Filosofische beschouwingen

12 oktober 1958

Graag zou ik  willen beginnen met een paar filosofische beschouwingen.  Wanneer wij n.l. nadenken over esoterie, over levensinhoud, dan zijn we wel eens geneigd om de maatschappelijke verhoudingen buiten beschouwing te laten. Dan vergeten wij de kerkelijke drang en dwang, die op de mensheid wordt uitgeoefend. Deze maatschappij te bezien als een middel brengt ons in moeilijkheden. Want er zijn verschillende wegen, die gezamenlijk worden gebruikt om tot bewustzijn te komen. We hebben allereerst te maken met de feiten, met het weten en de ervaring. Daarnaast is een bekend middel: de logica. Maar er is een derde factor nodig om te komen tot een werkelijke groei. En het is juist deze factor, die in een moderne wereld nog al eens wat te lijden heeft. Dat is nl. de fantasie.

U zult zeggen met velen op deze moderne wereld: Maar de fantasie is toch onwerkelijk, het is toch een droom, waar we niets mee kunnen doen. Ik geloof, dat dat niet juist is. De fantasie is het spel der gedachten, waaruit desnoods in de dagdroom nieuwe concepten geboren kunnen worden. De maatschappij kan deze fantasie niet aanvaarden. Zij heeft langzaam maar zeker getracht om de mensheid op te voeden in bepaalde kerkelijke en staatkundige richtingen. Zij heeft het dogma gebruikt om de mens te binden en te dwingen. Of dat dogma nu christendom heet of Marxisme, of dit dogma nu genoemd wordt de nuchtere werkelijkheid dan wel de enige waarheid, doet weinig ter zake. Wij hebben niets aan combinaties van logica, van dogma’s en aan feiten, wanneer geen eigen interpretatie daaraan kan worden gegeven. Laten we het voorbeeld nemen van de moderne wereld, die u zult me dat waarschijnlijk wel toegeven langzaam maar zeker verwesterd.

Eens waren er op deze wereld verschillende grote beschavingen. We vinden het noordelijk Cathay in Azië, waarin een filosofische beschaving van buitengewoon grote waarde zichzelf ontwikkelt. Een filosofische en esoterische inhoud zo groot, dat de overweldiging van de Hantsjoes, de voortdurende invallen van wilde stammen hierin geen enkel verschil uitmaken. Het bewustzijn blijft voortgaan en in de schijnbaar formalistische gezapigheid van de Chinese samenlevingen in het verleden blijft de fantasie voortdurend een nieuw beeld zoeken. Gebonden aan oude klassieken, gebonden aan logica, gebonden aan dogma en formule misschien, maar met die noodzakelijke vrijheid van denken, die de wijsheid geboren doet worden.

Zuidelijker vinden vrij de grote Indische rijken, die ook lang vóór Christus geboorte al tot een buitengewone bloei en schoonheid waren gekomen. Ook hier vinden wij in de brahmaanse wijsheid zeker een formalisatie maar een innerlijke vrijheid voor de mens.

In Egypte was de uiterlijkheid ook weer gebonden aan vaste regels en wetten. Maar zelfs hier was de innerlijke mens nog vrij, even zeer als de gedachten van de zwervende stammen van Amerika vrij waren. Nu is het westen gekomen. En het westen heeft zich gebaseerd op het sociale dogma, op het keurslijf, dat men de mens aanlegt. Een keurslijf, dat niet alleen bestaat uit opvoeding, niet alleen uit feiten, maar dat ook wel degelijk opgroeit uit de zuiver maatschappelijke dwang. De man van deze tijden wordt niet geleerd, dat het doel van zijn leven is om steeds weer nieuwe gedachten en combinaties te vinden; om steeds weer nieuwe vindingen a.h.w. naar voren te schuiven, onverschillig of ze belangrijk zijn of niet. Neen, men zegt hem: Gij zult een goed verdiener zijn, gij zult rijkdommen begeren; gij moet alles kopen, wat er u op de markt wordt aanbevolen. En de man werkt. Maar slechts waar winstbejag en macht een rol meespelen, blijft zijn vindingrijkheid nog in werking.

Als deze geesteshouding vroeger had bestaan, dan zouden er geen Copernicus, geen Keppler gezocht hebben naar de geheimen van de hemel. Dan zou er niemand nagedacht hebben over de vraag, of de aarde nu rondwentelt, of dat de zon rond de aarde wentelt. Want die dingen leveren niet op. Dan zou men ook niet hebben nagedacht over de geestelijke inhoud van het leven.

En ook de vrouw wordt steeds meer in een sociaal keurslijf geperst, dat haar elke fantasie ontneemt. Niet: “Vervaardig zelf uw kleed”; ken de scheppingsvreugde in uw eigen omgeving. Niet: “Zoek naar kennis omwille van de kennis.” O, neen. De les, die men haar geeft, is: Probeer een man te krijgen, die je in staat stelt alles te kopen, wat de mode voorschrijft, wat de reclame je aanbeveelt. En als je dat al niet lukt, zoek dan een zodanige opvoeding, dat je in staat bent voor jezelf geld te verdienen.

De droomwereld wordt uitgeschakeld. En dat is zoveel te bitterder, omdat niemand dit schijnt te beseffen. Toch heeft ook Jezus in zijn leven ons hierover veel geleerd. En dan behoeven we niet eens zover te zoeken.

Wanneer er gezegd wordt: “Vraagt en u zal gegeven worden,” dan antwoord de moderne maatschappij: “Ik vraag zoveel en ik krijg zo weinig. Neen, het is: “Neem, opdat je bezitten zult.” Wanneer Jezus zegt, dat alle mensen broeders zijn, dan haalt de moderne wereld haar schouders op. Ze zegt: “Dat is niet nuchter, dat is niet logisch. De feiten bewijzen, dat als wij de mensen als broeders behandelen, ze ons zullen uitbuiten. Dus in naam mag de mens onze broeder zijn, maar in feite is hij onze vijand, tegen wie we ons moeten verdedigen.”

Deze fouten van de moderne tijd zal degene, die een esoterische bewustwording zoekt, voor zichzelf toch moeten overwinnen. Er is een rijk, dat men het rijk noemt van de fantasie, maar dat in feite veel eerder is: het rijk van de vrije gedachte. En wanneer ik dan een ogenblik teruggrijp naar die oude werelden van het oosten, die ik heb genoemd, dan moet ik teruggrijpen naar het verleden. De moderne wereld helpt het oosten. Men helpt de onderontwikkelde gebieden met gelden, met bezit, met zeer veel goede bedoelingen. Maar wanneer een Amerikaan komt in een onderontwikkeld gebied, dan verlangt hij, dat het volk Amerikaans zal handelen en Amerikaans zal denken. Met andere woorden hij vernietigt die laatste ondergronden van innerlijke waardigheid en vrijheid, die die mensen bezeten hebben. Hij perst hen in hetzelfde keurslijf, dat het westen iedereen heeft aangemeten.

In het verleden nu waren er in China vele leerlingen van filosofen, die niet bekend zijn geworden. Dat is ook begrijpelijk. Hun meesters hadden hun leer neergelegd; hadden de weg van Tao omschreven, hadden getracht de mens te tonen, wat zijn verplichting is t.o.v. de wereld. Toch zijn de leerlingen vaak minder cryptisch, minder raadselachtig en daardoor voor ons duidelijker. Een van hen zegt over de gedachte: “Eerst indien wij onze verplichting tegenover de medemens, tegenover het rijk en de voorouders dat kunt u invullen zoals u wilt geheel volbrengen, zullen onze gedachten vrij zijn. Indien de keizer al de lichamen regeert, zo is de geest vorst in eigen gebied.” Een ander roept uit: “Wat deert het mij, wanneer men lacht om mij. Want ga ik niet in de geest op tot de troon des hemels?”

In een moderne wereld zou dat asociaal heten. Onbegrijpelijk, lichtzinnig, dat men zo maar verdergaat in de stof en het met al die wetten en die regeltjes een klein beetje moeten we zeggen licht neemt. Dat kan niet. Daar gaat de maatschappij aan te gronde. En dan je beroepen op die dagdromen om daarmede je leven te rechtvaardigen, dat is toch dwaasheid!

Maar wanneer we iets naar het zuiden gaan, dan vinden we daar een antwoord op. In de brahmaanse leer wordt gezegd, letterlijk: “Het is de geest in de mens, die de wijsheid bezit. Het is de geest, die de waarheid ziet. En waar de mens handelt – we zouden zeggen; stoffelijk (dat wordt er wel niet bij gezegd, maar het wordt geïmpliceerd) – is hij in feite slechts een dwaas, verblind door begoocheling, niet in staat de juiste waarden te kennen.”

Kijk, de geest op zichzelf is het belangrijke. Het gaat er niet om, wat er buiten ons ligt. Het gaat er om, wat we innerlijk zijn. Het is niet belangrijk, wat voor, wetten er buiten ons bestaan. We kunnen die volgen, dat geeft niets. Maar in onszelf, daar moet een bewustzijn aanwezig zijn. En hoe moeten we dat bewustzijn dan zien? Dat kan niet alleen een fantasmagorie zijn, een reeks van fantastische beelden zonder samenhang. De geest leert uit de ervaring. Zoals in de leer van Karma wordt uitgedrukt bij de Vroeg-boeddhisten: “Een ieder is het product van al zijn levens, want al zijn ervaringen tezamen bepalen zijn mogelijkheden en zijn weg. Doch zijn geest is aan deze weg slechts dan gebonden, wanneer zij zich bindt aan de regelen van het verleden.”

Een band. Je bent gebonden door alles, wat je in een vorig leven hebt meegemaakt. Dat bepaalt je heden en je toekomst. Tenminste… zolang je je houdt aan de vormen en de formaliteiten, aan de vaak onvolledige of onjuiste begrippen, die het verleden in je heeft gegrift. Wanneer je dat niet doet, dan ben je vrij.

En dan moet ik weer terugkomen op die uitspraak van Jezus, die wij al uit den treure herhaald hebben: “Het Koninkrijk Gods is in u.” Het Koninkrijk Gods is natuurlijk een innerlijke gesteldheid. Maar om het te beleven, werkelijk te beleven, moet je – wat een mens zou noemen – fantaseren. Fantaseren met een zekere logica, ongetwijfeld. Fantaseren, je baserend op je eigen ervaringen en op datgene, wat je aanvoelt als waarheid. Maar toch fantaseren. Het is een droom.

Wanneer Jezus de wijnbeker rond laat gaan, wanneer hij brood breekt met zijn leerlingen op het laatste avondmaal, dan spreekt hij nu veelbetekenende woorden: “Neemt en eet, dit is mijn lichaam. Neemt en drinkt, want dit is mijns lichaamsbloed.” En dan is dat zo. Voor degenen, die goed begrijpen, is dat zuiver zo.

Wij moeten een beetje fantasie hebben om te begrijpen, wat het betekent, wat het is. Jezus, één geworden in zichzelf met de Schepper en de schepping, is één met de aarde. En de sappen van de druiven, omhoog getrokken door de zon, gaar gestoofd door de warmte, zijn het bloed van die aarde. Zoals het graan, welig opgeschoten, ten slotte zwaar in de halm geworden, een deel van het lichaam van de aarde is. Het is het leven van de wereld. En wanneer we het zo begrijpen, dan kan een broederschapsmaaltijd, waarbij we wijn drinken en brood gebruiken, de eenheid symboliseren, die er ook voor ons bestaat met onze hele wereld, ja, met vele werelden buitendien. Het is fantasie, zeker, maar niet ontbloot van een logica, niet ontbloot van rede; gebaseerd op gekende en kenbare feiten en niet alleen slechts een ijl droomslot, opgebouwd door een dwaas.

Alle esoterie, alle innerlijke wijsheid is in feite ten dele fantasie. Met omdat het onwaar is, maar omdat het behoort tot de wereld van een vrije geest. Een geest, die zich onafhankelijk maakt van alle stoffelijke regels en normen. Een geest, die ervaart in haar eigen waarde, niet in hetgeen haar door anderen wordt opgelegd.

En dan moet ik toch even grijpen naar Jezus geheime leer om u duidelijk te maken, hoe dit ook in het christendom een kern is. Sprekende tot Johannes zegt Jezus op een goede dag: “Mijn broeder, ik leef in u. Want uw gedachten en de mijne vloeien samen druppelen water in één stroom. Ik weet, dat het einde nabij is. Maar wanneer ik ook heenga, zo zullen onze gedachten één blijven. Er is geen scheiding en geen grens maar slechts de werkelijkheid, waarbij wij een zijn in de Vader.”

Een andere keer, wanneer het over de Vader gaat, drukt Jezus dat ongewoon scherp en duidelijk uit door te zeggen: “De Vader is de liefde, die ons allen omgeeft. In de Vader zijn wij allen geborgen. De Vader is de gedachte, die in ons leeft. En Zijn Wezen is het, Dat zich in al ons denken openbaart. Maar wee hen, die blind zijn voor Zijn macht en glorie, want hun blindheid doodt hen.”

Dat is volledig waar. God is in ons, is met ons, is rond ons. Daar kunnen wij niet aan ontkomen. En wanneer wij waar denken, wanneer wij waar dromen, dan is elke gedachte een uitgrijpen naar God, een erkennen van God. Maar wanneer we ons laten leiden door de uiterlijkheid, wanneer we onze dromen en gedachten laten vormen door het tijdelijke, het beperkte, dan verwerpen wij eigenlijk het goddelijk aspect, het eeuwige, het volmaakte, zoals het zich aan ons openbaart. En daarin doden wij onszelf. Want met alles, wat wij besteden aan het beperken, aan het remmen van ons gedachteleven, aan het binden van dit leven aan stoffelijke voorstellingen of regels, die we geleerd hebben in godsdienst of filosofisch systeem, doden wij Gods, stellen het dode, de onvolmaakte regel, boven de volmaaktheid zelve, die zich in ons openbaart.

De mens moet in de ware zin des woords vrij denken. Dit vrij denken zou met regels niet te omschrijven zijn, want wie kan vrijheid omgrenzen. Toch kan ik u misschien een paar aanwijzingen geven door te zeggen, wat bij vrij denken zeker niet behoort. Vrij denken betekent niets eenvoudig je onttrekken aan al wat je kent. Het betekent slechts: dit ondergeschikt maken aan de drang in jezelf. Vrij denken betekent niets alles tot waan te proclameren. Maar wel: te beseffen, dat alles een uitbreiding verdraagt, die misschien wel oneindig is. Zodat hetgeen wij kennen slechts het zaad is, niet de voldragen plant. Vrij denken is niet denken voor anderen. Wie tracht voor anderen te denken, beperkt zichzelf en limiteert zichzelf. Vrij denken is een realisatie van jezelf door je gedachten en je dromen. Wanneer het eigen wezen tot uiting komt in deze gedachten en dromen, vormen zij het vrije denken. En uit het vrije denken wordt het vrije handelen geboren. Tezamen vormen zij de volledige bewustwording.

Ziedaar, vrienden, een betoogje voor deze zondagmorgen. Een betoog, dat gewichtiger is dan u misschien beseft. Het is niet een verweer tegen de redelijkheid van het bestaan. Maar het is een zekere aanklacht tegen wat de mens rede is gaan noemen. Wanneer rede betekent “begrenzing,” is ze in feite onredelijk. Want de schepping is oneindig. God is oneindig. En ik hoop, dat u het als zodanig wilt begrijpen.

Een raadgeving misschien voor uzelf en voor uw dromen: Droom en fantaseer zo u wilt, maar beperk u dan niet tot een uitbreiding van deze stoffelijke waarden, die ge kent. Durf te dromen over andere en vrijere werelden. Droom van uw God, van de volmaakte vervulling van uw eigen wezen. Zo zult ge uzelf kennen. Zo zult ge de waarheid erkennen, die in u schuilt. Ik hoop, dat tot dit erkennen ook dit kleine betoog iets heeft mogen bijdragen.

o-o-o-o-o

Als het gaat om de wijsheid, dan doet de mens mij heel vaak denken aan het bekende verhaal van de aap. De aap had van uit zijn bomen de mensen lang gadegeslagen. Eindelijk had hij geleerd zich te gedragen als deze mensen. Daarom sprak hij: Nu ben ik mens geworden.” Hij kleedde zich en ging trots door de steden en straten heen, tot hij eindelijk kwam voor een spiegel. En daar een aangeklede aap ziende sprak hij: “Scheer je weg, jij onvolmaakt schepsel.” Toen dit schepsel het niet deed, werd hij woedend, Hij sloeg op het spiegelbeeld in, verwondde zich de polsen en stierf aan bloedverlies.

De mens moet nooit denken, dat hij meer kan zijn dan een mens. Hij moet nooit denken, dat hij eenvoudig door zich te houden aan de regelen, die voor anderen passen zichzelf verbeteren of veranderen kan. Want als hij dat doet, dan zal hij zijns gelijken gaan minachten. En wanneer hij eenmaal erkent, wat hijzelf is, onbewust zichzelf ook vernietigen. En dat zou dwaasheid zijn. Het is dwaasheid om je teveel met jezelf bezig te houden, want wie zich teveel bezig houdt met zichzelf, probeert zichzelf te roemen. Wie zichzelf roemt, vergeet de werkelijkheid en wordt tot stof onder de voeten van de voorbijganger.

Er zijn zeer vele mogelijkheden voor de mens om werkelijk bewust te worden, Maar die bewustheid verwerf je niet in het eenvoudige – hoe moet ik dat zeggen? – “praatje” met jezelf of met de buren. Er bestaat een gezegde: Wanneer twee ouden spreken op de marktplaats, zo denken de jongeren: “Hier wordt wijsheid geboren.” In feite is het een reeks van seniele dwaasheden, door herinnering samengebonden,

Hetzelfde gebeurt heel vaak, wanneer je bij esoterie je wilt gaan baseren op de ouden. Men roept dan uit: “Ziet, deze leraar en gene gezondene, zij hebben de absolute waarheid. En al wat zij hebben gebracht is zonder verandering vandaag aan de dag geldig.” Ze spreekt men over Mohammed, over Jezus, over Boeddha, maar zo spreekt men ook over Blavatsky, over Heindel en Steiner en wie er nog meer zijn. Men zegt: “Hun waarheid is onveranderlijk de waarheid,” Maar men vergeet, dat elke waarheid het product is van omstandigheden. Waar de omstandigheden zich wijzigen, zal de uitgedrukte waarheid zich mede moeten wijzigen, ofschoon de waarheid zelve onveranderlijk is.

De waarheid is als het licht. Het beroert de aarde, maar de hoek, waaronder het de aarde beroert, bepaalt de kleur, die de wereld zal hebben, bepaalt de schaduwen, die zullen vallen. De waarheid blijft gelijk, het beeld van de wereld wordt anders. Wanneer in de wereld een voortdurende verplaatsing geschiedt door de tijd, door de ontwikkeling van de mensheid, verandering van omstandigheden, dan is het toch heel begrijpelijk, dat ook de waarheid verandert in de ogen dor mensen. Het gaat om de kern van de zaak, nooit om de uiterlijke weergave.

Een wijsgeer heeft eens gezegd: “Wanneer de gedachte in woorden gekleed gaat, is zij als een gast op een gemaskerd bal. Want zij verhult haar werkelijk wezen en schijnt te zijn, wat zij niet is.” Dat is een treurige waarheid, maar zij is helaas niet te ontkennen. Op dit ogenblik is elk woord, dat ik spreek waar. Maar zal het over tien jaren nog waar zijn? Misschien. Wanneer de mensheid: nog gelijk is gebleven aan de mensheid van vandaag, wanneer het begrip in die mensheid overeenkomt met het begrip, dat gij toont voor hetgeen ik spreek, ja, dan is dit nog waar. Maar wat voor een kind een openbaring is, is een onbelangrijke dwaasheid voor de wijze. En wat de wijze ziet als het grootste probleem, is voor het kind een onbelangrijke, vliedende gedachte, die verdrinkt in het spel.

Wanneer we het zo begrijpen, dan kunnen we ons nooit baseren op woorden alleen. We kunnen ons zelfs niet vasthouden aan de oude wijsheid als zijnde de enige richtlijn. Wij moeten voor onszelf een richtlijn vinden. Zoals de reiziger zegde: “Ongelukkig hij, die zich voortdurend moet overleveren aan gidsen. Want soms, staan zij in verbinding met rovers en het kost hem zijn bezit of zijn leven. Soms weten zij de weg niet men verdoolt en komt jammerlijk om. Een enkele maal weten zij de weg, maar gaan hem met hun eigen schreden en tempo, zodat de reiziger uitermate vermoeid aankomt en lange tijd nodig heeft om te rusten. Een andere maal gaan zij zo langzaam en voorzichtig, dat hun loon te groot is en veel tijd teloor gaat. Maar gelukkig hij, die zelf de weg kent. Want hij gaat dan in zijn eigen tempo, op zijn eigen wijze en bereikt zijn doel wanneer hij wil.”

Dat geldt voor ons ook. Buiten al hetgeen u geleerd, wordt – van onze zijde of van andere zijde -, moet gij een innerlijke waarheid bouwen. Uw eigen innerlijke waar held is onveranderlijk. Dat is uw leidsnoer, waarlangs gij voortdurend uw gedachten en uw leven kunt richten. Maar al wat hier wordt gezegd of in het verleden werd gezegd, verandert van betekenis Wie zal weten, hoe de lotus zich openplooit? Wie kan ons zeggen, of de weg die voor anderen is, voor ons de openbaring en het bewustzijn betekenen kan? Wat kan ons dragen, zoals het anderen gedragen heeft? Neen, de wijze begrijpt, de wijze handelt, maar hij kent een waarheid bovenal de waarheid in het “ik”. Nu vraagt men soms wel: Hoe vind ik dan die waarheid in het “ik”? Het is als de geschiedenis van een jonge boer, die toen de heer het land wilde verhuren en verkopen aan anderen besloot om uit te trekken. Hij zegde: “Ik zal een rover worden en rijkdom vergaren.” Iets wat in die tijd eerbaar was. Maar toen hij nu vele nachten van huis was, droomde hij. Hij droomde dat er in zijn land een schat begraven lag, Hij meende echter, dat dit een begoocheling was, door kwade geesten gegeven. Hij trok verder. De landheer verkocht het land, want te lang bleef onze rover weg van huis. En degenen die het land huurden, degenen die het land kochten, zij werden rijk. Want lang geleden in een tijd van nood had men juwelen begraven op de akker. Hij, die het in de droom gezien had, wetende daarover, was niet teruggekeerd en had zo verloren wat hij het hoogste schatter.

Bij ons is het, wanneer wij zoeken naar waarheid, voor onze waarheid precies hetzelfde. Ook wij hebben die droom. Ook wij hebben dat plotseling ontwaken in, onszelf, waardoor wij zeggen: “Ja, maar daar ligt toch de enige mogelijkheid, de enige werkelijkheid.” En deze ene mogelijkheid en werkelijkheid is onze band met de wereld. Al het andere is van geen belang. Deze ene mogelijkheid, die voor ons duidelijk wordt, is ons middel om ons vrij te kopen uit de beperkingen van werelden, de gebondenheid van sferen zonder besef. Wie wil en zich realiseert wat hij droomt, kan voor zich uit de veelheid van wijsheid op deze wereld en de veelheid van leringen de waarheid vinden, waaruit hijzelf krachten put.

Geef u niet te nederig over aan het noodlot. Er is eens gezegd: “Het is goed te knielen voor de keizer, maar het is dwaas al zijn woorden te vervullen. Want ge weet niet, hoe hij ze meent. En in zijn toorn zou hij u doden, omdat gij een te trouwe dienaar zijt.” Indien gij met uw leven en zoeken en denken een eigen waarheid erkent, dan zult gij u toch buigen voor de waarheid, die in de wereld leeft. Gij zult u wenden tot de maatschappij als iemand, die de maatschappij respecteert. Maar uw innerlijke waarheid zal u beletten elk voorschrift van deze maatschappij tot stand te brengen, voor uzelf uit te voeren, al haar wensen te vervullen.

En dit is goed. Want de maatschappij, zo zei onze vriend, is een keurslijf. Ze is meer dan dat. De maatschappij is een verstarring. Daar waar verstarring is en beweging ophoudt, komt de dood, de kilte en de kou, die werelden uitblust. Eerst de mens, die uiterlijk erkennende, innerlijk vrij zijnde zijn wegen weet te gaan, die vindt de bewustwording. Maar hij moet nooit denken, dat de uiterlijkheid bepalend is.

Men vroeg eens een wijsgeer: “Zeg mij, hoe leidt de weg, die voert tot de tempel der waarheid, die ligt in het wezen van de mens?” Toen glimlachte de wijze. Hij zegde: “O, wanneer ge begint, ga in uzelf en gij zult u bevinden in een wildernis met vele dieren. Indien gij nu vreest, zo zal de slang u vergiftigen, de tijger u verscheuren, zo zullen de wilde beren van de taiga komen en u achtervolgen, tot gij doodvermoeid neervalt en sterft. Maar indien gij de ware wijsheid kent, zo zult gij de slang eren voor wat zij is; zo zult gij de tijger aanzien en zeggen: “Vriend, ga verder, want uw prooi ben ik niet.” Wanneer de beren komen, gij zult ze groeten als uw gelijken en verdergaan. En de wildernis zal u niet houden. Wanneer gij dan komt uit de wildernis des harten, zo vindt gij de vlakte vol van vruchtbare gedachten. Maar hoed u wel, opdat gij niet teveel eet van de vruchten, die zich daar bevinden. Of het vergaat u als de reiziger, die uitgeput van een lange reis, kwam onder de perzikboom en vele vruchten at, tot zijn ingewand ziek werd en zijn aangezicht groen en hij lange tijd geketend was. Zo verzwakt was hij, dat hij niet verder kon gaan, toen het noodzakelijk was en zijn reis mislukte. Wanneer gij komt in het vredige gebied van innerlijke wijsheid, pluk in het voorbijgaan hier en daar een vrucht. Geniet haar, savoureer haar op haar volle geur en waarde. Zeg: He, hier heb ik iets gevonden, wat een zekere essence van waardigheid geeft aan mijn leven, maar ga verder.

En wanneer gij dan door de vlakte heen zijt, dan vindt ge daar een stad met vele poorten. Ga de eerste de beste poort binnen. Het hindert niet welke. Maar wanneer men u aanroept en u uitnodigt om te komen en de rijstwijn te drinken, of u toeroept, dat hier de enig juiste waarde wordt gegeven voor uw geld; wanneer men u aanbiedt te wisselen, of u een nieuw kleed verkopen wil, zo dank eerbiedig en ga verder. Want wanneer wij komen over de vlakte der wijsheid, bereiken wij de stad van het waar gevoel. Maar het waar gevoel wil zich hechten aan het kleine en aan het onbelangrijke. Ga verder.

In de kern van deze stad vindt gij een yamin, waarin de roodgelakte poorten spreken van vreugde. Ga deze binnen en gij zult de schoonheden zien, die u omringen. Daar zijn ze, vrouwen met een huid als bleekgoud; met voeten zo klein als een blad van de kersenbloesem, met lippen bekoorlijk als koraal. Ze zijn de uwe, maar ga verder. Gij zult dan zien, hoe er een tafel staat van voorouders. En men zal u zeggen: Kniel neer, want lang is hier niet gebeden. Laat u dan door de eerbied niet ophouden. Ga verder en spreek slechts: Dit is de taak van de heer des huizes.

En wanneer gij dan de laatste en achterste binnenplaats hebt bereikt, na vele vertrekken met vele beelden, dan vindt ge daar een blanke leegte, waarin een enkele chrysanthemum bloeit met duizend kleuren. Neem deze chrysanthemum en beschouw haar. En vergeet alle dingen. In haar kleuren, zult gij heel de wereld; bezitten en alle dingen. En meer…. zo lang gij haar beschouwt, kunt gij niet sterven of ondergaan. Want ge hebt een weg naar het innerlijk gevonden: de contemplatie, die de mens verenigt met het heelal.”

Zoals de wijze dit zegde, zo kunnen wij het u zeggen; “Laat u niet afleiden,” Wanneer gij al die weg naar binnen toe gaat, vergeet niet, dat gij vrienden moet zijn met de dieren in de jungle van het stoffelijk bestaan. Vergeet niet, dat de vlakte, de taiga, met al zijn wonderlijke schepsels, voor u niets anders is dan een gebied, dat gij door moet reizen, dat onbelangrijk is. Het is niet aan u om de kostbare ginseng te steken. Het is niet aan u om de honing te puren, die de bijen tezaam hebben gedragen. Ga verder. Wanneer gij komt tot het einddoel, is in die hele wereld alles samengebracht in één bloem, in één klein begrip. Een besloten begrip, mijne vrienden, is het volledig weten, de volledige kennis.

Misschien dat gij die weg naar binnen toe vindt. Maar misschien ook, dat gij hetzelfde bezwaar zult opperen als degene, aan wie de wijze deze vergelijking gaf. Die zegde: “Maar heer, wanneer ik de bloem beschouw, hoe kan ik voortgaan?” Toen lachte de wijze en hij wees op de weg. Hij zei: “Ziet ge daar die draagstoel komen? Zie, hoe daarin een eerwaardig heer gezeten is in absolute sluimering. De wegen, die zijn voertuig gaan, binden hem niet. Hij komt tot zijn doel, want hij bestuurt het. Maar het is niet zijn taak de schreden van zijn dragers te leiden. Zo is het uw innerlijk wezen, dat zich het doel stelt, maar niet de weg bepaalt, niet elke schrede telt. Indien gij innerlijk de bloem der eeuwigheid beschouwt, de kleurigheid van het leven en de eenheid van de kosmos, zo zal uw voertuig u dragen tot uw einddoel, dat gij zelve bestemd hebt.”

En dat is de les, die ik dan deze keer ook aan u heb willen geven. Het is onbelangrijk hoe ver we gaan en waar we heengaan en wat we ons als doel hebben gesteld. Zolang wij onszelf een doel stellen in de volledige aanvaarding van de grote kracht, wanneer wij innerlijk de eenheid met die kracht voortdurend tot werkelijkheid maken, dan zal elke weg voor ons geëffend zijn. Dan zal het doel bereikt worden, ook al beseffen wij misschien nu nog niet op welke wijze, ook al kennen wij niet elke schrede, die tot het einddoel leidt.