Evolutieleer van mineralen tot en met de mens

image_pdf

31 augustus 1981

Ik dacht dat van steen tot mens evengoed of beter was. Denk echter niet, dat ik nu een soort erfelijkheidsleer ga verkondigen, waarbij ik hoop aan te kondigen, dat afkomst hereditair aansprakelijk is voor het stenen hart dat nog menig mens heeft. Ik wil proberen u iets omtrent een wordingsgeschiedenis te vertellen vanuit een geestelijk standpunt. Het ik-besef bestond al toen de sterren in feite nog geboren werden. Toen er sterren ontstonden en planeten geboren werden, waren er dus entiteiten die zich meer en meer gingen hechten aan een van die planeten of zonnen. Sommigen onder hen hebben het later ver geschopt: zij zijn planeetgeest of sterrenziel geworden. Er waren er echter zeer velen die alleen maar rond die langzaam afkoelende flard van een gaswolk bleven hangen. Toen zich bepaalde materialen uiteindelijk begonnen uit te kristalliseren – voornamelijk vroege gesteenten – hebben zij zich met die steeds donkerder wordende korsten op het nog gloeiende oppervlak van de aarde geïdentificeerd. Het eerste bestaan, zo vreemd het u moge klinken, was het bestaan in kristallen. Die kristallen waren aan zeer veel pressie en veranderingen onderhevig; er was sprake van een groeien van kristallen op een bijna onvoorstelbare wijze in bepaalde perioden. Alles werd ook weer vermalen door de vele storingen die rond de aardbol gingen.

Toen de bovenkant van de aarde praktisch nog een en al gloed en vuurzee was, liepen er zelfs golven daarvan om de wereld, alsof een wordende oceaan alvast probeerde zijn deining te leren beheersen. Daar krijgen wij dan te maken met het eerste dan toch wel met de stof gebonden leven op aarde. Een dergelijke geest heeft natuurlijk vooral veel behoefte aan vele ervaringen die je niet geheel kunt definiëren. Er is nog geen redelijke ontwikkeling denkbaar.

Aan de andere kant: door al de vele verschijnselen die ik u noemde, is het wel zeker dat de entiteit met zeer vele sterk afwisselende indrukken te maken heeft. Deze bepalen de oriëntatie van het ik t.a.v. de wereld buiten het ik. Ook wanneer de wereld op zich nog niet in fenomenen omschreven wordt. Van daaruit krijgen wij dan langzaam maar zeker het afkoelen van de wereld. Er zijn nu entiteiten die langzaam maar zeker zoeken naar plaatsen waar zij verbonden kunnen blijven met het eigen leven van die aarde. Zij worden heel vaak de bezielers van zelfs gehele bergen – vooral bergen waar je nogal wat basalt kunt vinden. De Hekla op IJsland is een leuk voorbeeld hiervan. Dergelijke bergen zijn dan ook bewoond. In vele gebieden vinden wij al snel van dergelijke ‘berggeesten’. Anderen blijven in de aarde zonder een binding met een bepaald deel zonder meer. Dezen bestaan op deze wijze tot in deze dagen toe nog voort. Je zou kunnen zeggen, dat het entiteiten zijn die nog niet geheel volwassen zijn geworden en nu omschreven worden door mensen als natuur- of aardgeesten of gnomen. Al wat er verandert op de wereld, zeker ook het ontstaan van het eerste leven, trekt entiteiten ook weer aan. Het zal u duidelijk zijn, dat je als entiteit met een eencellig wezen nog niet veel kunt beginnen.

De impulsen van een dergelijke levensvorm zijn dermate simpel dat je al een groot aantal van deze wezens moet bezielen om althans enige diversiteit van signalen te kunnen ontvangen. Wanneer er echter meercellige wezens ontstaan worden de mogelijkheden steeds interessanter. Die meercelligen, deze conglomeraties van cellen beginnen zich immers te specialiseren en vanaf het ogenblik van die specialisatie is er in toenemende mate sprake van een werkelijke bezieling in de zin van een entiteit die een of enkele van die wezens kiest en daarmede een binding aangaat. U moet nog niet denken dat de ziel er ‘in’ zit. De ziel is en blijft nog steeds een vrij bewustzijn, dat zich nu echter meer en meer concentreert op slechts één vorm of enkele vormen, en de belevingen daarvan registrerende, zich een steeds complexer beeld van de wereld probeert te maken. Wanneer dit een tijdje aan de gang is zien wij een splitsing. Wij krijgen te maken met het plantaardige, de grazers en de jagers. Dit alles nog in de primaire wereldzee.

Dit wordt bijzonder interessant omdat immers de gejaagde geheel andere impulsen kent en ondergaat dan de jager. De plantaardigen voelen altijd nog veel meer voor een soort koloniebestaan. Iemand die deze bezielt zal nooit een enkeling kiezen, maar altijd een veelheid van wezens. Zoals er ook nu nog entiteiten bestaan die optreden als de bezielers van gehele kolonies van b.v. koraaldiertjes of lange velden van algen en wieren. Het klinkt een beetje krankzinnig, wanneer je het zo zegt en ik kan begrijpen, dat iemand dit alles stoffelijk wetenschappelijk gezien baarlijke nonsens vindt. Maar wanneer u zich nu eens gaat realiseren, dat een geest afzonderlijk bestaat, en dat deze zich een bewustzijn op moet bouwen, is het ook duidelijk, dat je, door van vorm tot vorm je aandacht steeds sterker te concentreren, op het contact van die vormen met de wereld daaromheen een steeds uitvoeriger wereldbeeld op kunt bouwen, en dus ook steeds meer ervaring op kunt doen. In het begin is het al erg moeilijk een meercellig diertje van minuscule omvang te beheersen, te richten, zelfs in zekere mate. Maar wanneer je op den duur geleerd hebt, hoe dit in elkaar zit, ga je als geest niet alleen de stof gemakkelijker dirigeren, maar je gaat ook de instincten, de in het organisme vastliggende reactie, beter aanvoelen en daarvan gebruik maken. Dit is een voorscholing die je hard nodig hebt. Want wanneer eenmaal de eerst meer complexe vormen komen – denk maar eens aan de eerste mossen en varens b.v. – is er voor de beheersing van een dergelijk leven, hoe statisch het overigens ook moge zijn, veel meer nodig dan voor de beheersing van b.v. een pantoffeldiertje. Op deze wijze groeit de geest tot een begrip voor steeds complexere organismen, waarbij het op den duur niet meer mogelijk is het organisme stukje voor stukje te beheersen en te besturen. Het gaat om het vinden van centrale normen. De kern en basis daarvan vormt op den duur de levenskracht. Het is opvallend dat de eerste bewoners van het ‘vaste land’ plantaardig waren. De eersten zijn lichens, een soort algen die overgingen tot een leven op vaster gebied ook zonder door water steeds overdekt te zijn.

Daarna komen er grotere varianten hiervan die zich ontwikkelden tot mossen en zelfs ontplooiden tot hoge varenachtige bomen die, voor degene die dit interesseert, allen holstengelig waren. Het leven in een plant betekent, dat je de omgeving moet waarnemen én de plant. Dat kan je nooit doen door je geheel één te gevoelen met de plant zonder meer. Daar de geest die zich vereenzelvigt met een dergelijk organisme, streeft naar een steeds uitgebreider bewustzijn, wordt zij meer en meer tot iets, wat zich voornamelijk niet in, maar naast de plant concentreert. Een helderziende die in deze dagen een bloeiende plant beziet, zal vaak constateren dat buiten de plant en nabij de bloem een soort wieltje of bolletje aanwezig is, dat veelkleurig is en zich meestal nog beweegt ook. Het draait ook vaak. Dat is dan de kracht die men de geest zou kunnen noemen. Het is het bewustzijn plus het contact met de werkelijke ziel dat hier, even buiten de plant, dermate is geconcentreerd, dat het gehele levensproces kan worden gevolgd. Zo is dit ook in die eerste tijd geweest. Het eerste ontstaan en uitwerpen van sporen was dermate interessant voor een geest die nog geen enkel begrip had van voortplanting e.d. en ten hoogste iets had ervaren dat hierdoor geheel nieuwe ontwikkelingen mogelijk werden.

Reeds bij die eerste ‘boom’-vorming zien wij dan ook als bezielers meer sterk geconcentreerde wezens optreden, die de plantaardige weg volgen. Maar ondertussen zijn er in de zeeën vele verschillende wezens ontstaan. Daaronder zelfs soorten die men in gewijzigde vorm nu nog aantreft zoals b.v. kwallen. Er zijn ook reeds enkele eerste soorten vissen. Wat later ontstaan soorten, die je met enige ruimheid al als reptielen zou kunnen rangschikken, terwijl bovendien ook de eerste vormen beginnen te ontstaan, die voorlopers zijn van de insecten. Het is aardig hierbij even op te merken dat insecten een langere tijd de enige denkende wezens op de toenmalige continenten zijn geweest. De atmosfeer van de aarde was overigens nog sterk verzadigd met vocht en de gemiddelde temperatuur was hoog en beliep 40 tot 43 graden C. De temperatuur was oorspronkelijk ook over die gehele wereld nogal gelijkmatig. Luchttemperatuurverschillen van meer dan 3 tot 4 graden kwamen praktisch bijna niet voor. Dus, wanneer u nu moppert dat het steeds zo koud blijft, moet u zich eens voorstellen wat het wel zou zijn, wanneer het blijvend zo warm zou blijven. Dat bevordert tevredenheid. Dit terzijde overigens.

Er breekt een periode aan waarbij vooral hoger ontwikkelde jagers en grazers zich snel tot vele verschillende soorten gaan ontwikkelen, waarover een nogal robachtige soort, die ik zo noem, omdat zij nog het meeste lijkt op een kruising tussen een zeer kleine rob en een moderne vinvis. U weet wel, een vis die ook in uw dagen nog wel op het droge loopt en o.m. ook voorkomt in zoute moerassen. Hier zijn voor de entiteiten de meeste ervaringen te verzamelen. Zij gaan met deze vorm op jacht en boren op den duur nieuwe voedselbronnen aan: de plantenwereld, die in de moerasachtige omgeving op de aardschotsen is ontstaan.

Het is nog altijd een wereld vol rumoer. Uitbarstingen van vulkanen, geisers, warme bronnen, aardbevingen, je kunt het niet opnoemen of het is er vlak bij te vinden. Dit betekent altijd weer onverwachte gebeurtenissen terwijl tektonische bevingen overal een gebeurtenis vormen die bijna elke dag voorkomt. De vaste bodem is dan ook nog niet verdeeld in ‘werelddelen’, maar vormt een op een beperkt vlak aanwezige niet geheel homogene koek. De geest die nog in die aarde zijn ervaren zoekt, zal daardoor geprikkeld worden, want tektonische verschijnselen, veranderingen van dichtheid, temperatuur, alles is interessant.

Het vormingsproces – want in deze tijd vormen zich nog steeds nieuwe samenstellingen van elementen en mineralen, beginnen zich in zuiverder vorm of menging met andere stoffen steeds meer af te zetten – brengt deze entiteiten ertoe, zich meer te concentreren en steeds meer in verband met een bepaald stuk van de aarde verder te leven. De atmosfeer begint ook zo langzaam maar zeker iets minder vochtig te worden. Het is begrijpelijk dat entiteiten die zich tot nu toe voornamelijk met de wereldzee hebben bezig gehouden, nu ook interesse krijgen voor de afwijkende mogelijkheden van de atmosfeer. Zij worden ‘luchtgeesten’. Wat de vuurgeesten betreft: er zijn natuurlijk wel entiteiten die je kunt beschouwen als een soort vulkaanbewoners. Tot echte vuurgeesten worden zij echter eerst in een periode dat het vuur van de natuur zodanig afneemt, dat ook andere vormen van vuur attractief worden als beleving. Daar zitten wij dan nu met al die vormen van geest en bewustzijn. Elk ontwikkelt zich op zijn eigen wijze. Wanneer wij daarvoor evolutie zeggen, zo zal dit maar in beperkte mate geheel gelden voor de stoffelijke vormen. Maar, voor de geest is het begrip van toepassing omdat een geest nooit verder kan gaan in zijn bindingen met de materie dan bepaald wordt door de grenzen van zijn beheersingsvermogen.

Het beheersingsvermogen echter is afhankelijk van de tot dan toe opgedane ervaring. De geest zal dus stap voor stap verder moeten gaan en komt enige tijd later waarschijnlijk ook terecht in insectachtige dieren, in wezens die doen denken aan de aardworm; wezens die voornamelijk de sappen van planten plegen te consumeren en waaronder o.m. de voorvaderen van de moderne bloedzuigers. Neen, ik heb het niet over internationals, ik spreek alleen over dieren. Op die manier krijg je een specialisatie in het leven, ook bij de geest. Wanneer de atmosfeer steeds droger wordt – er is nu een wolkendek, maar er is geen sprake meer van een voortdurende vochtige mist – is het duidelijk, dat er plaatselijk ook steeds meer afwijkingen van vochtigheidsgraad en temperatuur kunnen ontstaan. Dit betekent weer, dat dieren en de geesten die zich daarbij het prettigst gevoelen, graviteren naar de gebieden waar zij de voor hen beste bestaansmogelijkheden aantreffen.

Wij krijgen nu te maken met vele soorten koudbloedige landdieren die tezamen reeds een fantastisch beeld vormen dat wij later in het groot zullen zien bij de sauriërs in het Juras. Want ook onder deze zien wij steeds weer jagers en gejaagden. Wij treffen bloeddorstige wildemannen aan als de tyrannosaurus; springers die zich op een krankzinnige wijze verplaatsen. Al die nu geheel verschillende wezens en vormen bieden ervaring, ervaring, ervaring. Het is geen wonder dat wanneer eenmaal de eerste warmbloedige vormen ontstaan, deze vooral attractief zijn voor entiteiten, die al het voorgaande al voldoende hebben afgegraasd, op zoek naar nieuwe ervaringen.

Er ontstaat een soort selectie die in de eerste plaats wordt bepaald door het vermogen van de entiteit zintuiglijke en lichamelijke ervaringen van het wezen, waarmede men zich vereenzelvigt, in zich op te nemen. Het blijkt, dat de eenheid met warmbloedige wezens met hun zintuigen zoveel verschillende ervaringen oplevert, zoveel verschillende indrukken van de wereld en van jezelf, dat je daar niet meer buiten kunt blijven.

Bij de eerste warmbloedige dieren ontstaat de intense vereenzelviging geest-stof, die in de periode dat alleen nog koudbloedige wezens bestonden, steeds maar beperkt en slechts ten dele tot stand placht te komen. Het is begrijpelijk dat de warmbloedigen in het begin nogal veel gejaagd worden: zij zijn uiteindelijk miniwezens vergeleken bij de ook in omvang vaak enorme ontwikkeling van de koudbloedigen. Dit betekent dat de warmbloedigen gedwongen werden in hun milieu veel scherper te reageren. Er is niet alleen maar behoefte aan een instinctieve reactie die als het ware reeds is ingebouwd in het wezen van de cel. Er is meer en meer behoefte aan een zichzelf corrigerend reageren op omstandigheden en wel op het ogenblik, dat deze worden waargenomen. Hierdoor ontstaat – ook voor de geest die met deze wezens verbonden is – een eerste begin van rationaliteit: men moet verklaren, men moet samenhangen doorgronden. Want het bestaan zelf hangt hiervan af. Alle ervaringen die kostbaar zijn, zijn nu ook meer complex geworden. Voor de geest wordt het hierdoor ook eenvoudiger mogelijk te zoeken naar vormen van dieren, die nieuwe en andere mogelijkheden bieden, die misschien toch weer meer kunnen doen dan bv. de eohippus of de voorvader van de dingo.

Men komt dan uiteindelijk terecht bij de eerste… zeg maar aapachtigen. Zij hebben nog weinig gemeen met de apen die u nu kent. Deze laatsten zijn trouwens een ontwikkeling vanuit een stam waaruit langs een andere weg ook de mensheid is voortgekomen. Die aapachtigen hebben een beperkte mogelijkheid tot manipulatie. Er ontwikkelt zich een viervingerige poot. Er is dus geen sprake van vijf vingers, laat staan van een reversibele duim. Maar het dier heeft mogelijkheden tot grijpen ontwikkeld, tot een beperkte mate van hanteren.

Dat brengt weer een heel nieuw gebied van ervaren. Want door dit grijpen en hanteren komen bezielende entiteiten steeds meer in intens contact met degenen die wonen in bv. planten, in de aarde of zich hebben vereenzelvigd met bronnen of een berg. Dit contact is in zoverre belangrijk, dat hierdoor in feite het eerste begrip van taboe ontstaat. Dit is dus veel ouder dan de mens: er zijn invloeden die men als dier niet kan weerstaan. Omgekeerd vangt men signalen op van dergelijke entiteiten, waardoor men aan de gevaren, die voor het ik aan hun belevingen verbonden kunnen zijn, kan ontvluchten. Dieren hebben in zekere mate dit nog. Kort voor een aardbeving komt, kan men reeds de tekenen daarvan zien in het gedrag van de dieren. Dit is voor de mens reeds kenbaar 8 tot 4 uren voor het feit. Komen er vulkanische uitbarstingen, dan kunt u dit reeds langer tevoren erkennen aan het gedrag van de dieren. De komst van ernstige stormen kan men eveneens reeds uren voordien in het gedrag van de dieren aangeduid zien. Dit gebeurt ook, wanneer er geen afleesbare tekens voor de mens te bekennen zijn. Dit vloeit voort uit die oude banden met bezielende entiteiten die deel uitmaken van de elementen. De heel verre voorvader van de mens is in feite een moerasdier en is ontstaan uit de robachtigen waarvan ik reeds sprak en ontwikkelde zich tot semi-warmbloedigheid in de kustgebieden, krijgt werkelijke warmbloedigheid en komt tot groepsbelevingen. In die groepsbelevingen bestaat zelfs een vaag begrip van een leidende entiteit. Voor het eerst zien wij de eerste groepsgenoten bewust beleefd worden door degene die zij geleiden. Op deze wijze gaat dit wezen verder en verder, trekt zich geheel terug op het droge, wordt een wezen dat op vier poten gaat en een tijdlang, gezien de vele gevaren op de vlakke grond, de voorkeur geeft aan klimmen waar dit maar mogelijk is.

Er komen nu ook meer en meer varianten in de plantenwereld voor. Ik wil niet beweren dat alle varenbomen al verdwenen zijn, maar er komen steeds nieuwe variaties die onder meer stevige takken krijgen, nieuwe bladvormen tonen en ook, dankzij het steeds helder wordende licht bij een minder dicht worden van de atmosfeer, duidelijk bladgroen vormen. Voor die tijd zijn de tinten van de planten grijs, grauw. Deze dieren leven dus voornamelijk in bomen maar worden ook hier meer en meer achtervolgd, o.m. door reptielen die zich ontwikkelen tot klimmers en er de voorkeur aan geven ook in de bomen te jagen. Er zijn ook enkele kleine, wat fret-achtige dieren – mogelijk de voorvaderen van alle katachtigen – die eveneens heel goed klimmen en nogal eens erg gevaarlijk kunnen worden.

Daardoor krijgt een deel van deze pré-apen de neiging zich terug te trekken op plaatsen waar de plantengroei wat minder is en dus eerder de komst van vijanden kan worden bespeurd. Gemeenlijk zijn dit gebieden waar kort geleden vulkaanuitbarstingen hebben gewoed of waar door stuwingen van de aardkorst recent bergen zijn ontstaan die nog slechts schaars begroeid zijn. Door hier te gaan leven komen de voorvaderen van de mens ook weer meer in contact met de andere warmbloedige dieren. Want b.v. de eohippus heeft zich eveneens voornamelijk in de buurt van de vulkanen opgehouden en houdt niet van een te dichte bosachtige omgeving, zeker niet wanneer dit het betrekkelijk dichte en moerasachtige oerbos is, dat nog steeds het grootste deel van het vaste land overdekt. De samenwerking tussen mens en dier ontstaat in zoverre, dat de mens aan het gedrag van andere dieren leert zien wat er komt: tekenen in het gedrag van dieren worden opgemerkt en worden tot waarschuwing voor hemzelf.

Doordat dieren vaak sneller reageren dan dit pré-menselijke wezen – dat van zich uit traag van reactie is – is het ook een levensnoodzaak op de gedragingen van dieren te letten, want anders word je niet tijdig genoeg gewaarschuwd voor gevaar. Er ontstaat een bewustzijn, dat zich meer en meer bezig houdt met het waarnemen van de reacties van andere levende wezens – dus niet alleen de eigen soort – en het trekken van conclusies hieruit. Het gevolg is een ontwikkeling van denkvermogen. Op de vlakte komt dan later natuurlijk ook de noodzaak om zo nu en dan eens goed om je heen te kijken. Bij andere diersoorten kennen wij dit gedrag ook nu nog: de marmot gaat op de achterpoten zitten om wacht te houden, het stokstaartje kan uren lang in een dergelijke houding zitten, en zelfs uw hond of kat zal soms, wanneer het dier om zich heen wil kijken of ergens over heen wil zien, zich op het achterwerk verheffen en zo, vanuit een nu hoger standpunt, met ronddraaiende kop en oren nagaan wat er gaande is. Zo is het ook voor de mens begonnen. Maar het is een wezen dat in toenemende mate voor zijn zelfbehoud manipulatiemogelijkheden van node heeft. In de volgende fase in de materie ontstaat de reversibele duim, die eerst een stukje verdikt weefsel zal geweest zijn, maar langzaam aan uitgroeit tot een echte vinger – een duim. Hierdoor kan het zwakkere dier gebruik maken van een stok of een stuk steen. Meer dan dat doet het niet. Vaak gebruikt het deze zaken als werptuig. In andere gevallen gebruikt men de stok om zich te steunen of een bepaalde overgang voor zich gemakkelijker te maken. Dit betekent weer een nieuw contact: het zoeken naar een mogelijkheid tot manipulatie. Dit betekent weer meer onderzoeken, meer zien, meer redeneren ook. Wanneer ik iets wil overbruggen met een stuk hout, kan ik niet meer volstaan met een instinctieve inschatting, zoals men die bij een sprong gebruikt. Men dient b.v. een vergelijk te maken tussen de lengte van een stok of tak en de sprong die men zonder dit zou moeten maken. Maar dit betekent dan een geheel nieuw gebied van beseffen. De materie wordt opeens iets om te gebruiken. Je zoekt naar mogelijkheden. En zo ontstaat een weten, dat langzaam maar zeker groter wordt, vooral wanneer de grote hagedissen het loodje gaan leggen en de levenskansen dus toenemen.

Nu grotendeels, maar nog niet geheel rechtopgaande, zijn de pré-menselijke wezens de eerste hanteerders: zij gebruiken werktuigen. Denk nu echter niet, dat andere dieren, zij het later, dit niet zullen doen. Ik wil u wijzen op de zeeotter die schelpen verbrijzelt met een steen; apen die met stokken of stukjes steen vruchten openmaken, insecten tevoorschijn halen en vele dergelijke zaken. Alleen: de voorvader van de mens was de eerste en dit betekent dat de inhoud van herinneringen bij de mens groter moet worden, omdat hij direct toegankelijke ervaring nodig heeft bij het afschatten van mogelijkheden. Maar dit betekent, dat je ook jezelf moet leren kennen. Je moet de begrenzingen van je eigen mogelijkheden duidelijker leren kennen, maar ook de mogelijkheden van iets anders, waarvan je gebruik wenst te maken. Voor de geest betekent dit weer een enorme uitbreiding van het besef maar ook een toenemende reeks van erkende tegenstellingen waartussen in het ik toch weer een balans gevonden moet worden.

Wij komen nu al aan de vroegere mensensoorten toe: vormen die men mogelijk als missing link zou willen aanduiden, of als eerste van het genus homo. Dit zijn wezens die bewust in stammen samenleven, een beperkte klanktaal hanteren. Overigens minder dan bepaalde stammen bavianen op het ogenblik bezitten: deze hanteren op het ogenblik vaak een taal die tussen de 80 en 120 verschillende termen en combinaties bevat, terwijl de mens in het begin genoeg had aan rond 40 signalen uitgedrukt in klank, aangevuld met een reeks van houding signalen. Maar samenwerking wordt steeds meer mogelijk. Wanneer je zwak bent is het bovendien noodzakelijk langere tijd bewust samen te werken. Wanneer u kijkt naar het gedrag van een aap, dan weet u dat deze zeer veel kan leren. Maar hij moet iets vele malen herhalen tot het een soort gewoonte wordt. Daarna blijft hij dit doen, zelfs wanneer het niet noodzakelijk is. Wanneer je b.v. een chimpansee geleerd hebt uit een beker te drinken en hij ziet een beker ergens staan, dan wil hij ook daaruit drinken.

Bij de mens is de zaak iets anders. Hij heeft niet alleen te maken met dergelijke gewoonteassociaties die zeggen: dit betekent dus dat hij moet kunnen redeneren en dus beseffen dat het ‘dat’ ook mogelijk anders gebruikt kan worden. Dat je b.v. in een beker ook gemakkelijker torren kunt verzamelen en even bewaren – torren waren er al in die tijd. De mens moet ontdekken, dat bepaalde weekdieren – die voor hem een soort Mars waren die dubbele energie geeft – kunnen worden meegenomen in b.v. opgerolde bladeren. Wat later maakt hij gebruik van een soort vlechtsels.

Zo ontdekt hij, dat samengedraaide halmen vaak even sterk, maar plooibaarder zijn dan een twijg. Dit wordt het eerste koord. Wat later ontdekt iemand, dat voor dit doel ook repen van de huid van dieren die je verslagen hebt gebruikt kunnen worden. Zo ontstaat een soort huishouding die berust op het ontwikkelen van diverse vaardigheden. Maar in een primitieve gemeenschap als die van de wordende mensen is een vaardigheid niet iets wat je steeds aan een ander overlaat. Je moet alles zelf kunnen. Wanneer wij dus zover zijn, dat wij kunnen spreken over de eerste werkelijke mensen – wij denken in de termen van homo Pekinensis, Heidelbergenis en al die sis-namen, waar de dragers zelf nooit weet van hebben gehad – dan hebben wij te maken met een wezen dat inderdaad nog wel wat aapachtig aandoet. Onder meer door de aangezichtshoek: het voorhoofd staat nogal wijkend, de kaak springt iets naar voren. Het wezen is nog behoorlijk behaard. Maar het heeft wel geleerd eigen acties te coördineren met die van anderen. Zoals het ook geleerd heeft de traagheid, die oorspronkelijk aan het ras eigen was, althans voor het grootste deel te overwinnen. De samenwerking bepaalt de samenhang van de groep. Maar dit betekent ook, dat je in conflict kunt komen met andere groepen van je eigen soort. De eerste oorlogen kunnen ontstaan. Zeker, primitief met aan de ene kant zes mannen, aan de andere kant tien mannen en aan beide zijden een aantal maeguren die harder meevechten dan de mannen.

Want in die tijd waren op dit gebied man en vrouw gelijk, soms meer dan dat. Realiseer u echter eens, wat je nu opeens een rijkdom aan ervaringen, gevoelens, denkbeelden verkrijgt. Besef dat het nu noodzakelijk wordt bepaalde strategieën te ontwerpen, omdat het zonder dit niet mogelijk is grote vijanden te verslaan, grote dieren buit te maken. Neem bv. de sabeltandtijger: een enorm roofdier dat voor de stam levensgevaarlijk was, maar aan de andere kant een lekker boutje op kon leveren. Bestrijding is noodzakelijk, omdat dit dier de neiging heeft alle wild uit het jachtgebied te verdrijven dan wel te consumeren. Een dergelijk dier moet je dan aanvallen. Maar hoe? Stenen gooien helpt niet. Maar als één steen niet helpt, kunnen mogelijk vele stenen wel werken. Je moet dus veel stenen verzamelen.

Maar waar moet je dit doen? Je kunt ze niet meedragen. Dus kies je een plek waar je zeker bent, dat het dier zal komen. De sabeltandtijger leefde meestal in grotten. Verzamel dus boven het hol zoveel mogelijk stenen. Ben je eenmaal zover dat je denkt een steenlawine te kunnen ontketenen, die het dier knock-out kan krijgen, dan moeten er enkele dapperen gevonden worden, die het dier wanneer het rust in zijn hol door lawaai en roepen naar buiten willen lokken. Boven staat de rest van de stam en laat de steenlawine op het juiste ogenblik naar beneden komen. Wordt het dier getroffen en weet het even niet meer waar het aan toe is, dan ga je er op af. Je hebt b.v. een wat spits geslepen staak – slijpen kun je tegen een steen. Probeer het oog te treffen. Het oog was een van de meest geliefde doelwitten. Later, toen men vuurgeharde speerpunten kende, werd ook het hart een gezocht doelwit. Dat zijn alles dingen die geleerd moeten worden. Wat een rijkdom aan ervaring. Wat wordt de wereld groot, wat wordt de definitie van de kosmos voor de geest gedifferentieerd en wat meer is: hoe sterk wordt ook de geest geconfronteerd met wat kan en wat niet kan; met hetgeen je bent, je voertuig is en wat je niet bent.

Het is een geestelijke ontwikkeling, die verder en verder gaat, en op een gegeven ogenblik komt er een wezen dat zelfs het denken superieur heeft gemaakt aan instinctdrang. Tot dan zijn de mensen, vaak nog intens geleid door groepsgeesten, gekomen tot een gedrag dat doet denken aan dieren met b.v. bepaalde paringstijden, vaste trekroutes. Nu komt er een soort mens die zover is gaan nadenken, dat hij deze heerschappij van het instinkt, althans voor een groot deel, van zich af weet te zetten. De weg wordt niet gevolgd, omdat het de oude weg is, maar alleen zover gevolgd als deze begaanbaar is. Is deze niet meer goed begaanbaar of gevaarlijk, dan kiest men eenvoudig een andere weg en desnoods zelfs een ander doel. Grotere zelfstandigheid ontstaat, het aantal gehanteerde werktuigen neemt toe. Vuur wordt iets wat langzaam maar zeker een gebruikswaarde krijgt, iets wat men in zijn kampen en holen zorgvuldig bewaart. Men heeft zelfs een methode uitgevonden om uit klei – niet gebakken maar gedroogd – een test te maken, waarin men gloeiende kolen mee kan nemen, mits men het vuur op zijn tijd met b.v. palmblad voedt.

Deze mensen zijn bijna geciviliseerd, zeker wanneer wij kijken naar hun dierlijke voorgangers. Het zijn deze wezens die ontdekken dat denken vaak belangrijker kan zijn dan handelen; dat overleg soms in de plaats kan komen van kracht; dat strategie niet alleen maar een kwestie is van een volgens gewoonte strijden, maar ook nog een kwestie is van elk wezen als individu beschouwen en daarop dan ook reageren volgens de individuele kwaliteiten die het vertoont. Weer een totale vernieuwing. Er ontstaat nu contact met de geesten die in die andere wezens leven. Vergeet hierbij niet, dat voor de geest de dood een heel andere betekenis heeft dan voor u. Maar gelijktijdig gaat de mens zich meer en meer concentreren op de middelen die hij hanteert, op bezit, rijkdom, voeding – en voeding is in die dagen gemeenlijk rijkdom. Het gevolg is dat steeds meer elementen van geestelijke ervaring, die oorspronkelijk door de levende voertuigen gedeeld werd, nu verdrongen wordt naar een plaatsje in het onderbewustzijn. De geest kan dus steeds minder direct ingrijpen in het combineren en deduceren, dat langzaam tot de hoofdkwaliteit van het menselijke denken wordt. Zo zijn wij dan gekomen van de steen tot de mens. Maar ondertussen zijn wij vele trappen gepasseerd. Al die trappen bestaan nog steeds. Wanneer u kijkt in de zee, dan zult u zien, dat er onder de vissen b.v. heel wat verschillen bestaan in besef en beschaving. Wij zien b.v. de scholdieren die altijd in groepen samengaan en waarbij de werkelijke reactie altijd op de groep gebaseerd en door de groep bepaald blijft. Opvallend is, dat de groep schijnbaar automatisch en toch als gemeenschap besluiten schijnt te nemen. Anders gezegd: wezens waarbij de groepsgeest dermate sterk is dat deze de feitelijke impulsgever schijnt te zijn voor het gedrag van de gehele school. Dergelijke voorbeelden treffen wij steeds weer. Insecten die een tijdlang een zeer behoorlijke ontwikkeling hebben doorgemaakt en zelfs een soort minibeschaving hebben opgebouwd, verstarren in hun patronen en blijken zelf tot hun eigen groepsgeest geworden te zijn. Het is zo dat b.v. een mierenrijk een gemeenschappelijk bewustzijn bezit, waarbij de feitelijke en bepalende signaalgever – of moet ik spreken van de centrale die alle inkomende signalen voor allen bepaalt – de koningin is. Dergelijke verschijnselen treffen wij aan ook bij termieten en andere soorten van in gemeenschap levende insecten. De vorm kan iets verschillen, zoals bij bijen, de wespen e.d.. Hier vinden wij ontwikkelingen, waarbij instincten voor de eenling nog steeds het belangrijkst zijn. Het gebeuren, de aanpassing aan de omgeving zijn voor de eenling onbewust, incidenteel. Dus deze trap bestaat nog steeds, ook in uw dagen. Zoals er natuurgeesten bestaan in uw dagen, al zult u dit niet meer zo gemakkelijk kunnen ervaren of zien. Trouwens, ik heb het gevoel dat de mens voor vele aardgeesten de aarde dermate onbewoonbaar maakt, dat zij dan maar als mens incarneren. Wat je hen dan ook wel aan kunt zien, gemeenlijk. Wat de tussentrappen betreft: zij hebben een wat afwijkende ontwikkeling. Ik sprak zo even al over bavianen, maar ik zou even goed andere soorten apen kunnen noemen – van de brulaap af tot de gorilla toe. Zij kennen allen een bepaald groepsgedrag, een familiesamenleving, een rangorde daarin. Zij hebben maar één fout: hun vermogen tot concentratie is zeer beperkt en hun gezagsverhouding berust op afdreigen zonder dat enig direct afmeten van bewustzijn daarbij een rol speelt.

Bij dieren die enige tijd door de mens gecultiveerd zijn geweest, ligt dit laatste alweer iets anders. Denk b.v. aan wilde paarden. De paarden hebben een leider of leidster. Bijna altijd is de werkelijke leidster een wat oudere merrie die – vaak als genote van een hengst die dan als leider fungeert – in feite het gedrag van de kudde dicteert. Bij deze dieren wordt gezag niet alleen door kracht bepaald, maar tevens door vaardigheid. Bij wolven zien wij nog weer een ander gedrag: zij kennen gemeenschapsbegrip en strenge rangorde. Zij hanteren ook een taal. Wolventaal omvat rond 30 uitdrukkingen in roep plus de nodige houdingen en geursignalen. De gemeenschap heeft strikte regels. Wanneer twee wolven die volwassen zijn vechten, komt niemand tussenbeide. Zelfs wanneer de leider van het roedel door iemand uit de eigen groep wordt aangevallen, wordt deze strijd door de anderen gerespecteerd. Er is van familie tot familie, van groep tot groep sprake van licht afwijkende regels en ordening. Dit kunt u zowel zien bij wolven als bv. bij apen als de chimps.

Dit alles zijn fasen die ook de mens op zijn weg, vanaf de eerste binding aan kristallen, heeft doorlopen. Bijna al deze fasen bestaan ook nu nog. Wanneer wij dus spreken over een evolutie van mineraal tot mens moet u niet denken, dat wij spreken over iets wat voorbij is. Wij spreken over een proces waarvan u, in uw huidige vorm, het product bent. Een reeks van zich steeds uitbreidende ervaringsmogelijkheden, een reeks van zich steeds uitbreidende problemen die oplossing vergen. Hierdoor bent u gekomen tot een zodanige veelzijdigheid, dat u deel kunt hebben aan een complex wezen als de mens, zonder daarbij gelijktijdig enigszins afgesloten te geraken van de buitenwereld. U bent nog steeds in staat, een deel van uw eigen wezen in die buitenwereld te projecteren, en daardoor ook soms als van buitenaf uzelf te beschouwen. Zo is dit alles dus verlopen. Ik zal mijn inleiding nu af gaan sluiten, want u hebt waarschijnlijk nog wel het een of ander te vragen of te zeggen.

Het gehele proces dat ik u omschreven heb, is natuurlijk met veel meer fasen en stappen verlopen. Dat is wel duidelijk. Elke nieuwe vorm met nieuwe mogelijkheden is attractief voor een geest, die meent de oude mogelijkheden reeds voldoende onder de duim te hebben, en de impulsen die daaruit voortkomen voldoende te kennen. En hoe meer de inhoud van een geest dus zal zijn, hoe gemakkelijker deze weer zal grijpen naar een nieuwe vorm en nieuwe mogelijkheden. Het proces staat niet stil. Uit de mens van vandaag zijn allerhande problemen voortgekomen, die de geest wel degelijk proeft en waarmede zij op haar wijze wel degelijk worstelt en werkt, maar die gelijktijdig voor haar een aansporing zullen vormen en, wanneer er voor haar nieuwe mogelijkheden komen tot het benaderen van de problemen, of het eigen ik op een meer harmonische wijze tot uiting te brengen, daar meteen naar te grijpen. De evolutie staat niet stil, ook al is zij dan niet het geleidelijke proces, waaraan de darwinisten nog steeds denken. Ook u bent een tussenfase op de weg naar een stoffelijke voleinding die niet geheel te overzien is.

Maar u bent nog steeds verwant met alle leven. Want in alle leven op aarde, van het kleinste af, is ergens een bezieling die nu zo is als uw ras ooit eens geweest is. Een bezieling die bestaat uit dezelfde kracht, die geboren is uit dezelfde bron. En zelfs het bewustzijn dat leeft in de gesteenten, de wateren, de lucht, ja, zich uitleeft in de chemische omzettingsprocessen, waarvan vuur een van de meest bekende is, allen zijn verwant met u. Zij zijn geen feeën, gnomen, demonen, djinns, zij zijn bewustzijnsvormen zoals u. En wanneer u zich dit gaat realiseren, zult u misschien – juist door dit gehele proces in uzelf nog eens te overwegen – tot de conclusie komen, dat u tegenover alle leven geestelijk een zeer grote aansprakelijkheid draagt een die verder gaat dan het stoffelijke. Maar, dat het gelijktijdig uw stoffelijke noodzaak is en het handhaven van uw eigen voertuig zolang dit houdbaar en denkbaar is, dat voor u in de stof het meeste telt om zo uw eigen verdere ontwikkeling ook verder mogelijk te maken en dus tot een juistere overeenstemming te komen met het geestelijke dat in al het andere schuilt.

En daar zou ik het bij willen laten. Na de pauze zal ik op de vragen enz. ingaan. Om het wat korter en duidelijker te maken, is het misschien beter dat u die zaken opschrijft. En wanneer u meent 30 regels nodig te hebben, probeer het dan eens in 3 regels samen te vatten. Dat is mogelijk. Ik hoop niet alleen dat ik u heb kunnen interesseren – dit heb ik wel geconstateerd – maar ook dat ik u de mogelijkheid heb gegeven om bepaalde conflicten tussen uw stoffelijke wijze van denken en de geestelijke reeks van ontwikkelingen die ik heb aangegeven eens nader aan de orde te stellen. Daarop zal ik dan met de grootste vreugde ingaan. Tot straks.

Vragen.

Zo, vrienden. Zover zijn wij dan, dat wij kunnen gaan zien wat u allemaal te vertellen hebt. Graag de schriftelijke vragen eerst.

  • Vanwaar kwamen de eerste geesten toen de tijd rijp was voor het manifesteren van leven op deze aarde?

Die waren er al: vanwaar zij kwamen kan ik u echter niet zeggen. Een geest die ontstaat bestaat reeds voor zij begint te beseffen dat zij er is. Dat betekent, dat de bron ergens een raadsel blijft. Maar, wanneer je komt op het punt, dat je ervaringen op gaat doen in de materie, moet je dus voorheen in de geest reeds hebben bestaan en wisselwerkingen met de geest en de materie hebben ervaren. Zover staat alles wel vast. Hoe je echter juist bij deze aarde – of verschillende andere bewoonde planeten in het melkwegstelsel – terecht bent gekomen, kun je niet zeggen. Kennelijk was men in de buurt van materie, koos voor een stralingsintensiteit die men gemakkelijk kon verdragen, en kwam zo terecht bij een afkoelende massa die van een zon was afgesplitst en later een planeet werd. Je kunt zeggen, dat dergelijke geesten op dat ogenblik reeds een graad van bewustzijn bezaten, zij het dat dit een andere graad van bewustzijn was dan dat van een geest, die nu mens zijnde – of geweest zijnde -als deel van de menselijke ontwikkeling bestaat. Maar op het ogenblik, dat je een verschil kunt maken tussen hetgeen je zelf bent en wat je zelf niet bent, bezit je al een bewustzijn. En deze vorm van bewustzijn was betrekkelijk vroeg in de geestelijke werelden al aanwezig. In hoeverre hierbij sprake is geweest – of is – van leiding is moeilijk te zeggen. Je kunt natuurlijk een God stipuleren. Ik neem zelfs aan, dat er een is. Maar wat er gebeurt, schijnt beheerst te worden door bepaalde wetten, die in ons wezen zijn vastgelegd. Drijfveren dus waardoor wij kennelijk ons steeds meer van alles bewust willen worden. Maar hoe die drijfveren in ons wezen terecht zijn gekomen, weten wij eenvoudig niet. Wij moeten beseffen, dat er vele zaken zijn, die wij niet weten en waarop wij wel een antwoord kunnen postuleren, maar waarbij het antwoord in zich ofwel een rationalisatie wordt voor het onbekende dan wel een geloofsstelling die onbewijsbaar blijft.

  • Hoe is de relatie tussen de hersenen en het denkproces? Leert de geest in de stof te denken?

De hersenen kunt u het beste vergelijken met een computer, waarbij een groot deel van de programmering geschiedt door de zintuigen. Maar waar dan een corrigerende programmeur aanwezig is, die bepaalde gegevens kan cancelen of nadrukkelijk kan versterken in het geheugen, en daardoor in staat is het hersenbesef een bepaalde nadruk te geven.

  • Wat of wie komt er na de mens?

Vermoedelijk komt na de soort mens die zich sapiens noemt een soort mens die door sapiens dan wel superior genoemd zal worden. Ik denk hierbij aan een wezen, dat naast zijn volledige materiële zintuiglijkheid komt tot een in het bewustzijn inschakelen van een groot deel van zijn geestelijke mogelijkheden en zintuiglijkheden. Waardoor het deze beiden samenvoegt tot een geheel nieuwe wereldvisie, maar gelijktijdig daaraan geheel nieuwe reactiemogelijkheden ontleent. Maar met zekerheid durf ik dit ook niet te stellen. Wij vermoeden het. Verder kan ik niet gaan.

  • Is dit op andere planeten soms al gebeurd?

Iets dergelijks is wel op andere planeten gebeurd. De dichtstbijzijnde ligt bij Vega. Wij hebben daar nu te maken met een beschaving, waarin de nu normaal geworden, door u paranormaal genoemde beschavingen een component vormen, die het geheel van het stoffelijk handelen mee zal bepalen.

  • Wanneer u spreekt van de geest, is dit een entiteit buiten de verschillende door u benoemde entiteiten?

Wanneer ik spreek van de geest, dan spreek ik daarover zoals men op aarde spreekt over de mens: een totaalbegrip, dat wel verdeeld kan worden in vele onderafdelingen, die dan wel afzonderlijk benoemd worden.

  • Zorgen groepsgeesten voor verandering in de soort? Welke kracht bewerkstelligt de verandering in de soorten, de groepsgeest of een andere kracht?

Stel het u als volgt voor: Een groepsgeest is iemand, die op een gemiddeld bewustzijn reageert en met dit gemiddelde bewustzijn contact houdt. Wanneer dit bewustzijn onbelangrijker wordt, zal daardoor ook de belangstelling voor de groep afnemen. Dit is een wisselwerking. Je kunt niet stellen, dat de groepsgeest probeert de groep bewust te evolueren naar een andere vorm. Wel zal de groepsgeest steeds trachten alle condities te scheppen, waardoor de soort zo goed mogelijk in stand gehouden wordt en ook zo gezond mogelijk. Dat kan dus ook betekenen, dat hij bewust een aanval van de zwakkere leden van de soort laat uitvallen. In dergelijke gevallen kan een groepsgeest – om een voorbeeld te geven – zijn groep stimuleren tot een te vroege trektocht terwijl hij weet, dat de omstandigheden van de trek op dat ogenblik voor vele leden van die groep te zwaar zullen zijn. Hierdoor selecteert hij, krijgt een sterker restbestand waardoor volgens zijn visie de eigenschappen van de soort beter en zuiverder tot uiting zullen komen. Zo iets komt wel voor. Maar wanneer er mutaties plaats vinden, vooral sprongmutaties, dan krijgen we te maken met een veelal steeds groeiende discrepantie tussen de waarden van het milieu en de eigenschappen van de soort. De soort probeert zich aan te passen door verschuiving van erfelijke waarden, resulterende in een uiteindelijke mutatie. In het begin zal deze mutatie uitgestoten worden en mogelijk zelfs vervolgd en gedood worden. Vergis u daarin niet. Wanneer b.v. morgen hier bekend zou worden, dat er echte telepaten rondlopen die alles kunnen aflezen, zelfs wat de formateur denkt, zo garandeer ik u dat er een heksenvervolging tot stand komt, waarbij het optreden van senator McCarthy kinderspel was. Ik vond trouwens de pop Charlie McCarthy heel wat leuker. Realiseer u, dat hierbij de groepsgeest mede een rol kan spelen en vaak zelfs speelt. Deze immers wil de soort behouden zoals zij is. Ontstaat er een nieuwe variant van de soort, dan kan deze echter zo interessant zijn, dat zodra er meerdere van dergelijke afwijkingen ontstaan zijn – er zijn er dus altijd meerdere nodig – een entiteit die b.v. zelf geen soort of groep meer heeft, deze variant als interessant ervaart en dan daarvoor gaat zorgen. Op zijn beurt proberende daarin enige stabiliteit tot stand te brengen. Zover het mutaties aangaat, moet u dus beseffen, dat de groepsgeest stabiliserend werkt en niet ontwikkelend. En degenen die ontwikkelend werken t.a.v. de mensheid – zoals b.v. de Witte Broederschap – zijn zeker geen groepsgeesten.

  • Maar de kracht die die mutatie tot stand brengt dan? Dit schijnt een denkende kracht te zijn, die tot een verdere ontwikkeling voert.

Men stelt dit wel, maar de juistheid hiervan kunnen wij niet aantonen. U kunt het volgens mij het beste als volgt formuleren: Op het ogenblik dat er steeds ongunstiger zijnde omstandigheden ontstaan, zal er een genetische neiging tot aanpassing bij de nieuwe omstandigheden ontstaan. Het is een spanning, die bij elke voortplanting in de soort groter wordt tot zij op een gegeven ogenblik resulteert in een verandering in de vorm. Deze veranderde vorm beschikt dan gemeenlijk ook over andere mogelijkheden en zal daardoor niet of niet voldoende meer binnen de soort zelf als volledig deel daarvan kunnen functioneren, zeker wanneer zij als zodanig kenbaar is. De mutatie kan echter voor zich wel degelijk een eigen mogelijkheid en zelfs eigen waarheden kennen en bevatten. Of er een denkende bron is, die dit alles leidt is niet met zekerheid vast te stellen.

  • Waar komen de entiteiten met lagere bewustzijnsvormen vandaan? Ontstaan er steeds nieuwe entiteiten?

U woont in een stad. Uw voorouders hebben op het platteland gewoond en uw verre voorvaderen hebben waarschijnlijk nog slecht bier gedronken uit de schedels van hun verslagen vijanden – wanneer je tenminste de geschiedenisboekjes mag geloven. U bent dus nu stedeling geworden. Maar er zijn anderen, die nog steeds in het dorp wonen. Komen die naar de stad, dan zijn zij anders georiënteerd en vanuit uw standpunt dus lager ontwikkeld. Uit de entiteiten, die vrijkomen uit bindingen met dieren, zullen b.v. toch weer menselijke incarnaties tot stand komen. Een dergelijke geest beschikt echter gemeenlijk over een verminderd beheersingsvermogen, en is dus in sterkere mate dan u overgeleverd aan de erfelijke kwaliteiten van het lichaam. Zal daardoor ook vaak niet zo bewust geestelijk de instincten en eigenschappen van dat lichaam kunnen domineren en daardoor bent u geneigd aan te nemen, dat zo iemand ook geestelijk lager ontwikkeld is. Maar dat is een zeer betrekkelijke kennis en oordeel. Ik heb zelfs iemand horen beweren, dat een ander veel lager stond, terwijl later bleek, dat hij bedoelde dat de ander minder erudiet was – dus minder geleerd, gehoord had of wist. Maar wat die z.g. lagere wist, wist deze ook veel beter dan de mens die zichzelf bewuster – erudiet – noemde. De vraag is dan maar wie werkelijk het hogere en het lagere bewustzijn bezit.

  • Is de evolutie op de planeten in andere sterrenstelsels analoog aan die op de aarde?

Neen, dat kan je nooit zeggen: analoog betekent overeenkomstig. Het zal u duidelijk zijn, dat elke planeet zijn eigenschappen en kwaliteiten heeft, die bepalend zijn voor het leven dat er voor kan komen. Hierdoor zullen op de meeste levensdragende planeten de levensvormen in inhoud, ontwikkeling e.d. verschillen met de mens. Dat de mens zichzelf als maatstaf beschouwt, vind ik trouwens een blijk van grote verwaandheid. Dat de mens zo dacht in de tijden, dat hij nog niet beter kon weten, moet je tolereren. Maar dat de mens, wetende dat er een groot heelal is, ondanks alles toch nog durft uitroepen, dat hij de kroon van de schepping is, dat vind ik toch wel, of een vliegenpoepje op een spiegel voortdurend uitroept dat het de aardkloot is. Beschouw dit niet als kritiek op uw pogen zo goed mogelijk mens te zijn, maar besef dat het mens zijn inherent is aan het wezen van uw planeet, de mogelijkheden en ontwikkelingen van uw planeet, plus de beïnvloedingen door de planeetziel en de planeetgeest, zodat elke planeet anders zal zijn en het leven daarop aan andere voorwaarden en normen dient te beantwoorden.

  • Is dit hetzelfde als: ‘elke mens is een individu, anders dan anderen?’

Je zou kunnen zeggen, dat elke mens in aanleg een individu is, dat echter, door de voortdurende beïnvloeding van de gemeenschap waarvan het deel uitmaakt, van een groot deel van zijn individualiteit ontdaan wordt, om zo tot een norm beantwoordend nummer binnen het geheel van die gemeenschap gemaakt te worden. Het klinkt mogelijk hatelijk, maar is waar. Wat is uw opvoeding anders dan een vorm van dressuur, waardoor eigen gedrag wordt omgebogen tot normgedrag? Wat is uw leersysteem anders dan een poging de menselijke kennis, zoals die door de mensheid erkend wordt, zonder voorbehoud of twijfel te verankeren in degenen die men beschouwt als potentieel belangrijk deel van die gemeenschap of de mensheid?

  • Wat is de bron van al de door u genoemde kennis? Intuïtie of waarneming?

Een groot deel van hetgeen ik u heb verteld is door degenen onder ons, die zich hiervoor bijzonder interesseren, onderzocht en bestudeerd, waargenomen. Ik weet, dat ik met een enorm tempo door die gehele geschiedenis ben heengegaan. Ik heb natuurlijk vele, ook vele interessante, punten buiten beschouwing moeten laten. Wij moeten rekening houden met de aard van de bijeenkomst, de aard van het publiek en de beschikbare tijd. Binnen deze beperkingen heb ik het beste gedaan wat voor mij mogelijk was. Maar een groot deel van hetgeen ik vertel over de stoffelijke ontwikkelingen is dus ontleend aan de waarnemingen van anderen, studies van anderen en feiten door die anderen geconstateerd en door mij later van deze anderen vernomen. Datgene wat ik heb verteld over de geestelijke ontwikkelingen en de betekenis van alles voor de geest, heb ik voor een deel persoonlijk meegemaakt en in mijzelf zo ver mogelijk terug vervolgd om het vervolgens zo juist mogelijk in te passen in deze lezing.

  • De wetenschap denkt het leven opgebouwd te zijn uit aminozuren, o.a. DNA, welke door ontladingen, onweer of vulkanisme, uit de elementen zuurstof, waterstof, stikstof zouden zijn ontstaan. Is dit juist?

 Het is in zoverre juist dat half-eiwitten zijn ontstaan door zeer hoge elektrische spanningen plus magnetische stormen in een soort oerzee of oeroplossing, waarin naast vele andere stoffen en sporen ook de door u genoemde elementen aanwezig waren.

  • Het eerste leven zou 4 miljard jaar geleden ontstaan zijn, de eerste dieren ongeveer 100 miljoen jaar geleden. Juist of onjuist?

O, juist. Wanneer wij het gehele afzonderlijke bestaan van deze aarde rekenen, komen wij op rond 60 miljard jaar. Het eerste leven is op deze planeet voorgekomen ongeveer 12 miljard jaren geleden en de eerste voorvaderen van de mens hebben zich op aarde rond 400 miljoen jaren geleden gevormd.

  • Ziet u het oorspronkelijk totaalbesef gesplitst in diverse entiteiten die ieder een eigen ontwikkeling doormaken? Of komt het een uit het ander voort?

Die vraag is bijna nog onduidelijker dan het antwoord dat ik daarop wel moet geven. Vergeef mij, dat is geen kritiek. Indien ik de bedoeling goed heb begrepen, mag ik het volgende zeggen: Wij nemen aan – maar weten niet zeker – dat er één totaalbesef is, waarvan wij allen deel zijn, waartoe wij eens terug zullen keren en als deel waarvan wij thans volgens een voor ons bepaalde of geprogrammeerde weg, die is vastgelegd vanuit dit totaal, een bewustwordingsgang doormaken. Wij nemen daarbij aan, dat de oorzaak en gevolgwerkingen, die voor ons inderdaad een zeer grote rol spelen, plus de wetten van overwicht – dus de voortdurende compensatie van onevenwichtigheden – voor ons mede bepalend zijn voor de wijze waarop wij die weg volgen en dus ook het bewustzijn dat wij daaraan ontlenen. Dit laatste kunnen wij althans ten dele aantonen, maar niet het geheel van het gestelde. Als zodanig blijft mijn antwoord dus verder een soort geloofsbelijdenis, al is die in ieder geval op nog meer feiten gebaseerd dan menig geloof dat op aarde wordt verkondigd.

  • Is het dan mogelijk op de een of ander wijze binding te hebben met andere hemellichamen of geldt daar hetzelfde?

Er zijn inderdaad ontwikkelingen elders die in feite gelijk zijn aan de uwe, de onze. Maar wanneer twee mensen vertrekken, de een naar links en de ander naar rechts, kan het een lange tijd duren voor zij elkaar ontmoeten. En wanneer zij elkaar dan ontmoeten is de kans groot, dat zij elkander als tegenstellingen zullen beschouwen, dus als antithese en niet als gelijkwaardig. Dat is de grote moeilijkheid, waarmede wij hier te maken hebben. Er zal natuurlijk een gelijkheid ontstaan indien wij uitgaan van deze hypothetische kern. Maar voor onszelf is deze gelijkheid niet klaarblijkelijk, omdat bij verschillende richtingen van ontwikkeling het product van de ene ontwikkeling dermate kan afwijken van de inhoud van het andere product, dat voor deze beide een vergelijking en besef van eenheid of overeenkomst voor ons metterdaad niet haalbaar is.

  • Waar begint de differentiatie der seksen? Was deze bij de mens zoals hij voortkomt uit het voorafgaande dier van meet af aan aanwezig?

Ja. De seksualiteit ontwikkelt zich reeds tijdens het bestaan van de eerste waterdieren, zij het dat er nogal wat soorten ontstaan waarvan de leden van sekse wisselen. Dit zijn soorten die mannetje zijn, maar eenmaal bevrucht hebbende, veranderen in vrouwtjes en dan bevrucht worden. (Er zijn mogelijk dames die denken: was dat nog maar zo.) Maar daar is de mens overheen gegroeid. Er is altijd na het ontstaan van meercelligen sprake geweest van seksualiteit, bij hogere soorten bestaat zij bijna zonder uitzondering. Wel zijn er in de eerste groei van het leven enkele soorten voorgekomen, waarin geen biseksualiteit bestond, maar soms drie partners nodig waren om een bevruchting tot stand te brengen. Deze soorten zijn echter nogal snel uitgestorven, mogelijk omdat alles te complex en moeilijk was om het op tijd tot stand te brengen. Seksualiteit bestond dus reeds voor de eerste dieren aan land gingen. Dit betekent dus, dat zij voor het begin van de eerste voorvaderen van de mens reeds bestaan heeft. Oorspronkelijk was de seksualiteit echter een instinctgedrag en had dus – uitgezonderd enkele lichamelijke verschillen – niet al te veel te maken met het bewuste leven als deel van een sekse. Eerst nadat de mens meer en meer zelf is gaan nadenken en zich ook meer en meer los heeft gezegd van de natuurlijke invloeden en de overheersing door eigen instincten is de seks voor hem belangrijker geworden. Zij is zelfs een tijdlang vergoddelijkt. Restanten hiervan treft u nog heden zo hier en daar aan. Daarnaast heeft de mens de seksualiteit zelf vaak gezien als een direct goddelijke manifestatie en het is dan ook waarschijnlijk dat de orgiastische erediensten behoord hebben onder de eerste vereringsvormen die de mens wijdde aan hem onbekende krachten. Hoe het er nu mee staat, weet ik eerlijk gezegd niet precies. Soms komt het mij – vanuit mijn standpunt – voor, dat men probeert een soort stamppot te maken van beide seksen, waaraan dan overigens meestal het zout des levens schijnt te ontbreken. Dit echter is ongetwijfeld mijn persoonlijke en dus ouderwetse visie, waarop u niet behoeft te reageren.

  • Entiteiten die begonnen zijn hun bewustzijn op aarde op te bouwen, incarneren die steeds weer in wezens op aarde tot en met de mens?

Tot en met de mens kan je dit wel met zekerheid zeggen. Wanneer de menselijke fasen en mogelijkheid bereikt zijn, dan kunnen er afwijkingen voorkomen en wisselingen plaats vinden, doordat men zich aangetrokken voelt tot andere incarnatiemogelijkheden dan op aarde bestaan. Ook bij de mens is dit het geval: in het mens-zijn kan de entiteit soms niet meer datgene vinden, wat zij voor zichzelf als noodzakelijk aan ervaringen beschouwt en kan deze mens dus buiten zijn eigen milieu en wereld wel eens bewust elders incarneren. Maar de norm die geldt luid: wie eenmaal in de ontwikkelingen rond de aarde is opgenomen zal, tot een bepaald peil van bewustzijn bereikt is, deel blijven uitmaken van deze menselijke ontwikkelingsgang. Dit betreft dus het gemiddelde.

  • Wanneer iemand bewust incarneert en een voertuig gevonden heeft, kan het dan niet voorkomen, dat een andere even bewuste geest dit zelfde voertuig begeert?

Wanneer geesten zo bewust zijn geworden, dat zij die keuze geheel bewust kunnen maken, zal er nooit ruzie over kunnen ontstaan. Over het algemeen geldt dan, dat hij die in het voertuig de meest juiste belichaming kan vinden van zijn geestelijke noodzaak en eventuele taak – bij bewuste incarnaties speelt een taakgevoel vaak een grote rol – de eerste rechten heeft. Het is dus betrekkelijk eenvoudig en op dit peil bestaat er bij ons geen concurrentie.

  • Er wordt wel beweerd, dat een dergelijke geest de toekomstige vader of moeder enige tijd volgt…

 Onder omstandigheden komt dit wel voor. Degene die men volgt, is dan gemeenlijk de moeder, omdat men in de moeder met zekerheid kan zeggen, dat bepaalde genetische kwaliteiten aanwezig zullen zijn bij de voortplanting, terwijl rond het ogenblik van bevruchting de vader als vanzelf onder controle valt en na de bevruchting dan ook direct een claim kan worden gelegd op de nu bevruchte eicel, terwijl na de eerste celdelingen ook al meteen gemanipuleerd kan worden om in het wordende lichaam nog een verdere aanpassing aan eigen behoeften of wensen tot stand te brengen volgens de genetische mogelijkheden die aanwezig zijn.

  • Is het juist dat de verschillende chakra’s ook trapsgewijze in de evolutie ontstaan zijn?

Dit heeft natuurlijk weinig met erfelijkheid te maken. Bij alle warmbloedige dieren is het aantal chakra’s gelijk. Wel is de complexiteit van het topchakra bij lagere levensvormen altijd weer geringer. Chakra’s maken deel uit van het gehele spel tussen zenuwstelsel en entiteit. Zodra er sprake is van een complex genoeg zenuwstelsel is er dan ook sprake van een aantal chakra’s, waardoorheen optimaal contact mogelijk wordt tussen lichaam, aura en entiteit, en eventueel ook de buitenwereld op geestelijk niveau. De ontplooiing daarvan is natuurlijk niet met zekerheid te voren aan te geven. Alleen kunnen wij zeggen, dat de eenvoudigste dieren een tweebladig energieopnemend chakra hebben, terwijl dit bij de mens vierbladig is. Zo kunnen wij constateren, dat bij de meeste warmbloedige dieren van lagere ontwikkeling het topchakra niet verder komt dan 48 mogelijkheden of bladen, terwijl dit bij de mens 124 is, maar in uitzonderingsgevallen op kan lopen tot 144. Het aantal bladen staat dus voor het aantal geestelijke factoren, die geestelijk actief ontplooid kunnen worden en elk daarvan betekent weer een afzonderlijk gebied van geestelijke contactmogelijkheid plus de mogelijkheid om vanuit het geestelijke niveau in te grijpen op het stoffelijke niveau.

  • Zijn tweelingzielen dan twee entiteiten die vanaf het begin een zekere affiniteit hadden met elkaar?

Meestal is dit niet het geval. De beste definitie van tweelingzielen die wij kunnen geven – en al vele malen gegeven hebben – luidt: Tweelingzielen zijn entiteiten die, door een overvloeien van bewustzijnsinhoud naar elkander, komen tot een groter geheel en vermogen dan voor elk van hen afzonderlijk bereikbaar zou zijn, waardoor zij naar de buitenwereld toe op den duur op zullen treden als een geheel met een aanmerkelijk hogere ontwikkeling en mogelijkheden dan elk van de oorspronkelijke delen bezat. Wat er op neer komt dat niet, à la Rider Haggard en andere schrijvers en filosofen een dergelijke affiniteit of binding bestaan moet hebben. Zij kan bestaan hebben, maar waarschijnlijker is, dat zij eerst veel later is ontstaan en gevoerd heeft tot een gezamenlijkheid, waardoor men op grond van elkanders gegevens elkander zozeer behoeft, dat men zich op den duur geheel met de ander identificeert. Wat een heel mooi verhaal is, maar mij toch de vraag doet stellen, of wij nu moeten zwelgen in tweelingzielen. Want waar blijft nu de evolutie?

  • Hoe komt het dat een entiteit blijft steken in zijn ontwikkeling, b.v. als aardgeest en dan niet meer verder komt?

Het verdergaan wordt voor een entiteit bepaald door het onvermogen vrede te hebben met jezelf binnen de bestaande mogelijkheden. Op het ogenblik dat dit punt bereikt wordt, zul je dus naar een andere ‘hogere’ klasse trachten te evolueren. Een aardgeest, natuurgeest is, om welke redenen dan ook, nog tevreden met de mogelijkheden en ervaringen, die hij daarin kan vinden. Zolang die tevredenheid aanhoudt, zijn er geen redenen om te zoeken naar een vorm, die het ik voor nieuwe problemen stelt en waarvoor hij mogelijk nu nog niet klaar is. In feite is het dus een wilsbeslissing door de entiteit zelf, al geef ik toe, dat deze niet altijd volbewust wordt genomen. Besef echter, dat je als natuurgeest bindingen aan kunt gaan, die voor een mens niet mogelijk of zelfs maar denkbaar zijn. Deze staat kan dus een afzonderlijke weg van bewustwording vormen, waarin voorlopig de menselijke status nog niet aan de orde komt door de veelheid van ervaringen en mogelijkheden, waarover men in zijn huidige staat nog beschikt.

  • Is er voor de allereerste incarnatie geen sprake van enig bewustzijn bij een geest?

Onjuist, want om te kunnen incarneren, moet er sprake zijn van een ik-bewustzijn. Dit ik-besef kan al dan niet complex zijn, maar is, vanuit het standpunt van een entiteit, die een menselijke incarnatie kent, beperkt. Er dient echter enig bewustzijn te bestaan, alvorens enige binding met de materie kan worden aangegaan, omdat eerst degene die beseft dat buiten hem een complexe wereld bestaat, de neiging kan kennen met een van de facetten daarvan een binding aan te gaan, om zo die andere wereld en haar facetten nader te leren definiëren.

Besluit.

Ik heb u stof tot overweging gegeven. Let wel, alles wat ik heb gezegd in de inleiding is, voor u niet wetenschappelijk en niet bewijsbaar. Ik heb geprobeerd het zo aanvaardbaar mogelijk te brengen. Dat is iets anders. Maar aanvaardbaarheid en bewezen zijn, zijn twee verschillende zaken. Als u zelf nadenkt , zult u ontdekken dat een deel, althans van hetgeen ik u gezegd heb toch ook wel slaat op bepaalde impulsen in uzelf, en misschien ook een verklaring vormen voor de eigenaardige manier, waarop de mens zich ten aanzien van zijn medemensen manifesteert.

Pas dan komt er een voor u zeer belangrijk punt. Want het is niet zo belangrijk je af te vragen, waarheen de mensheid gaat, of hoe zij ontstaan is. Het is belangrijk voor u om binnen het kader van de mensheid, zoals u die nu kent, zo goed en volledig mogelijk mens te zijn, zonder daarbij uzelf ooit ontrouw te worden. Slaagt u er in, dit te benaderen, vrienden, dan hebt u iets groots bereikt vanuit een geestelijk standpunt, en hebt u veel meer kans op eventuele goede verdere incarnaties, of zelfs om te ontsnappen aan de beperkingen van een stoffelijk mens-zijn. Zekerheden vanuit een menselijk standpunt heb ik u echter heden niet gegeven, alleen een mogelijk andere benadering. Ik heb getracht alles zo aanvaardbaar mogelijk te brengen, maar aanvaardbaar zijn en bewezen zijn, zijn twee verschillende dingen. Wanneer u over dit alles eens verder nadenkt, zal blijken dat althans een deel van hetgeen ik u gezegd heb mede schijnt te slaan op bepaalde impulsen in uzelf, en ook een verklaring kan vormen voor de toch soms wel eigenaardige wijze, waarop de mens zich tegenover zijn medemensen manifesteert.

Pas dan komt er een voor u zeer belangrijk punt. Want het is niet zo belangrijk je af te vragen, waarheen de mensheid gaat, of hoe zij ontstaan is. Het is belangrijk voor u om binnen het kader van de mensheid, zoals u die nu kent, zo goed en volledig mogelijk mens te zijn, zonder daarbij uzelf ooit ontrouw te worden. Slaagt u er in, dit te benaderen, vrienden, dan hebt u iets groots bereikt vanuit een geestelijk standpunt, en hebt u veel meer kans op eventuele goede verdere incarnaties, of zelfs om te ontsnappen aan de beperkingen van een stoffelijk mens-zijn. Zekerheden vanuit een menselijk standpunt heb ik u echter heden niet gegeven, alleen een mogelijk andere benadering.

image_pdf