Essentiële punten in het geloof

image_pdf

5 maart 1966

Bij het begin van deze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Er wordt van u verwacht, dat u zich zelfstandig een mening vormt over al wat door mij en anderen op deze bijeenkomst ten berde wordt gebracht. Dan een tweede punt, dat u waarschijnlijk wel zal interesseren. Wij zijn in staat enige verhandelingen te geven omtrent de wijze waarop en de richting waarin een nieuwe wereldgodsdienst zich zou ontwikkelen.  Ik wil deze cyclus dan beginnen door te spreken over: Essentiële punten in het geloof.

Geloof is een aanvaarding van feiten, die onbewijsbaar zijn of stellingen, die niet bewezen worden of kunnen worden. Het behoort echter een innerlijke zekerheid te zijn omtrent feiten of stellingen, die wel innerlijk kunnen worden ervaren, maar nog niet voor de buitenwereld volgens haar wetenschappelijke normen bewijsbaar zijn. Er is dus een zeer groot verschil tussen de klakkeloze aanvaarding, die zo vaak van “gelovigen” wordt geëist in kerkelijke kringen, en een werkelijk geloof. Gaat men de “geloofsstellingen” van de verschillende godsdiensten en kerken na, dan blijkt reeds dat steeds weer zuiver mensenwerk en menselijk denken aan de gelovige wordt voorgelegd als een goddelijke openbaring, een goddelijke wet, een onaantastbare waarheid – en dit zelfs zonder dat andere bewijzen gegeven worden dan de verklaring “de stelling zegt: Een directe openbaring van God te zijn, dus is daarmede bewezen, dat het ook zo is.” Daar een dergelijk leergezag steeds meer aantastbaar blijkt te zijn en bovendien dergelijke oude “wetten en waarheden” in de hedendaagse wereld strijdig blijken met menselijke behoeften en logica, zullen wij allereerst proberen na te gaan, wat dan wel de kern zal moeten zijn van een mogelijke wereldgodsdienst in de komende tijd. Daarnaast zullen wij proberen de consequenties te bezien van regels, die aan de hand van een in de moderne tijd geheel passend geloof zouden kunnen ontstaan.

Het begin is voor mij eenvoudig, daar het vele punten omvat, waarover u reeds eerder hebt gehoord. Het belangrijkste van een nieuw geloof zal gebaseerd zijn op de in de meeste mensen bestaande behoefte tot erkenning van een goed en hoger wezen, een God. Men kan dit m.i. als volgt onder woorden brengen: Ik ben deel van God, gij zijt deel van God. Ik ben God, gij zijt God, gezamenlijk zijn wij ergens God. Alle dingen zijn uitingen van God, alle dingen tezamen zijn dus ook God – misschien niet geheel maar dan toch in een kenbare en voor de mens bepalende uiting.

Dit zal echter geen pantheïsme zijn, maar gebaseerd zijn op de stelling, dat niets kan bestaan zonder God en dus in alles voortdurend de eventuele wil en in ieder geval de kracht of substantie van hetgeen men God noemt, aanwezig zal moeten zijn. Wanneer ik deel ben van God en ook een ander evenzeer een deel is van God, kan er terecht geen werkelijke strijd tussen ons bestaan. Alle strijd, die tussen mij en een ander of het andere voor mij bestaat, zal eenvoudig een uitvloeisel zijn van mijn miskenning van het andere, mijn verwerpen van God, zoals deze zich in het andere uit.

Hieruit volgt dan als eerste conclusie: In een geloof, dat gebaseerd moet zijn op een zo groot mogelijke redelijkheid en waarheid zal de eerste eis steeds zijn; leer u één te gevoelen met de ander, met het andere.

Het begrip eenheid zal in deze zin niet alleen een medegevoel omvatten, maar betekenen, dat men zich dient te kunnen verplaatsen in de ander, het andere. Hoe meer je deel bent van de ander of het andere en alle aspecten, die daarin tot uiting komen, ook in jezelf gevoelt en aanvaardt, hoe juister je de verhoudingen zult beseffen die regeren in het werkelijke bestaan, de voor ons complexe uiting van het goddelijke. Een geloof, dat regels stelt naar buiten toe, welke niet gebaseerd zijn op de innerlijke en wederkerige erkenning – en de eigen reacties aan de hand hiervan – zal dus niet op de innerlijke werkelijkheid, maar slechts op uiterlijkheden en uiterlijke waarden gebaseerd zijn. Een dergelijk geloof echter kan niet beantwoorden aan de eisen, die innerlijke mogelijkheid en innigste verlangen van de schepselen noodzakelijk maken.

Het zal u duidelijk zijn dat, zo ik geloof, dat God de Schepper van alle dingen is en niets zonder hem kan bestaan, ik ook zal moeten aannemen, dat alle dingen, zonder voorbehoud en uitzondering vanuit een goddelijk standpunt aanvaardbaar goed moeten zijn. Zo bezien is er geen werkelijk “kwaad”.

Wij kunnen nu wel zeggen, dat het verkeerd is, om bv. vlees te eten, maar dit zal altijd een persoonlijke zaak, een eigen opvatting blijven, die voor ons misschien vanuit God waardevol zal zijn, maar nimmer algemeen kan gelden. Indien er vlees is en de mens heeft de mogelijkheid dit vlees te eten, dan moet ook dit in de bedoeling van de Schepper hebben gelegen. Te stellen, dat God ons bepaalde mogelijkheden heeft gegeven maar juist met het doel, dat voorkomen zou worden dat wij deze mogelijkheden ook zouden gebruiken – bijvoorbeeld als beproeving – doet veronderstellen dat God dan wel zeer willekeurig handelt. Nemen wij verder aan, dat deze God vanuit zich een duivel heeft voortgebracht, om de schepselen er toe te brengen tegen de “geboden” te zondigen en gelijktijdig in een eeuwigheid degenen te straffen, die tegen deze goddelijke uiting niet op kunnen, zo komt dit gelijk aan een verklaring, dat het Wezen, dat deze schepping heeft voortgebracht, een schizofrene figuur is zonder enig begrip van verantwoordelijkheid voor zijn schepselen en zich zelf, en zonder enig waar gevoel van liefde voor zijn schepping.

Daar het geheel van de schepping, zover een mens of geest die kan kennen, echter altijd een redelijke – zij het voor de menselijke emoties niet altijd geheel aanvaardbare – samenhang vertoont, meen ik te mogen stellen: Wat die God ook is, Hij is, zelfs volgens onze menselijke normen, zeker geestelijk gezond: Hij zal dus geheel van zijn schepping uitgaan en deze uiten volgens de normen van Zijn eigen wezen. Er zal niets in de schepping kunnen bestaan, zelfs geen moord en doodslag, die niet in het scheppingsplan en de goddelijke wil mede zullen bestaan.

Zo wij deze stellingen aanvaardbaar achten, volgen hieruit als vanzelf enige regels, die deel van de komende moderne godsdienst zullen moeten uitmaken.

Er is geen Goed en geen Kwaad buiten de mens en zijn denken om. Vanuit God zijn deze waarden niet aanwezig. Daarom zal een ieder moeten handelen naar zijn eigen inzichten, en zal een ieder uit moeten gaan van eigen innerlijk besef, eigen vermogens en mogelijkheden.

Daarom zal niemand ook rechten op een ander uit kunnen oefenen en zal niemand rechtens normen kunnen stellen voor het gedrag van een ander. Ieder zal zijn eigen bestaan slechts zover mogen en kunnen verdedigen, als dit voor eigen bewustzijn van goed en bestaan noodzakelijk is.

Punten, waarover velen onmiddellijk zouden willen gaan debatteren en waartegen zeker bijna alle – zo niet alle – gevestigde kerken vele theologische bezwaren zullen hebben. Maar een wereldgodsdienst kan m.i. moeilijk gebaseerd zijn op menselijke theologie – zo vreemd als dit menigeen ook moge klinken. De theologie is volgens mij een menselijke wijze om alles, wat men van God te pakken kan krijgen, door de gehaktmolen der redeneerkunst te draaien, om daarna het resterende gehakt uit te roepen tot enig levende koe. Je kunt God niet delen, beschrijven, beoordelen of overzien; je kunt Hem ten hoogste als mens beleven. En in de beleving van die God weet je nooit precies, of er nog meer is, of anderen hetzelfde beleven of andere facetten aanvoelen. Er is dus geen enkel algemeen geldend criterium aanwezig, aan de hand waarvan men kan komen tot een algemeen geldende godsbeleving, godsomschrijving of erkenning.

Het enige, wat over kan blijven, is het gevoel van banden, een verbondenheid met de schepping als geheel of met delen van het geheel.

Bij het ontstaan van deze nieuwe godsdienst zal het niet mogelijk zijn de mensen opeens te brengen tot een werkelijk en alomvattend begrip van eenheid. Er zal dus een begin moeten worden gemaakt op een wijze, die voorbereidt tot de werkelijke erkenning. Deze voorbereiding zal gebaseerd zijn op iets, wat men misschien wel regels of wetten zal noemen. De term wetten is echter onjuist, omdat dergelijke regels nooit blijvende geboden zullen zijn. Het zijn eerder stellingen, die als punt van uitgang voor een zuiver persoonlijke ontwikkeling kunnen dienen.

Wanneer je iemand ziet, die voldoende innerlijke rijpheid bereikt heeft, zal duidelijk worden dat deze zijn eenheid met anderen en het andere zodanig beleeft en gevoelt, dat er voor zo iemand tussen het ik en het andere geen werkelijke scheiding meer bestaat. Op het ogenblik, dat dit het geval is, zal een wederkerige ervaren van en gebruiken van krachten, denkbeelden enz. mogelijk zijn. Vele invloeden, die niet specifiek menselijk zijn, maar wel deel uitmaken van de schepping, zullen dan voor de mens beheersbare, bruikbare en in het beleven van het geheel, actieve waarden worden. Je kunt stellen, dat dit uiterlijke bewijzen met zich zal brengen. Maar dit zullen dan niet van die erg subtiele en in feite niet voor de mens bewijsbare wonderen zijn, als die op het ogenblik vaak deel uitmaken van de nu heersende godsdiensten. Het is natuurlijk wel aardig om te zeggen, dat de doop een zieltje reinigt van elke smet, maar bewijsbaar is dit niet. Er is nog niemand, die dit heeft gezien. Het is niet waarneembaar, anders zou er heus wel in het een of andere zendingsblaadje al lang een foto hebben gestaan van een negertje met een gereinigd zieltje en als onderschrift: “De H. Doop wast beter”. Dit klinkt oneerbiedig, maar met vele en fraaie woorden beweert men toch dingen, die op hetzelfde neerkomen.

Bewijzen kan men dit niet. Maar het onbewezen is niet alleen een stellen zonder meer. Bij nadere ontleding blijken dergelijke wonderen voor de mensen aanvaardbaar te zijn, omdat zij in wezen een beroep doen op de angsten en begeerten van de mens. Men mag over de feitelijke waarde van sacramenten, ritueel voorgeschreven gebeden, handelingen etc. denken zoals men wil, indien men objectief en menselijk redelijk wil denken zal men in ieder geval toe moeten geven dat een godsdienst die waarlijk wereldomvattend wil zijn en de menselijke krachten en waarheden t.m. mede omvatten moet, niet alleen berusten kan op horen zeggen en voor de mens niet waarlijk aantoonbare en bewijsbare wonderen. Zeker zal men daarin moeten voorkomen, dat de waarheid van het gestelde wordt bewezen aan de hand van een conclusie, die men zelve uit het gestelde wenst te trekken. Vergeet niet, dat dit zeer vaak voorkomt bij filosofen en denkers, niet alleen bij godsdiensten en hun openbaringen. Het geldt voor Kant, in wat mindere mate voor Hegel, evenzeer als voor hen, die zich op de letterlijke en onomstotelijke waarheid van evangelie en koran of andere dergelijke openbaringswerken beroepen. Het is niet voldoende, dat men iets zonder meer als waar stelt, het is niet voldoende, dat er regels zijn en een klakkeloze aanvaarding van en naleving van dergelijke regels wordt bereikt – hoe goed zij ook op zich zijn mogen. Er dient voor de waarheid van alles een bewijs te zijn, zeker voordat men zijn gehele leven op dergelijke regels, stellingen e.d. gaat baseren.

De nieuwe wereldgodsdienst zal voor een ieder kenbare bewijzen moeten geven – dus niet voor een ieder aanvaardbare, maar wel objectief constateerbare -, indien wij in staat moeten zijn de belemmeringen voor een waarlijk juist en geestelijk verantwoord leven volgens deze leer, die nu liggen in de sociale structuren, de heersende godsdiensten en bestaande machtsverhoudingen te overwinnen. Want het zal voor degenen die het nieuwe geloof aanvaarden en beleven, ondanks alle innerlijke erkenning zeker niet eenvoudig zijn zich aan de pressie en achtervolging door degenen, die aan de nu heersende omstandigheden en geloven macht ontlenen, te ontworstelen.

Nogmaals, een dergelijke noodzakelijke, maar ingrijpende vernieuwing in het geestelijke leven van de mens kan alleen gebaseerd zijn op feiten. De geloofswaarde moet verschuiven van een willekeurig en sprookjesachtig aandoend verhaal over hemel en hel, tot een erkennen van een innerlijke werkelijkheid. Zo goed als het instinct van de mens, dat hij niet zou moeten kunnen sterven, dat hij op de een of andere wijze in het leven belangrijk moet blijven – plaats zal moeten maken voor een zekerheid en niet alleen maar een beseffen, van eigen onsterfelijkheid.

De aanvaarding van de vele nu heersende geloofsvormen zijn afhankelijk van de instinctieve reactie van de mens op leven en dood, plus zijn verlangen naar onsterfelijkheid. Juist hierdoor zijn vele misbruiken in de hand gewerkt. Wil men dit in de nieuwe godsdienst vermijden, dan zal men zich niet alleen op aanvaarding, maar vooral op kennis moeten baseren. Wat het nieuwe geloof betreft, zou men dus kunnen zeggen: Om te komen tot een zodanig innerlijk leven en besef, dat een verbonden zijn met al het geschapene mogelijk is, terwijl het geloof beleefbaar en vanuit het ik bewijsbaar moet zijn, zullen de gelovigen niet alleen maar mee moeten lopen, maar zullen zij zelf moeten gaan studeren. Want slechts door te leren in zich de taal, de denkwijze, de kracht te gebruiken, die behoort bij de werkelijkheid, zoals die in de schepping wezenlijk bestaat voor de mens, zal de mens ook voor zich de conclusies kunnen trekken, die nodig zijn om een zodanige integratie met het Al te aanvaarden, dat hieruit het bewijs, dat wenselijk is, voort kan komen. Dat is natuurlijk lastig, want een geestelijke rijpheid, waarbij men wil overgaan tot studie in de hoop hierdoor eens de juistheid van eigen aanvoelen te bewijzen, bereikt men zo maar niet in een wereld, die de nadruk op de materiële kant van de dingen pleegt te leggen.

Het zou dus prettig zijn, als het bewijs zonder dit alles onmiddellijk en voor allen kenbaar gegeven kon worden. Maar dan zou een onvolledig of zelfs verkeerd begrijpen van het geheel haast onvermijdelijk zijn. Wanneer u bv. wilt weten, wat nu werkelijk de leer van de profeet Mohammed is geweest, is het wel mogelijk een vertaling van de koran te lezen in bv. Engels, Nederlands, Duits of Frans. Maar volledig is een dergelijke vertaling in wezen nooit, daar er bij de vertaler altijd een bewust of onbewust bias bestaat, waardoor de vertaling bepaalde eenzijdige interpretaties zal bevatten, terwijl andere dingen niet vertaalbaar zijn en door de vertaler slechts zo goed mogelijk benaderd worden, zonder dat het geheel kan worden weergegeven. Indien u dus het fijne van de zaak wilt weten en alle fijne nuances wilt kennen, die in de vertaling teloor gaan, zult u Arabisch moeten leren, om het boek in die taal te kunnen bestuderen. Indien u de werkelijke betekenis van het oude testament wilt begrijpen en u daarbij niet wilt laten leiden door een mogelijk juiste vertaling, maar u zelf een oordeel wilt vormen, zult u het in het Hebreeuws moeten lezen. Want pas bij een gedegen kennis van deze taal zijn de verschillende nuanceringen, die in vele delen van dit werk bestaan, geheel begrijpelijk en kan men de waarde der uitspraken en de achtergronden daarvan overzien.

Een nieuwe wereldgodsdienst, die gebaseerd is op de waarden van de menselijke geest, op de innerlijke mogelijkheden en krachten van de mens, zal daarom volgens mij allereerst moeten beginnen een taal te scheppen, waarin deze waarden juist omschreven kunnen worden en communicatie, ook waar het geestelijke en gevoelswaarden betreft, redelijk nauwkeurig mogelijk zal zijn. Dit zal geen menselijke “taal” zijn. Maar men zal tot een algemeen gebruik van waarden en omschrijvingen in gevoelens, inspiraties e.d. moeten komen, die de goddelijke waarden en waarheden, zoals zij overal en ook in het eigen Ik bestaan, weer kunnen geven, het mogelijk maken dingen te delen met anderen, die eigenlijk nooit geheel kunnen worden uitgedrukt in woorden. Wij weten het alleen. Wanneer ik u vraag om precies te zeggen, wat de vijfde symfonie van Beethoven eigenlijk is, dan kunt u wel uw eigen reacties geven of een technische omschrijving, maar u kunt niet zeggen, wat het helemaal is. Daarvoor heeft u ofwel kennis van muziek, notenschrift en muzikaliteit nodig, zodat u dit werk kunt “lezen”, of u zou uw eigen ervaren van het stuk en de herinnering daaraan op anderen moeten kunnen overbrengen, want hier schieten woorden eenvoudig te kort. En toch zijn er mensen, die menen, dat zij de perfecte harmonie van de totale schepping, de waarde van god, het geheel met al zijn schijnbare tegenstellingen en vaak onverklaarbare gevoelens en invloeden vast kunnen leggen in de beperkte woordenschat van een menselijk ras dat misschien pas 100.000 jaren aan pre-simiaans bestaan ontgroeid is.

Mij lijkt dit dwaas. Daarom stel ik, dat de nieuwe wereldgodsdienst in zich een aantal belevingswaarden, emotionele waarden en begrippen zal dragen, die weliswaar gezamenlijk beleefd kunnen worden door een zekere formalisatie van de hoofdwaarden, maar zelfs daarin de mogelijkheid blijven geven tot een wederkerige uitwisseling van de finesse van eigen bestaan, beleven en innerlijk. De gelovigen zullen elkander onderling versterken. Hun harmonie zal niet een kwestie zijn van persoonlijke smaak, maar eenvoudig voortkomen uit wederkerig begrip.

De kern van een dergelijk geloof is eigenlijk reeds duizenden malen verkondigd. Wij zouden kunnen zeggen, dat het een terugkeer is naar een primitief christendom. Maar evengoed zouden wij kunnen zeggen, dat het een terugkeer zal zijn naar de oude wijsheden van het Oosten. Want de kern van dergelijke leringen verschilt niet zo sterk, als men wel eens meent te mogen stellen.

Alle belangrijke leringen op aarde bevatten in wezen dezelfde wijsheid, doch in een andere formulering. De kern van alle wijsheden is immers steeds weer: Liefde voor het hogere, beheersing van jezelf en erkenning van al hetgeen dat rond je bestaat – of wij dit laatste nu naastenliefde noemen, of het gaan op het juiste pad, dan wel een andere omschrijving geven.

Laten wij uitgaan van de gelijkenis van de nieuwe leer met vroegchristelijke waarden. Dan moeten wij stellen, dat het niet alleen belangrijk is deze oude leringen opnieuw te doen beleven, maar dat zij bovendien moeten worden teruggebracht tot meer dan een reeks van leringen: Het zal een praktijk moeten inhouden, die op een zelfde niveau ligt als de christelijke leer, toen het christendom nog een zaak van feitelijke en niet conditionele broederschap was. Geeft men er de voorkeur aan de basis te zoeken in bv. met de Islam, dan zal men moeten stellen, dat ook hier een terugkeren noodzakelijk is geworden tot de tijd, dat het contact met de leringen van de profeet een werkelijk contact met God was en niet slechts een reeks van wetten en beschouwingen, die door mensenhanden en gedachten misvormd zijn tot zij onkenbaar zijn geworden.

Want in een woord van waarheid moeten ook emoties en innerlijke waarden een rol spelen, zodat men niet kan volstaan met formules en uitleggingen van “wetgeleerden”. Kiest men als punt van uitgang de wijsheden van het oude Indië, dan zal men terug moeten keren tot een tijd, dat deze wijsheden niet de macht en gelijktijdig de strijdpunten van brahmanen zijn, maar de werkelijke wijzen de oude wijsheid door leven en zo, elk voor zich, de openbaring van de waarheid te vergroten op aarde. Dus, terugkeer tot de oorspronkelijke waarde van de verschillende leringen. En daarmede een terugkeer, die systeem en theologie of menselijke wijsbegeerte als bepalend voor het geloof en beleven daarvan verwerpt. De nieuwe leer zal de nu heersende begrippen over harmonie met God verwerpen en zelfs alles, wat uiterlijk op dit terrein bepaald en omschreven is.

Elke godsdienst die terug wil keren tot de oerwaarden van het contact met God, zal anarchisch zijn. D.w.z. zonder wetten. Dit is ook begrijpelijk: Indien wij waarlijk deel zijn van God, wanneer wij alleen uit zijn kracht leven, wanneer wij a.h.w. God vertegenwoordigen door ons wezen, zo is de macht van het goddelijke in ons eveneens geuit en zal er niets of niemand op aarde kunnen bestaan, dat ons in het volgen van de innerlijk erkende waarheid en weg zal mogen belemmeren of ons zal kunnen beletten de wegen te volgen die wij zelf juist achten, en ons terug zal mogen dringen op paden, die door anderen als voor ons bruikbaar zijn goedgekeurd. Wij hebben dan een volledige persoonlijke verantwoordelijkheid. Wij zijn verantwoordelijk tegenover God, maar kennen verder een algehele persoonlijke vrijheid. Wat ons voert tot de vraag, hoe men dan eigenlijk deze God en de godsbeleving zal gaan uitdrukken. Ik kan daarop moeilijk een concreet antwoord geven. Want zelfs indien ik tot u de taal van de nieuwe leer zou spreken, zo zou u mij zonder lange voorbereiding niet eens kunnen verstaan. Ik moet mij dus beperken tot beelden en begrippen, in de hoop, dat ik in staat zal zijn voor goede verstaanders daarin iets van de waarheid omtrent de nieuwe leer door te laten schemeren. Luister dus aandachtig.

Op aarde blijkt rond 70% van de problemen, waarmede de mensheid worstelt, inbegrepen de innerlijke problemen van de mens en de moeilijkheden, die hij meent te ervaren bij zijn pogen God te vinden, in verband te staan met het terrein, dat men in al zijn uitgebreidheid seksualiteit pleegt te noemen. Vergeet daarbij a.u.b. niet, dat het begrip seksualiteit heel wat meer omvat dan naar bed gaan. Het is veel meer bezit, bezitsrechten, de z.g. gezinsrechten, pogingen tot domineren, zowel in staatskunde, dagelijks leven als in geloof, dit zijn immers eveneens uitingen, waarbij de seksualiteit een overheersende rol speelt. De kern van de menselijke psychologie blijkt steeds weer door waarden, die tot het seksuele gerekend kunnen worden, bepaald te worden.

In de meeste gevallen blijkt er sprake te zijn van verdringingsverschijnselen, waarbij seksuele waarden en impulsen worden overgebracht op gebieden, die schijnbaar geheel los daarvan staan. Door de in de samenleving ontstane verdringing van de oorspronkelijke en voor de mens noodzakelijke impulsen is zelfs het gedachteleven gekanaliseerd. Vanuit het standpunt van de maatschappij kan dit kanaliseren van de seksuele reactie misschien goed zijn. Maar het gedrag van de mens zal hierdoor niet reële waarden gaan hanteren. Het gedrag komt in strijd met eigen werkelijkheid. Men zal zeer veel tijd, kracht en energie gaan verspillen aan dingen, die – gezien de werkelijke waarden van het leven en de werkelijke mogelijkheden daarvan – in feite bijkomstigheden zijn.

U zult begrijpen, dat een geloof, dat een mens opnieuw en door persoonlijk beleven bewust wil maken van het feit, dat hij een deel is van God, niet alleen maar waarden kan bevatten, die passen bij de opvattingen van een bepaald volk, of zelfs de levensvoorwaarden van een bepaalde wereld, dan wel sfeer, maar geldend zal moeten zijn voor de gehele kosmos, waarden zal moeten bevatten die geldend blijven in de gehele schepping. Het eerste resultaat is, dat de leer vanuit het godsdienstig standpunt alle algemeen geldende geboden en bepalingen zal moeten opheffen en terug zal moeten vallen op de innerlijke erkenning en waarde van de bewuste leden. Er bestaat voor dezen geen enkel gebod meer. Het enige wat van belang is, wat werkelijk is, is hier de mens zelf, die zijn eigen houding zal moeten bepalen en vanuit zichzelf zal moeten trachten volgens eigen wezen en erkennen zo goed mogelijk de goddelijke wil te vervullen. Het gevolg van een prediking of leer, die dergelijke stellingen verkondigt, zal allereerst zijn, dat de mensen ach en wee gaan roepen en de antichrist e.d. erbij zullen gaan halen. Ik kan mij voorstellen, dat er hierdoor situaties ontstaan, waarbij de mensen, al zijn zij zelf daardoor niet bedreigd, noch worden zij er bij betrokken, zich toch bedreigd voelen – al is het maar in hun eigen begrippen van verhevenheid e.d. en zelfs de wet zullen vragen in te grijpen. Maar dit zijn verschijnselen, onvermijdelijk en tijdelijk.

Wij zullen er beter aan doen de kern van de zaak te zoeken. Ook dit kan schokkeren, maar de beelden die ik u geef, kunnen misschien een beeld oproepen van de betekenis van het voorgaande. Laat ons een voorbeeld nemen: Het probleem van de prostitutie. Dit probleem – zo het er een is – is al zo oud als de mensheid zelf. Zij heeft zich geuit als tempelprostitutie, waarbij het geheel heilig werd genoemd – ook in Jeruzalem – en werd op andere ogenblikken duivels genoemd, al naar het karakter en de zeden van de tijd. Ongeacht de rationalisaties heeft echter geen enkele tijd werkelijk geheel raad geweten met dit verschijnsel. Het was een probleem en blijft er een voor de mens van heden. Hoe ontstaat dit probleem dan? Het komt voort uit het feit, dat men de mens niet het recht toekent onderlinge attractie en gevoelens van eenheid te uiten op zijn natuurlijke wijze. Men heeft natuurlijke functies van de mens, die niet alleen de voortplanting, maar ook gevoelens van gebondenheid en vergroting van de samenwerking en het onderlinge begrip beogen, een plaats gegeven waar zij vormen van bezit, bezitsrechten, beloning en bestraffing in zouden houden.

Misschien vindt u deze opmerkingen schandalig en wijst u op het fatsoen, de noodzaak tot een gezinsleven e.d. Laat ons dan een andere kant van de zaak bezien. Wanneer er alleen gehuwd wordt om reden van seksuele attractie, zal alles uiterlijk misschien mooi en goed lijken, maar het huwelijk zelf verliest zijn zin, de waarden van het gezinsleven zullen daaraan zelfs ten gronde kunnen gaan. Men is reeds zo ver dat men dit wel gaat begrijpen. Indien men huwt om zakelijke waarden, geld en bezit bv., die via erfrecht bijeengevoegd worden, beantwoordt het huwelijk ook niet aan het ideaal beeld, dat het in wezen zou moeten zijn. Er behoort meer te zijn dan alleen een lichamelijk contact of een zakelijke relatie. Een werkelijk huwelijk bestaat eerst, wanneer er sprake is van een geestelijk contact, dat stoffelijk zijn bevestiging vindt. De doorsnee mens huwt wel, maar is niet eens gelukkig genoeg dit geestelijk contact te ontdekken.

Hij meent gelukkig te zijn in gewoontevorming, omdat een ieder zegt, dat het zo nu eenmaal behoort te zijn. Slechts een enkele mens vindt het werkelijke contact met de ander, waardoor ook in meer dan wettelijke zin van een werkelijk huwelijk gesproken kan worden. Behoudens de menselijke opvattingen blijkt het verschil met prostitutie niet zo groot te zijn als men wel stelt.

In deze dagen komt men vaak tot een scheiding, vroeger verliet men elkander, vluchtte weg. Door de geheel verkeerde beelden van de inhoud van het huwelijk, de geldende fatsoensnormen e.d. brengen dergelijke belevingen een psychisch trauma voort, waardoor men nimmer meer zich zo geheel aan een ander zal kunnen wijden en geven, terwijl onderbewust de angst bestaat, dat een zelfde toestand zich nog eens zal herhalen.

Een nieuwe leer zal een oplossing voor deze bedreiging van het geestesleven van de mens moeten bevatten en zal daarom juist op dit terrein veel grotere vrijheden toelaten, dan nu gangbaar zijn. Besef zeer goed, dat dit vanuit kerkelijk standpunt anarchie betekenen zal, terwijl ook de maatschappij als geheel zich bedreigd zal zien hierdoor. Men zal de mens zoveel mogelijk in een vast patroon van leven willen binden omdat economie, sociale samenhangen e.d. daarop nu eenmaal gebaseerd zijn. Maar wanneer iemand een bepaald beroep uitoefent, zo kan dit voor de maatschappij misschien aangenaam zijn. Indien hij zelf daar echter geen vrede en bevrediging in vindt, waarom zou hij dit dan moeten doen? Laat hem eenvoudig een ander beroep kiezen – zonder diploma’s e.d. – tot hij zich thuis voelt en zich in zijn werken geheel kan geven. Wanneer je eenmaal zover komt, dat je liefhebberij gelijktijdig je werk is, zodat je in vreugde de mensheid kunt dienen en zelf gelukkig kunt leven, zal de innerlijke wereld in het stoffelijk bestaan eerst tot haar recht komen. Dan heeft het geen zin meer te streven naar macht, dan is het zelfs niet belangrijk, dat je een eerste plaats onder je gelijken inneemt. Dan is het voor een mens nog alleen belangrijk dat hij mag werken en dat zijn werken voor hem en anderen zinvol is. Dan zijn er geen vakbonden nodig. Dan zal men langer en beter werken, dan men zonder deze verbondenheid met beroep of taak ooit zou doen.

Status en bezit zullen ook al een verandering moeten ondergaan. Status en bezit zijn in deze dagen in wezen een uitdrukking van potentie; geld en aanzien treden in de plaats voor de vrijheden en mogelijkheden, die de mens op een meer persoonlijke en niet zozeer met bezit gebonden wijze in de primitiefste vormen van maatschappelijk bestaan placht te vinden. Zij binden iemand aan de materie; iemand die veel geld bezit blijkt bv. dit geld alleen te kunnen behouden, wanneer hij het niet gebruikt, of 24 uren per dag zich zelf in dienst van zijn bezit stelt. Men kan dan rijk worden, maar kan men zelf ook nog geestelijk leven? Zeker in deze tijd geldt, dat men nog wel rijkdom kan verwerven en behouden, maar dan zal men niet van zijn geld mogen leven, maar zal men voor zijn geld en bezit moeten bestaan. Men is dan in wezen in dienst van zijn eigendommen en geestelijk niet in staat verder te komen dan eenvoudige rekensommen. Ik kan natuurlijk nog verder gaan met voorbeelden, maar wanneer u aanvoelt wat ik wil zeggen en bereid bent de gegeven beelden objectief te bezien, dan zult u enigszins begrijpen, waarom dit alles niet passen zal binnen het kader van een nieuwe leer.

Er kunnen ook in dit opzicht natuurlijk geen algemene regels worden gesteld. Toch is het duidelijk, dat deze tegenstellingen tussen de menselijke waarden, eigenschappen en de nu geldende vormen van menselijk leven tot een oplossing moeten worden gebracht. Een mens, die zich bewust moet zijn van de god, die in hem leeft en in alle anderen, die deze god dient te beseffen, zal ook een mens dienen te zijn, die opstaat voor de werkelijkheid van de wereld en in een medemens niet een concurrerende firma, een mogelijkheid tot winst of een instantie ziet.

Dit wil niet zeggen, dat iemand, die deel wordt van de nieuwe leer, nu opeens zich seksueel zou moeten gaan misdragen of al zijn bezittingen zonder meer weg zou moeten geven aan de eerste, die er om komt. Dat is weer een geheel andere kwestie. Waar het op neerkomt is, dat de mens bovenal vrij moet zijn, dat de mens alleen voor zichzelf en vanuit eigen wezen moet leren bepalen, wat wel voor hem van belang is en wat niet. Gezien deze aspecten zal de nieuwe wereldgodsdienst zeer veel tegenstand oproepen. Toch zijn wij er met dit alles nog niet.

Wanneer ik een gewone godsdienst begin, kan ik dat eenvoudig doen. Ik zeg eenvoudig: Geloof, aanvaard, vervul de wetten, laat je dopen en voortaan ben je uitverkoren. Indien de mens echter moet groeien naar een bewust deel zijn van het Al, een bewust deel zijn van de totale personaliteit, die de Schepping is, zo is dit niet met een aanvaarden, e.d. af te doen. Om dit te kunnen doen zal de mens zelf voortdurend innerlijk moeten groeien. De mens moet dus van fase tot fase zichzelf ontwikkelen. In het begin zal hij moeten leren, dat hijzelf eigenlijk niet zo belangrijk is en dat hij zijn belangrijkheid alleen ontleent aan dat, wat hij in zichzelf erkent. Uiterlijke vormen, rang, stand en aanzien hebben met het werkelijke wezen van de mens niets te maken. Dit zal men allereerst moeten leren aanvaarden.

Men mag geen eigen belangrijkheid of uitverkiezing zoeken in het geloof, maar moet leren God te dienen met een glimlach en desnoods op een wijze, die nu eerder carnavalsvreugde genoemd zal worden, men moet in het leven en in God de blijheid zoeken. Eerst een mens, die geleerd heeft in het leven de werkelijke blijheid boven alles te zoeken en daardoor ook aan anderen deze blijheid te leren geven, kan verder gaan.

Dan komt er een tweede fase, die voor vele mensen de moeilijkste zal zijn. Het is voor de mens niet zo moeilijk om te geven. Dat gaat de meeste mensen nogal gemakkelijk af. Maar ontvangen zonder meer is iets, waarmee men veel minder snel raad weet. Gaven ontvangen in de geest waarin zij gegeven worden, kan bijna niemand op aarde, vooral wanneer de gaven werkelijk noodzakelijk zijn. Men komt tot het aanvaarden alleen via een rationalisatie, waarbij men zich eigen waandenkbeelden stelt, tussen zich en de gever, zo de gave tot een recht makende. Leren ontvangen in de geest, waarin gegeven wordt, is de tweede fase van de ontwikkeling in de nieuwe leer.

Deze fasen kunnen nog wel plaats vinden binnen het kader van het nu bestaande. De derde fase zegt echter: Leer een ander begrijpen, omvatten, niet alleen een mens, maar ook bv. een stad, een land. Leer de sfeer, de waarden, de reacties in je op te nemen, tot je het geheel in jezelf kent en je met het geheel, inhoudende al het goede en kwade, dat van dit ander deel uitmaakt, één kunt gevoelen. Deze fase zal waarschijnlijk niet binnen het kader van de nu bestaande sociale en godsdienstige verhoudingen plaats kunnen vinden.

Hier ligt m.i. een grote taak voor de verschillende esoterische genootschappen en groepen, die ook nu hun leden reeds een bepaalde inwijding geven, waardoor hun houding in de wereld sterk kan gaan verschillen van het gangbare. Maar wanneer je zover bent gekomen, zal het ogenblik ook aanbreken, dat voor de eenling zelfs de regels en stellingen van de scholing, waardoor hij zover heeft kunnen komen niet meer aanvaardbaar zijn. Er is dan nog wel een verdere scholing nodig, maar deze is zover individueel geworden, berust zozeer op innerlijke, niet meer in woorden, wetten of stellingen uitdrukbare en ragfijne relaties met het zijn, dat men geheel vrij zal moeten zijn.

De vierde fase zal daarom bestaan in het afwerpen van het overbodige. Dat ook dit de nodige protesten met zich brengt, zal men wel beseffen. Stoffelijk zowel als geestelijk zal de mens in deze fase moeten leren zijn bestaan te beperken tot het werkelijk noodzakelijke. Dit betekent natuurlijk niet, dat men nu opeens auto, radio, tv., wasmachine e.d. weg zal moeten doen. Het betekent alleen, dat men bv. geen auto zal nemen, wanneer men even gemakkelijk of gemakkelijker kan gaan lopen; het betekent alleen, dat men zich niet meer gaat haasten en vele hulpmiddelen gaat gebruiken, wanneer men zonder haast en hulpmiddelen het voor het ik belangrijke even goed bereikt. Het betekent ook dat men zich niet meer ongerust gaat maken over alles, wat er bestaat of gebeurt, zolang men weet, dat men hiermede toch niets bereikt.

Het houdt in, dat men geen denkbeelden van jaloezie, minderwaardigheid, meerwaardigheid meer koestert, omdat men weet, dat daartoe geen reden bestaat, dat men geen recht heeft op dergelijke emoties. Zo heeft men bv. niet het recht om op anderen jaloers te zijn, daar dit de rechten om volgens eigen inzicht en persoonlijkheid te leven en te streven van anderen ontkent. Wie een minderwaardigheidscomplex koestert, zal daarmede tevens bepaalde verplichtingen, taken en verantwoordelijkheden op anderen af trachten te schuiven.

Meerwaardigheidsgevoelens dragen er eveneens toe bij, dat men anderen afwijst, dat men zich t.o. anderen anders gaat gedragen dan men in wezen is. En deze dingen zijn niet aanvaardbaar.

Dit zal de moeilijkste fase worden naar ik meen, zover het de geestelijke houding en het bereiken van inzichten betreft.

Daarna komen fasen, waarbij de integratie van ik en geheel steeds sterker wordt, de persoonlijkheid meer en meer voor andere persoonlijkheden een facet moet worden van het grote wezen, dat de uiting van God is.

Ik kan op dit alles natuurlijk nog wel verder ingaan, maar voor een eerste schets lijkt mij dit voldoende. Wij zullen nu een antwoord zoeken op vragen, die reeds gerezen zijn. In de eerste plaats dan de vraag, of een dergelijke alomvattende verandering in de mensheid wel mogelijk is.

Het antwoord is: Ja. De mentaliteit van de jongeren in deze dagen wijst reeds in die richting. Bij hen is er een toenemende behoefte zichzelf te zijn, maar gelijktijdig geven zij blijk van een onvermogen zich in de maatschappij van heden als persoonlijkheden waarlijk te laten gelden.

Hierdoor leven zij uit een liefde voor, of een haat tegen dat, wat uiterlijk is, maar komen zij nog niet tot een waarlijk leven vanuit zichzelf. De jeugd zal gemakkelijker dan de ouderen kunnen leren dit nieuwe leersysteem te aanvaarden en zo de eerste fasen ook te aanvaarden en eenvoudiger kunnen volbrengen.

De tweede vraag, die rees, luidt: Wil men dan geloof met kennis gaan vergelijken? In de zin, waarin het woord geloof nu nog wordt gehanteerd is weinig of geen kennis noodzakelijk. De aanvaarding is daar nog belangrijker dan een begrijpen of weten waarom. Men hoeft niet over Jezus en zijn leven na te denken. Wanneer men de leringen nu maar gelooft – begrepen of niet – is men klaar. Men beseft niet, dat men dan zelf het geloof niet werkelijk bewust beleeft.

Wanneer men echter een beleven van innerlijke waarden primair gaat stellen, zal er niemand meer kunnen zijn, die zonder begrip of reden van u te eisen, kan zeggen: Dit is waar en dat niet, dit is goed en dat kwaad. Dan moet men zelf een mening hebben, eigen houding bepalen. En daartoe komt men eerst, wanneer men over een zekere kennis beschikt. De mens, die tot een persoonlijke bewustwording wil komen in de zin van de nieuwe godsdienst, zal dus een zekere kennis moeten verwerven, zowel op het terrein van de godsdienst en de filosofie als op het terrein van de wetenschappen en vooral een inzicht moeten hebben in de groei, waarden en mogelijkheden van de maatschappelijke vorm van leven, waarin hij bestaat. Men zal a.h.w. zeker sociaal inzicht moeten hebben, om in de nieuwe godsdienst tot een bereiken te komen.

Een volgende vraag: Is die leer dan al verkondigd op aarde? Een deel van deze leer is inderdaad reeds verkondigd en behoort o.m. tot de leringen van de wereldleraar, die reeds weer van de aarde heen ging. Deze nieuwe leer zal in haar geheel zeker een deel zijn van het werken van de grote Meester, die op aarde binnenkort gaat optreden. Deze zal de wereld een eerste formulering geven voor dit alles, zover deze formulering mogelijk is in menselijke termen en daarnaast de “taal” doen ontstaan die voor een verder doordringen in de werkelijkheid noodzakelijk is.

Dan vraagt iemand zich af: Hoe weten wij nu, of dit alles waar is? Een belangrijke vraag. Het antwoord luidt: Wanneer de mens in zich een band met God gevoelt, is hij in zichzelf ook zeker. Hij, die bewust streeft naar een deel-zijn van God, zal een punt bereiken, waarop hij zelf profeet is en niet meer hoeft te luisteren naar de profetieën van anderen. Hij, die in zich de Kracht Gods gevoelt en weet, dat hij deel is van het totaal goddelijke, zal leren deze kracht zelf te gebruiken. Hij wacht niet, tot een ander met mirakelen aantoont, dat zijn leer waar is, hij doet ze zelf. Het bewijs zal voortkomen uit de bereiking. Wat weer een moeilijkheid met zich brengt: De meeste mensen willen graag een vertoning zien, waarbij zieken worden genezen, mensen leviteren, op wonderlijke wijze bloemen over het auditorium worden uitgestrooid enz.  Maar daaraan zal eerst tegemoet gekomen kunnen worden, wanneer er een zodanige kern is ontstaan, dat men naar buiten toe, waar nodig ook, op deze wijze propaganda kan maken. Het bezwaar hierbij is, dat een dergelijke kern nimmer daarbij een innerlijke waarheid kan verkondigen, daar deze niet uitdrukbaar is in de termen van de toehoorders.

Men zal dan ook, naar ik meen, voor het winnen van nieuwe gelovigen gebruik maken van vele bestaande vormen. Ik denk bv. aan de theosofie, spiritisme en delen van het kerkelijke werk overal. Hierbij kan men mensen aantrekken, die geschikt zijn om de verdere fasen van de bewustwording door te maken. Ook logesystemen zullen, vooral voor verdere fasen, als mantel dienen voor het helpen en aantrekken van degenen, die mogelijkheden bieden. Van een verkondigen is dan ook geen sprake. Wat men doet, is in feite belangstelling, zelfs nieuwsgierigheid opwekken. Wanneer er eenmaal voldoende bewusten zijn, die via dergelijke “front”-organisaties kunnen gaan werken, zullen zij de mensen gaan prikkelen. Er zullen dan binnen het kader van dergelijke organisaties vele eigenaardige bijeenkomsten zijn.

En degenen, die geschikt zijn, die gevoel van harmonie en enige zelfstandigheid kunnen tonen tijdens deze wat speels aandoende benadering van de mensheid, zullen dan de kans krijgen om verder kennis te nemen van de leer. Er zal dus een soort selectie zijn. Door zijn innerlijk aanvaarden, zijn behoren tot en vooral ook zijn individualisme in de reactie op de benadering zal degene, die aangetrokken wordt voor een verdere lering bewijzen, dat hij de aandacht wel degelijk waardig is.

Hoe lang het duurt, voordat deze nieuwe godsdienst over de gehele wereld kan bestaan? Ja, dat zal wel enige duizenden jaren vergen. Toch kunnen wij er mede rekening houden, dat de actie, die een aanvaarden van de principes van de nieuwe leer en de persoonlijke beleving – evenals het persoonlijk gebruik van innerlijke krachten – bevorderen moet, reeds begonnen is.

Trouwens, indien dit niet het geval zou zijn, zouden wij daarover zeker nog niet spreken. U moet er dan ook rekening mee houden, dat de komende jaren – zij het sluiks en als in het verborgene – steeds meer mensen deze dingen duidelijk gaan maken.

Sommigen vragen zich af, wat aan de geselecteerde mensen dan wel voor lering zal worden gegeven. Zij vragen zich af, of daar ook astrologie, kabbala, en dergelijke, geleerd kunnen worden enz., of dat er geheel andere dingen vertoond worden. Ik kan daar op het ogenblik alleen een zeer algemeen antwoord op geven: Alle middelen, die op het ogenblik gebruikt worden voor het bereiken van erkenningen, het schouwen e.d., van koffiedik af tot yoga toe, zullen gebruikelijk blijven. Zij zullen echter niet meer beschouwd worden als middel of weg, welke op zich de waarheid brengt, maar als een soort instrument, waardoor het ik zich in een toestand kan brengen, waardoor voor dit ik de waarheid kenbaar wordt. En dat is toch nog weer iets anders.

Of de kerken hierdoor steeds leger zullen worden? Ik meen van niet. Voor menige mens zal vooral in het begin de innerlijke gesteldheid, die noodzakelijk is om een naaste, een deel van de wereld, te begrijpen en te omvamen, nog het gemakkelijkste gevonden worden binnen het kader van kerkelijke riten en een kerkelijke discipline. Wel kunnen wij zeggen, dat de neiging tot aanvaarden van het celibaat steeds verder af zal nemen, terwijl een zijdelingse aantasting van het z.g. leergezag in de kerken wel onvermijdelijk steeds verder voort zal gaan.

Overigens zal men ook nog iets anders zien. Wij kunnen voor de komende jaren nog een golf van zeer jonge huwelijken verwachten. Daarna zal de gemiddelde leeftijd, waarop men een huwelijk aangaat, veel hoger komen te liggen: Voor mannen waarschijnlijk boven de 35, voor vrouwen rond de 30 jaar. Dergelijke dingen zijn natuurlijk alleen maar verschijnselen, maar verschijnselen, die bijdragen tot een gemakkelijker aanvaarden van de veranderingen, die de nieuwe leer noodzakelijk zal maken.

Verwacht niet, dat een deel van de wereld zich bewust zal worden van de nieuwe waarheid en die opeens fervent zal gaan verkondigen. Zelfs indien de krachten, die het Al regeren, dit zouden wensen en alle bewusten – zij, die reeds bewust deel van God zijn – eveneens, zou dit onder de heersende omstandigheden eenvoudig nutteloos zo niet onmogelijk zijn. Een dergelijke verkondiging in het openbaar zou resulteren in terreur en dictatuur. Neem mij niet kwalijk, dat ik deze woorden gebruik. Wanneer bv. – wat wel eens voorkomt – een pastoor bepaalt, welke jongen met welk meisje moet trouwen, zo is dit een vorm van dictatuur.

Wanneer een prediker zijn gelovigen doet weten, dat iemand, die niet aan zijn wensen gehoor geeft, door God verworpen is en voor eigen bestwil eigenlijk een lesje zou moeten hebben, zo is dit terreur. Wanneer een dominee zijn gelovigen doet weten dat iemand, die niet naar de kerk gaat, geen recht heeft op hun klandizie – en ook dit is nogal eens voorgekomen, – zo is dit eveneens afpersing, aantasting van de persoonlijke vrijheid enz.

Misschien meent u, dat dit alles zo een vaart, niet zal lopen. Maar wat dan te denken van de nu nog veel voorkomende neiging van zelf vaak niet gehuwde geestelijke leiders, die menen zich te mogen bemoeien met alles, wat in een huwelijk gebeurt, van de seksuele kant af tot het aantal kinderen, dat er uit voort komt? Wanneer iemand u, door pressie, invloed op de wetgeving het stellen van regels, enz. dwingt, te leven volgens zijn wensen en inzichten, zo is dit in wezen reeds dictatuur.

Indien men daarbij strengere straffen uitdeelt, naarmate men zich minder conformeert aan deze overheersende mening, is dit terreur. Dit blijft een feit, ook wanneer men dergelijke dingen misschien met de beste bedoelingen doet. En altijd zal hierbij sprake zijn van een aantasten van de waardigheid van de mens. Het is een aantasting van de rechten, die een ieder dient te bezitten als deel van de geopenbaarde schepping. Een verkondiging, die ijveraars van alle soorten doet uitbarsten in wetgeving, massale acties, vervolging en onderdrukking kan hier niet op zijn plaats zijn.

De nieuwe godsdienst zal stil, bescheiden komen. Er zal geen mogelijkheid zijn tot veel openbare betogingen, missiewerk e.d., daar de verhouding tussen mens en God een zuiver persoonlijke is – en dient te blijven. Maar de tijd zal komen, dat de mensen deze innerlijke waarde, deze mogelijkheid a.h.w. de werkelijke waarde van anderen te beleven, als normaal gaat gevoelen en aanvaardt. In die dagen zal men ook eindelijk gaan beseffen, waarom Jezus eens betoogde, dat niet een ieder gelijkelijk je naaste is: Wanneer ik u begrijp, wanneer ik iets gevoel van uw problemen, wanneer u iets begrijpt van de mijne en mijn wezen aanvoelt, zijn wij naasten, zelfs wanneer wij elkander slechts eens en voor een kort ogenblik ontmoeten, zijn wij elkanders “naasten”, maar indien wij een geheel leven lang naast elkander leven en werken, maar niets aanvoelen van elkander, ons niet kunnen verplaatsen in elkanders problemen en vreugden, staan wij verder van elkaar af dan de sterren in de hemel.

Dat zijn dingen, die onvermijdelijk gaan komen. In dit inleidende betoogje trachtte ik u allereerst duidelijk te maken, waarover het zal gaan. Ik heb u misschien gechoqueerd, maar ik heb niets gezegd, wat niet waar is. De gehele maatschappij is gebaseerd op de neiging van mensen naar boven te buigen, en naar beneden naar de zwakkeren, te trappen. In een dergelijke gemeenschap is verandering en vernieuwing noodzakelijk en onvermijdelijk. Men spreekt van cultuur, maar leeft hoofdzakelijk als kippen in een kippenhok, aan de hand van een picking order. Het is onmogelijk u duidelijk te maken, dat er een verandering komt en dat deze onvermijdelijk is, zonder daarbij enkele van uw geliefde denkbeelden omtrent moraal, godsdienst en cultuur aan te tasten. Het is niet de bedoeling, dat u dit alles nu opeens overboord zult gooien, wel echter, dat u zult gaan beseffen hoeveel eigenaardigheden er eigenlijk wel schuilen in de dingen, die u als normaal pleegt te aanvaarden.

Begrijp, dat u in vele gevallen automatisch reageert in deze wereld, zonder dat u er innerlijk ook maar iets mee te doen hebt. En toch is het belangrijker in je leven een keer iets te doen met het gehele wezen, met lichaam en ziel, dan een gehele wereld te vernieuwen, omdat dit gebruikelijk is zonder daarbij je ziel in te zetten.

Ten laatste, wij zullen u in de komende tijd moeten confronteren met de waarheden van anderen. Want alles, wat op de wereld als deel van de waarheid, of als enige waarheid wordt verkondigd, is wel ergens deel van de totale waarheid. Door het andere uit te sluiten, maakt men van een gedeeltelijke waarheid een onwaarheid. Het is met de waarheid als met een ruit: In haar geheel biedt zij gelijktijdig bescherming en uitzicht. Sla haar in scherven en de bescherming valt weg. Je kunt hoogstens je vingers snijden aan de stukken. Een nieuw begrip en nieuwe gedragsregels zijn noodzakelijk. Dit kan niemand anders voor u doen. U kunt het alleen zelf. De basis zal moeten liggen in wat voor u harmonie is, op eerlijkheid, respect voor anderen en een eerlijke wisselwerking met anderen, hierdoor kunnen excessen en onzekerheden verdwijnen. Op een andere wijze is dit onmogelijk.

  • U zegt, wij moeten de ander ook zien als deel van God en ons in die ander kunnen verplaatsen. Hoe kunnen wij ons verplaatsen in bv. het sadisme van Auschwitz? Dat is haast onmogelijk.

De vraag bewijst reeds, dat u het beeld van de nieuwe godsdienst niet helemaal begrijpt. U meent, dat deze het goede – wat nu zo heet – in de mens moet stimuleren. Maar men zal zich ook in dergelijke dingen moeten kunnen verplaatsen. Auschwitz is iets, waarover een ieder nu vol afschuw het hoofd schudt. Maar is er daarom minder van dit sadisme in deze dagen? Wat is er in bepaalde gevangenissen in Frankrijk gebeurd de laatste tijd?

Wat is er gebeurd in Oostenrijk? Hoe gaat het in Italiaans Tirol? Hoe staat het er voor in Spanje, in Portugal? Hoe handelt men in bepaalde delen van de VS?

Hetzelfde gebeurt nog steeds, maar het is meestal niet tegen een apart en internationaal verdeeld volk gericht, maar tegen een deel van eigen bevolking: Die revolutionairen, welke lastig zijn, zondigen tegen een bepaalde norm of misschien alleen het ongeluk hebben, dat zij staatsgeheimen kennen die voor bepaalde personen gevaarlijk zouden kunnen zijn. U gaat India helpen. Maar ook daar heerst een soortgelijke terreur, evenals in Pakistan, Indonesië e.d. Uw Vietnamkwestie is een moordpartij, waarbij twee partijen vechten, omdat zij elkaar geen voordeel gunnen. Het gaat niet om de mensen van dit land, die in vreselijke wreedheden voor dit alles de prijs betalen. Er zijn overal geheime diensten, die bepaalde mensen het leven eenvoudig onmogelijk maken, erger dan bij pogroms, omdat zij menen geheel alleen het slachtoffer van dergelijke vervolgingen te zijn.

U kunt dit weten, maar wat doet u? U zegt niets te kunnen doen, wilt het niet weten, of meent zelfs, dat het jammer, maar nu eenmaal onvermijdelijk is. Zo dachten vele bewakers in kampen als Auschwitz er ook over!  Velen hebben alles voor de joden over, als protest tegen de wreedheden van Duitsland, maar zeggen binnenkamers ook nog: die vuile rotjoden. Iedereen is voor een gelijkberechtiging van de negers maar daarom wil men nog geen Surinamer in huis hebben. Ik kan meer voorbeelden geven. Dit is alles, zij het op een wat andere schaal, precies hetzelfde als het door u veroordeelde sadisme, het door u veroordeelde onrecht. En u meent, dat u zich daarmede niet kunt vereenzelvigen? Maar waarde toehoorders? Deze dingen zouden niet op de wereld bestaan, of jullie zouden op deze wereld niet kunnen bestaan, als jullie niet precies zo waren. Dat is de waarheid, ook al kan men dit op het ogenblik nog niet aanvaarden, ook al zijn het volgens u de anderen alleen, die dergelijke dingen doen of gedaan hebben. Dat jullie dit mede mogelijk hebben gemaakt, zijn jullie al lang vergeten. Dat jullie onder gelijke omstandigheden evenzo of erger zouden handelen, wil je niet geloven…

Jullie schelden op het nationaalsocialisme en het communisme maar vergeten daarbij, dat jullie voorouders en jullie zelf, de gedachtegangen hebben doen ontstaan, noodzaken hebben doen ontstaan, waardoor dit alles mogelijk wordt. Wanneer er geweld is in deze wereld, betreuren jullie dit en prijzen jezelf, omdat jullie zo vreedzaam zijn. Maar als het er op aan komt, zijn jullie net zo en hebben jullie in vele gevallen mede aansprakelijkheid voor het geweld, dat elders op de wereld is ontstaan door jullie afzijdigheid, of het kijken naar eigen belangen. Het heeft geen zin je nu opeens schuldig te gaan gevoelen. Maar je moet de verwantschap begrijpen, die ook tussen jullie en de verschrikkelijke dingen op deze wereld bestaat. Dat is een van de kernpunten van de nieuwe godsdienst. Want dan eerst zal je werkelijk leven volgens je innerlijk besef van goed, van het leven in harmonie met God.

Eerst wanneer je beseft, dat je niet kunt zeggen: “de moffen hebben de Duitse  Joden  vermoord”, maar moet zeggen: “wij zijn ondanks alle verzet – misschien – daartegen mede schuldig”, zal men de Duitsers niet meer en blok daarvoor willen oordelen en zal men de joden niet op een voetstuk stellen – want ook zij zijn ergens medeschuldig geweest aan de mentaliteit, die dit alles deed ontstaan – maar zal men zeggen: “Er zijn geen joden, Nederlanders of Duitsers meer voor mij, maar alleen mensen; ik ben hun naaste.”

Voordien was het begrip naaste, naastenliefde ook, een aanfluiting. Want iedereen wil graag de naaste zijn van iemand, die hij goed acht, of waar hij boven meent te staan. Maar een ieder aanvaarden als naaste, omdat die ander evengoed deel is van God als jij, wat hij ook gedaan heeft, zal men niet willen doen. Wat de ander ook heeft gedaan, het is een van de mogelijkheden, die God heeft geschapen. Dit mag je nooit vergeten, ook al hoef je daarom de daden van de ander niet goed te heten. Voor u dient echter de daad los te staan van de dader.

Het sadisme moet worden uitgeroeid? Goed. Maar dan niet zeggen, dat dit alleen bestond bij degenen, die een oorlog verloren hebben, en niet bij de overwinnaars. Dan moet men niet spreken ever deze dingen bij anderen, maar zwijgen, wanneer die ander toevallig een partner in de NAVO of zo is. Want er is meer sadisme in vele van de Staten, waarmee jullie zo vriendschappelijk mee omgaan, dan je maar durft beseffen.

Goed. Ik laat het er bij en volsta met de opmerking, dat de zin van de nieuwe godsdienst eerst duidelijk kan worden, wanneer je niet alleen bereid bent jezelf als deel van al het goede te gevoelen, maar daarnaast ook bereid bent toe te geven, dat je tevens deel bent van al het andere.

Voor ik eindig wil ik nadrukkelijk vaststellen, dat wat ik gaf een schema is, wat door u nog niet onmiddellijk in de praktijk kan worden omgezet. Het is een doel, waarnaar u dient te streven vanuit het nu bestaande, het is niet een reeks van regels, waaraan u nu het recht kunt ontlenen om nu maar uw eigen gang te gaan onder het mom: Ik ben toch deel van God, dus kan ik mijn gang gaan. Eerst wanneer u de innerlijke rijpheid bezit om die God in u geheel te erkennen en u werkelijk, blijvend en geheel, deel van die God te gevoelen, zult u steeds weten, wat de juiste keuze voor u is. Slechts zij, die nu reeds een voldoende geestelijke rijpheid bezitten, kunnen van dit alles iets – maar niet alles – reeds nu enigszins in de praktijk brengen. Dezen zullen dit waarschijnlijk ook zonder deze rede reeds doen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterische en exoterische belevingen

Wij kunnen nu nog kort ingaan op verschillende punten, die bij esoterische en exoterische belevingen op de voorgrond kunnen komen.

Wanneer wij de esoterie beschouwen als een weg, die het uiterlijk onberoerd kan laten, zijn wij esoterisch noch exoterisch tot enig bereiken werkelijk in staat. Naarmate wij in onszelf een grotere zekerheid bereiken en deze naar buiten toe projecteren, zullen wij naar buiten toe ook meer blijk geven van alles, wat er in ons bestaat. Ofschoon men op aarde nogal eens de neiging heeft om te zeggen, dat God juist degenen, die Hij liefheeft het meeste straft, meen ik te mogen stellen dat de mens, die innerlijk waarlijk iets bereikt, daarvan ook uiterlijk de tekenen zal dragen.

Je kunt niet gelijktijdig innerlijk een volkomen rust vinden en naar buiten toe een onevenwichtig en onrustig mens blijven, je kunt geen innerlijke rijkdommen bezitten, zonder in tevredenheid en een, zij het misschien niet geheel stoffelijke rijkdom, de buitenwereld daarvan kond te doen. Ik stel dus, dat het onmogelijk is, innerlijke bereikingen en het uiterlijk leven werkelijk van elkander gescheiden te houden. Wij kunnen de zaak dan ook – zij het met enig voorbehoud – omkeren. Op het ogenblik, dat ik zie dat er bij iemand een gebrek aan gerichtheid bestaat, een gebrek aan eenheid in een groep kan zien, mag ik wel aannemen, dat daar ook geen voldoende innerlijke bereikingen en bewustzijn zal bestaan.

Dit blijkt steeds weer waar te zijn. Want in een wereld, die aan de ene kant beweert, dat zij steeds wijzer wordt en aan de andere kant de mogelijkheid tot ellende, ontevredenheid en elke denkbare wijze van ondergang vergroot, moeten wij toch wel aannemen, dat deze wereld iets onjuist heeft gesteld en gedaan. Wanneer ik hoor, dat het belangrijk is, dat het volk welvaart krijgt, maar gelijktijdig moet horen, dat een steeds groter deel van het bevolkingsinkomen door het gouvernement wordt besteed voor zaken, die de werkelijke welvaart eerder schaden dan vergroten, dan zie ik daarin een tegenstrijdigheid en zeg: dan moet de geestelijke achtergrond van dit alles een onjuiste zijn.

Er zijn enkele vuistregels, waarmede een beoordeling van buitenwereld en leven eenvoudiger is te geven, vooral t.a.v. geestelijke waarden.

Daar, waar voortdurend hetzelfde gedrag voorkomt, zonder dat hieruit een gelijktijdige toename van tevredenheid, geluk en innerlijke zekerheid kenbaar wordt, zal het zich voortdurend herhalen een uiting zijn van innerlijk onvermogen en aanleiding worden tot steeds verder gaande mislukkingen.

Degenen, die grote plannen hebben en voortdurend deze plannen verkondigen, maar deze niet waar kunnen of willen maken, bewijzen, dat zij niet over voldoende zelfkennis en waarschijnlijk ook over onvoldoende eerlijkheid beschikken. Het is hierdoor aannemelijk, dat zij in hun geestelijke waarde en innerlijke bewustwording sterk geremd zijn. Hun verklaringen t.a.v. hetgeen in het leven geestelijk, moreel enz. belangrijk is, kan men dan ook niet zonder meer au sérieux nemen. Men pleegt een verschil te maken tussen wereld en geest, toch zullen alle regels voor beiden gelijkelijk moeten gelden, met dien verstande, dat de uitingen van de geest vaak niet zo gemakkelijk controleerbaar en waarneembaar zijn als die van eigen wereld.

Indien in de uitingen van de geest onzekerheid of oneerlijkheid op de voorgrond treedt, moeten wij aannemen, dat zij in eigen sfeer niet voldoende geestelijk bereikt en dientengevolge op het terrein, dat van belang is, niet voldoende betrouwbaar en actief is. Dit is een reden om haar boodschappen met sterk voorbehoud te ontvangen.

Daar het geheel der verschijnselen voor ons slechts dan van belang is, indien het bijdraagt tot onze innerlijke bewustwording, een juister kennis van onszelf en de kracht, waaruit wij leven, zal al hetgeen op de wereld geschiedt en al hetgeen op andere wijze zich aan ons openbaart, voor ons van belang kunnen zijn, ook wanneer het onjuist, onharmonisch e.d. kan zijn.

Hieruit blijkt wel, dat wij voor het vinden van de bewustwording niet alleen een kennen van de juiste weg belangrijk achten. Iemand, die alleen de juiste weg wenst te volgen en meent deze gevonden te hebben, zonder andere wegen ooit te beschouwen, zal nimmer weten, of zijn weg voor hem ook werkelijk de juiste is. Slechts hij, die ook werkelijk de wegen beseft, erkent en invoegt in het begrip van leven, dat hij in zich draagt, zelfs indien zij voor hem zelf onjuist blijken te zijn, zal bewust zijn weg kunnen kiezen. Slechts hij, die bewust zijn weg kiest, zal ook tot een keuze kunnen komen die geheel met eigen wezen en bewustwording strookt. Alleen in dit laatste geval zal men veel bereiken, snel geestelijk stijgen.

Een groot deel van hetgeen onder de esoterie valt is moeilijk te verwerken en te verteren. Dit geldt eveneens voor geloofswaarden. In het bijzonder geldt, dat men, zelfs al kan men de zin van een bepaalde overlevering wel begrijpen, men nog niet zeker is, of zij ook een feit was, dan wel alleen een symbool. Evenmin zal men met zekerheid kunnen zeggen, dat de verklaring, die men zelfs daarvoor geeft, ook de verklaring is, die de steller in gedachten had. Maakt men zich bv. moe over de vraag, of Adam en Eva werkelijk geleefd hebben, dan is de kans groot, dat men de essentie van het verhaal niet beseft. Deze is, dat er voor ons krachten van leven en krachten van niet-leven zijn. De boom van de kennis van goed en kwaad betekende immers, dat de dood op aarde zijn intrede kan doen. De esotericus dient de boodschap te begrijpen, die in het verhaal ligt. Het al dan niet juist zijn van het verhaal zelf is dan van minder belang.

Ik werk uit: Er zijn voor ons krachten – vruchten – die ons een voortdurend leven geven en dus een continu bewustzijn mogelijk maken. Daarnaast zijn er andere waarden, die mogelijk macht inhouden – kennis is macht bv. – die echter gelijktijdig de continuïteit van ons bestaan onderbreken. Wij kunnen nimmer beiden gelijktijdig bezitten en gebruiken, wij zullen dus een keuze moeten doen uit de verschillende mogelijkheden, die voor ons bestaan. Wie zo de waarheden en overleveringen beschouwt – zo binnen treedt in de godsdienst, filosofie en esoterie – zal in staat zijn een zich voortdurend vernieuwend geestelijk standpunt te bereiken, dat uiterlijk kan worden waargemaakt als een evolutie. Wie echter blijft vechten over de waarheid, historisch of niet, van bepaalde details en verhalen, zal nooit iets bereiken. Wie er over blijft twisten of God nu de wereld in 6 werkelijke dagen of in zes tijdperken heeft geschapen, zal nooit het punt bereiken, waarop hij kan zeggen: Belangrijk is, dat niet alles voor ons ineens gebeurt. Voor ons is er sprake van een ontwikkeling, die, al dan niet geleid, aan een evolutie gelijk komt. Voor ons is het belangrijk bewust te evolueren, daar wij als deel van de schepping bestaan.

Elk stelsel zal op zich gelijktijdig juist en onjuist zijn. Het kan voor ons een aansporing worden, om innerlijk beter te beseffen, hoe wij uiterlijk moeten zijn, ons aan uiterlijkheden te onttrekken of zelfs alle eigen actie te staken, daar o.i. hogere machten de enigen zijn, de beslissend en handelend op te treden hebben.

Maar ofschoon voor het ik alles, wat je bent en doet, over een langere periode schijnt uitgespreid te zijn, zal het als geheel het werkelijke ik vormen. Het is niet mogelijk een deel van eigen ervaren in de tijd uit te wissen en toch jezelf te blijven. Daarom zal men enerzijds de evolutie moeten nastreven in tijdelijk bestaan en anderzijds het eeuwige en onveranderlijke van eigen ik moeten beseffen, zover het onstoffelijke ik ter sprake komt. Op deze wijze vermijdt men, dat het onharmonische en onbelangrijke de eigen bewustwording afremmen.

image_pdf