Geboortebeperking, voor en tegen

image_pdf

04 oktober 1965

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik er allereerst graag op wijzen dat wij sprekers van deze groep niet alwetend of onfeilbaar zijn. Het zal u bekend zijn, maar het is altijd goed om daar nog een keer de nadruk op te leggen. Dan moet ik zeggen dat het mij genoegen doet te zien dat voor het onderwerp van vanavond nog zoveel belangstelling is. De ontwikkelingen op de wereld hadden minder belangstelling doen verwachten.

Nu zult u waarschijnlijk denken dat ik wil beginnen met statistieken en met de wereldbevolking en al wat daarbij behoort. Ik zou echter allereerst graag van een ander standpunt uit willen gaan. Wanneer wij het leven bezien, blijkt dat elk nieuw leven een incarnatie is. Voordat dit leven op aarde komt is er schijnbaar wel ergens iets. We hebben daarover een geloof en een reeks stellingen, maar geen zekerheid. Wanneer dat leven later de stoffelijke vorm verlaat, dan gaat er iets weg. En ook wat dat betreft kunnen we zeggen: De mens heeft geen zekerheid, kent alleen stellingen. Nu is de grote vraag die ons bij het benaderen van het probleem ‘geboortebeperking’ wel in de eerste plaats gesteld wordt: Hoe zit dat dan met reïncarnatie? En een van de vragen die daaruit resulteert is dan heel vaak: Hebben wij het recht om een andere ziel het middel tot reïncarnatie te ontnemen?

Van religieuze zijde horen wij een ietwat andere klank, maar met dezelfde achtergrond: God geeft het leven, hebben wij recht om iets dat God wil geven te weigeren? Ja, daar staan we dan.

Wat die reïncarnatie betreft, we kunnen het betrekkelijk eenvoudig afdoen. Elke volgende incarnatie is het resultaat van de ervaringen, de begeerten, de gedachten, de woorden van het vorig bestaan plus eventueel datgene dat in een niet-stoffelijk bestaan werd geleerd en ervaren. We kunnen nu wel spreken van een karma, van een dwingende kracht, maar het is toch wel verstandiger om dat eigenlijk enigszins ter zijde te stellen en ons te realiseren dat een incarnatie een lotsgebeuren is dat door het incarnerend Ik-zelf wordt bepaald en wordt medebepaald. Nu blijkt dat juist de onbewuste geest heel vaak zo snel mogelijk reïncarneert. D.w.z. op het ogenblik dat bewustzijn van de mogelijkheid ontstaat, grijpt men de eerst beste gelegenheid aan. Maar dat houdt heel vaak in dat een dergelijke entiteit beter nog een tijdje in de sferen had kunnen doorbrengen, omdat het besef van de toestand door een confrontatie met het Ik een beter inzicht, een betere beheersing ook, eventueel tot stand had kunnen brengen. Het is aan de andere kant wel zeker, dat wanneer in iemands wezen ligt dat hij een incarnatiemogelijkheid moet scheppen, dat niets, zelfs kunstmatige middelen niet, daaraan paal en perk kunnen stellen. Dan komt er altijd dat ene ogenblik van wat men dan noemt: vergissing, van dat kleine ongelukje in dat kleine hoekje, waardoor toch de mogelijkheid wordt geschapen.

Wat betreft de reïncarnatie behoeven we ons niet zo erg druk te maken. Want de mens kan voor zichzelf wel vele dingen regelen, maar hij kan niet ingaan tegen de wezensinhoud van zijn eigen Ik en hij kan ook niet ingaan tegen het lot dat hij op deze wijze voor zich zelf creëert en – zij het – dan misschien via het onderbewustzijn zichzelf dwingt ten uitvoer te brengen.

Het tweede argument is moeilijker. Want wanneer iemand zegt: Het leven is heilig, want God geeft het, wij mogen dus die gave niet weigeren, dan vraag ik me af: waar komen dan die middelen vandaan om het aantal nieuwe levens in een gezin bv. te beperken? Ik zou zeggen: Ook dit is deel van de goddelijke schepping en met evenveel recht zou men ook dit als een gave God’s, als een mogelijkheid kunnen zien. Ik ben er verder van overtuigd dat voor ons allen – en daarbij kan ik me toch wel op goede, hele goede referenties beroepen als die van Gautama Boeddha – die zeggen dat de matigheid, de beheersing in alle dingen noodzakelijk is. En daarmee kom ik dus, misschien wat prematuur, tot mijn eigen visie over geboortebeperking.

Ik meen dat de mogelijkheid daarvan niet mag worden uitgesloten. Ik meen verder dat juist de verantwoordelijkheid die de mens bezit, niet alleen ten opzichte van zijn eigen leven en zijn eigen God, maar ook ten opzichte van de wereld waarvan hij deel is en gedurende zijn bestaan aldaar dus ook verantwoordelijkheid draagt, de aantallen leert beperken. Hij moet matigheid kennen, ook in het voortbrengen van nageslacht.

Aan de andere kant geloof ik dat een officiële en streng geleide geboortebeperking uit den boze zou zijn. Een dergelijke beperking is een aantasting van persoonlijke vrijheden en de persoonlijke verantwoordelijkheid – niet alleen tegenover de mens maar ook tegenover God – die elkeen van ons bezit. Dus zo zie ik de zaak.

En nu de vraag: Is de geboortebeperking wenselijk, zo ja, waarom? zo neen, waarom niet? Allereerst, de meeste argumenten die rond het begrip geboortebeperking gebruikt worden door de mensheid, zijn gevoelsargumenten. Van redelijkheid kunnen we daarbij maar zelden spreken. Wanneer ik zeg dat niemand het recht heeft om een geboorte tegen te gaan – zoals sommige godsdiensten tot voor enige tijd deden – predikten dat men verplicht is de mogelijkheid tot geboorte te scheppen ook als men die zelf niet wenst, dan is dat toch wel volgens mij een argument dat niet berust op kenbare feiten, dat in strijd is met de mens en zijn harmonisch bestaan.

Een dwang tot voortbrenging van nageslacht is, volgens mij, evenzeer uit den boze als een verbod. Maar zelfs in een eeuw als deze, een eeuw waarin de verheerlijking van het kind soms wat absurde normen heeft aangemeten gekregen, geloof ik dat we ons allereerst moeten gaan realiseren: Wat is nuttig?

Ouders die een groot gezin hebben, kunnen hun verantwoordelijkheid tegenover dit gezin over het algemeen niet werkelijk volbrengen. Het betekent dat zij een deel van hun taak op de oudere kinderen moeten afschuiven en voor het verdere over het algemeen op het noodlot en op regels zonder meer moeten vertrouwen. Voor de wording van het kind is dat natuurlijk niet erg gunstig. Aan de andere kant blijkt, dat de neiging om het kind vooral toch goed te geven – onze kinderen moeten het beter hebben dan wij – ook tot allerhande dwaasheden heeft geleid.

Een vergelijkend voorbeeld: In 1900 was een jongmens meestal geestelijk volwassen rond het 15-16e jaar, hij was dit lichamelijk rond het 23e.  In de moderne tijd zien wij juist door deze verwaarlozingstendensen deze onrijpheid, die bij de gezinsvorming een grote rol speelt, dat de lichamelijke volwassenheid vaak ligt rond 16-18 jaar, maar dat de mentale de geestelijke volwassenheid helaas voor velen eerst rond de 27-28 jarige leeftijd wordt bereikt.

U zult begrijpen dat deze problemen en conflicten niet kunnen worden opgelost in een maatschappij waar de mensheid door haar aantallen gedwongen wordt tot een voortdurende grotere massificatie, ontnemen van werkelijke vrijheden en gelijktijdig, het scheppen van een gemeenschappelijke zekerheid, die voor het Ik een verplichting steeds meer wegneemt en daarvoor in de plaats een denkbeeld schept van de aansprakelijkheid van de maatschappij ten opzichte van het Ik. Ik meen dat er heel wat redenen zouden zijn om geboortebeperking aan te bevelen. Er zijn landen die op het ogenblik – vergeleken bij West-Europa – in hun ontwikkeling twee à drie eeuwen achter zijn.

Het gaat niet om de geestelijke ontwikkeling, maar om de sociale en de economische ontwikkeling. Deze volkeren bevinden zich in een stroming die hen drijft om a.h.w. te concurreren met het rijpere en oudere Westen en dus voor zich de maatstaven aan te leggen die in het Westen gehanteerd worden. Maar daar elke vooruitgang op economisch en sociaal terrein voortdurend wordt gebruikt om meer nageslacht voort te brengen, krijgen wij slechts een groter aantal ellendigen. Ik geloof niet dat dat de bedoeling is. Ik meen dat voor zeer vele landen waar, hetzij de bevolkingsdichtheid te groot is of de gemiddelde welvaart te klein is, terwijl een redelijk sociale levenszekerheid voor het gemiddelde individu toch wel bestaat, moet worden gezegd: Geboortebeperking is een maatschappelijke noodzaak.

Er zijn andere aspecten van de zaak die men ook graag uit het oog verliest, want de tegenstanders van geboortebeperking zeggen: Wanneer er toch meer mensen en zielen bijkomen, dan zal ons land, onze kerk, onze groep ook sterker worden; maar dat is niet waar. Wij zien overal vanaf de oudheid dat, waar een bevolkingsagglomeratie de dichtheidsnorm overschrijdt die volgens de cultuur van die tijd de optimale is, strijdlust enerzijds en decadentie anderzijds optreden. Anders gezegd: Wanneer de aantallen de dan bestaande leefbaarheid van een gebied overtreffen, dan zien wij een klein gedeelte dat wegtrekt (het koloniseren in de oudheid), een groot gedeelte dat blijft, maar dat op een of andere manier zijn teveel door geweld a.h.w. opheft. Men zegt wel eens dat oorlogen alleen door mensen worden geschapen, maar de praktijk wijst uit dat oorlogen meestal tot stand komen als gevolg van hetzij economische of sociale problemen.

Het geweld naar buiten toe is zelfs in deze dagen de oplossing voor een probleem dat men in zichzelf niet op kan lossen. De strijd tussen Pakistan en India, twee gebieden die elk op hun eigen wijze met een te grote generatie te kampen hebben, zijn hier misschien wel een voorbeeld van. De agressie die maatschappelijk niet kan worden uitgeleefd, wordt uitgeleefd in haatgevoelens tegenover anderen. Men begint een oorlog die geen enkele redelijke achtergrond heeft, dat moeten we goed begrijpen.

Het is voor India niet zo belangrijk of de moslims nu wel of niet wat te zeggen hebben over hun eigen gemeenschap, en het is voor Pakistan zeker niet belangrijk of het een stukje bij krijgt van het omstreden gebied. Men heeft er eigenlijk geen behoefte aan. De rationalisatie is dan ook niet een politieke, het is een religieuze. Het onredelijk element zal de ellende in eigen land, de gevoelde achterstand ten opzichte van anderen, ontladen in een strijd.

Misschien is het niet mooi om dit argument te gebruiken hier. Maar heeft het wel zin om kinderen voort te brengen en op te voeden onder haat, pijn, lijden en misvattingen, die mogelijk nog meerdere incarnaties hun gevolgen doen gevoelen? Neen! Alweer een reden om geboortebeperking toe te juichen.

De vraag: welke middelen zijn aanvaardbaar? is ook al zo’n lastig punt. Er zijn natuurlijk mensen die zeggen: Nou ja, daar zijn een hoop minderwaardige elementen, de maatschappij die moeten we dan maar onvruchtbaar maken. In dictatoriaal geregeerde staten zien wij daar dan ook wel voorbeelden van, maar wat men daarbij vergeet is:

  1. dat een oordeel, waardig of minderwaardig een meer subjectief oordeel is, waarbij geen reële maatstaf gehanteerd kan worden
  2. dat soms grote wijzen voortkomen uit oerstomme ouders, terwijl zeer wijze ouders soms oerstomme kinderen voortbrengen. Dit is geen maatstaf. Er is dus niet aan te denken om een beperking van het geboorteaantal af te dwingen op deze wijze, dat zou absoluut onverantwoord zijn.

De tweede vraag is: Mogen wij dan de lichtzinnigheid – zegt men er dan bij – aanmoedigen door artikelen ter beschikking te stellen als bv. “de pil”, die op een heel eenvoudige wijze een tijdelijke onvruchtbaarheid kan veroorzaken? Of kan men andere, meer mechanische middelen gebruiken? Ik meen in de eerste plaats dat de geslachtsfunctie niet beperkt is tot het voortbrengen van nageslacht en daar zullen de meesten het wel over eens zijn.

Wij mogen niet stellen dat, wanneer het voortbrengen van nageslacht niet het resultaat is, de geslachtsfuncties eenvoudig geen zin hebben, dat men zich die moet ontzeggen. Ik meen dat dingen als de pil – men spreekt zelfs hier en daar van de romeinse pil op het ogenblik, waarschijnlijk omdat die in Rome slechts zwaar verteerbaar blijkt – maar dan zie ik daarin dus de mogelijkheid om het seksueel gedrag van de procreatie los te maken. Dan zal de seksuele drang niet meer à priori dwingen tot procreatie.

De mens is zo zeer in een kunstmatig milieu gaan leven, dat deze in de natuur nuttige en noodzakelijke associatie van werken zijn zin begint te verliezen, men zal zeggen dat hierdoor de zekerheid van het gezin, de kuisheid van de jeugd wordt aangetast. Een groot gedeelte van de ongelukkige huwelijken blijkt wel juist voort te komen uit de behoefte tot het seksuele, waarbij het nageslacht eigenlijk de ergernis is waar men niet tijdig genoeg aan heeft gedacht.

Ik geloof dat het voor de mens beter is wanneer hij zich kan uitleven en dat het verstandiger is die mens ethische normen te leren, waardoor hij zich niet op een dierlijke wijze zonder meer leert uitleven, dan om die mens te ketenen door de angst dat er wat van kan komen. Ik geloof ook verder dat het geestelijk belangrijk is dat de mens zelf iets te zeggen heeft. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer in een gezin een bepaald kind geboren moet worden, dit zal geschieden ongeacht alle pogingen dit te verhoeden. Ik heb dat reeds gesteld.

Maar een mens die een kind wil ontvangen, die het welkom heet, zal een sfeer scheppen die voor een incarnatie van meer bewuste geesten heel wat aangenamer is dan de dierlijke roes zonder meer. En ik geloof ook dat het voor de kinderen heel wat beter is wanneer zij een gezin binnentreden als een begeerd kleinood, dan als een ongelukje dat toevallig nog wat kinderbijslag met zich brengt.

Vanuit het standpunt van het kind, de opvoeding, de werkelijke gezinsbinding, in, met en rond het kind, geloof ik dat het voorbehoedsmiddel zeker niet is af te wijzen.

Nu is alleen de vraag: zijn er dan ook contra’s? Want ik heb nu zo lekker pro gesproken. Ja, die zijn er. In de eerste plaats kunnen wij ervan overtuigd zijn dat een vooroordeel tegen deze voorbehoedsmiddelen vooral zal leven bij degenen die minder beschaafd zijn, die minder hoogstaand zijn in cultureel opzicht – ik zeg niet geestelijk opzicht maar cultureel opzicht. M.a.w. een dergelijke beperking zou in het begin althans een verdere inkrimping van de klasse der intellectuelen met zich brengen.

Wanneer we in die intellectuelen de redding van de maatschappij willen zien, dan moeten we absoluut stellen dat de vrijlating van geboortebeperking haast automatisch de overheersing van de gemiddelde massa ten gevolge heeft en dat juist hierdoor de werkelijk menselijke ontwikkeling, het geniale aspect van ontdekking der in het goddelijke verborgen waarden en het omzetten ervan in iets voor uw eigen wereld, dat dat teloor zal gaan. Geheel zuiver is dit argument niet om de volgende reden:

Het blijkt dat juist degenen die wat meer cultuur en intellect schijnen te kennen, vaak een zekere beperking toepassen, m.a.w. het percentage van de bovenlaag – dat toch reeds dergelijke maatregelen pleegt te nemen – is zo groot, dat het werkelijke, het reële verschil in de verdere ontwikkeling waarschijnlijk maar enkele procenten bedraagt.

Dan is er een ander argument. Een mens moet in zijn leven ook een doel hebben. Wanneer er verplichtingen zijn, wanneer er risico’s zijn, dan heeft de mens pas werkelijk in het leven de uitdaging die hij nodig heeft om het beste te presteren dat hem mogelijk is. Een mens die geen uitdagingen kent, presteert niets, hij gaat langzaam over tot een ‘dolce far niente’ dat hij over het algemeen bemantelt achter een uiterlijk druk-zijn. We krijgen dan te maken met papierenritselaars en mensen die zeer druk zitten te rusten achter hun bureau en dit bemantelen door van het ene mandje in het andere voortdurend papieren heen en weer te schuiven. U zult begrijpen dat ook het nageslacht in zekere zin een uitdaging is.

In het begin zal een vrij-worden van elke maatregel tot geboortebeperking, dit niets doen, dit alleen aan zichzelf en eigen luxe denken, bij velen bevorderen. Wij moeten er rekening mee houden dat een aantal mensen op aarde de stimulans zullen missen, die hen anders tot bereiking en ervaring hadden gebracht, met de nodige voordelen voor eventuele volgende incarnaties. Maar ook hier komt bij mij de vraag of dit argument wel helemaal steek houdt. Gezien vanuit een aards standpunt: ongetwijfeld; maar wanneer je incarneert en je voldoet niet aan de plicht, aan de taak die je gesteld is in die incarnatie? Eenvoudig gezegd: Wanneer je incarneert geeft God je een paar punten. Hij zegt: “Leer ze. Als je ze niet geleerd hebt, dan kun je terugkeren om je les alsnog te leren.”

Het zou voor sommigen ongetwijfeld een verlenging van het bewustwordingsproces ten gevolge hebben. Aan de andere kant zouden juist de beteren op bewuste wijze de uitdaging van procreatie en nageslacht aannemen. En dit zou voeren tot aanmerkelijke verbetering van het geestelijk gehalte en op den duur waarschijnlijk zelfs van de lichamelijke mogelijkheden van de mens.

Dan is het laatste argument dat ik in deze te berde wil brengen: contra. De mens maakt van alle mogelijkheden misbruik. Doordat hij van zijn vrijheid gebruik gaat maken, zullen instellingen als het huwelijk, het geheiligd samenzijn tussen man en vrouw, wegvallen. Ik ben bang dat daarin voor heel veel mensen iets ligt. Er zijn in deze dagen zeer veel vrouwen die graag vrij en buiten gezinsverband zouden bestaan, maar die – daar er nu eenmaal kinderen komen of kunnen komen – de zekerheid van het huwelijk toch wel ambiëren. Dit is echter een ontwikkeling die niet op te houden is. De vrouw is langzaam maar zeker geëvolueerd. Haar maatschappelijke status is veranderd en daarmee ook haar mentaliteit. Deze mentaliteit brengt zelfs het huwelijk op een ander en m.i. hoger niveau. Maar wanneer het contact tussen de seksen alleen een kwestie wordt van gezamenlijke zelfbevrediging, dan ben ik bang dat het begrip voor de andere teloor zal gaan. Dit is een van de grote gevaren die in een vrijelijk toestaan van geboortebeperking gelegen is.

En nu een ander punt dat ik nog niet heb aangeroerd en dat eigenlijk naast dit geheel staat en er toch mee is verbonden. De grote vraag is: wanneer er eenmaal een wordende vrucht is, heeft men het recht om deze af te drijven? Ik kan hier alleen op antwoorden dat ik dit niet meer verantwoord acht zodra een geest zich aan deze woning gehecht zal hebben en d.w.z. dat er na 2- 2½ maand over het algemeen een aantasten is van de levensvrijheid van een ander. Vóór die tijd lijkt mij dat de bezwaren niet zo groot behoeven te zijn. Ze hoeven niet zo zwaar te tellen. En op den duur zal de wetenschap zelf wel in staat zijn om te constateren, dat van een eerste leven dat organisch gezien menselijke mogelijkheden en ervaringsmogelijkheden biedt door de ontwikkeling van het zenuwstelsel, dat dat ligt rond de derde maand. Op het ogenblik weet men dat nog niet zo precies en is men niet in staat het levensprincipe van de moeder te scheiden a.h.w. van het persoonlijk levensprincipe dat zich langzaam maar zeker aan de vrucht hecht. Vruchtafdrijving binnen die termijn kan vanuit het standpunt van een geest die bezit neemt aanvaard worden. Na deze tweede, hooguit twee-en-een-halve maand niet; dan is er sprake van een moord.

Een andere vraag is of de mogelijkheid van vruchtafdrijving niet ergens een psychisch letsel kan betekenen. Ik geloof dat wij ook hier moeten toegeven dat het gebruik van deze methode ergens in de vrouw conflicten tot stand brengt, die zij niet gemakkelijk zal kunnen oplossen. Het gaat hier bv. om bepaalde omzettingen in het moederlichaam, die meestal reeds na de eerste maand beginnen. Het gaat hier om verandering van hormoonsecretiesevenwichten. En deze dingen kan men door het eenvoudig wegnemen van de vrucht niet onmiddellijk ongedaan maken. D.w.z. dat een vrouw die dit laat doen heel vaak een tijd lang naast haar bestemming leeft. Dat zij daardoor zich gaat hechten aan bepaalde illusies en beelden, die geen reëel bestaan hebben en zo geschaad kan worden in haar eigen fysieke, maar vooral psychische ontwikkelingen.

Ik meen dat om deze redenen het voor de mens niet raadzaam is vruchtafdrijving zonder meer toe te laten. Ik geloof niet dat je het kunt voorkomen. Zelfs in brave landen als Nederland bestaan deze praktijken, al worden ze dan niet openlijk toegegeven. Wettelijk gezien zou dus een legalisatie van de mogelijkheid ongetwijfeld grote voordelen brengen. Vooral wanneer deze legalisatie niet gebonden is in de eerste plaats aan godsdienstige concepten, die misschien niet door allen gedeeld worden. Aan de andere kant meen ik, dat het voor de mens niet aanvaardbaar is. En dat het lichamelijk en geestelijk grote gevaren in zich bergt.

Daarmee heb ik geprobeerd om een klein panorama te geven van dit probleem van geboortebeperking. En ik wil graag eindigen met deze inleiding zoals ik begonnen ben, met u te wijzen op de kwestie van incarnaties. Ik weet dat het hier niet de tijd is en niet het ogenblik om uitgebreid het probleem van reïncarnatie te gaan behandelen, maar juist bij een probleem als dat, wat wij nu gezamenlijk beschouwen, speelt die reïncarnatie een zeer grote rol. Dat zij bestaat, is voor iemand die niet ten koste van alles het tegendeel wil beweren, wel duidelijk. Er zijn zeer veel getuigenissen van mensen die zich vroegere levens herinneren. Niet altijd even precies en nauwkeurig, maar voldoende sterk en juist om toch vermoedens te wekken.

Wij weten dat reïncarnatie in de Bijbel bv. en ook in het Evangelie niet ontkend wordt. Zij maakte dan ook van de eerste christengemeenschappen en hun geloof een belangrijk deel uit. Het denkbeeld aan reïncarnatie. Ik hoop daarom dat u, ongeacht uw eigen visie, het volgende een ogenblik wilt overwegen: Wij leven in een goddelijke eeuwigheid. Die eeuwigheid is niet – zoals men wel eens denkt – een eindeloosheid van tijd of van ruimte. Het is een bestaan waarin tijd en ruimte niet zijn. Bijna haast onvoorstelbaar. In dit niet in-tijd-en-ruimte-bestaan is het Ik zijn volledige Ik-heid zichzelve. Zo de Schepper zijn schepsel beziet, beziet Hij het in deze tijdloosheid. Niet daarbuiten, zoals wij het zien. Hetgeen wij doen is trachten om ons bewust te worden van datgene dat wij in en voor de ogen God’s zijn. Te eenvoudig misschien, te simplistisch gesteld, maar het komt erop neer. Indien het niet mogelijk is dit in eenmaal te bereiken, dan is het ondenkbaar dat wij daardoor zouden worden uitgeblust. Wij zijn deel van een goddelijke totaliteit. In die totaliteit bestaan wij volmaakt. Wij kunnen niet anders dan eens die volmaaktheid bereiken.

Misschien via omwegen en via veel duisternis, maar het gaat niet anders. Er is geen mogelijkheid om de altijd Zijnde, maar niet in tijd en ruimte uitdrukbare goddelijke werkelijkheid te wijzigen door onze daden. Dan is het duidelijk dat, wanneer wij één keer niet slagen een tweede, een derde, een vierde, een-duizendste of een tienduizendste vorm van leven en bestaan de enige oplossing is.

Deel na deel leren wij onszelf kennen. Wij moeten leren te beantwoorden aan de eigenschappen die in ons diepste wezen zijn gelegd en die in de schaduw van tijd en ruimte bestaan die wij kennen, voortdurend worden geprojecteerd. Het is duidelijk dat wanneer je dat in één leven niet kunt doen, er een ander leven moet zijn. En wanneer dit falen is op een terrein dat bi-stoffelijk is, dan is het dwaas om te veronderstellen dat een reïncarnatie plaats zou moeten vinden in een niet materiële omgeving. Wij moeten dus wel aannemen dat er een voortdurende mogelijkheid is tot incarneren. En zo die bestaat, waarom zouden we deze beperken tot de aarde. Er zijn ongetelde mogelijkheden. Laat ons dan voorop stellen dat de belangrijkheid die men op aarde – vaak uit misverstaan van de werkelijkheid – toekent aan het menselijk leven, dat die niet reëel is. Het is niet mogelijk om een ander te beletten de noodzakelijke ervaring op te doen. Het is niet mogelijk jezelf af te snijden van verdere ervaring.

Je kunt de volledigheid erkennen en dan vrij zijn van al het andere, dat dan als delen misschien voortbestaat voor anderen, maar voor jou niet meer reëel is. Maar je kunt niemand iets beletten, je kunt niet iemand remmen, je kunt het hoogstens jezelf doen.

Dan moeten we ook bij een begrip als geboortebeperking niet uitgaan van het standpunt dat wij iets zouden kunnen doen waardoor wij ingrijpen in de rechten die God aan anderen heeft gegeven of de eigenschappen die God in de ander heeft gelegd.

Wij kunnen dan zelfs niet ingrijpen in het verloop van diens bewustwording, zoals die uit zijn eigen erkennen van zijn innerlijk voortvloeit. Wij kunnen daaraan niets doen. Dan is elke beperking van het denkbeeld om voornoemde redenen dwaas.

Aan de andere kant, onze eigen bewustwording en ervaring bestaat niet alleen in het erkennen van ons eigen wezen. Zelfs wanneer wij de volledigheid van het eigen Ik beseffen en niet beseffen hoezeer wij verbonden zijn met het totaal van het leven, zullen wij het niet bereikt hebben, zullen wij terug moeten keren. Wie tot de top van een berg gaat en alleen blijft, moet afdalen tot het dal. Maar op het ogenblik dat onze erkenning, onze bewustwording er ook één is van de relatie met het verder leven, het verder geschapene, zullen wij voor ons persoonlijk verantwoordelijkheden kennen ten opzichte daarvan.

En die verantwoordelijkheden liggen dan niet in het willekeurig scheppen van levensmogelijkheden, maar wel in het aanvaarden van elke verantwoordelijkheid voor anderen en verplichting ten opzichte van anderen zoals zij uit het bestaan van het Ik voortvloeien, eeuwig en tijdelijk.

En daarmee wil ik mijn inleiding dan besluiten. Ik kan in het algemeen geen ja en geen neen zeggen, ik kan slechts zeggen: De mens die willekeurig en zonder zich persoonlijk daarin te verdiepen, voortbrengt, maakt even grote fouten als hij die even willekeurig alleen denkend aan zichzelf, een voortbrenging onmogelijk maakt. De rijpheid van de mens zou hem moeten brengen tot de juiste beperking, maar óók tot de juiste aanvaarding van verantwoordelijkheid voor de eerste fase van “zijn” van anderen die wensen te incarneren. Na de pauze zie ik met belangstelling uw vragen en opmerkingen tegemoet. Voorlopig dank ik u voor uw aandacht.

Tweede deel

Mijn waarde vrienden we zijn aan het ogenblik gekomen dat de avond interessant maakt. Nu zal ik trachten om uw vragen, commentaren en opmerkingen te beantwoorden. Aangezien ik aanneem dat u een eigen standpunt, een eigen interesse hebt, is het mogelijk dat zelfs voor mij dit deel van de avond interessant zal zijn. Ik mag misschien verzoeken om de schriftelijke vragen het eerst te stellen.

  • Heeft het gedachteleven van de vrouw en haar gedragingen nog invloed op het intellect van het wordende kind?

Dat is een wat moeilijke vraag, die niet zo kort te beantwoorden is als ik dat zou wensen. Intellect is afhankelijk o.m. van de hersencapaciteit, de vlotheid waarmee herinneringen geregistreerd worden en de intensiteit van de gedachtestroom, dus de puls die in de cel of in de cellen het herinneringsfeit vastlegt. U zult begrijpen dat hier een erfelijke factor bij komt die van groot belang  is. Verder zou dit intellect natuurlijk beïnvloed kunnen worden door de wijze waarop de moeder zich bv. voedt, de wijze waarop zij leeft.

Een typisch voorbeeld kunt u misschien vinden in het volgende: een overmatig gebruik van cafeïne houdende dranken, nicotine, dus sigaretten en wat dies meer zij en gebruik in shockdosis van alcoholica, dus in zeer grote doses afgewisseld door tijden van onthouding, hebben dus specifiek op de hersencapaciteit van het kind grote invloed en een wordende moeder, die per dag 6-7 koppen sterke koffie drinkt, zal zeer waarschijnlijk de ontwikkeling, vooral de mentale ontwikkeling retarderen met ongeveer 1½ – 2 jaar t.o.v. de norm, waarbij we kunnen zeggen dat deze retardatie kenbaar wordt rond het tweede jaar, daarvóór alleen in traagheid van de functies, maar dat is nooit zo makkelijk te zien.

Dan is er een kwestie bij van meer geestelijke inhoud. Maar dit kunnen we niet uitdrukken als intellect, want hierbij gaat het dus niet om verstandelijke waarden, maar het gaat hierbij om emotionele waarden. Wanneer de moeder een leven heeft dat redelijk gezond is, wanneer zij redelijk zuurstof krijgt e.d. en daarbij ook haar geestelijk leven, haar gedachteleven wat rein en rustig weet te houden, dan betekent dit over het algemeen dat, zeker in de laatste 3 – 3½ maand, dat die tijd die zich dan met de vrucht volledig identificeert, de mogelijkheid krijgt om geestelijke waarden eenvoudiger vast te leggen.

Een pasgeboren kind heeft een zeer beperkte uitdrukkingsmogelijkheid, maar heeft heel  vaak een betrekkelijk grote herinnering. Juist wanneer die moeder, laten we zeggen, hoogstaand gedacht en geleefd heeft in de maanden voorafgaande aan de geboorte, blijkt dat die herinnering langer blijft bestaan. Zij geeft de mogelijkheid tot gemakkelijker correlatie van feiten, het gevoelsmatig correleren van waarnemingen en het bevordert zeer sterk de evenwichtigheid in het kind, waarbij de eigen karaktereigenschappen wel blijven bestaan, maar evenwichtiger aanvullen. En dat houdt volgens mij in dat de moeder door een juiste wijze van gedrag en leven vóór de geboorte en daarbij zeker haar gedachteleven juist richt – zeker de laatste 3 – 31/2 maand – zeker ertoe bijdraagt dat dit kind grotere mogelijkheden zal vinden in het leven.

Die mogelijkheden zijn niet alleen als intellect, dus denk- en kenvermogen uit te drukken, zij hebben ook betrekking op andere functies zoals intuïtie, begrip, visie, inzicht, dingen die heel vaak maar ten dele met het verstandelijke overeenstemmen.

  • Ik ben het natuurlijk met u eens, met alles wat u gezegd heeft, maar ik geloof dat het voornaamste dat u eigenlijk hebt willen zeggen is: ons weer opnieuw te wijzen op de grote verantwoordelijkheid die de mens heeft die leeft en de grote waarden die de mens heeft als levend individu t.o.v. elkaar, van het kind en van het nieuwe leven.

Ik heb u inderdaad onder meer deze punten wel duidelijk willen maken. Maar wat ik getracht heb te zeggen – kennelijk te kort of te onduidelijk heb gedaan — is dit: De visie die bestaat ten aanzien van het totale menselijk leven en als zodanig, ook ten aanzien van problemen als geboortebeperking, wordt sterk geremd en wordt vaak onredelijk doordat de doorsneemens geen begrip heeft van de werkelijke continuïteit van het ware Ik.

Ik heb getracht te zeggen, dit probleem is op zich alleen belangrijk zover het ingrijpt in de eeuwigheidswaarden van het ego. Wat hier op aarde gebeurt, is toch eigenlijk erg onbelangrijk. Laten we het eens een keer heel erg cru stellen. Jongen vindt meisje aardig, met tweeën achter het dijkje, menen er verder niets ernstigs mee. De hele buurt roept schande, maar wat is er eigenlijk gebeurd? Niets, er hoeft niets te gebeuren. Dit kan op zichzelf absoluut onbetekenend zijn, het heeft misschien alleen in sociale zin betekenis, maar verder behoeft het helemaal niets te zeggen.

En dan iets anders: Jongentje ontmoet meisje, grote tussenruimte; ze kijken elkaar aan, er flitst een ideetje over, zij zien elkaar niet meer. Er is iets gebeurd dat voor beiden in die eeuwigheid, in dat Ik, een verandering heeft gebracht. Dat is van het hoogste belang.

De maatstaven die men op aarde pleegt aan te leggen, komen voort uit de helaas vaak misverstane denkbeelden omtrent God en leven. We kunnen, naar ik meen, God of iets dat we daarvoor in de plaats stellen, niet in het leven uitschakelen. Maar wij moeten – en dat moet toch begrijpelijk zijn zoals ik zeg – wij moeten niet leven voor vandaag. Wat vandaag gebeurt, is niet belangrijk. Wat er in ons gebeurt, is belangrijk.

En een gedachte die je daar hebt en die misschien wel niet netjes is, maar waardoor je – omdat je ze alleen maar gedacht hebt – jezelf braaf kunt blijven noemen, kan vaak meer in je veranderen dan een jaar van losbandigheid voor een ander. Het is wat het voor jezelf betekent. Het is bewustzijn. Alles wat je onbewust doet op deze wereld, onbewust ondergaat, ach, dat is water naar de zee brengen, meer niet. Maar wat je bewust beleeft, wat je bewust denkt, wat je bewust doet, dat is iets wat in die eeuwigheid bestaat.

Een kind dat is een band, een verbinding met een ander individu, dat is een doorbreking van de omgrenzing van het ego ergens, het is een extensie van het persoonlijkheidsgevoel over een ander individu, dat op zichzelf kan dierlijk zijn, maar wanneer wij dit andere individu niet slechts zijn stoffelijke bescherming geven, zoals die instinctief in het ras ligt misschien, en het mishandelen wanneer het ons niet bevalt – dat is al te vaak helaas gebeurt – maar het zien als een verplichting, als een taak die wij kiezen, die wij op ons nemen, dan heeft dat kind betekenis.

Dan is dat geen biologisch toeval, dan is dit geen dierlijk feit meer, dan is het een deel van eigen innerlijke wereld, dan is het het bevestigen van de geestelijke banden die kunnen bestaan, maar helaas niet altijd zullen bestaan tussen ouders en kinderen.

Waar de ouder bewust het kind zoekt – ook al herkent hij dit zich niet – trekt hem dit uit zijn lotsgebondenheid, als u het zo wilt noemen, of zijn karma, of geef het maar een naam, uit de reeds bestaande associatie – die kosmisch is – die mogelijkheden aan die op dit moment een dergelijke gebondenheid verder kunnen uitdrukken. Dat is het belangrijke.

Kindertjes krijgen of niet krijgen, ach, dat is vaak meer een belastingtechnisch probleem in deze tijden dan een menselijk probleem. Maar een band met zielen kennen, een verplichting erkennen, aanvaarden en vrijwillig op je nemen – voor u en een ander – betekent jezelf verrijken met een oneindige mogelijkheid tot beleven van het hogere, erkenning van het ware Ik en het doorbreken van een isolement, zonder welke doorbreking zelfs het meest hoogbewuste Ik eenzaam staat tegenover God en daarom God niet kan aanvaarden. Dat heb ik willen zeggen.

U ziet, het gaat mij niet om de hoogheid van het leven. Ik heb geprobeerd juist in dit onderwerp te zeggen: Mensen, die hoogheid van het leven dat is allemaal maar erg relatief; dat is een kinderspelletje waarbij jezelf de regeltjes maakt. Maar de uitdrukking van de eeuwige waarden in jezelf, het bewust zoeken van gebruiken, van de contacten met anderen, dat is belangrijk.

Wanneer je daarbij de verplichtingen op je wilt nemen tegenover een ander – zo groot als die zijn bij het ontstaan van uw kind – dan heb je werkelijk iets gedaan. En als dat kind een toeval is, dat met een beetje dierlijke liefde wordt beschermd en in een hoek getrapt als het een beetje te veel in de weg komt, dan heb je jezelf beschadigd.

En als je alleen maar normaal venten gaat met datgene dat men wel eens moederliefde noemt, maar dat in feite vaak een persoonlijke bezitzucht is, ach…. dan bereik je zo weinig. Dat wilde ik zeggen.

En daarom zijn uw problemen van seksualiteit, de problemen van kinderbeperking of ja of neen en al die dingen meer, die zijn alleen van belang wanneer zij voortvloeien uit een bewustzijn. Zonder dat zijn ze evenwaardig en kunnen we ten hoogste zeggen: De materiële omstandigheden zijn een beetje de voorkeur van dit of zijn een beetje voorkeur van dat, maar dat kan van dag tot dag veranderen. De eeuwige waarden blijven. Nu ik hoop dat ik met deze aanvulling dan althans mijn intenties nog iets duidelijker heb kunnen formuleren.

  • Reïncarnatie van een mens kan toch ook, wat het intellect betreft, een karmische ervaringsbelevenis zijn?

Hoe zeer heb ik ze lief deze schone termen, die in hun vaagheid de werkelijkheid verdoezelen, ze  zijn als de zachte sluier die menigeen draagt om de onvolmaaktheden van zijn wezen te verbergen.

Karmische beleving, wat is karmisch, wat is karma? Karma is geen wereld die regeert. Dat is geen noodlot dat je dwingt te ondergaan. Karma ben jezelf, karma dat is je bewustzijn, dat is je neiging, dat is je behoefte, dat is je begeerte, dat is je troef. Je karma, dat is het beeld van jezelf en van het leven dat je – waar of niet – in jezelf opbouwt, dat je tracht te vervullen. Wanneer je dus in een wereld komt en je keuze ligt verkeerd, kun je zeggen: Dit is karma, maar het is niet zonder u geschied, het is mét je geschied. Je hebt het zelf mede zo veroorzaakt. Het is niet alleen een noodlot van buiten dat het doet, het is een innerlijke waarde die u ertoe brengt uzelf die ervaring op te leggen. En daarom kunnen we spreken over kosmisch, karmische noodlotservaringen e.d.

Maar als we het eerlijk willen zeggen, dan moeten we zeggen: Ons innerlijk begrip dat niet was gericht op de werkelijkheid, maar op dwaze droombeelden, dat kan er ons toe brengen om een menselijk bestaan te kiezen, dat in al zijn schijnbare schoonheid ellende is misschien. Het kan er ons toe brengen om een lichaam te kiezen, dat de belofte in zich draagt van elke vervulling en toch machteloos blijkt om enige vervullingsmogelijkheid te bieden. Dat kan.

Maar wanneer wij weten wat wij willen zijn in de wereld, wanneer wij in onszelf de relatie kennen met anderen, mét het leven, dan is elke incarnatie, desnoods als idioot, een incarnatie die bewust de waarde van het Ik en de relatie van het Ik mét de eeuwigheid – en niet alleen met enkele anderen – tot uitdrukking brengt.

En vaak kiest de bewuste een nederig voertuig, omdat in het nederige voertuig de perfecte dienstbaarheid ligt, waardoor hij – anderen bewustzijn schenkende – in zich het contact voelt rijpen, waardoor hij God kan zien met meer dan eigenzijn alleen. Ik hoop dat dit duidelijk is.

  • Wilt u dit laatste nog eens herhalen?

Ik zal proberen om het iets uitvoeriger en duidelijker te formuleren; dat is misschien het beste.

Je kunt het lichaam kiezen van een geestelijk onvolwaardige, van iemand die gebrekkig geboren wordt en vroeg moet sterven en toch dit bewust doen, omdat je gebonden bent ergens met die anderen die er zijn. En je weet door dit leven te aanvaarden, je voor die anderen een beleving bent dat iets dat in jou bestaat, maar waar zij misschien blind voor zijn, dat zij nog niet durven erkennen, in hen wakker zal worden. Daarom kiest vaak de bewuste het eenvoudigste voertuig, want daarin ziet hij vaak de mogelijkheid om het isolement, de begrenzing tussen hem en anderen te doorbreken. Dus God niet meer te zien alleen vanuit eigen standpunt, maar uit een gedeelde ervaring waarbij die anderen, juist door die afhankelijkheid misschien of door die simpele eenvoud, mee met het Ik gebonden zijn.

Misschien een voorbeeld om me nog even te verduidelijken. Een mens heeft twee ogen, één tv camera, maar laten we nu zeggen dat er 10.000 mensen zijn met een tv camera. Elk voor zich kan maar één beeld geven. Allen tezamen zijn ze meer dan voldoende om zelfs het grootste gebeuren op aarde aan eenieder kenbaar te maken door het switchen a.h.w. van het beeld, het aanvullen van elkander. Zo is het nu met het Ik. Als het alléén God ziet, ziet het maar één facet, één deel, het is geïsoleerd. Maar heeft het die contacten gekregen, die gelijkwaardigheid ergens in het innerlijk, waardoor het beeld van anderen begrepen, aanvaard en in het Ik opgenomen, aanvaard en in het Ik opgenomen kan worden, dan wordt God als het ware van alle kanten zichtbaar (het is niet waar natuurlijk want God is niet aan alle kanten zichtbaar), om het zo eens voor te stellen.

  • Zoekt elk kind zijn eigen ouders?

Neen, het lijkt mij niet de juiste uitdrukking. U kunt beter zeggen: Elk kind kiest zijn eigen lichaam. Alleen de bewuste kiest zijn ouders. En alleen de zeer bewuste kiest zijn ouders geestelijk. De meest bewusten kiezen het geestelijke dat ze in de ouders erkennen. Er moet een band bestaan en die is dan ook meestal wel aanwezig, maar het gaat de meest bewusten om het geestelijk element: wat zijn deze ouders geestelijk, wat is hun geestelijke sfeer a.h.w., hun hoge uitstraling? Daarin kan het kind het best zichzelf zijn.

En een die wat minder bewust is, die ziet de mogelijkheden van die ouders, die ziet wat ze hem geven aan achtergrond, wat ze hem geven aan genegenheid misschien, wat de mogelijkheden zijn die hij zo voor het leven verwerft, en die kiest dus ook bewust zijn ouders. Heel vaak ook omdat hij ze aardig vindt, omdat de sfeer hem aantrekt. Heel vaak ook omdat hij bv. in die ouders de mogelijkheid ziet om op aarde een bepaald doel te bereiken.

De onbewuste, ach….. die doet net als iemand die op het laatste ogenblik bij de trein komt, die vraagt zich niet af in welke coupé stap ik, hij vraagt zich alleen af, ben ik binnen of niet, kan ik mee? Je hebt toch ouders die geen kinderen willen hebben en die op een gegeven moment toch een kind krijgen, zonder dat ze het eigenlijk willen.

  • Zijn dat dan onbewusten?

Dat kan, dat heeft er weinig mee te maken in dit geval. De ouders willen geen kinderen en dan krijgen we dat ongelukje, waarover ik daarnet al heb gesproken, dat onverwachte. Maar nu kan het dus zijn dat die ouders bewust het kind niet wensen – nu moet u goed luisteren! – maar onbewust het kind wel wensen of aanvaarden. Dat is de eerste mogelijkheid.

Er bestaat nog een heel andere. Het is mogelijk dat tussen het kind dat komen zal en die ouders een geestelijke band bestaat; het is niet een uitdrukking van bewustzijn van de incarnerende geest of van die ouders, maar het is een gelijkwaardigheid die daarin bestaat. En dat door die erkenning – geestelijk dus – de onbewuste impuls, nalatigheid, keuze enz., ontstaat en dat daaruit dit onverwachte kind voortkomt. Nu mogen we wel één eigenaardigheid erbij vertellen, dat wanneer de ouders over het algemeen zelf – ik wil niet zeggen goed leven, dat is kolder, dat is een menselijke opvatting – wanneer de ouders geestelijk gezond zijn, het kind over het algemeen ondanks de onverwachte komst, de ouders veel vreugde kan geven naast de zorg en de onverwachtheid. En vooral dat het kind dan vaak een voortzetting betekent van iets dat voor die ouders belangrijk was. Dan zie je als het ware het overbrengen van geslacht op geslacht van bepaalde eigenschappen.

  • Het is toch niet alleen de moeder die het voor het zeggen heeft, het is toch ook de vader?

Ik geloof dat het voor geen van beiden een kwestie van zeggen is. Maar de ouders spelen beiden een rol. Ouders is meervoud. Het klinkt misschien heel gek, er kan wel een moeder zijn, een kind en een vader onbekend; het kan dus wel. Maar er is toch zo iets nodig geweest als een vader. Pathogenesis is een theoretische mogelijkheid, dus spontane celdeling in een vrouw, maar dat komt zo zelden voor dat we ons daarover niet druk behoeven te maken. Ik zou dus willen zeggen dat er zelfs gevallen zijn – nu ga ik iets zeggen dat u misschien heel erg gek vindt – waarbij dus een kind voortkomt uit een eenmalig seksueel contact, waarbij geen van de ouders ook maar behoefte heeft tot verder contact, ongeacht de omstandigheden en waarbij toch dit samentreffen bewust is gebeurd. Men vergeet dat wel eens, maar het kan zijn dat twee mensen, meestal wat minder bewusten (meestal maar nog niet eens altijd) beïnvloed worden omdat zij gezamenlijk aan een genetische eis van een tenminste geestelijk bewuste beantwoorden. Vandaar dat we dus – als ik een ondeugende opmerking mag maken – vaak zien dat onfatsoenlijk geboren kinderen, fatsoenlijker zijn dan de fatsoenlijk geboren kinderen wanneer zij mens worden.

Wanneer wij dus een dergelijk probleem willen bezien, dan zijn er een hele hoop dingen die minder prettig klinken; er zijn een hele hoop dingen die indruisen tegen algemene opvattingen, maar waarmee wij te maken hebben is de waarheid, de feiten. Ik doe altijd mijn best het feitelijke te formuleren. Als het kan zo netjes mogelijk, maar als het even kan, toch ook wel duidelijk.

  • Ik ben het nog niet eens met één van die uitspraken van daar straks toen u zei: Dat men meer bewuster en meer eenvoudiger plaats kiest, want het is wel vreselijk moeilijk als je op een hele fijne plaats, wat men in de wereld een fijne plaats noemt, dat je dan toch je hoge geestelijke afstemming moet kunnen blijven houden. Het lijkt me eenvoudiger wanneer je op een eenvoudiger plaats bent, want er staat in de Bijbel: Eerder gaat een kameel door een oog van een naald, dan dat een rijke het Koninkrijk der Hemelen ingaat.

Ja, maar er staat niet een oog van een naald, er staat: het oog van de naald, hetwelk een poort was in Jerusalem, die bekend was om haar smalle bouw – het was een zigzag bouw tussen de tweede en de derde muur vooral – zodat een zwaar beladen kameel daar inderdaad niet door kon. Het heeft niks met een naald te maken.

Maar de opmerking is deze: de eenvoudige die dient, maar de bewuste dient ook. Want de bewuste zal in zijn dienstbaarheid aan anderen, de verruiming van zijn eigen wezen moeten verkiezen. De onbewuste wil domineren, hij wil heersen, hij wil anderen niet dienen, hij wil de ander de dienaar maken, dus regeren over anderen en heersen over anderen, d.w.z. dat je jezelf gaat uitleven en niet een ander gaat beleven. Je kunt het goed bedoelen. Er zijn mensen die zo ontzettend vroom waren, dat men iedereen de hemel in wilde brengen en daarom ieder die niet vroom genoeg was de kop afsloegen.

  • Maar zo bedoel ik het niet. Ik bedoel wel zoals u het zegt, maar dan lijkt het mij makkelijker wanneer je inderdaad op een dienstbare plaats staat dan op een heersersplaats; om dan de dienstbaarheid te spelen is dan veel moeilijker.

Dat is dan ook over het algemeen de allerhoogste toegestaan en zelfs hij, erkent al als heerser, gedraagt zich als dienstbaar. Niet sommigen, allen. Jezus, de grootste, die ze hier op aarde kennen praktisch, gedraagt zich als een dienaar tegenover zijn leerlingen zelfs. De Boeddha – als prins geboren – gedraagt zich als een nederig monnikje en een dienaar van zijn leerlingen en zo kan ik doorgaan.

Daar staat geschreven – niet door mij, maar in de oude Penshilwahli geschriften – de dwaas acht zich in staat tot grote daden, de wijze tracht zich in de kleine daden volmaakt te uiten. Dat geldt ook hier. Een wijze wil niet regeren, want je kunt niemand werkelijk dienen door hem te leiden. Je kunt iemand slechts dienen door hem in staat te stellen zijn weg te vinden. En het zal u duidelijk zijn dat niemand die werkelijk bewust is, voor zich een plaats zal kiezen waarin hij gedwongen is anderen te leiden, tenzij dit onvermijdelijk is en niet slechts een persoonlijke keuze, maar een opdracht van degenen die zich niet meer in de materie manifesteren.

  • Ja, maar dat ben ik het helemaal met u eens.

Ik vind het erg prettig dat u tevreden bent met mijn antwoord. Misschien dat het kan voeren tot een andere beschouwing van levenswaarden. Dat lijkt me ook nog wel belangrijk. 

U zult me dan ook toestaan om onze bijeenkomst te gaan besluiten en ik zou dit gaarne willen doen met een paar korte woordjes die eigenlijk op onze vragen en ons onderwerp wel slaan.

Wat je bent, weet je zelf niet. Door oefening kun je misschien leren om je verleden terug te vinden. Er bestaat een yogatraining waarbij je op het laatst leert 15, 20 misschien 100 incarnaties terug te vinden en je wordt er niet wijzer door. Er bestaan methoden om in de toekomst te zien en zelfs volgende levens aan te voelen, maar meestal klopt dat niet helemaal en je wordt er niet wijzer door. Er zijn mensen die proberen vandaag te leven in een andere sfeer of in een hemel en daardoor leven ze niet voldoende, ze worden er niet wijzer door. Er zijn mensen die krankzinnig en laag bij de grond in de stof leven, die toch in zich het gevoel hebben van iets hogers. Ze weten misschien niet eens waarom en ze hebben geen theorie die hun zegt dat er een God is misschien, maar zij worden er wijzer door.

De wijsheid van de mens ligt in het besef dat hij nu bouwt aan morgen. Wat is geweest, is vast gelegd, dat is deel van het heden, dat is vandaag, maar vandaag bouw je morgen op. Het bewustzijn dat je bezit, is van weinig belang, het is de draagkracht van je wezen, de drijfveer van je streven. Maar wat je vandaag aan wens, aan behoefte erkent, aan bewustzijn, wat de werkelijkheid is, die verborgen werkelijkheid, die misschien nooit durft te spreken in je wezen, met zijn angsten, met zijn begeren, met zijn aanvoelen van het hogere, dat is morgen. De mens die vandaag hunkert naar God zal als hij – niet in een droom en ver van de wereld – maar met heel zijn wezen en leven hunkert, morgen God zien. De mens die vandaag wijsheid zoekt, mag dwaas lijken; de wegen die hij gaat om de wijsheid te vinden, lijken misschien onzinnig, maar het is zijn zoeken naar wijsheid, die hem morgen wijs maakt. Uit het leven van vandaag bouwt u morgen. Niet alleen de dag van morgen, maar ook die andere incarnatie, die andere levensvorm, dat bestaan in een andere wereld, dat komt wanneer de dag van het stoffelijk bestaan voorbij gaat.

Als de jaargetijden wentelen de levensvormen voorbij. En het Ik, het Ik is als de tijd, die de jaren noteert met hun getijden en tijd blijft. Door op de juiste wijze je verantwoordelijkheid te dragen, zoals ze ligt in dit leven, niet met een beroep op noodlot en karma, niet met een beroep op het hogere zonder meer, maar in een erkenning: hieruit moet ik het betere maken, die maakt voor zich het betere.

Zeg niet de wereld is slecht of de jeugd is slecht, en zeg niet dat het allemaal zo verkeerd is en dat de mensen het zo verkeerd zien op die wereld, want ook gij hebt er in het verleden aan mee gebouwd, anders zou het nu niet zo zijn.

Zeg niet dat de mensen zo zondig zijn, want het is uw eigen zondigheid die mede oorzaak is van de zondigheid van de wereld. Maar zoek vandaag dat bewuste, die bewuste keuze, die bewuste aanvaarding van die dingen van het leven die belangrijk zijn.

Daarmee bouw je de wereld van morgen, daarmee bouw je je bewustzijn, je vorm misschien in een volgend bestaan, daarmee bouw je de werkelijkheid God’s op in jezelf en voor allen.

Daarom zijn vragen als geboortebeperking, vragen van het persoonlijke leven, daar zijn vragen als godsdienst, van ethiek, van moraal, in wezen dus persoonlijke kwesties; de algemene norm is noodzakelijk goed, maar het is je persoonlijk, bewust zelf gekozen verantwoord reageren dat morgen bouwt.

God heeft je geschapen. In God ben je de volmaaktheid die hij geschapen heeft. Door je bewust streven, bewust leven, zoeken, denken en werken maak je jezelf bewust tot die volmaaktheid en meer tot deel van het beeld God’s, dat is de begrenzing van Zijn Lichtwereld, tot werkelijkheid buiten tijd en ruimte. Werkelijkheid die één seconde en alle eeuwen tezamen is wat je bent. En daarom, vrienden, is voor mij de eindconclusie deze:

Leef waarlijk en waardig jezelf. Besef dat je de tijd hebt. Besef dat alleen het bewuste, het zelf gekozen handelen en denken waarde heeft. Je hebt geen haast, je hebt alle tijd. De tijd komt niet tot een einde vóórdat jij het tijdloze betreden hebt, maar maak het leven jezelf het leven waard door uit het bewuste handelen, denken en streven voor jezelf een steeds rijker erkennen van het zijn te bouwen.

En daarmee ben ik aan het einde gekomen. Vrienden het was mij aangenaam, ik vind het heel prettig dat u ook voor onderwerpen als dit belangstelling hebt en toont. Ik hoop dat u begrijpt hoe alle onderwerpen door één en hetzelfde worden gebonden: De Goddelijke Werkelijkheid.

Ik dank u voor uw aandacht, hopend dat ik misschien in mijn streven, dat ikzelf bewust kies, iets mag bijdragen tot het contact tussen ons, waardoor wij gezamenlijk God juister zien.

image_pdf