Facetten van het menselijk wezen in zijn totaliteit

Een mens: een ziel en een geest en een lichaam. Een mens, deel van een goddelijke wereld, een super‑ego en een klein ego’tje, dat meestal meer naar egoïsme zweemt. Een wezen, dat zich geïsoleerd acht temidden van de veelheid, uniek temidden van al het zijnde en gelijktijdig niet kan bestaan zonder deel te zijn van het grotere. Als je de mensheid en het menselijk leven bekijkt, dan kun je dat niet alleen maar indelen in geestelijke aspecten en stoffelijke aspecten. Je moet het zien als een totale samenhang, waarin allerhande factoren een rol spelen. Die factoren zijn er zovele, dat ik ze niet allemaal kan opnoemen. Ik doe dus noodgedwongen een keuze en zal trachten u in een korte inleiding althans een beeld te geven van wat het leven van de mens (het menselijk wezen in al zijn facetten) kan betekenen.

De geest, die in een menselijk lichaam neerdaalt, heeft altijd een ontwikkeling doorgemaakt, die daaraan vooraf ging. We hebben dus altijd te maken met een geest, die zich heeft ontwikkeld. Uitgaande van het besef van eenheid met de goddelijke wereld is zij steeds meer afgedaald tot het besef van haar eenzijn en alleen zijn in zichzelf. Het resultaat is een zich geïsoleerd wetend wezen, dat tracht de beperkingen en de banden van eenzaamheid naar buiten toe te doorbreken. Door de hele geschiedenis heen, in elke fase van het menselijk leven zien we datzelfde weer.

Het kind tracht zijn geïsoleerd‑zijn te doorbreken door zijn kreten, de wijze waarop het aandacht vraagt en opeist. De oudere kinderen doen dit door de manier, waarop zij vaak tegen de regels ingaande ouderen dwingen nota te nemen van hun bestaan. De mensen zelf doen dit door in hun wereld een zeker aanzien te veroveren, door op de een of andere manier op te vallen, het zij negatief of positief. Wij moeten begrijpen, dat al deze verschijnselen voortvloeien uit de behoefte het geïsoleerd‑zijn langzaam maar zeker te verlaten voor de gemeenschap. Maar gelijktijdig zien wij in het leven, dat het begrip gemeenschap altijd beperkt is.

De mens heeft niet het vermogen zichzelf te zien als een deel van een grote diversiteit. Hij beschouwt zich altijd als een deel van een gelijkvormigheid. Wij zien dit alweer in de jeugdjaren van het kind, als het zich kameraadjes zoekt. Het zoekt daarbij over het algemeen kinderen, die het “ik” aanvullen, maar die gelijktijdig een zekere eenheid vormen met het kind tegenover de rest van de wereld. Wij zien dit in het volwassen leven, waarin de mens bepaalde clans en clubs heeft en hij door het behoren tot loges of andere groepen probeert naar buiten toe een zekere eenheid met anderen te bereiken.

Er wordt veel geklaagd over de mens, omdat hij zo onnoemelijk wreed zou kunnen zijn. Een van de bekendste uitspraken is; “De wereld is een stoffelijk verblijf, waarop de ene helft van de daar stoffelijk levende wezens voortdurend bezig is de andere helft op enigerlei wijze te koeioneren, uit te roeien, te mishandelen of te doden.” Dat klinkt erg mistroostig, maar het is ook weer waar. Een beperktheid aan besef brengt met zich mee een beperking van gedrag. Hoe groter en algemener het besef is, hoe minder het gedrag aan normen onderworpen kan zijn. De volmaakte mens is een wezen, dat in staat is zich aan alle dingen aan te passen, zelfs aan zichzelf. De doorsnee‑mens is een wezen, dat zijn onvermogen, zijn gebrek aan flexibiliteit probeert uit te drukken door zichzelf een aantal normen op te leggen, een zekere codex, waaraan hij zich dan krampachtig vastklampt en die hij mede gebruikt als een soort verweer tegen anderen.

Dit verweer tegen anderen kent dan alweer een aantal vormen, die wij terug­ vinden in het menselijk leven zelf. “Ik ben meer dan jij, daarom eis ik erkenning van mijn meerwaardigheid.” Dat heb je met kleine kinderen. En als ze het zelf niet kunnen, dan hebben ze de grote broer, die al pruimt of papa die bokser is. De staten hebben hun atoom­bom, hun superwapen en hun bacteriologische geheimen. Men heeft iets nodig, waardoor men zijn meerwaardigheid kan uitdrukken. Die meerwaardigheid is de drijfveer tot het geweld. Nu kan men zijn meerwaardigheid wel door prestatie tot uitdrukking brengen, maar de meeste mensen hebben daar niet veel zin in. En dat is begrijpelijk. Hun initiatieven zijn n.l. niet gebaseerd op hun wezen, maar op de codex, op de normen. Het feit, dat de vroegere stammen normen hadden, bracht met zich mee dat de fijnere producten van de vroegste beschaving wapens waren en sedertdien is het zo gebleven. Wij zien dat alle vooruitgang, alle ontwikkeling op aarde ‑ binnen een gemeenschap of daarbuiten ‑ een kwestie is van geweld. Wij zien zelfs dat harmonie in vele gevallen niets anders is dan een vorm van strijd, van geweld. Om dit te begrijpen moeten we weer nagaan; wat heeft die mens dus licha­melijk? Nu weten we: de mens is lichamelijk samengesteld uit een groot aantal verschillende functies, die worden geregeld doordat biologisch chemische stoffen in het bloed worden afgescheiden en ook op andere wijze de totale stofwisseling bereiken. Hierdoor verandert – wat men noemt – het temperament van de mens. Zoals je een haan met bepaalde stoffen broeds kunt maken, zo kun je een mens met bepaalde stoffen (de z.g. tranquillizers) tevreden, vredelievend en bijzonder agressief maken. En of je dat nu doet ‑ zoals in de oudheid – eenvoudig met een soort bier, met wijn, met gestookte jenever of misschien met injecties (wat ook mogelijk is), dat maakt weinig verschil uit. Als ik een mens lichamelijk beïnvloed, dan beïnvloed ik zijn reactie op de buitenwereld. Daar de mens niet in staat is door zijn denken zijn reacties te controleren, maar in zijn denken wordt gestuwd door zijn reacties, heeft hij eenvoudig geen mogelijkheid om zich te verzetten. Hij wordt steeds weer door allerhande elementen opgezweept. En dat opzwepen zien we ook weer mentaal. Om u een voorbeeld te geven;

Recht is maar een zeer beperkte term, dat weten we allemaal. Maar als we roepen dat het recht wordt aangetast, dat het onze plicht is om dan zijn er altijd mensen, die zich daardoor laten verleiden om het beeld van de wereld eenvoudig te veranderen. En het vreemde is: doordat zij niet meer beheerst denken, maar in hun denken worden beheerst, ontstaan er lichamelijke reacties, waarbij een emotionaliteit optreedt die niet beheersbaar is. Dat is een van de geheimen van de oorlog. Of we nu denken aan de berserker uit de oudheid, aan de moderne helden of aan de edelmoedige helden uit de oude Indische verhalen, dan wel aan de commandanten van de concentratiekampen in deze tijd, we worden altijd weer geconfronteerd met het feit, dat zij vasthouden aan een bepaalde theorie. Zij hebben een bepaald begrip gekweekt, dat zij niet redelijk beschou­wen; en dit idee stimuleert hen zodanig, dat hun gedrag daardoor wordt bepaald.

De berserker gelooft in zijn recht, in de kracht van de goden in hem. Hij ziet de verachtelijkheid en de kleinheid van zijn vijand en valt daardoor aan met een ongeremdheid, die groter wordt naarmate hij weerstand ondervindt. Maar ook op een andere manier kun je dat beschrijven.

Degenen onder u, die kennis hebben gemaakt met bv. de Jappen, die weten dat in de kampen, vooral tegenover de krijgsgevangenen, nogal eens schandalig door de Jappen werd opgetreden. Zij hebben zich wel eens afgevraagd, of dit nu allemaal onmensen waren. Maar wat zit er achter? In Japan werd de bushido gepredikt; een leer, die uitgaat van de krijgsman. Men zegt; “De kersenboom, de kersenbloesem, de mensheid, de krijger.” Een poging om het edelste, het schoonste aan te geven. Een krijgsman overwint of hij sterft. Als dus een krijger gevangen wordt genomen, is hij een verachtelijk wezen, lager dan een slaaf. En doet hij zich voor als krijger (dus de gelijke van de krijgsman), dan is dat een belediging, die haast onwillekeurig wordt gewroken, vooral door de officieren, die zich voelen als de edelen, de nieuwe daimio’s in een rijk. Hier is een idee geboren die alles, wat wij onvoorstelbare hardheid, wreedheid e.d. noemen, eenvoudig normaal maakt. Als dan zo’n Japanner daar staat en hij wil redelijk zijn, dan ziet hij hoe verachtelijk de pretentie is van het militair‑zijn. Hij wordt dus woedend. In zijn woede weet hij dat hij zich onwaardig gedraagt. Hij wordt woedender en hier door krijgt hij die korte, felle woede-uitbarstingen, die heel wat mensen in de kampen het leven hebben gekost.

Dit is een van de vele aspecten van het menselijk leven. Want die onbeheerstheid, mijne vrienden, bestaat niet alleen daar. Ze bestaat bij uzelf. U weet, dat u ongelijk heeft. U wilt geen ongelijk toegeven. Iemand zegt, dat u ongelijk heeft. U wordt boos. De ander blijft volhouden. U wordt driftig. En misschien bent u zo opgevoed dat doden voor u een verschrikking is en dan doet u het niet, maar u zoudt een moord kunnen begaan. Typerend. Een mentale reactie voortkomend uit een idee, een begrip, meestal opgelegd of gepredikt, soms een zelfrechtvaardiging, inwerkend op het menselijk lichaam, zo een grote reeks reacties van interne klieren veroorzakend, waardoor het hele organisme in een toestand van opwinding geraakt en de geremdheid, de beheersbaarheid wegvalt.

In het leven van de mens speelt dat over het algemeen een heel grote rol, omdat je als kind reeds begint met deze ongeremdheid. Naarmate de ongeremdheid wordt beperkt en er consequenties aan vastzitten, zal men leren deze opwinding om te zetten in iets anders; maar ze blijft aanwezig. Men noemt dit, als het te erg wordt: de frustratie, een van de grote aspecten van het leven in deze moderne wereld.

Wat is nu eigenlijk die frustratie? Is dat niet kunnen? Neen, het is meer. Het is de innerlijke tegenstelling tussen willen of niet‑willen en niet‑doen of doen. Een van de meest typische gevallen kan ik u wel noemen.

Als wij te maken hebben met de drift van de sekse en wij ontnemen een mens de uitingsmogelijkheid ‑ het zij door een codex, hetzij door andere middelen – dan ontstaat er een afwijking van het normale gedrag. Energieën, die normaal zo worden ontladen, gaan inwerken op de mens. Er ontstaat een werkelijkheidsvervreemding. Zijn denken wijkt af van de norm. Zijn gedrag wordt fanatiek. De idee wordt voor hem a.h.w. de uitdrukking, die men anders in een seksuele bevrediging zou kunnen vinden. Het is geen wonder, dat sommige kerken zo erg gesteld zijn op celibatairen onder hun priesters, want dit is een werkelijkheidsvervreemding. Dit is niet al­leen maar het geven van je hele wezen aan de mensheid. Het is meer. Het is het doen wegvallen van de mogelijkheid bepaalde vormen van agressie af te reageren. Er ontstaat dus een veel grotere agressiviteit, die ‑ of ze nu in een codex van beheersing verborgen blijft of niet ‑ in feite de absolute lust tot domineren wordt en ‑ waar dit niet gelukt ‑ naar alle middelen zoekt, die toelaatbaar worden geacht.

De inquisitie komt niet voort uit de wreedheid van de inquisiteur. Zij komt voort uit zijn innerlijke onbevredigdheid, waardoor hij elke aantasting van de idee, die zijn hele leven en al zijn reacties beheerst, gaat wreken. Naarmate hij heviger tracht die aantasting te wreken (hij noemt het corrigeren), wordt hij dus opgewondener en op den duur, onder de invloed van deze opwinding, wordt hij wat men een sadist of zelfs een monomaan zou noemen. Dat deze dingen tegenwoordig niet zouden voorkomen, is alleen maar een illusie. Het komt in het dagelijks leven van elke mens voor. Het is een van de vele aspecten van het menselijk leven, waardoor zelfs het hele verloop van de levensgeschiedenis kan worden bepaald.

Er zijn mensen, die hun gevoel van onmacht moeten afreageren in een verzet. Als dat goed gaat, dan kunnen zij ‑ zoals een bekend schrijver (Hemmingway) heeft gedaan ‑ zich bezighouden met burgeroorlogen voor het recht, maar tevens met de jacht op grootwild, stierengevechten, kortom alles wat gevaar, wat bloed is. Dat zij daardoor innerlijk sterker geïsoleerd zijn, vergroot weer hun pressie. De schrijver kon dit tot uiting brengen door het neerschrijven van zijn denkbeelden en filosofieën in een vaak gedramatiseerde vorm. Maar velen kunnen dat niet. Waar de uiting wegblijft, ontstaat de onredelijkheid. Een menselijk leven, dat wordt gedomineerd door onredelijkheid, zal eveneens worden gedomineerd door agressiviteit. Indien u zich even de moeite ge­troost om na te gaan hoe groot de agressie is, zowel in het dagelijks leven als over de gehele wereld (dus ook bij de volkeren), dan zult u het met mij eens zijn dat er teveel spanningen niet op normale wijze kunnen worden afgereageerd in deze wereld.

De geest speelt bij dit alles natuurlijk een rol, maar zij formuleert voor zich in ervaringen, niet in menselijke beoordelingen. Voor haar is de emotionele voorstelling van de stof een reële. Als de stof zegt; “Ik wreek hier onrecht,” dan neemt de geest dat aan, omdat er voor haar geen enkel middel is om de objectieve situatie te meten anders dan vanuit haar gebondenheid aan de stof. Het ego, op aarde vervreemd van de werkelijkheid, veroorzaakt ook in de geest een vervreemding en daarmee ook van de eigen hogere werkelijkheid of het super‑ego.

Deze aspecten, dat zult u begrijpen, zijn vaak zorg wekken. Maar we hebben gelukkig in het leven van de mens altijd nog wel weer voorbeelden, waaruit we hoop kunnen putten. Allereerst zien we dit:

Naarmate een volk rijper wordt (dat betekent niet machtiger), toont het zich verdraagzamer. Die verdraagzaamheid is geen absolute dulding van alle dingen, maar eenvoudig het bereid zijn om het wezensvreemde voor het volk te aanvaarden. Er is geen absolute norm meer. De norm is variabel geworden. Dat zien we bij de jonge mens die opgroeit. De teenagers of de twens (ik geloof dat dit moderne termen zijn), zijn over het algemeen tamelijk direct. Hun leven wordt in zwart‑wit uitgedrukt, hun impulsen zijn buitengewoon heftig. Maar als de mens wat ouder wordt, dan zien we dat die heftigheid gaat plaatsmaken voor een zekere beschouwelijkheid. Het element heftigheid kan blijven voortbestaan tot op zeer hoge leeftijd. Toch zal bij de doorsnee‑mens een beter begrip voor de realiteit ontstaan en men zal vooral ook bereid zijn om, het vreemde te aanvaarden. Men laat zich niet zo snel meer choqueren. En in vele gevallen begrijpt men ook dat een bepaalde code eigenlijk alleen maar een bemanteling is van een werkelijkheid. Op deze manier groeit de mens dus zelf naar een royaler leven toe. Ik zie niet in, waarom de mensheid dat ook niet zou kunnen doen.

Een punt, dat hier zeker ook moet worden aangesneden, is de ‑ overigens niet veelvuldig voorkomende ‑ directe beïnvloeding van de stof door de geest. In het menselijk leven komt er altijd weer een ogenblik, dat het instinct de actie overneemt. Maar dit instinct blijkt dan bij beschouwing van de resultaten toch wel overlegd te zijn geweest en in vele gevallen zeer goede resultaten tot stand te hebben gebracht, al is dat in zuiver stoffelijke zin niet altijd direct aantoonbaar. Wat gebeurt er?

Wanneer het ego in de stof zijn voortdurende projectie van een bepaalde toestand of een bepaalde waardering naar de geest richt, geladen met allerlei emoties, dan komt er een ogenblik dat een afwijking van deze handelwijze (stoffelijk gezien rationeel, maar emotioneel gezien strijdig) door de geest wordt erkend als een afwijking van haar pogen om ‑ vertrouwend op hetgeen zij in de stof heeft geleerd – een waarheid te beleven. Zij neemt dan de beheersende controle over en wij zien dat het lichaam a.h.w. wordt gestraft, op zijn plaats wordt gezet, en de rede niet eens meer in staat is te zeggen hoe het precies is gegaan. Wij zien dit ook wel in de geschiedenis van de mensheid. Er komen perioden, dat je zegt: Ik weet niet waarom het gebeurt, maar nu zien we wer­kelijk dat de mensen ineens tegen alle rede in gaan reageren. Dan weet ieder­een dat het verkeerd is, maar het gebeurt. Dat is nu wat ik het ingrijpen van de geest wil noemen.

Ik leg hierop zoveel nadruk, omdat de meesten van u denken dat het goed is om nu maar precies alles te doen volgens vaste regels en dat het belang­rijk is om een bepaald ideaal zonder meer in je leven dragend te maken. Ik wijs u er echter op, dat als u dan komt tot een verstandelijke beslissing die daar­ mee in strijd is, de geest dan overneemt.

Psychologisch kennen we een dergelijk verschijnsel ook. Een mens zondigt. Die zonde is voor hem op dat moment volledig redelijk, het is verantwoord. Hij ziet het niet als zonde, maar volgens zijn code is het wel zonde. De mens, die denkt dat hij geen kwaad heeft gedaan, bestraft zichzelf door het besef van zondigheid, dat hij desondanks bezit. Hij doet dit door ongelukjes te ver­oorzaken, door zich pijn te doen of voor zichzelf mislukkingen te veroorzaken. Die mens begrijpt dat dan niet. Maar hier werkt van binnen een correctieve factor. Die factor is niet gebaseerd op de werkelijkheid; zij is gebaseerd op de uitdrukking van een waan, een illusie, die is opgebouwd door de mens.

Dat is misschien te krankzinnig om los te lopen, maar in het menselijk leven domineert dit facet. Om u voorbeelden te geven van dwaasheden:

Er zijn bepaalde groepen, waar men in eenzaamheid eet. Alle andere levens­ functies worden heel rustig in het openbaar gedaan, maar eten doet men in afzondering. Iemand, die met een ander samen heeft gegeten (dat komt bij een bepaalde primitieve stam nog voor), voelt zich zodanig schuldig, dat ‑ tenzij hij op de een of andere manier de zaak recht zet, hetzij door een bloedbroederschap hetzij door het aanvaarden van een binding met een andere stamhut ‑ hij zichzelf bijna zeker te gronde richt.

U kent andere taboes; en misschien dat die bij u niet meer zo sterk werken, maar ze zijn er. Waarom zijn bepaalde dingen kwaad? Omdat u zegt, dat ze kwaad zijn. Waarom zijn sommige dingen goed? Omdat u zegt, dat ze goed zijn. Dit is één van de aspecten van het menselijk leven, die u nooit moogt vergeten. De mens maakt in wezen zijn maatstaven zelf, ook indien hij deze aan de wereld, aan een godsdienst of aan een maatschappij ontleent. Hij kiest n.l. voor zichzelf uit hetgeen hem wordt geleerd en uit hetgeen hij rond zich ziet een interpretatie. Deze voert hij dan zo sterk door, dat het niet meer redelijk is. Het is een strakke lijn geworden, waarmee een zodanige emotionele band bestaat, dat elk doorbreken daarvan zeer grote gevolgen na zich zou kunnen slopen. In de mens zien we natuurlijk nog veel meer. Ieder van u weet, dat er be­paalde vormen zijn voor het bereiken van resultaten langs niet‑redelijke weg. Of dat nu is; de mens, die alles wat hij vergeet terugvindt door ’t formuleren van een schietgebedje (wat voorkomt), de mens, die een geest aanroept en ver­telt wat er op afstand gebeurt, of iemand die uittreedt, gebruikmakend van een zekere formule, een bepaalde drank of door een bepaalde houding aan te nemen, er ontstaan bovennatuurlijke dingen. Die bovennatuurlijke dingen zijn in feite natuuraspecten.

Maar hier is het belangrijke, dat ‑ zo de mens in het natuurlijke verloop der dingen en de natuurlijke mogelijkheden een emotionele benadering legt voor de geest ‑ het in de benadering gelegde werkelijkheid wordt. De reacties van de eigen geest zijn in overeenstemming met de emotionele benadering van de feiten ziet feiten zelf. Daardoor is het niet‑redelijke vaak meer waar dan het redelijke. Hierdoor kan een mens wonderen doen, maar zal diezelfde mens soms absoluut machteloos zijn, terwijl er helemaal geen reden voor is. Als we nog een stap verdergaan dan kunnen we zeggen. Er zijn mensen, die proberen innerlijk vrij te worden van deze stoffelijke gebondenheid. Nu kun je de emotie opzij zetten, maar dan moet dat dus ook gepaard gaan met het terzijde stellen van interpretaties. Wanneer het lichaam waarneemt en niet interpreteert, kan de geest krachtens haar wezen de waarneming zonder meer overnemen. Zij is dan in staat via het lichaam haar grenzen tot uiting te brengen. En daar de geest in haar bewustzijn altijd weer verbonden is met dit grote “ik” (of super‑ego, als u het ze noemen), waarin de, totale moge­lijkheid van die mens ligt, ontstaat er wel een zeer snelle ontwikkeling; het eerst op geestelijk terrein en daarna op stoffelijk terrein. Deze ontwikkelingen kunnen dan heel wat inhouden. Dat komt echter zelden voor, want de mens kan veel doen, maar hij kan zich zelden onthouden van interpretatie. Het interpreteren van hetgeen je in het leven meemaakt, ziet, veronderstelt, is nu eenmaal typerend voor de mens. Interpretatie is de illusie. De illusie, die het kind al begint te maken, waarom de acties van de ouderen volgen zijn eigen normen gaat interpreteren en ook zijn kritiek op die ouderen volgens eigen normen doet plaatsvinden. Diezelfde vorm van interpretatie zien wij bij jonge mensen, die op hun eigen manier wat de maatschappij beweert, wat de godsdienst zegt of wat een ander zegt een betekenis geven, die lang niet altijd met de bedoelingen overeenstemt. Interpretatie is het opbouwen van onze illusiewereld. Het menselijk leven is illusie door de eenzijdigheid, waarmee hij interpreteert wat hij erkent plus de beperktheid van zijn waarnemingen. Zo zijn er meer van die aspecten. Ik heb u reeds gezegd; Er zijn er ontelbaar vele. Maar als ik nu over deze geestelijke waarden spreek, dan moeten we toch ook nog even spreken over de kosmische ritmen, waarmee de mens verwant is. Het leven van de mens wordt in vele gevallen bijna gedomineerd door kosmische stromingen. Menig mens wordt a.h.w. geleefd door de sterren. Dat is onredelijk, maar het gebeurt. Waarom? Als een mens geen meester over zichzelf is, als hij zijn emoties niet voldoende meester is, zal zijn organisme zijn denken bepalen. Waar het organisme het denken bepaalt, bepaalt op zijn beurt het denken de emotionele band met de geest. Die emotionele band met de geest regelt weer de interpretatie van feiten en hierdoor ook het geheel van de eigen geestelijke krachten, die men tot uiting kan brengen. Het klinkt altijd dwaas, als je tegen een mens zegt: Kijk eens, wat jullie in die maatschappij hebben opgebouwd, deugt eigenlijk niet, want je kunt je niet voorstellen hoe het nu anders zou moeten gaan. Maar op grond van het voorgaande mag ik dat wel stellen. Zelfs de opvoeding is in vele opzichten verkeerd. De opvoeding wordt gezien als het klaarmaken van de kinderen voor het leven. In feite is het het dresseren van de kinderen volgens de nu geldende normen der maatschappij. Leven betekent heel wat meer dan alleen maar als een goed mens volgens de regels bestaan. Leven betekent het kennen van emotie, maar er zo vertrouwd mee zijn, dat de emotie je nooit overweldigt. Het is het kennen van feiten maar gelijktijdig een zodanige vrijdom van denken, dat de feiten, de basis voor de basis en vormen en nooit het denken beheersen. Leven betekent: erkennen wat je bent, stoffelijk en ook geestelijk, en daarvan zo volledig en zo harmonisch mogelijk gebruik maken. Er zullen zo dadelijk natuurlijk wel hier of daar bedenkingen rijzen, als men gaat uitroepen: Maar bedoelt u daarmee dan dat bv. huwelijk, en huwelijkse trouw e.d. allemaal moeten worden afgeschaft? Dat kan niet op het ogenblik. Maar ik zei u reeds, dat dit deel is van de illusie van de wereld. Godsdienst en al die andere dingen, die op de mens zo’n enorm grote invloed hebben, zijn in feite niets anders dan beweringen, het zijn leuzen. Iemand, die met de feiten leeft, heeft geen behoefte aan leuzen. Maar de doorsnee‑mens kan niet met de feiten leven. En als we gaan kijken waar die leuzen vandaan komen op de wereld, dan doen we een heel eigenaardige ontdekking. Die leuzen ontstaan in de mens op het ogenblik, dat hij zichzelf niet feitelijk kan verantwoorden. In de maatschappij komen zij voort uit de politici, die eigenlijk alleen maar verklaren en veel minder dirigeren dan ze voorgeven te doen; uit de kerk, die een gebondenheid in een bepaalde orde rationaliseert door leuzen, waarop ze zich beroept; verder uit de strijdleuzen van degenen, die de werkelijke waarde der dingen willen verdoezelen, bv. in de handel. Ze zijn dus kreten van het niet‑werkelijke. Als zoveel kreten tot het niet werkelijke behoren, dan is het hoog tijd je te gaan afvragen; Wat is dan de werkelijkheid? Die werkelijkheid is een totaal andere dan u denkt. Die heeft helemaal niets te maken met wat men sociale bewogenheid noemt. Degenen, die uitroepen dat er iets gedaan moet worden voor de onderontwikkelde gebieden, zijn kennelijk blind voor het feit, dat alleen de onderontwikkelde gebieden iets voor zichzelf kunnen doen. Degenen, die uitroepen dat wij door de U.N.O. de wereldvrede moeten handhaven, vergeten klaarblijkelijk dat vrede alleen kan bestaan, indien mensen elkaar aanvaarden. Een opgelegde vrede is alleen maar een oorzaak voor nieuwe strijd. Dat geldt in het algemeen, dat geldt ook in uw eigen bestaan. In het menselijk leven zijn er vier hoofdperioden die in alle tijden worden weerspiegeld door de groeperingen der mensheid.

In de eerste plaats: de jeugd: eisend, onredelijk, fantastisch, maar enorm veerkrachtig.

In de tweede plaats: de tijd van dressuur plus ontwakende driften (puberteit), waarin een compromis moet worden gezocht tussen wat men innerlijk niet begrijpt en wat de wereld eist. In deze periode is de interpretatie over het algemeen een afweermiddel tegen het andere in de maatschappij en ontstaat een toenemend isolement.

De 3e periode is de z.g. bezitsperiode waarin het “ik” zich volledig projec­teert in al datgene, waartoe het meent te behoren. De sterkste groep‑ en elan­vorming komt in deze tijd voor, maar ook de grootste nadruk op stoffelijke bezittingen en bereikingen. In deze periode kan worden gezegd, dat men door het­ beperken van eigen wezen en wereld komt tot een vervalste emotionele weergave van het leven en daarmee ‑ juist in deze periode ‑ vaak ook tot de grootste foutieve impulsen uit de geest: de vervalste impulsen uit de eigen geest.

Daarna krijgen we de periode, waarin het driftleven langzaam afneemt; de periode, waarin de bereiking eigenlijk niet zo belangrijk meer is als het behouden van het bereikte. We zouden dit de periode van stabilisatie kunnen noemen.

In een periode van stabilisatie kan men, indien de geest flexibel genoeg is, doordringen in zijn eigen illusies, zich confronteren met de realiteit, met de werkelijke waarde, en daardoor tot een conclusie komen, ook omtrent eigen betekenis. Men kiest dan vaak een nieuwe wijze van denken en leven. Degenen, die dit niet doen, maar voortbouwen op het oude, zijn over het algemeen de z.g. “die‑hards”: mensen, die denken dat ze het allemaal zo goed weten. Dezen zijn bang om te erkennen dat het andere bestaat. Bij hen zien wij dus een zeer snel­le deterioratie; zij kunnen uit het gewende patroon maar weinig dingen ontberen. Dan zien we bij hen een voortdurende vermindering van de feitelijk inhouden een voortdurende vergroting van wat ik de illusie of de leuze zou willen noemen. Er zijn anderen, die juist in deze periode komen tot werkelijkheidsbesef en dit omzetten in een eigen gedragslijn, die niet alleen hun gedrag en wezen betreft, maar het geheel van de wereld. Het zijn deze mensen, die langzaam maar zeker weer een meer reële band met de eigen geest krijgen. In hen zullen vaak geestelijke gaven opnieuw sterk tot uiting komen en nu meer bewust en beheerst, terwijl daarnaast vaak een ‑ zij het aarzelend ‑ contact ontstaat met wat ik het super‑ego heb genoemd: het totaal dat de geest maximaal kan vervullen. Hier ziet u dus bepaalde fasen.

Maar zoals ze voor de mens bestaan, bestaan ze voor de volkeren. Volkeren komen op een gegeven ogenblik aan een keerpunt. Er is geen drang meer, de bezitslust vraagt niet meer naar uitbreiding, maar nog slechts naar behouden. In deze periode van conserveren zien we een deterioratie optreden. Wij zien in de volkeren eveneens seniliteitsverschijnselen. Wij zien dat dan in zo’n volk een kleine groep (van ouderen) in staat is om toch te vernieuwen. Dat zijn degenen, die zeer grote en blijvende waar­den voor de toekomst achterlaten. Maar het volk gaat meestal te gronde, omdat het merendeel daarvan aan deze sluipende seniliteit ten offer valt. Nu heb ik nog twee aspecten van het leven, die ik met u wil bespreken.

De eerste is geboorte. Geboorte: ontwaken in een nieuwe wereld. Er is geen andere uitdrukking voor te vinden. Elke geboorte is een kwestie van oriëntatie. Uit de veelheid van mogelijke indrukken worden de meest eenvoudige gesorteerd. Deze worden langzamerhand verklaard, totdat een zich steeds uitbreidend kader van referenties ontstaat, waardoor een wereldbeeld mogelijk is. Dit wordt altijd gebaseerd op de aanwezigheid van een geestelijk kunnen.

De tweede is de dood. De dood is omgekeerd het wegvallen van de functies. De werelderkenning verslapt. Er is steeds minder contact. Er zijn dus steeds minder indrukken, die het bewustzijn nog bereiken en daarvoor in de plaats komt dan een innerlijke erkenning. Zoals de geest met haar wil en werking vooraf gaat aan de geboorte van het kind, zo ontstaat bij de dood in toenemende mate de kristallisatie van de geest (wat de geest in het leven heeft gezien en daaruit heeft gemaakt). De overgang zelf is dus de weergave van de geestelijke betekenis van het leven. Dit is de eerste projectie; en daaruit ontstaat dan wederom de geboorte in een nieuwe wereld. Geboorte en dood liggen vlak bij elkaar, ook als een geboorte na de dood niet noodzakelijkerwijze in de stof behoeft plaats te vinden. Dit kunnen wij ook elders zien. Planeten sterven. Volkeren gaan te gronde maar vaak hebben zij in zich een geestelijke waarde verworven, die een stempel drukt op de wereld lang nadat hun grootheid vergaan is, soms zelfs nadat de herinnering aan hun bestaan is uitgeblust. Zo is de mens een schakel in een keten, die bijna eeuwig is. Bijna, want we weten het niet zeker. Een wezen, dat bestaat uit een lichaam, een geest en een ziel. Een wezen, dat bestaat uit een klein, bekrompen ego, een soort super‑ego, waarin alle mogelijkheden van het “ik”‘zijn weergegeven en de verbondenheid met een goddelijke wereld, waarin het “ik” geen “ik” meer is, maar slechts doel van een totaliteit. Uit de oneindig vele aspecten van het menselijk leven heb ik er enkele gekozen. Ik hoop u echter duidelijk te hebben gemaakt, hoezeer de mens wordt beheerst door zijn onbeheerstheid. Hoezeer hij wordt geleid door zijn onvermogen te beseffen en hoezeer hij kan groeien, zodra hij dit zelf erkent en meesterschap over zichzelf kan verwerven. Hiermee hoop ik de inleiding tot een gelukkig einde te hebben gebracht.

*********************

*  Klaarblijkelijk behoort het mens‑zijn tot een ontwikkelingsproces, dat plaatsvindt tegen onze wil en dank. “Bewustwording” schijnt in de 1e plaats te betekenen: het zich bewust worden van tekortkomingen. We vinden ons belemmerd door gedachten‑ en gevoelspatronen, die ten dele door individueel en ten dele door collectief denken reeds voor de z.g. bewustwording in ons onderbewustzijn werden vastgelegd. Wij zijn hieraan verslaafd en kunnen niet anders dan beantwoorden aan een self‑image dat ons is opgedrongen door de onbewuste registratie van gebeurtenissen, die wij al dan niet hebben gezocht, maar die wij in ieder geval vergeten hadden. Wij zijn daarom niet vrij, maar als het ware geprogrammeerd om steeds het verkeerde te doen. Hoe kunnen wij de aan ons opgedrongen gedachten en gewoonten kwijt raken?

De vraag is eenvoudig. De rest van het betoog geeft mij de indruk, dat men de mens wil bezien als een geprogrammeerde robot; en dat is zeker niet het geval. Als we zeggen: Er bestaat lichamelijk een preconditionering, dan ben ik ’t daarmee volledig eens. Als men zegt, dat via chromosomen en hun onderlinge groepering een deel van het gedragspatroon en de reactiepatronen is vastge­legd, dan ben ik het er ook mee eens. Maar er wordt iets meer gesteld, n.l. dat wij ten kwade zijn geprogrammeerd. Ofschoon ik zelf niet meer in de condi­tie ben, dat een dergelijke programmering voor mij nog zou werken, wil ik toch opmerken, dat dit in feite een levenshouding is en dat deze misschien door de gemeenschap, waarin men leeft, wordt bevorderd, maar dat zij zeker niet onver­mijdelijk is. De self‑image (het beeld van eigen “ik”) dat hier wordt geciteerd, is n.l. een beeld dat men zichzelf maakt. Naarmate men een groter deel van dit beeld refereert aan anderen en daardoor het oordeel van anderen, de gemeen­schap of uiterlijkheden laat prevaleren, zal inderdaad deze z.g. programmering sterker worden. Ten laatste wordt gezinspeeld op het onderbewustzijn. Het onderbewustzijn bevat inderdaad verdrongen ervaringen en feiten. Dit is niet te loochenen. Deze verdrongen en dus niet direct voor het bewustzijn toegankelijke waarden bepalen mede de reacties op gebeurtenissen. Tot zover ben ik het nog wel vol­ledig met het gestelde eens, maar ik stel daarnaast: De interpretatie van het gebeuren wordt niet door de gemeenschap opgelegd, doch is een eigene. De interpretatie neigt de mens wat u noemt ten kwade en maakt uit vele dingen kwaad, die op zichzelf goed zouden kunnen zijn. Het is voor de mens wel degelijk mogelijk zijn waardering van de dingen te her­zien, waarbij hij uit de aard der zaak eerst zijn oordeel t.a.v. de wereld buiten hem zal moeten wijzigen, voordat hij in staat zal zijn ook voor zichzelf tot een niet met allerlei emoties gepaard gaande wijziging van waardering, oordeel en dus ook gedragspatroon te komen. Er bestaat hierin een betrekkelijk grote vrijheid. De mens is dus niet ten kwade geprogrammeerd, indien hij voortdurend het positieve zoekt in alle dingen, de negatieve aspecten zoveel mogelijk ver­waarlozend en daarbij dus zelf denkend en handelend nastreeft om datgene waar te maken, wat hij buiten zich als positief erkent, dan ontworstelt hij zich aan wat u noemt de programmering door maatschappij en zelfs voor een groot ge­deelte aan de programmering, die hij door psychische en zelfs prenataal-psychisch vastgelegde belevingen zou bezitten. De mens kan zich bevrijden, indien hij zich losmaakt van zijn negativisme.

*  De positie van de eigen geest is me nog steeds niet duidelijk. Ik meen be­grepen te hebben, dat ze een schakel is tussen klein‑ego en super‑ego. Is dat juist?

Dit is niet geheel juist. Wij kunnen zeggen: de geest is de schakel tussen de ziel (de bezielende of goddelijke kracht) en de materie, waarin de geest de levenskracht van de ziel tot uiting, brengt volgens het bewustzijn of het kenvermogen, dat in die geest aanwezig is. Tussen het kleine ego en het grote ego treffen wij ook wel weer een vorm van bewustzijn aan, maar of we deze nu volledig als geest mogen omschrijven, weet ik niet. Geest is n.l. een persoon­lijkheid, die afzonderlijk kan bestaan, terwijl het grote ego de totaliteit is van de mogelijkheden, die in het “ik” zijn gelegen. Het is a.h.w. de totale potentie van het “ik”. Het kleine ego is het erkende deel van het “ik”, en tussen deze beide staat een bewustzijn van mogelijkheden, dat uitgaat boven het erkend bereikte van het “ik”, maar nimmer kan uitgaan boven de in het super‑ego vastgelegde mogelijkheden.

*  Is het super‑ego dan niet min of meer synoniem met de ziel?

Indien ik dit zo zou beschouwen, dan zou ik het ongetwijfeld hebben gezegd. Uit hetgeen ik stel, blijkt dat de ziel goddelijke kracht of levenskracht is, terwijl het super‑ego de totale mogelijkheid is, die een ego heeft. Het is dus zijn kosmische vorm. Nu kunt u misschien zeggen, dat de vorm van het koekje gelijk is aan het koekje, maar dan heeft u waarschijnlijk nog nooit een etalagekoekje gegeten, anders zoudt u ongetwijfeld tot de constatering zijn gekomen, dat het verschil tussen essentie en vorm zeer groot kan zijn. We kunnen dus de substantie van het koekje hebben zonder de vorm, maar we kunnen ook de vorm hebben zonder de substantie. Daarom is het super‑ego de vorm waarin de substantie van het “ik” zich ten slotte in zijn meest volmaakte vorm (en nog in de “ik”‑vorm) zal manifesteren.

*  Dus je kunt het super‑ego niet zien als het reservoir van alle mogelijk­heden?

U zegt met andere woorden precies hetzelfde wat ik zeg. Ik zeg n.l.: het super‑ego is het totaal van de potentie van het “ik”. Als u dat wilt omschrijven als het reservoir, dan vind ik dat best, indien u dan maar wilt begrijpen, dat u uit het super‑ego niet naar believen aan mogelijkheden kunt put­ten, maar dat u wel binnen het super‑ego kunt vervullen wat er voor u aan mogelijkheden bestaat.

*  Maar is het super‑ego dan een realiteit? Ik bedoel als mogelijkheden. Maar die zijn dan nog niet gerealiseerd.

Voor het “ik” niet. Hier krijgen we echter te maken met een dubbel tijdsbegrip. Kosmisch is alles gelijktijdig. Er bestaat het volledig vervulde “ik”, dat in zich draagt het totaal van alle fasen, die wij afzonderlijk als leven, levensproces, bewustwordingsproces e.d. omschrijven. Het is dus wel degelijk een realiteit. Maar het is een voor ons nog niet te verwezenlijken realiteit omdat wij eerst door dit tijdsbegrip heen al onze mogelijkheden moeten beseffen en voor onszelf moeten waar maken, zodat we ze als deel van het “ik” erkennen, voordat het super‑ego voor ons een leefbare werkelijkheid is.

*  Als alles gelijktijdig is, dan is toch heel veel vastgelegd.

We moeten uitkijken, anders gaan we een heel verkeerde kant uit met de discussie. Ik zal op deze vraag nog antwoord geven, verder ga ik er niet op door.

Gelijktijdigheid impliceert niet het vastgelegd‑zijn in dien zin, dat het door het andere is gefixeerd. Het betekent slechts, dat het totaal van tijd kan worden beschouwd als een overzienbare afmeting, waarbinnen het “ik” een bepaal­de begrenzing bezit. Deze begrenzing werd door het “ik” vastgelegd door zijn waarde ten aanzien van de meetbare verhoudingen.

*  De geest kan overnemen als correctieve, factor. Ze heeft dus eigen normen. Toch kunnen emotionele impulsen verkeerde indrukken aan haar geven. Komen de eigen normen daartegen dan niet in verzet?

U heeft niet goed geluisterd. Ik heb uitdrukkelijk gesteld, dat het beeld van de materiële werkelijkheid en waarden (waarbij de norm van de geest dus ver­der niet bepalend is maar wel haar beeld van de toestand) niet wordt gebaseerd op de feitelijkheid van de stof, maar op de interpretatie van de stof, die een emotionele achtergrond heeft. Op grond daarvan is het beeld, dat de geest van de materie hoeft niet volledig juist zodat zij ‑ handelend volgens de in haar inderdaad bestaande normen (voortvloeiend uit haar bewustzijn) ‑ toch kan ingaan tegen datgene, wat op aarde noodzakelijk of wenselijk zou zijn vol­gens deze normen, n.l. door haar miskennen van de feitelijke waarden, mogelijkheden en toestanden. Ik wil hieraan toevoegen, dat dit geschiedt doordat de geest, zodra ze zich in één “ik” heeft geconcentreerd en dus haar volledig bewustzijn aan een stoffelijke entiteit heeft gebonden, tot bijna geen waarnemingen komt bui­ten dit “ik” en de waarden van dit “ik” om. Eerst bij de zeer bewuste en in­ gewijde mens ontstaat de mogelijkheid, dat de geest naast haar deelname aan het stoffelijk ego als zodanig ook zelfstandig waarneemt binnen de materiële waarden en factoren. Dan krijgen wij een juiste reactie volgens de normen van de geest. In alle andere gevallen is de factor misleiding zeer groot. Daar deze praktisch overal voorkomt, heb ik in mijn inleiding dit als zodanig gesteld.

*  Maar die geest heeft een verleden, waarin ze vroeger heeft geleefd, voordat ze zich aan dit lichaam volkomen heeft gebonden, en heeft daaruit dus ook haar eigen normen overgehouden. Of is de geest na iedere geboorte opnieuw nieuw?

Ik geloof, dat u aardig een hutspot zit te maken van hetgeen ik heb gezegd. Sta me toe kort te verhelderen. In elk leven heeft de geest haar voorgeschiedenis. Die is niet gebaseerd op de stoffelijke realiteit, maar op de ervaringen, die door de interpretatie in de materie ‑ meestal emotioneel ‑ voor haar groeide, zodat haar bewustzijn van stoffelijke normen en waarden niet in overeenstemming behoeft te zijn met datgene, wat er op aarde bestaat. Zij kan over het algemeen alleen datgene overdragen in een nieuw lichaam en een nieuw leven, wat mede of hoofdzakelijk op emotionele waarden berust. Denkt u er eens over na. Het is eenvoudiger dan u denkt. U maakt het veel te ingewikkeld.

*  Ook kunnen foutieve impulsen vanuit de geest worden gegeven aan het klei­ne ego. Hoe kan dit ego zich daartegen verweren?

Het kan zich daartegen niet verweren, omdat op het ogenblik dat de geest de controle overneemt de ratio (de redelijkheid van overleg en overweging) in de mens is uitgeschakeld en de projectie van de geest in de plaats treedt van de werkelijkheidserkenning en werkelijkheidswaarde. De enige manier, waarop men zich ertegen kan verweren is:

  1. door ervoor te zorgen, dat eigen reacties zoveel mogelijk zijn gebaseerd op feiten en niet op vaak eenzijdige of zeer emotionele interpretaties van feiten;
  2. door ervoor te zorgen, dat men in alle gevallen rekening houdt met de kennis, die men omtrent eigen “ik” heeft opgedaan. Op deze wijze kan men voorkomen, dat de geest ingrijpt of veelvuldig zo zal in­ grijpen. Of om het anders te zeggen: U kunt misschien voorkomen dat uw hond dol wordt, maar als hij dol is, dan is er niets meer aan te doen.

*  Maar ik meen, dat de geest op een andere wijze waarneemt dan de mens in de materie.

Mijn waarde vriend, u zit voor een heel klein spionnetje te kijken. Alles, wat u kunt zien, ziet u via dat spionnetje door de plaats die u hebt gekozen. Kunt u dan nog reageren op wat er buiten het gezichtsveld van het spionnetje normaal voor u waarneembaar zou zijn? Op dezelfde wijze kunt u zich toch voorstellen dat de geest, die zich in haar waarneming en beleving heeft gebonden aan een stoffelijk “ik” en zich dus baseert op hetgeen er via dit “ik” tot haar komt, niet in staat is gebruik te maken van haar vermogens tot waarneming, zoals een geest die vrij is en dus niet gebonden is aan een stoffelijk lichaam. Wij kennen wel ons kleine ego. Maar hoe kunnen we onze geest eigenlijk le­ren kennen? Ik geloof niet, dat dat mogelijk is. U kunt uw geest niet leren kennen. U kunt alleen meer één worden met die geest. Met andere woorden: Indien u rekening houdt met uw gebondenheid, uw eenzijdigheden en u probeert niet vol­gens deze beoordeling de wereld te benaderen, maar steeds zoveel mogelijk uit de feitelijke waarneming, dan zal uw geest een grotere harmonie met u verkrijgen door een juistere erkenning van hetgeen er in u bestaat. Hierdoor ontstaat er een zekere mate van harmonie, die langzaam maar zeker een gedeel­telijke versmelting betekent. Dan zijn geest en stoffelijk bewustzijn voor een deel een. Hieruit kan dan volgen, dat de geest ‑ zich losmakende van de stof – in staat is een deel van haar eigen ervaringen over te brengen in het stoffe­lijk denkvermogen, zodat het tot het redelijk herinneringsvermogen gaat behoren. Maar uw geest werkelijk kennen is onmogelijk, omdat u niet beschikt over de nodige termen van referentie, die noodzakelijk zijn om het wezen van uw geest te constateren, te omschrijven en te begrijpen, zodat u wel de geest kunt beleven, maar niet kennen.

*  Is dat ook niet een kwestie van identificatie? enz. enz.

Ik identificeer mij niet met de geest. Ik ben er één en ik heb mij tijdelijk en gedeeltelijk geïdentificeerd met een stukje stof, dat mij vriendelijk ter be­schikking is gesteld. Identificeren met de geest zou inhouden, dat u zich gaat één gevoelen met datgene, wat u zich voorstelt dat de geest is; en u heeft geen juiste voorstelling van de geest. Dit identificatieproces kan dus niet via het streven naar de geest plaatsvinden. Het kan slechts geschieden door zoveel mogelijk te leven in de werkelijkheid, waardoor de geest dus dichter bij de stof komt. De stof kan niet dichter naar de geest toegaan.

*  U sprak over het zich onthouden van interpretatie. Heeft het leven dan nog zin voor degene, die het beleeft?

Ik geloof, dat het pas zin krijgt, indien men de onzinnigheden, die inter­pretaties over het algemeen in het leven tot stand brengen, kan vermijden. Degene, die de werkelijkheid ziet en kan aanvaarden, kan uit de aanvaarde werke­lijkheid (zelfs binnen een stoffelijk begrip) komen tot een zeer grote beleving van de kracht, die achter alles in de schepping bestaat en die wij God noemen. Terwijl daarnaast dit kleine “ik” voortdurend door het grote “ik” zal worden aangeroepen, daar een steeds groter deel van de mogelijkheden daarvan ook bin­nen het bereik komen van het stoffelijk ego. Ik geloof, dat ontwikkeling in waarheid te verkiezen is boven leven in illusie. Maar misschien vergis ik mij.

*  Ik begrijp het nog niet goed.

Luistert u. Als u leeft door eenzijdige referenties en daarmee onwaardige emoties, dan leeft u in een wereld, waarin u voortdurend teleurstellingen onder­ gaat, waardoor een voortdurende onbeheersbaarheid van het “ik” t.a.v. de wereld optreedt en de wereld een schijnbaar niet te beheersen invloed op het “ik” heeft. Ik geloof niet, dat dit een toestand van vreugde of van vrede is, vooral omdat veel van wat men vooruitgang noemt in feite geen vooruitgang blijkt te zijn. Degene, die uitgaat van de feiten zonder meer (ze dus niet interpreteert maar ze in zichzelf opneemt), reageert vanuit zichzelf binnen die werkelijkheid. Zijn placering in het geheel, waarin hij leeft, is niet gebaseerd op zijn illusies en op zijn emoties, maar op de feiten. Hij leert dus zichzelf en de wereld beter kennen in waarheid. Hierdoor vergroot hij zijn vermogen om in die wereld zichzelf te bepalen, terwijl hij ook uit die wereld veel meer feitenmateriaal en veel meer mogelijkheden tot begrip en erkenning verwerf dan anders het geval zou zijn. Mijn opmerking was dus, dat mij het tweede verkieselijker lijkt dan het eerste. De waan van intens geluk voor een kort ogenblik lijkt mij minder begeerlijk dan de langzame groei naar een werkelijke innerlijke vrede, die meer is dan geluk.

*  Hoe verhouden zich de emotie en het verstand ten opzichte van elkaar?

Als het goed zou zijn, zou men moeten zeggen: De emotie is de drijfkracht die optreedt, wanneer het verstand zich tegenover een zware opgave gesteld ziet, zodat het door de emotionele krachten te beheersen datgene presteert, wat anders niet te presteren ware. In de praktijk komt het echter hierop neer, dat bij de meeste mensen het verstand de rationalisatie is van een emotie, waardoor zij steeds sterker worden gedomineerd door gevoelens, die zij in hun werkelijke betekenis en wezen niet eens willen erkennen.

*  Heeft het zin en is het wenselijk, dat de mens zich onthoudingen oplegt, om het natuurlijk leven en evenwicht aan te tasten?

De geschapen functies zijn aanwezig, het denken van de mens en zijn waannormen veroorzaken de frustratie en stichten verwarring.

*  Wat is volgens u inziens de juiste weg?

De juiste weg is: de belangrijkheid van de functies te erkennen binnen het lichamelijk bestel en daaraan geen illusies of verdere interpretaties te verbinden. Op deze wijze brengt men ze terug tot hun ware betekenis en zal men zonder onthouding komen tot de voor het “ik” normale en noodzakelijke uitoefening van functies, zonder dat deze het “ik” ooit zullen kunnen beheersen.

*  Dus het komt op de beheersing aan?

Het komt niet op de beheersing aan. De beheersing is n.l. voor u een vorm van beperkte ontzegging. En dit heb ik juist niet gezegd. Ik heb gesteld, dat de mens, als hij de betekenis van al zijn lichamelijke functies ‑ of dit nu eten, drinken of wat anders is ‑ terugbrengt tot hun ware betekenis en ze dus gaat zien als functies, in staat zal zijn om uit zijn mentale vermogens deze functies zo te gebruiken, dat zij het erkende “ik” zo goed mogelijk tot uitdrukking brengen. Dat betekent dus in feite een beheersing van de functies, omdat zij slecht daar, waar een noodzaak bestaat, tot uiting komen. Dat is iets anders dan een ontzegging.

*  Als de priester door het celibaat wordt gefrustreerd, heeft dat dan een schadelijke invloed op de geest van de priester? Heeft het eigenlijk wel zin?

De betekenis voor de geest van de priester is over het algemeen deze; zijn frustratie zet hij om in emotie op een ander vlak. Indien dit beheerst ge­beurt, kan hierdoor de geest zeer grote waarden gewinnen. Maar deze bewuste be­heersing kan eerst aanwezig zijn, nadat men beleefd en bewust gekozen heeft, terwijl men daarbij ook niet uitgaat van een illusie, een rationalisatie, die bv. op de eigenwaarde de nadruk legt, maar eenvoudig uitgaat van de feitelijke erkenning van de eigen noodzaak. Ik meen, dat dit bij de doorsnee-priester niet het geval is en vrees daarom, dat de eenzijdigheid van zijn emotionele interpretaties hem voeren tot een volkomen vals beeld van eigen werkelijkheid en van eigen belangrijkheid en hem hiermede brengt tot reacties zowel in de geest als in de stof, die in vele opzichten foutief zijn. Opvallend is dat oudere priesters, die niet verbitterd zijn geworden, heel vaak deze fase overwinnen en dan een bijzonder geestelijke rijpheid gaan bezitten. Degenen echter, die gevangen worden in het spel van eigen belangrijkheid, blijken vaak geestelijk hieraan bijna ten onder te gaan. Ik acht vanuit mijn standpunt het celibaat volledig foutief, zeker in een wereld, waarin een geslachtelijke verhouding buiten het huwelijk als schuld wordt ervaren, vooral in religieuze kringen. Zou men in dit opzicht wat meer libertijns zijn, dan zou ik zeggen: Een priester zou naast zijn religieuze opleiding tenminste enkele jaren met een vrouw moeten samenleven, voordat hij rijp is voor het bewust aanvaarden van het celibaat en het juist gebruiken daarvan. Ik vrees dat vele van de moderne priesters na een dergelijke ervaring het celibaat volledig zouden verwerpen.

*  Hoe is de verhouding van de mens tot zijn medemens? Hoe ver reikt zijn verantwoordelijkheid voor zijn naaste? Wat is zijn naaste? Waar mag hij wel helpen en waar niet?

Deze vragen kan ik het gemakkelijkst beantwoorden, indien ik eerst de naaste definieer. De naaste is degene, die je kent in zijn nood of die jou kent in jouw nood. De naaste is dus nooit diegene, die je niet ziet of kent. Hij is altijd degene, waarmee je contact hebt. Je verantwoordelijkheid voor de naaste is de verantwoordelijkheid voor je eigen besef van mensenwaarde, je eigen besef van God en godde­lijke kracht als geopenbaard in de ander, waardoor je verplichting tegenover de ander in feite is: de erkenning van het hogere en het beantwoorden aan de waarde in jezelf. Verder dan dit gaat de verantwoordelijkheid voor de naaste niet. Men is dus niet verplicht om een ander op enigerlei wijze te hinderen of te belemmeren. Ik meen zelfs, dat dit volledig verkeerd is. Dwang acht ik even­ eens uit den boze. Ik meen, dat de naaste en de naastenliefde betekenen: Indien iemand hulp van node heeft en ik constateer dit, zal ik hem die hulp geven naar mijn beste vermogen en in zoverre dit noodzakelijk is. Indien iemand lijdt, zal ik trachten dit lijden te verzachten en hem te troos­ten voor zover dit in mijn vermogen ligt. Het is mijn benadering van de ander, waardoor ik tegemoet kom aan de verantwoordelijkheid, die ik in mijzelf erken als deel van de totaliteit tegenover alle andere delen daarvan. Daar, waar er een contact tussen de delen bestaat, al is dit maar in een erkenning of in een vraag, bestaat de verhouding tot de naaste. Maar ik kan me voorstellen dat er gevallen zijn, waarin je beter niet kunt helpen; waardoor iemand beter op eigen benen kan leren staan, als je niet helpt. Als u dit als zodanig erkent en u helpt toch, dan gaat u toch in tegen uw eigen begrip van mensenwaarde?

*  Dat negatief opvallen, waarover u sprak, zijn onze nozems daarvan een uitvloeisel?

Ik kan u zeggen, dat niet alleen de nozems hiervan een negatief verschijn­sel zijn, maar ook vele militairen. Niet alleen de mannetjes met baardjes, maar ook de mensen in vrome pijen. Dit verschijnsel neemt steeds nieuwe vormen aan. Het zich willen onderscheiden van de ander in een zeker verzet tegen die ander of een poging om die ander te beheersen is zo oud als de wereld en ontstond reeds toen de eerste medicijnman zich met een masker omhing om zo zijn verschil van de mensheid tot uit­drukking te brengen.

*  Bent u niet van mening, dat uw rede de gehele wereldorde aantast?

Indien ik van mening zou zijn, dat mijn rede de werkelijke wereldorde zou aantasten, zou ik haar zeker niet hebben uitgesproken. Als u meent, dat zij de illusie van orde, die de mens op de wereld tracht te scheppen en zelf voortdurend breekt, hierdoor aantast, dan heeft u gelijk. De resultaten van de z.g. wereldorde, die de mensen scheppen, zijn dag in dag uit overal kenbaar, zowel aan de lijken op de grote verkeerswegen waar mensen hun temperament niet konden beheersen, in oorlogen, als ook in de krotten waar mensen psychisch en vaak lichamelijk kunnen verrekken, omdat andere dingen belangrijker zijn. De wereldorde, die ik aantast, is de wereldorde van het georganiseerd egoïsme, dat zich als een humaan socialisme op een door God geleid vrijzinnig zijn meent te mogen manifesteren. Maar dit is niet de werkelijke wereldorde. De werkelijke wereldorde is er een van vrijheid en van persoonlijke verantwoordelijkheid. Het is er een, waarin je zelf moet groeien en waarin niemand je tot iets kan maken. Je moet zelf leven; Niemand kan voor jou leven. Je moet zelf ondergaan. Niemand kan voor jou ondergaan. Een maatschappij, die deze dingen probeert opzij te schuiven, mag zich een wereldorde noemen, in mijn ogen is ze slechts een schijnbaar nog strak geformeerde aankondiging van een komende chaos. Neemt u mij niet kwalijk, dat ik mijn oordeel zo fel formuleer.

*  U had het in uw rede erover dat wij onze eigen maatstaven moesten aanleggen. Maar hoe zou het anders moeten?

Indien u uw eigen maatstaven voortdurend hebt aangelegd, volgens uw gewe­ten, besef en erkenning van de feiten, zonder emotionele interpretaties, dan behoeft er niets te veranderen. Maar indien u zich laat domineren door de mening van anderen, indien u zich opvattingen laat opdringen, die niet op feiten zijn gebaseerd, indien u zich door leuzen en strijdkreten in uw persoonlijk bestaan laat domineren, dan meen ik dat het tijd is, dat u eerst eens zelf kijkt, dat u niet de wijsheid van anderen a priori aanvaardt maar hoogstens hun vakkennis, dat u erkent dat een pastoor, een dominee, een rabbi of iemand anders, die u vertelt wat God wil net zo dicht bij God staat als u en net zo ver daarvan af. Indien u erkent dat alle leuzen, die niet onmiddellijk met een feit, dat voor u op dit punt direct geldt te maken hebben, van nul en generlei waarde zijn, dan zult u ontdekken dat u uw leven gemakkelijk kunt bestemmen en dat u in staat bent uw eigen normen te stellen op een wijze, die voor uzelf volledig juist en aanvaardbaar is en zelfs zonder dat u zich hierdoor tegenover anderen op enigerlei wijze schuldig maakt.

*  Zoudt u ook nog eens een definitie van de ziel willen geven? Heeft deze ziel geen actieve functie in ons leven?

Een moeilijke vraag. Als ik de ziel moet definiëren, dan kan ik zeggen; De ziel is de goddelijke kracht, behorende tot het Goddelijke, die tot uiting komt binnen het tijdelijk daarvan gescheiden ego en zo de dragende kracht is van het bewustzijn, dat zich geest noemt en de levengevende kracht van al hetgeen, waarin die geest zich openbaart, ook het lichamelijk voertuig. Indien u mij vraagt: Definieer dit verder, dan moet ik zeggen: Ik kan het niet. Dit zijn de feiten. Hierover moet u zelf nadenken, aangezien die feiten voor u, althans voorlopig nog, axioma’s zijn; en een axioma is niet onomstotelijk waar.

*  Beschouwt u de Tien Geboden ook als leuzen?

Ik beschouw ze inderdaad als leuzen; en als zodanig zijn ze gebruikt. De Tien Geboden op zichzelf zijn een uitdrukking van vele menselijke waarden binnen een maatschappij. Een drietal daarvan zijn verder de definitie van de ver­houding tussen God en de mens. Deze definiëren een geloof. Maar indien je dit geloof niet innerlijk als waar erkent, zijn zij leuzen. Wat de andere geboden betreft, kunnen wij zeggen: Daar zij in interpretatie reeds zo vaak zijn veranderd, ofschoon de woorden gelijk zijn gebleven, zijn zij inderdaad eveneens ledige leuzen. Een mensheid, die zich daarop baseert maar achter het “gij zult niet doden” onmiddellijk zegt “behalve, onze vijanden”, die maakt voor mij van iets, wat zij een goddelijke wet noemt, alleen maar een belachelijk spel van woorden. Als de mensheid gelooft in die God en in die wetten, volledig en naar de letter en ze zonder interpretatie waar maakt, dan ben ik bereid te zeggen, dat hier een uitdrukking is gevonden van een bewustzijnswaarde van hogere orde, die kan gaan tot een harmonie met het Goddelijke. Maar zolang de Tien Geboden hier op aarde als een soort boeman worden gebruikt en als een rationalisatie van een menselijk gedrag dat in wezen ‑ en dat weet een ieder – volledig onjuist en huichelachtig is, zijn het leuzen en verder niets. Neemt u me niet kwalijk, dat ik ook dit misschien iets harder en bitterder zeg dan passend is; maar zo voel ik het.

*  Gebeurt de “ik”‑vorming pas na de geboorte of is het hetzelfde “ik”, dat voor en na het stoffelijke leven bestaat? Of is het “ik” soms een illusie?

Het stoffelijk “ik” ontstaat ongeveer 3 á 4 maande voor de geboorte en ontwikkelt zich. Dit is niet het bezielende “ik” of zo u wilt zeggen de geest. Deze geest is voor de geboorte en na de dood dezelfde, met dien verstande, dat zij in ervaring verrijkt kan zijn gedurende het leven. De ziel is altijd dezelfde.

*  Maar is het “ik”‘, dat we nu hebben dan hetzelfde “ik”. Ik begrijp het nog niet goed.

Het “ik”, het ware “ik”, dat u nu bezit, is hetzelfde dat er was voor uw geboorte en dat er zal zijn na uw dood. De illusie omtrent uw “ik”, die u thans koestert, is inderdaad alleen een illusie. Ik ben dankbaar voor uw verdraagzaamheid. Ik zou voor een dergelijke verklaring niet zo dankbaar geweest zijn.

*  Zoals u zei: Het gebeurt soms, dat de geest bij de mens ingrijpt. Staan deze twee dan tegenover elkaar? En goed is het dan toch alleen maar als de geest het overleeft? Kan de geest dan niet helemaal overnemen?

Wat het laatste betreft, daarop weet ik geen antwoord. De mogelijkheid zou kunnen bestaan, maar ik meen dat het hierdoor voor de geest noodzakelijk zou zijn om zich buiten de stof mede te oriënteren t.a.v. de wereld en dat hierdoor de zin van haar leven in de stof teloor zou gaan. Dit is echter een persoonlijke mening. Ik geloof, dat de geest die voort bestaat haar ervaringen juist opdoet doordat zij in een beperkte werkelijkheid leeft, die haar dwingt verhoudingen te zien in het kleine, zodat zij ‑ microkosmisch bewust geworden ‑ macrokosmisch bewust kan worden.

  • U had het over eigen belangrijkheid. Hoe belangrijk is u eigenlijk?

Een mens, die zich bewust is van zichzelf, beseft dat hij absoluut niet belangrijk is. Want geen mens op aarde is op enigerlei wijze onvervangbaar en uniek, op welk gebied dan ook. Alles wat hij is en kan, kan een ander zijn en kunnen. Het feit, dat men tijdelijk een bepaalde functie uitoefent of een bepaalde prestatie levert, geeft dus geen belangrijkheid. Indien u dit beseft, dan zult u met mij zeggen: De mens mag zichzelf niet belangrijk vinden binnen het geheel. Hij zal zichzelf belangrijk vinden als levensuiting, omdat de belangrijkheid van zijn stoffelijk bestaan is gelegen in de vervulling van zijn mogelijkheden, die mede bepaald werden door de geest, die hem bezielde. U bent belangrijk als werktuig van de geest. U bent onbelangrijk als mens.

*  Geldt dit ook voor de geest?

Dit geldt ook voor de geest. Ik ben onbelangrijk, want wat ik hier zeg, zou een ander ook kunnen zeggen en als het noodzakelijk was, zou hij het ook zeggen. Mijn belangrijkheid ligt in het feit, dat ik leef en besta en in mijzelf tot een erkenning kom van datgene, waaruit ik besta. Dat is mijn enige belangrijkheid. Geesten zijn er te over. De enige belangrijkheid van mijn bestaan is, dat ik besta en in dit bestaan waar maak, dat ik besta. Dat kan ik alleen door de bron van mijn bestaan te erkennen.

*  Belangrijkheid heeft toch ook altijd te maken met belangrijk zijn voor iets.

Belangrijk zijn voor iets, is een beoordeling van een situatie, die beperkt is zowel in ruimte, in tijd als in mogelijkheid. Daar ons wezen tot de oneindig­heid behoort, kan een dergelijke belangrijkheid voor ons niet feitelijk bestaan. Zij behoort dus tot onze illusies. Daar, waar wij ons wezen waar maken en zo goed mogelijk uitdrukken, zijn wij echter voor onszelf belangrijk, aangezien wij in onszelf de erkenning van de kracht, die ons voortbrengt, mogelijk maken.

*  Ik wil graag weten, of een abortus provocatus ongeoorloofd is.

Ik kan me niet voorstellen, dat het, in het onderwerp direct past, maar het hangt met het leven samen. Abortus provocatus is m.i. niet ongeoorloofd, indien de ontwikkeling van het wordende leven nog niet zodanig is, dat een volledige binding met de geest is ontstaan. Dit betekent m.i., dat zij ongeveer 2 maanden na het begin der zwangerschap absoluut geoorloofd is, dat twijfel zou moeten bestaan t.a.v. de 3e maand en dat het daarna dus altijd een kwestie is van het doden van een kind. Hierbij mag dan gelden, dat dit geoorloofd is op het ogenblik, dat het bestaan van de moeder daardoor wordt bedreigd; en wel omdat de moeder voor zich het recht heeft om haar ingeschapen instinct tot zelfbehoud te volgen. Tegen de wil van de moeder acht ik het in deze situatie niet geoorloofd.

Vrienden, ik geloof dat wij kunnen gaan sluiten. Ik heb u misschien een beetje hard aangepakt bij de vragenstelling, maar ik geloof dat het beter is de dingen zo scherp mogelijk en zo hard mogelijk te zeggen.

********************

De wereld van de mensen is nu eenmaal doordesemd met vele illusies. Een van de grootste illusies is, dat bv. een wet (ik denk aan de Tien Geboden) haar waarde aan zichzelf kan ontlenen. Maar in zichzelf is zij zinloos; een tal woorden. Zij wordt pas waar, indien zij geleefd wordt. Een wet, die niet geleefd wordt en toch verkondigd, is kennelijk een leuze. Ik heb dat reeds duidelijk gemaakt. Zo is het met vele zaken in uw leven. U verkondigt veel dingen en u houdt u uiterlijk aan veel dingen, die innerlijk niet waar zijn en innerlijk niet geleefd worden. In uw totale bestaan is dit begrijpen. Het behoort tot het mens‑zijn. Maar indien u uw mens zijn volledig waar wilt maken, dan zult u juist die dingen moeten overwinnen.

Dat ik de interpretatie heb aangevallen, lijkt misschien dwaas. Maar de feitelijke observatie, die dus niet selectief is, geeft een veel juister beeld van een situatie en zij maakt een veel juistere reactie mogelijk. De fout van de mens is niet, dat hij toch interpreteert, ook dit is zijn wezen eigen. Zijn fout is, dat hij met een interpretatie begint, voordat hij de feiten ook maar heeft beschouwd.

De mensheid in deze wereld is aan het veranderen. Het menselijk leven in al zijn facetten ondergaat sterk ingrijpende wijzigingen, die zowel van geestelijke als van meer materiële geaardheid zijn. De mensheid als geheel groeit naar een noodzaak tot rijpheid toe. Zij kan proberen haar puberteit nog langer te handhaven, maar dan zal zij in haar blinde strijdlust zichzelf vernietigen. Zij kan haar strijdlust overwinnen en haar bereiken als geheel voorop stellen. Dat wil niet zeggen, dat dit de meest juiste weg is. Er is een juistere trap (ik heb het in mijn inleiding gezegd), maar het betekent wel, dat zij dan tenminste verder gaat, dat zij evolueert. Ik zou zeggen, dat zij dichter bij haar waarheid gaat leven.

Alle aspecten van het leven samenvoegen tot een erkenning: ik ben, ik leef. Mijn leven mag nimmer zijn: een strijd met het andere. Mijn leven mag nimmer zijn, een onderwerping aan het andere. Het moet een uitdrukking zijn van mijzelf.

Alle wetten, die mij daarin belemmeren, zijn geen wetten. Alle krachten, die mij hiervan willen terughouden, zijn geen goddelijke krachten. Maar het licht, dat ik in mijzelf erken en dat ik oprecht, eerlijk en bewust waar maak, dat is de zin van het leven.

De zin van het leven is wel het belangrijkste aspect ervan. U kunt steeds vrijer, steeds bewuster leven en beleven, indien u begrijpt, dat de zin van uw bestaan is; het ervaren en bewust worden; niet het u zonder meer onderwerpen, noch het zonder meer anderen verwinnen.