Filosofen, heksen, computers

uit de cursus ‘Magie en magiërs’ – februari 1971

In deze tijd is de computer zo ongeveer het summum summarum geworden van de menselijke prestatie en wordt het denken steeds meer op een zg. redelijke basis gebracht. In feite gaat het om ja en neen. Een punt is ja of neen, het kan niet iets zijn daartussenin. Het is een zwart-wit schakering die het moderne denken volkomen beheerst. Het zal u duidelijk zijn dat een magiër in deze tijd, juist met dit zwart-wit denken, zijn eigen mogelijkheid om resultaten te bereiken, zal zien verzanden.

Aan de andere kant hebben wij heden filosofen, denkers, die proberen een stelling op te bouwen omtrent de waarde, de betekenis van het leven. Mensen, die in de eerste plaats de abstracties van het leven een zekere aanvaardbare vorm trachten te geven. Zij zijn over het algemeen geneigd een grootse reeks veronderstellingen op te stapelen aan de hand van enkele feiten en aan te nemen dat je dan vanuit deze denkbeelden zonder meer kunt verdergaan. Bij hen is de nadruk op het resultaat te gering en dus zullen wij ook hier waarschijnlijk niet al te veel resultaten zien. Blijven ons over de heksen, de magiërs, van deze tijd.

De heksen, de magiërs, de occultisten en al wat erbij hoort zijn voor het merendeel mensen die aan de ene kant streven naar praktische resultaten, doch die aan de andere kant voor de computer en vaak voor de filosoof, onaanvaardbare denkbeelden aanhangen. Hoe ligt de situatie? Welke rol speelt het verleden en bovenal welke resultaten zijn er mogelijk?

Uit het verleden hebben wij het denkbeeld van de heks gekregen als een mens, die onevenwichtig is, die zich over het algemeen baseert op allerhande orgiastische riten en dwaasheden. Een heks of een magiër, een warlock of tovenaar is echter over het algemeen iets anders. Hij of zij is iemand die probeert aan de hand van overgeleverde riten, gebruiken en methoden resultaten te bereiken die ook in de praktische moderne tijd een behoorlijke rol zouden kunnen spelen.

Het zal u misschien bekend zijn dat de grote Orde van de Witte Heksen van Schotland, Engeland en Ierland in de oorlog tijdens de grote luchtslag heeft geprobeerd langs geestelijke weg in te grijpen. Dat is een van de punten die bekend zijn geworden. Maar ook op andere wijzen proberen de magiërs van deze tijd wel degelijk in te grijpen in het wereldgebeuren. Zij zenden hun gedachtekracht, doen hun waarnemingen op een wijze die voor de wetenschap officieel niet aanvaardbaar is, maar aan de andere kant bereiken zij resultaten die toch wel door bepaalde instanties worden gebruikt, al zal de bron zelden worden toegegeven.

De heksen, de magiërs zijn mensen die niet geloven in een zwartwit schakering. Zij geloven niet in het onveranderlijke feit. Zij geloven in een situatie die op zichzelf al zodanig complex is, dat elke definitieve benoeming daarvan twijfelachtig wordt. Ze gaan uit van het stand­punt dat een enkele factor in een complete reeks te manipuleren zal zijn hetzij met stoffelijke, hetzij met geestelijke middelen en dat door deze manipulatie de totale waarde, de totale toestand kan worden ge­wijzigd.

De computer zal uitgaan van het feit: wij kunnen optellen, aftrek­ken, vermenigvuldigen of delen. De manier waarop wij dit doen, is een­voudig het voltrekken van een en hetzelfde proces totdat voor ons de gewenste uitkomst of de benadering van de gewenste uitkomst wordt verkregen.

De magiër zegt; Neen, het is niet nodig dat ik een langdurig proces zich laat voltrekken, want ik heb de mogelijkheid om onmiddellijk het juiste resultaat te kiezen. En hij doet dat ook in sommige gevallen met een snelheid waarop menige rekenmachine jaloers zal zijn. Aan die feiten verbindt hij dan conclusies en consequenties die wetenschappelijk, godsdienstig, redelijk en logisch onaanvaardbaar zijn. Deze conclusies brengen hem tot het stellen van een eenvoudige ingreep die dan even­eens onaanvaardbare, maar toch constateerbare resultaten zal hebben

In het verleden ging de magiër niet in de eerste plaats uit van het systeem. Wij hebben het een en ander daarvan gezien toen wij spraken over kabbalisten en alchemisten. Hij gaat voornamelijk uit van een resul­taat, de rest is de achtergrond. Ik geloof dat men hier het verschil heeft dat in deze dagen zo belangrijk begint te worden.

Bij de computer is er geen achtergrond. Er is een totaal beeld dat ofwel geheel actief is en dan berekenbaar wordt, dan wel alleen kan functioneren als coulisse, maar dan ook inhoudt dat het niet verder be­rekenbaar, constateerbaar of voorstelbaar wordt.

Wij hebben actie nodig om te voorspellen. Dit is iets heel anders dan de momentopname die een magiër kan maken. Zijn momentopname impli­ceert gelijktijdig een toekomst, waarbij een zo groot aantal factoren be­trokken zijn, dat ze niet redelijk meer zijn na te gaan. Wat is de functie van dergelijke mensen, dergelijke – men zegt tegenwoordig – paranormaal begaafden?

Er kan hen een enkel punt in het heden opvallen en hierdoor weten zij wat de toekomst brengt. Hier is geen sprake van een beredenering of van een redelijk proces. Het is zelfs zo dat indien een redelijke proce­dure wordt gebruikt om het resultaat toch weer in het kader van het he­den in te passen, dit op zichzelf onjuist wordt. Het resultaat is onmid­dellijk en impulsief. De visie die je op deze manier krijgt, is in de meeste gevallen niet alleen maar een voorschouw, een zien in de toekomst. Het is naar ik meen eerder een automatisch samenvoegen van zichtbare en onzichtbare factoren op een wijze die niets meer te maken heeft met het redelijke denkproces (vergelijking), maar met een emotioneel proces, het ontstaan van een nieuwe impressie die niet redelijk verbonden is met haar oorzaak, maar die desalniettemin in tijd daarmee een vaste relatie­ heeft.

De denkers van deze dagen beginnen zo langzamerhand ook te besef­fen, dat je met het redelijk denken van de mens alleen niet verder kunt komen. Er zijn zoveel beperkingen die door de benadering worden gegeven, er zijn beperkingen die vanuit de mensheid, de persoonlijkheid, de maat­schappelijke belangen voortvloeien, dat de wetenschap voor de denker een te beperkt gebied begint te bestrijken om werkelijk betrouwbaar genoeg te worden. De denker vult dit aan. Hij geeft de theorieën. Deze theorieën wijzigen zich voortdurend.

Wij hebben een hele tijd te maken gehad met de trillingstheorie, die door bepaalde denkers werd verkondigd als de enig juiste verklaring voor o.m. telepathische overdracht, het bestaan van eventuele astrale lichamen en wat erbij komt. Op het ogenblik is bij die denkers de emissie­theorie meer in. Ze geloven nu niet meer in een vibratie, maar in een uitstraling, in een zelfstandigheid van het uitgestraalde. Dat was eerst niet het geval. Hoe zij er echter over denken, ze doen niets anders dan een middel geven om de werkelijke gegevens die in de magie gelegen zijn te accepteren. Aan de andere kant, dat moeten wij er meteen bij zeggen, gebruiken sommige denkers op grond van hun eigen gerichtheid dezelfde argumenten natuurlijk ook om te proberen elk paranormaal verschijnsel onaanvaardbaar te maken.

De functies zou je eigenlijk moeten verdelen in deze tijd. Als de magiër een resultaat verkrijgt, dan is het aan de filosoof om een aan­vaardbare verklaring te vinden en daarmee het feit binnen het kader van het menselijk aanvaardbare te brengen. Aan de computer is de taak gegeven om het werkelijk gebeuren zo nauwkeurig mogelijk te registreren binnen de gegeven registratiemogelijkheid. Als die drie zouden samenwer­ken, zouden zij veel meer kunnen doen dan elk voor zich.

Wij hadden het over gevoeligheid in tijd. Een voorbeeld. Er zijn twintig mensen. Deze mensen hebben een droom gehad met een bepaalde tendens. Die droom wordt voorgelegd. De filosoof zal misschien verkla­ren waarom die droom gelijktijdig bij 20 verschillende mensen is voorgekomen. Nu geeft men die droom aan de computer, die het vergelijkt met alle erkende achtergrondwaarden die erin zijn gestopt en zegt; De zeer waarschijnlijke verklaring van deze droom is…, en trekt dan de conclu­sie niet meer t.a.v. de betekenis of waarde, maar van de oorsprong, zoals die in de mens is gelegen. En daarmee zijn wij geloof ik aan een zeer belangrijk punt gekomen.

Wanneer we de zuiver rekenkundige wetenschap die toch in de computer is vastgelegd (zelfs een computer die vertalingen levert, doet dit op rekenkundige basis) kunnen verenigen met het resultaat van het paranormale, dan zal daaruit op den duur een hanteerbaar systeem kun­nen ontstaan dat volledig berekenbaar is, dat a.h.w. een nieuwe vorm van meetkunde of algebra zou kunnen worden, terwijl dan om dit alles voor de gewone mens hanteerbaar te maken de filosoof dit kan inpassen in een wereldbeschouwing die voor vele mensen aanvaardbaar is. Want wij hebben in de magie altijd behoefte gehad aan aanvaardbaarheid. Dat klinkt misschien vreemd, maar het is toch volkomen waar.

Alle perioden waarin de magie een grote rol heeft gespeeld en die grote denkers en magiërs hebben voortgebracht, waren opgebouwd uit maatschappijen die dergelijke verschijnselen normaal accepteerden.

Zij deden dat misschien op grond van een geloofsovertuiging die op zich­zelf onzin was. Zij werkten ermee volgens bepaalde formules die evenzeer onzinnig waren, maar ze aanvaarden het feit. Dat is heel erg belangrijk!

Indien de magiër wordt aanvaard voor wat hij is, kan hij zich pas werkelijk ontplooien, omdat hij dan niet meer werkt tegen, onder druk of boven de menigte die toch een zeer groot gedeelte van zijn gedrag zal beïnvloeden Wij kennen natuurlijk de voorbeelden (Apollonius is een van de meest bekende) van meesters en ingewijden die allerlei wonderbaarlijke dingen doen. Ze verplaatsen zich overgrote afstanden in zeer korte tijd.

Ze vertonen zich gelijktijdig op twee plaatsen. Ze genezen zieken. Ze wek­ken soms een dode op. Kortom, ze doen allerlei dingen, welke voor die tijd onbegrijpelijk en wonderbaarlijk zijn. Maar als wij die mensen zelf gaan beschouwen, dan blijken het heel gewone mensen te zijn. Alleen hun wijze van denken en reageren wijkt af van de omgeving.

Wat gebeurt er nu met Apollonius? Zolang Apollonius wordt geaccep­teerd, heeft hij zijn leerlingen en bereikt hij zeer goede resultaten. Hij komt in conflict met Rome, grotendeels om godsdienstige redenen. Dit conflict stelt hem nog wel in de gelegenheid te bewijzen dat hij meer waard is dan degenen die hem willen veroordelen. Hij ziet zelfs kans om eenvoudig te verdwijnen als hem dat past. Vanaf dat moment heeft hij geen werkelijk contact meer. Hij keert nog wel een keer naar zijn leerlingen te­rug, maar eigenlijk is het voorbij, het is afgelopen. Hij laat dan naar men zegt nog bepaalde impressies achter in grotten ergens aan de kust, maar van Apollonius hoor je eigenlijk niets meer. Het is alsof zijn leven is geleefd op het moment dat het conflict ontstaat. En datzelfde kunnen wij zeggen van Jezus.

Jezus, degene die werkelijk invloed heeft op het volk, de wonder­doener, de man van de mirakelen, van de grote wijsheid, de man die al­les of allen kon bereiken, komt op een gegeven ogenblik in conflict en vanaf het moment dat hij wordt gearresteerd en veroordeeld is zijn werking eigenlijk voorbij. Wat daarna komt is de mythos van een paar contac­ten met zijn leerlingen, die mogelijk reëel is (volgens mij althans is ze dat), maar die niets meer heeft te maken met het volk, met de wonderen die Jezus deed. Het is alsof de doos met wonderen wordt dichtgeslagen, zodra er een geschil van voldoende omvang ontstaat tussen de tovenaar en het volk.

Bij heksen zien wij ook iets dergelijks. De oude geschiedenis laat ons over het algemeen de heksen zien als mensen die kennis hebben van kruiden, van natuurkrachten, die meestal zeer sensitief zijn, die ge­bruikmaken van bepaalde drugs om daarmee nog weer nieuwe ontdekkingen te doen of nieuwe toestanden te bereiken. Er komt een conflict met het christendom en vanaf dat ogenblik gaat de zaak praktisch te gronde. Er blijven wat leringen over die in de huidige tijd weer zijn opgeleefd, maar de werkelijke wondermacht die toch zeker velen van deze heksen en­ tovenaars eens hadden, is voorbij. Als de aanvaarding niet aanwezig is, blijkt de werkingsmogelijkheid aanmerkelijk minder te zijn. Ik illustreer dit met een recent voorbeeld;

Medicijnmannen in Afrika of in Zuid Amerika die buitengewone re­sultaten wisten te bereiken. Wij weten bv. van Stanley dat een tover­dokter kans ziet malaria, niet alleen praktisch te onderdrukken, maar zelfs te overwinnen. Pas een hele tijd later is er weer een malaria aan­val. Deze mensen waren in staat leven en dood te zenden. Ik wil niet zeggen dat ze eerste klas geneesheren waren volgens de westerse opvat­ting, maar ze wisten dan toch wel heel merkwaardige dingen te doen.

Nu komt de moderne wereld Afrika binnen. Zeker, er zijn nog raden van medicijnmannen. Ik geloof zelfs dat ze zo langzamerhand een soort vakbond hebben gesticht, maar de werkelijke kracht begint teloor te gaan. Wat er overblijft is een uiterlijk front van magisch ritueel, van wat in­druk maken en heel vaak een teruggrijpen naar westerse geneesmiddelen, omdat men doodeenvoudig niet meer weet hoe het zonder die middelen moet. Het is alsof de geestkracht van de tovenaars ergens gekraakt is en daar­door de band met hun werkelijk machtig geestelijk verleden verbroken dreigt te worden.

Hiervan moeten wij uitgaan, als wij in de moderne tijd willen zien wat er mogelijk is. Zolang men van helderzienden, telepaten en dergelijke mensen gebruik wil maken om bv. in Amerika te weten te komen wat de Russen doen of in Rusland wat ergens anders gebeurt, dan zijn die men­sen abnormale mensen. Ze passen eigenlijk niet in de maatschappij. Ze wor­den wel geaccepteerd, maar niet op een aanvaardbare manier. Het resul­taat is dat ze steeds meer terugvallen op een zeer beperkt gebruik van een enkele begaafdheid die ze bezitten en dat terwijl ze heel veel din­gen zouden kunnen doen.

Het zal u duidelijk zijn dat op het ogenblik, dat dit paranormale voor de meeste mensen niet meer identiek is met abnormaal de situatie gaat veranderen. Dan is deze gave niet meer iets wat je boven of buiten de mensheid zet. Het is iets geworden wat in de mensheid kan worden be­leefd en waarvoor dan ook binnen de mensheid alle noodzakelijke omstan­digheden kunnen worden geschapen.

De heksen van deze tijd hebben tot op zekere hoogte iets dergelijks voor zichzelf tot stand willen brengen. Zo zijn ze in Engeland uitgegaan van een zeer groot aantal covens (heksenkringen), waarin de magie eigen­lijk op de tweede plaats staat. De rite, de filosofie en het denken ko­men op de voorgrond te staan. Binnen deze menigte van zg. White Witches, de Order of the Druids e.d. vinden wij dan weer bepaalde kerngroepen die gedragen door het grote aantal volgelingen inderdaad zeer merk­waardige dingen weten te doen.

Zou u dit probleem aan een computer voorleggen, dan zou er waar­schijnlijk het volgende uitkomen; De vermogens van de heks, de tovenaar, de magiër zijn direct gelieerd met de aanvaarding door mensen en wel naar rato van intensiteit en aantal. En dan zou er volgens mij verder uit moeten voortkomen dat dus bij een uitbreiding van aanvaarding, aan­tal en intensiteit automatisch het magische element sterker op de voor­grond moeten komen.

Ik leg u dit alles voor, omdat ik zou willen ingaan op een ont­wikkeling die komende is, niet op iets wat bestaat.

Er is tegenwoordig zoals u weet een toenemende hang naar mysticis­me en occultisme. Nu doel ik heus niet alleen op de mensen die zich bezighouden met de dagelijkse horoscopen in de krant, maar wel degelijk ook op mensen die zich bezighouden met de filosofie, met de achtergrond van het magische denken. De oude systemen leven weer op en worden ge­bruikt vanuit de meest krankzinnige heidense rituelen tot de meest hoog­staande en zg. esoterische scholingen toe. Overal leert men het para­normale weer zien als iets wat eigenlijk normaal zou moeten zijn. En dat impliceert dat de omstandigheden waaronder een magiër werkt dus met het jaar gunstiger worden. Maar dat zou ook betekenen dat de resulta­ten die hij zichtbaar en kenbaar op de wereld tot stand kan brengen in omvang zullen toenemen en tevens aan intensiteit. Ik voorzie dus dat in de wereld langzaam maar zeker genezing, voorspelling, desnoods ook het zenden van geheimzinnige krachten of telepatische contacten, zelfs telepatische spionage over verre afstanden, dingen waarvoor men zich zeer zal interesseren in de nabije toekomst, een feit zullen worden. En zodra ze dat worden, moet de filosoof die zich o.a. bezighoudt met de existentie der dingen, zich ook met deze feiten gaan bemoeien. Hij zal daardoor een rationalisatie van het paranormale aanbieden. Hij zal het willen ontdoen van het duistere, het occulte dat voortdurend nog daar omheen hangt, van de schijn van bijgelovigheid en dwaasheid. Daarom zal hij een voorstelling van zaken proberen te geven die op haar beurt weer voor de technicus interessant wordt. Zodra de technicus is geïnte­resseerd, zal hij gaan berekenen, hij zal gaan waarnemen. En uit die waar­neming en berekening ontstaat er dan volgens mij een totaal andere visie van leven en denken.

Ik wil hier even teruggaan naar iemand, die in de 15e eeuw (1472 ongeveer) heeft geleefd. Deze man was bekend als magiër en daarnaast als een vrome priester. Het is een combinatie, die wij in het verleden wel meer tegenkomen. Hij stelde ongeveer als volgt;

“Onze wereld is er een, die wordt gevormd door de beperking van dat wat wij zijn. Zo kunnen wij niet begrijpen wat werkelijk is gezegd.” (Hij doelt hier o.m. op de Evangeliën maar ook op oude magische geschrif­ten.) “Daar wij ons niet kunnen voorstellen wat het belang is, zullen wij het ook niet kunnen volbrengen. Zo kunnen wij slechts terugvallen op ons geloof, waardoor wij onredelijk en onberedeneerd waarmaken wat wij in ons­zelf als mogelijk erkennen, zonder ons af te vragen of deze mogelijkheid nog past in de wereld waarin wij leven.” Dat is voor iemand in die tijd een buitengewoon geleerd betoog. Ik heb het iets verkort en in moderne termen omgezet.

Deze denker gaat uit van het standpunt; Zolang ik alleen op mijn geloof moet terugvallen, mankeert er iets aan mij. Het geloof is voor mij de enige uitweg, omdat ik daarmee kans zie de wereld opzij te zetten. Maar daardoor vervreemd ik mij met mijn magisch streven ook van de werke­lijkheid. Ik heb geschriften, maar ik weet niet precies wat ik ermee moet doen. Ik heb allerlei recepten. Die kan ik wel gebruiken, maar ik weet niet wat ze betekenen. Indien ik zou begrijpen, waarom dat recept zo luidt, zou ik meer kunnen doen. Daarop komt het eigenlijk neer. Het is iets wat je direct kunt omzetten in deze tijd.

Vandaag zien wij precies hetzelfde. Wat wij hier doen is in zekere zin een vorm van occultisme, van magie. Is het daarom abnormaal? Neen. Integendeel, het benadert de normaliteit veel sterker dan menig z.g. logisch gebeuren. Indien meer mensen leren dat niet de normen van men­selijke logica bruikbaar zijn om de werkelijkheid der dingen te beleven, zal men zover komen dat de logica nog slechts het middel wordt om te ontleden en uit te drukken wat in de werkelijkheid eerst is erkend, er­varen en geconstateerd. En dan ligt de situatie heel anders en veel beter.

Ik neem aan dat er vandaag of morgen wel de een of andere dwaas zal zijn want zo zullen ze hem ongetwijfeld noemen die een vrij ogenblik van de een of andere grote regeringscomputer gebruikt om daar en­kele problemen van wat men de paranormale eigenschappen noemt eens in te voegen. De conclusies die dan worden getrokken, zullen zeer vreemd zijn. Logisch, want de computer heeft geen achtergrond en moet elk inge­voegd feit zonder meer als reëel aanvaarden, tenzij het uitdrukkelijk als niet werkelijk wordt ingevoegd. Het resultaat is dat de computers zul­len komen met aanwijzingen en zelfs met rituelen die bruikbaar zouden moeten zijn om de mensen tot paranormaal begaafden te maken. Een experi­ment op dit terrein is mij tot op heden bekend en dat ging over hypnose. Als ik de uitkomst die nogal ingewikkeld was voor u eenvoudig mag ver­talen, dan komt het hierop neer.

Hypnose is niet de werkelijke beheersing van de wil van een mens, maar het scheppen van een welbehagen waardoor hij zijn wil niet in actie brengt. Hierdoor is hij onderworpen aan voorstellingen, die hij voor zich­zelf toch als niet reëel erkent en aanvaardt. En nu blijkt dat dit bij hypnose meestal wel het geval is.

Hypnose is niet gebaseerd op een totaal ondergaan van het “ik” in een opgelegd idee. Integendeel, het is bijna speels. Het is een meegaan met een idee, omdat het je een gevoel van welbehagen geeft en op zich­zelf wel aardig en aantrekkelijk lijkt. Mogelijk zullen in de komende tijd (ik denk reeds in het komende jaar) wetenschapsmensen zich daarmee be­zig gaan houden. Want het experiment was toch wel erg interessant. Zij zouden hieruit kunnen afleiden dat bepaalde methoden van bv. sug­gestie, zoals die overal worden gebruikt, direct gelieerd zijn met hyp­nose, maar dat deze hypnose weer gelieerd is met z.g. wonderen. En dan kom je voor een paar rare vragen te staan.

Als wij nagaan wat er bv. in een trancetoestand kan gebeuren, dan weten wij dat naast contact met onze wereld uit de aard der zaak er ook waarnemingen op afstand op die manier worden gedaan en dat men ook kan teruggaan in het verleden. Een dergelijke trance is op het ogenblik nog niet goed en gemakkelijk chemisch te induceren. Er bestaan injectie­methoden, waarmee ze kan worden benaderd, maar tot op heden blijkt het toch iets te zijn dat eerder uit een aantal projecties, plus vermoeidheids­verschijnselen moet worden opgewekt.

Nu is een magiër iemand die de werkelijkheid voor een ander ver­andert, meer kun je eigenlijk niet zeggen. De verandering van werkelijk­heid die hij in de ander veroorzaakt, resulteert in een veranderen van de houding van de persoon t a.v. de werkelijkheid die voor iedereen be­staat. Hij kan dan proberen om met eenvoudige stoffen te werken. Wij heb­ben het over de alchemisten gehad o.m. de goudmakers. Maar waarom zou­den wij daar bij blijven stilstaan? Is de mens niet een veel interessanter object?

Als roken gevaarlijk is, dan moeten wij niet zeggen dat roken ge­vaarlijk is, daarmee komen wij niet verder. Dan moeten wij een gevoel van behaaglijkheid aan het niet roken gaan verbinden. En dan komen er niet ­rokers bij de vleet. Dergelijke beelden rijzen tegenwoordig. Men zal dan mede door die berekeningen en de daaraan vastgeknoopte beschouwingen (een proefschrift daarover werd overigens afgewezen door de universi­teit) proberen om voor dergelijke praktische dingen een oplossing te vin­den.

En als je dan eenmaal bezig bent, dan zijn er zoveel meer mogelijkheden.

Er is een oude priester geweest, een hindoe, van wie bekend was dat als hij ergens kwam waar strijd was, hij dan begon te zoemen, heel zachtjes toonloos te zingen. De mensen werden dan door een gevoel van welbehagen bevangen en ze streden niet meer. Hij had kennelijk een metho­de om de agressie die in de mensen zit, af te leiden naar iets anders.

Nu is agressie op deze wereld een van de grote problemen. De magiër van morgen zal misschien degene zijn die in staat is om die agressie om te zetten in iets wat voor allen nuttiger kan zijn. Ik ge­loof dat dergelijke verschijnselen die eens de wonderen van de geest werden genoemd, zullen worden herleid tot wetmatigheden, tot structu­ren die door iedereen te hanteren zijd.

Dan zijn er uit de aard der zaak weer vragen. Gesteld, dat een dergelijke techniek ontwikkeld is, dan kunnen wij die invoegen in een computer. Wij kunnen elk probleem dat daarmee heeft te maken er aan voorleggen. Maar de computer komt dan met een beslissing die niet ge­baseerd is op de werkelijk aanwezige gradaties van erkenning, gevoel etc., maar alleen op een algemene, in feite hypothetische norm. En ik voorzie dat juist hierdoor de wetenschap vaak het tegendeel zal berei­ken van hetgeen ze in het kader van het paranormale in feite voor zich verlangt.

Ik denk dat het zelfs nog verder zal gaan en dat een deel van de technische denkers op deze wereld na aanvankelijk een vlaag van groot enthousiasme, waardoor ze inderdaad het paranormale op een volledig re­delijke basis weten te brengen, niet in staat zullen blijken te zijn het paranormale zelf voldoende te hanteren en ook hun machines niet zo ver kunnen brengen dat ze juiste schattingen geven. Het resultaat zal zijn dat men weer moet terugvallen op de magiër iets wat in alle technische denkers een enorm ressentiment zal wekker.

Het is natuurlijk maar een schatting, maar ik denk dat een derge­lijke strijd kan worden verwacht binnen 20 jaar. Het zal niet al te zeer in de publieke belangstelling komen te staan, maar ze zal er zijn en ze zal zeker de gestalte van de mensheid en ook het strijdpunt van de mens­heid rond het jaar 2000 – 2050 nog bepalen. Mogelijk zal het zelfs aan­leiding zijn tot een strijd tussen continenten. Mogelijk, niet zeker. Het klinkt misschien een beetje gek, als ik zeg dat de magie de inzet kan worden van een soort wereldoorlog. Maar is dat zo vreemd? Ga terug naar het verleden.

Wij weten dat de uitspraken van orakels de aanleiding werden tot maatregelen van vorsten en koningen en soms ook tot een bepaalde krijgs­handeling van deze mensen. Minder bekend zal u zijn dat plaatsen, waar orakels waren, soms werden aangevallen; dat vorsten of mensen die groot wilden zijn in vele gevallen juist probeerden de zaak belachelijk te ma­ken; dat ze soms zelfs met geweld volgelingen verdreven uit heiligdom­men. Zij deden dit, omdat hun denken (noem het een strategisch denken) in strijd was met alles wat vanuit die heiligdommen werd geleerd. En of­schoon zij de juistheid daarvan in zekere zin erkenden, wensten zij die heiligdommen niet te aanvaarden. Ze probeerden ze te bespotten of wat nog meer voorkwam te vernietigen.

Alexander de Grote is een van degenen geweest die daaronder heeft geleden. Hij was enerzijds bijzonder ontvankelijk voor de raad van allerlei wichelaars, anderzijds was hij de man die een heiligdom dat geen uitspra­ken gaf waarmee hij het eens kon zijn, eenvoudig van de kaart probeerde te vegen. In vele gevallen is hem dat gelukt, o.a. enige malen in Perzië.

Hier ziet u de houding van de mens. Zolang een dergelijke houding bestaat, kun je niet verder dus is de filosoof nodig. De mens, die als het ware de feiten aanvaardbaar maakt op dezelfde manier, waarop een kok een oneetbaar gerecht – denk aan bepaalde giftige vissen die in Japan veel worden gegeten – zodanig prepareert, dat het aanvaardbaar en ver­teerbaar wordt. De filosoof heeft niet de taak de wereld te voorzien van allerlei hoge en nieuwe idealen, maar hij heeft wel de taak om de fei­ten, de mogelijkheden en omstandigheden aanvaardbaar te maken voor de mens die nu leeft. Dat is zijn belangrijkste taak.

Nu kunnen wij zeggen; Wat moeten wij dan denken van een humanist, een schrijver als bv. Erasmus? Schreef die niet iets wat zijn tijd ver vooruit was? Ja. Maar hij schreef het op zodanige manier dat het in zijn tijd wel degelijk te verteren was, ook al zijn veel van de geschrif­ten die toen erg belangrijk waren nu wat op de achtergrond geraakt.

Datzelfde zien wij met schrijvers als Goethe. Goethe was op zijn ma­nier ook een groot filosoof. Hij bracht in zijn tijd allerlei denkbeelden naar voren, die bijzonder interessant waren. Daarnaast schreef hij een groot aantal proza en dichtwerken. Het is vreemd dat zijn literaire wer­ken, die hij gebruikte om denkbeelden, die eigenlijk in zijn tijd niet zo aanvaardbaar waren, naar voren te brengen, vandaag aan de beurt komen. Daarvoor heeft men nu interesse. Zijn feitelijke betogen, bv. zijn filo­sofie over politieke ontwikkelingen is vergeten, daarvan bestaat nog een enkel fragment.

Ik geloof dat we ook in deze tijd te maken hebben met filosofen die nu existentialistisch spreken, maar daarnaast het een en ander den­ken en schrijven waarin het paranormale (de innerlijke mens a.h.w.) aan bod komt. Ik meen dat het dit deel van hun oeuvre is dat later van belang zal zijn. Maar door de denkbeelden die zij nu geven en nu lang­zaam maar zeker kunnen worden aanvaard, maken ze dat ook de rest van hun denkwijzen worden gewaardeerd, al zijn die dan ook niet helemaal aan­vaardbaar.

De magiër is altijd een wonderlijk wezen geweest. Als het een vrouw is dan zeggen we heks. Als het een man is tovenaar en als het alleen wijsheid is, herleiden wij het naar de oude magi die in de eerste plaats denkers en filosofen waren, maar tevens wat wetenschappelijke kennis be­zaten die verder ging dan die van de massa.

De heks van vandaag noemt zich misschien Dolle Mina. Maar zij zoekt relaties te herkennen op een wijze, die verdergaat dan het redelijke.

De tovenaar van vandaag is iemand die misschien beweert dat hij uit liefhebberij of uit geloofsovertuiging belangstelling heeft voor zekere esoterische en magische systemen, want hij durft niet verder gaan in die gemeenschap. Daarnaast echter is hij iemand die voortdurend zelf experimenteert en probeert resultaten te bereiken. Die resultaten voegt hij dan haast onmerkbaar in de maatschappij in. Het is een ambtenaar die een kleine wijziging van procedure misschien voorstelt en daarmee succes heeft, omdat hij het op het juiste moment doet en op de juiste ma­nier. Het is misschien iemand die een kleine verandering van visie op een economische ontwikkeling geeft en daarmee de houding van belangrijke personen wat wijzigt.

Dat zijn de invloeden, die vandaag een grote rol spelen. Het is langzamerhand zo ver gekomen dat de marktschreeuwer bijna onontkoombaar gelijktijdig een bedrieger moet zijn. Vroeger was degene die zei: ik kom u een boodschap brengen, iemand naar wie men luisterde, omdat men dacht: die heeft werkelijk wat te zeggen. In deze tijd is het zo, dat als je naar de mensen toegaat en zegt: ik kom u een boodschap brengen, zij zich on­middellijk afvragen door welke firma de zaak wordt gesponserd. En dit heeft ook voor de heks, de tovenaar, de magiër en zelfs voor de filo­soof in zekere zin de mogelijkheid weggenomen om het volk direct te benaderen. Daarvoor is gelukkig iets anders in de plaats gekomen. Want zo eens het merendeel van de werkelijke magiërs die wit magisch dachten (dus niet zelfzuchtig dachten) werkte voor de gehele mensheid en probeerde hun kennis aan die mensheid over te dragen, zo zijn de moderne magiërs heel wat voorzichtiger. Ze werken nog wel voor de gehele mensheid, maar alleen, besloten. Hun boodschap dragen ze nooit volledig uit, al proberen ze soms de mensen voor enkele denkbeelden te interesse­ren.

Als je spreekt van een underground bij bepaalde progressieve ge­dachten van de jeugd, dan moet je zeker ook zeggen dat er in het oc­cultisme een underground is. Een underground die juist omdat ze weet dat ze officieel niet aanvaardbaar is op de vreemdste plaatsen de meest wonderlijke experimenten volbrengt. Het is in deze wereld vol­komen denkbaar dat iemand gelijktijdig een zeer orthodox katholiek is en een magiër. Dat iemand regelmatig in een hervormde kerk op de preek­stoel staat en toch steeds in zijn vrije tijd bezig is met occulte werk­zaamheden en voortdurend gebruik maakt van zijn occulte gaven.

In het verleden was er veel minder eruditie. De mens had weinig kennis. Daarom was het aan de ene kant gemakkelijk om allerlei dingen als waar aan te nemen, aan de andere kant was het daardoor heel erg moeilijk de juiste conclusies te trekken uit hetgeen hij paranormaal zag en beleefde. Dat kon hij wel doen in contact met de natuur. Als het ging om de ziekte van een mens of van een koe, dan was het eenvoudig genoeg. Dat kende men. Maar zodra het iets verder ging dan dit, was er geen be­naderingsmogelijkheid meer en kregen wij te maken met projecties als dui­veltjes en engeltjes die allerlei vreemde dingen deden.

In deze tijd heeft de mens de kennis wel. Zijn gevoeligheid is naar ik meen in wezen nog evenzeer aanwezig als in het jaar duizend. Hij heeft dus meer mogelijkheden tot het ontwikkelen van occulte gevoeligheden. Op het ogenblik dat hij die gevoelens gaat omzetten in een systeem van handelen of het nu persoonlijk is of een meer algemeen aanvaarde tra­ditie die hij volgt, wordt hij volgens mij daarmee magiër.

Een vrouw die probeert de juiste medicijnen te vinden zonder daar­bij te grijpen naar allerlei wetenschappelijke middelen, maar gewoon naar de natuur. De vrouw die probeert op afstand goede gedachten uit te stra­len, de man die als magnetiseur wil optreden, al die personen. zijn in wezen ergens magiërs. Die vrouwen zijn heksen. Die mannen tovenaars, war­locks. Zo denkt men er niet over, maar zo is het. En als de kennis hen in staat stelt een systeem van werken te vinden dat voor hen persoon­lijk past, dan maken ze zich los van de hinderlijke tradities van het verleden.

De computer kan u duidelijk maken hoezeer alle riten en alle re­cepten die de tovenaars hebben opgeschreven, dwaasheid zijn. Ze kan dit doen door te bewijzen dat men in een enkel geval gebruik maakte van de eigenschappen die nu allang wetenschappelijk ontdekt zijn en normaal worden gebruikt en dat het in andere gevallen eenvoudig zinloos is. Dr. computer denkt zo. Maar in de methode was de mogelijkheid tot het be­reiken van resultaten wel degelijk aanwezig.

De methode van vroeger is voor heden niet meer bruikbaar. Bijvoorbeeld, u wilt een recept hebben om iemand die wat ouder is en misschien last heeft van een hartkwaal wat gezonder maken. U volgt daar­bij een recept uit 1700, Maar waar vindt u tegenwoordig vossenhersenen? Apenhaar kunt u waarschijnlijk nog wel krijgen. Alruinwortel misschien ook nog wel, maar waar moet u verse lijkaarde halen? En hoe komt u nu aan belladonna, die heeft gegroeid aan de rand van een kerkhof? Boven­dien, hoe ziet u kans die te gaan plukken in een vollemaansnacht, waar­in geen regen maar wel dauw valt? Ik noem nu maar een paar voorwaarden en wil het nog niet eens hebben over de manier waarop dat allemaal ge­mengd moet worden en moet worden toegediend. Het is een tamelijk onsma­kelijk brij, wie zou dat tegenwoordig slikken? U kunt het misschien in capsules geven, maar het is de vraag of het dan nog werkzaam is.

Dit recept bevat echter enkele werkzame bestanddelen. De rest is humbug, is rite, is gebruik, is concentratie. En als wij de concentra­tie op een andere manier kunnen vinden, dan kunnen wij aan diezelfde be­standdelen, dezelfde werking verlenen, ook als ze die medisch zg. niet heeft of alleen maar een spoor van werkzaamheid zou mogen vertonen.

Als je in deze tijd zelf wilt werken, dan moet je begrijpen dat een magiër altijd op een gegeven moment alleen staat. Het is heel erg prettig je te kunnen beroepen op de bijstand van volk, van geestelijkheid, van uitvoerende machtsorganen e.d. Als magiër kun je dat niet. Er is een ogenblik dat de magiër alleen staat in het onbekende en dat hij zelf volledig aansprakelijk moet zijn voor alle dingen die er gebeuren, dat hij zelf alle beslissingen moet nemen. Hij wordt daarbij geleid door een gevoeligheid die hij heeft ontwikkeld uit de aard der zaak. Maar zelfs als hij het Zegel van Salomo hanteert om demonen af te weren, zo han­teert hij in feite een denkbeeld dat in hem bestaat, niet alleen maar de werkzaamheid van het een of andere oude amulet.

Het leren alleen te staan in en met het onbekende is voor eenieder die in deze dagen iets wil bereiken, zeer belangrijk. En daarin hebben de heksen van vandaag gefaald. Zij hebben hun geborgenheid weer gezocht in de groep, in de rite en er zijn maar weinigen onder hen, die bereid zijn om helemaal zelfstandig tegenover het onbekende te staan en zonder steun van wie of wat dan ook, zonder riten de krachten van dit onbekende te meten met hun eigen besef en daaruit voor zich werking en gerichtheid te distilleren.

De mentaliteit van de computer-mens zou misschien hier kunnen helpen. De computer is ergens volledig rechtlijnig logisch. Die recht­lijnige logica hebben wij nodig, niet t.a.v. de gestelde feiten, maar t.a.v. onze eigen mogelijkheden en ervaring.

Wij hebben aan de computer nog meer te danken. Het feit dat men verschillende waarden met elkaar kan vergelijken en conclusies kan trek­ken die volledig uit het feit voortkomen. Indien de mens leert datgene wat in hem gebeurt, wat schijnbaar als een droom of bijna als een grapje van concentratie tot stand komt te voegen in een streng logisch ver­band, dan zal hij in plaats van de kleine dingen die hij misschien van­daag bereikt, grote dingen kunnen bereiken.

De filosoof zal in het begin verward neerzien op deze ontwikke­ling. Je kunt strijden over het wel of niet bestaan van God, over de zin van het leven, over de mogelijke samenhang der dingen. Je kunt zelfs hele theorieën opstellen die in feite filosofieën zijn omtrent de ont­wikkeling van leven op aarde of de samenhangen in de kosmos, maar als je wordt geconfronteerd met feiten en die niet meer kunnen beantwoor­den aan het systeem van ideeën, maar a.h.w. beginselen en eindresulta­ten onmiddellijk samenvoegen, dan zal je zeggen: Of de occultist, de magiër, de heks, de tovenaar staat ver boven alles en de computer is waar­deloos, de techniek is waardeloos, alleen dit is waardevol, of dit zijn alleen maar substrata van het onderbewustzijn van de mens die overvleu­geld dienen te worden door de menselijke rede. Maar als de filosoof wat verdergaat, zal hij zeggen: Het moet passen in het geheel. Dan ontstaat er een situatie, die doet denken aan de P.v.d.A en de K.V.P. Je pro­beert voortdurend de deur dicht te houden voor allerlei zg. strijdige elementen, maar op een gegeven ogenblik moet je de deur wel openzetten en dat is voor de filosoof ook het geval.

Na de filosofen die proberen terug te keren tot een reëel mate­rialisme of misschien tot een religieus existentialisme, zijn er nu al denkers die wederom het occulte een aparte rol laten spelen. Die in hun denken het occultisme niet beschouwen als een verschijnsel uit de mensheid, maar als een op zichzelf staande kracht die het verschijnsel onder de mensheid kan veroorzaken. De filosoof is degene die de binden­de factor moet vormen.

En wat de filosofen betreft, rekening houdende met de veelbeloven­de jonge denkers in deze tijd, zullen die waarschijnlijk ook binnen 10 à 15 jaar daarvoor klaar zijn. Dan zal de magie van het verleden herleven in een totaal nieuwe vorm, ontdaan van vele van haar geheimzinnige ri­tuelen, maar gelijktijdig met een mystieke inhoud, die zo niet intenser dan toch even groot is als te voren.

Ik ben ervan overtuigd dat de mens terugkeert naar zijn erfdeel. Dat erfdeel is niet de onderworpenheid aan het bestaande of de absolute beperking tot het materiele, maar de geestelijke vlucht, waardoor de materie weer beheersbaar wordt en wordt teruggewezen naar  de plaats waar ze behoort, die van onderdanige dienaar van het besef.

Ik meen, dat de mens verder zal komen in zijn bereikingen en zo ook zijn afhankelijkheid van vele mechanische en andere hulpmiddelen zal reduceren tot tenminste de helft en misschien in vele opzichten tot bijna nul. Want de innerlijke mens, het werkelijke wezen dat in die mens leeft, heeft vermogens die ver uitgaan boven al wat technisch en lo­gisch denkbaar is.

Deze krachten en resultaten zijn m.i. het redmiddel voor een we­reld die anders zichzelf dreigt te vernietigen en daarnaast en wel­licht nog belangrijker, het enige en ware kenteken van een werkelijke verdere ontwikkeling van de mensheid langs een pad van geestelijke be­reiking.

De aarde krabt zich

De aarde is een persoonlijkheid en of u het nu gelooft of niet, ze heeft bepaalde gevoeligheden. Daar een groot deel van haar activi­teiten eigenlijk bestaan uit iets wat wij denken zouden noemen, is het duidelijk dat ze door gedachten kan worden gestoord.

De aarde heeft rond zich een atmosfeer die, wij met een beetje goede wil zouden kunnen beschrijven als merendeels een aura, een uit­straling. En als er in die uitstraling iets aanwezig is dat haar ir­riteert, dan voelt ze zich ongeveer als een hond die door een vlo wordt gebeten. Dan gebeurt er iets op die aarde. Ze beeft een ogen­blik of er komt een stortvloed, een plotselinge en abnormale ontla­ding van water. Men spreekt dan over geologische, seismologische, me­teorologische bepaalbaarheid van de omstandigheden, maar in de praktijk valt het tegen.

In de praktijk kun je die dingen niet zo gemakkelijk bepalen, maar je kunt wel zeggen: Waar op een gegeven ogenblik een storend denken van de mens aanwezig is, daar heeft de aarde de neiging zich te krabben. En dat is het punt van uitgang dat ik met u verder wil beschouwen.

De mensen hebben een mening omtrent goed of kwaad. En als het naar hun inzicht goed is wat zij doen, kunnen zij niet begrijpen dat de aarde daar anders over denkt. Maar de aarde is een totaal ander intellect dan de mens. Gelukkig voor de aarde! Zij heeft immers te maken met kosmische wezens en krachten, levensduren die niet in dagen en jaren maar in mil­joenen en triljoenen jaren kunnen worden geteld. Daarom moet zij wel een ander denken bezitten. Voor haar zijn maatstaven van goed en kwaad zoals de mens die hanteert, onbelangrijk. Irritatie kan bij haar ontstaan bv. door gevoelens van haat, door gevoelens van zelfrechtvaardiging, door gevoelens misschien ook van onzekerheid en angst onder bepaalde om­standigheden.

Nu zegt men heel vaak. Ach, die aarde, je kunt nu wel zeggen dat ze zo reageert, maar waarom heeft ze dan niet bv. Duitsland eens flink door elkaar gegooid in een tijd dat het zo ellendig was? Toen is er ook veel gebeurd. De aarde denkt echter anders dan u en in andere tijdper­ken. Het is heel goed mogelijk dat na een oorlog van 4 jaren de aarde zich pas bewust is geworden van een irritatie die het normale te boven gaat. En dan zal ze op de punten waar dan nog irritatie bestaat het geheel van haar onlustgevoelens kunnen afreageren. De tijd die ligt tussen het ontstaan van die irritatie en het resulterend geweld dat de aarde doet losbreken, is gemiddeld tussen de vier en de vijftien jaar. Maar er zijn gevallen bekend dat de reactie bliksemsnel was binnen een jaar! Gevallen dat de reactie buitengewoon traag was bijna honderd jaar. U kunt dus niet zeggen; Als wij vandaag ongehoor­zaam denken over de aarde, dan zal er morgen iets gebeuren. Wij kun­nen hoogstens zeggen; Indien er een punt van irritatie is (noem dat bv. Duitsland), dan zal na 4 tot 15 jaren waarschijnlijk de natuur reageren. Ze heeft dat inderdaad gedaan, maar gematigd, omdat het ir­ritatiepunt al was verlegd.

Indien de irritatie, zoals ze nu bestaat tussen bv. oost en west een grote rol blijft spelen, dan zal dus op een gegeven ogenblik ook de aarde moeten reageren. En dat betekent dat er natuurlijke gebeurtenissen te verwachten zijn. Waar zullen die plaatsvinden? Dat weten we niet. Dat kunnen wij alleen berekenen indien wij nagaan waar die irritatie werkelijk het grootst is. En datgene wat de aarde irriteert, is niet altijd wat de mens irriteert.

De irritatie oost-west is geresulteerd in een geprikkeldheid oost-oost. En wat blijkt nu? Enorme gevoelsgolven, veel groter dan ze in het westen zijn geweest komen voort uit China. Die emotie is ook al een tijdje aan de gang. Dat zou inhouden, dat in de komende tijd in China enorme rampen zullen gebeuren. Dan kunnen wij ons afvragen welke rampen? Want de aarde krabt zich dan wel, maar met wel­ke poot zal ze dat bij wijze van spreken doen? Of gebruikt ze als een koe of een paard de staart of trilt ze alleen maar met de huid? Het is een ongelukkige vergelijking, dat geef ik graag toe. Als wij naar China kijken, dan moeten wij ons afvragen Wat zijn de mogelijkheden

  1. droogte,
  2. overstroming

Die twee elementen zullen zeker een rol spelen.

Maar de aarde reageert zoals de mens dat doet, tevens in haar aura. Nu hebben wij gemakshalve gezegd de atmosfeer is de aura. Het zou misschien beter zijn te zeggen: vooral de stratosfeer met de hogere lucht­lagen fungeert als aura. De uitstralingen kunnen veranderen. Maar uit­stralingen en stralingswerkingen die veranderen, betekenen ook een veran­dering van beïnvloeding van het aardoppervlak.

Het is gek, als je tegen een mens zegt Je hebt een lek in je aura en daaruit is een huidirritatie verklaarbaar. Er zijn echter gevallen voorgekomen dat dat werkelijk zo was. De aarde zou ook op bepaalde pun­ten geïrriteerd kunnen raken en de straling zou daar dus haar uitwerking moeten hebben. Waar in de eerste plaats?

Een mooie vraag en een moeilijk antwoord. Aangezien het merendeel van het aardoppervlak nog altijd met water is bedekt, zouden wij moeten aannemen dat een dergelijke invloed voornamelijk op de wereldzeeën zal voorkomen. En dan krijg je weer zo’n logische conclusie, waarmee niet iedereen het eens is.

Indien er een verandering van stralingsverhoudingen en stralings­hardheid in de wereldzeeën gaat optreden, waarin vele kleine en gemak­kelijk te wijzigen organismen aanwezig zijn, dan zouden wij te maken kunnen rijgen met een zeer snelle mutatie van de bewoners van die wereldzeeën. En nu ik toch bezig ben om tijdstippen te noemen. Gezien de toenemende stralingsintensiteit op sommige plaatsen, dat is inderdaad geconstateerd, gezien verder het feit dat de zeeën  het meest vatbaar zijn en daarin waarschijnlijk de grootste beïnvloedingen zullen plaatsvinden, neem ik aan dat wij binnen enkele jaren te maken zullen krijgen met mutaties van nu bestaan­de levensvormen. En de hemel beware de mensheid als enkele daarbij meer intellect hebben opgedaan. Het is niet prettig te denken dat zeebewo­ners zo bewust zouden worden als de mensen en zich zouden gaan industrialiseren. Stel je voor dat ze al hun afval ook zo maar op het land zou­den gooien! Maar al gaat het niet zo ver, verandering en mutatie van le­vensvormen is daar onmiddellijk denkbaar.

Nu zijn er ook nogal wat betrekkelijk eenvoudige organismen op het vasteland. Die zullen natuurlijk het gemakkelijkst en het snelst reageren op die muterende invloed, als de mens ook al een beetje de zaak verpest heeft. En dan kunnen wij hier denken o.m. aan gebieden waar zware chemi­sche verontreiniging is ontstaan, bv. Vietnam. In Vietnam is dat heel goed denkbaar. Daar hebben wij een totale chemische verontreiniging gekregen, waardoor de nu bestaande organismen zich praktisch niet kunnen handhaven, maar waarin een muterend organis­me zich misschien bijzonder goed zou kunnen handhaven. Nu zeggen de men­sen; Dat zijn natuurlijke omstandigheden, dat is onze eigen schuld. Niet helemaal. De aarde heeft zich weer eens gekrabt! De aarde heeft gereageerd op omstandigheden, die aan haar oppervlak plegen te heer­sen.

De situatie, zoals ik haar kan overzien, impliceert verder een toenemend aantal bevingen. Ik weet niet, of u weleens een paard heeft gezien dat last heeft van vliegen. Op den duur trilt de hele huid bijna voortdurend. Als u kijkt naar de toename in intensiteit van het gemid­deld aantal geregistreerde seismische bevingen in de laatste 13 à 14 jaar, dan kunt u de conclusie misschien onderschrijven dat een toename van het aantal lichte bevingen zeer groot zal zijn en dat steeds meer gebieden die tot nu toe daarvan enigszins vrij zijn gebleven, daarvan ook last zullen krijgen.

Als die hier kunnen voorkomen, dan moet er bij breuklijnen (de zwakke plekken van de aardkorst) eveneens een aantal verschijnselen worden verwacht. Want als er een beving optreedt, dan zal zij juist op die pun­ten vaak gemakkelijker een intensere schade kunnen veroorzaken. Die scha­de zal dan waarschijnlijk weer wat explosief zijn, nl. het doorbreken van hete gassen (magma eventueel) uit de aardkorst op de een of andere ma­nier. Maar dat alleen langs de breuklijnen. Mensen plegen ook wel eens daarop te reageren.

Ik weet niet, of u op de hoogte bent van de aanbidding die er be­staat voor vulkanen, geisers en dergelijke verschijnselen. Ze is een lan­ge tijd voor volkeren de enig ware godsdienst geweest en zelfs nu denkt men er nog aan terug. Mogen wij dan misschien aannemen dat bepaalde de­len van de mensheid hierdoor in het bijzonder in opwinding zullen gera­ken? En dan hebben wij te maken met iets wat voor de aarde een lichame­lijke reactie betekent, waardoor een verdere prikkeling ontstaat. In dat geval zouden we dus bijzonder zware ontladingen, uitbarstingen e.d. mogen verwachten. Juist in omgevingen waar de mens om welke reden dan ook een zekere verering of een bijzonder grote angst voor vulkani­sche verschijnselen heeft. Maar ook hiervan zal het merendeel ongetwijfeld de wereldzeeën treffen.

Als wij de fouten in de aardkorst berekenen, dan ligt ongeveer 4/5 daarvan onder water, terwijl 1/5 vlak langs de kust of via land loopt.

Ga ik kijken wat verder nog een rol kan spelen, dan denk ik ook dat deze mensen er het meest van zullen horen en ook de snelste reacties van de aarde zullen krijgen, indien grote bevolkingscentra worden getroffen.

Het is interessant om een dergelijke hypothese eens na te gaan. Vooral als blijkt, dat de feiten steeds weer de nadruk leggen op de juist­heid van de hypothese. Men behoeft niet aan te nemen dat de wereld waar­op men leeft in feite een denkend wezen is, maar als die wereld reageert op gedachtenimpulsen, dan moet er toch wel iets dergelijks zijn. Als wij zien dat de wereld met een zekere vertraging, die zelfs berekenbaar en meetbaar is in de meeste gevallen, voortdurend reageert op dingen die de mensen hebben veroorzaakt, dan moeten wij ook wel stellen dat er een wisselwerking bestaat tussen het denken van de mens en het geheimzinnige iets van de aarde. Laten wij dan voorlopig maar aannemen dat dat een den­ken is, een auraleven. Waarom niet?

Als iemand nu zover is gevorderd en hij kijkt naar de wereld van vandaag, dan geloof ik dat hij al verwacht dat de wereld zich gaat krabben, dat er iets zal gebeuren. En dan zeg ik alleen maar; Omdat dit een reactie is die niet op personen of op bepaalde volkeren is ge­richt, maar alleen op bepaalde mentaliteiten, kunt u daarvoor niet weglopen, maar u behoeft er ook niet bang voor te zijn. Het enige wat u kunt doen, is zorgen dat u zelf een zo juist mogelijke mentaliteit heeft. En dat betekent dat u niet extreem denkt en reageert, maar dat u ook een element van strijd (het eet en wordt gegeten dat de aarde beheerst en dat voor haar uitstraling een normale factor is) tot op zekere hoogte weet te handhaven.

Dan kan de aarde zich krabben wat ze wil, maar dan kunt u meest­al nog net wegspringen, voordat een van haar poten, zullen wij maar zeggen, op die plaats terecht komt waar u eigenlijk bezig was.

De aarde signaleert wat ze doet, juist door de traagheid van haar reactie. De mens of het dier dat daarvoor gevoelig is, ziet kans om tijdig naar elders te verhuizen. En aangezien u dan toch geen woning nodig heeft, zult u daarbij door de woningnood niet worden gehinderd.

Ik hoop dat dit korte onderwerp u heeft geholpen bij het denken over bepaalde gevoelens die u in de komende tijd wel bij de massa zult ontmoeten en daarnaast misschien tevens zal helpen om een aantal na­tuurverschijnselen te begrijpen die op deze wereld m i. onvermijdelijk zijn.