Fantasie

image_pdf

5 mei 1961

Aan het begin van deze avond wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen dan ook, dat u over het gebrachte zelfstandig na zult denken. Als onderwerp koos ik heden: Fantasie

U zult zich waarschijnlijk afvragen, waarom juist dit onderwerp op tafel wordt gebracht. Zoals u weet, is fantasie niets anders dan een samenvoegen van gebeurtenissen op een voor het Ik welgevallige wijze, zonder dat de samenhangen in de werkelijkheid mogelijk, of in overeenstemming daarmee zijn. Voorbeelden van fantasie vinden wij in sprookjes, maar ook in de meer romantische literatuur. Vooral in romans blijkt de fantasie een brug te slaan tussen de wereld van de uiterlijke verschijnselen en de voor de mens toch even belangrijke innerlijke wereld.

Normalerwijze is de verbinding tussen werkelijkheid en fantasie binnen de mens de gedachte. In deze dagen lijkt het, of deze verbinding zo breed werd, dat het verschil tussen gedachte en daad vaak teloor dreigt te gaan. Bijvoorbeeld, de in deze dagen vaak voorkomende jeugdbenden doen niets anders dan de oude kinderfantasieën, die zich uitten in rovertje spelen enz., nu in de werkelijkheid omzetten. Hierbij is weinig oorspronkelijkheid op te merken. De meest in daad omgezette fantasieën werden ontleend aan romans en vooral wel films. In de zakenwereld vinden wij mensen, die de meest fantastische, zakelijke bouwsels optrekken om dan – als kinderen, die het spelen verveelt – halverwege hun inspanningen te staken en eenvoudig aan te nemen, dat anderen dit wel niet erg zullen vinden.
Een van de vele voorbeelden hiervan was de expeditie, die op de berg Ararat de ark van Noë zou gaan zoeken. Het feit, dat deze ondernemingen gedeeltelijk in werkelijkheid omgezet werden, pleit enerzijds voor een redelijke fantasie, maar anderzijds ook voor een ontstellend gebrek aan werkelijkheidszin. Het is het gebrek aan werkelijkheidszin, dat zich in deze dagen steeds belangrijker vertoont.

Het heeft weinig zin ons alleen met het vaststellen van deze symptomen bezig te houden, wij zullen er goed aan doen de oorsprong van dit verschijnsel na te speuren. M.i. ligt de bron van al deze verschijnselen in een wijziging van de verhouding tussen de innerlijke mens en de buitenwereld. Wat de innerlijke mens zich aan levensbeelden opbouwt, droomt, enz., is, zolang het binnen zijn wezen besloten blijft, een werkelijke fantasiewereld, waaraan alle redelijke elementen geheel vreemd zijn. Gelijktijdig is deze fantastische wereld de enige wereld, waarin de innerlijke mens zou kunnen leven. Zonder deze wereld zou de mens alle prikkel tot leven en streven missen, zijn verlangens tot een dierlijk peil terugkeren en zou hij zijn menselijke mogelijkheden en eigenschappen voor een groot deel binnen enkele jaren verliezen. Dit laatste is voor de geest niet aanvaardbaar.
De doorsnee mens fantaseert wel, maar doet dit niet voortdurend en trekt een scherpe scheiding tussen zijn fantasieën en de buiten hem liggende werkelijkheid. Zo er voor hem al een belevingsnoodzaak bestaat, die tot de fantasiewereld behoort, zo zet hij deze om in dromen. Hierdoor kan hij in het droomleven vele dingen afreageren, die hij – gezien zijn redelijke denken en zijn menselijke verplichtingen – in werkelijkheid zelfs niet in zich zou durven op laten komen. Onder meer vormt dan ook de fantasie- en droomwereld voor de mens een uitlaat, waarin hij alles wat hem in het leven belemmert en benauwt, kan afreageren.

Er is één ding, dat men bij de voorgaande stellingen niet uit het oog mag verliezen: gezien het menselijke leven en denken zal men voor de droom- en fantasiewereld toch uiteindelijk een verwerkelijking in de buitenwereld zoeken. Deze verwerkelijking is niet geheel met eigen stoffelijk bestaan gebonden, maar tenminste moet er een mogelijkheid zijn aan te nemen, dat de gedroomde beelden in het verleden hebben bestaan, of in de toekomst – desnoods duizenden jaren later – tot werkelijkheid zullen kunnen worden. Neemt men de mogelijkheid de fantasieën met de werkelijkheid te verbinden en als bv. toekomstige mogelijkheid te beschouwen, dan stort hiermede een groot deel van de fantasiewereld eveneens ineen.

Daar de mens wil blijven voortleven, ontstaat nu een reeks eigenaardige verschijnselen. In dit verband wil ik u wijzen op een reeks proefnemingen, die men op aarde ongeveer een jaar ge- leden heeft afgesloten. Een medicus had ontdekt, dat de droom van de mens via een elektro-encefalograaf kon worden ontdekt, terwijl ook het begin van een droom haast onmiddellijk kon worden vastgesteld. Onder meer ging men er toe over de proefpersonen steeds weer te wekken op het ogenblik, dat een droom begon. Zij kregen geen gelegenheid de normale droomactiviteit – een als werkelijkheid beleven van een deel van de fantasiewereld – tot voltooiing te brengen. Het gevolg was, dat de proefpersonen in toenemende mate aan een geestelijke depressie ten prooi vielen, terwijl na enige tijd velen onder hen verschijnselen vertoonden, die delirium nabij kwamen. Deze mensen zagen namelijk op de duur bepaalde fantasiefiguren als werkelijkheid en wilden daarmee – handelend of deze gedachtenbeelden een geheel waarneembare werkelijkheid waren – spelen, werken, handelen.
In het meest gunstige geval is dit een terugkeer tot de kindertijd, waarin vele jonge mensen eveneens een verschil tussen droom en werkelijkheid niet, of slechts ten dele, beseffen en dus de waarden van werkelijkheid en droom plegen te mengen. Hier zijn de droombeelden volwassen en daarom in vele gevallen schadelijk voor de mensheid als geheel, dan wel voerend tot een abnormale en voor anderen niet meer te aanvaarden gedragslijn.

Een tweede groep proefpersonen werd ook gewekt, doch niet bij het begin van de droom, die werd vastgesteld door een toename van de gedachtenimpulsen en oogactiviteiten, maar eerst na het einde daarvan. Het aantal malen, dat deze groep per nacht werd gewekt, was even groot als bij de eerste groep. Het enige verschil was, dat de leden van de tweede groep rustig uit konden dromen. Deze mensen hadden geen last, vertoonden geen enkel teken van depressie en waren aan het wekken gedurende de slaap, in korte tijd gewend. Hieruit kan men de gevolgtrekking maken, dat de droomwereld voor de mens van veel groter belang is dan men op het eerste gezicht zich zou veronderstellen.

Ook buiten deze experimentele condities zijn voorbeelden te vinden van mensen, die – na enkele nachten niet geslapen te hebben, genoodzaakt door een voortdurende geestelijke activiteit van betrekkelijk hoog gehalte – afwijkingen vertoonden. Een spreker trachtte lange tijd te praten om een soort record te vestigen. Na ongeveer 30 uren viel het zijn toehoorders op, dat hij zich bij herhaling tot bepaalde personen wendde, alsof deze werkelijk aanwezig waren en zelfs opmerkingen plaatsten, ofschoon een ieder kon constateren, dat deze personen niet aanwezig waren en geen enkel geluid ook maar de opmerkingen suggereerde, waarop de spreker uitvoerig inging. In het licht van de genomen proeven kan worden vastgesteld, dat deze spreker al na 30 uren werkelijkheids- en gedachtewereld enigszins verwarde.

Bij de opname van een groots opgezette film bleek het onvermijdelijk, dat de technische ploeg op locatie doorwerkte zonder rust en dit wel gedurende bijna vier dagen. Aan het einde van deze vier dagen bleek het, dat geen redelijke resultaten meer konden worden bereikt. Een cameraman maakte opnamen van een geheel lege achtergrond in de mening, dat de scène gespeeld werd, die hij vast moest leggen. Anderen – onder meer belichters – doofden lampen op bevelen die alleen zij schenen te horen, enz. enz. Hieruit wordt de stelling aanvaardbaar, dat mensen hun fantasiewereld in de werkelijkheid zullen gaan projecteren op het ogenblik, dat de mogelijkheid tot afreageren van spanningen in droom en fantasie voor hen is afgesneden.

Denk nu eens na over de wereld, waarin u nu leeft. Er is – ook al wordt dit in het dagelijkse leven nogal eens vergeten – de voortdurende dreiging van een wereldvernietiging, die de toekomst in het onderbewustzijn uit zal schakelen. Deze vernietiging hoeft niet reëel te zijn. Zij zal misschien wel nooit voorkomen. Maar in de gedachten van de mensen leeft ergens de stelling, dat hun wereld en alles, wat daarop aan menselijk leven en bewustzijn bestaat, opeens voorbij zou kunnen zijn, misschien morgen al. Ofschoon deze impulsen voor een zeer groot deel tot het onderbewustzijn van de mensen behoren, maken zij het velen toch onmogelijk nog verder te dromen, over wat zij zullen doen voor komende geslachten. Het is praktisch onmogelijk in de innerlijke wereld op deze wijze nog daaddrang en impulsen te verkrijgen, die er hoofdzakelijk op gericht zijn om voor het Ik in het nageslacht enige erkenning af te dwingen, of althans de wereld voor komende geslachten te verbeteren. Dit element is in de innerlijke wereld van 4/5 van de mensheid geheel uitgeschakeld.

Daarnaast blijkt in deze wereld, een verhoging van levenstempo voortdurend aan de gang te zijn. Dit is misschien voor de doorsnee mens niet opvallend, maar toch wordt er van alle mensen binnen de beschaafde gebieden altijd maar meer geëist. Zij moeten steeds meer ingespannen reageren, zij moeten steeds meer feiten aanvaarden en steeds meer kennis absorberen. Nu is het absorptievermogen voor feiten en stellingen bij de mens beperkt, zodat aan een ieder een deel van de feiten en mogelijkheden zullen blijven ontgaan. Men komt er niet meer aan toe de ontvangen en de geabsorbeerde feiten en stellingen met eigen reacties te verrijken en deze zo tot deel van het innerlijke leven te maken. Het gevolg is, dat zelfs de fantasie- en droomwereld niet meer in staat is de ontwikkelingen bij te houden, ofwel geheel losbreekt, en zich zo een wereld scheppende, die niet meer met de werkelijkheid verband houdt, dat men zich zal gaan beperken tot de feiten van alle dag. In het laatste geval kan de droom- en fantasiewereld geen werkelijke uitlaat meer vormen voor de spanningen en noden van het innerlijke Ik.

Ik kan nog verder gaan met een opsomming van de oorzaken die de droomwereld en de fantasie aantasten. Doch meen, dat hier wel in de eerste plaats een meer praktische conclusie op zijn plaats is, en daarom stel ik: De tijd, waarin u leeft, geeft de mens niet meer voldoende mogelijkheden tot het verwerven van stimulansen voor het daden-leven vanuit het innerlijke Ik. Hij heeft daardoor te weinig blijvende en geestelijk belangrijke doeleinden en komt tot een overspannenheid, terwijl tevens een neiging zal bestaan vele fantastische elementen in de stoffelijke wereld als eigen werkelijkheid in te schakelen.

Misschien lijkt het u, dat ik de belangrijkheid van deze fantasie nog steeds overschat. Laat ons trachten dit alles vanuit het innerlijke wezen van de mens, het ware Ik, te bezien. Dit ware Ik bestaat voor een deel buiten de mens en buiten alle menselijk denken. Er mag dan ook gesteld worden, dat de innerlijke kracht, die de kern van het leven is, zich slechts zeer beperkt met de stof en de stoffelijke mogelijkheden bezig zal houden, terwijl daarnaast de geest een eigen wereld kent, die verschilt van de stoffelijke wereld en andere maatstaven kent dan de stoffelijke wereld, waarin zij zich door middel van het lichaam op het ogenblik uit. Deze geest denkt dan ook niet in stoffelijke termen. Zij heeft in het leven een eigen en zeer bepaald doel, dat in de stofmens geprojecteerd wordt. Er zijn verschillende manieren waarop deze projectie plaats kan vinden.

In elke mens bestaan dan ook vele niet redelijke elementen, die de kern van zijn wezen en leven vormen. Deze, niet redelijke, elementen zullen niet direct kunnen worden aangepast aan de stoffelijke wereld, waarin hij leeft. Wel kunnen zij worden omgezet in idealen, filosofieën en beschouwingen, of innerlijk opgevoerde drama’s en scènes, waarin het Ik een hoofdrol speelt, voor zich beleeft én als werkelijkheid ondergaat, wat in de wereld redelijk en praktisch onbereikbaar is. Op deze wijze kan het contact geest-stof dan ook regelmatig en intens plaats vinden. De problemen en tegenstellingen, die zich in de hersenen zouden kunnen vormen, worden via deze fantasiewereld en de daaruit volgende emoties eenvoudig gepurgeerd. (gepurifieerd Red.) De mens reinigt a.h.w. zichzelf door zijn fantasieleven. Het is daardoor mogelijk een evenwicht te bewaren tussen de uiterlijke wereld – die met zijn eigen wezen immers slechts in weinige elementen enige overeenstemming zal vertonen – en de innerlijke wereld, die harmonisch en rustig zal moeten zijn, indien het hem mogelijk moet blijven krachten te puren uit geest en stof, wil hij in staat blijven, tot leven.

Waarschijnlijk acht u ook dit laatste enigszins overdreven. Ik zal u enige voorbeelden geven. Een zeer gekend zakenman had tot zijn 64e jaar een groot bedrijf geleid. Daarna trok hij zich uit de zaken terug ten bate van zijn zoons, die de directie overnamen. Door dit zich geheel terugtrekken uit het bedrijf, dat voor hem een verwerkelijking van zijn innerlijke levensbehoeften in stoffelijke vorm geworden was, kwam hij met zichzelf in conflict. Van een terugkeer, of zelfs enige bemoeiing met de zaken, kon geen sprake meer zijn, daar hij van zijn wettelijke rechten afstand had gedaan en zijn kinderen een modernere opvatting van het zakenleven hadden. Het gevolg was, dat deze mens geen uitlaat meer voor zichzelf vond. Het evenwicht tussen innerlijke en uiterlijke wereld was verbroken. De mens kwijnde. Niemand heeft kunnen zeggen, welke ziekte het was, die hem van de aarde heeft weggenomen. Het was eenvoudig een verval van  krachten, een wegteren zonder kenbare oorzaken. Soortgelijke gevallen zijn bekend van mensen, die langere tijd tezamen hebben geleefd en elkaar lief hebben gehad. Wanneer een van de partners heen gaat, verliest de andere de werkelijke zin van zijn leven, de uiterlijke wereld beantwoordt niet meer aan de eisen van het innerlijke Ik. Dientengevolge wordt ook geen energie meer opgenomen en enkele maanden, of een jaar later is ook de tweede mens overgegaan.

Mijn vrienden, ik overdrijf niet, maar stel hier slechts een feitelijke waarheid! De fantasiewereld maakt het de mens mogelijk om betrekkelijk blijmoedig te leven en verschaft de geest de mogelijkheid uit de stoffelijke mogelijkheden een maximum aan bewustzijn en begerenswaardige ervaringen te puren. Bovendien geeft de fantasie- en droomwereld door het scheppen van evenwicht tussen stof en geest de mens voortdurend een grotere vitaliteit.

Nu komen er in de fantasiewereld ogenblikken voor, dat de werkelijkheid praktisch wegvalt. Wij spreken van een droom- of een dagdroom, naargelang er van een feitelijk rusten en slapen sprake is, dan wel van een ogenblik vergetelheid t.o.v. de omgeving. In beide toestanden onttrekt de mens zich aan de wereld, die buiten hem ligt. Tijdens beide toestanden onttrekt de mens zich in doorsnee aan de wereld buiten hem. Hij neemt minder van de prikkels in zich op, die vanuit die wereld tot hem komen, hij hoort minder, hij ziet minder. Hij is tamelijk onbewust van zijn omgeving. Nu werkt zijn fantasie, die de innerlijke wereld opbouwt, geheel vrij van alle beperkingen van de werkelijke wereld. In dit vrijelijk werken komt de mens tot een hergroeperen van vele waarden, die hij in de buitenwereld nooit op deze wijze samen zou durven voegen. Het gevolg is, dat hij in een dergelijke toestand soms een geheel nieuw inzicht in zijn problemen verkrijgt, dat hij nieuwe mogelijkheden op velerlei terrein verkrijgt, die evengoed betrekking kunnen hebben op het schrijven van een nieuwe roman, als een nieuwe wijze om een wiskundige berekening mogelijk te maken.

Er kunnen waarden worden gewonnen voor het opnieuw benaderen van een tot nu toe mislukt onderzoek, evenals voor het vinden van een juistere relatie met zijn medemensen. Wie dit niet uit het oog verliest, zal beseffen, dat de fantasie inderdaad een zeer belangrijk deel van de persoonlijke wereld opbouwt. In deze wereld kan het werkelijke Ik een maximum aan prestatie leveren en een groot deel van deze prestatie, direct of indirect, aan de stof overdragen.

De conclusie is hier duidelijk: De fantasiewereld stelt de mens in staat een groter deel van de waarheid te overzien, dan voor hem aan de hand van zuiver menselijke en redelijke waarden mogelijk zou zijn. Hij leert hierbij zowel zichzelf als de waarden, die hij in de buitenwereld hanteert, beter en juister kennen in verhouding tot zijn eigen werkelijke wezen en geestelijke taak.

Wanneer wij dit gesteld hebben, moeten wij nog verder gaan. Het is dus noodzakelijk, dat de mens een droomwereld heeft, maar zijn droom- of fantasiewereld moet – gezien zijn stoffelijk wezen en denken – gebaseerd blijven op uiteindelijke toch misschien mogelijke of bereikbare waarden. Hij moet zich steeds een stoffelijke verwerkelijking van het gedroomde voor kunnen stellen, zelfs indien hij beseft, dat deze verwerkelijking niet tijdens zijn leven, in zijn tijd, zal kunnen geschieden, zo zal er toch voor zijn besef ergens een ogenblik van verwerkelijking op moeten kunnen treden. Het is deze mogelijkheid tot stoffelijke verwerkelijking die de band tussen de stoffelijke en geestelijke elementen van de innerlijke wereld tot stand brengt. Het is a.h.w. de band tussen de buitenwereld en het Ik zelf.

Ontneem aan de mensheid een groot deel van deze mogelijkheid op een uiteindelijke verwerkelijking te rekenen, ontneem hen de zekerheid, dat iets tenminste later eens bereikt zal worden, ontneem hen daarnaast – door nieuwe inzichten als de wetenschap – het vroeger belangrijke geloof en stel daarvoor in de plaats een vaag aanvaarden van de Godheid, dat misschien voor het gevoel nog aanvaardbaar is, maar in de droom- en fantasiewereld geen reële gestalte meer kan verkrijgen. Ontneem deze mens bovendien de mogelijkheid te dromen van de stempel, die hij zelf op de wereld zal kunnen drukken, door iets belangrijks te volbrengen. Er blijft dan te weinig over om de fantasiewereld te voeden, om – via de innerlijke wereld – energie en levenskrachten te verzamelen. Het gevolg is dat hij een groot deel van zijn fantasiewereld uiteindelijk – evenals bij voornoemde gevallen van oververmoeidheid het geval was – in de werkelijkheid gaat projecteren.

Ik zal trachten dit alles nog eens duidelijker te formuleren. Men moet in de eerste plaats aannemen, dat de droom- en fantasiewereld een directe functie van het menselijke wezen vormen, terwijl een groot deel van eigen vitaliteit van het goed functioneren van deze fantasiewereld afhankelijk is. Wanneer dus de droom- en fantasiewereld juist functioneert, is er een gezondere mens met meer krachtreserven. Naast de mogelijke bestrijding van de lichamelijke ziekten komt dit verder tot uiting in een vergroting van daadkracht, moed enz. Ik stelde, dat voor een mens om te kunnen leven een fantasiewereld noodzakelijk is. Normalerwijze kan die wereld worden geprojecteerd naar een hiernamaals, een toekomstig gebeuren, of de belevingen van ons nageslacht.
Nu blijkt mij, dat – gezien de angst voor de atoombom de voortdurende oorlogsdreigingen, het steeds verder oplopend levenstempo en de steeds grotere eisen, die ook verstandelijk aan de massa worden gesteld – het praktisch onmogelijk is de innerlijke fantasiewereld geheel op de juiste wijze te handhaven. Het zal u duidelijk zijn, dat – aan de hand van de door mij geciteerde resultaten van een op aarde plaatsvindend onderzoek – bepaalde verschijnselen kunnen worden verwacht en ik voor de doorsnee mens in mindere mate de gelijke verwachtingen kan koesteren en dezelfde maatstaven van toepassing kan achten.

Dan mag ik stellen, dat er bij de doorsnee mens een soort oververmoeidheid ontstaat door een gebrek aan droombeleven en zo afreageren van bestaande spanningen. De mens zal echter organisch en geestelijk ten koste van alles trachten zoveel mogelijk levenskrachten te behouden. Het gevolg zal zijn, dat, als in de geciteerde gevallen, bij de doorsnee mens de oververmoeidheid zich zal uiten in het projecteren van droombeelden in de werkelijkheid. Deze deliriumachtige verschijnselen kunnen soms zeer concrete vormen aannemen. Waar lichamelijke rust voor de doorsnee mens nog in voldoende – zij het niet rijke – mate bestaat, zullen deze verschijnselen zich vooral uiten door het verkeerdelijk interpreteren van mogelijkheden, het verkeerd beoordelen van toestanden enz.

Door de in de werkelijkheid geprojecteerde angsten en verwachtingen van de droomwereld en fantasiewereld geuit, zal dan ook voor zeer velen de werkelijkheid voortdurend vervalst worden. De spanningen, waaronder de mensen leven, zullen zich uiten in een gebrek aan levenskrachten, vitaliteit, ziekteverschijnselen enerzijds, maar aan de andere zijde ook aanleiding geven tot reeksen van handelingen, die niet meer verwant zijn met de feitelijke omstandigheden. Ik wijs u in dit verband op het tijdsverschijnsel van de z.g. managerziekte, die op het ogenblik vele mensen van alle rangen en standen schijnt aan te tasten. Daarnaast wijs ik u op de lusteloosheid en verveling, die steeds meer optreden binnen het menselijke leven. Dit is dan toch wel een symptoom van een stoffelijk verlies aan krachten en mogelijkheden. Deze verschijnselen zijn nog onmiddellijk merkbaar. Dat echter ook de fantasie – het niet altijd in de werkelijkheid passende innerlijke beeld – steeds sterker zal worden opgelegd aan de werkelijkheid zal men in de meeste gevallen te laat bemerken, of zelfs geheel over het hoofd zien.

Voorbeeld: men gaat uit van een zakelijk standpunt, dat bv. niet alleen meer op omzet- en afzetmogelijkheden gebaseerd is, maar vooral op prijsfixatie. Men weet wel degelijk, dat dit systeem in werkelijkheid niet onbeperkt gehandhaafd kan worden. Daarom werken velen met  geschenken, aangenamere betalingsmogelijkheden en attracties. Men doet dingen, die veel  kostbaarder zijn, dan een zich aanpassen aan de werkelijke prijs, die de verbruiker zou willen betalen en zou kunnen betalen. Men droomt van prestige en acht in vele gevallen prijs en prestige gelijk. Een zo duur mogelijk product zoveel mogelijk omzetten, is voor vele zakenlieden op het ogenblik – vreemd genoeg – niet meer in de eerste plaats een summum van winstmogelijkheid, maar van bereiking, van sociale status. Zij handhaven daarom vaak te lang onaanvaardbare handelsgebruiken, waar deze hen schijnen te beantwoorden aan de innerlijke droom van belangrijkheid, die in de werkelijkheid geprojecteerd wordt, zonder dat een meer realistische en redelijke beschouwing van de feiten hen tot een wijzigen hiervan kan bewegen.

Ook staatslieden lijden aan hetzelfde euvel. Bezie eens de hysterische vreugde, waarmee in Rusland de eerste ruimtevaarder werd begroet. Het is niet aannemelijk, dat de scènes die zich daarbij afspeelden, alleen maar toneelspel zijn geweest. Wij kunnen ook niet aannemen, dat de in feite toch niet grote belangrijkheid van de bereiking voor economie en wereldpolitiek op zich, de aanleiding tot deze emoties kan zijn geweest. Er is maar één andere verklaring: Men droomt van een grootheid en projecteert dit in iets, wat op zichzelf van minder betekenis is. Men maakt dit tot een fetisj en verwacht hiervan nu alle heil.

Zo zal men op de duur een gehele industrie, of zelfs een gehele economie in een richting drijven, die voor de mens niet meer redelijk kan worden geacht en, bij een reëel beschouwen van de mogelijkheden en noden, dan ook niet aanvaardbaar moet worden geacht.

Een ander voorbeeld van deze projectie vinden wij in het zich op statistieken baseren, waar het zuiver menselijke waarden betreft. De mensheid is samengesteld uit individuen, die elk hun eigen behoeften en mogelijkheden hebben. Een ieder heeft verder zijn eigen verlangens en gedachten. Toch zien wij in deze dagen steeds weer, dat mensen, die voor de mensheid streven en werken, hun droom voor deze mensheid en hun streven naar bereikingen geheel op statistische gegevens baseren. Nu kan de statistiek wel degelijk bepaalde uiterlijke omstandigheden en mogelijkheden weergeven, terwijl zij tevens vanuit een geheel eigen en innerlijk standpunt een overwegen van de mogelijkheden bevat voor alles, wat men als een begeerlijk iets, of zelfs als behoefte beschouwt. De statistiek kan nooit weergeven, wat er werkelijk onder de massa leeft en wat haar werkelijke behoeften zijn. Waar juist degenen, die steeds onder grote spanningen staan en grotere verantwoordelijkheid dragen, hun innerlijke wereld en fantasieën in deze getallen zullen projecteren, blijken vele regeringen geen enkel begrip meer te hebben voor degenen, die zij regeren, vertegenwoordigen enz.

Men beseft niet meer, wat de mensen werkelijk verlangen. In de plaats daarvan gaat men er toe over kunstmatige behoeften te scheppen, die voor het maatschappelijk bestel uiteindelijk schadelijk blijken te zijn. Men ziet gevaren waar zij niet zijn, en neemt vaak zeer kostbare en verrijkende maatregelen om zich tegen deze gevaren te kunnen verweren. Het werkelijke gevaar wordt over het hoofd gezien. Er is sprake van een fixatie, waarbij een fantasiewereld opgebouwd wordt, die beantwoordt aan de behoeften en angsten, zoals deze onredelijk binnen het Ik bestaan. Men zal deze uiten door de ingeschapen behoefte, die haast elke mens kent, om een stempel te drukken op de wereld.

Wanneer de toestanden en werkelijke waarden in de wereld veranderen, zo impliceert dit, dat men ook zijn visie van het Ik en zijn droomwereld zou moeten veranderen. Vandaar, dat een stemming ontstaat, die niet realistisch is en de mens steeds meer blootstelt aan verwarrende en fatale ontwikkelingen, terwijl de maatregelen, die men treft, over het algemeen niet met de werkelijke mogelijkheden en ontwikkelingen in verband staan, maar eerder de feiten in de werkelijkheid later worden verklaard, volgens eigen fantastische inzichten. Het komt er dus op neer, dat menigeen dingen, die eens alleen in de fantasie beleefd werden, zal trachten om te zetten in een werkelijkheid.
De innerlijke behoeften kunnen in de droom geen bevrediging meer vinden, zodat zij in de werkelijkheid geprojecteerd worden met een geheel verwaarlozen van alle werkelijkheidszin. Het gevolg is, dat mensen, die ervan droomden om redders van de mensheid te worden, bv. als arts, ingenieur, de onfeilbaarheid, die men in dromen pleegt te bezitten en in fantasieën steeds weer voor zich opeist, aan het door hen geleerde toe gaan kennen. Hierdoor maken zij elke werkelijke ontwikkeling en vooruitgang op hun terrein vaak onmogelijk. In feite berokkenen zij steeds grotere schade aan anderen, zonder dit echter te beseffen.

Men ziet, dat de fantasie in vele gevallen ook scheppende effecten kan hebben. Normalerwijze zal die schepping innerlijk plaats vinden en aan de hand van het werkelijk mogelijk eventueel worden omgezet in meer tastbare vormen. Daarbij wordt de oorspronkelijke fantasie meer algemeen en zal voor velen van kracht zijn, in plaats een zuiver persoonlijke ontdekking of droom te blijven.

Voorbeelden vinden wij hiervoor bij vele oudere kunstenaars. Zij zullen hun medemensen niet zeggen, wat zij moeten doen en laten, wat zij mooi en lelijk moeten vinden, maar bouwen een wereldbeschouwing op. In feite is hun werk een poging de wereld voor anderen meer aanvaardbaar te maken. Zij stellen vaak idealen in de wereld, maar slechts zelden tracht een van hen  daaruit een maatstaf voor alle mensen te distilleren.

Wanneer u zich de moeite hebt getroost, de ontwikkeling van de kunsten in de laatste jaren na te gaan, zo zal het u opgevallen zijn, dat men, in plaats u een nieuw beeld van de wereld en een nieuw beleven of denken aan te bieden, u gaat vertellen, hoe u kunst moet beleven, wat kunst is. De kunstenaar is niet meer in staat een onderscheid te maken tussen zijn innerlijke beelden en de voor de wereld aanvaardbare en bruikbare gegevens. Hij komt ertoe, om in vormgeving en onderwerp, vaak zelfs op de grenzen van de pornografie, te zoeken naar beelden, die de mensen zullen verbluffen. Daarnaast eist hij dan een aanvaarden van zijn innerlijke wereld als onmiddellijk met de werkelijkheid verband hebbend. Verbluffing en schijnoverwicht worden gebruikt om regels, die men stelt, aanvaardbaar te maken, zonder dat ook maar een enkele ware gedachte als grondslag voor deze regels wordt aangeboden. Dit wettigt m.i. de conclusie, dat in de huidige wereld de werkelijkheidszin is aangetast en bij voortduren van de bestaande omstandigheden ook steeds verder zal worden aangetast. Hoofdschuld hiervan dragen m.i. het steeds hogere levenstempo en de steeds minder wordende hoop op een goede toekomst zonder wereldondergang en vernietiging.

Het gevolg is dan, dat alles, wat in de werkelijkheid kenbaar wordt, volgens deze waan en dus pessimistisch zal geïnterpreteerd worden, zodat een verdere vervreemding van de stoffelijke werkelijkheid ontstaat. Een steekproef, die door ons in sommige kringen werd genomen, wijst uit, dat, wanneer als voorbeeld de mogelijkheid van een kernoorlog wordt aangehaald, bijna 56% van de aanwezigen, na afloop over de kernoorlog als een komende zekerheid, zonder aandacht te wijden aan de belangrijke stelling, die door het voorbeeld geïllustreerd werd en waaruit bleek, dat een feitelijke kernoorlog op grote schaal slechts een zeer kleine mogelijkheid was, zodat eerder een andere ontwikkeling verwacht zou moeten worden.

Wij hebben dergelijke proeven vaak genomen en daarbij ervaren, dat bv. het aansnijden van een onderwerp, waarbij seksualiteit, direct of indirect, ter sprake komt als een van de vele, binnen het menselijke bestel nu eenmaal werkende invloeden, bij rond 30% van de aanwezigen een zich geheel concentreren op het seksuele aspect veroorzaakt. Bij rond 37% van de aanwezigen blijkt een directe afwijzing van het geheel, ook de met het seksuele niet in verband staande deel van de lezing. De rest blijkt – eerst na enige overweging – tot een enigszins juiste aanvaarding van het geheel te kunnen komen. Ook dit is o.i. een gebrek aan werkelijkheidszin. Men aanvaardt of verwerpt niet op grond van de werkelijke inhoud, maar bepaalt zijn houding in overeenstemming met eigen waan- en droomwereld.

De invloeden, die zich in de komende tijd merkbaar gaan maken, zullen aan deze dingen ongetwijfeld veel verbeteren. Onze ervaringen tonen ook aan, dat iemand, die eenmaal een toestand van overspanning bereikt heeft en dus zijn werkelijkheid en gedachtewereld te sterk dooreen doet lopen,- zonder dat een op de werkelijkheid van de stof gebaseerd rationele handel- en denkwijze mogelijk blijkt – juist de genezing – ontstaan door verflauwing van spanningen, of een verandering van de toestand – tegemoet treedt met een korte, doch hevige periode, waarin de fantasie alles overheerst en het beeld van de werkelijkheid geheel terzijde wordt gesteld. Men ziet dan dingen, die in werkelijkheid niet bestaan. Dit heeft niets te maken met geesten of invloeden van andere aard, doch is het gevolg van een algehele zelfmisleiding. M.i. kan worden aangenomen, dat een dergelijke toestand in de komende tijd bij meerdere mensen op zal treden en zich ook in het maatschappelijke leven zal manifesteren. Het zal dan ook voor de mens, die innerlijk nog tot een redelijk en harmonisch leven en denken kan komen, niet moeilijk zijn deze misleidende invloeden van buiten, geheel te ontwijken. Vandaar, dat de nadruk mag worden gelegd op de juiste relatie tussen fantasiewereld en menselijke wereld.

Alles, wat in uw gedachteleven zich afspeelt, is binnen dit gedachteleven als goed te beschouwen, zover het voor u aanvaardbaar is en geen schuldgevoelens, of tekort schieten wekt. Uiterlijk mag hiervan alleen datgene verwerkelijkt worden, wat ook in deelgenootschap met anderen geen schuldgevoelens e.d. wekt. Om steeds weer de werkelijkheid op de juiste wijze te benaderen zal men zich af moeten vragen, vooral in de komende tijd: wat is de feitelijke toestand in de wereld? Hoe denk ik hierover werkelijk en niet alleen op gezag van anderen? Heeft men eenmaal een beeld hiervan voor zichzelf gevormd, dat ook in de praktijk voor u aanvaardbaar is en geen onnodige conflicten wekt met uw medemensen, laat al het andere voorlopig in uw fantasie alleen voortbestaan. Ontdekt u een mogelijkheid, waardoor u een deel van uw fantasieleven in de stoffelijke werkelijkheid kunt omzetten, zo is dit geheel aanvaardbaar, zolang daardoor uw innerlijke wereld niet verarmt, eigen levensvreugde niet kleiner wordt en eigen intensiteit van leven daardoor niet aanmerkelijk wordt verminderd of vergroot.

Alle invloeden, die ons van buiten af bereiken in de komende tijd, zullen enkele fantastische elementen bevatten. In een tijd als de uwe kan niet anders verondersteld of verwacht worden. Het gevolg is, dat wij alle gegevens, die op ons af komen, zelf moeten ontleden en nimmer alleen op basis van door anderen, zonder verdere eigen controle verkregen gegevens mogen af gaan, maar voor alles steeds weer rekening zullen moeten houden met eigen voorstellingen omtrent mogelijkheid, wenselijkheid enz. Alle handelen en denken, dus zowel in de geest als in de stof, zal zich steeds sterker op een verwerkelijking van eigen behoeften en noodzaken moeten richten, ongeacht de invloeden van de wereld.

Ten laatste: Alle waarden, die wij in de fantasiewereld beleven, hebben – zover zij onszelf betreffen en dus niet voor anderen – een zeer grote betekenis. Zij duiden aan, welke tekorten in ons stoffelijk leven optreden, welke mogelijkheden wij in het stoffelijke leven bezitten. Daarnaast kan de fantasiewereld ons helpen te begrijpen, wat wij in het stoffelijke leven vermijden, of schuwen, zonder dat daarvoor een stoffelijke reden aanwezig is. Wat dit laatste betreft, wijs ik er op dat in de fantasiewereld alle facetten van het eigen wezen, dus ook voor de stofwereld niet aanvaardbare facetten daarvan, een rol zullen spelen. Aan de hand van eigen dagdromen, dromen en fantasieën, zal de mens steeds weer in staat zijn – zelfs indien daarin verder geen enkele geestelijke invloed van buiten meespeelt – veel over zijn eigen Ik te ontdekken zijn, en de werkelijkheid van zijn eigen wezen, leven en handelen te beproeven. Voor de stofmens betekent dit, dat hij zich beter binnen de eigen wereld zal kunnen oriënteren en bovenal zal kunnen beseffen, wat voor eigen wezen noodzakelijk en wat voor eigen wezen aanvaardbaar is. Dit brengt correcties in de wijze van leven tot stand, waardoor een grotere vreugde in het leven gewonnen kan worden, terwijl vele onnodige spanningen kunnen worden vermeden.

  • U stelt, dat in een bepaald geval het even fout is, wanneer de intensiteit van eigen leven wordt verminderd, als wanneer deze vergroot wordt. Waarom?

Indien u een fantasiewereld – die niet met de werkelijkheid strookt, of zelfs maar geheel zal kunnen stroken – om gaat zetten in stoffelijke acties, die de intensiteit van leven en werken in de stoffelijke wereld verminderen, dan berokkent u daardoor zowel aan anderen, als aan uzelf vaak grote schade. Indien u de intensiteit van leven hiermee aanmerkelijk zou vergroten, zo zal dit – waar deze vergroting van intensiteit wederom niet met een werkelijkheid strookt – u brengen tot het stellen van eisen aan anderen, die door hen niet te verwerkelijken zijn. Het gevolg daarvan is, dat u voor de wereld onaanvaardbaar wordt, terwijl u misschien overwicht genoeg kunt verwerven om, ondanks dit, aan anderen een deel van uw fantasiewereld als werkelijkheid op te leggen. Ook dit mag men niet doen.

  • Kan een mens uit de reacties van anderen misschien ontdekken, in hoeverre hij  fouten maakt in zijn fantasiewereld?

Zolang het de innerlijke- of fantasiewereld betreft, zijn alle, voor u zelf aanvaardbare waarden en stellingen geheel aanvaardbaar. Dit vloeit voort uit de punten, die ik u zo-even reeds noemde. Besef echter zeer wel, dat het onmogelijk is om eigen fantasiewereld om te zetten in een voor anderen geheel kenbare werkelijkheid. Wanneer u dit tracht te doen, ontstaat onmiddellijk misverstand en als gevolg daarvan ook vaak een conflict. Fouten in waardering en inzicht kunnen hieruit eveneens, zowel bij anderen als bij uzelf, voorkomen. Het is beter deze tegenstrijdigheden te vermijden, daar zij voeren tot een overbelasting van, hetzij het eigen Ik dan wel van anderen. De maatregelen, die men als gevolg van dergelijke conflicten tracht te nemen, kunnen op gezondheid, financiën, sociale status enz. vaak een fatale invloed hebben. De grens kan m.i. steeds worden gesteld als het zijn op het ogenblik, waarop u van anderen voor uw innerlijke wereld een alomvattend begrip verwacht, dan wel aan anderen delen van uw innerlijke wereld op zou willen leggen, waardoor u van anderen gaat eisen, dat zij aan uw gedachtewereld blijvend zullen beantwoorden, in plaats volgens de voor hén bestaande werkelijkheid te leven.

  • Maar men beleert anderen zo vaak en tracht dus anderen eigen gedachten op te leggen.

Er is een groot verschil tussen het aan anderen voorleggen van eigen ideeën als zodanig en het handelen aan de hand van met feitelijk bestaande condities, waarbij op anderen een dwang wordt uitgeoefend. Het reageren aan de hand van een innerlijke voorstelling, in plaats van een zich baseren op een feitelijk vaststelbare werkelijkheid, is hier de grens. Het beleren van anderen kan worden beschouwd als het uitwisselen van ideeën, zonder dat deze dwingend aan anderen worden opgelegd. Hetgeen door mij sterk werd ontraden, is dus niet het met elkaar bespreken van meningen en voorstellingen, maar het handelen en van anderen eisen, dat zij zullen handelen volgens maatstaven, die niet in de stoffelijke wereld als feiten, maar alleen in uzelf als voorstellingen of verlangens bestaan. Op het ogenblik, dat uw spreken met anderen en het duidelijk maken aan anderen van uw denkbeelden, overgaat in een als concreet feit, of concrete verplichting stellen van enkel in uw fantasiewereld bestaande waarden, begaat u de fout, waarvan werd gesproken en overschrijdt u de grens van het aanvaardbare.

  • U sprak over het ontlenen van kracht. Is dit de Eeuwige Kracht?

In zekere zin. Ik kan hierop niet verder ingaan.
Eenvoudig gesteld: Wij leven in de kosmos. Naarmate wij meer met die kosmos in harmonie zijn, zullen wij uit deze kosmos meer krachten ontvangen. Hoe meer wij in onszelf tot harmonie komen, hoe groter de hoeveelheid van krachten, die wij automatisch vanuit de kosmos kunnen aanvaarden en verwerken. Hoe groter onze innerlijke strijdigheden, hoe kleiner onze eenheid met het Al en hoe beperkter daardoor de krachten, die wij nog kunnen opnemen. De energie, waarover werd gesproken, is in hoofdzaak levenskracht. Onder meer kan deze uit aanwezige luchtpotentialen worden onttrokken. Zij is zeker voor een deel stoffelijk en behoort tot uw stoffelijke wereld.
Er zijn natuurlijk andere bronnen van kracht en andere methoden, waardoor deze kracht kan worden ontvangen, of overgedragen. Wanneer uw lichaam en uw innerlijke wezen – uw fantasiewereld – in volkomen strijdigheid verkeren, zodat u de buiten u liggende wereld niet meer wenst te aanvaarden en niet in staat bent u in de geschapen fantasiewereld als enige werkelijkheid terug te trekken – bepaalde vormen van waanzin – blijkt het Ik zich zozeer van de omgeving te isoleren, dat de stoffelijke krachten door uw lichaam niet meer worden aanvaard en worden opgenomen. Het is, alsof men de kraan, waardoor deze energie u toevloeit, afsluit en omkomt door gebrek aan krachten als gevolg van innerlijke strijdigheden.

  • Uw raad houdt in, dat men moet kunnen fantaseren. Maar deze tijd draagt er niet  toe bij, dat men nog zal fantaseren. Men heeft te weinig tijd. Komt men hierdoor dan tot  een soort geestelijke verdorring, een geestelijke begrenzing?

Refererend aan het door mij gestelde: De mens verliest hierdoor een groot deel van zijn vitaliteit, dan wel gaat hij zijn fantasieën in de wereld buiten zich stellen, en beleven alsof zij van zijn uiterlijke wereld deel uitmaakten, zal daardoor vele conflicten voor zichzelf wekken. Dit is geen geestelijk verdorren, maar een veranderen van de eigen harmonie tussen stof en geest, waaruit dus voor het Ik minder aangename consequenties kunnen ontstaan. Daarnaast blijkt, dat men deze consequenties veelal onbewust ook aan de buitenwereld wil opdringen.

Bij herlezing zal u mijn verklaring geheel duidelijk zijn. Naar ik meen zal u de gelegenheid hiertoe worden geboden. Daaraan wil ik nog een waarschuwing toevoegen: Leg geen eigen bedoelingen in mijn woorden in, en tracht deze eerst op hun feitelijke inhoud en waarde te beproeven, zonder daarbij eigen denken en wereldbeschouwing primair te stellen en te komen tot een te persoonlijke interpretatie. Dit zal u meer baten, dan een onmiddellijk in mijn woorden inleggen van eigen gedachten en waarden, waardoor voor u strijdigheden ontstaan, die in mijn woorden niet aanwezig waren en problemen voor u ontstaan, waarvan de oplossing dan veel moeite zal gaan kosten.

Esoterische beschouwingen

U vindt het misschien vreemd, dat juist ik deze avond de esoterie kom behandelen. Wij hebben ook enige moeilijkheden, waar er veel ander werk is. Ik hoop dan ook, dat u niet op de onvolkomenheden zult letten.

Wanneer je als mens hoort spreken over het hiernamaals, de werelden van de geest, de problemen van geloof en bewustwording, dan voel je eigenlijk altijd enige onzekerheid, alsof men u bij de neus neemt. Dit zal wel in de eerste instantie, te wijten zijn aan het feit, dat je als mens niet in staat bent enig inzicht te verkrijgen in het leven van de geest en je geen voorstelling kunt maken van alles, wat zich in dat leven na de dood en de werelden van de geest alzo afspeelt. Een mens, die zichzelf meestal niet eens geheel kent, staat wel voor grote moeilijkheden, wanneer hij iets van de kosmische werkelijkheid wil gaan begrijpen.

Vanuit mijn standpunt kan ik u vertellen, dat alle geestelijke werelden, die rond de uwe liggen, steeds weer inwerken op elke mens. Als mens onderga je deze inwerkingen meestal als een gevoel van onzekerheid. Je bent niet in staat om precies na te gaan, waar eigenlijk de oorzaak van je twijfels en onzekerheden schuilen. Je zou het theoretisch nog wel allemaal willen aannemen, maar voor jezelf besef je wel, dat het beeld, dat je je vormt, of dat men je voorhoudt, niet helemaal juist is. Wij weten in de stof altijd wel, dat wij niet beantwoorden aan de waarden van onze eigen geest. Al kunnen wij dit alles niet redelijk verklaren, zo weten wij toch, dat er ergens een verwarring van begrippen is ontstaan.

Zo is het al vreemd, dat elke mens aanvoelt, maar niet redelijk kan verklaren, waarin deze onzekerheid in de eerste plaats ligt; zo is het nog vreemder, dat hij steeds weer beseft, dat de voorstelling van het hiernamaals voor hem onduidelijk en niet juist is. Hij verwerkt dit op zijn eigen manier, maar maakt steeds weer een voorbehoud. De mens is gewend de stoffelijke condities, die hij in het leven nu eenmaal leert kennen, met zijn geestelijke beelden en voorstellingen te vergelijken. Hij kan zich dan ook niet indenken, dat een menselijk leven anders zou kunnen zijn en andere inhoud zou kunnen hebben dan het leven, dat hij zelf nu juist doormaakt. Hij kan zich niet indenken, dat de ene mens, ondanks alle uiterlijke moeilijkheden, volkomen gelukkig leeft, terwijl een andere, ondanks alle gelukkige omstandigheden, toch steeds weer droef gestemd blijft. Waar hij aanvoelt, dat het geestelijke leven niet op het stoffelijke kan lijken, zoekt hij zich een voorstelling te vormen, die in directe tegenstelling staat, tot al hetgeen hij nu kent. Ook hierin is geen werkelijke oplossing gelegen, opdat een dergelijke tegenstelling nu eenmaal te onredelijk is om verstandelijk aanvaardbaar te zijn. Het is duidelijk, dat dit een innerlijke onzekerheid zal scheppen t.o.v. de geestelijke werelden en mogelijkheden.

Daarnaast is er voor velen een innerlijk aanvoelen van de mogelijkheid, dat de mens twee, drie, of meermalen op de wereld zou moeten leven. Deze reïncarnatie is iets, waarvoor de doorsnee mens weinig voelt. Men zegt zich namelijk: “Wat ik allemaal op aarde heb doorgemaakt, wil ik niet nog eens doormaken”. Daarbij vergeet men, dat men nimmer precies hetzelfde door zal maken, omdat elk leven nu eenmaal verschillend is, andere mogelijkheden van beleven en denken biedt.

Dit laatste vloeit alleen reeds voort uit het feit, dat elk volgend leven het product is van alle vroegere bestaansperioden. Wanneer je in dit leven een geestelijke ontwikkeling doormaakt, zo moge deze in het menselijke uiterlijk misschien niet zo sterk kenbaar worden, maar al hetgeen bereikt wordt, kan toch door de mens geheel worden meegenomen in een mogelijk volgend stoffelijk bestaan, zodat hij hiervan alle vreugden en baten genieten kan. De mens kan over reïncarnatie niet op deze wijze denken, omdat hij nu eenmaal met al zijn gedachten steeds weer uitgaat van de stoffelijk bekende waarden en mogelijkheden.

Ik zal u dan ook niet vertellen, wat de wereld van de geest eigenlijk is, of zelfs maar, wat uw innerlijke wereld op het ogenblik is. Naar mijn mening is het voor u belangrijker te beseffen, wat op het ogenblik voor u het voornaamste is. Misschien klinkt het u vreemd in de oren, wanneer ik stel, dat het op aarde voor alle mensen in de allereerste plaats belangrijk is, dat zij zich geheel en met geheel hun wezen in durven zetten voor alles, wat zij nastreven en zich daarin geheel en zonder voorbehoud weten te geven. Op het ogenblik, dat je iets half doet, blijkt, dat men niet alleen in prestatie tekort schiet, maar ook innerlijk niet werkelijk gelukkig kan zijn. Men voelt, dat er ergens iets niet in orde is. Men kan dit tekort schieten voor zichzelf wegpraten, of verklaren, maar innerlijke vrede wint men daardoor niet. Wanneer men de innerlijke vrede niet kent, zal men op het ogenblik van de overgang niet rustig kunnen zijn.

Ikzelf ben overgegaan op een wijze, die de meesten onder u wat onaangenaam zullen noemen. Ik bevond mij tijdens de oorlog in een superfort (superfortress Red.) dat explodeerde. Toch was dit in feite voor mij een voordeel. Ik was op het ogenblik, dat de dood kwam, zo verzonken in mijn taak – al was dat dan misschien geen bijzonder mooie taak – dat ik onmiddellijk bewust kon worden van de andere wereld, waarin ik belandde. Want op het ogenblik van de overgang, leefde ik met geheel mijn wezen en ik was geheel met mijzelf in harmonie. Er was op dat ogenblik niets half, geen enkel voorbehoud.

Wanneer je goed wilt zijn, dan is het voldoende goed te leven. Dan moet je deze goedheid tot in je ziel ervaren. Je moet van binnen en van buiten gelijkelijk goed trachten te zijn en niet ergens een compromis aanvaarden. Wanneer je je voor hebt genomen iets te doen, doe het, maar doe het met de inzet van je gehele persoonlijkheid, zonder weifelingen of voorbehoud. Misschien meent u, dat dit esoterisch van minder belang is. Maar ik kan uit eigen ervaring verzekeren, dat vanaf het ogenblik, dat u met geheel uw wezen begint te leven en te streven, vanaf het ogenblik, dat geest en stof één geheel vormen, je meer en meer bewust deel wordt van een complexe eeuwigheid.

Wij leven in een wonderlijk samengesteld Al. Indien wij innerlijk nu te complex worden, ontmoeten te veel schijnbaar strijdige waarden elkaar in ons wezen en kunnen wij niet de innerlijke eenheid bereiken, die jou boven jezelf uittilt en je een groter begrip doet verwerven, dan zonder dit mogelijk zou kunnen zijn. Mijn raad zou zijn: Tracht als mens niet te veel te praten over hoge en geestelijke zaken. De meeste mensen, die over deze dingen voortdurend spreken, behoren tot degenen, die van ware geest en hoogheid heel weinig begrijpen. Maar wanneer je deze dingen innerlijk aanvoelt en begrijpt, is een uitspreken niet meer noodzakelijk. Probeer de hogere waarden in jezelf te beleven. Tracht ook niet de anderen te leren over alles, wat je als goed voelt, maar doe het. Dat is de enige juiste en goede methode om een snelle bewustwording te bereiken.

Wanneer ik in de stof moet leven en in dit bestaan voor mijzelf een aanvoelen en aanvaarden heb opgebouwd van alles, wat voor mij een noodzaak is, voor alles, wat onontkoombaar voor mij lijkt te zijn, is er in mij een gevoel, dat zegt: nu ben je in harmonie met de Oneindigheid…. In elk leven en voor elke mens zijn er omstandigheden, waaraan hij niet kan ontkomen. Er zijn nu eenmaal belevenissen, die je door moet maken, waaraan je niet kunt ontkomen. Er komt een ogenblik, dat je een echtgenoot verliest, of op andere wijze iemand, die je dierbaar is, verliezen moet. Misschien vraag je je dan af: mijn God, was dit nu noodzakelijk? Misschien denkt men wel: dit was uiteindelijk mede mijn schuld… Maar wanneer je het beste hebt gedaan, wat maar mogelijk was, zo dien je deze dingen te aanvaarden. Je bent dan ook in staat, tot deze aanvaarding.

Wanneer je de onontkoombare feiten, die voor u misschien uit het verleden ontstonden, hebt aanvaard, blijkt, dat men alleen hierdoor reeds vele van deze problemen tot oplossing kan brengen. Tracht voor alles bij de dingen die jezelf kunt bepalen, ook te begrijpen, wat voor jezelf het belangrijkste is. Vraag niet, wat de geest ervan zal zeggen, of wat de mensen zullen zeggen. Vraag zeker niet, wat God in dit geval wenselijk vindt, want deze dingen kunnen wij in de stof toch niet beseffen. Stel: Ik zal altijd het beste doen, wat mij – volgens mijn besef, begrip en gevoel – mogelijk is…. Wie op deze wijze zowel voor zichzelf als voor anderen voortdurend rechtvaardig is en geen moeite schuwt om het juiste te doen, gaat niet alleen begrijpen wat er in andere mensen leeft, maar vindt in andere mensen zowel als in zichzelf een steeds groeiende weerkaatsing van de kosmos, die steeds duidelijker en begrijpelijker eigen plaats in de schepping bepaalt.

De eerste keer, dat ik bij een geestelijk meester kwam, toonde hij mij beelden van mijn eigen sfeer. Ik leefde toen in een vormsfeer. Hij toonde mij daar voorkomende beelden van een bloem, een vlinder, een vogel. “Bezie deze dingen, want dit alles is God, het is alles uit God, het is alles deel van God.” Ik heb hem wat vreemd aangekeken en mijzelf afgevraagd, of dit nu werkelijk wel een hoge meester was. Toen vroeg de meester mij dichter bij te komen en met hem samen deze dingen te bezien. Het vreemde is, dat ik werkelijk een bloem, een vogel, een vlinder zag veranderen tot zij als fonkelende edelstenen een eigen licht uitstraalden, alsof het sterren waren, die in de ruimte zweefden. Het klinkt eigenaardig, maar het is de volle waarheid. Ik heb dit zelf doorgemaakt. Indien wij leven, zo goed als wij kunnen, komen wij tot een aanvaarding van onszelf, van de schepping en van God. Maar ook leren wij deze meesters aanvaarden en hun – voor ons – eigenaardige stellingen en uitspraken begrijpen.

Wanneer u zo dadelijk heengaat, kunt u een nuchter oordeel vellen over mijn woorden. Misschien meent u wel, dat ik veel onzin heb verteld, of vindt u mijn woorden mooi. Maar wanneer u de zin ervan begrijpt, zult u misschien kunnen zeggen: voor een ogenblik heb ik het gevoel gehad, alsof ik achter de façade van mijn eigen leven kon schouwen en daar zag ik de juwelen van God, die de schepping zijn. Wanneer u iets van deze Lichtende, glans in al het geschapene hebt ervaren, bent u op het goede spoor. Wat mijn woorden u aan kennis geven, is in vele gevallen niet veel meer dan ballast, die men zal moeten uitwerpen, wanneer men hoger stijgt. Een ballon, die het punt van evenwicht bereikt, zal niet verder stijgen, tenzij men alles uitwerpt. Een geest, die een bepaald punt bereikt van evenwicht tussen haar leven en kennis, zal, zo zij de innerlijke krachten wil gebruiken om nog verder te stijgen, vele mooie geestelijke stellingen over boord moeten gooien. De kennis kan onder omstandigheden tot ballast worden, maar dat, wat je werkelijk bent, wat je werkelijk leeft, is de drijvende kracht, die je opvoert tot hoger sferen en bereiken.

Het is niet voldoende het leven alleen maar te ondergaan. Voor mij is de essence van de esoterie dan ook niet, wat de meeste mensen ervan maken: het opbouwen van filosofische stellingen. Het is leven in waarheid. Men moet de werkelijkheid voor zichzelf zowel innerlijk als uiterlijk voortdurend bewust beleven en tot uiting brengen, volgens hetgeen je als goed kent natuurlijk. Wanneer je dan een daad stelt, die je voelt als eigen wil, eigen werken, kun je altijd aanvoelen, dat het goed is geweest. Wanneer je iets doet, waarvan je voelt: dit is niet mijn vrije wil en denken, dit wordt mij opgedrongen, dan kun je altijd stellen: indien ik hieraan niet voorbij kan gaan, zo zal ik dit kunnen aanvaarden, dragen en volbrengen, want dit is God, dit is de kosmos. De daden, die ik vanuit mijzelf stel, maak ik bewust tot een erkennen van God in mijzelf in het besef, dat de daden, die ik vrijelijk en zonder dwang stel, voor mij “the moving elements of life” vormen; dat het deze dingen zijn, die je innerlijk dichter tot God kunnen brengen. Voor ons zijn deze dingen de kleine dingen van het leven, maar het zijn deze kleinigheden, die ons dichter tot onze God kunnen brengen.

Vrienden, ik zal nu trachten u over te geven aan een andere spreker, die met mij tezamen nog  verder commentaar zal geven op alles, wat ik reeds trachtte u te zeggen.

(snelle wisseling van sprekers)

Indien wij van deze stellingen uitgaan, vinden wij voor onszelf de waarde van het kleine in het leven als de juiste en alomvattende uitdrukking van de kosmische waarheid. Spreken over Goddelijke waarden, spreken over zelfkennis kan soms een nuttig en aardig tijdverdrijf zijn. Het is het werkelijke beleven, van de dingen, het zelf iets tot stand brengen binnen de je gestelde grenzen, dat je goed acht. Schoon is de ware vreugde van het leven, de kracht die je werkelijk innerlijke bewustwording geeft. Dit is de kern van wat onze vriend u wilde zeggen.

Ik zal trachten, in samenwerking met onze vriend Bill, u nog enkele stellingen te geven.

Het meest belangrijke in het leven is voor ons allen altijd weer de harmonie, die wij met anderen weten te bereiken. Deze harmonie kan alleen ontstaan, wanneer wij innerlijk zo harmonisch en tevreden mogelijk zijn. Het blijkt niet voldoende, wanneer wij alleen innerlijk tevreden en harmonisch zijn, want in onszelf blijven wij dan van de wereld afgesloten. De tevredenheid over onszelf, de tevredenheid omtrent gedrag en streven, die in ons bestaat, moet samenklinken in het leven, streven en werken van anderen. Wij moeten steeds samen gaan met de wereld rond ons. Door in die wereld te leven beseffen wij de plaats, waarop wij staan binnen de schepping. Zelfkennis alleen, het ontraadselen van je eigen wezen aan de hand van psychologie e.d. kan misschien zeer interessant zijn, maar kan ons niet iets werkelijks geven, iets, wat ons het Goddelijke Licht, zoals het zich aan ons tonen wil in onze onmiddellijke wereld, kan openbaren. Het lijkt ons daarom wel in de eerste plaats noodzakelijk, dat de mens de plaats, waarop hij in de werkelijkheid is gesteld, leert beseffen.

Niemand komt op de wereld, zonder dat hem daar een taak wacht. Deze taak behoort tot de belevingen, die wijzelf niet helemaal kunnen beïnvloeden. Men moet deze taak volbrengen, of men dit nu aangenaam vindt of niet. In elk leven is er een reeks van belevingen aan te wijzen, waaraan men niet ontkomen kan, zelfs indien men dit zou wensen. Deze dingen moet men aanvaarden, waar zij tevens een omschrijving vormen van de plaats, die men volgens bewustzijn en Goddelijke wil in de wereld inneemt. Deze uitdrukking van eigen innerlijk bewustzijn en het geestelijke vlak, waarop men leeft, geeft niet alleen de plaats in eigen wereld weer, maar duidt tevens aan, welke plaats men inneemt in het kosmische bestel.

Van hieruit gaat men verder door te zoeken naar het Goddelijke Licht. Je gaat vanuit jezelf in de kleine en vrije daden – hoe onbelangrijk en nutteloos deze dingen in de wereld misschien ook mogen lijken – trachten, in wisselwerking met de wereld en alle andere krachten die zich harmonisch aan je kunnen openbaren, iets op te bouwen, dat schoonheid in zich draagt. Heb je door de aanvaarding van het grote en schijnbaar meer belangrijke je plaats kunnen omschrijven, eerst door de kleine daden verwerft men het innerlijke Licht. Dit Licht stelt je in staat jezelf te aanschouwen en onthult verdere waarheden over jezelf. Denk niet, dat bewustwording een moeizaam beeldhouwen is van een voorstelling, die weergeeft: zó leef ik in de kosmos…. Eerder kan men deze bewustwording vergelijken met een schim, die men voor een ogenblik in een bliksemschicht ziet. Het beeld herhaalt zich, tot men op de duur ook de details kent. Zo verwerf je op de duur een indruk van je gehele persoonlijkheid en je kunt zeggen: “Dit ben ik!” Is het dan belangrijk om dit Ik geheel in menselijke woorden te kunnen definiëren?

De esoterie, die onze vriend voorstaat en zijn stellingen, die ik voor een groot deel wil bevestigen, mede aan de hand van mijn eigen ervaringen, kan in deze woorden worden uitgedrukt:

Zoek in het leven de plaats in te nemen, waarvoor je bestemd bent.

Zoek in het leven de vreugde, het Licht en het Goddelijke te ervaren, waar de mogelijkheid hiertoe je maar wordt gegeven.

Zoek deze dingen in een zo groot mogelijke harmonie met jezelf, de mensheid en de wereld van de geest, maar bovenal in innerlijke harmonie met de God, waarin je gelooft. Dan zal je jezelf kennen.

Het is eenvoudig deze leefregels op te stellen. Indien u van mij zou verlangen, dat ik u hier een reeks van regels zou opnoemen, als een reeks van geboden en wetsartikelen, dan zou ik u ongetwijfeld kunnen vertellen, hoe ik op aarde zou moeten leven om van mijzelf bewust te worden, het hoge Licht rond mij te beseffen en de kracht in mij te kunnen uitdragen.

Maar dit alles zou mijn weg en mijn wet zijn, niet de uwe. Als u begrijpt, wat dit inhoudt, zult u ongetwijfeld stellen: Ik moet dus mijn eigen wet en regel zoeken… . Dit is inderdaad waar. Er is voor u geen Licht en duister, dat in algemene maatstaven kan worden uitgedrukt. Er is voor u geen grens tussen goed en kwaad, die precies staat opgetekend. Er is voor u alleen het eigen Ik en de harmonie, die u vanuit dit Ik, binnen de voor u noodzakelijke gebeurtenissen nog kunt bereiken, de harmonie met je God en alles, waarin Hij Zich openbaart.

Deze betrekkelijk eenvoudige stelling is het begin van alle dingen. Uiteindelijk is dit alles de kern van alle leringen. Het is de waarheid, die achter de afstammingsleer van de Hindoe verborgen ligt en in de Veden berust. Het is deze waarheid, die de uiteindelijke kern uitmaakt van de leer, die de Gautama Boeddha verkondigde. Want alle waarden in het leven berusten op hetzelfde: “HET VINDEN VAN DE WEG”, de weg, die wordt uitgedrukt in een werkelijke liefde voor de Schepper en de wereld, een liefde voor de Schepping, die tevens impliceert, dat je kunt aanvaarden, wat je lot is, ofschoon je nog niet kunt beseffen, waarom dit alles juist jou wordt opgelegd. De weg is zeker ook de liefde voor God, voor het Al, de mensen en de wereld, die je vreugde doet puren uit het bestaan op een wijze die de Goddelijke werkelijkheid in alle vreugde steeds weer tot uiting brengt.

Onze vriend Bill vraagt mij om u nog op één punt te wijzen:

Vele mensen denken, dat het noodzakelijk is zich bij voortduring bezig te houden met ingewikkelde boeken, stellingen en berekeningen zelfs. Zij menen, dat de kennis, die zij zich op deze wijze verwerven, in feite geestelijk is. Wat u aan geestelijke kennis verwerft, is nooit identiek met menselijke feiten, materiaal en menselijke stellingen. De geestelijke wijsheid uit zich binnen het menselijke leven als een mentaliteit. Wat de geest uit de stof mee kan nemen, is in feite een weergave van haar eigen houding tegenover God, haar contact met God en de uitdrukking, die zij aan dit contact weet te geven tijdens een uitdrukking binnen een bepaalde sfeer of wereld. Vanuit het Goddelijke put zij dan inderdaad vele krachten en vermogens, veel weten en veel wijsheid, zoals die uit aards weten zelf nooit geboren kunnen worden.

Het is goed te studeren, wanneer je daarvoor de tijd hebt en niemand daardoor tekort doet. Maar wanneer de studie niet tot u spreekt, wanneer het u vaak is, alsof u door een taaie brij, een moeras van woorden moet worstelen, dan is een dergelijk zoeken naar wijsheid een ver- spillen, tenzij zij stoffelijk gebruikt moet worden. Voor de geest is eerder wat men ondergaat belangrijk en vindt de bewustwording zijn kennis uit al hetgeen tot u spreekt in het leven en vanuit andere werelden.

Onze vriend vraagt mij u duidelijk te maken dat ware godsdienst, ware bewustwording en ware wereldaanvaarding allen eigenlijk hetzelfde inhouden en geestelijk gelijk zijn.

Vanuit mijzelf voeg ik hieraan nog het volgende toe:

In een oude stelling staat: “Zij, die tot bewustzijn van het hoogste willen rijzen, kunnen slechts bewust worden in nederigheid…” Hiermede doelt men niet op de noodzaak tot zelfonderschatting, maar men geeft weer, dat men zijn eigen grenzen steeds moet beseffen, eigen onvolkomenheden steeds weer moet erkennen. Hierdoor zal het de mens immers mogelijk worden vele dingen te aanvaarden, die hij anders vanuit een gezagspositie, die hij zich aanmeet, liever zou willen verwerpen. Durf eerlijk toe te geven: met alles, wat ik weet, weet ik eigenlijk nog niets, daarom kan zoveel van hetgeen ik denk, meen te weten, of mij geleerd wordt, onjuist zijn. Daarom kunnen de waarden zoveel verschillen van mijn inzichten, dat ik alles moet kunnen aanvaarden, verdragen en verwerken. Maar juist omdat ik geen zekerheden heb, zal ik leven volgens mijn innerlijke kennis en wet, al zal ik van geen andere mens een aanvaarden van deze maatstaven vergen.

Besef, dat u tijdens het leven zeer veel kunt verwerven indien uw benadering van de Schepping en de Schepper, op nederigheid is gebaseerd en u zich geen gezag t.o.v. anderen aanmeet. Nederigheid is volgens mij het eerste begin van een ware Godsaanvaarding. Degene, die hierdoor een contact verwerft met zijn Schepper, vindt vanuit die Schepper alle noodzakelijke kennis, alle woorden en beschouwingen, die voor hem noodzakelijk zijn. Deze waarden gaan alles te boven, wat een mens in een menselijk leven ooit zou kunnen leren.

Indien u harmonisch met uw God leert zijn, zo zal alles, wat u begeert te kennen, inderdaad duidelijk voor u worden. Wilt u de magie kennen, wilt u wonderen doen? De kracht en het weten daartoe worden u dan gegeven. Wenst u uzelf in waarheid te aanschouwen? Zodra u daarvoor rijp bent en u dit kunt verdragen, zal dit inderdaad geschieden. Alles is u mogelijk, indien u met uw God harmonisch bent. Maar deze dingen kan men nimmer verwerven, wanneer men eisen stelt. Dit alles is alleen te verwerven door aanvaarding in nederigheid.

Laatste opmerking: De grootste fouten op het gebied van esoterie worden niet gemaakt door mensen, die fantastische dingen zeggen of dromen, of door mensen, die zich aan de kille stoffelijke wetenschap houden. Zij worden gemaakt door de mensen, die steeds weer eisen, dat hun eigen innerlijke gesteldheid een antwoord zal vinden bij anderen, want dit is de hoogmoed, die alles breekt. Wanneer je verlangt, dat een ander met jou harmonisch zal zijn, jou zal kunnen begrijpen, dan stel je je boven de anderen en maak je werkelijke harmonie en, wat jezelf betreft, ook werkelijk begrip, onmogelijk. Als je alle harmonie onmogelijk maakt, zul je geen contact kunnen vinden met de grote krachten, die in het leven de noodzakelijke en onmiddellijke aanvulling vormen voor de vermogens van alle mensen, terwijl ook een contact met God voor jou niet meer mogelijk is en waan treedt in de plaats van de kosmische werkelijkheid.

image_pdf