Filosofie over het hiernamaals

16 januari 1955

De spreker van deze ochtend, zoals u voor uzelf zult ontdekken, is iemand met een filosofische inslag, gebaseerd op een oorspronkelijk vrij denken. Spreker in kwestie behoort niet tot de onmiddellijke kern van onze Orde, maar heeft nauwe relaties met één van haar departementen van onderzoek, indien u althans deze aardse uitdrukking van ons werk wilt toestaan. Ik zou, voor de spreker zelf aan het woord komt, een paar dingen willen zeggen over zijn beschouwingen. Zijn beschouwingen en filosofieën komen voor een groot deel althans, overeen met de grondgedachten, die ook wij koesteren. Er zijn echter bepaalde punten van verschil, die tot op heden voor ons onoverkomelijk bleken. Wanneer u dus de spreker hoort, moet u zich goed realiseren, dat hier van ons standpunt uit, zelfs nog meer dan anders geldt: zelfstandig nadenken. Het zelfstandig u een oordeel vormen is noodzakelijk. En wij hopen, dat u uit het gesprokene purende, daaruit dezelfde waarden zult over houden, die ook ons altijd bij deze spreker zo zeer hebben aangetrokken. Ik geef u thans over aan deze spreker.

o-o-o-o-o

Het is met zeer veel genoegen, dat ik gevolg heb gegeven aan de uitnodiging om in uw groep voor uw gezelschap mijn eigen zienswijze uiteen te zetten. Uit de aard der zaak is het leven voor ons allen een belangrijke kwestie. Onverschillig, of wij leven in een sfeer of een zomerland; dan wel in de wereld. Er heeft mij gedurende heel mijn leven de vraag bezig gehouden, in uw wereld dan: Is er een hiernamaals?

En ik heb op aarde gemeend, dit te moeten verwerpen. De gronden hiervoor zullen u, meen ik, duidelijk worden in het verdere verloop van mijn rede. Ik moet, helaas, onmiddellijk bekennen, dat mijn feitelijke toestand op dit ogenblik het bewijs is, dat ik, hier ten onrechte getwijfeld en uiteindelijk verworpen heb. Hetzelfde kan zich mogelijkerwijze voor verdere delen van mijn levensbeschouwing voordoen. Maar ik zie hierin geen reden om ze zonder meer ter zijde te stellen. Elke mens in zijn leven, dat belangrijk voor hem is, heeft een geloof. Ook wanneer wij atheïstisch denken, ons zelf slechts zien als een moment in het totaal van het scheppingsgebeuren, wat vervluchtigt en vervliegt; zonder dat er enig weten over blijft, dan nog moeten wij geloven in deze kracht, geloven in de natuur, waarvan wij deel uitmaken. Ik ben, vooral in de laatste tijd, tot de overtuiging gekomen, dat geloven voor ons een noodzaak is en dat het geloof in ons wezen verankerd is.

Wij kunnen, geest of mens van uw wereld, zonder een geloof niet gelukkig zijn of tot bewustzijn komen. Wanneer dit geloof echter een voortdurende continuering zou moeten betekenen van ons bestaan. Zonder enig einde. De vaak geciteerde eeuwigheidsgedachte, waarmee vooral de kerken vaak het geweten der volkeren zachtjes in slaap sussen, opdat zij hun daden van heden zullen nalaten en uitstellen tot een toekomstig bestaan, een toekomstig rijk, met ik ook heden nog zeggen; dit is voor mij niet acceptabel, ik geloof niet aan een eeuwigheid van persoonlijk bestaan. Wel geloof ik, dat op enigerlei wijze ons wezen met al zijn bewustzijn, kennen en weten, zoals ik dit ook op dit moment bezit en toch reeds langere tijd aan uw aards leven onttrokken ben geworden, zal ondergaan of opgaan. U kunt zelf uitkiezen, welke van de twee in een wereld, waarin de persoonlijkheid teloor gaat, maar het bestaan zeker blijft gehandhaafd. Wij kunnen m.i. veilig aannemen, dat het begrip, dat ik altijd “natuur” noemde en dat anderen nu God noemen, identiek is. Ik zal dus ommentwille van de eenvoud verder het woord God gebruiken.

Waar ik overtuigd ben, dat het samenstel der wetmatigheden denkend of niet regeert en voor ons ons wezen bepaald. Ja, voor ons de stimulans schept om binnen het bestel van al het zijnde persoonlijk tot uiting te komen zo lang dit voor ons mogelijk is. De wereld is ons een voortdurende uitdaging. Welke vorm deze wereld aanneemt, is onverschillig. Of zij sfeer heet, lichte sfeer of duistere sfeer, of zij stofwereld heet, ofwel hemelrijk, het blijft alles gelijk. Elk bestaan is een uitdaging voor ons, want buiten ons liggen zoveel dingen, die wij zouden willen veranderen, verbeteren, die wij zouden willen assimileren in ons wezen, dat wij hierdoor al worden gedrongen om actief deel te nemen aan het werkelijk bestel van wat men noemt de Goddelijke Schepping. Deze drang is ingeschapen, althans wanneer een overdachte Schepping heeft plaats gevonden. Het laatste is voor mij geen zekerheid, maar ik geef toe, dat de loop der gebeurtenissen, vooral voor mij in de laatste vijftig jaar mij er toe hebben gebracht om ook innerlijk te belijden wat ik op uw aarde alleen uiterlijk en voor de vorm accepteerde, dat er ergens iets is, dat schept volgens overleg, of een zeker weten. Dit weten behoeft m.i. niet zo ontzagwekkend groot te zijn, dat een volledig overlegd scheppen daaruit geboren wordt.

Het is zeer goed mogelijk, dat een reeks van toevalligheden plus een beperkt intellect aan de totale vormgeving hebben meegewerkt. Ik voor mij ken aan het onverwachte, het experiment in de Schepping zeer veel waarde toe en kan geen absoluut overleg zonder meer accepteren.

Wat ook verder daarvan zij, wij staan tegenover een wereld, die ons uitdaagt. Een wereld, die ons voor de grote taak stelt, deze wereld in ons op te nemen of aan deze wereld onder te gaan. Ik heb met mijn wereld altijd geworsteld. Ik zal dat ook altijd blijven doen. Ik geloof niet in een hemel, waarin Engelen zingen; ik geloofde zelfs niet aan een lichtende sfeer, waarin een persoonlijk geluk bestaat, een volmaakt persoonlijk geluk. Ik geloof alleen in de harmonie van het zelfstandig streven, mijne vrienden. Niet het streven geleid en geholpen door God, maar dan ook zonder een schuld, die wordt afgenomen door één of andere Verlosser, of zaligheid en vergeving tegen uitverkoop prijzen in de kerk. Eerder geloof ik; dat wij zelf geheel en volledig de verantwoording dragen van ons leven. Dat hoe meer wij van die wereld buiten ons kunnen beleven, begrijpen en verwerken, in ons persoonlijk en wel overdacht bestaan, wij nader zullen kunnen komen tot het wezen van ons eigen bestaan, de kern van ons leven. Maar al wat buiten ons is, is een voortdurende uitdaging. Voortdurend voelen wij ons hierdoor aangespoord om alles rond ons te overwinnen en te overheersen. Geen overheersing uit tirannie, geen overheersing, die voortkomt uit zelfoverschatting, maar een overheersing, waarin wij onszelf de gelijkwaardigen voelen van de grote kracht, die anderen God of natuur noemen. Het streven naar deze ervaring moet m.i. bestaan uit enkele delen, die ik hier opsom.

In de eerste plaats kennis. Wie geen kennis heeft, kan niet tot een begrip der dingen komen.

Het begrip der dingen is noodzaak voor het in harmonie brengen der dingen. In deze dingen ben ik het met uw Orde zeer sterk eens, met het eigen innerlijk wezen. Wanneer wij in harmonie door onze kennis met wereld, omgeving, natuur, of hoe u het noemt, zijn gekomen,dan wordt door de samenwerking met deze dingen, geboren de wijsheid. Is de wijsheid in ons geboren, dan leren wij een wisselwerking tot stand te brengen tussen ons “ik” en de wereld buiten ons, waarbij dan ons eigen wezen en onze eigen wil kunnen domineren. Op het moment echter, dat wij domineren in de buitenwereld, zijn wij voor die buitenwereld verantwoordelijk.

Zo zullen wij dus niet een vrede of een geluk kennen in die zin, dat alle problemen zijn opgelost. Waar de problemen worden buiten ons geplaatst en wij leren ze objectiever te beleven en te beschouwen. Indien wij dit kunnen bereiken en ons stempel drukken op de wereld, waarin wij leven dan lijkt het mij niet moeilijk om in een uitblussen en vergaan te kunnen zeggen; Dit leven was waard om geleefd te worden, of ik het nu gekregen heb van God in een bewuste wilsakte, of uit de natuur door een toeval, ik ben er dankbaar voor, omdat het mij in staat heeft gesteld om vele dingen te doen, omdat het mij in staat heeft gesteld, dat wat ik ben te uiten en ik, heengaande uit het bestaan, verblussende en terugvallende tot de primitieve oerkracht, die ik eens was, weet, dat in de Schepping zelf mijn beeld voortleeft als een veredeling en vergroting van al het zijnde. Dit is mijn geloofsbelijdenis.

Zij zal ongetwijfeld van de uwe verschillen. Maar ik ben altijd een mens geweest, die moeilijk was te overtuigen. Als geest heb ik niets van deze eigenschappen laten vallen. Iets wat mij er des te meer van overtuigt, dat ik het wezen, dat in uw wereld was, zal blijven, totdat ik onderga. Echter vind ik hierin vrede. Ik leer meer en meer de mensen te respecteren, die geloven op een andere wijze, waar uiteindelijk ook mijn denken is gebaseerd op het niet weten, dus geloof genoemd mag worden. Ik laat het aan u om verder uit te maken, wat u denkt over deze zienswijze. Sommige elementen erin zult gij ongetwijfeld verwerpen.

Onthoudt echter, dat deze zienswijze bestaat. Ik sta niet alleen. Op uw wereld en in onze wereld zijn er velen, Onthoudt u ook, dat wij, ongeacht deze zienswijze, toch kunnen komen tot, wat u noemt, de lichtere sferen, tot een vergroting van bewustzijn, tot een diepere wijsheid. Dat is onze weg. En wij gaan naar hetzelfde doel, waarheen u streeft, onverschillig of dit het niet zijn, of het persoonlijk voortbestaan is. Om deze reden moogt u ervan overtuigd zijn, dat ongelovig als wij mogen schijnen in uw ogen, wij alles zullen doen om het licht in de wereld te versterken. De bevrediging, die het ons geeft, licht te scheppen, of te helpen brengen, is ons meer loon dan elke belofte van geestelijke stijging. Zou die stijging komen, dan zouden wij ongelijk hebben. Het zou mij niet rouwen. Het is goed om in je leven te strijden. Nu geef ik u over aan een van uw eigen sprekers, die u, daar twijfel ik niet aan, van commentaar zal voorzien omtrent het door mij gesprokene. Wat u ook gelooft, of u dwaas of wijs bent, ik kan u slechts één ding wensen: dat u een stempel zult nalaten in uw wereld en in alle werelden, waarin u nog zult vertoeven. Dat die werelden zullen zeggen, wanneer u verder bent gegaan. Hier heeft een goed mens geleefd.

o-o-o-o-o

En nu is het aan mij om deze spreker van commentaar te voorzien, zoals ook hij zelf zeer juist heeft aangevoeld, u zult begrijpen, dat wij niet onmiddellijk de hogere en hoogste sferen kunnen bereiken. U heeft u voor vandaag tevreden moeten stellen met iemand, die in gelijke sfeer met de meeste onzer werkers vertoeft. Echter zijn er bepaalde elementen, juist in het gesprokene, die ik u toch gaarne ter verdere overdenking zou willen voorleggen. De spreker kennende en zijn redevoering gehoord hebbende, valt ons steeds weer op, dat al zijn streven, al zijn streven ten goede, begrijpt u dat vooral, niet geleid wordt door zelfzuchtige drang naar verbetering. De achtergrond is niet zo zelfzuchtig als de wijze van spreken en de spitse toon, waarop de woorden naar voren komen u zouden doen vermoeden. Want deze mens wenst de wereld te verbeteren. Deze geest wenst zijn wereld lichter te maken en toch heeft hij geen enkele reden om voor zichzelf dit te doen, want hij gelooft, dat, zo het licht al voortschijnt hij zelf uit zal blussen. Zijn werk, zijn een stempel drukken op deze wereld is dus een naastenliefde, zo zuiver als menige gelovige ze niet bereikt. Naastenliefde in een denkwereld, waarin dat woord over het algemeen met enige schuwheid wordt bekeken, waar de egocentrische verklaring en uitleg der dingen altijd meer opgang heeft gemaakt dan een christelijke interpretatie: toch zegt deze mens: zet je stempel op deze wereld, maak haar lichter en maak haar beter, voor je zelf verdwijnt. Hij wil dus licht geven aan zijn medemensen, kracht. Hij vraagt voor zichzelf niets, zelfs niet de “beloning van een Nirwana, of een hemels rijk”. Dit is één van de redenen, waarom hij door ons zo hoog wordt geschat.

Dit is één van de redenen, waarom wij overtuigd zijn, dat hij verder en verder zal stijgen.

Moge het dan zeer moeilijk zijn om uit te maken, of hij ooit meer zal zijn dan een vriend onzer Orde, wij zijn ervan overtuigd, dat hij zal stijgen tot dat punt, waar hij weet, dat er een God is.

Een God, veel groter en veel wijzer, dan hij zich nu denken, of voorstellen kan. Dit voorbeeld is misschien een pover en schamel begin voor een reeks, waarin wij hopen, dat u sprekers uit verschillende sferen en van verschillende denkrichtingen zult kunnen horen. Maar deze mens mocht hier als opening staan, omdat hij in zich droeg de eeuwige waarde van de liefde voor het geschapene. Een beetje goochelen met de begrippen, subjectief en objectief, een beetje goochelen met de begrippen eeuwigheid en ondergang, is vaak het woordenspel, dat in zo menige mens leeft. Maar wanneer een mens goed is, wanneer een geest goed is, d.w.z., wanneer zij positief in de wereld zich uit, dan zweeft altijd op de achtergrond een vorm van naastenliefde. Iets, dat wij soms trachten om weg te redeneren, of die men een ander aangezicht wil geven, maar liefde. De grote liefde voor heel het bestaan. Ik krijg hier het verzoek, ofschoon dit ons het gestelde tijdslimiet een weinig zal doen overtreden, nog een spreker uit de kern onzer kring nog een ogenblik tot u te laten spreken. Ik meen, dat daartegen overigens geen bezwaar zal bestaan. Bovendien is het aardig om dit contrast in deze bijeenkomst te zien. Twee geesten, die in geestelijke sfeer net zoveel van elkaar verschillen en die toch, in wezen gelijk zijnde, zich uiten op een totaal verschillende wijze.

0-0-0-0-0-0-0

Leven en dood.

Wanneer vele woorden gesproken worden en daarbij steeds weer in twijfel wordt gesteld, of er een God bestaat, zo is dit onbelangrijk. Want een God bestaat er en deze God zal zich openbaren aan ieder wezen, wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Echter wat belangrijk is voor ons en wat belangrijk zal blijven voor ons, is de wijze, waarop wij zelf ons geloof, onze overtuiging weten te gebruiken als een middel om de al omvattende liefdekracht, die alle dingen in stand houdt, tot uiting en uitdrukking te brengen in ons wezen en onze wereld. Er is geen ogenblik, dat wij de medemens kunnen verachten of zeggen: Gij leeft onwaardig, want ziet, de vorm van overtuiging, de vorm van geloof, de gedachtegang op zichzelf, zij zijn van weinig belang. Zij zijn de uitingen van krachten, die in de mens leven. Maar de uiting kan velerlei zijn, zolang zij beperkt blijft tot woord en gedachte, zonder iets van de ware aard van de dingen naar voren te brengen, telt zij niet.

Waar is de mens niet in zijn worden, hoe gaarne hij het ook zou zijn. Waar is de mens niet in de uitdrukking van zijn gedachten, waar kan de mens alleen zijn in zijn handelingen en daden?

Daar is het, dat het werkelijk belangrijke van zijn leven besluit. Het gaat er niet om, wat wij denken. te zijn, het gaat er om, wat wij trachten te zijn voor de wereld. die rond ons is. Wel zijn er krachten, die boven ons allen uitgaan en die wij niet kunnen begrijpen, of zonder meer verstaan, Maar één ding voelen wij allen: wanneer wij trachten het goede te stellen met onze daden in de wereld, zoals wij het ervaren, wanneer wij trachten ons beperkt bewustzijn uit te drukken als licht voor al diegenen, die duisterder leven dan wij, dan voelen wij een kracht die liefde is, genegenheid, een streling van onze wereld en werelden boven ons, die ons een ogenblik doet huiveren van ontzag en doortrilt met een diepe tevredenheid. Dit noemt dan de mensheid en noemen wij de Goddelijke liefde.

De Goddelijke liefde komt niet in woorden of gedachten, zij komt niet in filosofieën, zij is. Waar een mens is, die zich waardig toont aan haar wezen, waar een geest is, die haar niet verloochent, daar vervult zij deze en geeft deze de grootste kracht. Die is de werkelijkheid van het Al; de harmonie met de bron der liefde. De harmonie niet de kern van het geschapene, Ik zou u willen vragen, vrienden. Gij, die misschien met zeer velen buiten mij kennis zult maken en steeds weer zult horen spreken verschillende gedachten en leefwijzen, die steeds weer zult horen commentariëren door onze sprekers, onthoudt dit ene: De vorm en het woord kunnen schoon zijn, maar het is de daadwerkelijke uiting van ons wezen, die bepaalt, hoe wij zijn in het Goddelijke en hoe de Goddelijke liefde in ons leeft. Geluk, vrede in grote harmonie en stijging kan alleen door en in de Goddelijke liefde gevonden worden. Zo is de daad belangrijk en het woord slechts een schim, die vervliegt, maar die misschien het beeld achterlaat, dat een ander tot daad kan voeren.

0-0-0-0-0-0-0

De winter.

Nu wil ik met u gaan praten over een doodgewoon iets: Over de winter.  Weet u, de winter is een eigenaardige tijd in het jaar. Wanneer de winter, wat men noemt, mooi is, is zij vaak ook streng. Hoe schoner de winter is, hoe groter de kou. Hoe groter de kou en armoede, die geleden wordt door degenen die zich niet voldoende kunnen beschermen, in mensen en dierenwereld, toch genieten wij ervan, wanneer de winter in zijn volle strengheid regeert. Wanneer de ontbladerde bomen er staan en op hun takken de ijskristallen bloeien, wanneer de sneeuw een wit tapijt heeft uitgespreid en daarin de sporen van zoekende vogels staan, wanneer de strenge contrasten van zwart en wit, die voor de winter zo kentekenend zijn en het hele landschap beheersen, wil de mens deze vrieslucht in zich inademen. Dan lijkt het of zij pijn doet in je longen, maar toch, zij maakt je blij, zij maakt je vrolijk. Wanneer de bleke zon staat te staren in een blauwige hemel naar al die witte glans.

Wanneer al die felheid weerkaatst tot het lijkt, of de wereld plotseling zelf lichtgevend is geworden, dan zijn de mensen met de winter gelukkig. Dan denken zij niet meer aan alle nood. Wanneer de rivieren zijn geworden tot gladde dansvloeren, waarop de mensen met schaatsen gewapend hun krullerige figuren trekken of glijden op de vleugelen der wind, soms jagend tegen een snerpende kou in, die hen met snerpende vlagen bedreigt, van stad tot stad vliegen, dan is het zo vrolijk. Dan vergeet je de nood. Toch is die winter hard, toch is ze koud.

Wanneer de winter druilerig en somber wordt, wanneer de drenzende regengordijnen voortdurend het uitzicht belemmeren en de vaag wolkende mist alles steeds weer in een lijkwade hult, wanneer de vochtige sneeuw een ogenblik de grond beroerend zich schaamt voor haar eigen zijn en wordt tot een vergaande modderende laag van bruine ongelijkmoedigheid, ach, dan vinden de mensen die zomer of lenteachtige winter vaak onaangenaam. Het is vreemd. Toch is die winter veel lichter. Die winter draagt dan in zich de elementen van gelijkmoedigheid en gezapigheid. Zij kan een ogenblik uitschieten met een bulderorkaan, die over het land veegt en dode takken breekt. Maar over het algemeen doet zij het dan ook toch maar kalmpjes aan. Het is wat minder koud. Toch kunnen de mensen er niet tegen. Het te zachte van die winter maakt hen ziek en ziekelijk, maakt hen verdrietig en somber. Je ziet ze met morrige gezichten door de regen heen lopen, als had hen de wereld een groot onrecht aangedaan, In de winter kunnen wij bepaalde facetten van het leven erkennen, want het leven op de stofwereld is eigenlijk wel de winter van het zonnejaar, dat wij doormaken, stijgend naar de lichtende geest, die uit zich een verblindende gloed geeft, die is als een zon in de geestelijke hemel moeten wij elke keer weer afdalen naar de norse winterse stoffelijke wereld. Dan zijn wij maar al te vaak geneigd om te klagen en te steunen over de te strenge kou, over de regen, over alle dingen, die ons daar niet bevallen. Wij hebben geen oog voor de haast naakte schoonheid, die de wereld op zo’n moment kan bieden. De sobere, strenge, maar daardoor juist omlijnde en toch wonderlijk aanvaardbare wereld, waarin je het stoffelijk leven moet slijten. Hoe harder de winter van het leven is, hoe schoner.

Wanneer het leven hard is en koud en kil, wanneer je voor de geestelijke nood, de arme barheid haast zou willen vluchten, dat de wereld je leeg schijnt, dan zijn er ook die momenten, dat het ijs bloeit en de ijzel vreemde donzige gordijnen vlecht over al wat er in het leven bestaat. Dan is het leven misschien wel wat kil, maar schoon. Dan komen de vlagen van plotselinge hartstocht en plotseling leed op. Zij vagen in een ogenblik onze wereld schoon van alle verdroogde gedachten, die breken in dorre takken voor de storm. Dan is het misschien niet prettig om te leven en komt dan een ogenblik de bleke gelukszon van een stoffelijk aanvaarden des levens naar voren, is je hemel staalblauw, dan vlieg je door het leven heen als een vogel, als een schaatser, die gedragen door de wind met forse streken verder gaat door het besneeuwde en beijzelde landschap, maar een mens realiseert zich dit meestal niet. Hij klaagt over de barre kou en de onvolkomenheid van zijn eigen bestaan. Hij wil en kan niet aanvaarden de felheid, die nodig is voor zijn geluk. Hij durft niet te beseffen, dat de kilte, de storm, het ijzige van het stoffelijk leven inherent zijn aan het wezen daarvan, dat juist daardoor de fraaie, de gezonde, de prettige stoffelijke winter in het geestelijk bestaan wordt een voorbereiding tot. een nieuwe, rijper zomer. Dat de lach, die eerst weer tinkelt in de ijspegels, die aan de daken hangen, de daken van je gedachten, plotseling kan worden tot het lachende, het zonnige echootjes, dat in zo menig geestelijke sfeer klinkt, wanneer je je gedachten uitstuurt. De mens smeekt en bidt over het algemeen om een kwakkelwinter. Hij vraagt om een leventje, dat met al zijn ongenoegentjes regenachtig traag en modderig voorbij glijdt. Waarin hij dan mopperend kan beweren, dat het leven uiteindelijk toch niet zo kwaad was, Het gaat een hele tijd goed, wanneer je dat vraagt, omdat je je dan nog realiseert, dat het gebrek en de felle pijn van de kou er niet zijn, maar op een gegeven moment krijg je er genoeg van. Dan vraag je weer naar die fonkelende lichtende wereld. Dan zou je willen zien, hoe het geestelijk vuur, fel brandend weerkaatst in de gekristalliseerde vlakken van de stof.

Maar ja, dat komt dan niet meer, of het komt maar voor een enkel ogenblik, begrijpt u?

Vragen om een kwakkelwinter, of vragen om een gemakkelijk leven is eigenlijk hetzelfde. Het brengt een hoop gevaar met zich mee. Die zachte winter met zijn plotselinge vlaagjes van kou, van regen, van mist, weet u zo heerlijk te helpen aan een fijne bronchitis, aan een heerlijke longontsteking en voor tijdverdrijf aan een paar leuke snotterende verkoudheden. Om maar niet te spreken over griep, influenza en wat er nog meer schone dingen achter de deur liggen.

Geestelijk is het precies hetzelfde; wanneer uw leventje te veel in geborgenheid, zonder nood of gebrek voorbij glijdt, wanneer er geen strijd is, geestelijk of stoffelijk, dan zijn er zo veel van die ziekten, die op je loeren. Die je leven verbitteren en je vaak ook nog in de eerste tijd, dat je van de zon van het geestelijk vrij, zou kunnen genieten, gebonden houden in een nevelige, kille duisterheid. De winter is een voorbeeld van wat er werkelijk gebeurt in ons leven. Je keert uit de zonnige wijdten van een grazig zomerland naar de kilte van de stof, genormd en geketend, als de rivier, die door het ijs in de boeien wordt geslagen, kom je in een lichaam terecht. Dan is het de vraag, of je de winter wilt aanvaarden. Soms is de geest sterk.

Lang voor het winterse leven vervloden is en de lente van het opgaan naar het hernieuwde zonnige licht van de geest komt, breekt hij de boeien en kluisters. Dan zien wij de stof vaak in wanorde opvliegen en stapelen zich de ijsbarrières van stoffelijke conventies op als een belemmering voor de steeds verder stuwende geest, maar dat gebeurt maar zelden. Wij moeten eigenlijk, wanneer wij eerlijk en oprecht naar een geestelijke beleving streven, zeggen; Geef mij wat tegenslag in het leven. Laat de vorst maat alles breken tot het kraakt.

Laat de sneeuw maar in dikke lagen liggen op onze wereld. Op ons leven. Koel misschien. Kil.

Soms zelfs afschrikwekkend in de koude blankheid. Maar daaronder kunnen dan de kiemen van het komende leven, bevrijdt van het ongedierte, dat de komende lente bedreigde voortgaan zich op te bouwen en klaar te maken, opdat zo dadelijk, wanneer de wintertijd van het stofbestaan voorbij is, de mens op kan bloeien in nieuwe forsheid, vrijheid, lichtend opgaan en zich ontplooiend voor een geestelijke zon. De wintertijd is een periode, die altijd heel wat problemen met zich brengt op aarde. Zij is ook voor de geest een tijd van problemen, van ontstellende keuzen en omstandigheden, die je eigenlijk liever niet zoudt aanvaarden. Zo goed als je op aarde wel eens een stuk bevroren waterleiding hebt in de winter, zo goed kan voor de geest ook de aanvoer van geestelijke veerkracht en energie wel eens een ogenblik onderbroken zijn. Maar als je op aarde bent, dan roep je de loodgieter om het lek te zoeken, of als je handig bent, doe je het zelf en repareert. Je sluit de leiding af, je laat in geen geval het water verspillen en je hele woning bederven.

Dat kun je geestelijk ook doen. Je kunt geestelijk alle schade van het stoffelijk leven opvangen. Je kunt met je geest het stofleven a.h.w. terug dwingen in de juiste vorm. Je kunt van deze winter maken een sidderende verwachting van de komende zomer, van het lente ontbloeien, of je kunt ervan maken de voortdurende klacht over de kou en je natte voeten. De voortdurende klacht over een leven, dat, nu ja, je nooit geeft, wat je er van zoudt willen hebben. Vrienden, wij zullen toch met elkaar eens zijn, dat al verlang je dan niet naar de poolscherpe winden, die de temperatuur doen vallen tot 20, 30 onder nul, je toch liever een winter hebt, die werkelijk een winter is, dan dat je zo iets hebt, dat geen winter, geen zomer, geen lente en geen herfst is. Zo moet het met je leven ook zijn, aanvaardt het leven met al zijn harde vlagen. Aanvaardt het met zijn kilte, zijn ogenblikken van verlatenheid. Aanvaardt het met alle problemen, die het brengt.

Want hoe meer problemen en vragen je hebt, hoe meer bij de bleke vreugde, die de stof je geven kan, toch altijd weer de strijd bestaat. Ja, hoe armer misschien je jezelf voelt, vooral in geestelijk opzicht vaak, hoe schoner zo dadelijk het bloeien zal zijn in de lente, wanneer je bevrijdt uit de kluisters van het stoffelijk bestaan op kunt gaan in andere sferen, daar kunt leven in landen, die zijn voor de geest, wat voor de aarde is lente, zomer, maar vooral ook herfst, de tijd van de oogst. En komt er na de oogst weer een winter, een winter van ergens gebonden zijn in werkzaamheden, of in de stof, wat kan ons dat deren. De loop der jaargetijden gaat voort. De baan door de eeuwigheid wordt niet afgebroken en elke keer, dat wij een winter hebben doorstaan zullen wij beter, sterker en frisser naar voren komen, meer in staat zijnde alles te overwinnen, totdat het moment komt, dat wij, staande in een winters bestaan, misschien van stofgebondenheid, of van een sfeer, waarin wij moeten werken, het machtwoord durven spreken; het zij zomer waarop dan uit ons de geestelijke zon begint te stralen. Niet alleen voor ons, maar voor al wat er bestaat. Lente en zomer scheppend, omdat wij in ons het ware licht hebben gevonden en de ware macht. Zo wilde ik ook graag eens over de winter denken. En als u met mij mee heeft gedacht, heeft het u misschien wat tevreden gesteld met de problemen en onaangenaamheden, die je in de stof nu eenmaal altijd hebt.

Bedenk; één teleurstelling in het leven is als de ijzige wind, die het eerste vlies van ijs over het water weet te toveren, zodat het zwaar wordt en loom, niet meer golvend, als een stalen vlak begint te vriezen. Dat zelfde ijs zal ons leren ver te gaan in onze stoffelijke wereld. Hetzelfde ijs zal ons beschermen, opdat zo dadelijk, wanneer de zomer weer gaat komen, wij fris en niet verziekt en vol ongedierte het nieuwe leven in kunnen.