De evolutie van het magisch denken.

De evolutie van het magisch denken.

Wanneer de mens voor het eerst met het onbekende wordt geconfronteerd, probeert hij het gestalte en vorm te geven. Hij tracht relaties vast te stellen en komt tot een gedragscode waardoor sommige zakenhei­lig zijn en andere verboden. Niet altijd op grond van redelijkheid, maar wel altijd op grond van tenminste tijdelijke omstandigheden. Als men dan te ma­ken heeft met die kwestie (men noemt het dan totem en taboe, dan wordt men ook geconfronteerd met andere verschijnselen. Eén daarvan is de herin­nering.

Wanneer de herinnering aan het verleden blijft bestaan, dan ben je geneigd om je daarop te beroepen. Als er een held is geweest in het ver­leden, dan zou je kunnen zeggen: ook in deze tijd zouden we die held graag terug zien komen. En wat blijkt dan? Niet alleen verwacht men de terugkomst, maar men komt ook tot een systeem waarbij men door middel van sjamanen en tovenaars kan confereren met de helden, de wijsgeren, die zijn overgegaan en hen zijn voorgegaan.

Het spiritisme is eigenlijk heel oud. Lang voor de bekende geschiedenis heeft de mens al contact opgenomen met zijn voorvaderen en heeft hij geprobeerd om hun wil, hun waarschuwingen en hun raadgevingen op de juiste manier te interpreteren. Dan komen er ogen­blikken dat die raadgevingen niet kloppen. Dat kan niet aan de voorvaderen liggen, dat moet aan een ander liggen. Dan moet er dus een ander wezen zijn. Een demon misschien, een duivel of iets dergelijks. Soms ook is er een kracht en een geweld kenbaar dat veel verder reikt dan alles wat men van voorgegane mensen zoudt kunnen verwachten. En dan moest dat wel de stem van een godheid zijn.

Zo ontstaat er dus voor het eerst een dualistische wereldbeschouwing waarin de mens leeft tussen demonen en goden. Maar als je leeft tussen go­den en demonen, dan is het ook erg belangrijk voor jezelf en misschien ook voor de wereld dat je leert hoe je die demonen op een afstand kunt houden en hoe je de goden op de juiste manier kunt aanroepen.

Het eerste principe is dus de magie, het ritueel, de persoonlijke in­stelling waarmee je duivels kunt verdrijven of eventueel dienstbaar maken aan je eigen doeleinden en de goden naar je toe lokken en tevreden te stellen. De eerste magie is eigenlijk niets anders dan dit. Het heeft te ma­ken met de mogelijkheid om goden voor het karretje van de mens te spannen.

Wie echter de natuurverschijnselen beschouwt, komt tot de conclusie dat ze onverklaarbaar zijn en dus moeten ze ook wat te maken hebben met go­den en demonen, want die zijn immers ook onzichtbaar. Zo worden we gecon­fronteerd met verschillende interpretaties van de sterrenhemel waarvan men zegt dat het het schrift van de goden is dat aan de hemel staat.

We vinden natuurlijk ook het denkbeeld dat bepaalde krachten op aarde kunnen komen. Spiegelvijvers zijn in het verleden veel gebruikt, vooral voor de maan. Als de maan wordt vereerd en ze weerspiegelt zich in een vijver, dan is die afbeelding voor de gelovige identiek met dat wonderlijke ver­schijnsel daarboven waarvan hij heus nog niet weet dat het een bol is die in de ruimte zweeft.

Zo ontstaat er dus een magisch denken waardoor steeds meer de moge­lijkheid wordt geschapen om datgene wat op aarde is over te dragen aan de goden en omgekeerd de goden te bewegen om iets wat je bij hen hebt veroor­zaakt ook op aarde kenbaar te maken. Het is: zo boven zo beneden. De over­drachtelijkheid is dus een van de eerste en nog steeds primaire magische vormen.

Er zijn in de loop der tijden (u moet dit even alleen bezien in ver­band met het onderwerp) contacten geweest tussen wezens die technisch en in andere opzichten veel verder gevorderd waren dan de mensen en de mensheid. Het resultaat is dat we soms een hele sprong zien in weten.

Daarbij zien we dan vaak dat binnen een à twee eeuwen een geheel nieuwe vorm van samenleving ontstaat of een geheel nieuw technisch kunnen opeens tamelijk ver verbreid is. Dit betekent dan weer dat we al datgene wat we hebben geleerd in de magie moeten invlechten, anders verliest ze haar gel­ding. Je kunt niet iets buiten het magisch verband stellen, want op het ogenblik dat je dat doet, ontken je de algemene geldigheid van de wetten waarmee je werkt. En aangezien de meeste wijzen in die tijd magiërs of pries­ters waren is het ook wel duidelijk dat de magie steeds ingewikkelder en omvangrijker werd.

Het denkbeeld van het offer is eveneens nogal oud. Er zijn dingen bij waarvan we ons afvragen Hoe zijn ze er eigenlijk toe gekomen? Neem nu het bloedoffer. Dit bloedoffer wordt het eerst gebruikt in tijden dat we nog helemaal niet weten wat bloed is. Toch zien we in die tijd ook al het gebruik dat bloed in het bijzonder wordt geofferd. Een gebruik dat overigens zo lang blijft bestaan dat o.a. in Avignon er nog mensen zijn veroordeeld voor het brengen van bloedoffers. Avignon was niet alleen een ex-pausenstad, maar het was tevens een centrum van magie in ongeveer 1400. Dit gebied blijft heel lang bestaan.

De visie van de mens op het bloed verandert, maar de offerpraktijk blijft hetzelfde. Wonderlijk genoeg ook de relatie die men stelt tussen de magische betekenis van het bloed en de godenwereld. Zo brengt men bepaalde offers van menselijk leven. Maar is het een bode die men zendt, dan mag hij niet beschadigd zijn. Zo iemand moet men dus op een andere manier ombrengen er mag geen bloed vloeien.

Als men aan de God levenskracht wil sturen en hem wil herinneren aan het feit dat de krachten die men hem stuurt op aarde ook hard nodig zijn, dan krijgen we het offer waarbij het hart wordt gegeven. In andere gevallen zien wij dat ook bij bepaalde vormen van Baalsverering. Nu zijn er verschillende Baals en ze worden op verschillende manieren vereerd. Hier kunnen we denken aan de z.g. visgoden waarvan Dagon er een is. Aan die visgoden worden vuuroffers gebracht.  Waarom? Omdat zij de essentie alleen kunnen ontvangen indien ze is omgezet in rook.

Het wonderlijke is dat soortgelijke theorieën, maar nu in een heel andere zin gebruikt, ook een rol spelen bij de vroege alchemie, die ook een beoefening is van een vorm van magie. Hier namelijk wordt soms bloed toegevoegd aan het mengsel om zo de geest erin te laten varen. Bloed en geest worden geïdentificeerd.

We zien ook andere praktijken. Ik denk aan bv. het ploegen van de keizer in China. Daar wilde men weten of het jaar vruchtbaar zou zijn. Men riep dus de goden aan. De keizer werd achter een ploeg geplaatst. Als hij nu een mooie rechte vore trok, dan betekende dat dat het een goed jaar voor de landbouw zou worden. Maar, o wee, als men ook maar een paar zwenkingen had gemaakt, dan werd het een slecht jaar. Een vorm van voorspellen dus. Nu waren er heel handige hovelingen. Als ze nu wilden dat de mensen zouden denken dat het een goed jaar werd, dan zorgden zij dat er van tevoren een vore was gemaakt op de plaats waarop de keizer moest ploegen. Die vore werd dan heel voorzichtig weer dichtgestampt, maar niet al te hard. Dat betekende dus dat de aarde daar iets zachter was en de ploeg in dat spoor rechtuit zou gaan. Zo wisten ook zij kronkels te maken. Waaruit men ziet dat ook zakelijk de magie wel gebruikt werd in het verleden.

Ik denk ook aan het vruchtbaarheidsoffer waarbij men een stier slacht, het bloed op de aarde laat vallen, maar gelijktijdig zijn zaad uitstrooit over de akkers alsof men de goden wil verwittigen. Ik zend u hier de essentie van het leven vanwege de vruchtbaarheid. En zoals ik de vruchtbaarheid over de velden uitstrooi, zo moet u dat ook maar doen.

Op den duur wordt het allemaal een beetje armer. Al die vele goden, wat moet je er eigenlijk mee doen. We krijgen de eerste eengodendienst. Die eerste goden zijn Jah (later Jahweh), El (later Elohim), Shaddai (wordt Adonai). Die eengodendienst werkt soms als een geheime dienst, waarbij de eenheid van alle goden wordt aanvaard als een deel van de geheime leer die alleen zeer bepaalde priesters mogen kennen. In andere gevallen wordt het gewoon de geheel nieuwe benadering van het leven zoals wij het bij de Abrahamieten zien. In alle gevallen blijkt het magische principe bestaan. Allen hebben we nu te maken met één partner en niet meer met vele. Dat wil zeggen dat ons offer niet de ene God kan beledigen en gelijktijdig een andere welgeval­lig is, zodat we het slachtoffer worden van een strijd tussen jaloerse goden.

De situatie ontwikkelt zich verder. Wij gaan werken met symbolen, Als u denkt aan de oude tempel zoals die wordt beschreven, Salomo’s tempel, de tempel van de joden, dan ziet u hoe daar eigenlijk allerlei zaken worden uitgebeeld. De gouden toonbroden bv. zijn het symbool van datgene wat en vanwege Gods wil aan de armen geeft. De kandelaar is niet alleen het licht van God, de dagende schepping, maar het is bovendien ook nog de aanduiding van de mens die het licht wijdt aan de Godheid om zo het licht van de God­heid te ontvangen.

Die overdrachtelijkheid vinden we overal. Het is alsof de mens lang­zaam maar zeker begint te denken dat hij een eigen heelal kan opbouwen, een symbolisch heelal, en dat de goddelijke wereld daaraan moet beantwoorden.

Naarmate de mens meer gaat beseffen, meer gaat weten, meer werktuigen tot zijn beschikking heeft zien we dat hij langzamerhand zichzelf a.h.w. opwerpt als een soort secundaire schepper. De mens maakt in de naam van de Godheid iets waardoor de Godheid het succes moet geven dat de mens zelf niet zonder meer kan bereiken.

Kerken worden daarop gebaseerd. Verlossingsleren duiken eveneens op. Denkt u niet dat het christendom de enige is. De Mithrasdienst is eigenlijk een inwijding en verlossingsrite. Er zijn ook bepaalde inwijding en verlos­singsriten in Griekenland. Zelfs een deel van Egypte met zijn vele goden kent toch ook sekten die een verlossingsrite hebben, als we tenminste niet alleen de Osirisverering willen zien als een verlossingsmythos.

Het verlossen betekent: de overdrachtelijkheid van waarden als schuld, kracht, leven. Heeft tot nu toe de magie alleen leven kunnen nemen als ver­schijnsel, nu meent ze dat ze leven kan nemen en leven kan geven in kosmische zin. Het leven wordt beheersbaar.

Als we ongeveer in 200 v. Chr. gaan kijken, dan vinden we de eerste po­ging om het levenselixer te vinden. Pogingen die overigens nog doorgaan tot voorbij 1600. Ik meen dat in 1800 het laatste levenselixer is beproefd. Toen zijn er 3 honden aan bezweken en heeft de maker maar besloten om het zelf niet te proberen.

In alle gevallen, tot op deze dag toe, geldt in de magie dat het sym­bool gelijkwaardig is aan en direct staat voor de werkelijkheid. Als ik dat zo zeg, dan is eigenlijk kerkelijk denken, politiek denken, economisch den­ken, magisch denken, want wij stellen eenvoudig iets en wij zeggen dat de wer­kelijkheid daaraan zal beantwoorden. Soms doen we dat met aanroeping van go­den. Soms roepen we daar bepaalde principetheorieën voor aan. Maar waar blijft het onderscheid? De wetenschap van vandaag lijkt systematisch. Maar bij werkelijke vernieuwing zien we weer het magische karakter.

Wij zien ook die magische weerkaatsing bij de mensen. Eens was men bang voor bepaalde demonen. In Thessalië bv. waren er bepaalde kruispunten die men absoluut meed omdat daar de heksen samenkwamen om met demonen te con­verseren.

Nu zijn er ook bepaalde dingen die als een soort modern taboe oprijzen. Dan denk ik aan de atoomcentrales. Een atoomcentrale is goed of slecht. Het is niet zo dat men zegt: die atoomcentrale is technisch nog niet goed genoeg, maar als we de techniek leren beheersen, dan is ze het beste wat wij in deze tijd kunnen produceren.

Het atoomgevaar, het atoomgeweld wordt uit zijn verband gerukt. Het is zoiets als de engelen die met Constantijn hebben gevochten in de veldslag. Onze atoomwapens verzekeren ons dat we niet overwonnen kunnen worden. Vergeet dat maar. Dat is magisch denken. Wij hebben het idee dat we niet meer met de werkelijkheid leven. Wij hebben het idee dat we leven met symbolen en dat die ons de kans geven om de werkelijkheid te beheer­sen zonder dat we de symbolen zelf in feite moeten gebruiken. Is dat ma­gisch denken of niet? En als we nog even verdergaan, dan zien we de ont­wikkeling van het magisch denken ook nog op een heel andere manier.

U weet waarschijnlijk wel dat niet alleen het buskruit, maar ook het porselein is uitgevonden door alchemisten, om niet te spreken van arsenicum en nog wat meer goede gaven van de mensheid. Wat was altijd weer het geval?

De mens werkt magisch en als hij resultaat heeft, dan blijkt vaak dat dat anders is dan hij heeft verwacht. Maar als hij handig is, dan kan hij daarmee werken. Berthold Schwarz niet natuurlijk. Dat was de eerste lucht­vaarder van de moderne tijd. De alchemist, die het porselein uitvond was de eerste directeur van de Meisnerfabrieken.

Wij zien dat bepaalde mensen feitelijk kabellisten zijn, maar dat uit hun kaballisme een erkenning komt voor bepaalde ritmen en ontwikkelingen en dat ze op grond daarvan o.a. de kansberekening in haar primitiefste vorm opbouwen en op grond van de kansberekening komen tot economische voorspellingen. Dat is eigenlijk ook magisch denken. Men zegt weer dat het wetenschap is, maar dat is het niet. Het is een systeem geworden dat we­tenschappelijk is opgebouwd, maar het is en blijft magisch denken. Misschien dat we daardoor kunnen begrijpen hoe het komt dat zelfs in deze tijd de mens emotioneel vasthoudt aan het ‘zo boven zo beneden’.

Wij mensen moeten zorgen dat het leven wordt beschermd, dat de hon­gerigen worden gevoed, dat de vijand wordt verslagen, want God wil het. Wat God wil dat voeren wij uit. En wat wij uitvoeren, kan dus niets anders zijn dan Gods wil. Dat is typerend. Misschien dat je God kunt wegvagen en daarvoor een ander begrip in de plaats zetten, mijnentwege Marx of de theorie van de een of ander, maar de relatie blijft dezelfde. Wij zijn niet in staat een onderscheid te maken tussen datgene wat wij zelf daadwerkelijk tot stand brengen en de werkelijke motiveringen. En de bovenwereld, die wij veronderstellen, moet dan maar ingrijpen.

Wij vechten voor onze vrijheld, dus zullen wij slagen, want God is met ons. Of dat nu staat op de Nederlandse gulden of op het koppel van een Duitse soldaat, het is overigens typerend voor de benadering van beide volkeren, dat maakt niet veel uit. Ik meen dat het voor de mens van be­lang is om juist dit principe, deze ontwikkeling te begrijpen ook in zijn eigen tijd. Ik zou namelijk het volgende willen stellen:

Juist omdat de mens niet in staat is de werkelijkheid te overzien, grijpt hij naar het magisch denken. In een magisch denken kan hij zichzelf maken tot de weerkaatsing van een grotere werkelijkheid zonder dat hij die behoeft te kennen. De grotere werkelijkheid zal dan voor zijn gevoel altijd alles bevestigen wat hij zelf is. Dat is een emotionele band. Maar door die emotionele band weet de mens wel degelijk zijn beperkingen te doorbreken. Een mens denkt dat vele dingen onmogelijk zijn, maar als hij gelooft dat God met hem is, dan denkt hij dat hij het wel kan. In Iran zit een heel volk dat gelooft dan het de hele wereld kan verslaan omdat Allah achter hen staat. De westerling bekijkt dat en zegt: laat Allah het maar proberen, want wij zijn toch verlost. Dus waar is de rede?

Zelfs naties worden uitgedrukt in symbolen. De Nederlandse Maagd.

John Bull het is meer John Kribbebijter tegenwoordig. Uncle Sam dat zou misschien nog waar kunnen zijn. Niet te vergeten Marianne, de eigenzinnige, die denkt met haar charmes alles voor elkaar te kunnen brengen. Overal sym­bolen. Waarom? Omdat ze ons een algemeen beeld weergeven.

De meeste mensen die niet Frans zijn denken aan Marianne als aan een wat lichtzinnig dametje, zoiets als de nationale versie van de Folies Bergè­res. De Fransman zal Marianne juist zien als het symbool van de bijna dorpse burgerlijkheid en de zelfgerechtigdheid waarmee men zijn eigen meer­waardigheid voortdurend beseft. Als je dat niet gaat begrijpen, dan loop je vast in die symboliek.

De Russische Beer. De Russische Beer is helemaal geen beer. Het is een combinatie tussen een sterk gedresseerde hond en een schaap, want hij blaft als een hond naar buiten toe en gaat als een schaap naar de slacht­bank zodra zijn baas roept.

Als je die dingen gewoon probeert te ontleden dan zeg je: wij men­sen redeneren eigenlijk nog veel teveel magisch. Wij denken dat het symbool staat voor de werkelijkheid. Wij denken dat wij aan de hand van een algemene lijn het leven, het denken, de reactie van een mens in een bepaald land kunnen begrijpen, dat wij op grond van onze Godsvisie plus een paar hande­lingen die wij zien als God gegeven het recht hebben om anderen te domine­ren, zonder te beseffen dat anderen op hun beurt gelijke rechten kunnen hebben. Het is zelfs zo dat nog steeds veel mensen denken dat Sinter­klaas heilig is. Alleen in Rome is hij dat niet meer. Hij is van de heiligenkalender afgevoerd en vandaar ingevoerd in de middenstand in Neder­land. Waarom hebben we Sinterklaas nodig voor een dag van goed en wel­behagen of een Kerstman, desnoods een Kindje Jezus?

Overal hebben ze zo hun eigen symbolen. Misschien wel omdat we de magie zoeken van wat we weten dat het er niet is om daardoor voor een ogenblik te kunnen vergeten wat wij, volgens onze opvatting, zelf zouden moeten zijn. Het is zoiets als een carnaval van magisch denken. Het geeft je de mogelijkheid om uit een gedegen huisvrouw een hoer uit het paradijs te maken en uit de man, die tot geen tien kan tellen in plaats van een ezel een vorstelijk rekenwonder.

Het is de ‘Umwertung aller Werte’ zoals men in Duitsland zegt. Magisch denken stelt ons daartoe in staat. En al beseffen wij het zelf niet, we zijn er nog steeds mee belast en beladen, ook u. Want ook u denkt in termen die in wezen magisch zijn, omdat u emotionele waarden gebruikt om in uw eigen wereld te werken en dan verwacht dat daardoor van boven uit de bevestiging komt. Zoiets als wanneer ik een goede ge­dachte uitzend, dan zal God ingrijpen en bv. mijnheer Hoestbui en mijnheer Auto plotseling tot vrede geneigd zijn. (Breznjev en Carter.)

De ontwikkeling van het magisch denken is gelijktijdig een vervreemding geweest van het systeem. In het begin was het een werkelijk vechten met geestelijke machten. Die machten werden gepersonifieerd, ze werden benoemd, ze werden via incantaties aangeroepen, ze werden opgeroepen, geëvoceerd. Nu doet men dat niet meer zo. Men schept eerder een algemene tendens en begint daarin dan zodanig te geloven dat men de feiten verwaarloost. Dat is precies het beginsel van de magie. En wat meer is, soms kun je zo dingen waarmaken die schijnbaar onmogelijk zijn.

De mens van heden zal echter moeten leren dit magisch denken om te zetten in een op werkelijkheid gebaseerd werken met krachten die niet algemeen erkend zijn. Pas als hij dat bereikt, zal de magie worden omgezet in een werkelijke menselijke mogelijkheid.