkt. Een weten omtrent afgrond,­ diep leed dat op deze wereld onbegrijpelijk is. Al deze dingen kunnen door­klinken in de kunst. Die kunnen in de lijnen van een beeld liggen, in wat kleurvlakken samen gesmeten op een doek, in wat noten, die een schijnbaar zinloze loop maken boven de eigenlijke melodie uit.

Maar de mens die de invloed ondergaat via de zintuigen, voelt deze geheimzinnige semantiek van de kunstenaar. Hij voelt hoe de innerlijke betekenis anders is en veel verder ligt dan de oppervlakte doet vermoeden. En daardoor beroerd kan zij in de mens zelf een stemming wekken, een denken wekken, een realisatie, die soms niet eens doordringt tot het directe bewustzijn, maar die geestelijk en moreel de mens ten goede kan komen.

Ongetwijfeld zullen velen het een beetje overdreven vinden, wanneer ik zeg dat er meer mensen zijn bekeerd door een goed muziekstuk of door een literaire gedachte dan door een moraliserende preek. Toch is het zo. En u zult me ongetwijfeld dwaas vinden, wanneer ik beweer dat alle heiligenbeelden en afgodsbeelden van de wereld minder betekend hebben voor de mensheid dan het beleven van sommige schilderstukken, sommige primitieve weergaven, die oorspronkelijk uit de tempels worden geweerd, omdat ze niet in overeenstemming waren met het dogma dat de mens zich had gevormd,

De kunst kan de mens meer zeggen dan de mens zelf normaal kan uitdrukken. En wat meer is, de kunst kan worden tot een taal, die waarden van andere werelden en dimensies overdraagt in het heden en ook hier doet beleven. En juist dit, wat ik weet dat waarheid is, is mede reden, dat ik hier zo’n pleidooi houd, ook voor de moderne kunst. Want zelfs als het een ondergangsgedachte is, een wereldvernietiging en een wanhoopskreet, die in de kunst tot uiting komt, dan mag ze somber zijn, maar zal ze niet een waarschuwing betekenen? En in degenen, die haar beschouwen, een verzet wekken, dat doet zoeken naar betere, redelijker en eerlijke wereldwaarden?

Dat is de reden waarom wij ons nooit mogen binden aan het dogma. Waarom wij ons nooit mogen laten verblinden door wat onze voor­ouders deden, of wat redelijk en volgens de academische voorschriften ge­rechtvaardigd is. Maar daarnaast moeten wij ‑ en voor alles juist – een dergelijke experimentele kunst één eis stellen‑ de uitdrukking van een gedachte. En dan mogen we daarbij voegen: Voor de kunstenaar de eis, dat hij zichzelf en zijn werk au sérieux neemt; dat hij de techniek van zijn werken eerst bestudeert, voor hij overgaat tot een persoonlijke uitdrukking in het medium dat hem het beste ligt.

En daarmee, vrienden heb ik dan mijn betoog hier beëindigd. Zo dadelijk na een pauze kunt u alle punten, waarmee u het niet eens bent of waar u wat meer over wilt weten, rustig naar voren brengen. Ik zal ze met waar genoegen beantwoorden.

Vragen

  • Uw betoog leert mij enerzijds dat er twee maatstaven zijn voor de beoordeling van kunst: nl. de uiting van hetgeen er in de ziel van de kunstenaar omgaat; bij de beleving door de mensen ervan ten einde tot die­pere en betere gedachten te komen. Anderzijds zou het volgens U er niet toe doen, of bij de moderne kunst (bv. impressionisme) het kunstproduct niet door de mensen begrepen, laat staan diep beleefd wordt. Hoe is dit te rijmen?

Nu, daar heb je al zo’n punt, waarvan ik eigenlijk al verwacht had, aangevallen te worden. Of … aangevallen wil ik niet zeggen, maar enige kritiek te krijgen. Kijkt u eens: wanneer dit in het algemeen wordt gezegd, dan zou je dus moeten aannemen dat de kunstenaar met zijn innigste gevoelens door niemand eigenlijk begrepen wordt. Maar de praktijk wijst uit dat ook al wordt hij in zijn eigen tijd niet begrepen, dat later vaak wel het geval is. En laten we dan maar weer één van degenen nemen, die op het ogenblik in Nederland zo buitengewoon gevierd is: Van Gogh, die in zijn tijd ook voor een waanzinnige werd uitgescholden. Van wie men beweerde dat zijn schildertechniek nergens op leek. En die op het ogenblik een schoonheidsontroering teweeg kan brengen in heel veel mensen, die tegenover meer moderne kunst staan als tegenover … nou ja, een dergelijk sacrilège als men vroeger in de eerste salons van het werk van Van Gogh vond.

Ik wil hier maar mee zeggen dat het heel makkelijk is om een oordeel te vellen in het algemeen en te zeggen, dat “de mensen” het niet begrijpen. Maar wanneer een kunstwerk in een mens een gedachte kan doen ontwaken, waardoor die mens beter wordt of een dieper inzicht krijgt in zichzelf en de wereld, dan is volgens mij het bestaan van dat kunstwerk daarmee al gerechtvaardigd en is de kunst er mee bewezen.

Anders gezegd: Vroeger moest de kunst wel iets voor de massa zijn, ook wanneer het eigenlijk een luxezaak was. Maar wanneer we gaan kijken naar de grote schilders van vroeger, of u nu een Rubens neemt, een Velasquez, een Van Rijn, dan waren dat allemaal stukken, die voor de gemeenschap werden gemaakt en die in al hun uitdrukkingen rekening moesten houden met de beleving van die gemeenschap. Vandaar die grote religieuze schilderijen die vroeger bv. de mode waren. En die heerlijke advertenties, waar iedereen zo goed mogelijk op moest staan à la de Nachtwacht.

Maar tegenwoordig is de taak van de kunstenaar veranderd, omdat voor dergelijke dingen ‑ dat heb ik ook al hoop ik mee tot uitdrukking gebracht ‑ andere en betere, vluggere methoden bestaan, die aan hun doel veel beter tegemoetkomen, ook al door de mogelijkheid om deze dingen snel en veelvuldig te reproduceren. En juist daarom geloof ik dat wij bij moderne kunst niet zozeer de nadruk moeten leggen op het algemeen begrijpelijk zijn. Ze mag rustig alle objectiviteit verliezen en een zuiver subjectief ervaren veroorzaken, mits deze subjectiviteit reflexen kan wekken in enkele anderen. Dan is hiermee de kunst m.i. reeds gerechtvaardigd. En heeft dus niemand ‑ ook degenen die het niet begrijpen – het recht om dit te verwerpen als zijnde geen kunst.

Ze kunnen wel zeggen. “Hoor eens, wij begrijpen er niets van. “Dat is hun goed recht”. Je kunt heel rustig naar een Rijksmuseum toegaan of een Gemeentemuseum, het Mauritshuis, noem  maar iets, en gaat  dan eens staan tegenover de stier van Potter. Beroert hij u? Zegt hij u wat? Misschien juist die enkele vlieg, die er zozeer natuurlijk zit. Ik heb tenminste wel eens gemerkt, dat die schijnbaar op de mensen onnoemlijk veel indruk maakt. Want als je dat geestelijk waarneemt, dan zie je zoiets van een koe ‑ het is niet eens de stier van Potter, hoor, het is gewoon maar een stuk koe – maar die vlieg, die komt dan buitengewoon groot en scherp in die gedachte tot uiting, als je dat nou ontroering wilt noemen, bestaat.

Maar wat zegt die kunst eigenlijk? Zij is decoratief mooi. Maar nuttig is zij ook niet meer, ook al is ze dat misschien geweest. Tegenwoordig is voor een dergelijk groot doek absoluut geen werkelijke gebruiksmogelijkheid meer. Ja, hoogstens bij gemeenten die kapitalen verspillen om de slechts mogelijke kunst te kopen en zo zichzelf te adverteren tegenover de buitenwereld.

Maar dergelijke kunst heeft dus zijn zin voor een groot gedeelte ver­loren. Vroeger was het heel mooi, als je grote jachttaferelen had hangen in een kamer. Maar wanneer we het nu eigenlijk eens goed bekijken, was die kunst dan eigenlijk kunst of was het een soort van gesublimeerd behangsel? En als u het nu eens van die kant uit gaat bekijken, dan mag er in die oude werken veel kunstwaarde gescholen hebben, mag een kunstenaar er zijn ziel in hebben neergelegd, maar functioneel had het over het al­gemeen dezelfde betekenis als heel veel moderne kunst van heden ten dage: men liep eraan voorbij. Toch kan een enkeling erdoor beroerd zijn gewor­den, zoals ook door de moderne kunst een enkeling wordt beroerd, een nieuw inzicht krijgt. En daarmee is voor mij die kunst gerechtvaardigd. En ik geloof niet dat er veel kunstwerken zijn, die een gedachte in­houden, die alleen voor de kunstenaar begrijpelijk is, terwijl ze toch nog kunst zijn. In dergelijke gevallen hebben we meestal te maken met een ge­dachte‑gewrocht, dat expres zo onbegrijpelijk mogelijk is en die dus onbegrijpelijk is om het onbegrijpelijke; en duister symbolisch, niet omwille van de inhoud, maar om het idee, dat hij daar zo symbolisch is.

Nu ja, goed, daarnaast kan de man soms kunstenaar zijn, maar 9 van de 10 van zijn werken hebben dus geen werkelijke kunstbetekenis. Begrijpt u? Maar daar hij iets schept. ‑ ook al is dat nog zo exclusief ‑ in zijn gedachten, dat er­gens ter enigerlei tijd in een ander een bewustzijn daaromtrent kan wekken, dan is daarmee voor mij de kunst gerechtvaardigd. Dan zeg ik. “Hier is een kunstwerk geschapen, dat zeker geen veroordeling verdient.”

  • Mag ik in aansluiting hierop misschien iets vragen? U stelt dus, dat de kunst eigenlijk onderstelt een overdracht van gevoel van de kunstenaar op de beschouwer.

Inderdaad.

  • Nu lijkt het me zo, dat bij die moderne kunst dat telepathisch gevoel van de grote massa eigenlijk achterblijft. Is het niet zo dat we, wat de schilder heeft willen weergeven, niet in ons kunnen opnemen? Is het dan in wezen niet een gebrek aan telepathisch vermogen?

Ja, dat zou je soms kunnen zeggen. In het algemeen kunnen we het zo zeggen: Een kunstenaar moet om een waar kunstenaar te zijn in zijn gedach­ten voor zijn op de gedachten van de massa. Want ligt hij in de uitdruk­king van zijn gedachten gelijk aan de problemen, die op dat ogenblik zo in de massa leven, dan wordt hij door de massa verheerlijkt en daardoor in de denkwijze van de massa gevoerd en komt niet tot een uitdrukking van zijn eigen wezen in zijn kunst.

  • Ja, dat is een gevolg.

Dat is het gevolg. Maar dat houdt in dat de doorsnee‑kunstenaar aan zijn tijd enigszins vooruit moet zijn, ofwel verre bij zijn tijd ten ach­ter in zijn probleemstelling, wil hij het persoonlijke, dat m.i. inherent is aan het kunstenaar zijn, kunnen behouden in zijn werken. En dan kunt u dat stellen op telepathische normen en op psychische normen, precies zo­als u wil. Maar ik voor mij zeg: Is hier sprake van telepathie? Neen, want te­lepathie houdt in een gedachte-overdracht. En die gedachte-overdracht is hier eigenlijk niet reëel. Het is het wekken van impressies. Vandaar dat ook het impressionisme er zelfs zijn naam aan ontleent. Het is niet alleen het neerzetten van impressies, maar wel degelijk het overbrengen van impressies. Dus het wekken van indrukken in anderen. Dat is het doel van deze kunst. En dat is geen telepathie. Maar het gaat in zijn werkin­gen boven het zintuigelijke en vaak ook boven het redelijke uit.

  • En dat was bij de oudere kunst veel minder het geval, want daar sprak het beeld onmiddellijk tot de massa.

Ja, goed. Maar ook lang niet altijd. Want wanneer we ons de moeite getroosten om bv. de Borobudur te bekijken, waar je Hindoe kunst krijgt met een enigszins Griekse inslag, dan zie je daar uitbeeldingen bij, die zeker zoveel symbolen inhouden, dat ze alleen voor de kenner, de geschool­de, enige werkelijke betekenis hebben. En wanneer u wat dat betreft in uw eigen Gemeentemuseum kijkt, dan vindt u daar een symbolisch schilderij dat schijnbaar een vrouw in overgave is. Maar wanneer u het goed bekijkt, is het in feite een symbolische voorstelling van de twee waarden in de we­reld met alle symbolen, waaronder veel maçonnieke, die mee in de tekening verwerkt zijn en waarin totaal wordt uitgedrukt, de eenheid van de wereld in het mannelijk‑vrouwelijke, die samenkomen en de totale bereiking betekenen. Dat ziet ook niet iedereen die er doorheen loopt. Maar een enkele die dat opvalt, gaat erin op en zegt: Hé, dit is een beleving. Toch is dat schilderij al aardig oud. Het is bijna 100 jaar oud.

  • Een voorbeeld van het onbegrijpelijke is o.a. het laatste werk van Mondriaan, dat uit niets dan streepjes bestaat. Ziet u daar nu iets in als kunstuiting? Er hangen er meerdere op de Hoge Veluwe van Mevr. Kröller.

Kijk eens, niets dan streepjes, zegt u. Maar waar bestaat elk beeld eigenlijk uit? Uit streepjes of uit punten, die tot strepen en lijnen worden verwerkt. Wanneer je nu niets dan streepjes naast elkaar krijgt, kun je toch een zekere indruk krijgen. Ik zou mij kunnen voorstellen bv. dat ik alleen door een werking van zwarte lijnen op een romig of vuilwit vlak een indruk kan geven van ten eerste: beklemming, gevangenschap; in de tweede plaats: het lichtende buiten mij en de duisternis in mij. Wanneer ik die vlakverdeling juist doe plaats vinden, kan ik dat er inderdaad mee uitdrukken. Ik wil dus maar zeggen dat ook met strepen alleen heel wat te doen is. In het pointillisme bv. heb je ook dergelijke uitingen gezien, waarin heel veel kleurpuntjes naast elkaar een vlaag van verwarring schijnen te wekken in iedereen die ze beschouwt. Totdat je het ondergaat en dan blijkt plotseling dat al die puntjes niet een patroon, maar veel patronen in zich kunnen houden. En dan zijn er kunstenaars bij, die dus kans zien om vier, vijf gedachten in hun onderlinge samenhang alleen door het pointilleren, het zetten van de kleine puntjes in verschillende kleuren op zo’n doek weer te geven voor degene die het begrijpen kan. Waarmee ik maar wil zeggen dat zeker ook in het werk van Mondriaan vaak meer gedachte schuilgaat dan de beschouwer er op het ogenblik nog uithaalt.

  • Mag ik dan nog een vraag stellen t.a.v. de telepathie die hier zo pas naar voren werd gebracht? Is het niet zo dat eigenlijk de in­spiratie door middel van het medium (het schilderij) overgebracht wordt op de beschouwer en als zodanig zou je kunnen zeggen dat door middel van het schilderij een gedachte of een inspiratie wordt overgebracht. Dus dan begrijp ik niet waarom u bezwaar maakt tegen die idee van tele­pathie.

Dat zal ik proberen duidelijk te maken. Telepathie is de overdracht van een gedachtebeeld. Dat wil zeggen het directe voorstellen in een ander via het middel der gedachten of dergelijke werkingen van een beeld dat in mezelf zo bestaat en dat ook zo in een ander wordt gewekt.

  • Mag ik even opmerken dat telepathie eigenlijk betekent “ver voelen”?

Ver voelen, uitstekend, tot uw dienst.

  • Dus niet alleen de gedachte.

Goed. Gedachte, dan sluiten we al het andere daarbij in, gevoelens ook. Maar waar het mij om gaat? Het onderscheid waar het bij mij om gaat, is niet of het nu een gedachte is of niet. Het gaat er om wat in mij leeft precies zo op te leggen aan een ander. En juist daarin ligt het verschil. Want de kunstenaar wekt gelijksoortige emoties, als in hem bestaan hebben, in de beschouwer, waarbij diens persoonlijk verwerken zijn persoonlijke indruk betekent die nooit geheel in overeenstemming zal zijn met de intentie van de kunstenaar, maar een persoonlijke verbeelding van dezelfde waarde betekent. Waardoor een groot verschil in interpretatie kan optreden tussen kunstenaar en beschouwer, terwijl de kernwaarde be­houden blijft.

  • Men zou dit kunnen noemen: participation mystique.

Ja, als u het in het Frans wilt zeggen, inderdaad.

  • Zou men dat gelijk kunnen stellen aan het gesproken woord? Met andere woorden, als men de gedachten wil uitdrukken in woorden, is dat dan toch ook min of meer een gedachte deling.

Inderdaad. Een gedachte, die ik in woorden uitdruk, kan ik meer of minder duidelijk overbrengen in een ander. Maar aangezien mijn eigen in­terpretatie ‑ gezien het zintuiglijke ‑ de betekenis van mijn woorden in meerdere of mindere mate zal veranderen, nl. naar eigen inzicht en aan­voelen, krijg ik ook daar, wat u dan zou kunnen noemen: participation mystique.

  • Mag ik nog even terugkomen op wat zo-even is gezegd over punten en strepen? U zei dat een enkeling dan zou zien, bv. van dat duister en dat licht, maar er ontbreekt dan nog een diepere beleving. Het is een tech­nisch inzicht. Ik ben zelf geen tekenaar, maar als ik van een tekenaar bv. een blauwdruk zie en ik zie ineens wat het betekent, dan vind ik dat prettig. Maar heb ik dan een diepere gedachte? Heb ik dan een hogere beleving?

Dan ondergaat u het misschien niet. Maar u ziet dus een blauwdruk van een huisje, dus een frontaanzicht, een overzichtstekening, een lijntekening en u komt daardoor aan het dromen. En u beleeft hoe het zou zijn om in zo’n huisje te wonen. Dan zou daarmee een zekere kunstwaarde van die tekening in u tot uitdrukking gekomen zijn.

  • Maar of dat nu een diepe, geestelijke waarde heeft

Of dat nu een diepe, geestelijke waarde heeft, nee, natuurlijk niet. Maar u haalt de blauwdruk erbij die over het algemeen een zuiver techni­sche uitdrukking is en geen kunst. Omdat u zegt: Bij die punten en strepen geldt voor mij de techniek. Maar ik voor mij zeg: Wanneer ik beleven kan ‑ dus de emotie kan voelen ‑ uit het beeld, zonder het technisch verder in te zien, heeft het toch zijn waarde bewezen. De uitleg op zichzelf ‑ misschien zullen er sommigen zijn die zeggen: “Ja, maar dan heb ik ie­mand bij me nodig die precies zegt: Dit betekent dit en dat betekent dat.” Dan zeg ik: “Neen”, want dan gaat u zoeken naar een rationalisatie van dat geheel. En dat is in de moderne kunst juist uit den boze. Op het ogenblik dat je het technisch gaat bekijken, zoals u dat wilt doen, zul je in je zoeken naar die uitdrukking, dus het ondergaan ver­liezen. Het beeld dat ik zo-even aanhaalde, moet je dus beleven, een gevangenschap met licht buiten. Als je dat doet denken: “Hé, als ik nu eens kon wegbreken uit mijn wereld, als het nu eens ideaal was hier.” Als dat schilderstuk bij u die indruk wekt, dan is het kunst, dan heeft het gesproken. Niet wanneer u die uitleg kunt geven zoals ik. U moet het voelen. Dat is juist de kwestie. Dat is het moeilijke, en dat moet ik nu maar met woorden weergeven.

  • Wat is Uw mening over de moderne Fransen? Worden zij op dit ogenblik overschat of op hun juiste waarde beoordeeld?

Mag ik vaststellen dat praktisch geen enkele kunstenaar in zijn eigen tijd op zijn juiste waarde wordt beoordeeld? Dat geldt dus ook voor velen van de moderne Fransen. Waarbij komt dat op het ogenblik de verheerlijking voor deze school in Amerika deze verheven heeft tot iets subliems, wat ze zeker niet zijn. Kijk eens, op het ogenblik dat de wereld een paar blote voeten ziet, ongewassen in sandalen stekend, een warrige baard, een bebob­-broek en een vuile trui met een paar verfvegen, dan zeggen ze al: “Kijk, daar komt een kunstenaar.” En wanneer zo iemand dan wat onbegrijpelijks voor ­goochelt, dan vinden ze dat hogere kunst.

Neem me niet kwalijk dat ik hieronder ook de zgn. deskundigen meereken. Want de zgn. deskundigen zijn over het algemeen degenen die eerder de stem van de mode zijn dan de stem van een zelfstandig oordeel. Ik hoop dat geen enkele criticus me dat kwalijk neemt, wanneer ik dat zeg. Maar er zijn zoveel critici, die eigenlijk in hun eigen termen slechts uit den treu­re herhalen, wat hun medemensen ook al gezegd hebben. Of, wanneer ze geen zuiver oordeel kunnen geven, vluchten in een soort jargon van “dit is een buitengewoon belangrijk werk met drie diep‑impressionistische tendensen, waarin de dynamiek spreekt tot de ziel van de toehoorder…. “Ja, dan bedoelen ze eigenlijk”, “Ik heb er geen steek van gesnapt, maar het klonk nogal modern.” Begrijpt u? Dat zegt mij niets. Dat heeft geen waarde. Een kunstcriticus heeft alleen betekenis, wanneer hij een kunstminnaar is in de ware zin van het woord. En dus niet kritisch oordeelt of over echt­heid of onechtheid moet gaan beslissen. Dat is gewoon een technicus op kunsttermen, die dat doet. Maar wanneer hij een ding beleeft, begrijpt als mooi of niet, dan heeft het waarde.

De criticus die naar een opera gaat en schrijft dat Pietje een beetje in zijn hoge tonen zat te sidderen, terwijl Claartje in haar lage tonen een klein beetje leek op een grindwagen die gelost werd, dan vind ik dat buitengewoon aardig, dan is dat misschien een aardige kritiek. Maar       als hij daarin dan alles wil samenvatten, dan vind ik dat slecht. Weet u, er zijn wel eens aardige kritieken geleverd ‑ neem me niet kwa­lijk, een klein voorbeeldje en dan zal ik kappen. Dat was een criticus die eens een hele toneelvoorstelling als volgt af­deed: “Wanneer het bed i.p.v. op het toneel in de zaal had gestaan, was het voor mij een geslaagde avond geweest.” Begrijpt u? Dat vind ik een pakkende kritiek. Die stelde een zuiver persoonlijke beleving en de zelf er­varen emotie vast en maakte daardoor de anderen duidelijk wat volgens de criticus het gebrek van het stuk was. Dat vind ik afdoende.

  • Houden de Fransen het uit in de toekomst?

Er zitten er ongetwijfeld enkelen tussen, die het in de toekomst wel zullen uithouden. En het is ook opvallend, wanneer we daar nu over spre­ken, dat enkelen van deze Fransen nog steeds zoekende zijn naar een eigen stijl. En juist de laatste tijd in hun wijzigingen, waarbij zij weer terugke­ren tot een zeker impressief vorm beleven en vorm weergeven, een mogelijkheid hebben geschapen voor een ‑ ik zou haast zeggen ‑ esoterische kunst die, beeldend en begrijpelijker dan tot nog toe, innerlijke waarden van men­sen, dieren en dingen weergeeft voor anderen. Dat zit inderdaad als mo­gelijkheid bij sommigen van die kunstenaars erin. Niet bij de school als geheel, maar bij enkelen. Het eigenaardige is dat die enkelingen op zichzelf nogal internationaal zijn.

  • Een vraag hierop voortgaand: Ook in de materiële waardering?

Dat ongetwijfeld. Maar of die materiële waardering zal samenhangen met de kunstwaarde van de stukken, zou ik willen betwijfelen. De materië­le waardering van dergelijke stukken is eerder vaak het resultaat van goede reclamecampagnes en geslaagde kunstspeculaties dan van de kunstwaar­de. Als een kunstenaar doodgaat op het juiste tijdstip, terwijl een zeer belangrijke galerij bv. aardig wat van die stukken in voorraad heeft, dan is het vaak heel gemakkelijk om met wat reclame de waarde daarvan enorm te doen stijgen en dan zijn er heel wat mensen, die erin vliegen en daardoor die stukken ook weer groter en duurder waarderen dan zij in feite zouden mogen zijn. En dan krijg je op de duur zo van die stukken, die 100.000 gul­den kosten, terwijl ze nog geen tientje waard zijn. Zoals tegenwoordig ook nog wel eens het geval is op verkopingen; stukken worden verkocht voor 50.000 gulden, die wanneer je ze zuiver op hun waarde als kunststuk zou moeten beoordelen misschien op 25 gulden; ik beoordeel het van mijn kant, hoor. Hou daar rekening mee.

  • Heb ik U goed begrepen, dat U de moderne kunstenaar psychisch meer werkzaam acht dan de ouderen? Zo ja, dan vind ik dit een onjuist­heid. Denk aan Hieronymus Bosch, Odilon Redon, enz.

Met andere woorden, het argument hier naar voren gebracht is: Ook vroeger waren er kunstenaars die dachten en die dus in hun kunstwerken gedachtegangen uitdrukten, visioenen en beelden, die in de naturalis­tische stijl toch reeds de waarden van een modern impressionisme eigen­lijk benaderden of zelfs overtroffen hebben. Dan zeg ik onmiddellijk: Akkoord. Wanneer u zegt dat alleen de moderne kunstenaar denkt, is dat ongetwijfeld dwaasheid. Maar een feit is dat juist dergelijke werken vaak veel minder worden gewaardeerd ‑ dus die doordachte werken ‑ omdat ze minder schoonheid, d.w.z. gezapige zoetsappigheid brengen dan andere. En de moderne kunstenaar acht ik dus ‑ wanneer hij ernstig werkt ‑ psy­chisch werkzaam. En wel, alleen indien hij ernstig is, in meerdere mate dan vroeger, omdat vroeger het vakwerk er te veel bijkwam en in de ateliers van de grote kunstenaar eigenlijk vaak industrieel gewerkt wordt. Iets wat men tegenwoordig nog wel eens uit het oog verliest.

  • Van Hieronymus Bosch gesproken, die schilderijen van hem, waarop die vreemde voorstellingen voorkomen, voor ons vreemd, zijn die aan de werkelijkheid van de andere zijde ontleend?

Nu, dat nog niet direct. Ik hoop toch dat u niet aanneemt dat wij zitten te borrelen en zitten te kaarten in een halfverteerd bekken, ter­wijl een restje ongekleed ergens rondrijdt, hé?

  • Maar er zijn zulke vreemde figuren op die schilderijen afgebeeld.

Kijk eens, dat is een symboliek, die ontleend is aan het ge­kende en die een uitdrukking zoekt door de vervorming van het gekende tot het ongekende. Dat is dus op een ander vlak hetzelfde wat menig mo­derne kunstenaar ook probeert te doen. En de gedachtegang wordt dus zo a.h.w. vaak visionair weergegeven. U kunt het in de achtergronden van sommige altaar panelen bv. ook heel aardig zien, waar we te maken krijgen met een weergave van hemelse en demonische krachten. En wanneer u dat gaat ontleden, dan blijkt achter de zoetelijkheid van zo’n geheel, over­straald meestal door de zeer religieuze en formalistisch uitgebeelde middenfiguur, dat ook daar het gekende vervormd wordt. Zo vinden wij bv. bij sommige oudere altaarstukken i.p.v. alleen maar duivels ook saters op de achtergrond en wel in een uitbeelding die ons direct doet denken aan de Griekse voorstelling daarover. Het is eigenlijk of daar Pan loopt; alleen wordt Pan dan om demonischer te zijn van grotere bok-horens voorzien en van een pijlpuntige staart. Hier heeft men dus ook weer het bekende ver­vormd om zo het demonische weer te geven. En het opvallende is dat degenen die daarin het verst gekomen zijn, degenen zijn die de mens hebben genomen en hem a.h.w. in al zijn lijden en ondergang binnenstebuiten heb­ben gekeerd. En dat daarbij impressionisme voorkomt, ook onder de oudere, ja soms zelfs onder de primitieve kunstenaars, is wel zeker. Maar ja, wat moet ik daar verder over zeggen?

  • Bent U niet van me­ning dat iedere werkelijke kunst een gevolg is van een psychisch proces?

Dus hoe kunt U dan beweren, dat de moderne kunstenaar psychisch werkza­mer is dan laten we zeggen de klassieken? In vele gevallen, om juist te blijven.

Dat zeg ik op grond hiervan: Bij velen van de klassieke kunstenaars was het kunstwerk een weergeven van de natuur, waarbij de zintuiglijke waarneming in de eerste plaats kwam. Dus is hier zeker ook een psychisch proces ‑ dat ben ik met u eens – maar van lagere orde. Op het ogenblik echter dat een interpretatief proces optreedt dan kunnen we zeggen dat het vervormen a.h.w., het hernieuwd interpreteren in innerlijke waarden, een ho­gere psychische spanning betekent dan het zuiver weergeven van het na­tuurlijke. En op grond daarvan dus mijn stelling dat vele moderne kunste­naars psychisch intenser werkzaam zijn dan de klassieken die eigenlijk niets anders hebben gedaan clan de natuur weergeven ofwel verschillende modellen gegroepeerd hebben in een omgeving, die op zichzelf ook weer ontleend waren aan voorstellingen van anderen dan wel aan de natuur. Denkt u nu maar eens aan Watteau bv. Indien kunst ‑ in zoverre ik uw betoog meen te begrijpen ‑ van overwegend subjectieve waarde is, hoe kan kunst dan door de buitenwereld worden beoordeeld? Ieder reageert toch op een kunstwerk op een andere wijze? Daar ben ik het volledig mee eens. Slechts het kunstwerk dat geen enkele reactie wekt bij niemand, zou dus ‑ subjectief gesproken nog steeds – geen enkele kunstwaarde hebben voor de beschouwers. Het is juist de subjectiviteit die in de moderne kunst steeds sterker tot uiting komt en die haar waarde m.i. als kunst intensifieert, terwijl zij gelijktijdig haar belevingswaarde voor de massa verkleint. Maar ook vroeger was de kunstenaar die werkelijk artistiek werkzaam was ‑ zuiver scheppend dus, zonder opdracht over het algemeen ‑ iemand die zeer subjectief uitbeeldde. Wanneer u zich de moeite wilt getroosten om bv. verschillende koppen en Bijbelse voorstellingen, zoals Rembrandt van Rijn die heeft gemaakt, te vergelijken met andere primitieven en latere schilders, dan zult u zien, dat ook hier wel degelijk een interpreteren plaats vindt. En in deze voorstellingen bv. bij Rembrandt, vinden we heel aardig uitgedrukt zijn eigen religieus beleven. En gelijktijdig in de zij‑voorstelling ‑ en wanneer je heel goed oplet ‑ dan zie je ook weer dat zijn eigen levensstijl toch wel wat minder religieus was dan zijn denken. Dat kun je er allemaal uit aflezen. Dus daar is ook wel degelijk een subjectieve interpretatie geweest. En wat meer is, het beleven daarvan is ook zeer subjectief, want er zijn velen die een dergelijke voorstelling alleen vervelend vroom vinden en hoogstens getroffen worden door de mooie uitbeelding van bepaalde figuren. Terwijl anderen juist de religieuze gedachte voelen in zo’n voorstelling en daarop ingaan. Waarmee ik maar wil zeggen dat het subjectieve van de kunstwaarde vroeger zowel als tegenwoordig bestond. Alleen dat buiten deze subjectieve ervaring om een schijnbaar objectieve waardering mogelijk werd voor velen van de klassieken, die voor de moder­nen op het ogenblik nog niet bestaat. Maar na zoveel tijd als verlopen is tussen het scheppen der klassieken en hun waardering in het heden, onge­twijfeld ook zal bestaan.

  • Maar er blijft voor mij nog het probleem over dat het toch altijd een eis is van objectiviteit, dat het ergens in de buitenwereld gelijkelijk een indruk doet ondergaan. Zoals er toch heden ook jury’s zijn, die zich opwerpen om een werk dan een eerste prijs toe te kennen, terwijl er toch vele lieden het daar niet mee eens zijn. Dus dan wordt het begrip kunst in een enorm objectief vlak getrokken. Dus dat wordt door U in feite veroordeeld, een dergelijke gang van zaken? Is dat juist?

Nu, ik kan begrijpen dat het noodzakelijk is om zo nu en dan eens een kunstpremie toe te kennen, om die arme kunstenaars ‑ want ze zitten er vaak veel slechter voor tegenwoordig dan vroeger, enkele reclame­ maniakken uitgezonderd misschien – zo een blijk van waardering te geven. Ik voor mij vind twee punten afkeurenswaardig‑ in hetgeen u stelt: in de eerste plaats dat men een prijs toekent aan een schilderstuk namens de gemeenschap, of namens een groep uit die gemeenschap, terwijl die groep niet in staat is de waarde van het kunstwerk althans enigszins te benade­ren en in te zien. Ik zou hier dus de prijstoekenning minder gerecht­vaardigd vinden. Dat doet voor mij niets af of toe aan de waarde van het kunstwerk als zodanig.

Maar nu komen wij op een heel ander terrein eigenlijk het toekennen van premies, subsidies en dergelijke door de gemeenschap aan kunstenaars. En dat kan m.i. alleen dan verantwoord gebeuren, wanneer een bepaalde en dan wel objectieve norm, nl. de aanvaarding en het oordeel van de gemeenschap, daar meespreekt. Het hoeft niet alleen te spreken, maar het moet meespreken. Wanneer daar rechtstreeks tegen in wordt gegaan, dan zou je eigenlijk een zeer subjectieve toekenning krijgen. Dan kan een jury, die verzot is op een bepaalde vorm van kunst dus, die kunstenaars voor an­deren gaan trekken en steeds weer beloningen geven en stimulansen, juist in deze richting. En dat acht ik niet gerechtvaardigd, zolang dat ge­beurt met gelden van de gemeenschap. Dus wanneer zo’n premie uit gemeenschapsgelden wordt toegekend, dan moeten we zeggen: dat is fout. Wanneer ze echter wordt toegekend uit particulier vermogen, dan geloof ik niet dat iemand het recht heeft daartegen bezwaar te maken. En degenen die er het meeste bezwaar tegen maken, zullen ongetwijfeld de kunstenaars zijn die een andere kunstopvatting hebben. Dat is dan meestal het gevolg. En kunstenaars onder elkaar vochten toch steeds over wat goed en niet goed is, dus die kunnen we hoogstens een subjectiviteit en een bevooroordeeld zijn ook t.o.v. eigen kunst‑interpretatie en richting toeschrijven. Het is heel moeilijk voor een kunstenaar om objectief te zijn Want als hij objectief kan zijn, is hij geen kunstenaar meer, omdat hij dan de persoonlijke interpretatiedrang mist, die toch eigenlijk de kunst in de kunstenaar moet brengen.

  • Vindt er beïnvloeding plaats door overgegane kunstenaars op hier op aarde werkende kunstenaars?

Dat gebeurt ongetwijfeld wel. Maar het heeft wel enige bezwaren. Kijk eens, wanneer een kunstenaar in onze sferen wil gaan werken met aardse weergaven, dan moet hij in de eerste plaats werken met een inter­pretatie (zoals wij nu bv. vandaag hier sprekend over kunst), die van on­ze wereld komt en die gebaseerd is op waarnemingen. Dus de weergave is in de eerste plaats afhankelijk van de visie, die de kunstenaar heeft op de onderdelen. Hij hoeft het geheel niet te overzien; dat kan aan onze kant gezien worden. Maar de onderdelen, zoals die worden gezien en aangeduid, die moeten via de kunstenaar worden waargenomen, hetzij onmiddellijk – dus via de ogen ‑ hetzij wel op andere wijzen en wel door zijn eigen uitstraling daarbij te volgen. In beide gevallen is men toch afhankelijk van de tech­nische vermogens van de kunstenaar en zal ‑ indien de eigen techniek van de kunstenaar aan onze kant dus een andere is dan van de kunstenaar aan deze zijde ‑ het vaak heel veel moeite kosten om de techniek van het me­dium aan te passen aan een eigen behoefte van interpretatie en weergave.

Dus mogelijk is het wel, maar het brengt vaak meer bezwaren met zich mee dan u zou denken. En daarom gebeurt het dan ook heel veel dat zo al geïnspireerd wordt ‑ deze inspiratie in overeenstemming blijft met de eigen interpretatie, de eigen weergave en gewoonten van de kunstenaar die geïnspireerd wordt. Dus dan wordt wel het denkbeeld, de gedachte, mee in de kunst gebracht, maar de techniek blijft dan heel vaak die van het medium zelf.

Kunnen hier op aarde werkende kunstenaars ook invloed uitoefenen op de verdere ontwikkeling van de intelligenties in Uw wereld?

Direct is dat moeilijk, tenzij door hun gedachten, zoals iedere mens. Maar de ontwikkeling die wij bv. in de kunst waarnemen en die voor ons in de eerste plaats gelegen is ‑ let u daar alstublieft elke keer weer even voor uzelf op, wanneer ik er over spreek, dus probeer het elke keer weer even te begrijpen ‑ dat is de bewustzijnswaarde die op aarde erdoor wordt geschapen. Dat is voor ons het belangrijke, de bewustzijnsmogelijkheid. Een kunstenaar die intens werkt aan de weergave van een probleem ‑ onver­schillig hoe hij dat doet ‑ kan, wanneer door ons dit probleem wordt op­gevangen en de uitwerking, de beleving van de kunstenaar dus mee wordt beleefd, soms een zeer verlichtende, en bewustzijn‑brengende gedachte zijn. Ook de reactie van het publiek op een kunstwerk kan voor ons soms leer­zaam zijn. Op deze wijze kan men invloed uitoefenen op ons en onze wereld. Wat de kunst zelf betreft, moet ik helaas zeggen, heeft de aardse kunst zoveel nadelen tegenover de kunst, zoals zo in onze sferen beoefend kan worden, dat een vergelijking qua kunstwaarde moeilijk mogelijk is. Want waar hier de kunstenaar worstelt met zijn materie om zijn gedachten uit te drukken, zal bij ons de kunstenaar juist zijn gedachten zelf projecteren in een beeld dat de kunstwaarde in zich draagt. Met andere woorden, de componist schrijft geen tonen op en probeert dan een klankenreeks daaruit te ontwikkelen in overeenstemming met zijn inspiratie, maar vangt zijn in­spiratie op, zendt ze uit als een gedachte en heeft daarmee een muzikaal beeld geschapen, dat een volkomen weerklank is van zijn eigen innerlijk. Een schilder hier zoekt naar de kleuren. Maar bij ons is het een visionair beleven, waardoor het totale beeld kenbaar wordt voor eenieder die ont­vankelijk is daarvoor. En daardoor zijn die kunstwaarden heel anders bij ons, laat ik het zo zeggen.

Is er in Uw wereld meer besef van totaliteit werkzaam dan bij ons? Een direct besef van totaliteit.

Dat is afhankelijk van de bewustzijnstoestand, waarin je verkeert. Dus dat is ook wel zeer subjectief, zeer persoonlijk in ieder geval, af­hankelijk van de persoon en van het onderwerp. Maar ik geloof dat we zo­wel voor artistieke als voor andere waarden over het algemeen een groter inzicht krijgen in de werkelijke betekenis en daardoor een groter overzicht over wat de betekenis ook verder worden kan. Zodat we dus wel enigszins meer het geheel benaderen dan op aarde.

  • Paolo Veronese, een van de grote Italiaanse meesters, was dat een Meester in de zin van een Mahatma.

Neen. Een Mahatma was hij niet. Maar laten we zeggen, dat hij toch een groter inzicht had in bepaalde magische en esoterische krachten dan de doorsneemens en die intussen wel gedeeltelijk mee tot uitdrukking wist te brengen. Dat is weer een andere kwestie.

  • Nu vraag ik daarop aansluitende; Da Vinci en Michelangelo. Waren die niet op een gelijke hoogte, zedelijk en geestelijk ontwikkeld als Paolo Vero­nese?

Da Vinci wel, de ander niet.

  • Een samenvatting van de twee voorgaande schriftelijke vragen: Kan deze wederzijdse beïnvloeding worden opgewekt onbewust worden verwerkt? Dit slaat op kunstenaar aan Uw zijde en aan de onze.

Ik betwijfel het. Kijkt u eens, de kunstenaar aan onze kant, die zoekt naar inspiratie, zal bewust of onbewust daardoor zeker ook krachten van gelijke instelling aan onze zijde wekken, zoals elk geestelijk streven aan onze kant dus kenbaar wordt en gelijksoortige krachten wekt. Of de aardse kunstenaar daardoor ook omgekeerd op onze wereld een zekere invloed kan uitoefenen? Ja, tot op zekere hoogte. Maar ik acht dit dus niet als iets dat je afzonderlijk moet nastreven. Ik vind het een gevolg van het normaal streven van de kunstenaar èn in onze wereld en in uw wereld: het streven naar bewustzijn dat uiteindelijk ook achter de kunstwaarde verborgen ligt van de geest in onze wereld en de mens in uw wereld. En denk nu niet, dat ik onbeleefd ben door onze wereld voorop te zetten, maar in onze wereld zijn die waarden meestal intenser dan in de uwe. Maar om dit verder te be­vorderen? Dat geloof ik niet. Neen. Ik geloof dat eenieder, die eerlijk is en zich een probleem stelt en een oplossing zoekt, alleen daardoor reeds krachten wekt, die hem behulpzaam zijn bij de oplossing en zuiverder stellen van zijn probleem. Dat geldt voor iedereen, zowel de rekenkundige, de architect, de dokter als voor de kunstenaar.

Zijn de verschijnselen van de moderne kunst beperkt tot de Westerse?

In de Oosterse wereld waren ze al vroeger te erkennen dan in de Westerse wereld. Want er bestaan bv. verschillend tekeningen uit de zgn. helle‑ en geestentekeningen uit de 8e eeuw na Chr. gemaakt in de buurt van het huidige Pakistan, India en verschillende bergstaatjes, door gewone lama’s die bepaalde expressionistische kleurbeelden stellen voor hun ervaringen van hel en hemel. En daarbij komen eigenaardig genoeg soms technieken zeer nabij aan de schijnbaar primitieve techniek van vele moderne kunstenaars.

Ook wanneer we de ontwikkeling van de kunst nemen bv. zoals ze op het ogenblik in China plaats vindt, zoals ze in Japan plaats vindt, dan vind je ook daar een neiging om meer expressionistisch te zijn. Maar daar men hier de vanouds gewone stijlvormen nog aanhoudt en het veel herhalen van een motief nog steeds als een soort noodzaak beschouwt, krijgt men daar dus wel een enigszins andere vorm. De kunst van het Oos­ten is over het algemeen formeler dan die van het Westen. Maar in beide zijn, naar ik meen, toch wel de gelijke elementen en beïnvloedingen kenbaar.

Er is toch die bekende Japanse kunst, die met één pennenstreek juist het leven van een voorwerp kan weergeven, zoals U in het begin hebt aangeduid?

In de praktijk komt het hierop neer dat de lijntekening, dus de werking lijn en vlak in het Oosten altijd veel belangrijker is geweest dan in het Westen, waar juist de werking kleur tot kleur en vlak belangrijker was. Dus dat is een kwestie van ver­schillende technieken, waarbij bovendien de ontwikkeling van de lijnkunst in het Oosten zeker 4000 jaar ouder is dan de ontwikkeling van het perspectivisch kleurtekenen, zoals men dat in het Westen kent.

  • Beschouwt U de zgn. elektronische muziek ook als kunst?

Onder omstandigheden, zeker. Ik meen dat ook in de zgn. elektronische muziek een weergave van bepaalde problemen mogelijk is en deze op zodanige wijze kan worden weergegeven dat ze voor anderen daaruit te lezen is. En daarmee is m.i. de primaire voorwaarde voor het “kunst” zijn inderdaad aanwezig. Het bezwaar dat wel bestaat bij elektronische muziek is dat we nog geen vakmanschap, dat wil zeggen, de techniek moet veel verder ontwikkeld worden, voor een perfectie bereikt wordt. Degenen die daar op het ogenblik mee werken, zijn eigenlijk nog primitieven. Maar ongetwijfeld zal men ook daarmee later grote kunstwaarden kunnen bereiken en zal men reeds nu vaak ideeën erin vast kunnen leggen die toch ook voor een ander begrijpelijk zijn.

  • Hiermee heeft U reeds min of meer een antwoord gegeven op de twee vraag; Is deze elektronische muziek een basis voor de verdere ontwikkeling van de muziek als kunst?

Een basis voor de elektronische muziek als kunst? Ik mag erbij opmerken dat ik een scherpe scheiding zou willen maken tussen dergelijke elektronische muziek en de instrumentaal voortgebrachte muziek van orkesten, trio’s, kwartetten, e.d. Omdat bij de elektronische muziek de interpretatie van de kunstenaar, de weergevende kunstenaar, praktisch geheel zal wegvallen. Hier krijgt men een soort automatisering van de kunst dus, waarbij het beeld, zoals de kunstenaar het wenst weer te geven, beter wordt gehandhaafd, maar anderzijds de belevingswaarde, die de interpre­terende kunstenaar er juist in kan vastleggen, natuurlijk enigszins te­loor gaat. Ik zou tussen de ontwikkeling van die beide dus wel een scheiding willen zien, maar toch is ze zeker een basis voor een – ik zou haast zeggen ‑ nieuwe geluidskunst‑vorm. Dat is misschien juister dan te spreken over muziek.

  • Maar toch ook psychisch geladen.

Inderdaad, psychisch geladen, dynamisch en al, wat dies meer zij. Met andere woorden, beelden van de ziel uitdrukkend met een zodanige kracht dat de mens deze kan ondergaan, begrijpen en daardoor gewekt worden tot een nieuw begrip.

  • U heeft het zo-even al aange­stipt: De kunstenaars van voorheen werden ook dikwijls door de mensen van hun tijd niet begrepen. Heeft dat ook niet betrekking op deze tijd?’

Ja, dat heeft op praktisch elke tijd betrekking. Degene, die begrepen wordt, is meestal de interpreterende kun­stenaar. Maar de scheppende kunstenaar zal juist, omdat hij creëert, dus het nieuwe zoekt, de nieuwe uitdrukking, de nieuwe mogelijkheid, de nieuwe probleemstelling en ook de oplossing van wat thans nog niet als oplossing gezien kan worden, komen voor te liggen bij het normaal ervaren van de massa. En dit voor-zijn bij de doorsnee mens betekent, dat zijn kunst pas waarde krijgt, wanneer de interpretatiemogelijkheid ervoor onder de massa gegroeid is. Dat houdt m.i. in dat elke ware kunstenaar in meerdere of mindere mate voor zal zijn bij zijn tijd. Terwijl de kunstenaar, die bij zijn leven zeer wordt geëerd, over het algemeen te dicht bij zijn tijd staat om een werkelijke totaalvernieuwer te zijn. Enkele uitzonderingen daargelaten.

  • Acht U de kunst van onze tijd of de kunst in het algemeen een grote­re kracht in de vergeestelijking van mensen, dan wat wij hier nu in onze godsdienst noemen? Zou U dus een kunstenaar in de categorie hoger aanslaan dan een godsdienstig mens?

Dat is een vraag waar ik geen antwoord op kan geven, tenzij ik zeer ver in details ga. Zeer kort, misschien kunt u dan vragen, wat u niet duidelijk is. De godsdienstige mens verliest zijn werkelijke betekenis, in­dien zijn godsdienstig geloven op een dogma is gebaseerd en niet op een innerlijk ervaren waarheid, die hij uitdrukt met al zijn handelingen en da­den. De kunstenaar staat dus boven de godsdienstige mens, wanneer hij be­vrijd van het dogma uitdrukking geeft aan zijn innerlijk wezen, zijn inner­lijk ervaren, ook op geestelijk gebied, door middel van zijn kunst. Maar indien zijn leven niet weergeeft, wat zijn kunst uitdrukt, staat hij weer lager.

Met andere woorden, de betekenis van de kunst voor de wereld en de godsdienst voor de wereld kan alleen worden gezien in de wijze waarop door daad en lering (want de kunstenaar leert tenslotte ook, zij het door andere middelen dan de godsdienst), wanneer leven, lering en in­houd dus volledig eerlijk worden gebracht en beleefd, zonder gebonden te zijn aan vaste, dogmatisch gestelde waarden. Het dogma is nl. een beper­king van vrijheid, die uiteindelijk een zoeken naar verwerkelijking belemmert En wanneer een zoeken naar verwerkelijking belemmerd wordt, vervallen we in de gewoontesleur. En in deze gewoontesleur krijgen we dan wel een perfectie van het middelmatige, maar nooit een uitwerking van het meer dan middelmatige.

De kunstenaar die zich vrij maakt van het dogma kan het meer dan middelmatige reeds thans bereiken, weergeven en vastleggen op een zodanige wijze, dat het meer dan middelmatige ook voor anderen toegankelijk wordt. Maar hij moet dit uitdrukken niet alleen in een enkel kunstwerk, maar in zijn hele leven en streven en zoeken.

Wanneer een priester op een dergelijke wijze het dogma beschouwt als een leiding, maar niet als een grens, kan die priester op dezelfde wijze als een soort geestelijk kunstenaar werken met de massa en zal hij als redenaar door het woord, als magiër door zijn ceremonieel, dezelfde invloed kunnen hebben op de mensen. Het aardigste voorbeeld daarvan vindt u wel in de veroordeelde priester‑werkers, die o.a. in Frankrijk waren. Dit waren geestelijke kunstenaars, als ik het zo mag zeggen, die dus de banden van de gewoonte verbraken om zo door eigen leven en beleven van hun leer, deze leer en het bewustzijn daaruit voortvloeiende te delen met anderen.

U raakt hier een teer punt aan voor kunstenaars. Het is toch wel mogelijk dat een kunstenaar een werk produceert dat esoterisch betekenis heeft en zelfs een geestelijke strekking en daarmee zijn medemens helpt in diens bewustwording. En dat hij in zijn dagelijks leven helemaal niet zo geestelijk is, dat hij misschien wel de halve dag dronken is en met meisjes op stap gaat. Dan zou ik willen vragen: Vindt U dit een essentieel punt, of vindt U dit bijzaak? Ik heb het natuurlijk over de werkelijke kunstenaar. Moet die nu ook volgens U in overeenstemming met zijn kunst zijn broodje eten, of mag hij daarvan afwijken?

Ik zou zeggen: Hij moet in overeenstemming met zijn kunst zijn broodje eten. Maar waar hij in zijn kunst ‑ mits hij waar kunstenaar is de geldende regelen breekt, en zoekende naar een oplossing voor zijn eigen problemen, zijn eigen benadering heeft, vind ik het zeer natuurlijk dat hij dat in het stoffelijke ook doet. Wanneer bij hem niet alleen de lust maar ook het zoeken meespreekt, dan kan ik me voorstellen dat hij dronken is en toch een groot kunstenaar. Dan kan ik me voorstellen dat hij niet met één maar met honderd meisjes op stap gaat, zonder zijn eigen waarde te verliezen. Maar dan mogen we dit wel degelijk even psychologisch interpreteren. Niet als een zoeken naar een bevrediging, maar het jagen naar een ideaal dat niet bereikt wordt, want dat is het bij menig kunstenaar. En zo gesproken mogen we dus zeggen dat de jacht in de kunst verklaard en begrijpelijk wordt, maar dat de kunstenaar voor zichzelf beter zou doen, indien hij in zijn leefwijze het ideaal op minder stoffelijke wijze najaagde en zo zou trachten te verwerkelijken op dezelfde wijze als in zijn kunstwerken. Maar dat is weer een tweede.

Ja, iemand vindt het zeer diplomatiek, ik vind het ook nog zeer waar. Vrienden, ik hoop dat u het me niet euvel gaat duiden dat ik nu afscheid noem. We hebben op het ogenblik weer heel wat vragen beantwoord. We zijn misschien niet op alle punten helemaal tot elkaar gekomen. Dat is heel goed mogelijk. Aan de andere kant, u weet nu hoe ik over kunst denk. En ik heb uit sommige van uw vragen werkelijk wel het een en ander begrepen. Ik heb begrepen dat voor sommigen het experiment van de avond belangrijker was dan de inhoud. Dat voor anderen die inhoud pas een betekenis krijgt, wanneer die voor het ik toepasselijk is. Sommigen daarentegen, dit als een algemene beschouwing ziende, een grote lijn daarin menen te erkennen, waarvan althans één van de aanwezigen zo-even dacht: “Dat moet ik eerst eens heel goed doordenken, voordat ik daarmee akkoord ga.” Ik mag dus zeggen dat de oogst van mijn kant uit gezien ook zeer bevredigend is, waarvoor ik dan zeer dankbaar ben. En …nu ja, ik hoop, dat ik u niet te zeer met mijn betoog heb teleurgesteld. Vrienden, ik geef nu het medium vrij. Allemaal nog verder een aangename en gezegende avond.