Evenwichten van krachten

14 juli 1980

Als wij ons gaan bezighouden met al diegenen, die alchemist waren of zich bezighielden met de magie, de astrologie, de magische geneeskunde, dan valt ons op, dat al die mensen eigenlijk behoefte had­den aan een innerlijk denken. Een soort houvast, waarmee ze dan pro­beerden om a.h.w. hun daden voor henzelf aanvaardbaar te maken en ge­lijktijdig alles wat zij niet begrepen, voor zichzelf te verklaren. Ik heb voor mijzelf het gevoel, dat zij eigenlijk die verklaring hard nodig hadden omdat ze anders niet durfden doen wat zij gedaan hebben.

Deze oude denkers gingen uit van de Trap der Filosofen. De Trap der filosofen wordt voorgesteld als een oneindige trap waar­voor een poort staat, waarop staat dat je er bent. Als je dat nog niet weet moet je er ook niet aan beginnen.

De treden van die trap vertegenwoordigen eigenlijk de verrijkingen van je persoonlijkheid. Elke keer, dat je een hogere waarheid leert kennen, moet je een aantal denkbeelden, die je vroeger hebt gebruikt, prijsgeven. Altijd weer gaat de zoeker verder. Hij vindt het nieuwe bewustzijn, de nieuwe gedachte, de nieuwe kracht. Maar om die te kunnen gebruiken moet hij afstand doen van alles wat hij eigenlijk in het verleden heeft gedacht.

Een denker, die zich ook met dit beeld bezig hield schreef: “Het bestijgen van de Trap der Filosofen is steeds sterven en toch verdergaan.” Dat zit er inderdaad in; want het is niet zo gemakkelijk om je bezig te houden met het occultisme en niet onder de invloed te komen van alle schijnbare voordelen, die in de praktijk liggen zonder je bezig te houden met de achterliggende krachten.

De mensen hebben normaal de verdeling gemaakt van God en duivel. Dat zijn de twee veldheren. Zij voeren beiden hun legers aan en er woedt een veldslag o.a. om de zielen der mensen. Eigenlijk een zeer zielige vertoning.

Waarom deze veldslag als zodanig wordt voorgesteld is iets waar je niet achter komt. Het is alsof de mens gewoon behoefte heeft aan een indeling en daardoor ook een beetje weet in welke richting hij zich moet wenden, als hij bepaalde zaken tot stand wil brengen.

Het wonderlijke is, dat er wit-magiërs zijn, die er helemaal niet tegenop zien om duivels te bezweren. Zij roepen de duivels uit de hel in heel grote aantallen en eskadrons op en zeggen tegen die duivels dat zij in de naam van God – en dan komen er nog een aantal andere namen bij – dit en dat moeten doen. Als ze dat zouden weigeren krijgen ze op hun blaadje met het goddelijk Licht.

Een denkbeeld, natuurlijk. Maar op zichzelf is het evenwel verwonderlijk dat zwart-magiërs bepaalde z.g. lichtgeesten of engelen eveneens aanroepen. Maar als je een zwart magiër Azraël, Israël, Zechiël enz. hoort aanroepen, krijg je toch wel het idee dat er ergens iets fout is met die indeling. Want de zwart-magiër werkt voor zich­zelf. Hij werkt meestal ten detrimente van anderen en desalniettemin krijgt hij de assistentie van engelen. Dat is eigenlijk een beetje waanzinnig. Dat is zoiets als proberen adders te fokken en dan degenen die er het meest kwetsbaar voor zouden moeten zijn aanroepen, opdat die ervoor zorgen dat die dieren niet uit een bepaalde kring komen die je hebt getrokken.

De situatie zoals ik die zie is eigenlijk een wat andere. Ik geloof namelijk dat alle krachten in wezen vergelijkbaar zijn en dat de indeling licht en duister meer afhankelijk is van de manier waarop je ze benadert dan van de eigen structuur, de eigen constitutie van die betreffende entiteiten.

Maar dan is er ook geen zwarte en geen witte magiër. Dan is er ook geen duistere alchemie en geen lichtende alchemie. Dan is er al­leen maar het zoeken naar een waarheid, het zoeken naar een kracht.

Die kracht is ook iets waarover nogal wat verwarring bestaat. Men zegt namelijk: Een kracht is iets, dat mag ik alleen gebruiken als het uit een bepaalde bron komt.

Dat vind ik erg mooi en edel. Maar als je honger hebt, mag je dan wel witbrood en geen roggebrood stelen? Want het is een soort stelen wat je doet.

Ik geloof, dat de situatie waarin je verkeert, bepaalt met welke krachten je werkt en kunt werken. In dat geval is er dus in wezen voor ons een totale kosmos, waarin wij zoeken naar al datgene wat voor ons goed is, wat we nodig hebben. Het gaat niet over het goed of kwaad buiten ons, het gaat doodgewoon over het goed en kwaad in ons. Zolang wij een kracht kunnen aanvaarden zonder haar te vrezen, wat is er dan om je druk over te maken?

In de manier waarop men die krachten oproept ligt nogal wat verschil, U weet het allemaal. Dat gaat van: op de kruiswegen werken met drie cirkels tot het grote pentagram. Elders, kent men weer veel eenvoudiger oproepingen. In alle gevallen schijnt het erom te gaan dat de oproeping wordt bepaald door concentratie; niet door hetgeen je zegt en ook niet door al die mooie tekeningen die je maakt. Het is gewoon de inhoud van je eigen persoonlijkheid, die op de een of andere manier een contact legt tussen jou en de krachten die je pro­beert op te roepen. Als dat gebeurt, zijn die krachten tijdelijk de jouwe.

Het is niet zo, dat een demon iets voor je gaat doen. Neen, het is zo, dat een demon, een duivel of een engel je de kracht geeft om vanuit jezelf iets tot stand te brengen wat je in je eentje niet zoudt klaarspelen. Dan zien we dat de magiër in zichzelf niet alleen maar de oproeper is of degene die het bevel geeft. Hij is degene, die de krachten kanaliseert. Hij is het die het werk bepaalt in zijn vol­ledigheid.

Dit doet veronderstellen dat de mens dus veel meer kan en veel meer krachten bezit dan hij over het algemeen veronderstelt. Maar het betekent ook dat een mens die krachten alleen dan kan hanteren en kanaliseren, indien hij zeker is van zichzelf.

Ik denk dat je een magiër, die grote krachten oproept, in de grootste concentratie eenvoudig het slachtoffer van die kracht kunt maken als je hem gewoon met een speld een prik geeft, terwijl hij daar niet op rekent. Op dat ogenblik is de concentratie weg en daar­mee de gerichtheid waarmee die kracht op een bepaald doel moet worden gericht. En dan zou het heel goed mogelijk zijn dat inderdaad die zelfverbranding van magiërs, waar je weleens over hoort, daarvan het resultaat zou zijn. Want, zegt men, indien een magiër een kracht niet op een bepaald doel kan richten, dan keert ze tot hem terug. Is die kracht groot, dan wordt hij daardoor a.h.w. van binnenuit verbrand.

Nu weet ik niet of dat een echte verbranding is, maar ik kan het mij wel voorstellen. Want wanneer een organisme een veelvoud van kracht moet verdragen van datgene wat hij in zichzelf heeft, dan lijkt mij dit gelijk te komen met een elektrische schok. Is de voltage hoog genoeg, dan zullen de cellen gewoon uit elkaar klappen met alles wat erbij komt, inclusief eventueel ook nog verkoling.

De magiër moet in zichzelf door zijn concentratie iets tot stand brengen. Het werken met krachten heeft de bijzondere belang­stelling van onze gastspreker van vandaag. Hij zal waarschijnlijk andere aspecten daarvan aanroeren dan ik nu naar voren breng.

Roep ik twee krachten op, dan kunnen ze elkaar ten dele uitscha­kelen. Weet ik dat ergens een bepaalde kracht aanwezig is en kan ik het tegendeel daarvan oproepen, dan is het verschijnsel tenietgedaan.

Als u zich ooit heeft beziggehouden met formules voor duiveluitdrijving – dat is interessant als u niets beters te doen heeft – dan zult u ontdekken dat men in feite, als het helemaal erg wordt, begint krachten op te roepen die tegengesteld moeten zijn aan de demon die – naar men aanneemt – in een bezetene aanwezig is of zich in een be­paalde omgeving manifesteert.

Is de kracht die men oproept groot genoeg, dan kan men daarmee natuurlijk niet de andere geesten tenietdoen. Ik kan niet zeggen: “ik los de zaak eenvoudig op, het is er niet meer.” Neen, ik maak de uiting onmogelijk. Ik kan dus bij een perfect evenwicht een wereld hebben, waarin helemaal geen geestelijke verschijnselen voorkomen. Toch is de spanning die daarboven staat enorm groot.

Ik mag misschien een vergelijking maken: Als het regent en je zit onder een tentdoek, dan zit je heerlijk droog totdat je met één vinger ertegenaan komt. Dan begint het onmiddellijk door te lekken. Als wij nu de sferen boven ons met al die enorme krachten en span­ningen die daarin zijn beschouwen als een soort tentdoek, dan wordt ook duidelijk, dat wij met een enkele beroering een ontlading van die kracht tot stand kunnen brengen. Die zal dan wel niet evenredig zijn aan datgene wat erbuiten gebeurt, maar het is toch meer dan ons aangenaam is.

Magie is een specialistisch iets. Dat is begrijpelijk. Rond­dansen is ook een specialistisch iets. Een koorddanser is iemand, die precies weet hoe hij zijn evenwicht moet houden in de lege ruimte met een zeer zwakke steun onder zijn voeten. De magiër is iemand, die eveneens weet hoe hij op de grens van twee werelden moet balanceren zonder ooit naar de ene of de andere kant door te slaan. Op het ogen­blik, dat hij doorslaat is hij verloren.

Misschien wel omdat het gevaar zo groot is, is het aantal theo­retici aanmerkelijk groter dan de praktiserende werkelijke magiërs. Degenen die het meest aan magie hebben gedaan (denk maar aan een fi­guur als Gilles de Rais) zijn eigenlijk helemaal geen magiërs. Ze zijn gewoon een tikkeltje getikt.

Ik geloof, dat je dat heel veel ziet in de wereld. Veel mensen doen alsof zij iets zijn en halen de gekste dingen uit omdat zij niet weten wat de werkelijkheid is. Ik denk, dat daar ergens ook een ver­binding ligt naar ons eigen leven.

Wanneer wij geconfronteerd worden met spanningen en krachten en wij weten niet wat er gaande is, dan gaan we er gewoon op af. Mis­schien valt het mee, misschien valt het tegen. Maar als wij precies weten wat er aan de hand is, dan wordt hierdoor ons gedrag ook veel bewuster maar gelijktijdig voorzichtiger. De kans op ongelukken wordt kleiner. De kans op gerichte, dus bedoelde resultaten groter. Maar daarvoor is een enorme kennis en beheersing nodig. Bovendien moeten wij ons dan werkelijk en volledig inzetten om datgene wat wij nastreven waar te maken.

Als wij ons bezighouden met krachten, dan kunnen wij dat beter niet doen door eenvoudig een bepaalde kracht op te roepen. Dat is levensgevaarlijk. Er zijn andere mogelijkheden. Wij kunnen b.v. een beeld maken van iets of iemand. U kunt bv. u een voorstelling maken van wat ik als geest ben. Die voorstelling op zichzelf limiteert de mogelijkheid dat krachten wegvloeien. Want u hebt door het patroon van de figuur die u aanroept gelijktijdig bepaald welke mogelijkheden tot ontlading van krachten er in u zijn. Dan is de voorstelling op zichzelf misschien niet relevant, maar zij is een limitering van onze eigen ontvankelijkheid voor en eventueel verwerking van krachten van een ander niveau.

M.a.w.: de naam of de figuur die wij gebruiken is een kraan die wij slaan in de wereld van kracht. We kunnen die dan een klein beetje opendraaien of misschien helemaal, maar hierdoor wordt de gerichtheid van de straal bepaald door de plaats van de kraan.

Nu zitten we natuurlijk met de moeilijkheid: welke kraan gebruiken wij en op welk punt slaan wij haar? Want als wij de verkeerde kraan gebruiken, dan is het mogelijk dat we meer krijgen of minder dan we nodig hebben. Slaan we haar op een verkeerde plaats, dan krijgen we misschien helemaal niets òf we krijgen zo de volle laag, dat alles al gebeurd is voordat we weten waarmee we bezig zijn.

Daar kunnen we ook een paar regels voor stellen:

In de eerste plaats: ik kan geen enkele figuur aanroepen, of hij moet voor mij, krachtens zijn attributen of de hem toegestane eigenschappen, in overeenstemming zijn met het doel dat ik nastreef en tevens, in mijn ogen althans, een macht vertegenwoordigen, die groter is dan de mijne. Het kan dus een heilige zijn als Laurentius bv., het heilige stekelvarken, want hij zit vol met pijlen, of mensen die verbrand zijn, of de één of andere martelaar, U kunt zelfs Sinterklaas nemen, als u maar gelooft dat hij echt is.

In de tweede plaats: u zult begrijpen, dat we de plaats niet kunnen bepalen. Alleen op deze plek wel, op die plek niet. De plaats is voor ons eigenlijk een kwestie van tijd. Op het ogenblik, dat ik in mij­zelf een spanning heb opgebouwd, kan ik gebruikmaken van die span­ning om die figuur werkelijk te maken voor mijzelf en daarmee de krachten die eruit voortkomen.

Heb ik niet die spanning in mij en heb ik haar niet opgebouwd, dan kom ik niet tot een voldoende intensiteit. Het beeld dat ik dan op­bouw is of onvolledig, dan wel het bezit niet de eigenschappen die ik nodig heb. Dat betekent, dat iedereen zich heel goed moet realiseren wie hij oproept.

Ik kan mij voorstellen, dat iemand van u behoefte heeft aan wel­sprekendheid en dat hij Henri oproept. Dat is natuurlijk heel erg prettig als het gaat om een zeer scherp en puntig betoog. Maar als u voor de Bond van Plattelandsvrouwen het woord moet voeren, zou ik toch maar een andere spreker uitzoeken als ik u was, want dan zou het weleens kunnen zijn, dat u met schade en schande wordt weggejaagd; als u het overleeft. Ik heb dus de juiste figuur nodig.

In de mystiek en in de magie worden we geconfronteerd” met een aantal werelden en bovendien met een aantal tot die specifieke werel­den behorende figuren. Als ik een wereld uitdruk, dan doe ik dit ge­woonlijk door er een kleur aan toe te kennen ofwel een bepaalde in­tensiteit van licht aan toe te kennen. Het heeft niets te maken met de werkelijkheid, maar voor mij is het de voorstelling die voor mij een dergelijke sfeer toegankelijk maakt.

Als wij dus uitgaan van een bepaalde sfeer, dan moeten we ook nog uitgaan van een persoonlijkheid die in die sfeer thuishoort. Er zijn bepaalde invloeden waarvoor u bv. het Pastoortje wel zou kun­nen gebruiken, maar mij weer niet en onze Henri zeker niet, misschien Theodotus wel. Dat zijn eenvoudig zaken, waarbij het verschil van be­wustzijn medebepalend is voor de kwaliteit die geuit kan worden. Het gaat er niet alleen om dat je het vat bepaalt dat je aantapt (de sfeer), maar je moet ook de kraan hebben met de juiste mogelijkheden die past in de spon van het vat. En dat is altijd een figuur die juist bij deze specifieke kwaliteit past.

In de alchemie heeft men dat een beetje veranderd. Men heeft daar dus de voorstelling van sfeer en wereld, die in de magie zo sterk is, veranderd in de verschillende sulfurs, in de verschillende krachten die zowel kosmisch als natuurlijk voorkomen. Er is hier een soort parallel geschapen tussen geestelijke kwaliteiten en stoffe­lijke.

Als ik als alchemist een bepaald materiaal gebruik, dan moet dit voor mij de voorstelling met zich brengen van het geestelijk equivalent ervan. Het resultaat is dus dat ik in wezen eigenlijk altijd twee dingen tegelijk gebruik: De geestelijke kracht en de stoffelijke vorm ervan.

Het is deze tweeledigheid waardoor een alchemist inderdaad veel meer kan doen dan je alleen in de chemie kunt klaarspelen. Een goed alchemist kan bv. atomaire structuren wijzigen wat een gewoon chemist zonder zeer bijzondere hulpmiddelen zeker niet zou kunnen. Het is weer de samenvoeging van energieën en van harmonische vormen daarvan.

U heeft allen wel gehoord over de goudmakers. Er is een tijd geweest dat iedereen beduveld werd door mensen, die zeiden dat ze goud konden maken. Nu wordt u beduveld door mensen die bankbiljetten drukken en zeggen dat ze evenveel waard blijven. Die goudmakers gebruikten heel vaak de twee poeders. Dat was dan meestal het rode en het witte poeder of het rode en het zwarte poeder. Soms spreekt men ook over het gouden poeder, maar dat komt maar een enkele keer voor. Hier ging het om twee bestanddelen waarvan de één, het rode met enorme energie, het vuur, was geassocieerd en indirect met de zon. Het witte poeder was met de rede geassocieerd. Het denkbeeld en de kracht worden dus samengebracht in het materiaal en daardoor zal de beheersing ontstaan van de structuur van het materiaal.

Het zijn zeer interessante dingen. Als je nog iets verder gaat dan vind je de alchemistische geneeskunde. Iets waaraan men in deze tijd toch wat neer aandacht moet gaan besteden. Paracelsus von Hohenheim schrijft bv. bepaalde stoffen voor, meestal aftreksels van planten. Daarnaast ook vaak bepaalde mineralen. Maar het is nooit com­pleet als daar niet een zegel bij wordt gegeven. Het is dus een re­ceptuur waarin bepaalde krachten worden genoemd. Becofar (?) wordt nogal eens genoemd. In feite een demon, maar tevens ook de bestrijder van de koorts. Er worden zegels aangebracht waaronder het eigen zegel van planeetgeesten bv. Falus. Al die dingen bij elkaar vormen wel degelijk een sluitend geheel.

Want als je die zaak nagaat blijkt dat het geschreven zegel in wezen het geestelijke counterpart is van de stoffelijke prescriptie. Hier wordt dus het medicijn versterkt door geestelijke werkingen op te roepen. Deze volgens uw terminologie paranormale invloeden doen precies hetzelfde maar nu in het levenslichaam en in het astraal als de werkzame stoffen in de lichaamshuishouding tot stand brengen. Het gekke is dan ook, dat je met zeer primitieve middelen vaak resultaten kunt krijgen die veel verder gaan dan de bekende geneeskunde.

Er bestaat een oud recept, o.a. in bepaalde delen van Afrika en ook in bepaalde noordelijke delen van Zuid-Amerika, een neger recept. Het bevat 14 verschillende kruiden. Het gaat om blad, om merg van bepaalde planten en nog zowat plus enkele distillaten. Als je dit allemaal bij elkaar brengt ontstaat er een soort brij. Die brij moet je in de zon laten drogen. Zolang dat gebeurt, moeten daar bepaalde aanroepingen bij worden opgezegd. Nu is het eigenaardige dat deze stof, die men middels een soort rietje in de aderen brengt van een mens, immuun maakt, niet voor één soort gifslang maar voor praktisch alle gifslangen plus nog een aantal schorpioenen en andere kribbige bijters.

Dit recept is nog nooit gedupliceerd. Het is onderzocht. Men is er mee bezig geweest. Men heeft zelfs proeven genomen op de slangen­farm. Men heeft daar iemand laten bijten door allerlei slangen (men had natuurlijk het serum bij de hand), zelfs door o.m. de zandadder, die nogal giftig is, de cobra en nog zo’n paar van die lievelingen, zoals de rode boomslang. Het bleek dat deze man inderdaad een temperatuurverhoging kreeg, maar dat verlammingen en al die andere ver­giftigingsverschijnselen eenvoudig niet optraden, maar dat het lichaam na enige tijd het gif gewoon naar buiten dreef. Het lag weer als een soort pareltje op de huid en kon worden weggewist.

Men heeft geprobeerd de werkzame bestanddelen te ontleden. Men heeft het nagemaakt. Men had één geluk, ze hadden inderdaad al die sera bij de hand, anders was de proefpersoon overleden. De onder­zoekers konden namelijk niet begrijpen dat niet alleen de bestand­delen, maar wel degelijk ook het magische werk, dus de analogie die werd geschapen tussen de geestelijke krachten en het stoffelijk mid­del van groot belang was voor alles wat zich in het menselijk lichaam gaat afspelen.

Dit betekent ook weer dat we met krachten te maken hebben die heel erg belangrijk zijn. Niet dat wij met een geestelijke kracht al­leen de dingen beter kunnen doen dan met de materie. Maar als je op aarde leeft betekent dat dat je de stoffen van je eigen wereld een soort evenbeeld, moet geven in geestelijke betekenis en waarde. En als die beide volledig samenvallen, dan heb je een kracht die het geheel van de persoonlijkheid bereikt en niet alleen maar een enkel orgaan of alleen maar het lichaam.

De resultaten die op die manier bereikt zijn in de geneeskunde zijn vaak verbluffend geweest. Er zijn verschillende samenstellingen zoals het beroemde aqua Toffana (langzaam dodend giftwater) die in­derdaad, ofschoon ze zelf geen gifstoffen bevatten, in staat waren iemand immuun te maken tegen alle toen bekende vergiften. Je kunt zelfs verdergaan. Blauwzuur (cyaankali) was toen nog niet zo bekend, maar ook daarvoor word je door dit “water” zoals het heet onkwets­baar.

Het komt alweer voort uit de samenwerking van geestelijke krach­ten en de eigen bestanddelen die niet zo bijzonder zijn. Aqua Toffana is eigenlijk een samenvoeging van aqua distillata, gepurifieerd zout, een klein snufje jodium en een heel klein snufje wit arseen. Het wordt afgemaakt met z.g. gepurifieerde of lichtgele sulfur. Het is dus op zichzelf helemaal geen moeilijk mengsel. Maar het werkt niet, tenzij alle geestelijke waarden die erbij horen, eveneens zijn geactiveerd.

Men zegt zelfs dat er nooit een levenselixer heeft bestaan. Nu kan ik mij dat voorstellen, want het is voor mensen ondenkbaar. De enigen die een levenselixer op aarde willen hebben, zijn de mensen die een levensverzekeringsbedrijf exploiteren. Alle anderen voelen er weinig voor. Maar wat is dan het geheim? Heeft het ooit bestaan? Zeker, het bestaat nog. Het levenselixer is in wezen een samenvoeging van bepaalde stoffelijke bestanddelen en geestelijke krachten. Het resul­taat dat je daarmee krijgt, is eigenlijk een grote schoonmaak voor de cellen, waarmee het verouderingsverschijnsel ongedaan wordt gemaakt. En aangezien je dat dus regelmatig kunt doen (men zegt dat men het eens in de 7 jaren moet gebruiken gedurende 3 weken en die drie weken te beginnen op het ogenblik van de nieuwe maan) zal het u duidelijk zijn, dat u op die manier het leven dus eeuwig zoudt kunnen houden.

Het is dus helemaal niet zo’n gekke verklaring, als men zegt dat het levenselixer het eeuwige leven mogelijk maakt. Een andere vraag is, of er iemand is die eeuwig op aarde zou willen blijven. Ik heb daar mijn bedenkingen over, maar voorlopig zou men het een paar hon­derd jaren kunnen proberen.

In alle voornoemde gevallen gaat het om het samenspel van krachten en materialen. Daar wij vanavond een gastspreker hebben die zich juist met krachten en evenwichten van krachten in het bijzonder be­zighoudt in deze tijd, vond ik het aardig om u op deze wijze een voorproefje te geven van de vele mogelijkheden die er zijn en gelijktij­dig een waarschuwing. Want als je niet in staat bent om de juiste krachten gedurende een voldoende lange tijd a.h.w. te doen inwerken op de materie of op jezelf, dan heb je alleen maar een hele hoop moeite voor niets gedaan.

Dat krachten in de kosmos op een andere manier natuurlijk ook nog samenhangen weet ik wel. Het is misschien voor sommigen heel erg leuk, als we gaan spreken over de kosmische krachten, de uitwisseling, de verandering van kosmische evenwichten en eventueel wat over astro­logie vertellen of omtrent de werking van de verschuivende evenwichten rond de zon. Maar als je al die dingen samenvat blijft er steeds weer een invloed over.

Die invloed is van stoffelijke aard. Kun je daar een invloed van geestelijke aard aan toevoegen, dan verandert ze vaak haar kwaliteit. Als ze gelijk blijft zal ze veel intenser en veel vollediger inwerken dan anders denkbaar is. Op die manier weet u tenminste een klein beetje wat u er al zo van kunt denken.

Nu heb ik tot afsluiting van mijn inleiding nog enkele gegevens, die samenhangen met bepaalde wijzen van werken van de kabbala, zoals de gematria.

Elk ding heeft zijn wezen. Het wezen is altijd veelzijdig. U denkt toch ook niet aan uzelf als aan een eenzijdige persoonlijkheid. U hebt heel veel verschillende mogelijkheden en zijden die u naar voren kunt brengen zoals het u toevallig uitkomt. Tenminste als u uzelf voldoende beheerst. Zo is het eigenlijk ook met de gematria.

Elk wezen heeft zijn eigen werkelijke betekenis of waarde. Door de waarde of betekenis in getalswaarde uit te drukken wordt het moge­lijk te berekenen welke andere gestalten een persoonlijkheid kan be­zitten. In deze tijd gebruikt men die methode ook wel om een aanvul­ling te geven aan de astrologie. Een gevolg daarvan is de z.g. incar­natie-astrologie. Anderen gebruiken het weer om in boeken te zoeken naar de tweede betekenis. In de bijbel, wordt dat heel vaak gedaan.

Hier is sprake van de veelzijdigheid der dingen waarbij we door concentratie op één punt ervan een bepaalde eigenschap op de voorgrond brengen. En dan die eigenschap in al haar betekenissen kunnen nagaan. Maar de mensen denken dat je daar niet zo gek veel mee kunt doen.

Toch bestaat er wel degelijk ook een kabbalistische magie. In die kabbalistische magie gaat men uit van getalswaarden. Dat is begrijpe­lijk. Getallen spelen nu eenmaal in de kabbala een grote rol. Die ge­talswaarden zijn harmonisch met bepaalde engelen.

In de kabbala hebben we een indeling van de hemel. Een soort hiërarchie waarin we precies kunnen zeggen: in deze laag vinden we die. In die laag vinden die en die. Nu gaat het erom om in die getal­len een zodanige samenvoeging te maken dat entiteiten, die overeen­stemmend zijn in waarde maar in verschillende sferen leven, allen op één lijn worden samengebracht. Dan krijgen we die z.g. magische getallenvierkanten. Als ik het bovendien nog zo kan doen dat de eigen­lijke kwaliteit (dat kan een bepaalde inwerking zijn, een bepaalde planeetwaarde maar ook Godswaarde) in het getal, dat op elke lijn kan worden berekend, steeds weer voorkomt als som, dan heb ik daarmee dus ook de gerichtheid bepaald. Maar dat is weer erg ingewikkeld en erg specialistisch. Daarom kan ik ook nog een andere methode gebruiken. Want letters hebben ook een cijferwaarde.

Als je bv. vroeger te maken had met een kraamvrouw en vaak ook met kraamvrouwenkoorts, dan had je bescherming nodig. Nu is er een godsnaam die gelijktijdig staat voor licht. Wij zouden zeggen: het grote witte Licht. Als ik die godsnaam opschrijf dan is de getals­waarde die van het Licht en – zo zegt men – beschermt de godheid door zijn eigenschappen, maar het vuur, dat in de naam behouden is, rei­nigt.

Curieus. Zo wonderlijk is het met de magie. Maar de krachten waar het over gaat, werken inderdaad als je ze goed gebruikt. Het typerende voor de mens is, dat hij, omdat hij de krachten niet kan om­schrijven, hij vaak het geheel verwerpt.

In de oude tijd deden ze het anders. Ze gebruikten die krachten wel, maar ze konden ze niet omschrijven. Ik geloof, dat de tijd dichter­bij begint te komen waarin de mensen moeten leren die krachten al­thans enigszins te omschrijven en ze dan weer bewust te gebruiken. Daarmee kom ik dan als vanzelf aan de eindthese.

Als wij beseffen dat er rond ons ontelbare krachten zijn van verschillende kwaliteiten, dan moeten wij ook beseffen dat vele, zo niet al deze krachten hun counterpart kunnen vinden op de wereld waar wij leven. Als wij deze harmonieën leren gebruiken, zullen wij daardoor in staat zijn de krachten van de geestelijke werelden beter en juister gericht te gebruiken in de wereld, waarin wij ogenblikkelijk bestaan en daardoor de geestelijke betekenis, zowel als de stoffelijke mogelijkheden van dit bestaan aanmerkelijk uit te breiden.

Ik meen dat mijn inleiding wel past bij het wezen van de gast­spreker die na de pauze komt. Ik had ook het gevoel, dat deze zaken die u waarschijnlijk ook nog niet allemaal en precies zo kent wel interessant zouden zijn en u gelijktijdig ertoe zouden brengen een beetje meer na te denken over die vreemde krachten die er zijn en die je toch niet ziet.

  • U zei: Een demon die de koorts bestrijdt. Een demon is in onze gedachten altijd iets wat negatief is. Koorts bestrijden is zeer posi­tief.

Als je een prairiebrand had, dan deed men vroeger het volgende: Men ging in de baan die het vuur zou kiezen kleine vuren ontsteken, die men nog kon controleren. Daardoor brandde men iets kaal maar men kon de grote brand bestrijden. Het was allebei vuur.

Voor u kan koorts kwaad zijn en de demon ook. Vanuit een ander standpunt zijn beiden goed. De koorts is namelijk het verzet van het lichaam en kan dus een genezende uitwerking hebben. De demon is een wezen dat behoort tot een bepaalde harmonie, een bepaalde sfeer, maar het kan net zo goed te uwen gunste als te uwen nadele ingrijpen.

Beschouw beide maar als een natuurkracht. Want wat de mensen denken over demonen is over het algemeen zoals de gebroeders Van Eyck: allerlei gedrochten die alleen maar bezig zijn om ons naar het duister, naar de ellende, te lokken. Dat is niet waar. De demon weerkaatst dat­gene wat wij zijn. En als die demon in zichzelf chaotisch is, zo kan hij ons helpen om remmingen, die ons tegenhouden op te lossen. En dan is hij weer gunstig. M.a.w. de demon mag u wat mij betreft nog steeds als ongunstig beschouwen, maar vergeef mij als ik daarbij opmerk, dat uw eigen benadering van de demon wel degelijk uitmaakt welke beteke­nis hij voor u kan hebben.

Het wezen van de demon is anders dan het uwe. Zijn einddoel is anders dan datgene, wat voor u is vastgelegd in uw wezen, maar u kunt wel degelijk tot harmonie komen en daarbij iets goeds bereiken wat voor beiden telt. U kunt natuurlijk ook het slechte op de voorgrond brengen en zeggen: “Hij is de schuld.” Al hebt u het toch wel degelijk aangehaald.

U moet van één ding uitgaan: definitief goed of definitief kwaad bestaat niet in de kosmos. Het bestaat alleen in verhouding ofwel subjectief. Naarmate u zich aanpast aan delen van die kosmos zal ze voor u goed zijn of u tot tegendeel daarvan maken waar u toch contact mee heeft, dan zullen ze voor u kwaad zijn.

De Gastspreker

Men heeft mij gevraagd met u te spreken en mij het onderwerp zelf ter keuze gegeven

Ja, hoe gaat het, als iemand door de honden van de waanzin wordt gejaagd. Hij zoekt naar de krachten, naar de energieën, naar de werke­lijkheden die achter de werkelijkheid liggen.

Mijn leven is zoeken geweest. Ik heb vele van de aardse myste­riën leren kennen. Toch was dit in mijn geestelijk bestaan eigenlijk alleen maar een vaalheid tegen de grote volheid van kleuren en krachten die men vinden kan in het bereik van de geest.

Zoeken naar mysteriën is in wezen je eigen onbegrip omschrijven. Want alle dingen horen bij elkaar. Alles is deel van je wezen. De hele wereld die je ziet is direct met je verbonden. Alle krachten die je erkent, alle vormen die je kunt beseffen, zij voegen zich bij die eigen wereld en worden tot een rijkdom waarbij juist het begrip nood­zakelijk is om uit die rijkdom zelf te kunnen leven.

Alle dingen kondigen zich aan. Die aankondiging is vaak een symbolische.

Wanneer je leeft maak je fasen door. In elke fase antwoord je op sommige dingen anders. Wat gisteren schoonheid was, is vandaag onaan­zienlijk. Wat het ene ogenblik zuivere wijsheid is, lijkt je het vol­gend ogenblik varkensdrek. En wat drek was, kan weer puur goud worden.

Zo wonderlijk verandert onze wereld, als wij onszelf veranderen. En pas als je begint te zien hoe al deze dingen samenhangen met wat je zelf bent, begrijp je iets van de werkelijkheid die achter de vormen en achter alle mysteriën verborgen ligt. Het mysterie is mijn onver­mogen om bewust de kracht te beleven die ik toch tracht waar te maken.

In ons allen schuilt iets van een Faustus. Wij allen hebben de be­hoefte onze wijsheid te manifesteren. Wij willen spreken met de oude wijsgeren. Wij willen spreken met degenen die groot zijn geweest in het verleden in de hoop daardoor zelf meer te worden. En voor wij het weten vangen wij de jonker met de paardenvoet. Voor wij het weten heb­ben wij datgene, wat wij juist niet meer kunnen begrijpen. En dan be­gint het wonderlijke spel van het noodlot.

U zult altijd weer in uw eigen leven zien dat op het ogenblik, dat u niet in staat bent om te begrijpen met welke krachten u leeft en werkt, er een kracht opstaat, die met u gaat werken. U wordt het speeltuig van een wezen, een kracht, een personificatie die u eigen­lijk niet eens op haar waarde weet te schatten. Dat is, meen ik, de essentie van alle raadselen van het leven.

Men zal u toeroepen dat u veel meer bent dan u denkt te zijn. Dat is misschien waar voor de ander die u ziet met uw mogelijkheden, maar kunt u meer zijn dan u beseft te zijn?

Men roept uit dat de kracht van God in ons allen aanwezig is. Maar als je niet kunt werken met die kracht van God wat voor nut is ze voor jou? Je moet doordringen tot je niet meer zegt: de kracht van God, maar zegt: de kracht die ik erken. God mag het raadsel blij­ven, maar de kracht die daarin schuilt die moet ik voor mij beleven.

Als ik tot u zeg: Hier rond u is de levende, lichte kracht, dan is dat waar. Dat is werkelijkheid. Maar dat is een werkelijkheid die voor u niet bestaat. Wie weet dat de kracht er is maakt zich een beeld van die kracht. Hij beleeft de kracht en hanteert de kracht. Maar wie alleen maar zegt: Die kracht is rond mij, ach, die kan ik misschien oproepen.

Ik weet dat in de kerken soms alle dingen samenvloeien. De fi­guur van de wierook wordt een kleur van purper. De kaarsen schrijven tekens in de mist van het onbegrepene. De zang spoelt daar overheen, wast de illusie weg en laat alleen het licht over. Dan is dat licht waar en het licht werkt voor jou; maar alleen door de hulpmiddelen.

Misschien is het u hierdoor duidelijk geworden waarom ik heb ge­zocht naar het spel van de krachten en mij voortdurend heb ingespan­nen om te zien wat achter de sluier van wat wij “werkelijk” noemen bestaat. Veel daarvan kan ik u niet uitleggen. Het is onmogelijk om dit alles weer te geven in een woord, in een gedachte, in een beeld. Je kunt de krachten en de gedachten in een beeld weergeven. Maar juist het beeld moet je bezitten. Het moet deel van je wezen zijn.

Buiten jou bestaan de krachten. Alles is in voortdurende wer­king. Er is geen ogenblik dat er ergens rust is. Rust bestaat niet in het Al. Het bestaat niet in de sferen. Rust in de zin van geen be­weging bestaat niet in God. Wat bestaat, is het elkaar opheffen, van krachten.

Licht en duister breken elkaar af en er is een rustpunt zoals de stilte in het midden van een tyfoon. Dat is de rust die wij kennen: stilte in een werveling van kracht. Maar een stilte die juist door de werveling van krachten zelf in stand wordt gehouden. Wanneer wij in die stilte, die rust, die schijn van evenwicht willen proberen om toch een kracht te laten werken, dan moeten wij een zeer precieze indicatie hebben van de kracht die rond ons werkzaam is. Dan kunnen wij een deel daarvan afleiden. Maar als wij niet precies weten wat wij doen, wat wij zelf zijn, dan breekt de hele storm over ons los.

De krachten benoemen is niet doenlijk. Misschien zijn er wel miljoenen en nog eens miljoenen krachten. Al die krachten spelen hun eigen spel. Al die krachten hebben hun eigen stuwing en werking. Al die krachten brengen samen dat ene voort, dat wij onze wereld noemen, dat wij kunnen beseffen, dat ons beheerst en dat wij beheersen kunnen. Daarom moeten wij altijd weer elke kracht afzonderlijk proberen voor­zichtig te proeven, opdat wij ervaren wat zij is. Opdat haar beeld in ons ontstaat. En met het ontstane beeld kunnen wij die kracht ge­bruiken en kunnen wij die kracht richten; kunnen wij met die kracht alles doen wat noodzakelijk is.

Omdat wij zelf in ons ook een samenspel van krachten zijn, kun­nen wij tinten daaruit naar voren halen alsof één hoofdkleur gemengd met alle andere kleuren een bijna oneindige scala wordt, waarin het blauw, het wit en het rood versmelten tot de meest wonderlijke tin­ten. Deze versmelting met delen van ons eigen wezen is datgene, waaruit wij de kracht van het scheppen kunnen leren.

Men zegt: De mens is de speelbal van de goden. De goden zijn de schepping van de mensen. De Ene Kracht geeft u de mogelijkheid om zelf van alle goden een speelbal te maken. Elk beeld, elke kracht die wij kunnen ontvangen, die wij kunnen begrijpen kunnen wij ver­anderen van aard en soort. Wij kunnen een hemelwereld scheppen als een fonkelend juweel dat het werkelijke licht in tienduizend tinten tekent en ons de vreugde geeft van de grote schoonheid. Wij kunnen alle ritmen samenvoegen totdat de melodie ontstaat die is als het smachtende lied van de liefde, het grootse lied van de dood, het ge­weld van de geboorte van een kosmos. Al die dingen zijn in ons.

Hulpeloze mensen vergeten wat zij zijn. Mensen, die in zich de kracht zoeken, in zich die overeenstemming van kracht vinden, kun­nen voor zich veranderingen waarmaken. Zij kunnen vaak niet hun wereld veranderen omdat die wereld een vast beeld is. Als daar een ezel staat, dan kun je daar geen paard van maken, want je ziet de ezel als ezel. Maar als je de ezel niet meer ziet kun je wel een paard maken. Dat is de kosmische werkelijkheid van mensen en van geesten.

Wij leven voortdurend in een wereld van vaste voorstellingen En waar de voorstelling is, is ze voor ons bepalend. Ze beperkt ons. Als wij haar gaan ontkennen zoals ze bestaat en daarvoor in de plaats uit onszelf scheppen wat wij willen, dan kunnen wij onze wereld ver­anderen.

Elke mens zingt de zang van zijn eigen onvermogen. Want elke mens bindt zich aan wat bestaat en niet aan de werkelijkheid die in hem leeft. Het evenwicht van krachten wordt door anderen dan ons, door onbepaalbare wezens in stand gehouden. Maar wat er is in het evenwicht van de kracht, dat kunnen wij bepalen.

Niet hulpeloze reizigers die langs de vastgelegde banen verder moeten gaan, maar heersers, die als een vogel vliegen over het land en voor zich bepalen op welk ogenblik zij de wereld willen beroeren. Dat zijn wij, wanneer wij ons bewust zijn van onszelf.

De levende kracht leeft in u. Zo goed als u haar ervaart, zo goed leeft ze in mij. Er is geen grens aan deze kracht gesteld. Er is geen beperking aan deze kracht gesteld, behalve wat wij zelf aan beper­king maken.

Wij zijn erfgenamen, de echte erven van de Schepper zelf. Wij zijn deel van de kracht, maar wij zijn ook de vorm van de kracht. Als ons wezen bewust is, boetseren wij het eeuwig bestaande, het verloop van de tijd dat wij wensen.

Wij zoeken naar de geheimen. Wij spreken over de bouwwerken. Wij denken aan de wonderlijke smeltprocessen die in de juiste oven plaatsvinden omdat wij niet beseffen, dat wij het bouwwerk zijn en de bouwer.

Er is er géén, die groter is dan wij. Hij heeft ons de taak ge­geven om te bouwen, maar ook om bouwmeester te zijn, om zelf voor ons een kathedraal te bouwen waarin de werkelijkheid van de kosmos wordt weerspiegeld.

Ons is niet de taak gegeven om als één klein element door het leven te sluipen van wereld tot wereld. Wij zijn gemaakt om uit ons­zelf te bouwen wat wij zien als het edele; uit onszelf het goud voort te brengen zodat er geen lood meer overblijft, zodat er geen ander ele­ment meer bestaat dan dit symbool van de vlammende, de leven gevende zon.

Wij, wij kleine wezens, wij weten niet hoe wij moeten gaan. Daarom kennen wij onszelf en onze weg niet. Daarom gaan wij de kronkelende wegen van mysterie tot mysterie, tot verbeeldingsspel: een schaduwspel van de werkelijkheid. Wij moeten kijken naar de werkelijkheid; de werkelijkheid die wij zijn, die wij waarmaken uit en door onszelf. Afhankelijk ben ik van God. Voortgekomen ben ik uit het onbekende. Maar ik ben heerser in mijn eigen rijk zolang ik de God erken als de kracht en de kracht vorm geef volgens mijn wezen.

Dat zijn mijn conclusies na al wat ik gezocht en vaak gevonden heb. Beperkt lijkt het bestaan. Armzalig lijkt soms je leven, maar dat komt omdat je nog niet weet wat je bent.

Wie door de poort van zichzelf gaat, de paden betreedt, ziet hoe de wijsheid zich vereent met de schoonheid en ook de liefde haar zin geeft. Hij ziet hoe de bevestiging vanuit zichzelf van al wat bestaat, van al wat is, het deel-zijn van, het delen met de kracht en de wer­kelijkheid ons maakt tot vrije wezens, geesten groter dan de engelen, afhankelijk van de kracht, afhankelijk van God. Maar vrij, wanneer wij waarmaken wat er in ons leeft; wanneer wij uitstralen wat er in ons be­staat.

Zo praten tegen mensen is als een lied dat je zingt voor doven. Want wie nog leeft in de stof kan zijn vrijheid beseffen? Wie, die nog gebonden is aan de wereld die hem zo bepaalt omdat hij haar aanvaardt, kan de vrije tocht maken door lichtende werelden, door alle sferen die denkbaar zijn. Hij kan komen tot de erkenning en aanvaarding van de kracht zelf. Want het is de kracht zelf die de enige werkelijkheid is.

Ik heb woorden en krachten gezocht om u iets te laten ervaren van de vrijheid die in u leeft. Niet wat buiten u is, maar wat in u is, is de werkelijkheid. Hoe meer u de werkelijkheid in u kunt voeden met de aanvaarding van de kracht, hoe meer u de schijn van werkelijkheid buiten u kunt veranderen in kleuren en klanken die harmonie zijn. Schijnbaar is het voor een dwaas. Schijnbaar is het dicht bij de demonie. Toch is het de waarheid. Dit is uw waarheid die u zult moeten ontdekken en er­varen. Het is niet gemakkelijk die weg te gaan. Want voordat je afstand kunt doen van de schijnbaar zekere beelden buiten je, kun je niet scheppen. Maar eens zult u zover komen.

Reeds in deze dagen, in deze uren waarin de wereld schijnbaar haar vormen en inhoud gaat verliezen, bent u het die vanuit uzelf zult in­vullen wat de werkelijkheid van morgen zal zijn. Besef en ervaar dit.

Wat u bent trekt de krachten rond u aan. Als u de kracht wil ge­bruiken en richten dan is zij er. Grijp naar uw innerlijk. Probeer de kracht te voelen. Spreek haar niet aan of uit. Laat haar zijn in u.

Dit is de weg die alle mysteriën overtreft. Dit is het geheim dat verdergaat dan al wat mensen aan mensen openbaren. Dit is het einde van de raadselen, de aanvang van de werkelijkheid. Dat mijn woorden in u blijven bestaan. Verwerp ze niet totdat u in uzelf betere woorden heeft gevonden om ze in de plaats te stellen van de onvolkomenheid die ik u vandaag heb gebracht.

Moge het licht in u steeds sterker groeien. Moge het onedele worden tot het goud van de werkelijkheid. Moge het u gegeven zijn de vrede te vinden die je in jezelf kunt maken.