Fantasie: brug naar de werkelijkheid

uit de cursus ‘De innerlijke weg’ (hoofdstuk 4)- januari 1984

Fantasie: brug naar de werkelijkheid

U weet allen wat fantasie is. Kinderen fantaseren. Grote mensen fantaseren. Politici fantaseren. Wie doet dat niet. Toch zijn er een paar dingen die men wel over het hoofd ziet, als men de fantasie zonder meer terzijde wil schuiven als een vlucht voor de werkelijkheid of een poging om anderen te amuseren. Want voordat een uitvinding wordt gedaan, moet er iemand zijn die daarvan droomt.

Er zijn duizend‑en‑één dingen ook nog mogelijk in deze tijd die ‑ voor zover je ze nu kunt bezien zelfs vanuit wetenschappelijk standpunt ‑ fantasie blijven. Er bestaan bv. motoren die een “permanent trust” (een druk in één richting) bij voortduring kunnen uitoefenen. Die motoren zijn een keer gemaakt. De uitvinder ervan is gestorven en heeft het werkelijke geheim van zijn model nooit verraden. Men weet dus wel dat het er geweest is, maar iedereen zegt: Je kunt het niet nabouwen, want het model is verloren gegaan. Dat is onzin.

Die man was een fantast. Degenen die eraan geloven zijn ook fantasten. Tot het ogenblik, dat een van hen zover komt dat hij helemaal buiten de regels gaat denken die in uw wereld en in uw werkelijkheid nu eenmaal gelden. Dan kan hij misschien dat kleine onderdeel van het motortje vinden waardoor inderdaad ‑ en nu met een model ‑ kan worden bewezen dat ‘Permanent trust’ (Permanente stuwkracht in één richting) door een motor zonder meer kan worden geleverd, en dit zonder (dit moet ik erbij zeggen) dat er eerst explosies e.d. aan vooraf gaan. Je kunt het met een geringe elektrische stroom laten lopen.

Dat wil dus zeggen: fantasie is eigenlijk niet alleen maar fantasie. Fantasie is het overschrijden van de algemeen erkende werkelijkheid.

Wij allen fantaseren, dromen, dagdromen: wat zou het leuk zijn als dit, of dat soms gebeurde. Is er iemand onder u die nog nooit erover bezig is geweest wat hij zou doen, als hij de honderdduizend zou winnen? Dan bent u namelijk een uitzondering. Dus wij dromen. Maar onze dromen kunnen weleens uitgaan van iets wat waar is.

Op het ogenblik, dat u begint met geestelijk leven en geestelijk werk, esoterie zelfs, dan moet u zich wel realiseren dat dat begin voor een groot gedeelte fantasie is. Het is niet waar. Het is zelfs redelijk gezien niet de wereld waarin u leeft en de feiten die daaromtrent bekend zijn. Maar in jezelf voel je dat het waar is. Zolang je daarin blijft berusten, gebeurt er verder niets, dan blijft het eenvoudig onwezenlijk, onwaar. Op het ogenblik echter, dat je vanuit de fantasie gaat proberen iets waar te maken, kom je in een toestand te verkeren waardoor je het onmogelijke tegen alle theorieën en alle erkenningen in kunt waar­maken. Op dat moment houdt de fantasie op fantasie te zijn en wordt ze werkelijkheid.

Het is gemakkelijk genoeg te fantaseren dat je een direct inner­lijk contact met God hebt. Dat zal in 9 van de 10 gevallen wel een fantasie blijven. Die God is een projectie van je eigen persoonlijkheid. Je houdt een dialoog met jezelf en je geeft jezelf een kosmisch stem­pel van goedkeuring voor de dingen die je zonder dat zeker niet zou durven doen.

Stel nu eens, dat je naar die God gaat luisteren, dat je God geen woorden in de mond legt, maar dat je werkelijk dat contact als een aanwezigheid ervaart en dat zich daaruit een boodschap kristalliseert. Stel je dan ook nog eens voor dat je aan de hand van die boodschap anders reageert in de wereld dan je normaal zou doen met gevolgen die dus onlogisch zijn, niet voorzienbaar op welke manier dan ook volgens je wereld en dat je dat kunt herhalen. Dat is ook belangrijk. Dan ben je gekomen op een punt waarop je voorstelling van God misschien nog fantasie is, maar het contact met God een werkelijkheid representeert.

Het is duidelijk, dat heel veel mensen erg bang zijn voor fantasie. Ook in de godsdienst, in de wetenschap, in de religie. Al is het maar omdat het zich onttrekt aan alle gevestigde regels.

Als een mens een feit kan bewijzen dat buiten alle erkende feiten en theorieën ligt en hij kan het metterdaad en bij herhaling bewijzen, dan zal men in het begin doen alsof het er niet is. Maar er komt een ogenblik dat men al zijn theorieën omvergeworpen ziet en dat men op een geheel nieuwe manier moet verdergaan. Laten we maar eens denken aan Pasteur.

Pasteur was in zekere zin een fantast. Hij droomde van een oorzaak die gevonden kon worden en wel aan de hand van een miltvuur‑epidemie bij schapen. Door deze droom ging hij onderzoeken. Door het onderzoek kwam hij tot het erkennen van sepsis (besmetting) en als gevolg daarvan ontwikkelde hij zijn theorieën van asepsis, dus ontsmetting. Hij kwam tot theorieën die o.m. geleid hebben, tot het nu nog bekende pasteuriseren. Al die dingen bij elkaar zijn misschien 20 jaar door alle deskundigen bestreden. Tegenwoordig is er niemand meer die twijfelt aan de waarheid.

De geneeskunde maar ook de verwerking van voedingsmiddelen, zelfs het gewone leven van die mens is helemaal veranderd, alleen omdat Pasteur bestaande theorieën en aanvaardingen eenvoudig opzij heeft gezet. Dit voorbeeld zal u voldoende moeten zijn om u aan te moedigen zo nu en dan dagdromen te durven fantaseren.

Fantasie is ook wanneer je de innerlijke weg gaat zeker weleens noodzakelijk. Als je alleen van klinische feiten, van logische beredeneringen zonder meer uitgaat, dan loop je elke keer vast. Maar als je durft dromen en gelijktijdig niet probeert je fantasie ‑ en je droom helemaal in je macht te houden, dan komt er een moment dat je heel dicht bij de werkelijkheid komt te zitten. Dan bouwt de fantasie a.h.w. een brug van de men­selijke werkelijkheid naar een meer omvattender werkelijkheid.

De voorwaarde blijft bestaan dat u er wat mee moet doen. Als u zegt: ik heb kracht nodig en u krijgt die kracht ‑ onverschillig hoe ‑ dan kan de wijze waarop u het zich voorstelt fantasie zijn, maar de kracht ontstaat. De kracht is de werkelijkheid. Deze kracht kan niet verstandelijk omschre­ven worden, dientengevolge zijn de redelijke omschrijvingen onjuist. Ik hoop dat u het tot zover mee eens kunt zijn.

Nu gaan we proberen om met fantasie als voorbeeld een brug te bouwen naar een andere werkelijkheid. Wat ik zeg is niet redelijk, het is allemaal geloof. Misschien is het zelfs dat niet, maar alleen een wensdroom.

In mijn denken ben ik ongelukkig op deze wereld. Maar ik ben niet werkelijk ongelukkig, want ik heb het leven. Het leven is in mij. Het is een stralende kracht. Daar kan ik wat mee doen.

Die stralende kracht wordt groter en groter. Ik ga die kracht op mijn wereld richten. Ik ga mijn wereld veranderen. Ik kijk met die kracht in mijn blik naar de dingen. Wat lelijk is, wordt mooi. Wat er niet zou moeten zijn, verdwijnt. Wat er zou moeten zijn, verschijnt. Ik richt opnieuw een huis in. Ik laat de vervuiling van een straat of uit een park verdwijnen. Ik laat de planten bloeien, desnoods midden in de winter. Het gekke is dat ik er vanbinnen warm door word.

Die beelden hebben niets met de werkelijkheid te maken; het zijn wensdromen. Ik voel in mij op een gegeven ogenblik het idee: het zal allemaal wel waar zijn. Als ik mijn ogen nu nog niet opsla, dan zal het waar zijn. Op dat ogenblik moet ik mijn droom stilzetten. Het heeft geen zin verder te fantaseren, wanneer het eerste contact in je tot stand komt.

Nu wordt in mij steeds meer kracht, steeds meer gloed kenbaar. Ik zeg nu: met dat licht kan ik veel doen. Laat mij eerst maar eens in dat licht naar mijzelf kijken. Dan zie ik mijzelf heel anders dan ik tot nu toe heb gedaan. Zaken als schuldgevoelens, schuldbewustzijn, die bestonden, zijn misschien allang weg, ze verdwijnen gewoon als sneeuw voor de zon. Aan de andere kant zijn er een hoop dingen die opeens veel minder mooi zijn. Op deze manier bouw ik verder. Ik laat gewoon de wereld a.h.w. op mij afkomen. Dan verandert mijn werkelijkheidsbesef maar ook mijn ik‑besef.

Ik ga nu dingen beleven en ondergaan die helemaal buiten de stoffelijke werkelijkheid liggen. Dat kan het betreden van een andere wereld zijn (daar zullen we later wel meer over zeggen). Dat kan zijn een contact met personen die dood zijn of die we nooit hebben gekend. Het kunnen contacten zijn op grote afstand, over de gehele wereld. Men spreekt als het ware met ons. Wij ervaren dingen. Het is bijna of er veranderingen zijn van een lijfelijke aanwezigheid zelfs. Als ik dan weer terugkeer uit mijn droom, naar de werkelijkheid, dan blijft mij het gevoel bij dat ik ze heb ondergaan. Hierdoor heb ik een bruggetje gebouwd krachtens die fantasie naar een totaal andere harmonische mogelijkheid.

Als je de mensen op een normale manier bekijkt, dan maak je natuurlijk onmiddellijk de grote fout. Zij zeggen dan bv.: Ik heb toch zo lekker gedroomd, en nu zit ik weer in de ellende. Dat is zeker waar.

Als u naar de ellende kijkt, dan dooft het licht. U stemt zich dan weer af op de gewoonte waarmee u uw wereld beleeft en bekijkt. Maar stel nu eens dat u dat niet doet, dat u zegt. Nu is dat licht er, die kracht is er en die zal overal weerkaatsen. Misschien niet zoals mijn fantasietje, in mijn droom, maar overal zal er iets veranderen. Dan ga ik mijn wereld met andere ogen zien. Dit is erg belangrijk.

Doordat ik mijn wereld met andere ogen ga zien, ga ik andere delen van mijzelf herkennen. Ik leer niet alleen mijzelf beter kennen, maar ik leer gelijktijdig andere krachtsverhoudingen tussen mij en de wereld. Er zit een tweede werkelijkheid achter de werkelijkheid die ik besef. Als je deze stap hebt gezet, kom je waarschijnlijk op den duur in de richting van het zgn. opbouwproces.

Een opbouwproces betekent dat je steeds weer één bepaald fantasiebeeld opwekt. Dat doe je dan niet globaal met mooie landschappen (een soort psychedelische opera in fantastische termen) maar je bouwt a.h.w. hele figuren op. Je bouwt misschien een helper, een dienaar op of misschien een weg naar een andere wereld. Dat blijf je herhalen keer na keer.

Dan komt er een ogenblik, dat datgene wat je hebt opgebouwd, het is en blijft fantasie, voor jou volledig werkelijk wordt. Wat zien we dan?

Die dienaar die voor mij werkelijk is, zal feitelijk taken voor mij verrichten zonder dat ze mij kunnen vermoeien. De brug die ik heb gebouwd is voor mij de mogelijkheid geworden om binnen te gaan in een andere wereld of om boodschappen, waarnemingen of een persoon uit een andere wereld zonder meer te ontvangen. Ik heb alweer mijn fantasie gebruikt en daar­mee beelden opgebouwd. Die beelden heb ik nodig, maar slechts een beperkte tijd, want u weet hoe bedienden zijn.

Een bediende is iemand die in het begin alles doet wat je hem vraagt, maar op den duur je gaat vertellen wat je hem moet vragen. Als we op dat punt zijn gekomen, zou de relatie kunnen veranderen, dan zou de meester in feite de slaaf kunnen worden van zijn dienaar.

Op dat ogenblik zeggen we: “je bestaat niet” elke keer als we hem zien. Alweer een fantasie, een suggestieproces. Wij breken dan die persoon­lijkheid af. Wat blijft er nu over? De vorm is verdwenen, maar de kwali­teit waarmee onze bevelen werden uitgevoerd blijft bestaan, want wij heb­ben die altijd zelf gegeven.

Wij hebben nu ineens buiten ons een manipulatiemogelijkheid gekregen die niet stoffelijk is en die niet aan stoffelijke beperkingen onderhevig is. Denkt u maar aan verschijnselen als telekinese. Dat is een simpel voorbeeld ervan. We kunnen nog veel verder gaan.

Met de brug is het precies hetzelfde. Als wij elke keer weer naar dezelfde brug toegaan, dan wordt het tijd te zeggen: “Die, brug bestaat niet, die brug is er niet”. Maar als de brug verdwijnt, blijft ons contact met de andere wereld waarin we haar hebben gebouwd wel bestaan. Alleen, nu is er niet meer het idee van één enkele weg. De contacten verveelvoudigen zich, ze gaan meer omvatten.

Toch is het allemaal begonnen met fantasie, met een droom die niets met die werkelijkheid te maken heeft, die tegen de feiten in gaan misschien. Wij hebben gewoon onze eigen persoonlijkheid, ons eigen wezen, onze eigen kracht ontwikkeld. Wij hebben dat gedaan op een zodanige manier dat niemand kan zeggen: Dit is waar en dat is niet waar. Wij kun­nen alleen maar zeggen: Als gevolg van een proces is een nieuwe erkenning, een nieuwe mogelijkheid voor ons tot stand gekomen.

Nu moeten wij proberen om die fantasie ook weer aan bepaalde re­gels te binden. Want in het wilde weg fantaseren komt over het algemeen neer op een scheppen van een compensatie voor alles wat voor ons ver­keerd zit in de wereld. Dat hebben we nu juist niet nodig, want die wereld is wel degelijk een werkelijkheid waarmee we te maken hebben. Dat geldt voor u in uw wereld en net zo goed voor iemand in een sfeer die een dergelijke procedure ook probeert te gebruiken al heet het dan heel deftig een meditatief proces. Dus wat doen wij.

In de eerste plaats: Onze fantasie wordt gericht op een bepaald doel. Wij kiezen altijd een hoofdbestemming uit. Al is het maar bij wijze van spreken dat u de zure regen wilt weg hebben of misschien alle regen wilt laten verdwijnen, wat ik mij nu kan voorstellen. Wij bouwen dus vandaaruit op. Alles wat wij fantaseren, moet met dit denkbeeld in verband staan. Daardoor scheppen wij een basis voor de fantasie met een gerichtheid.

In de tweede plaats. Je speelt dus niet voor superman etc. Je bent deel van het gebeuren. Met je gedachten vorm je wel het gebeuren, maar je blijft er een onderdeel van. Je bent zelf nooit een daar buiten staande factor. Ook dat is belangrijk. Op het ogenblik, dat ik mij daarbuiten stel blijft de fantasie voor mij fantasie. Het is geen proces waarvan ik deel ben, maar een proces dat ik buiten mij voortbreng. Daarvan kan ik nooit veel leren omtrent mijzelf en bovendien zal ik die beïnvloedingen van het proces niet voldoende ondergaan. Als zodanig zal ik bij mijn fan­tasie, mijn droombeeld blijven, zonder wezenlijk in kwaliteit, in afstemmingsmogelijkheid veranderingen te ondergaan die wenselijk zijn.

In de derde plaats zullen we de fantasie altijd opbouwen van een zo eenvoudig mogelijk beeld uit. Dus als u een bediende in de geest opbouwt, dan neemt u mijnentwege een plaatje van een butler en u bouwt een butler op. U visualiseert dat elke keer totdat hij voor u concreet wordt. Probeer niet om er engelen van te maken, want de meeste mensen op aarde weten niet eens wat een engel is. En als ze denken dat ze het weten, dan blijkt later heel vaak dat er toch een duiveltje achter zit. Dus u bouwt op vanuit een simpel beeld.

Als u een brug wilt bouwen, dan is het niet nodig om u eerst een ravijn voor te stellen en eventueel toevoer‑ en afvoerwegen. Het is alleen belangrijk dat u die brug ziet, verder niet. Beperk u zoveel mogelijk tot één begrip. In de fantasie is het mogelijk om één begrip voor ons een zodanige werkelijkheid te geven dat wij daarmee kunnen werken dat het voor ons een voortdurende invloed is. Wij kunnen echter nooit een wereld of zelfs maar een deel van een wereld opbouwen zonder deze steeds weer te verliezen op het ogenblik, dat wij met onze eigen wereld, onze eigen werkelijkheid worden geconfronteerd.

In de vierde plaats: Laten we ons in onze fantasieën niet richten op anderen. Het is heel erg gemakkelijk om een bepaalde figuur, een bepaalde persoon, macht of positie te betrekken bij de fantasie. Daarmee gaan we weer de zaak te veel bepalen.

Laten we gewoon maar fantaseren over de brug zonder ons af te vragen welke grenzen, muren of wanden worden verbonden door die brug. Laten we denken aan de dienaar niet in de vraag: Wat kan die dienaar allemaal voor ons doen? Maar gewoon: Dit is een dienaar. Alweer, beperking. Hoe meer wij het beeld van onze fantasie beperken, des te gemakkelijker daaraan nieuwe waarden worden toegevoegd.

Wanneer er een harmonie bestaat tussen een fantasiebeeld en bv. een deel van een geestelijke wereld, dan zal juist omdat die fantasie beperkt en eenvoudig is, die andere werkelijkheid daaromheen zich beter kunnen manifesteren. Er ontstaan voor ons steeds wisselende beelden maar we hebben een houvast. Op die manier kunnen we dus werkelijk met fantasie bruggen bouwen naar andere werelden, maar evengoed naar totaal andere bewustzijnstoestanden.

Een mens kan zijn denken maar ook zijn geheugenprocessen heel sterk beïnvloeden. Dat kan hij doen door een fantasieproces. Het is natuurlijk dwaasheid dat je een boek onder je hoofdkussen kunt leggen en dat je dan alles weet wat daar in staat. Het is althans ook nog onzin dat, als je in de slaap zachtjes een bepaalde tekst maar voortdurend afdraait, je als je wakker wordt die tekst ook kent. Daarvoor zijn andere meer rationele processen noodzakelijk. Maar er is wel iets anders.

Als ik zéker ben dat ik die tekst ken zonder dat ik die feitelijk ken en ik blader het boek door, dan zal ik zoveel in mij opnemen van de inhoud dat het lijkt of ik een groot gedeelte van het boek inderdaad tijdens de slaap heb opgenomen. Het doorbladeren van het boek is echter belangrijk. Ik verscherp dus mijn capaciteit tot erkenning. Ik vergroot mijn mogelijkheid tot opnemen.

Ik wil niet zeggen, dat u op die manier zonder meer een fotografisch geheugen krijgt. Maar t.o.v. een punt waarop u zich heeft gericht, kunt u die kwaliteit tijdelijk zodanig ontwikkelen dat het geheugen alle daarmee in verband staande feiten opneemt, alsof u een fotografisch geheugen zou hebben. Daarvoor is het noodzakelijk dat u natuurlijk het onderwerp waarover u wat wilt weten belangrijk vindt.

Ook is belangrijk, dat u in u een zekerheid opbouwt dat de inhoud van dat boek of van de kennis of van wat dan ook geheel in u overgaat. En dat is allemaal nog net geen feit; maar het blijft fantasie. Maar als u kort na de fantasie bij voorkeur, wordt geconfronteerd met een deel van die kennis, dan blijkt dat u die absorbeert als een droge spons een plas water. U neemt dus veel sneller op.

Fantasie is op zichzelf zeker vaak een tweesnijdend zwaard. Wij kunnen ons door onze fantasie van de werkelijkheid verwijderen. Als we dan niet terugkeren, dan maken wij het voor onszelf heel erg moeilijk zowel in uw wereld als in de onze. Maar als we altijd een cirkelredenering vormen en dus steeds de fantasie met haar consequenties, betrekken op onze eigen wereld ‑ al gaat het maar om één feit, één persoon, één mogelijkheid daarin ‑ dan hebben wij een ver­binding tot stand gebracht tussen die onbekende waarden en krachten die in ons leven en onze huidige werkelijkheid. En daarmee verschaffen wij ons de mogelijkheid ‑ met veel zoeken en zwoegen vaak ‑ om meer te presteren, meer te zijn, meer te beseffen.

Als ik dat allemaal zo vertel, dan lijkt het alsof ik bezig ben om een praktisch lesje te geven: Hoe kan ik met mijn fantasie wat doen? We zijn echter bezig met de innerlijke weg. De innerlijke weg is de weg naar jezelf.

Hoe kun je ooit jezelf worden, als je niet eens de capaciteiten en kwaliteiten die je werkelijk bezit uit en door jezelf kunt openbaren? Het gaat erom dat we het zelf vinden. Want alle krachten die wij gebruiken, alle vergroting van capaciteit tot opname is deel van onszelf, maar van een deel dat wij niet kennen.

Hoe meer wij de kwaliteiten en mogelijkheden van ons wezen weten in te schakelen, hoe vollediger wij leren die te gebruiken. Hoe meer wij onze contacten, ook met andere werelden waarvan we toch ook deel uitmaken, weten tot stand te brengen en als normaal te beleven, hoe beter wij onze volledige persoonlijkheid benutten en leren kennen wat wij in wezen zijn in de totaliteit. Pas als wij dat allemaal beseffen, kunnen wij langs de innerlijke weg komen tot het feitelijke bereiken.

Een bereiken, dat niet alleen betekent dat we in één leven een paar leuke occulte kunstjes kunnen vertonen, maar wat ook betekent dat wij in alle werelden, in elke werkelijkheid kunnen beschikken over alle kwaliteiten van het ik, zodat het ik steeds meer werelden gelijk­tijdig kan omvatten, steeds grotere samenhangen kan overzien en einde­lijk misschien vanuit een eigen Godsbeeld komt tot de beleving van iets wat werkelijkheid is, ook al zal het niet aan een omschrijving beantwoorden.

Zoeken naar leven is niet alleen maar het zoeken naar bestaan. Wij hebben het al meer gezegd: Leven is bestaan plus beleven. Het is een verandering. Je kunt niet zeggen, dat je werkelijk bewust leeft, als je alleen maar vreugde of alleen maar verdriet kent. Het is de wis­seling tussen beide waardoor het werkelijke van leven, beleven, onder­gaan wordt bepaald.

Als deel van het totale leven kunnen wij eerst in het geheel levende opgaan, indien een deel daarvan beseft kan worden. Wij kunnen er integreren. Wij kunnen er meer deel van worden. Wij kunnen op den duur misschien zelfs beseffen hoe wij binnen een groter geheel, dat wij nog niet helemaal kennen, op onze manier het best functioneel zijn.

Het is dus niet een spelletje van een beetje fantasie en een paar leuke kunstjes. Het is veel meer. Het is een weg naar innerlijke bereiking tot stand brengen. Het is ook langs deze weg zoeken naar een nieuwe werkelijkheid. Als ik met de fantasie speel, dan speel ik met dromen, met onmogelijkheden. Maar als ik speel met onmogelijkheden, zal ik daardoor nieuwe mogelijkheden leren kennen.

Als ik mij een beeld maak van mijzelf als een ideale, edele figuur, dan is de voorstelling die het ik zich maakt (ook het wereldbeeld dat het ik zich maakt) niet waar. Zelfs mijn voorstelling van de wereld en het gebeuren daarin is fantasie. Het is niet waar, het is niet helemaal echt.

Er zijn een hoop dingen die zo onecht zijn dat, als u het zou beseffen, de hele maatschappij in elkaar zou vallen als een gebouw dat in handen is gevallen van de een of andere projectondernemer.

U kunt ook in uw wereld de fantasie niet ontberen. Maar als u de fantasie gebruikt om iets in de werkelijkheid te beleven en te bereiken en u kunt dit ook kenbaar maken (dit is heel belangrijk) in uw wereld, in uw leven en persoonlijkheid, dan moet er ook een kenbaar resultaat zijn.

U heeft daarmee dan een sleutel gevonden waardoor het ik zich in die fantasie ontwikkelt tot een bewustzijn waarin de fantasie steeds meer plaats gaat maken voor de werkelijkheid. De werkelijkheid ontplooit zich tot een besef waarin het ik zijn eenheid (de synthese met het Goddelijke) zodanig gaat beleven dat het daardoor zijn onmacht verliest of gelijktijdig een doelbewustzijn bereikt en een ik‑bewustzijn dat zonder dat niet denkbaar is.

Vragen

  • Wat is het verschil tussen de zelfgeschapen ‘butler’ en een echte entiteit?

Het verschil is, dat u de butler als voorstelling heeft opgebouwd. Onverschillig of er een echte entiteit in schuil gaat of niet (wat mogelijk zou zijn) zal die butler gebonden zijn aan de kwaliteiten, de uitingsvormen en taakverrichting die u daarin heeft gelegd. Met andere worden, het fantasiebeeld is een beeld en niets anders. De krachten echter die het doen bewegen komen uit u voort. Ze kunnen misschien ook voortkomen uit andere bronnen (een entiteit die erachter schuilt) maar zeker in de eerste tijd dat u ermee bezig bent, bent u zelf de motiverende factor.

U bepaalt wat de dienaar is en wat hij doet. Een entiteit daarentegen is altijd zichzelf en zal dus wel ten dele door u mede kunnen worden bepaald, maar nooit qua geaardheid of qua taakverrichting volledig kunnen worden bepaald. Daarin ligt het verschil.

  • Je ontneemt de butler zijn kracht. Ga je dan zijn functie veranderen?

U kunt hem zijn kracht niet ontnemen, want hij is een waanbeeld. Als u goed heeft geluisterd, ik wil het nog kort herhalen: Het is een beeld dat u opbouwt. Op een gegeven ogenblik heeft u zoveel van uw persoonlijkheid of van uw wensleven in die dienaar gelegd dat deze voor u een reële persoonlijkheidstructuur gaat krijgen en dus tegenspel gaat leveren. Op dat moment bestaat het gevaar dat het geprojecteerde deel van het ik het bewuste deel van het ik gaat overvleugelen en gaat bepalen.

Dit nu is niet gewenst. Daarom nemen wij de vorm weg die we zelf hebben opgebouwd. De vorm die voor ons specifiek bestond en dus lang niet altijd voor de wereld kenbaar is of werkelijk is. Door het wegnemen van de vorm geven wij de krachten weer hun oorspronkelijke relatie met het ik terug. Maar de functie, die eens het beeld verrichtte, kan nu worden verricht door deze kracht zonder gestalte en daardoor zonder dat die kracht zich kan verweren tegen haar bron.

  • Kan die kracht in de astrale wereld gestalte krijgen?

Het beeld kan een astrale gestalte krijgen. Maar een astrale gestalte kun je ook afbreken door haar te ontkennen. In feite gebeurt daar dus niets, behalve dan dat u toevoegt aan het geheel dat de vorm kan werden opgebouwd in de astrale materie en als zodanig een belichaming kan krijgen.

Maar daarmee wordt aan de geaardheid van de fantasie niets veranderd.

Het feit, dat ze tastbaar en eventueel voor anderen kenbaar wordt, verandert nog niet de bron waaruit ze stamt, noch de bepaling van kwaliteiten die immers door uzelf is geschied.

  • Hoe lang duurt het voordat je met het opbouwen van een beeld re­sultaat krijgt?

Er bestaat een oude regel afkomstig uit een lama‑klooster, het Klooster van de Zeven Monniken. In de beste tijd waren daar ongeveer 3000 monniken. Deze regel luidt. “Wie zich een dienaar (gestalte) wil opbouwen, kan daarvoor soms een heel leven nodig hebben. Maar hij, die zich volledig daaraan overgeeft, zal dit binnen één maan (28 dagen) tot stand kunnen brengen. Wie zich echter meer dan 3 manen laat dienen door deze geest, zal minstens 100 manen nodig hebben om de kracht te vernietigen!”

Als je echter gewoon de gestalte opbouwt en 1 maan de relatie laat bestaan en daarna het beeld vernietigt, is er niet meer tijd voor nodig volgens deze regel dan 1 maanomloop. U ziet, er zit nogal wat aan vast.

Het is duidelijk, dat dit behoort tot systemen die heel expliciet verklaren hoe alles in elkaar zit en hoe lang het duurt. Een reëel oordeel kan alleen gegeven worden door te vragen: Hoe intens kunt u mediteren? Hoe intens kunt u zich concentreren? Hoe volledig kunt u zich bepalen tot dat ene beeld? Als u dat werkelijk volledig en goed kunt doen, dan neem ik aan dat u, zelfs bij één keer per dag een meditatie van 10 tot 20 minuten, binnen 3 maanden een dergelijke gestalte concreet kunt maken voor uzelf.

Zou u haar tastbaar willen maken, dan zou u dat waarschijnlijk binnen 6 maanden kunnen doen. Maar alweer, laat u niet te lang door de gestalte dienen. Ga er geen discussies mee aan, want op dat ogenblik bent u in dialoog met uzelf, maar verliest u gelijktijdig het gezag voor het deel van uw ik dat u heeft geprojecteerd.

Ik heb u dit alles voorgelegd omdat, als we het ik werkelijk wil­len ontplooien in een nieuwe werkelijkheid, wij in staat moeten zijn om delen van onze oude werkelijkheid te ontkrachten. Daarom heb ik gespro­ken over fantasie als een brug.

Ik hoop, dat u er iets aan heeft. Ik hoop, dat u goed heeft ge­luisterd. Als u de lessen van de vorige keer en van deze keer beide redelijk in praktijk brengt, dan zal ik ongetwijfeld mijn pet afnemen, wanneer u later mij voorbijkomt op weg naar hogere sferen.

Waarheid

De waarheid voor de mens is natuurlijk datgene wat hij liever niet hoort. De waarheid voor de geest is datgene wat hij denkt zolang hij daarin volledig opgaat. Achter alle dingen moet een werkelijkheid schui­len. Die werkelijkheid daar zit je nog weleens mee.

De werkelijkheid van een mens is bv. dat hij eigenlijk maar een klein deel van zijn ik projecteert in het menselijk ik. De bezieling is maar een heel klein gedeelte van het werkelijke ik. De rest zit in andere we­relden, maar is zich daarin tijdelijk onbewust, althans grotendeel onbe­wust van, omdat men geconcentreerd is op dat kleine stukje dat in een lichaam werkt.

Nu kunt u zich voorstellen dat een dergelijke geest wel alle voor­stellingen van die mens als waar, als echt ondergaat en dat hij gelijktijdig toch op een ander niveau denkt: Ja, maar het is niet helemaal zo. Ik denk, ik weet het niet zeker, dat de meeste mensen juist daarom tegen zichzelf verdeeld zijn.

Het is mij opgevallen dat heel veel mensen altijd bezig zijn om zichzelf aan te praten dat een deel van de waarheid niet waar is en dat een deel van hetgeen zij denken, maar dat niet waar is, wel waar is. Zij gebruiken dit om te ontkomen aan een confrontatie met datgene wat zich feitelijk representeert.

Je probeert als mens onbewust je aan te passen aan een geestelijk ik‑beeld dat wel bestaat maar dat hier op aarde zinloos is. Je probeert het dan verder te vertalen in stoffelijke termen. Maar die stoffelijke termen zijn niet voldoende, ze zijn eenvoudig niet aanwezig.

Laten we eens kijken naar een mens die gewend is om in een hoge, lichtende (misschien een wereld zonder vormen) of in een heel lage wereld waarin alle vormen alweer verwaasd zijn, zichzelf te manifesteren. Die mens is daar door zijn gedachten, door zijn leven meester van alles wat er om hem is. Hij selecteert, hij maakt zijn eigen wereld.

Zo iemand wordt nu op aarde geboren. Het begint al direct met de klap op de billetjes, daarna de hulpeloosheid waarbij de natuurlijke voeding, of de vervangende fles nooit helemaal op tijd schijnt te komen en ook de luiers de onaangename kwaliteit van vochtigheid vertonen op een ogenblik dat dat niet prettig is. Zo’n mens leeft in een wereld waarin iedereen hem a.h.w. bepaalt. Hij wordt door een noodlot bepaald.

Hij krijgt er op een gegeven moment genoeg van en probeert er op de een of andere manier onderuit te komen.

De machtsdrang van heel veel mensen lijkt mij voort te komen uit hun onvermogen een scheiding te maken tussen hun geestelijke toestand en wat nu hun stoffelijke werkelijkheid is. Dan is datgene wat ze beleven niet waar. De macht, die ze uitoefenen, bezitten ze niet waarlijk. Ze is niet echt. Ze kan alleen bestaan zolang bepaalde illusies in stand worden gehouden. Aan de andere kant, hun onvermogen (wat ze ook vaak innerlijk ervaren) bestaat ook niet echt. Het kan alleen tot stand komen door hun voortdurende referentie aan regels die zij in de wereld zien zonder dat ze feitelijk bestaan.

Dan is het voor een persoon die op weg is naar zelfkennis misschien wel dienstig om te beseffen dat heel wat drijfveren eigenlijk voortkomen uit iets wat helemaal niet stoffelijk is.

Begint u dit nu niet over te dragen op gebieden als attractie ten aanzien van medemensen. Dat heeft er over het algemeen weinig mee te maken. Soms is het biochemisch, een enkele keer is het geestelijk. Het is gewoon de houding die je aanneemt in het leven. De manier waarop je protesteert tegen dat leven, of ondanks alles je een bepaalde taak, een positie in het leven weet te verwerven, is over het algemeen een verlengstuk van de geest. De waarheid is geestelijk, namelijk deze:

Ik leef in een wereld van mijn eigen gedachten. Hoe meer ik gedachten van anderen in deze wereld kan toelaten en mede verwerken, hoe groter, omvattender mijn wereld wordt, maar gelijktijdig hoe groter mijn invloed wordt op anderen en mijn erkenning van de invloed die anderen op mij uitoefenen. Dus hoe duidelijker de samenwerking, die voor alles belangrijk is, wordt geconstateerd, hoe bewuster het ik, maar ook hoe machtiger het ik is.

In de stof geldt juist: een mens, die zichzelf weet te beperken tot een enkel doel en daarbij geen rekening houdt met iets of iemand anders, die schopt het het verst.

Laat mij dat niet te hard zeggen, want dan komt u tot de conclusie dat degenen, die het op aarde ver brengen, geestelijk over het algemeen niet veel betekenen. Dat is natuurlijk ook niet helemaal waar.

Elke mens zal zijn geestelijk ik als een soort schaduw achter al zijn belevingen, zijn gedachten en zijn daden in zijn leven hanteren. Dan komt daar verder nog bij, dat er relaties zijn die geestelijk hebben bestaan. Het kan voorkomen dat men elkaar in de sferen heeft gekend.

Men heeft gedachten uitgewisseld. Men is tot op zekere hoogte versmol­ten geweest. Men heeft een gemeenschappelijke werkelijkheid beleefd. En dan komt men op de wereld.

Het vreemde is, dat men dan voor zo’n ander die sympathie (soms is het ook een antipathie) gaat koesteren die helemaal niet op feiten berust, dus niet op een menselijke waarheid maar op een geestelijke waar­heid die men zich op dit ogenblik niet eens kan herinneren. Dat is na­tuurlijk erg vervelend, ofschoon soms de gevolgen wel aangenaam kunnen zijn.

De situatie waarin die geest verkeert, is er een die soms wordt overschat door de mensen. Zij denken: een geest is helemaal vrij. Maar hoe kun je vrij zijn, als je wordt beperkt door je eigen mogelijk­heden, je eigen inhoud? Het is hetzelfde als je tegen iemand zegt: Jij bent vrij. Je kunt de hoogste bergtoppen tot de Mount-Everest top beklimmen. Dan kan die ander zeggen: Dat is wel waar, maar ik heb last van hoogtevrees. En dan gaat het niet.

De geest heeft ook die kwaliteiten. Hij heeft bepaalde dingen waaraan hij eenvoudig niet kan of durft beginnen, waartoe hij eenvoudig de middelen niet bezit. Dan kun je stoffelijk zeggen: Ik wil dat wel. Of: ik vind dat verstandig. Maar je kunt dat nooit waarmaken.

De waarheid van de geest is dat hij wordt beperkt door zichzelf, dat hij afhankelijk is van zijn aanvaardings‑ en voorstellingsvermogen. In elke projectie ‑ hetzij naar een lagere sfeer, hetzij naar een stof­felijke wereld ‑ zal hij altijd gebonden blijven aan zijn eigen bewustzijn. In een stoffelijke wereld zijn waarden die de geest niet kan ontwijken. Deze waarden, die hij a.h.w. tegen wil en dank vaak krijgt opgedrongen, vormen dan de uitbreiding, van zijn vermogen en mogelijkheden.

De mens op aarde op zijn beurt, heeft vaak het gevoel dat hij te­recht is gekomen in een sleur, een soort tredmolen. Je denkt: er komt geen verandering in. Ik kan mij niet meer losmaken. Dat is ongeveer de helft van de tijd waar. Ik zal u vertellen waarom. De mens wordt beheerst door allerlei factoren van buitenaf. De astrologie vertelt u dat u door de planeten wordt beïnvloed. Laten we het maar eenvoudig houden.

De doorsneemens wordt door de maan beïnvloed. U heeft een emotionele cyclus. Deze loopt ongeveer 14 dagen en daarna weer 14 dagen. U kunt dat voor uzelf zien. Er zijn dagen dat u absoluut kunt willen wat u maar wilt, en het gebeurt allemaal anders. Dan denkt u dat de wereld dat doet. Neen, U doet het zelf. U kunt u namelijk niet los maken van een vastliggende reeks associaties en daar­door een eveneens onvermijdelijk wordende reeks belevingen en handelingen.

De andere 14 dagen heeft u een zogenaamde top, dat wil zeggen: u heeft het vermogen om in te grijpen en dan kunt u de sleur doorbreken.

Maar u kunt het alleen zelf doen. U kunt dus nooit zeggen: Nu zullen anderen mijn sleur verbreken. Dat kunt u alleen zelf. U doet dat echter, omdat U de zaak nu anders bekijkt. U heeft in u de energie waardoor het u lukt om de dingen tot stand te brengen. Dan kunt u dus ook zeggen: Die tredmolen waarin we lopen is alleen maar een tredmolen, als we ons op ogenblikken dat we ons blijmoediger en energieker voelen ons niet onttrekken aan die delen van de sleur waaronder wij de vorige 14 dagen hebben geleden. Als u precies wilt weten hoe u dat moet berekenen, wil ik u wel een tip geven, maar die is nogal moeilijk.

U kunt namelijk de positieve fase berekenen, als u aanneemt dat ze begint op het ogenblik van de geboorte. Reken dan het aantal dagen dat verlopen is tussen geboorte en heden. Deel dat door 28, dan krijgt u een aantal fasen. Deel die weer door 28 en dan komt het ogenblik dat u zegt: Nu heb ik een waarde gekregen kleiner dan 28. Dan berekent u vanaf nieuwe maan dit aantal dagen. De dag die u dan krijgt is in feite de dag waarop uw positieve fase begint.

Het is veel rekenen en het helpt weinig. Maar u kunt het gewoon aan uzelf merken. Het is veel eenvoudiger om voor uzelf maar eens aan te tekenen, wanneer u tegen wil en dank allerlei dingen moet doen of wordt meegesleurd en de dagen waarop u zelf een beslissing kunt ne­men, dat u zelf de dingen bepaalt, dat alles schijnt mee te lopen. Als u dat een tijdje heeft geregistreerd en u houdt er rekening mee dat het ongeveer 14 dagen op en 14 dagen neer is, dan heeft u de emotionele cyclus aardig te pakken.

Voor de geest zou zoiets dus betekenen, dat hij 14 dagen gebonden is aan belevingen die hij door gebrek aan energie en misschien ook aan mogelijkheden niet kan veranderen. Veertien dagen een confrontatie met de werkelijkheid en veertien dagen een periode waarin hij zelf in een zekere zich kan opleggen aan de werkelijkheid. De waarheid is dus niet, dat die geest gebonden is aan de stof. De waarheid is, dat er perioden zijn dat de geest zich niet kan verzetten tegen of opleggen aan het stoffelijke gebeuren, maar dat er ook perioden zijn, waarin hij zijn eigen mogelijkheden precies kan gebruiken. Als u dat weet, kunt u daar aardig gebruik, van maken.

Precies de dingen die nodig zijn om, als we eens willen uitbreken, zo te plaatsen dat ze vallen in de positieve periode, want dan kunnen we zelf bepalen wat er gebeurt. In de andere periode zullen de anderen (de omgeving) bepalen wat er gebeurt.

Als u dat eenmaal door heeft, dan zult u ook begrijpen dat de stoffelijke waarheid niet is dat je volledig gebonden bent. Stoffelijk is het wel waar dat u voor een deel gebonden bent. Er zijn namelijk zich herhalende perioden waarin het voor u niet mogelijk is de bestaande gang van zaken op welke wijze dan ook te veranderen. Probeert u het toch, dan blijkt de omgeving dat te compenseren.

Laten we zeggen dat u zich voorneemt om in een negatieve periode er nu eens gezellig op uit te trekken. Ik garandeer u dat, als u alles heeft voorbereid precies die visite komt die u niet durft of wilt wegsturen. Zo werkt dat.

Dan moeten we nog een stapje verder gaan en zeggen: Als de waarheid is dat ik in bepaalde perioden meer kan doen, dan moet ik ook mijn leven indelen in deze periodiciteit. Ik zal elke periode, waarin ik toch niets aan de sleur kan veranderen, gebruiken om in mij beelden of krachten te vergaren, inspiratie te verkrijgen. Wanneer mijn positieve periode begint, dan houd ik mij niet bezig met de geest, maar dan houd ik mij bezig met de stof.

Het is misschien gemeen om het zo te zeggen: hebt God lief boven alles en uw naaste gelijk uzelf, doe dat dan in die 14 dagen dat u niets anders te doen heeft. Dan kunt u God liefhebben en houdt u nog tijd over voor uw naaste. Anders loopt het allemaal door elkaar. Het is een waarheid als een koe.

U denkt misschien: Dat is allemaal wel leuk gezegd, maar als u het in uw leven gaat proberen, dan zult u merken dat ik aardig gelijk heb. Ik weet het wel, het is niet precies op de seconde gelijk. Voor elke mens ligt het, mede aan de hand van de geboorte en andere invloeden, een klein beetje anders. Maar als u het in de praktijk vaststelt, dan zult u ontdekken: die 14-daagse cyclus werkt. Zo goed als uw eigen energie-cyclus een week cyclus is. Dat is nl. uw stoffelijke energie.

Die klimt een week en die daalt een week. Ook die kunt u in de gaten houden. En als u heel erg handig bent, dan wacht u tot u hoogtepunten van stoffelijke energie heeft en gelijktijdig een periode van geestelijke vrijheid, van lotsvrijheid, want dan kunt u het meest doen.

Het feit, dat je weet dat je gebondenheid stoffelijk beperkt is, dat je vrijheden veel groter zijn dan je redelijk gezien kunt verwachten, maar dat die vrijheid wegvalt naarmate je je meer van anderen afhanke­lijk maakt, kom je als vanzelf, tot een betere benadering van je stoffe­lijk leven.

De waarheid in het stoffelijk leven is, dat niets voor anderen volledig even waar kan zijn. Elke waarheid is een persoonlijke waarheid.

Elke gemeenschappelijke waarheid is een compromis waarin eenieder iets van zijn eigen waarheid kan terugvinden zonder dat deze waarheid daarin geheel kan worden gemanifesteerd. Conclusie:

Ik moet eerst mijn persoonlijke waarheid vinden. Uit deze persoonlijke waarheid die samenhangt met mijn persoonlijk ritme en de erkenning van mijn gebondenheden en mijn vrijheden, kan ik gaan beslissen en besluiten met welke mensen of bij welke groepen ik mij kan aansluiten zonder daarbij mij eenheid en mijn eigen mogelijkheden te verliezen.

Want niets is erger dan het ogenblik, dat wij het geheel van ons eigen ik met al zijn mogelijkheden en onmogelijkheden zo volledig gaan binden aan een ander dat we niet meer in staat zijn om de geest die ervaring te geven die ze nodig heeft om verder te komen. Stoffelijk zijn we ook niet meer in staat zelf te bepalen wat en wanneer wij iets zullen doen. Denk daar maar eens goed over na.

Als ik kijk naar de waarheid van de geest, dan is die waarheid natuurlijk ook sterk afhankelijk, van het peil waarop dat geestelijk bewustzijn staat. Er zijn geestelijke waarheden die eigenlijk niet veel anders zijn dan een soort droombeeld, een Papieren kindertheatertjes waarin u zich doodstaart op iets wat niet bestaat. Die zijn er inderdaad.

Er zijn ook geestelijke waarheden en werkelijkheden die zich zodanig ontplooien, dat je daar eigenlijk een kosmische verbondenheid in kent, die niet in woorden is uit te drukken en die zelfs niet in emoties te benaderen valt voor een mens. Hoe het ook zij met die geest, hij zal wat hij bezit mede manifesteren in de stof.

Mijn stoffelijke waarheid wordt niet bepaald door de feiten alleen, maar bovendien door een interpretatie, dwang, of neiging die uit de geest in de stof wordt geprojecteerd. Daardoor kan ik nooit zeggen dat een waarheid die voor mij persoonlijk volkomen juist is voor een ander evenzo bestaat.

Ik kan alleen maar zeggen, dat voor mij alles waarheid is waarin ik mijzelf kan terugvinden zonder gelijktijdig mij te binden aan een sleur waaraan ik mij niet meer kan ontrekken.

Menselijk bestaan wordt pas werkelijk leven op het ogenblik, dat men meer kan verwerven dan datgene wat alleen uit een normaal zich herhalen­de gang van zaken voortkomt. Het zijn de kleine variaties die het leven belangwekkend maken, niet die gelijkvormigheden. Dan gaat het er niet om waar je die variaties vindt. Ze kan in het contact met een enkele mens zich steeds weer manifesteren. De ene dag is niet de andere. Het ene ogen­blik is niet het andere. Het blijkt, dat elke mens een zeer groot aantal facetten heeft die a.h.w. om de beurt naar voren komen of naar buiten tre­den.

Laten we dan begrijpen dat we ons niet moeten storen aan deze verande­ringen, maar dat we ze moeten gebruiken, dat we juist daardoor onszelf een beter bewustzijn, een bewuster leven, een betere erkenning van onszelf geven.

Dan zijn er natuurlijk ook mensen, die heb je altijd, die zeggen: Dit is allemaal mooi, maar hoe ziet dat er kosmisch uit? Dat ziet er gewoon uit.

De kosmos als zodanig is wat je zou kunnen zeggen een soort super-horloge. Een mechanisme dat volgens vaste wetten loopt en alleen omdat het zo enorm groot is schijnbaar een aantal verscheidenheden biedt, maar in wezen worden die bepaald door een aantal wetten.

Wij zijn voor zover wij tot de kosmos behoren mede aan die wetten ge­bonden. Wij hebben echter meer dan dat, want er bestaat ook een goddelij­ke waarheid. Die goddelijke waarheid is deze: Er is geen ruimte, er is geen tijd. Er is slechts de totaliteit die in één beeld zichzelf volledig manifesteert aan zichzelf. Die goddelijke waarheid daarvan zijn wij deel. En juist daardoor wordt de kosmische waarheid voor ons tamelijk onbelangrijk.

Zij is voor ons het middel. Vergelijkbaar misschien met een auto waarin wij rijden. Wat de motor doet, wat de wielen doen, interesseert ons niet, als we maar vooruitkomen en de wagen maar goed te besturen is.

Beschouw op dezelfde manier al die kosmische zaken. De goddelijke waarheid kunnen we niet bereiken. Wij zitten nog teveel in deelbewustzijn, teveel in tijd. Het enige dat ons overblijft om ermee te werken is ons geestelijk bewustzijn. Dat geestelijk bewustzijn zal zijn eigen waar­heid omschrijven. Het zal die waarheid projecteren op elk niveau waar­op dit ik zich manifesteert, inclusief de stof. Als we dat weten, dan zijn de regels verder nogal eenvoudig;

  1. In mezelf draag ik een waarheid. Ik mag deze niet ontkennen en er niet voor vluchten.
  2. De waarheid die in mij leeft, kan ik nooit volledig verwezenlijken in de stof. Maar er zijn perioden waarin ik althans aan een deel daarvan gestalte kan geven. Er zijn perioden waarin ik geen mogelijkheid tot oplossing bezit. Ik onderwerp mij aan mijn gebondenheid om mijn ogen­blikken van vrijheid volgens mijn diepste bewustzijn en waarheid die in mij leeft, te gebruiken.
  3. Er kunnen geen universele regels zijn die voor eenieder gelijk gelden. Dan moet ik erkennen welke regels voor mij bestaan, wat voor mij belangrijk is. Welke waarheden, tastbaar of niet, voor mij gelden. Vanuit die waarheden moet ik mijn leven en beleven reguleren en benaderen.
  4. Ik zal niet twisten over een gemeenschappelijke waarheid. Een gemeenschappelijke waarheid is nu eenmaal, een compromis en dat blijft het. Deze waarheid zal ik moeten aanvaarden, omdat ik leef in een we­reld waarin men die waarheid nu eenmaal stelt. Maar ik mag haar amenderen door vanuit mijn eigen waarheid de nadruk daarop zodanig te leggen dat ik zoveel mogelijk mijzelf kan zijn en in de uiting van mijn persoonlijkheid zoveel mogelijk waar kan leven volgens mijn geestelijke inhoud.

Het O.D.V. nieuwjaarsbal

Het jaar is nimmer nieuw. Want jaren zijn een schijn van deling in de tijd waarin de mens zichzelf vergeet en meent, dat hij de tijd zo leidt en wel verdeelt en goed bepaalt, terwijl in eeuwigheid vertaalt de tijd niet eens bestaat.

En wil men zo een nieuwjaarsbal, dan is het wel de poppen dansen, maar zonder reden, zonder zin.

Het nieuwjaar is een ogenblikje van vergeten, van voornemen misschien en slechts daarin ligt dan de zin van nieuwjaar en zelden reden om te dansen.

Zo geeft de O.D.V. geen bal en ook geen nieuwjaars groot festijn. Zo min als het u op het oudejaar een knaleffect wil zijn.

De O.D.V. zegt op haar beurt, het weten te verdragen, het weten zelve waard te zijn en in jezelf te vragen: Wat is de zin voor mij? De waarheid in mijn wezen duurt zonder grenzen voort.

U hoeft niet te vrezen dat ooit een tijd zal komen waarop een geestelijk nieuwjaar u zegt., Het is nu voorbij. Wat je het gedaan was goed weliswaar, maar toch wat nu komt zal totaal anders zijn, want u zult altijd uzelf blijven. U zult met dat wat u ook eeuwig bent in uw beleven altijd datgene worden wat u wel erkent en toch niet waar kunt maken. En zo vanuit uzelf, begrijpend wat bestaat, worden tot een wezen dat het zijnde beseffend en al het zijnde ondergaat zo in eeuwigheid, in vrede, in rust en verdraagzaamheid kan leven.

Wat kan de O.D.V bij zo een onderwerp dan u een raad gaan geven anders dan wel dit: Durf steeds jezelf te zijn. Laat anderen zichzelf leven. Probeer niet de mindere te zijn, maar ook niet om jezelf als meerdere uit te geven. Wees slechts jezelf. Leef de waarheid die er in je wezen, diep in je bestaat. Zo, dat je altijd tegen jezelf kunt zeggen: Zelfs als de wereld nu vergaat, ik heb het beste gedaan dat ik naar mijn weten ooit kon doen.

Ik heb geen mens, geen geest gesmaad. Ik heb geen medemens ge­haat. Ik heb geen zonden ooit vergeven, maar heb mijzelf toch ook niet met schuldbeladen in eigen ogen. Ze kan ik vol van mededogen het zijn en al het zijnde vanuit mijn wezen gadeslaan.

Ik hoop in ieder geval dat er toch iets in zit waar u wat aan heeft. Ik wens u allen toe dat u innerlijk de kracht zult vinden om in uiterlijk datgene te doen en te beleven wat u zelf goed acht zonder u ooit geheel te laten bepalen door een sleur of een noodlot die misschien buiten u bestaat, maar die in uzelf geen overwegende invloed moge hebben.