Feeling en magie

uit de cursus ‘Occulte praktijk’ (hoofdstuk 5) – februari 1966

Feeling en magie

Magie is een vreemd woord, waarin iedereen altijd het meest duistere schijnt te zoeken. Ik weet niet waarom, maar het is nu eenmaal zo. Daarnaast kennen we iets, wat iedereen wel eens heeft meegemaakt, maar waarmee de meeste mensen geen raad weten. Dat is de z.g. feeling, het aanvoelen der dingen. Ik zou deze twee waarden vandaag eens met elkaar willen vergelijken en duidelijk willen maken in hoeverre magie eigenlijk niets anders is dan het uitbuiten van wat men feeling noemt. Om te beginnen wil ik een paar punten geven en daaruit zullen wij dan proberen de les op te bouwen.

  1. Bij alle magie is een van de doeleinden die wordt nagestreefd, het verplaatsen van het “ik” in een werkelijkheid die buiten het normale ligt, maar die toch met het normale in re­latie staat. Feeling is het aanvoelen van waarden, die buiten het normale redelijke denken liggen, maar die toch met de redelijke wereld in verband staan.
  2. De magiër specialiseert zich in het oproepen van bepaalde gevoelens, instellingen, zelfs het veranderen a.h.w. van zijn persoonlijkheid om op deze wijze de vreemde realiteit, die achter de werkelijkheid ligt, voor zich bereikbaar te maken. De doorsnee‑mens, die feeling heeft, zal dit aanvoelen onderdrukken of er hoogstens een glimlach voor over hebben.
  3. Alle aanvoelen is in feite psychische gevoeligheid. Wanneer deze psychische gevoeligheid bestaat, maakt zij het moge­lijk waarden te onderkennen, die buiten het normaal redelijk ver­band om misschien in de wereld aanwezig zijn. Daarbij kunnen waar­den van instinct, van onderbewustzijn een rol spelen. Er kunnen onbewuste waarnemingen een rol spelen en eveneens geestelijke ele­menten. Wanneer wij gebruik maken van onze feeling, bereiken wij resultaten die boven de norm liggen van wat redelijk zou kunnen worden verwacht.
    In de magie bouwen wij voor onszelf een wereld op en trachten die met onze eigen wereld te verbinden. Wanneer wij sterk gebruik maken van onze gevoelswaarden, onze emoties en als wij het geheel op de juiste wijze stuwen, dan ontstaan er resultaten, die redelijk gezien onmogelijk zouden moeten zijn. Ook hier kunnen wij zeggen dat misschien bepaalde instincten, een beroep op instincten, bijgelovigheden, waarden van het onderbewustzijn, zelfsuggestie en dergelijke een rol spelen. Het feit dat er resultaten zijn, blijft.

Als wij dit zo stellen, dan heeft u misschien wel gemerkt dat er een parallel bestaat. Alleen, in de magie doen wij de dingen bewust. Wij weten misschien niet helemaal waarom we het doen (vaak is het een traditie, een soort rite), maar wij streven bewust iets na. Bij het aanvoelen der dingen zijn wij maar al te vaak geneigd ze opzij te schuiven.

Stel nu eens dat ik alles wat ik aanvoel probeer om te zetten in werkelijkheid, dan krijgen wij een training. De magiër zal dan ook in het begin zijn ritueel van buiten moeten leren. Hij zal misschien 20 of 100 keren dezelfde proef moeten nemen, voordat hij een belangrijk resultaat bereikt, want hij moet eerst a.h.w. in die rol opgaan. Hij moet haar deel van zijn werkelijke persoonlijkheid weten te maken. Degene, die die psychische gevoeligheid heeft, zou dus ook moeten oefenen. Hij zou het moeten ontwikkelen en het dagelijks moeten gebruiken. Op den duur komen dan de resultaten.

Wat zijn de resultaten, die wij kunnen bereiken met deze feeling?
Wel, in de eerste plaats projecteert de doorsnee‑mens een deel van zijn eigen leven a.h.w. vooruit. Hij is over het algemeen ‑ al dringt dat niet tot het bewustzijn door ‑ reeds bekend met de waarden, die in de komende uren bij hem zullen optreden. Indien hij niet fantaseert en tracht de dingen weg te drukken door een wensleven of iets anders, dan kan hij zich dus altijd van te voren voorbereiden op wat er gaat komen. Hij zal zelden worden overvallen door zelfs het meest onverwachte. Daardoor kan hij sneller en juister reageren. Hij kan grotere resultaten bereiken.

De magiër doet eigenlijk precies hetzelfde, als hij – maar dan via een spel van incantaties, diagrammen, suggestie, het branden van kaarsen enz. –  voor zichzelf de toekomst probeert te kennen. Ook dat gebeurt. En datzelfde doet ook degene die zich in een soort auto‑hypnose brengt door te staren in een kristallen bol. Men probeert vooruit te zien. Maar het vooruitzien is aan de meeste mensen eigen. Alleen, ze maken er geen gebruik van. Wat is hier dus het grote verschil?

Het verschil is, dat de magiër kunstmatig de situatie gaat scheppen, die in de mens natuurlijk aanwezig is. Nu houdt u misschien meer van roomboter dan van margarine, dat is uw zaak. En u mag meer van magie houden dan van het gebruik van uw natuurlijke, occulte begaafdheden. Maar ik voor mij geloof toch wel, dat het gebruikmaken van feeling ‑ juist omdat zij eigen is aan het  menselijke wezen ‑ eenvoudiger, juister en ook minder kans op mislukkingen biedt dan de magie. Elk heeft zijn eigen oordeel,

Dan kunnen wij verder door feeling vaak de werkelijke achtergronden van hetgeen wij aanschouwen of horen begrijpen. Iemand die feeling heeft, leest een krant. En als hij in die krant een artikel leest, dan leest hij niet wat er staat geschreven en zeker niet wat de redacteur hoopt dat hij zal lezen. Hij leest ertussendoor wat men eigenlijk wil verzwijgen, wat anders is. Hij leest juist de punten die men tracht te omzeilen. Hij krijgt dus een juister beeld van de werkelijkheid. Een ander voorbeeld: u ontmoet iemand. Die mens kan er buitengewoon charmant uitzien, prettig, aangenaam. Maar het aanvoelen zegt: die mens is niet helemaal juist; u let dus beter op. U gaat dan ontdekken dat er bij zo’n persoon bepaalde afwijkingen van het uiterlijk zijn. Het zijn kleine nuances, die u anders zouden ontsnappen. U bent dus beter voorbereid op de fouten van de ander en u zult er minder snel het slachtoffer van worden. Misleiding kan worden uitgesloten.

De magiër gebruikt voor datzelfde doel een hele procedure, waarmee hij allerhande geesten (meestal planeetgeesten zoals van Mars, Jupiter en Neptunus) oproept om hem bij te staan, desnoods ook nog de oerkracht van de zon om hem licht te geven. Maar de mens heeft dat licht al.

Voorbeelden zijn er te over te geven, maar we zullen onze tijd daarmee niet verdoen. We zullen proberen de kwestie van feeling te definiëren t.a.v. het praktisch gebruik en daarnaast zullen we trachten in de magie de hulpmiddelen te vinden om in het begin die feeling misschien wat aan te moedigen en er wat beter gebruik van te maken,

Dan komen we vanzelf tot de vraag: Heb ik feeling?

Het antwoord is: Ja. U hebt altijd een gevoelsmatige waardering, die van de werkelijkheid, althans de kenbare werkelijkheid, afwijkt. U zult ontdekken dat u in bepaalde gevallen altijd verkeerd kiest in­dien u op uw gevoel afgaat; en ook dat kan een indicatie zijn. Er zijn mensen, die bv. bij een songfestival altijd het liedje kiezen dat de minste stemmen krijgt. Dan zeggen ze: Ja, maar we willen toch ook het winnende liedje bepalen. Nu goed, kijk welk liedje u het  slechtst bevalt en kies dat. Met andere woorden: u hebt wel feeling, maar die kan lineair zijn. Ze kan echter ook omgekeerd zijn. Zo kan zelfs een doorkruising van het normale zijn; en dat zullen wij eerst moeten ontdekken.

Hoe constateer ik dit? Dat is heel eenvoudig: schep voor uzelf een proef. U kunt het natuurlijk wel doen met een knikkerproef e.d. en dan kunt u er misschien iets uithalen, maar dat is niet veel. Maar als u nu toevallig de tijd hebt, kijk eens naar buiten en zeg tegen uzelf: De eerste, die voorbijgaat, zal een fietser zijn en dat zal een dame of een heer zijn. Probeer op die manier eens te kijken, hoe vaak u het raak hebt. Blijkt dat u het regelmatig mis hebt, dan betekent dat voor u als u denkt “daar komt een man”, dat er een vrouw komt. Het klinkt kinderachtig. Het is een soort spelletje. En dat spelletje gaat u ook doen t.a.v. het uur, waarop een vaste klant of de bakker of groenteboer aan de deur komt. Hij zal vandaag vroeger komen of later. Controleer dat. U zult dan ontdekken dat er in uw gissingen een bepaalde afwijking zit; soms is dat een grote, soms een kleine. Ze is echter altijd positief of negatief.

Hebben wij eenmaal op die manier de afwijking geconstateerd, dan kunnen wij eigenlijk pas beginnen onze feeling wat meer te gebruiken, want nu weten we tenminste hoe wij georiënteerd zijn. Later zal misschien nog wel blijken, dat die oriëntatie t.a.v., geestelijke waarden rechtlijnig is en dat ze t.a.v. stoffelijke waarden bv. omgekeerd ligt. Maar voorlopig houden we ons bij de eerste constatering.

Nu gaan we, als wij een gevoel hebben, dit volgens de gevonden regel exploiteren.

U staat bij de tramhalte. U moet lijn 21 hebben en daar stoppen lijn 14, lijn 7 en lijn 3. Als u tegen uzelf zegt: “Nu moet lijn 3 komen” en er komt lijn 21, dan hebt u het mis. Zegt u elke keer, als lijn 21 komt “daar komt lijn 3 of 7”, dan heeft u weer een punt gevonden. U kunt er dan rekening mee houden dat ‑ wanneer u denkt nog even de tijd te hebben, want die tram of trein komt nog niet ‑ u dan weg kunt gaan; want dit gevoel van gerustheid is in feite een ontkenning van een bestaande onrust.

Gebruik die gevoeligheid overal waar u kunt; ook als u in dubio staat tussen twee kwaliteiten: wat zal de beste zijn? Heeft u een negatief oordeel, neem dan wat u het slechtst acht. U komt er het best mee uit en omgekeerd. Pas dit in het dagelijks leven toe. Het is raar maar waar.

De volgende vraag is dan onmiddellijk: Heb ik daar dan ook praktisch iets aan? Ja, natuurlijk. In de eerste plaats leert u dus sneller een juiste beslissing te nemen. U leert om bepaalde waarden, die u verstandelijk niet helemaal kunt vastleggen, mee te betrekken in uw reactie op de wereld. En hoe meer u dat doet, hoe meer dat instinctmatig gaat, hoe meer het automatisch wordt. Maar u gaat ook nog iets anders doen: u gaat delen van uw persoonlijkheid, die eigenlijk dormant zijn, omdat ze in de praktijk door de rumoerigheid van de wereld worden onderdrukt, actief maken. Door die activiteit verandert ook uw persoonlijkheid. U komt tot een totaal nieuw beleven van alles wat misschien precies hetzelfde is. Uw sleur blijft gelijk, maar de waarden liggen anders en daardoor is het voor u veel gemakkelijker iets te bereiken.

Hebben we er geestelijk iets aan? Dat zullen wij moeten afwachten. Want indien wij eenmaal die bepaalde procedure in de stof hebben gevonden, dan zullen wij t.a.v. de geestelijke waarden precies hetzelfde moeten proberen.

Nu zijn er mensen die dat graag doen, maar die laten de wens de vader van de gedachte worden.

Ik heb het eens gehad op een vrijdagavond, dat ik in het tweede gedeelte kwam. Ik weet niet precies meer of ik iets bijzonders deed, maar iedereen begon onmiddellijk te fluisteren. “Daar komt Henri.”

Dat was natuurlijk een volkomen verkeerde feeling. Toch is het wel aardig om ook dergelijke dingen eens te proberen. Om je eens af te vragen hoe een geestelijke waarde, die je aanvoelt, zal zijn. En als je aanvoelt dat er een goede geest bij is, dan moet het automatisch goed gaan. Gaat het verkeerd, dan heeft u goed genoemd wat voor u slecht is.

Op die manier is ook een oriëntatie t.o.v. geestelijke waarden gemakkelijk. U gaat daarop eveneens reageren. Een juiste reactie, op de voor het “ik” positieve en negatieve waarden in de geest, betekent dat een positieve bewustwording eenvoudiger wordt. En dat de terugval, de ellende, die een negatieve benadering geeft, kan worden vermeden.

Nu zijn dit allemaal heel eenvoudige raadgevingen. Maar wij moeten toch nog proberen een methode te vinden waarmee wij die feeling, dat gevoelsmatig erkennen, een klein beetje meer kunnen vastleggen. Want we hebben vaak een brug nodig tussen de gevoelswereld en de wereld van de rede. En daarvoor moeten wij bij de magie terecht komen. De magie bouwt nl. een brug tussen een wereld, die voor de norm op aarde onwerkelijk is en de algemeen erkende werkelijkheid.
Indien wij een brug moeten bouwen tussen een innerlijke wereld, die voor ons ergens irreëel blijft, en onze eigen werkelijkheid, dan zullen wij ook van bepaalde riten en procedures der magie gebruik kunnen maken, want wij moeten een brug slaan. En dan ontlenen wij aan de magie allereerst dus de z.g. suggestieve waarden. Ik ga deze maar in punten noemen, anders wordt het een veel te lang verhaal.

Ten eerste: De brug tussen onwerkelijkheid en werkelijkheid is voor de mens vaak gelegen in een stimulans. Deze stimulans kan de tastzin of een der andere zintuigen betreffen. Zij zal echter altijd een vereenvoudiging betekenen.
De magie stelt: Als ik bepaalde werkingen vanuit de geest voort­durend verlang, zo zal ik de kracht daarvan binden aan een voorwerp, vastleggen in een zegel of diagram, zodat ik ‑ dit gebruikende ‑ onmiddellijk het contact met de gewenste krachten bereik.
Als wij dus een bepaalde vorm van concentratie nodig hebben, dan kunnen wij kralen tellen, zoals de muzelman dat doet. We kunnen een gelukssteentje of een geluksmunt nemen, zodat wij het even kunnen aanraken. We weten dat het geen geluk brengt, maar voor ons is het stimuleren van feeling geassocieerd met het voorwerp.

Ten tweede: Wanneer ik een groot ritueel wil volbrengen, zal ik daarvoor alle noodzakelijke maatregelen moeten treffen, zegt de magie, Onthouding, meermalige reiniging, concentratie‑oefeningen en eventueel gebed zijn noodzakelijk, voordat de grote taak kan worden aanvaard. Voor de kleine werken kan ik volstaan met de symbolen van hetgeen voor het grote werk noodzakelijk is.
Dan hebben we alweer wat geleerd. Indien wij heel grote dingen willen gaan doen met ons gevoel, dan moeten wij ons wel helemaal weten los te maken van de redelijkheid en van de wereld; en dat vraagt tijd. Maar als ik nu eenmaal weet, dat ik om die feeling te laten werken mijn verstand opzij moeten zetten, dan kan ik voor mijzelf een aantal symbolen scheppen, waardoor ik mij vrij maak. Het gekke is dat ze vaak worden gebruikt.
Heeft u wel eens een medium zich zien afnemen? U denkt misschien dat dat werkelijk het schoonmaken van fluïde is of het wegwerpen van vreemde dingen. Troost u, dat is helemaal niet waar. Wat zo iemand doet, dat is door het gebaar of de illusie van het wegwerpen zijn totale bewustzijn in te stellen op een bevrijd‑zijn van een vreemde invloed.
Daarom, kies voor uzelf enkele eenvoudige gebaren of handgrepen, die voor u het symbool zijn van een terzijde stellen ‑ zij het tijdelijk – van de redelijke wereld. Dat zal uw concentratievermogen bevorderen en het zal vooral in het begin u helpen deze feeling a.h.w. scherper omlijnd te gevoelen,

Ten derde zegt de magie ons: Alle krachten die in het Al bestaan, kunnen in harmonie worden gebracht met mijn wezen. Daartoe kan ik gebruik maken van stoffen: etherische stoffen, vaste stoffen, verbrandingsprocessen. Ik kan daarvoor gebruik maken van symbolen van kosmische of stoffelijke geaardheid en ten slotte van de persoonlijkheidsuitdrukking. Wanneer de afstemming is bereikt, zal het contact een wederkerige zijn, totdat het werk is beëindigd. En nu is dat laatste voor ons weer interessant.
Als ik feeling ontwikkel, dan komt er een ogenblik dat ik wer­kelijk in harmonie ben gekomen met dat onbewuste deel van mijn waarneming, mijn vermogen. Zolang de feeling een bepaalde zaak betreft, zal zij op mij terugwerken. Omdat ik heb geleerd de rede a.h.w. een ogenblik terzijde te stellen, zal zij op mij inwerken. Ik krijg dus een versterking van de feeling en ik krijg een verlenging van de duur, waarin ze werkzaam is. Dit impliceert, dat ik mij dus gemakkelijker realiseer dat er een gevoel aanwezig is; en dat ik dat gevoel ook gemakkelijker in verband kan brengen met stoffelijke waarden of  noodzaken. Want wanneer iets is gebeurd, houdt het gevoel op. Ik weet dus welke associatie er bestond. Op deze manier kunt u dus ook een eindje verder komen. Maar nu moeten we toch wel heel voorzichtig zijn, want wij bouwen nu wel een brug, maar we zouden haast vergeten dat de magie altijd begint met een aantal waarschuwingen. En daaruit citeer ik een klein stukje:

“Indien gij u waagt aan een bezwering, zo zult ge de staf, het zwaard en de dolk, met u nemen. Gij zult u wapenen tegen wat op uw weg komt. En ge zult zonder vrees al tegemoet treden, in de zekerheid, dat uw wapens u onoverwinnelijk maken.”

Dat is uit het werk van abbé Bernard.  Maar wat staat er eigenlijk in?

  1. Ik moet mij wapenen.
  2. Ik moet een zeker machtssymbool hebben: de staf.
  3. Ik moet niet bang zijn.

Als wij van feeling gebruik willen maken, dan moeten wij in de eerste plaats leren geen angstgevoelens toe te laten. We mogen een onrust aanvoelen, maar we mogen nooit werkelijk bang zijn zonder reden. Daartegen moeten wij ons verzetten. Om dit mogelijk te maken zal ons eerste wapen dus zijn: een oefening waardoor wij onmiddellijk trachten al datgene wat wordt aangevoeld te vergeten. Lees een boek, begin een gesprek, luister naar de radio of ga wandelen. Het hindert niet wat u doet. Wanneer iets u angstig maakt, doe dan iets wat u zozeer opeist, dat u het kwijtraakt; dat is a.h.w. uw dolk. Als dat gevoel daarna terugkomt, dan zal het waarschijnlijk al van aard veranderd zijn. Wij weten dat het komt en we kunnen het dan redelijker benaderen. Is dit niet voldoende, dan zullen wij gebruik moeten maken van onze kennis. Ons geesteszwaard of bezweerderszwaard is voor ons de kennis, die wij omtrent onszelf verworven hebben.

Blijft die angst bestaan, dan moeten we nagaan (ik heb u reeds gezegd, hoe u dat moet leren): hoe is eigenlijk mijn benadering? Is die positief of is die negatief? Hoe ben ik wanneer het anderen aangaat? Hoe ben ik, wanneer het mijzelf aangaat? In hoeverre ben ik prognostisch begaafd? Wat betekenen die gevoelens? Ontleed de angst en in 9 van de 10 gevallen verdwijnt ze.

Maar daarmee zijn we er niet. Want we hebben nu de gevoelswaarde wel weggedrukt, maar we hebben haar aan de andere kant nodig. En daarom hebben we ook de staf nodig. De staf is eigenlijk het symbool van wat je zelf bent.

Om feeling haar juiste plaats te geven gaan we in onszelf, na de ontleding, de associaties nogmaals zorgvuldig na. Wij proberen daarbij het angstgevoel te verdrijven (onze wil). Bij een bepaalde associatie zal de angst desondanks rijzen. Wij zullen ons dan afvragen: Welke actiemogelijkheid bezit ik? We bereiden ons dan op die actie voor, onverschillig of deze pas later of reeds onmiddellijk kan worden omgezet in werkelijkheid. Na de voorbereiding laten wij het geheel los. Wij zijn nu mentaal en ook instinctief voorbereid op datgene wat kan komen.

U ziet, de magie is wel zeer verwant aan feeling. En ik heb heel vaak het idee dat magie en feeling eigenlijk twee kanten zijn van hetzelfde.

Maar we willen natuurlijk ook graag wat bereiken met feeling. We willen niet alleen maar globaal voorbereid zijn. Daarom zeggen wij: Al datgene wat mogelijk is door het bewuste zoeken der magie, is eveneens mogelijk indien het corresponderend gevoel spontaan in ons ont­staat.

De magie is het bewust zoeken.
De feeling is het vaak onbewust erkennen van hetzelfde.

Als ik iemand wil genezen, dan voel ik of ik het kan of niet kan. Ik zeg niet tegen mijzelf, dat ik het kan. Neen, ik heb ergens het gevoel: dit gaat, of dit gaat niet. Op grond van mijn vorige vaststellingen zal ik weten waar ik kan genezen en waar niet. Dientengevolge zal ik alleen diegenen behandelen die ik werkelijk kan helpen. Dat is unfair tegenover de anderen, zult u zeggen. Maar het bespaart u veel kracht en moeite en de ander veel teleurstelling.

Als u op een gegeven moment een taak krijgt opgedragen of een aanbod krijgt, dan heeft u een gevoel daartegenover: uw feeling. Ontleed die feeling en u zult niet alleen ontdekken en weten, of u het wel of niet aankunt, maar door de juiste waardering van uw gevoel zult u ook weten op welke manier u het moet aanpakken.

Dan wil ik erop wijzen, dat wij de kwestie van gevoel niet behoeven te verklaren. In de magie wordt heel vaak gesteld: Het juist uitspreken van de woorden, het juist volbrengen van de handelingen is voldoende om resultaat te verkrijgen.
Zo zou ik t.a.v. de gevoelswereld willen zeggen: De verklaringen, die mogelijk zijn en die ik u zo dadelijk zal geven, zijn niet noodzakelijk. Belangrijk is, dat wij resultaat weten te bereiken. Het resultaat kan aan de hand van het voorafgaande aardig worden bereikt. En zeker als eerste oefeningen kan dit alles voeren tot grotere vaardigheid en daarmee tot een meer persoonlijke ontwikkeling.

Nu wij hebben geprobeerd om allereerst de feeling praktisch te benaderen, wordt het ook tijd dat wij haar even ontleden. Zoals ik al heb opgemerkt, is het niet belangrijk dat wij het allemaal precies weten. De ontleding is meer om een begrip te geven van het geheel dan om voor u de ontleding van dit aanvoelen mogelijk te maken. U moet dit dus zuiver als theorie beschouwen en niet als praktisch belangrijk.

In de eerste plaats: De mens neemt meer waar dan hij zich bewust realiseert. Hij heeft een grotere geheugencapaciteit dan bewust toegankelijk is. Hij kan dus vele waarnemingen doen en deze testen aan de hand van herinneringen, zonder dat het resultaat daarvan als een verstandelijke conclusie zijn bewustzijn bereikt. Het onderbewuste van de mens geeft hem de mogelijkheid veel nauwkeuriger te definiëren dan zijn verstandelijk vermogen dat vermag. De bron, de achtergrond, is veel uitgebreider. Indien wij alleen reeds rekening houden met het z.g. onderbewustzijn, kan worden gezegd dat het gebruik van deze gevoelswaarden eigen reactie‑mogelijkheid en ook eigen juiste reactie in de wereld vervier‑ of vervijfvoudigt.

In de tweede plaats hebben wij te maken met het gemeenschappelijk bewustzijn. In het geheel van de mensheid bestaan er bepaalde gedachtebeelden. Wij worden daardoor telepathisch beïnvloed.
Deze beïnvloedingen worden niet bewust waargenomen, maar zij geven wel een gevoelswaarden t.a.v. de omgeving. Zij stellen daardoor de relatie ik ‑ omgeving juister vast dan op redelijke basis alleen mogelijk is. De gedachte-uitstralingen, de aura’s enz. van de medemen­sen en van de voorwerpen in onze omgeving maken het ons dus mogelijk onze verhouding tot de omgeving of tot de andere mensen beter te definiëren. Indien wij ons gedrag hierop blijven baseren, zullen wij weinig onaangename verrassingen beleven. Wij zullen daarentegen alle positieve waarden, die er in de relatie bestaan, volledig kunnen uitbuiten.

In de derde plaats zijn wij geestelijk begaafd en wij hebben als  mens over het algemeen zeer sterke gevoelens t.a.v. wezens van het astrale vlak. Elke vorm, astraal geopenbaard en al of niet bezield vanuit een andere sfeer of wereld, draagt eigenschappen in zich en zal door die eigenschappen invloed kunnen hebben op ons gedrag en onze er­varing. De gevoeligheid voor astrale waarden maakt het dus mogelijk om wederom de onverwachte reacties, de schijnbaar onmogelijke toevalligheden te voorvoelen en vooral ook de voor ons ongunstige, de niet gewenste waarden, voor een groot gedeelte van ons af te wijzen.

In de vierde plaats krijgen we dan het onderbewustzijn, waarin de geest een rol spoelt. Ook dat hebben wij uitvoerig besproken.
Dit onderbewustzijn kan dus waarden van geestelijke aard omvatten en daarmee het werkelijke “ik” doen spreken binnen de beperkingen van het huidige stoffelijke bestaan.
Het werkelijke “ik” beschikt in de geest over een groot aantal capaciteiten, mogelijkheden en vermogens, die vaak in vorige levens op aarde of elders zijn verworven, waardoor althans mentale overdracht van vaardigheid mogelijk is. Wanneer wij onze gevoelens laten spreken, zal dus aan de hand van deze geestelijke waarde een kennis aanwezig kunnen zijn omtrent mogelijkheden en werkingen, die wij zonder dit nooit zouden bezitten. Het reageren op die gevoelswereld betekent heel vaak een veel juister handelen, een veel juister uitdrukken of ingrijpen. En daarmee heeft u dus gezien dat de bekende factoren, die u overal in het occultisme tegenkomt, ook hier een grote rol spelen.

Misschien stelt het u teleur, dat ik hier niet heb gesproken over de geesten van anderen, de “geleidegeesten” en wat dies meer zij. Die spelen natuurlijk ook wel eens een rol bij feeling, maar dan toch altijd via één van de genoemde factoren. En wanneer wij in de gevoelswereld willen uitgaan van allerhande wezens buiten ons, dan komen wij terecht in een vorm van magie, die niet noodzakelijkerwijze een werkelijkheid weergeeft. Want in de magie bouwen wij op een gegeven ogenblik een figuur op. (Degenen, die oude cursussen hebben gehoord of gelezen weten wat een Scheingestalt is.)

We bouwen dus iets op, wat voor ons ons wensleven en ons gevoel van onmacht a.h.w. representeert en dat gaat optreden daar waar wij zelf tekort menen te schieten. Dat is zeer nuttig, als je er tijd voor hebt. Maar wanneer wij feeling alleen gebruiken als leidsnoer, dan heft ze ook heel vaak dat gevoel van onmacht, dat soms zonder enige reden in ons bestaat, op. Wij kunnen dus juister reageren en juister handelen.

De hele kwestie van feeling kunnen wij dus terugbrengen tot een paar heel eenvoudige woorden: Dat, wat ik aanvoel, is ‑ mits ik mijn wijze van aanvoelen heb gecontro­leerd ‑ een onmiskenbare aanduiding voor mijn mogelijkheden en ook een onmiskenbare weergave van mijn ogenblikkelijke vermogens. Wat mijn gevoel zegt dat ik kan, kan ik, indien ik mij niet door onzeker­heid laat belagen. Dat klinkt krankzinnig, maar het is toch waar.

Nu moeten wij de magie even aan het woord laten. Ik heb zo even al bepaalde magische regels geciteerd, laten we ons nu de opbouw van de magie, juist in dit verband, eens even proberen voor te stellen.

Wij stellen: We doen een bezwering. We hebben een kamer, die daarvoor geschikt is, vrij gemaakt. We hebben de diagrammen getekend, de lampen uitgezet. We hebben op het bekken de juiste reukstoffen gestrooid. We hebben ons gekleed en gewapend volgens alle voorschriften en we spreken de woorden uit, die noodzakelijk zijn om binnen de kring een geest tot verschijning te  brengen. Of in sommige gevallen bevinden wij ons in de kring en wekken buiten ons krachten, waardoor wij zelf onberoerd willen blijven. Wat doe ik?
In de eerste plaats zal elke handeling die ik verricht, elke lamp die ik aansteek, elke lijn die ik trek, elke naam die ik neerschrijf, tot zelfs het vuur dat ik opstook op een bepaalde manier en de reukstof die ik erop gooi geassocieerd zijn met een bepaald wezen, een bepaalde macht, een bepaald vermogen. Wat heb ik dus gedaan?Ik heb mijzelf a.h.w. tot eenheid gebracht met dat vermogen.
Dan kom ik aan punt 2. Wanneer ik begin met het oproepen, dan ben ik ‑ aanvankelijk ‑ heel nederig. Ik vraag de lieve God en alle heiligen om mij bij te staan. Heb ik dat gedaan dan zeg ik: Ja, maar die God en de heiligen zijn allen met me, dus ik ben al een hoop meer waard. Ik begin dan al een beetje brutaler te worden en zeg: Hé, jullie daar, die ik hebben moet, kom nu eens even gauw hier, want ik roep jullie. Weest zo goed en wacht niet te lang. Kom.
Met andere woorden: ik heb mijzelf a.h.w. een andere jas aangetrokken. Ik ben van de boeteling priester geworden en sta op het punt absolutie te geven.
Dan zeg ik tegen mijzelf. Neen, dat is nog niet genoeg. Ik moet degene zijn die alles te zeggen heeft. Wat doe ik dan? Ik zeg: Ik spreek in de naam van de krachten, van het zegel of van het kruis, enz.. Ik, God, of: Ik, Jezus, of: Ik, de bezitter van het magisch geheim (waarvan ik nota bene niets afweet), beveel en dwing u op straffe van dit en van dat om te verschijnen. Ik heb dus mijn werkelijkheid veranderd.
En hoe komt het dat ik dat durf? Ook al heel eenvoudig: Ik heb grenzen getekend tussen mijzelf en de krachten, die eventueel tot verschijning komen, waarvan ik denk dat ze er nooit overheen zullen komen. Daarom heb ik die lijnen op de grond getekend. Wat heb ik dus gedaan? Ik heb in de magie eerst een afstemming geschapen, daarna een illusie. Ik heb mijn gevoelens van onvermogen, van niet kunnen e.d. overboord gegooid en ik heb ervoor gezorgd dat ik veilig ben. En daar kun je nu veel van leren.

Wij moeten dat gevoel van veiligheid ergens bewaren. En dat gevoel van veiligheid kunnen wij alleen bewaren, indien we aannemen dat in onze gevoelswaarden iets juist schuilt.

U kunt misschien voorzichtig beginnen. Denk maar aan een vrijer op straat. Die begint ook eerst verlegen te glimlachen. En als ze antwoord geeft, zegt hij. “Pardon, juffrouw” of iets dergelijks. En als ze iets laat vallen, dan zegt hij: “Mag ik met u meelopen?” De rest gaat dan meestal vanzelf.

Nu is dat een wat vreemd voorbeeld, maar je voelt: het kan. Je toetst je gevoel op een eenvoudige manier. Het antwoord is niet ne­gatief. In de tweede fase kan ik iets meer proberen. En omdat ik die voorzorg trof, omdat ik niet onmiddellijk alles tegelijk wil doen, heb ik ook het gevoel: ik kan mij steeds terugtrekken. Ik heb de veiligheidsfactor ingebouwd.

En dat zult u vooral in het begin nodig hebben. Want als u zo zonder meer op die gevoelens afgaat, dan heeft u vaak de angst dat u voor gek staat. Maar als u voorzichtig toetst of het ergens klopt en u ontdekt: er is geen negatieve reactie, ik kan een stap verdergaan, dan gaat u vanzelf vertrouwen krijgen. U moet zekerheid hebben. En dan zult u op den duur zover komen, dat u de gevoelswaarde (het aanvoelen) tijdelijk ‑ nooit blijvend ‑ boven de werkelijkheid stelt.

Op het ogenblik dat mijn aanvoelen sterk is en ik dus ook in slaat ben de waarde ervan enigszins te beoordelen, zal ik handelen, alsof dit de werkelijkheid ware. Zoals de magiër de gestalte en de waardigheid aanneemt van misschien Salomo of zelfs van God, de Vader. Wanneer wij dit doen hebben we de veiligheid en het gezag. Wij ontsluiten daardoor voor onszelf alle vermogens.

Nu bestaat er van El Isrim (?) een nogal eigenaardig boekje (het handschrift is ongeveer in 1920 uitgekomen), waarin de magie wordt behandeld vanuit een mooi standpunt. Daarin zegt de schrijver letterlijk:

“De magiër ontsluit zichzelf door het ritueel en maakt de krachten vrij die hij bezit.”

Hij laat erop volgen:

“De krachten van de magiër zijn onbeperkt, zolang hij deze en hun werking niet vreest en zijn zekerheid niet verliest.”

Hier heeft u dan dat wat we bij het hanteren van feeling moeten aanhouden: Wij moeten voor onszelf een soort zelfverzekerdheid kweken. Wij moeten begrijpen dat we met feeling ook onze vermogens a. h.w. vrijmaken: de verborgen gaven, waarvan we normaal misschien niet eens dromen dat we ze bezitten. Maar we kunnen die gaven alleen gebruiken, zolang wij niet aan onszelf twijfelen. Zolang wij niet bang zijn voor wat er eventueel uit voort zou komen. Op deze wijze kan dus afsluitend worden gesteld:

De voorwaarden die in de magie steeds weer worden gesteld voor het juist volbrengen van het magisch werk, mogen eveneens in licht gewijzigde zin worden gesteld voor een ieder die van zijn feeling wil gebruik maken.

Feeling is de uitdrukking, die wij als aanduiding geven voor iets waarvoor men bang is: de eigen verbondenheid met alles in het Al; de eigen verbondenheid in de tijd; het vermogen om de stoffelijke en onstoffelijke wereld te waarderen op een meer dan stoffelijk menselijke wijze.

Ik hoop dat u deze lessen over feeling dan ook in verband wilt brengen met hetgeen ik u o.m. over helderziendheid, genezing e.d. reeds heb verteld. Wij kunnen dan een volgende maal waarschijnlijk ingaan op de innerlijke kracht van de mens en de daarin schuilende reserves.

De persoonlijke uitstraling

De menselijke persoonlijkheid draagt rond zich een aura, waarvan de samenstelling globaal in drie verschillende gebieden kan worden verdeeld. Sommige van die gebieden vermengen zich tijdelijk met elkaar, waardoor het nog wel eens moeilijk wordt om deze verdeling in drie onbeperkt aan te houden. De gebieden zijn:

  1. de z.g. fysieke uitstraling, die ontstaat aan de hand van de reactieprocessen in het lichaam, zenuwprocessen zowel als omzettingsprocessen;
  2. de astrale aura, een uitwaseming van een zeker fluïdum en daarin zijn vooral de gedachteprocessen en bepaalde gevoelsprocessen bijzonder scherp kenbaar,
  3. daarbuiten bevindt zich, aan de buitenste rand het derde gedeelte, ook wel het geestelijk deel van de aura genoemd, waarin de geestelijke waarden van het ego tot uiting komen en gelijktijdig ook de grondwaarden van het werkelijk “ik”, die op dat moment van­ het stoffelijk “ik” geprononceerd worden geuit.

Als we de persoonlijke aura dus zo ontleden, kunnen we zeggen dat daarin de gezondheidstoestand en de lichamelijke evenwichten een rol spe­len; en dit is voor iemand, die gevoelig is, zonder meer afleesbaar. Wanneer er een zeker contact met de stoffelijke aura ontstaat, hebben wij heel snel ook te maken met overdracht van stoffelijke eigenschappen.
Hebben we te maken met de astrale aura, dan ontdekken wij dat de emoties worden uitgestraald; en de meesten van u zullen reeds hebben op­gemerkt, dat de emotionele gesteldheid van een mens veel gemakkelijker en op grote afstand afleesbaar is dan zijn lichamelijk wel en wee. En dat is ook begrijpelijk, want hierin zijn de emoties vaak zeer sterk vertegenwoordigd, zodat we de gemoedsgesteldheid gemakkelijk aanvoelen.
Verder is in dit fluïdum een lading (energie) aanwezig die zonder meer in elke aura zich ontlaadt en die een lager potentiaal heeft. Een over­dracht van gevoelens, soms tot het suggestieve toe, is daardoor dan ook mogelijk.
De geestelijke aura is over het algemeen minder concreet merkbaar. Degenen die buitengewoon gevoelig zijn, zullen haar soms waarnemen, maar in de meeste gevallen aanvoelen. Zij wordt meestal beschreven als een kleur, ofschoon zij in wezen voor de mens het beste wordt gerepresenteerd wederom door een gemoedsstemming.
De contacten met de geestelijke aura zijn bovendien nogal eens eigen­aardig in hun uitwerking, daar nimmer de gehele persoonlijkheid, maar al­tijd slechts een deel van het werkelijke “ik” via de stof op een bepaald mo­ment wordt geuit. Indien er dus een contact op geestelijk terrein ontstaat, kunnen wij zien dat de z.g. kleur veel intenser wordt. Ik zal u een voor­beeld geven:

De uitstraling der aura is blauw tot nachtblauw. Er is dus wel een zeker gevoel van weten en misschien een zekere mystiek aanwezig, maar in het geheel speelt deze op het ogenblik een betrekkelijk  geringe rol. Nu komt men in contact met een ander. Dit contact kan emotioneel aangenaam of onaangenaam zijn, dat doet niets ter zake. Het behoeft verder niet fysiek te zijn. Het is voldoende dat men zich in elkaars nabijheid bevindt. Wat zien wij nu?
Wanneer tegenover dit gevoel van weten een tegenvraag staat, dan gaat het werkelijk ego (het geestelijk “ik”) zijn weten a.h.w. wekken. Wij zien de kleur lichter worden en de aura krijgt eigenaardige blauwe stralen. Naast die blauwe stralen zien wij vaak, als een soort schaduwbeeld, donkere stralen, die aangeven dat de rusttoestand nog bestaat, behalve op een bepaald terrein. Zo kan die aura zelfs in zoverre worden begeesterd, dat wij ontdekken dat de totaliteit van geestelijke kennis wordt ingezet. En dan is er niet eens sprake van een stoffelijk gesprek, maar alleen van een waarneming. De kracht, die zo ontstaat, kan dan soms tegenover een totaal andere gesprekspartner, zelfs nog een tijd nadien, tot uiting komen in de wijze waarop men reageert en ook in de wijze waarop men over de totaliteit van de in het “ik” aanwezige kennis schijnt te kunnen beschikken.

Nu kan het ook zijn, dat ik in diezelfde nachtblauwe aura een emotie krijg van iemand die daarin het schoonheidsgevoel wakker maakt. Het weten moduleert zichzelf, want het “ik” heeft schoonheidsgevoel, omdat dit de erkenning van het Goddelijke inhoudt. Het ware ego gaat zijn Godsbegrip projecteren en de aura wordt niet lichter blauw, maar zij wordt doorschoten eerst met kleine gouden puntjes, dan met gouden schichten. Een kenteken dus van een vergrote levensappreciatie. Ook hier is dus verder geen stoffelijk kenbaar contact noodzakelijk, behalve de aanwezigheid binnen een bepaalde straal. Het resultaat in dit tweede geval zal vaak zijn, dat men plotseling ontwaakt voor de schoonheid die rond het “ik” aanwezig is, of soms zelfs schoonheid vindt, waar men deze voordien niet aanwezig achtte.

Hier heeft u dus een eigenaardig voorbeeld van de veranderingen die er kunnen ontstaan. Er is dus een wederkerige beïnvloeding van de persoonlijke uitstraling.

Wij moeten daarbij goed onthouden, dat de astrale waarden ‑ zeker voor zover zij emotioneel zijn ‑ slechts geleidelijk kunnen veranderen; dat de fysieke uitstraling praktisch altijd gelijk blijft en slechts door absorptie van energie tijdelijk of langzaam enige verandering kan ondergaan.

De geestelijke aura echter ondergaat vaak zeer snelle en verbluffende veranderingen, waarbij het totaal van haar afstemming en structuur geheel verandert. Dit laatste is te danken aan het feit, dat niet het geheel van het ware ego van de stof volledig kan worden geuit en heel vaak door de beperkte mogelijkheden dus slechts delen van het werkelijk “ik” achtereenvolgens via de stof kunnen worden geprojecteerd.

De resultaten van de persoonlijke uitstraling heeft u waarschijnlijk in uw omgeving meermalen kunnen meemaken. Wij zien daaruit zekere sympathieën en antipathieën ontstaan. Het vreemde is hierbij bovendien nog, dat deze sympathieën of antipathieën, door wat wij gewenning zouden kunnen noemen, verdwijnen of langzaam veranderen.

Wij zien verder, dat wij gemoedsstemmingen van anderen vaak bijzonder goed kunnen aanvoelen. De interpretatie, die wij daarvan geven is afhankelijk van onze verhouding tot die ander; ze zal verder worden beïnvloed door de manier waarop wij ons voor die ander interesseren, ook als het een vreemde is. Maar de overdracht bestaat.

Dan kunnen wij verder zeggen: De stoffelijke overdracht, die sommigen van u waarschijnlijk meer ervaren dan ze het zich realiseren, bestaat uit het overnemen van bepaalde lichamelijke afwijkingen of toestanden van een ander. En dit kunt u als volgt verklaren:

Wanneer de fysieke aura bij een bepaalde persoon een hiaat vertoont, dan zal het “ik” zich daarvan redelijk vaak niet bewust zijn, of het zal trachten die aura aan te vullen. Er ontstaat nu een flux vanuit het eigen “ik”, waardoor op dezelfde plaats, maar heel vaak in spiegelbeeld (dus een afwijking hier geeft een reactie dáár) een hiaat ontstaat, welke door het zenuwstelsel wordt geregistreerd als een pijn, een gevoeligheid, gevoelens van gezwollenheid, in bepaalde gevallen ook benauwdheid, hoofdpijnen, lichte duizelingen of een prikkeling vooral in de extremiteiten als neus, oorlellen, vingers en tenen. Dat is dus eenvoudig een overdracht; en deze ontstaat, doordat alle waarden van de fysieke uitstraling voor uitwisseling te allen tijde geschikt en bij een onbeheerst en onafgeschermd iemand ook ontvankelijk zijn.

Wij kunnen daartegen maatregelen treffen voor zover het de fysie­ke uitstraling betreft. Zij valt binnen het kader van wat wij magnetisch fluïde noemen en waarbij wij in feite de astrale delen van de uitstraling een soort weerstand geven, waardoor zij a.h.w. een huid kunnen vormen en een afvloeien van de eigen fysieke aura en de daarin bestaande energie belemmeren. Totaal onmogelijk maken gaat niet.

Wij kunnen de astrale aura wel door beheersing een gelijkmatigheid geven. Bestaat er bij ons een beheersing, dan zal deze eerst in een zeke­re emotionele beheersing tot uiting komen, naar in de tweede plaats ook in een gelijkmatigheid van de aura, die daardoor niet reageert op felle wijzigingen bij anderen. Ze worden wel geconstateerd, maar ze worden niet gereproduceerd.

Is echter de aura onbeheerst, dan kan elke invloed van buitenaf daarin  een wijziging van structuur tot stand brengen. Deze structuurwijziging wordt over het algemeen vooral glandulair ervaren. Dat wil dus zeggen, dat de afscheidingen van het eigen lichaam daardoor worden gestimuleerd of geremd; en dit betekent dat zeer snel een lichamelijke toestand kan ontstaan van emotie, opwinding, onlustgevoelens zelfs, e.d.

Een beheersing van de persoonlijkheid maakt niet alleen de persoonlijkheid t.o.v. van anderen minder agressief (het “ik” is neutraal en kan zich bij veel meer mensen a.h.w. sympatisch aanpassen), maar het voorkomt bovendien ‑ en dat is heel belangrijk! ‑ dat de eigen gevoelswereld zeer sterk door invloeden van buitenaf kan worden gemanipuleerd.

Wat de geestelijke aura betreft, hierover heeft de mens vanuit zichzelf geen enkele zeggenschap. Ten hoogste kan worden gesteld, dat de bedoeling en de doelstelling in het stoffelijk leven voor een groot gedeelte zullen bepalen welk deel van het geestelijk ego het sterkst tot uiting komt. Wij kunnen dus door onze leef‑ en denkwijzen de geestelijke uitstraling wel voor een deel bepalen, naar wij kunnen haar en de daarin optredende veranderingen, zolang wij in de stof leven, niet beheersen.

Om dit onderwerpje af te ronden wil ik er dan verder nog op wijzen, dat de fysieke aura niet alleen bestaat in materie. Zij kan ‑ zij het in zeer geringe mate ‑ bestaan in alle materiaal en zal in elk materiaal sterker kunnen bestaan en u sterker kunnen beïnvloeden naarmate de actie in het materiaal groter is. Om het dus heel eenvoudig te zeggen: Een steen of een voorwerp van steen zal over het algemeen minder reactie vertonen en een minder sterke uitstraling bezitten, fysiek gezien, dan bv. een dier of een plant.

Dan moeten wij ook begrijpen, dat het astrale deel voor alle invloeden van het astrale vlak aantastbaar kan zijn. Naarmate het “ik” onbeheerster is en de emotionaliteit daarin dus minder kan worden gereglementeerd, zal de emotionele balans door astrale waarden sterker worden veranderd.

Wanneer fluïdieke afscheidingen aan voorwerpen zijn gehecht (iets wat ook mogelijk is), dan zal dit fluïde heel vaak een reproductie tot stand brengen, waarbij eigen ectoplasma van de persoon de reproductie vormt van hetgeen rond het voorwerp aanwezig is. Vele verschijningen kunnen op deze wijze worden verklaard. Een onbeheerste aura van iemand, die bovendien nog enigszins suggestibel is en wiens fysieke aura niet volledig evenwichtig is, zal over het algemeen voeren tot reproductie van verschijnselen, vastgelegd in voorwerpen en daaraan gehecht in een astrale uitstraling.

Geestelijke uitstralingen blijven praktisch buiten het geding, daar zij tot het onbeheersbare behoren. Maar wij kunnen door onze omgeving worden beïnvloed, ook wanneer deze geen levende wezens bevat. Omgekeerd zullen wij ‑ dank zij onze persoonlijke uitstraling ‑ in de gehele omgeving iets van ons “ik” vastleggen.

Hoe meer er bepaalde waarden (fysieke en astrale, emotionele en mentale) continu in het “ik” bestaan, des te sterker deze invloed zal worden overgenomen door zelfs de dode materie in de omgeving en des te sterker ook de reactie daarop zal zijn van alle lagere, levende wezens. Zo kunnen wij wel spreken van een persoonlijke uitstraling, maar wij moeten toch beseffen dat zij in wezen een wisselwerking met al het ons omringende betekent.

Het rad

De eeuwigheid is als een rad dat wentelt langs een weg, die het zelf niet kent. De weg is het onbestemde Niet van het Goddelijke.

Het Rad is het totaal van alle bestaansvormen, die voor ons kenbaar zijn; en de spaken van het Rad zijn de werelden, die we betreden en verlaten naarmate het Rad voortwentelt.

Zolang wij aan de buitenkant van het Rad blijven, leven wij in de wereld van het onbegrepene; het ene ogenblik in contact met het Niet, het andere ogenblik neergedrukt op de concrete weg van leven, dat ons reeds verlaat, voordat we het wezen ervan hebben geconstateerd.

Als wij dichter naar de kern, naar de naaf van het wiel toe komen, zo betreden wij meer bewust werelden die zich op wonderlijke wijze wijzigen. Zij worden voor ons werelden van hemel, van vreugde, van hellesmart, van onthullingen en werelden van nevel, die alles verbergen. En die werelden zijn ons besef van de wentelingen van het Rad, meer niet.

Maar er komt een ogenblik dat wij misschien de kern, de naaf zelf benaderen. Wij zien ook buiten ons het Rad voorbijdraaien en voelen ons gelijktijdig één in het Niet en één in de beweging, totdat wij de as zelf bereiken en betreden. Vanaf dat ogenblik rusten wij.

En terwijl het Rad voortwentelt, beschouwen wij de weg die wij gaan. En deze weg van het onbekende wordt thans zichtbaar en zij toont ons de werkelijke bestemming van het Rad; misschien zelfs het voertuig, door het Rad gedragen.

Zo is ons zoeken naar eeuwigheid in wezen het zoeken naar het rustpunt, vanwaaruit wij de werkelijke weg van leven kunnen beschouwen. Zo is ons gaan door hemel‑ en hellewerelden niets anders dan een waan waaraan wij niet kunnen ontkomen, opgenomen als wij zijn in de vloed van omwenteling, verandering, en beweging.

Maar op het ogenblik, dat wij ook deze werelden kunnen verloochenen, komt voor ons het moment dat wij de werkelijkheid meer benaderen en zien. Ook de tijd en het gebeuren veranderen voor ons in tempo.

Hij die aan de buitenzijde van het Rad is, beweegt zich over een lange weg in een lange tijd.

Hij die zich dicht bij de naaf bevindt, beweegt zich langs een korte weg in korte tijd.

Zo verandert de duur van leven, van besef van bestaan in sferen, van erkenning van werkelijkheid en van leven in waan voortdurend. Wij bepalen zelf wat het leven voor ons is. Wij zijn het, die zelf de sferen doorwandelen in snelheid of in traagheid, al naar ons bewustzijn.

Zolang wij zoeken naar het concrete van de weg, zullen wij niet kunnen ontkomen aan de ijlheid van het Niet, waarin wij een groot deel van de tijd ronddolen. Maar indien wij leren dat het concrete niet de weg is die wij beroeren, maar de kern van de beweging waarvan wij deel zijn, dan hebben wij het middel gevonden om ons te onttrekken aan de eeuwige wenteling van het Rad, om in te treden in een werkelijkheid, die vanuit de wereld beschouwd, misschien stilstand, rust en niets is, maar die gelijktijdig voor ons wordt: de eerste werkelijke erkenning van de weg die wij gaan; de eerste werkelijke erkenning van de reden, waarom alle dingen in het Rad waren zoals wij ze hebben gekend.

Zo wil ik deze korte beschouwing eindigen met een citaat van een bekend leraar en priester:

“Gij, die vraagt naar de verschijnselen, gij beseft niets. Gij, die de zin der verschijnselen wilt doorgronden, gij bereikt niets. Doch gij, die in de aanvaarding van de verschijnselen uzelf doorgrondt en zoekt naar de zin van uw bestaan, gij bereikt het ogenblik van stilstand, waarin de waarheid is geopenbaard en uit de rust het besef van een werkelijkheid wordt geboren die geen grenzen kent.”