Filosofie over het leven

9 juni 1980

De gast van vanavond heeft het laatst op aarde geleefd ongeveer 500 na Christus.  Het is iemand die een zeer hoog geestelijk bereik heeft; die in zijn tijd, ongetwijfeld ook een goed dichter en wetenschapper is geweest. Zijn denken is een soort filosofie over het leven.

Op het ogenblik bevindt hij zich in de goudkust van de kleurensfeer. Hij werkt op het ogenblik voornamelijk met entiteiten, die behoren tot wat men noemt de nevelsfeer. Het is niet iemand die regelmatig op aarde doorkomt. Maar aan de andere kant is het iemand die een eigen visie heeft op leven, op jezelf zijn e.d.

Misschien kan ik het beste aanhalen wat hij zei toen ik hem vroeg: “Waarover gaat u spreken?”

Hij zei: “Spreken is de stomheid van de stem. Want het hart dat spreekt hoort men niet en de stem die spreekt verstaat men niet. Maar het wezen dat spreekt kan zichzelf zijn.” Daarin ligt een hele filosofie.

Onze gast zegt: “Je moet als mens jezelf zijn. Ook als geest kun je niet iets anders zijn dan je bent.” Daar ben ik het wel mee eens.

Het denken wat wij doen is het bouwen van een wereld. Wij zijn de scheppers van het universum waarin we zelf leven. De kracht die de werkelijkheid schept gaat veel verder dan wij en we kunnen natuurlijk alleen maar gebruik maken van de bouwstenen die in het geheel aanwezig zijn.

Juist omdat we heel vaak de werkelijkheid uit zijn verband rukken, leven we eigenlijk in een fort. We denken dat rondom ons de woestijn ligt terwijl we de vruchtbaarheid van het land, waar we middenin zitten niet zien (de visie van onze gastspreker). Dat hoef ik niet veel verder uit te werken.

Persoonlijk vind ik ook dat de mens zichzelf moet zijn. Maar jezelf zijn is een heel andere zaak dan de mensen denken. Jezelf zijn is voor mij het vinden van je persoonlijke moraal. Je hebt wel degelijk regels. Regels die voor jou noodzakelijk zijn. Maar die regels hebben niets te maken met hetgeen ze je op school of in de kerk leren. Het zijn de regels, die in jouw eigen wezen bestaan en waar je mee moet leven vanuit jezelf.

Wanneer je dat op een goede manier doet, zul je ontdekken, dat niet alle mensen reageren op jouw stellingen en op jouw regels. Ze hoeven het er ook niet mee eens te zijn. Maar jij hebt voor jezelf een wereld geschapen, waarin jij leven moet en hoe minder grenzen die wereld kent – anders dan die uit je eigen wezen voortkomen – hoe groter de werkelijkheid rond je, waaraan je deel zult hebben.

Nu kan ik er natuurlijk de kamelen bij halen, maar dat is alleen mooi in de Duitse taal: “Alte Kamelen.” De oude spreuken die al lang vergeten zijn. Je zou bij u zeggen: Je kunt de oude koeien uit de sloot halen. Maar eigenlijk zijn wij juist belast met die oudheid. Dat is mijn visie.

Wanneer ik denk aan mijn eigen bestaan vroeger, dan was dat een indeling in standen. Als je tot de ene stand behoorde had de andere stand maar te pareren. Die had beleefd én netjes te zijn. Dat was gewoon je recht. En jij op jouw beurt erkende ook weer de standen waar jij heel nederig tegen was en waar je heel hard voor liep. Daartegenover had jij natuurlijk weer heel veel mensen die je voor jou liet lopen.

Ik geloof niet dat dat juist is. Op het ogenblik dat je gaat denken, dat je meer bent dan een ander, begin je eigenlijk jezelf in te perken. Je gaat proberen afstand te nemen van de werkelijkheid van God, als ik het zo mag zeggen. Daarvoor in de plaats bouw je een eigen werkelijkheid en alles wat daar niet bij past wordt uitgesloten. Of erger nog; wordt tot hel, duivel of verdoemenis gemaakt. En daar kunnen de mensen nogal wat van.

Mensen maken van het gewone bestaan, van het geestelijke bestaan het vagevuur. Het is geen vagevuur, het is alleen een andere energietoestand.

Ze spreken over de noodzaak harmonisch te zijn met het geheel van de mensheid, maar ze vergeten gelijktijdig dat, als je een deel bent van de mensheid, je ook nog een deel bent van iets anders. Dat je nl. ook deel bent van alle leven, of dat nu van een alg is die ergens in een poel groeit of van een vis, een spin en noem maar op van alle griezelige en leuke dingen die u zich voor kunt stellen.

Ik kan niet behoren tot één vorm van leven en gelijktijdig de betekenis van de andere vorm van leven ontkennen. Mijn ervaring in de sferen is, dat je eigenlijk met alles wat je wereld vormt een geheel vormt. Ik weet niet of dat op aarde denkbaar is.

Toen ik vroeger in hoog Zomerland was (ik ben gelukkig al weer een tijdje verder) waren daar wouden, bergen en wolken. Een voorstelling die een kruising was van een Kurort en de Karakorums. Wanneer je dat daar leerde aanvoelen dan was je die hele wereld. Je wist waar elke boom stond, waar elke wolk dreef, waar elke vogel vloog en waar elke mens was. Elke ziel. Ik denk dat dat de basis is van die eenheid, van die werkelijkheid.

Het is natuurlijk erg mooi om te zeggen: “Maar wij zijn mensen en wij moeten als mens dit of dat doen.” Dat is waar. Maar dat maakt deel uit van de beperking van het mens-zijn. Zolang ik die beperking gelijktijdig beschouw als het einde van alle dingen, dan ben ik niets.

Dan blijf ik in een kringetje ronddraaien. Op het ogenblik echter, dat ik in staat ben om die kringloop te doorbreken, blijkt ineens dat ik alle dingen kan kennen.

Kent u de Rozenkruisers kringloop van de ziel? Ik zal het heel kort proberen duidelijk te maken omdat het mijn denkbeeld verheldert. Bij de Rozenkruisers zegt men: de ziel begint een reis. Ze komt uit het Goddelijke Licht. Daalt af tot het menselijk bestaan. Ze werkt het menselijke bestaan af. Gaat verder door de duisternis en komt weer bij de menselijke wereld. Ze beleeft deze wereld en gaat weer verder naar het goddelijke. De ziel is zich dus steeds van zichzelf bewust op een bepaald niveau, waarbij het niveau verandert. De aanpassing van het bewustzijn maakt uit of je nog kunt beleven of niet; of het beleven draaglijk is of ondraaglijk.

Nu zeg ik dit: die kringloop, dat ben ik helemaal. Ik ben het hoogste licht waar ik in kom en ik ben het duister. Zolang ik bezig blijf met mijn beperktheid moet ik me ook tot het menselijk voorstellingsvermogen beperken. En dat gaat per ogenblik, per moment. Dat gaat door poorten, door levens en blijft maar rondtoeren. Het draait rond, als iemand op een wielerbaan.

Wanneer ik nu contacten ga krijgen met andere vormen van leven, andere krachten van leven dan is het denkbaar dat de tijd stilhoudt. Dan ga ik mede vanuit dat andere leven niet alleen maar kijken naar één moment van die kringloop, maar ga ik steeds grotere delen van die kringloop in één geheel zien.

Wanneer dat gebeurd is het niet meer nodig om afzonderlijk door de verheerlijking, de slaap van het hoogste licht, de afdaling, de menselijke levens en alles wat erbij komt te gaan. Dan kun je gewoon zeggen: dit is het geheel van mijn wezen. Dan blijft de uiting wel voortbestaan en blijft misschien in die kringloop, maar het besef omvat het geheel. Ik ben dan niet meer bezig met één moment, want ik ken mijzelf als een deel van de werkelijkheid.

Het is misschien wat ingewikkeld maar het is ten slotte esoterie.

Ik heb geprobeerd om vanuit dit persoonlijke denken, mijn eigen filosofie, eens te kijken wat zo’n Arabier er van gedacht zou hebben. En vooral: wat is mijn achtergrond in dit geval? En zo kom ik tot de conclusie, dat de man kennis gehad moet hebben van bepaalde leerstelligheden die vermoedelijk Egyptisch, Joods of Esseens zijn. Hij heeft eigenlijk al een klein beetje zijn eigen gedachtegang doorbroken terwijl hij op aarde was. En ik neem aan, dat hij daardoor ook is losgebroken uit de gebruiken.

Gebruiken zijn een soort zekerheid, maar het is gelijktijdig een enorm benard worden. Misschien kun je het beste zeggen dat, wanneer je behoort tot een wereld die met vaste gebruiken leeft, je in feite door een autocratisch denkbeeld wordt beheerst.

Het denkbeeld van: zo hoort het, zo moet het, daar ben ik aan gebonden, is ontzettend kwetsend voor je persoonlijkheid. Want u bent nu eenmaal uzelf. U hebt uw eigen beelden van goed en kwaad en daaraan moet u beantwoorden.

Het zijn geen absolute beelden. Als iemand u zegt, dat u voortaan geen rode jurk meer mag dragen, dames, omdat dat een uiting zou kunnen zijn van een bepaalde mentaliteit, dan zegt u: “maar ik vind rood mooi, mijn eigen mentaliteit is belangrijker dan alles wat jullie eraan verbinden. Ik kan mijzelf zijn, ook al wijk ik in uiterlijkheden af van wat jullie aanvaardbaar vinden.”

Onze vriend heeft ook geprobeerd dat duidelijk te maken. Verder dacht ik, dat een deel van de zelfdiscipline die bij hem een grote rol speelt, waarschijnlijk een Esseense achtergrond heeft en dat een deel van het toch nog wel magische denken, een soort animisme eigenlijk, waarschijnlijk uit de Egyptische bronnen stamt. Hij is een groot reiziger geweest voor zijn tijd. Hij heeft nogal wat stammen bereisd.

Ik meen dat hij oorspronkelijk van de Armaar was, een bepaalde stam. Juist door dat loskomen uit de Bedoeïenen leef‑ en denkwijze zal hij misschien meer geschokt zijn geweest door al dat andere dan iemand, die niet was opgevoed in een toch wel zeer nauwkeurig bepaalde rangorde en samenhang. Ik heb het gevoel dat zijn grote belangstelling juist voor het persoonlijke zijn in dat leven is begonnen. Het is zijn laatste leven op aarde geweest.

De manier, waarop onze gast de zaken benadert, is uiteraard nogal magisch. Dat hoeft ons niet te verwonderen, want in die tijden waren de mensen nogal bijgelovig, dat weet u ook wel. Magie was datgene wat in de plaats kwam van het weten.

Dat magische denken heeft hij later natuurlijk wel losgemaakt uit het systeem. Hij gelooft niet meer in de vaste samenhang tussen een aanroeping en een verschijnen van een geest of de gunst van een God. Hij gelooft ook niet meer dat je door een bepaald bloedoffer te brengen bepaalde demonen kunt binden of bepaalde engelen kunt opwek­ken om even iets voor je te doen. Daaraan is hij ontgroeid. Maar zijn denken is nog steeds dat van wisselwerking en relatie. Het zo boven, zo beneden principe enz. Ik weet niet of hij daar ook nog uit los zal komen. Misschien, is het wel noodzakelijk, dat ook dit soort denken bestaat. Toen ik hem vroeg of hij het niet jammer vond, dat hij Mohammed niet had meegemaakt, zei hij:

“Profeten spreken tot diegenen, die niet in staat zijn zelf te denken.” Dat vond ik tamelijk hatelijk, tussen ons gezegd en gezwegen.

”Wanneer een profeet bepaalt, wat ik ervaar, ben ik mezelf niet meer.” Daar ben ik het wel mee eens.

“Het is beter om jezelf te vormen langs de moeilijke weg die je moet gaan, dan door een ander tot een gevoel van juistheid gebracht te worden dat je, zodra je zijn steun ontberen moet, niet meer terug kunt vinden.” Dat vond ik heel verstandig gezegd.

Ik heb hem ook nog gevraagd wat hij dacht van de wereld van vandaag. Wel, zijn visie zal ik u ten dele onthouden. Het is een esoterische kring en laten we alsjeblieft vriendelijk voor elkaar blijven… Maar hij zei onder meer dit en dat viel mij toch wel op:

“In uw wereld zoekt men naar vrijheid zonder te beseffen dat men steeds meer de slaaf wordt van zijn eigen onbeheerstheid.” Hij ging nog een stapje verder want hij zei er prompt achteraan:

“Uw wereld zal zichzelf vernietigen in de hoop zichzelf te redden. Maar ze zal nooit beseffen, dat je jezelf niet kunt redden door te vernietigen.”

Vraag: “Hebt u nog verder iets te zeggen?”

Antwoord: “Eigenlijk niet veel.”

Ik vroeg: “Wat denkt u van al dat milieugedoe?” (Verschillende van onze leden waren er actief mee en dan wil je weleens wat weten.)

Antwoordt: “Het milieu verandert voortdurend en het leven dat zich niet aanpast wordt herboren in een andere vorm.”

Dus het milieu is alleen belangrijk op het ogenblik dat wij onze relatie met het milieu zuiver kunnen beleven. Waar dat niet het geval is kan het beste milieu de mens nog ten onder brengen. En de meest ijverige mens kan het milieu niet aanpassen.

Ik heb geprobeerd om daar de beelden bij te vangen. Want ik vertel dit allemaal in woorden; voor ons is dat gemakkelijker, wij zien het in beelden.

Ik kreeg de indruk van iemand die in de woestijn tegen de woestijn aan het foeteren was en daardoor veel meer krachten verbruikte dan hij eigenlijk kon missen. Hij schiep zo voor zichzelf het gevaar aan de woestijn ten onder te gaan.

Het tweede beeld wat ik kreeg, was van iemand die het volgende in zijn hoofd had gezet. Hier is een klein beetje water, hier ga ik een oase van maken. Dat ging niet want er was geen water genoeg. Onze gast wilde eigenlijk zeggen: je kunt niet helemaal tegen de dingen ingaan. Zorgen voor het milieu is goed, maar dan moet je je eerst verbonden weten met het milieu. En verbonden zijn met het milieu is deel uitmaken van een evenwicht en niet alleen maar protesteren tegen het één en het ander goed vinden.

Mensen die voor kunstbont zijn en voor atoomcentrales hebben gelijk. Want als er niet meer voldoende atoomcentrales zijn is er geen energie meer. En hoe moet je dan dat kunstbont maken?

Aan de andere kant moet je natuurlijk wel begrijpen dat de mensheid gevoed moet worden. Als je dat niet kunt doen zonder kunstmest moet je het maar gebruiken. Of je moet de voedingsgewoonte van de mens veranderen. Dat is de enige manier. Je moet leven met hetgeen er is.

Nu weet ik niet of dat prijzend is t.a.v. al die milieuacties of niet. Maar het is in ieder geval verfrissend dat hij zegt: Wij moeten geen absolute erkenning of afwijzing gedogen tenzij op grond van onze eigen volledig beleefde verbondenheid met het andere. Nu, dat vond ik wel mooi.

Ik vroeg verder: “Wat denkt u eigenlijk van de golf van seksualiteit op aarde, daar maken ze zoiets belangrijks van?” Antwoord: “De gevangene die te weinig te eten heeft, droomt de hele dag van eten.” Dat vond ik een heel goede. Hij bedoelde dat als je je laat obsederen door iets, dan komt dat omdat je het niet als een gewoon deel van je leven kent. Ik geloof dat hij daarin ook wel gelijk heeft. Hij bedoelde waarschijnlijk, dat de mensen nu in deze golf van libertinisme zoals men het noemt alleen maar zoeken naar iets, wat in hun leven ontbreekt wat vanzelfsprekend zou moeten zijn.

Ik meen dat de hele kwestie eigenlijk dit is: Wij zijn, wanneer wij op aarde zijn, geest en materie. Wanneer één van die twee niet betrokken is bij hetgeen wij zijn of hetgeen wij doen, is het zinloos.

Wanneer mensen elkaar ontmoeten dan moet dat als een totaliteit gebeuren en niet alleen met één enkel doel. Wanneer mensen samen iets willen bereiken dan moet dat niet alleen maar een kwestie zijn van één doel, dat ze samen nastreven. Dan moet er sprake zijn van een harmonie tussen die mensen en op grond daarvan elkaar steunen bij het bereiken van en doel.

Voor mij is het denkbeeld van “alles is één” altijd nog een beetje twijfelachtig. Ik denk dat dat een klein beetje ingaat tegen mijn gevoel van zelf zijn. Mijn gevoel van trots. Ik ben toch een klein beetje ingewijd. ‘Ik heb toch iets bereikt. Ik weet hoe de smalle paden lopen uit de grotten van verdwazing naar de vlakten van licht. En dan denk je: ik ben dat. Ik kan dat.

Maar misschien zou je ook kunnen zeggen: ik ben daardoor de verbinding geworden die beide werelden in stand houdt, want ik erken ze beide afzonderlijk. Zou ik ze als eenheid gaan beseffen dan zou heel veel van die uiting verdwijnen. En ook van het grote verschil. Zo zal het voor een mens ook wel zijn, denk ik.

Je moet niet zo bang zijn voor alle dingen die er gebeuren, want wat kan je uiteindelijk gebeuren? Zeker, de tijd kan doordraaien; je wordt ouder. Of er gebeuren dingen waar de mensen wat over zeggen, maar wat gaat het je eigenlijk aan zolang je er zelf maar vrede mee kan hebben?

Ik denk dat je vrede moet hebben met jezelf. Dat dat het belangrijkste is. En een mens kan geen vrede met zichzelf hebben, denk ik, wanneer er geen wereld is die hij kan liefhebben. Wanneer je vrede en liefde kent wordt de schoonheid van het geheel kenbaar in plaats van de onvolledigheid van een klein stukje. Ik denk dat daar de hele zaak om draait.

Er zijn natuurlijk heel wat zangen geweest. We spreken met een gast; de ene keer is het overrompelend, de andere keer is het eigenlijk iets waar je geen raad mee weet. En nu zit ik eigenlijk tussen beiden in.

“De dorstige ziet de hemel in een koele beker drank.” Misschien is dat wel één van de mooie gezegden. Ik heb het ook ervaren. Het gaat er niet om dat die drank er is. Neen, het gaat er omdat wij dorstig zijn. Onze persoonlijkheid maakt dat uit. Onze persoonlijkheid bepaalt de betekenis van onze wereld en van alles wat in die wereld gebeurt.

Als u vanavond hier zit en op één of andere manier klopt het voor u niet; u voelt zich er niet helemaal mee verbonden, dan is het eindresultaat voor u nutteloos. Misschien herkent u er iets van uzelf in, dan bent u in feite bezig met uzelf. Maar omdat het ook buiten u bestaat voelt u zich beter ingepast in het geheel.

Het kan ook zijn dat u wordt gegrepen, maar dat u het niet helemaal kunt verwerken. In dat geval zult u het gevoel hebben, dat je door de coulissen heen iets anders ziet zonder dat u nog precies weet wat het is.

Voor mij is het zo, dat duidelijk wat ik zelf was bepaald heeft, wat de gast aan mij heeft kunnen overdragen. Ik denk dat dat vanavond precies hetzelfde is. Ik geloof ook dat, wanneer ik in staat zou zijn geweest om een klein beetje meer het deel zijn van het geheel te aanvaarden, onze gast me veel meer had kunnen vertellen. Hij heeft nu misschien wel dingen gezegd, maar ik heb ze niet begrepen en ik heb gedacht: je kunt mij nog meer vertellen.

Het leven en de kracht van het leven is eigenlijk altijd dezelfde, daar ben ik nu wel achter. Maar wanneer die kracht van het leven in alle dingen is dan moet ook elk verschijnsel van dat leven in wezen gelijk of gelijkwaardig zijn. En dan ben ik het die door mijn persoonlijkheid en mijn wezen de betekenissen bepaalt, maar niet het wezen: Ik bepaal de relatie tussen mij en de rest van de kosmos. Maar het is de kosmos die mijn zijn bepaalt, al dan niet beperkt door mijn eigen denkbeelden.

Eigenlijk fantastisch als je het zo overweegt. Een onderlinge afhankelijkheid die gelijktijdig de grootste mogelijkheid tot zelfstandigheid inhoudt: Het is gewoon een contradictio in terminis, een tegenspraak, een paradox. En toch is het waar.

Hoe meer ik behoor bij deze wereld, hoe meer ik deel ben van andere werelden, hoe meer ik mijzelf zal zijn en hoe juister mijn be­sef van al dat andere waardoor ik kan bestaan, hoe vrijer ik zal zijn om mijzelf te zijn temidden van dat andere. Het is krankzinnig, maar het is waar.

En dit nu zijn denkbeelden die deze gastspreker in mij heeft wakker geroepen. Ik weet niet wat hij bij u wakker maakt. Misschien dat hij u zelfs wakker maakt nadat u ingeslapen bent onder mijn woorden, dat is ook denkbaar.

Waar werkt hij mee? Iemand die magisch denkt, werkt onwillekeurig magisch. Ik geloof niet dat we van hem een vertoon moeten verwachten. Ik geloof niet dat hij daar de figuur voor is. En ik geloof ook niet dat we het grote gebaar en de suggestie moeten verwachten. Maar ik denk dat hij, wanneer hij in de kring komt, wel zal voelen dat de kring een deel van hemzelf is, van hem en alle anderen. Ik denk niet dat hij daar veel verschil tussen zal maken.

Wanneer ik een werking verwacht van deze spreker dan is het juist dit eigenaardige, dat hij a.h.w. vanuit u naar u spreekt, alsof hij de grens wil vervagen, die ligt tussen u en andere mensen. Maar ook de grens, die u vaak voor uzelf trekt tussen u en de wereld. Dat kan veel bijzondere, verlichtende elementen met zich brengen.

Als ik de figuur zelf zie: hij is zeker niet van de allerhoogste sfeer. Dat hebt u wel begrepen. We hebben wel eens hogere gastsprekers gehad. Het is iemand, die ergens toch dicht bij u staat. En juist om­dat hij zo dicht bij u staat zal hij misschien de kracht kunnen over­ brengen die overal is, ook in hem. De kracht, die in u wel bestaat, maar die niet gewekt is.

Ik denk dat u van deze spreker kunt verwachten, dat hij u achterlaat met iets van een geestelijke energie, waar u een beetje verbaasd tegenaan kijkt omdat u zich nog niet bewust was, dat u dat zelf altijd bij u hebt gehad.

Dit is alles wat ik aan inleiding te brengen heb. Het is niet veel. Onze ridder uit de woestijn, onze zwerver en wetenschapzoeker, onze tovenaar ook een klein beetje, magiër en dromer, die in zijn tijd kon uittreden en niet wist wat het was, zal moeten proberen om zich aan te passen aan uw taal en aan de lichamelijke gewoonten van iemand van u. Op zichzelf een interessant experiment; geloof me.

Hij zal nooit kunnen verloochenen wat hij is in zijn eigen besef. Hij zal nooit zijn kosmisch gevoel kunnen uitschakelen. Dat moet hij gewoon overdragen. Daarom denk ik voor mijzelf, dat het ook een erg interessant experiment wordt en ik hoop alleen maar, dat u dat ook als zodanig zult ervaren.

Nog één ding. Wanneer u die kracht in uzelf zou voelen – dat is mogelijk – dan kunt u dat heel rustig doorgeven aan iemand die dat op het ogenblik nodig heeft. Als u er tenminste zelf niets mee wilt doen. Want kracht bestaat pas op het ogenblik dat ze wordt omgezet in werking, in actie. Ook in u.

De Gastspreker

U hebt mij als gast uitgenodigd. Voor mij is het wat moeilijk me weer aan te passen aan de menselijke, beperkte mededelingstechniek. Ik zal gebruik maken van de mogelijkheden die ik in het medium aantref en ik zal trachten u binnen deze begrenzingen iets voor te leggen omtrent mijn visie op leven.

Er is maar één leven. Alle delen van leven, die wij als afzonderlijk beschouwen zijn met elkaar verbonden. Alle krachten zijn met elkaar in evenwicht in het geheel van het Zijn en in de beperking van mens of geest. Daar, waar we dit evenwicht niet erkennen, zullen wij proberen onszelf te verbeteren en daardoor onszelf onevenwichtig maken.

De verbondenheid met alle dingen kan niet wezenlijk verbroken worden. Maar wij kunnen onszelf belemmeren in onze deelname daaraan.

Wat ik weet is een klein deel van de werkelijkheid. Wanneer ik mijn weten zie als in zich bepaald; een zekerheid die niet in een ander daglicht kan komen te staan, een waarheid die onaantastbaar is, dan heb ik daarmede mijzelf in wezen afgesloten van elke mogelijkheid om deel te nemen aan het grotere geheel:

Wanneer de ruiter door de woestijn gaat, dan zingt het zand. Het is een klank die u zich misschien niet voor kunt stellen. Het is een ruisend zinderen. Het is een klinken en trekken en hij, die de taal van het zand verstaat, weet wanneer de storm dreigt. Hij weet waar de beste wegen liggen. Hij weet waar het water bereikbaar is, want hij verstaat de woestijn.

Wanneer je bij een hoop stenen staat dan is het mogelijk, dat de dodelijke adder zich daarin verschuilt. Dat de schorpioen wacht op een prooi. Wie niet weet, verstoort dit leven en de eigen concentratie en taak daarvan en hij wordt het slachtoffer van de tegenstelling die hij tussen zichzelf en die dieren heeft geschapen.

Maar degene, die één is met alles voelt waar de zandadder ligt. Hij voelt als kleine signalen rond zich de plaatsen waar de insecten zich hebben verborgen en hij weet zelfs waarop de schorpioen loert. En in dit weten – en alleen in dit weten – vindt hij veilig zijn plaats. De adder zal hem niet aanvallen en de schorpioen zal hem niet bedreigen. Dit zijn oude wijsheden.

Ik wilde dat ik uw taal voldoende beheerste om u het beeld te schilderen van de eenheid, die er kan bestaan in de avondlijke woestijn wanneer het licht wegsterft in een rode gloed, wanneer de sterren in een hoge koepel staan. Wanneer de avondwind speelt met het zand en rond het kamp langzaam maar zeker een stilte valt, die alleen verstoord wordt door de stemmen van dieren die op jacht gaan.

Misschien dat de Heer van de donder zich laat horen, de leeuw. Misschien dat ergens de kreet van een prooizoeker klinkt als het hoge gegiechel van een vrouw.

In het slapen van de woestijn gaat je hart open. Je ziel reist naar de sterren. De avondwind wordt een ademhaling, die de aarde omvat en er is een eenheid die met woorden niet te beschrijven valt. Dat is de eenheid waarover ik spreek.

Daar, waar het kruid moeizaam een weg zoekt, waar het gras worstelt om wat water te vinden, waar de zaden droog liggen te wachten op een eerste regen, daar ben ik in al die dingen.

Ik ben de bron, verborgen onder het zand. Ik ben de droom van een dier dat vlucht voor een vijand, die hij tijdens de dag ontmoet heeft. En als er soms palmen zijn speel ik met de bladeren als de wind en ik ruis in de wind zoals de boom dit zelf beleeft:

Verbondenheid. Verbonden zijn is de grote kracht. Waarom zal er een grens staan tussen de ziel van een mens, de ziel van de natuur? Waarom zouden de krachten, die leven in de natuur, zwijgen wanneer de mensengeest zich openstelt?

Alle dingen vloeien samen wanneer de grens van de mens wegvalt. Wanneer hij een ogenblik wegdroomt in de grootsheid van het één zijn met alle dingen dan is de tijd voorbij. Dan is er alleen nog maar het beseffen. Een mens moet beseffen.

Een mens zoekt moeizaam zijn weg omhoog. Hij probeert door bezit, door reputatie, door misschien geestelijke veroveringen boven de anderen te staan. Maar hoe kun je boven jezelf staan?

Je bent jezelf. Je bent deel van het geheel. Maar zoals in een geheel eenieder zijn eigen plaats heeft, zoals in een kudde elk dier een eigen functie heeft en een eigen rang, zo hebben wij onze eigen functie en onze eigen rang. Niet omdat we meer zijn of anders zijn, maar omdat dat deel is van ons zijn. Onze bijdrage aan het geheel waarvan we deel zijn. Dit beseffen betekent dat je jezelf moet aanvaarden zoals je bent.

De één zingt gezangen. De tweede speelt op de fluit en de derde droomt alleen maar weg in de daden die misschien morgen noodzakelijk zijn. Want zo leeft de mens.

De mens is een onverbrekelijk deel, een noodzakelijk en onverbrekelijk deel van alles wat er is. Je kunt geen grenzen stellen.

Wanneer je in de douar bent, in de tent en je drinkt de drank, je spreekt bijna traag met elkaar dan voel je je één. Maar die eenheid wordt nog teveel beperkt door wat je denkt van jezelf.

Soms is er een vonk. Een jongeling ziet de flikkering in de ogen van een maagd en wanneer ze elkaar ontmoeten vergeten ze zichzelf te zijn. Dan is er een eenheid, hoe kort die ook moge duren. En soms ontstaat er een eenheid die niet meer verbroken wordt. Want, wanneer de lichamen vergaan, blijven nog de zielen, met elkaar spreken en voelen zich één. Dat is de waarheid van het leven.

Wij groeien. Steeds meer zullen tussen ons en anderen, tussen ons en de wereld, tussen ons en de tijd de grenzen wegvallen. Maar we kunnen alleen deel zijn van het geheel, wanneer we ook onszelf kennen.

Je hebt je taak. Je hebt je plaats. Dat betekent niet dat daardoor je wezen bepaald wordt. Maar het betekent wel, dat je wezen eerst aan die plaats en taak moet beantwoorden. Want alleen daardoor wordt de eenheid met het Al uitgedrukt. Want alleen in die uitdrukking van eenheid kun je voor jezelf verder gaan en verder zoeken tot je op een gegeven ogenblik ziet, hoe de hele wereld je geeft wat je nodig hebt om te zijn, wat je moet zijn.

Er is geen wet die door een mens gelezen kan worden. En hij die – men herdenkt dat in deze dagen – in zijn droom tot de hoogste der hemelen steeg en van daar zijn wet meebracht; de bekende soera van de Koran, hij droomde en hij was zichzelf. (Mohammed) Maar hij vergat dat hij niet alleen zichzelf was, maar allen, die zoeken naar een bereiking. En daarin faalde hij.

Drink uit de heldere bron. Lach als de avond daalt. Zoek naar de nieuwe kracht en de zoetheid van slaap en ontwaak om je weg verder te gaan; de eindeloze tocht van de karavaan die nooit werkelijk haar rust bereikt. Dat is de mens. De mens, die rust en verder gaat, onvermoeibaar, voortgejaagd door het verschijnsel tijd, dat hij niet begrijpt.

Er zijn andere dingen dan de tijd. Er is het geheel. Sommigen smeken de engelen om hen bij te staan, niet wetend, dat ze deel zijn van de engelen. Sommigen vluchten angstig weg voor demonen en weten niet, dat hun denken ook in de demon spreekt en woont. Je kunt niet vluchten. Je kunt niet aanroepen. Je kunt alleen zijn, jezelf zijn.

Niets, is onmogelijk wanneer de tijd stil staat.

Geen kracht is groter dan de mijne, wanneer ik één ben met Al.

Geen leven is onbeperkter dan het mijne wanneer ik één ben met alle dingen en de tijd vergeet.

Ik heb vele voorvaderen gehad en velen van hen hadden een grote naam. Maar hun namen zijn verwaaid en vergeten. Het wezen dat ze waren bestaat verder. Wie van u, wie van de moderne wereld weet nog van de oude reiziger: die ze Ahmed Shid genoemd hebben? Niemand. De vorm is voorbijgegaan. Maar de kracht die me toen dreef, drijft mij nu. Het licht dat ik toen zocht heb ik gevonden door minder begrensd te zijn tot mijn eigen persoonlijkheid.

Eeuwen gaan voorbij en niets verandert voor mij dan alleen de uiting. Ik ben deel van uw ziel. Want wij zijn allen een eenheid die niet gebroken kan worden.

Wat u zoekt en nastreeft, is deel van een geheel. Zodra de droom voorbij gaat en het gevoel van de eenheid waar wordt, is er geen tijd, maar dan is er alle kracht, alle waarheid, alle wijsheid. En dan mag het spel van de vormen verder gaan. Dat is niet belangrijk.

Als u zwak bent, ben ik zwak met u. Uw zwakte omdat u geen deelhebt aan het Al. Mijn zwakte omdat u geen deelhebt aan het Al. De grens is onze zwakte.

Je kunt een mens rijker maken dan de rijkste. Je kunt hem laten wonen in paleizen van marmer, albast en porfier. Je kunt tuinen scheppen voor hen, schoner dan al wat gedroomd is en zijn wezen verteert door de tijd zoals het wezen van de armste der armen.

Maar als ik deelheb aan de tuinen van de werkelijkheid ben ik niet arm of rijk, dan ben ik de tuin. Dan ben ik de rust: Dan ben ik de vrede. Dan ben ik de kracht. Daarom is het goed niet de vorm lief te hebben maar het wezen.

Liefde is niet alleen de zingende lichte liefde, waarin het hart als een angstige nachtegaal een ogenblik zwijgt om dan onbeheerst te zingen, steeds hetzelfde signaal. 0 neen. Niet het eeuwig preludium van een vogel die grauw is. Maar een Phoenix zelf, een voortdurend herboren vlucht naar het licht omdat de liefde al omvat en niet beperkt is. Dat na honderdduizend vormen deel uitmaakt van elke liefde die ik ken, van elk ogenblik van verrukking…

Wanneer ik me buig over de roos en haar geur inadem, dan adem ik de wereld in én alle planten die leven, geuren en groeien. En ik grijp terug tot de tijd waarin uit het eerste vuur en de eerste regen de eerste plant geboren werd.

De handeling drukt uit, meer niet. Maar het wezen is, onbegrensd en onbeperkt. Tienduizenden banden hebt ge geknoopt in het verleden. Tienduizenden kleine grenzen zijn weggevallen. Dat is uw werkelijkheid, wanneer uw droom van leven plaats moet maken voor de bezinning, die men dood noemt. Maar meer dan deze banden zult ge moeten ervaren hoe ge de grens kunt overschrijden tussen droom en werkelijkheid. Want banden zijn nog dromen omdat ze gebonden zijn aan vormen, aan gedachten, aan beperkingen.

De ware Liefde, de ware Kracht en het ware Licht zijn onbeperkt en overal. Wanneer de angstige ziel gaat door hete ravijnen die men hel noemt, sluipt door de ijzige grotten die men hel noemt, leeft ze in de hemel. Maar ze kan haar niet aanvaarden.

Wanneer je lang op reis bent en je ziet in de verte de eerste gebouwen opdoemen, witte flitsen tegen de grauwige horizon, dan zingt je hart. Want je wilt in de stad zijn. Je wilt rusten. Je wilt roken. Je wilt lachen. En als dat dagen heeft geduurd kijk je met dezelfde weemoed naar de woestijn waar in de trillende hitte de zandduivel speelt en de horizon verhalen vertelt van oneindigheden. Vol van avontuur. Dat is de mens.

Maar ik ben de stad en ik ben de woestijn. Want er is niets wat ik niet liefheb. Er is niets wat ik kan verwerpen. Er is niets wat ik kan ontkennen, want al is deel van één geheel. En dat, wat ik ben in het geheel, en dat alleen, is de zin van het bestaan; is de erkenning en de inwijding waarvan de mens droomt. Het is de overschrijding van de grens tussen levensdroom en levende werkelijkheid.

De kleine dingen die je doet verwaaien nog sneller dan het spoor van de ezel of de kameel in de scherpe wind. Die kleine daden gaan voorbij. Maar wat je bent is mee in de wind. Alle dingen die je belangrijk hebt geacht, hebt gevonden en gekoesterd gaan voorbij. Maar dat van jou wat erin heeft geleefd, dat wat van jou leeft in de wereld en in die kosmos, dat blijft.

Nooit kun je arm zijn wanner je beseft, dat elk ogenblik waarin je aanvaardt – hoe en wat dan ook – een vergroting is van je rijkdom. En rijker kun je nooit worden.

Wanneer je muren rond jezelf opbouwt en zegt: Ziet, dit is mijn vesting, mijn zekerheid, hier ben ik de heerser. Zij die heersen, zijn de slaven van het noodlot. Maar zij, die één zijn met alle dingen, zij zijn met de Kracht bepalers van de hele Schepping.

Denk aan het licht dat Al omvat. Denk aan de kracht die alle leven is en maakt. Denk aan de vrede die alleen bestaat waar alle tijden tezamen vloeien tot één waarheid. Wees deel daarvan, opdat ge kunt zijn wat ge moet zijn. Opdat ge kunt volbrengen wat ge moet volbrengen en kunt aanvaarden, wat onontkoombaar deel is van uw bijdrage in het lichtende scheppende geheel.

Wij zijn lichtend deel van licht. Wij zijn niet de krachtlozen die smeken om kracht. Wij zijn de uiting van de kracht die in ons woont en deel van de kracht waaruit Al bestaat. Wij die geen grenzen kunnen trekken in de tijd en geen grenzen kunnen trekken, waardoor we onze wereld veroordelen en beoordelen. Wanneer we dat beleven en beseffen zal er een lied wellen in ons, dat het lied is van het leven zelf.

Wees aankondiging van al wat komen gaat zoals ge hier op aarde gaat, staat en zoekt, terwijl uw ziel de eenheid proeft waaruit de tijd ontstaat. Dat is ook voor u mogelijk. En dat is de reden, dat ik als gast tot u ben gekomen.

Moge het licht, dat ge God noemt, in u groeien tot uw grenzen verbroken worden en uw wezen de tijdloosheid proeft.