Essentie van eenheid

10 december 1979

We zaten met de moeilijkheid een onderwerp te vinden, dus heb ik maar raad gevraagd aan onze vriend Theodotus.

Theodotus zei: “We kunnen het niet al te zwaar maken. Dit is een spreker die zich bezig, houdt met de essentie van de eenheid.” En om­dat eenheid op het ogenblik iets is waarover je veel hoort – hoe meer men over eenheid praat, hoe groter de verdeeldheid – dacht ik: dat is een aardig onderwerp.

Onze gast was een scribent. Een schrijver die zijn brood hoofdzakelijk heeft verdiend door neer te schrijven wat anderen hem dicteerden. Zijn laatste land van herkomst is Arabië. Zijn werkelijke denkwijze is het universum.

Wat moet je over het universum zeggen? Misschien wel dit: Wanneer we achter alle vormen kijken vinden we één en dezelfde kracht. Wanneer we de begrenzing van de vorm terzijde stellen hebben we onmiddellijk toegang tot de totaliteit.

Dat is dan een leuke stelling; daarmee kun je een eind weg komen. In mijn gesprek met hem heb ik hem gevraagd:

“Wat is volgens u eigenlijk het kenmerkende van die eenheidsgedachte?”

“Wel,” zei hij, “dat een eenheid alleen kan bestaan wanneer we bereid zijn een uiterlijke verscheidenheid te aanvaarden.”

Hij zei: “Wanneer ik de verschillen wegneem die er uiterlijk bestaan, hoe kan ik dan de volheid begrijpen van het enige. Wanneer ik de verschillen wegvaag, waarom zou ik dan nog zijn en denken? Ik ben en ik denk omdat ik de verschillen zie en omdat ik mij verheug in de verschillen beleef ik de eenheid, die achter Al ge­legen is.”

U hoort het, ook nog een beetje poëtisch. Ik hoop voor u dat hij dat dadelijk ook doet. Hij doet het beter dan ik, en als dat niet het geval is moet u het toch maar nemen zoals het komt. Zijn visie is deze:

Wij zijn niet in staat om de eenheid te beseffen omdat we te scherp de tegenstellingen aftekenen tussen ons en het andere. Wanneer we begrijpen dat we zelf functie zijn van de eenheid, dan zijn we desondanks toch altijd geneigd om een paar dingen uit te zonderen van die eenheid, omdat we ons daar niet mee kunnen vereenzelvigen, waarom eigenlijk? Het is eigenlijk – het is mijn visie maar – een begrip krijgen voor de onbeheerstheid, waardoor wij ons afzonderen. Dat is de hele taak en dat gaat door alle werelden heen, ook door hellewerelden en hemelwerelden.

Je ziet de meest krankzinnige dingen gebeuren. Mensen dalen af tot in de diepste grotten om te vechten met de draak van het duister, terwijl ze niet eens beseffen dat, wanneer ze zelf anders zouden kijken, die draak van het duister gelijktijdig de draak van het licht is.

De mensen lopen te hoop voor verlossers en leidersfiguren omdat ze niet in staat zijn om zichzelf meester te zijn. Het is het meesterschap, dat je over jezelf moet bezitten, dat je uiteindelijk in staat stelt om alles te aanvaarden én in alles een uiting te zien van de eenheid waartoe je zelf behoort.

Maar is er nu werkelijk zo ontzettend veel verschil? O zeker, de één is donker en de ander licht. Maar wanneer degene die licht van huidskleur is en de ander die donker van huidkleur is nu eens helemaal naar de kern zouden gaan en van daaruit het menszijn zouden bekijken dan zou er geen verschil meer zijn. Het zijn gewoonten en gebruiken. Het zijn eigenschappen die eigenlijk vaak weinig te zeggen hebben waardoor het verschil wordt bepaald én de tegenstelling.

Wanneer we het Kerstgebeuren bezien en we maken dat exceptioneel, dan is dat natuurlijk mooi, poëtisch en erg romantisch. Een kind wordt geboren in een grot. Engelen zingen aan de hemel. Herders komen met hun blatende schaapjes: Allemaal erg lief. Maar het kind dat geboren wordt uit het licht is niet alleen maar een kind. Dat is eigenlijk de mensheid die herboren wordt. Meer nog, het is een deel van de kosmos dat weer probeert terug te keren tot de totaliteit waaruit het is voortgekomen. Als je het zo gaat bezien krijgt het een heel andere betekenis.

Kerstmis is geen kwestie van halleluja, de Verlosser is geboren. Wat wij nodig hebben is niet de Verlosser maar de verlossing. Wanneer we dit symboliseren in één figuur, dan moeten we ons één kunnen voelen met die figuur. Anders is het niet mogelijk.

Wanneer er het wonder is van de geboorte, van God, het bestaan van de mens, van de mensheid, is elke dag weer een wonder. Elke dag vraag je je weer af hoe het komt, dat de mensheid zichzelf nog niet ten gronde richt, al komt ze vaak dicht op het randje. Waarop u zegt dat dat alleen maar gebeuren kan, omdat er iets is dat groter is dan de mensheid. Omdat er in elke mens iets schuilt dat veel verder reikt dan één wereld of een paar sferen alleen.

Ergens is er iets waarmee we verbonden zijn en verbonden blijven, waaruit we niet los kunnen komen. Of moet ik zeggen: “Zonder die bron kun je niet bestaan?”

De eenheid is een wisselwerking: Wij geven in ons vormbesef telkenmale gestalte aan iets dat in ons zelf leeft en dat in die bron bestaat. Het ene ogenblik zijn we bezig de duivel te verslaan in de hel, terwijl we niet eens begrijpen dat we eigenlijk door de lichtende velden lopen. Het volgende ogenblik zijn we bezig met halleluja te zingen omdat we ons zelf verlicht en blij voelen, zonder te beseffen dat er rond ons wezens zijn die nog steeds in een voortdurende worsteling tegen pijn en duisternis bezig zijn.

Het is geen verschil in plaats: Het is geen verschil in wezen. Het is alleen een verschil in besef. Als je daarvan uit gaat wordt het bestaan ook iets heel anders.

Het enige wat we te vrezen hebben is uiteindelijk onszelf. Er kan alleen maar een einde komen aan wat wij zien als geluk wanneer we zelf het ongeluk naar voren brengen. Wanneer we zelf voor het andere kiezen.

We kunnen alleen maar een einde maken aan het leven wanneer we hoe dan ook de dood aanvaarden: Want we zijn nog niet in staat om leven en dood als een eenheid te zien. Maar het ik blijft voortbestaan, dus zijn leven en dood alleen maar functies van één en hetzelfde.

Als je eraan denkt dat de gast, over wie ik spreek, voortdurend bezig is geweest om schrifturen voor anderen op te stellen – van bedelbrieven af tot kopieën van heilige schriften – dan vraag je je af hoe zo iemand eigenlijk dat begrip van eenheid kan bereiken. Hij vertelde het mij op zijn manier toen hij zei: “Mohammed? Mohammed is naar de hemel gegaan. Tot aan de zevende hemel is hij gestegen want hij kon zichzelf niet opeens achterlaten.”

Misschien dat dat wel de meest veelzeggende uitspraak is, zeker voor iemand die in de vroege tijd van de Islam heeft geleefd. “Mohammed kon zichzelf niet achterlaten.” Je kunt naar de hemel gaan maar als je jezelf niet kunt achterlaten dan moet je al die sferen door.

We behoren bij God en zullen tot God ingaan, maar we kunnen onszelf niet achterlaten. Daarom trekken we te velde tegen het kwaad. Daarom strijden we in de grotten van duisternis. Daarom zijn we bezig om de wereld in orde te brengen, terwijl het misschien veel beter zou zijn te beseffen, wat de werkelijkheid is, die erachter schuilt.

Zo dadelijk luiden overal weer de klokken. U weet het wel, zo na het eerste kerstbanket en de gezellige avond wanneer de nachtmis lokt voor de vromen. Dan spreekt de mens tijdens het klokkengebeier over vrede op aarde. Maar hoe kan er vrede op aarde zijn wanneer de mens de vrede niet kent? Het zijn maar vragen die bij mij rijzen.

Wanneer we de vrede kennen, erkennen in onszelf, volledig aanvaarden, dan is er geen onvrede meer. Dan kan de wereld ons misschien uiterlijk vernietigen maar ze kan de innerlijke eenheid met de totaliteit niet meer veranderen. En wat meer is, ik geloof dat die wereld dan ook een beetje afkerig wordt van geweld.

Er is een bekend verhaal. U kent het misschien wel – over een Hadji. De Hadji kwam terug van zijn pelgrimsreis en zat te mediteren en te mediteren maar toen hij wakker werd zag hij tot zijn verbazing dat alles rond hem was afgebrand. Zelfs de stoel waarop hij had gezeten bij wijze van spreken – of het zal een bed geweest zijn – was ver­brand. Maar hij zelf en zijn kleren waren nog steeds smetteloos.

Misschien is dat iets wat ook voor ons kan gelden. Wanneer we in ons zelf die eenheid bezitten zijn we ergens onaantastbaar geworden. Ik weet wel dat het als een sprookje klinkt. Natuurlijk is het een sprookje: Wanneer iemand komt en hij geeft je een klap dan voel je dat, of je mediteert of niet. Of zou het misschien zo zijn dat, wanneer die meditatie hoog genoeg is, die ander je niet kan zien, dat je niet meer iets bent wat valt binnen zijn gebied van beseffen, van zijn agressie? Het is maar een vraag.

We zijn voortdurend bezig om in de wereld te kiezen tussen goed en kwaad. Maar is dat wel nodig? Moeten wij kiezen tussen goed en kwaad of moeten we aanvaarden? Volgens het bijbelverhaal – het is natuurlijk – een mooie parabel – werden Adam en Eva uitgedreven uit het paradijs en kenden ze de schaamte pas toen ze gegeten hadden van de boom van kennis van goed en kwaad. Het oordeel ontstaat in de mens en het pa­radijs is weg. Voor die tijd wandelden ze met God.

Het is misschien een beetje vreemd om het te interpreteren zoals ik het doe, maar wandelen met God, is dat niet iets wat wij ook doen?

Alleen, we beseffen het niet. Wij zijn voortdurend bezig om overal splitsingen aan te brengen Dit wel, dat niet. Daarom horen we God niet, maar God is er wel.

Er is geen licht en er is geen duister zoals wij het willen zien. Er is de perfecte eenheid, de absolute sereniteit van die ene werkelijkheid en daarin leven wij werkelijk: Al het andere is oordeel, dat uit ons is voortgekomen. Al dat andere zijn de illusies die we keer op keer opbouwen. Zelfs de sferen waarin we vertoeven zijn uiteindelijk niets anders dan gedeelde nachtmerries of de gedeelde gelukkige roes van een groot aantal mensen, die toevallig geestelijk bestaan en geen stoffelijk voertuig meer hebben. Gedeelde werelden, die ze zelf geschapen hebben.

Als je tegen de steile kloven van de hel gaat, langs de poelen van vuur dan moet je niet zeggen: dat is geschapen. Dan moet je duidelijk toegeven: lieve mensen, dat hebben wij samen voor elkaar gebokst: Wij zijn het die vuur en martelingen uitbraken. Wij zijn de rotsen die een ontvluchting onmogelijk maken. En als we willen vluchten en we vinden ergens een pad omhoog dan zijn wij het zelf, die het pad maken.

Als je het goed bekijkt is het hele verhaal over de engelen in de hemel boven die grot, de stal waar Jezus werd geboren, eigenlijk krank­zinnig. De engel met een vlammend zwaard, die staat tussen Adam en Eva en het paradijs. Waarom eigenlijk? Waarom engelen? Omdat we niet kunnen aanvaarden dat we het zelf zijn?

Wanneer er een Meester wordt geboren op aarde is de aarde stil. Dan lijkt het of alle kruid extra geurt. Dan is er rust. Het is zelfs of de sterren een ogenblik anders zijn. De mensen en de dieren dromen en zijn dan voor een ogenblik in een droom van licht gehuld. En dan gaat het leven weer gewoon verder.

Als men later vertelt hoe het bij de geboorte van de Meester was dan zegt men: “Er waren engelen. Er waren weldoende geesten, Devi’s. Ze stonden allemaal eerbiedig rond de kribbe”, of wat dan ook.

Zou het niet de gedachte van de mensen zijn? Zijn het niet de werkelijkheden van de menselijke ziel die daar als engelen omschreven worden? En zou niet de engel met het vlammende zwaard, die tussen die eerste mensen in het paradijs bestaan zou hebben, een verbeelding zijn van onszelf?

Nu we oordelen, nu we denken dat we het weten, zijn we zelf geworden tot een vlammend zwaard, want we durven het absolute licht niet meer te aanvaarden. Wij zijn zelf die gestalte geworden die zegt: “Tot hier en niet verder” omdat we bang zijn dat we aan onszelf ten onder gaan. Maar kunnen we dat? Is er een ondergang? Ik geloof het niet.

Ik heb door heel wat sferen heen gezworven en ik heb al heel wat gastsprekers voor u geïnterviewd in allerlei werelden. Soms werelden die zo ijl zijn dat het lijkt of er alleen nog maar een soort tule gordijn hangt tussen die sfeer en de werkelijkheid. Soms zulke zware draperieën dat je niet eens weet of er buiten licht of duister is. Maar ik ben altijd mezelf gebleven.

Ik heb altijd geprobeerd te communiceren met een ander. Ik heb geprobeerd op te nemen wat die ander zegt. Maar ik ben altijd mezelf gebleven en ik ben altijd weer teruggekeerd tot die wereld waarin ik kan leven. Daarin alles strookt met mijn denken. Het is een blijde wereld. Een wereld van licht. Van spelende kleuren.

Het is een gezellige wereld maar wel een beperkte wereld, want ik kan nog niet begrijpen dat ik verwant ben met al diegenen met wie ik spreek. Dat ik verwant ben met al het onbekende. Dat het hoogste licht, dat ik in mijn sfeer kan zien, niets anders is dan een weerkaatsing van datgene wat ik ook ben. Ik kan het wel zeggen, maar ik kan het niet waarmaken. Ik kan het niet geloven.

Ik geloof dat wij de gevangenen zijn van onszelf. Wanneer er gesproken wordt over de eenheid, de kosmische eenheid, de universele wetenschap en al die dingen meer, dan zeg ik: het zal wel bestaan, maar het is de uitvlucht die we gebruiken om onszelf te kunnen blijven. Ook dat. Het is datgene, waardoor we proberen onze wereld te verheffen tot iets dat belangrijker is dan elke andere wereld: we zijn gewoon Oost-Indisch doof voor de waarheid en wanneer we ze zien zijn we verblind.

We zitten nu zo hier, maar vraag u nu eens af of er rond deze tijd van het witte licht niet ergens de mogelijkheid zou kunnen bestaan, dat we dat licht voelen als deel van onszelf. Dat we de grens vergeten. Ik denk, dat wanneer je de grens vergeet die ligt tussen wat je denkt te zijn en de werkelijkheid, waaruit je bent voortgekomen en waarvan je deel bent, je zou kunnen zeggen: “Het is werkelijk kerstmis. Nu wordt het licht herboren. Nu is er verlossing. Nu is er geen slaafsheid, geen gebondenheid en geen strijd meer.”

Filosofisch tot en met, maar je kunt het niet waarmaken. Ik weet het. Maar misschien moeten er toch soms aan denken. Als u aan Jezus denkt als het kindeke in de kribbe, dan wordt het ineens een kindeke. En later wordt Hij de man aan, het kruis. Kunnen we dan niet begrijpen dat we het zelf zijn?

Het is gemakkelijker om te zeggen: Hij, heeft voor ons geleden. Dat is in zekere zin zelfs waar. Hij heeft voor ons geleden opdat wij beseffen dat het lijden overbodig is. Hij heeft voor onze zonden geleden. Zeker. Want we moeten beseffen dat er geen zonde is, maar alleen de aanvaarding van de werkelijkheid en de tegenstelling die niet terecht bestaat. Ik heb zo’n idee dat dat het geheim is van het kerstfeest en van de universele eenheid.

Wanneer wij (ook ik hoor) toch weer zien als een voortdurende worsteling om verder te komen – onze reizen in de sferen, onze stoffelijke en geestelijke taken op aarde of elders – laten we dan diep in onszelf proberen te beseffen: het is het geheel dat door mij werkt. Ik ben niet alleen. Misschien dat we dan weten wat verlossing is. Dat we dan de eenheid van het universum leren beleven en dat we tenslotte de weg vinden om onszelf te zijn als deel van het geheel en niet meer als een tegenstelling tot het geheel.

Dat is wat ik van onze gast geleerd heb. Dat betekent voor u, dat u op het ogenblik gaat pauzeren en dat we daarna met onze gastspreker verder gaan. Ik zal alle moeite doen om hem duidelijk te maken, dat hij moet spreken in uw termen zo goed hij kan. En dat hij vooral zijn gevoel van verbondenheid maar eens uit moet stralen, want in het kontakt met deze entiteit heb ik toch wel veel beleefd en veel geleerd.

Misschien is het mogelijk dat u elk op uw eigen wijze beleeft en leert. En wat meer kunnen we verlangen zo lang we nog niet meester zijn van onszelf en de grenzen kunnen opheffen, die ons scheiden van de werkelijkheid?

De Gastspreker

U zult mij moeten vergeven wanneer ik hier en daar kleine fouten maak. Ik spreek een taal die niet de mijne is en ik probeer mij aan te passen aan de termen en denkwijzen van een samenleving, die ik in zekere zin achter mij heb gelaten.

Het leven is een wonderlijk mengsel van gebeurtenissen. Alles wat wij leven noemen is opgebouwd uit verandering. En het enige wat wij in dat leven zien als blijvend, is ons eigen wezen. Je ledematen worden strammer. Je kaken worden smaller. Je haren worden grijs, maar je merkt het eigenlijk niet. Je weet het wel, maar je kunt jezelf niet anders zien dan je jezelf altijd hebt beseft. Het ik is voor ons iets wat onveranderd is.

Elke mens die bij je komt met zijn zorgen, met zijn noden, hoor je aan. Maar je denkt niet vanuit de ander. Je denkt vanuit jezelf. Hoeveel brieven heb ik niet geschreven voor mensen, die misschien zelf heel anders hadden willen schrijven, omdat het nu eenmaal de juiste tekens en de juiste formules waren.

Wanneer je begint te denken over de eenheid, die in alle leven bestaat, kun je niet anders dan beginnen bij jezelf. Want je bent zelf voor jezelf de enige maatstaf. Je bent het enige blijvende. Het enige waarvan de veranderingen grotendeels aan je voorbijgaan.

Het leven lijkt op een tocht door de woestijn. Rond je de kleuren, soms de stenen, soms de zandheuvels. Een enkele keer een fata morgana tot je weer een waterput hebt bereikt. Dan rust je en de dag van morgen is als de dag van gisteren. De hemel is blauw, de zon verzengend en rond je is de barheid van het zand hoogstens afgewisseld door het verblindende gevaar van het zoutmeer. Zo is het leven.

Toch verandert de wereld voor je. Maar je beseft het pas wanneer je aangekomen bent. Pas wanneer je soms vele weken nadat je op weg bent gegaan in die andere plaats aankomt dan weet je wat je hebt ge­daan.

Leven is als zo’n karavaantocht: Alles bestaat in een kleine kring. Dezelfde mensen. De dieren met hun fouten en gebreken, die je al heel gauw kent. En het eeuwig voortzwoegen zonder dat je werkelijk ziet dat je vooruitkomt. Toch kan een vogel die hoog genoeg vliegt de plaats zien van waar je komt en het oord zien waar je heengaat. Dat is allemaal één geheel. Het is allemaal hetzelfde, maar je beseft het niet als je er doorheen trekt.

Leven is reizen. Reizen door tijd, door gebeuren. Het is verder gaan, eigenlijk een beetje vastgesmeed aan het lastdier van je gewoonten. Van je wereldje, je gebruiken en je beperkte dromen. Tot het ogenblik komt dat je kijkt naar de hemel, de stip ziet van die vogel en door de ogen van die vogel voor een ogenblik naar beneden kijkt. Dan is die hele karavaan, dat kleine wereldje, opeens een soort kever geworden, die haastig door een kleine zandvlakte heen schuifelt. En de steden, die zo ver uit elkaar liggen, zijn niets anders geworden dan een paar stipjes ergens op het plakkaat dat wereld heet

Schrifttekens van de Allerhoogste geschreven op een papier dat je niet kunt overzien.

Alles is één en als je verder had kunnen stijgen dan de vogel zou je de vogel zien als een kleine zwevende stip. Eén accent op het wereldje, dat voor die vogel al zo veel kleiner is. Hoe hoger je stijgt, hoe meer alles samensmelt tot een eenheid. En dat is juist het begin van het besef:

Zijn wij verschillend? 0 ja. Want we denken vanuit onszelf. En denkend vanuit onszelf zijn we anders dan anderen; is iedereen het centrum van z’n eigen anders schijnend heelal. Maar als je daar bovenuit komt is het allemaal één en hetzelfde. Eén wereld. Eén kracht. Alles verwaast en wat overblijft is het bestaan. En dat is de kunst die we moeten leren. Stijgen boven de begrenzingen. Wegvliegen uit ons karavaanwereldje om even te beseffen wat de werkelijkheid is.

De eenheid, die ik u probeer uit te beelden, heb ik gezocht en beleefd. Ik heb gezien dat bijvoorbeeld de verschillen tussen Islamieten en Christenen illusie zijn. Joden en Arabieren, Indiërs en Arabieren, Chinezen, ze zijn allemaal hetzelfde. Ieder leeft in zijn eigen wereldje, maar ieder leeft als deel van het geheel.

Wanneer je het zand wegneemt uit de woestijn bestaat de woestijn niet. Wanneer je het bewustzijn met al zijn verscheidenheid wegneemt uit de schepping houdt de geuite schepping op te bestaan. Alleen de Kracht waaruit het voortkomt, Hij, de Grote Bron, Hij blijft leven. En in Hem wij ook. Al het andere verdwijnt.

Soms vraag ik mij af: is dat wel juist? Waarom al dat streven, worstelen en lijden? Waarom al die mensen, die allemaal anders denken en allemaal gelijk denken te hebben? Ik kan geen antwoord vinden.

Ik moet zoals iedereen teruggaan naar mijzelf. Ik dacht aan mij­zelf als een toch meer notabel iemand. Want kon ik niet schrijven? Schreef ik niet voor de rijken en niet alleen voor de armen?

Ik had wat kunde. Dat voegde ik bij de wensen van anderen en door onze verschillen deden we iets ontstaan. Maar als ik mij niet verheven had gevoeld boven de anderen dan hadden de rijken mij als onbekwaam terzijde gesteld en de armen hadden veel aanmerkingen gehad op mijn werk. Mijn waan maakte een verschil en stelde ook een relatie. Zoals het voor mij is, zo is het voor u allemaal.

U hebt uw eigen wereldje, uw eigen denken. U weet het toch? Zo bent u en zo zijn de anderen: gescheiden. Bewustzijn ontstaat uit dit gescheiden zijn. Maar de werkelijkheid is de éénheid waarin de scheiding vergaat. Het bewustzijn blijft bestaan.

U bent hier. Goede mensen, niet zo goede mensen, zoals u zelf wilt. U voelt u echter gescheiden van de Kracht, waaruit u bent voortgekomen. U bent als de astroloog die langs de stenen staat te turen naar de sterren en zegt dat daar de Schepper Zijn wil neerschrijft. Maar Hij heeft zijn wil in u geschreven en in alles rond u.

Waarom gescheiden? Met ons denken, daardoor zijn we gescheiden Ik ben ook nog een persoonlijkheid al zou ik het liever niet meer zijn. Maar ik weet dat de werkelijkheid sterker is dan ik, meer omvattend is dan ik, meer volledig is dan ik ooit kan zijn.

Voel je soms niet hoe die druk van het Zijn buiten je verandert in een kracht? Ervaar je soms niet dat het lijkt of je een ogenblik zweeft en even los bent van de verschillen en dan sterk bent? Lichtend bent? Dan verandert de droom en trek je uit. Dan begint een nieuwe reis naar een nieuwe stad, begint een nieuwe gedachtereeks in een nieuwe droomwereld.

Je vecht je weg omhoog, de ene sfeer na de andere. Of je luistert verrukt naar tonen van een nooit gehoorde muziek, die toch in jou klinkt en niet buiten je. Hebt u nooit – al was het maar een ogenblik – een eenheid gevoeld waarin je niet meer denkt én niet meer reageert? Waarin geen lichaam meer bestaat en zelfs geen geest en alleen maar het licht en het ervaren? Dat is het begin van de werkelijkheid.

Eén is de kracht die alles voortbrengt. Geloofd zij de Voortbrenger van alle dingen.

Een is het leven, ondanks alle schijn van verdeeldheid. Geloofd zij de Levende, Die in ons is.

Eén zijn alle krachten. De kolking van de lucht. De felheid van de zon. De onweerstaanbaarheid van de zee. Eén en hetzelfde is de Kracht, die in ons woont. Geloofd zij: Hij Die alle kracht voortbrengt, is en geeft:

Er is geen werkelijke grens. Er is geen werkelijk onderscheid.

De kosmos met al zijn kracht klopt en leeft in u én in al het geschapene. Het weten van alle werelden alle tijden leeft ook in u. Want gij zijt deel van alle tijden, van alle leven.

Je kunt niet, vergetend wie je bent, nog zijn zoals je nu bent. Om dat te zijn wat we kunnen zijn, moeten we vernietigen wat we denken te zijn: Maar ook nu kun je al putten uit die kracht, uit dat weten, uit die werkelijkheid. Er is geen Meester, dan dat wat in alle dingen is.

Er is geen kracht dan Hij, Die alle kracht is.

Hij is in u. In u is Zijn weten, In u is Zijn werkelijkheid. Denk daaraan. Vergeet het niet:

Wanneer je uittrekt om zielen te redden in de kolkende nevel vlak boven de hel vergeet dan niet: dit is een droom. De kracht van alle licht is in mij.

Wanneer je uitgaat in het leven en je denkt: ik kan niet, besef dan in jou is alle kracht van alle leven. En je zult verder kunnen gaan. De beperkte weg, de beperkte karavaan die nu je wereld vormt.

Er is geen grens. Geen grens aan wat je bent. Aan wat je kunt. Zelf trek je de grenzen op. Zelf ben je de wereld. Zelf maak je de beperkingen. Zelf schep je het noodlot dat jou schijnbaar voortjaagt. Zelf ben je de schepper van de sleur waarover je je beklaagt. Zelf ben je de bron van al wat je scheidt van de werkelijkheid. Zelf ben je echter ook de kracht die grijpt naar de werkelijke kracht. Zelf ben je het besef, dat soms grenzen doorbreekt. Want alle dingen zijn één.

Zelf ben je de vijand en de vriend. Zelf ben je engelenschaar en legioen van demonen. Zelf ben je de wereld ook al ben je er deel van.

Het is niet gemakkelijk om te ontkomen aan de beperkingen. Het is niet gemakkelijk steeds meer te verliezen van wat je dacht dat jouw werkelijkheid en jouw waarde was. Maar het gebeurt.

Eens zullen alle grenzen vallen. Eens zullen hemel en hel versmelten en zal er slechts één bestaan zijn. Eens zullen wij niet meer streven, maar slechts beseffen deel te zijn van wat werkelijk is.

U leeft, U bent een mens. U wordt geest. U gaat verder, stap na stap. Trap na trap. Besef dat dit alles slechts nodig is om te beseffen dat het niet werkelijk bestaat.

Het enige werkelijke wat kracht is, is de Allerhoogste, die leeft in ons.

Die is onze wereld. Is onze kracht. Is ons geestelijk bestaan. Die is wereld, Die is vreugde, Die is leed. Die is de genadige en de recht­vaardige. Die is de gestrenge strijder. Hij is de werkelijkheid.

Wie leert zich te beroepen op de werkelijkheid, hij weet het. Er is maar één God, Hij is de grootste en de enige en ik ben deel en uiting van Hem. En uit Hem zal ik Zijn wezen dragen naar al het zijnde tot de grenzen verdwijnen. Tot de eenheid herontstaat en in de voltooiing van de schepping het geschapene waarlijk zichzelf kan zijn.

Wanneer? Wie kent de tijd? Wie kent de Schepper? Eens. Dat is zeker. En wij zullen al voordien weten: Beleven. Delen in het geheel, zodat wij waarlijk in vrede opgaan in een bestaan dat niet uit te drukken is in een hemelbeschrijving of een menselijk woord.