Gedachtelezen

18 september 1969

Denken betekent een reeks opeenvolgende activiteiten in verschillende hersencellen zodanig doen plaatsvinden, dat daardoor een reeks reacties kan ontstaan, waarbij verder deze reeks reacties een zijreferentie heeft ten aanzien van bestaande en vastgelegde reacties.

Dit is geen volledig juiste definitie, dat weet ik, maar voor ons doel is zij voldoende, omdat hierin tot uiting komt dat denken bestaat uit twee afzonderlijke waarden: enerzijds de referentie aan de herinnering, die ook bepalend is voor de interpretatie van het waargenomene, anderzijds de opeenvolgende reeks reacties, waardoor een zekere selectie uit bestaande mogelijkheden plaatsvindt en zo dus binnen de scala van ervaringsmogelijkheden een ervaringsvastlegging kan volgen. Indien we nu beseffen, dat alle gedachteoverdracht in de rubriek van inkomende impulsen valt, dan hebben we daar een punt dat voor u allen toch wel van belang is.

Een gedachteoverdracht, onverschillig hoe (behalve spierlezen, dat een afzonderlijke factor is) is dus gebaseerd op uw referentiewaarde, niet op de directe impuls, die door de ander wordt uitgezonden. Laat mij proberen het met een voorbeeld te zeggen:

U houdt van chipolatapudding. Degene naar wie u zendt, houdt van snert. Uw impuls, uw gedachteoverdracht is, “het heerlijkste voedsel”, met op de ach­tergrond chipolatapudding. U denkt: ik heb chipolatapudding uitgezonden. Maar de ander denkt aan snert, want de werkelijke impuls, die hem werd over­gedragen was die van heerlijk voedsel; en de referentie bij de ander aanwezig was snert.

Nu kunt u zeggen, dat het een snert voorbeeld is. Misschien heeft u gelijk, maar de totale overdracht van denken geschiedt nu eenmaal niet via de waarde, die ú eraan verbindt, maar via de werkelijke waarde die tot transmutatie komt. Misschien is het ook goed hier even in te gaan op de mogelijkheid tot transmissie. We kunnen zeggen dat practisch alles een eigen uitstraling heeft. Deze uitstraling ligt zeer hoog; zo in de millimetergolven, soms nog hoger en dan zijn het zelfs micrometergolven. Belangrijk is daarbij: alles heeft een uitstraling. Deze uitstraling zou dus afleesbaar zijn. Bepaalde wetenschap­pelijke fenomenen zijn op die afleesbaarheid mede gebaseerd.

Als ik denk, dan vinden er een aantal omzettingen plaats in de grote ei­witcellen, waarbij de stimuli in wezen vergelijkbaar zijn met elektriciteit. Dat betekent dus, dat we te maken hebben met: a. een verandering van de eigenschap, de eigen uitstraling van de cel. Er is een tijdelijke structuurverandering; b. een inductiewerking ‑ zij het een zeer minieme ‑ omdat we nu eenmaal te ma­ken hebben met elektrische impulsen. Het zal u duidelijk zijn, dat de reik­wijdte daarvan over het algemeen niet erg groot is. Er blijkt nu echter een heel eigenaardig effect te zijn.

Als ik bv. in Tokio uitzond op metergolven, dan kan door een bijzondere omstandigheid in de atmosfeer dat signaal soms worden ontvangen in bv. Den Haag of Amsterdam. Het komt zelden voor, maar het komt voor. Hierbij is belangrijk, dat er een 3e factor is, die 3e factor noemen we dan maar de brekingsindex van de atmosfeer voor het signaal. Wij hebben als mens niet alleen te maken met de atmosfeer rond ons dan zou het nog eenvoudig zijn, maar met iets wat we noemen: gemeenschappelijk menselijke impuls of nog beter: gemeenschappelijk bovenbewustzijn.

De totale mensheid heeft een gedachtesfeer, die een soort plafond vormt. Daartegen kunnen onze gedachten weerkaatsen. Die weerkaatsing wordt dan bepaald niet door plaats, maar door afstemming. Indien de afstemmingsfactor groot genoeg is, dan vindt er een overdracht plaats. Op deze wijze kunnen op zichzelf zeer minieme signalen toch over een betrekkelijk grote afstand worden overgedragen. In de praktijk houden we dan ook met afstand geen rekening en zeggen: Gedachteoverdracht is onafhankelijk van plaats en afstand mogelijk. Ik zeg: we houden er geen rekening mee, dat wil zeggen dat er wel degelijk waarden bestaan, waarmee u wel rekening zou moeten houden. Maar we zouden het vandaag wat eenvoudig houden en daarom zal ik dergelijk factoren maar verwaarlozen evenals de z.g. verschuivingen in tijd.

We komen dan heel dicht bij de denkwijzen van Einstein over de tijdruimtelijke situatie, waarin hij stelt, dat tijdsruimte A + tijdswaarde B gelijk is aan tijdswaarde A + plaatswaarde D. Als het product van tijd en ruimte identiek is, bestaat er feitelijke identiteit, zegt hij. Dat betekent dus, dat we onder bepaalde omstandigheden verschuivingen van overdracht krijgen en de eigenaardigste resultaten. Het is mogelijk, dat u onder bepaalde omstandigheden een uitgezonden gedachte ontvangt, voordat ze gedacht is. Maar dat alles voert ons te ver. Laten we proberen ons eerst af te vragen: Wat is er nodig voor het ontvangen van gedachten?

Elk sterk signaal zal elk zwakker signaal verdringen. Elke sterke concentratie betekent een verminderde vatbaarheid voor alle andere impulsen. Daar gedachtesignalen voor de niet‑getrainde over het algemeen zwak zijn, zal de beste overdracht dus geschieden in ogenblikken van absoluut niet geconcentreerd zijn; vaak een periode van mechanische bezigheid of slaap. In de slaap krijgen we de moeilijkheid van herinnering, daar we een sterke diffusering krijgen van de ontvangen overdracht, die a.h.w. in de droom wordt ingebouwd en door de waakimpuls voor een groot gedeelte wordt verdreven. Dus ontspanning.

Afstemming. Ik kan niet willekeurig signalen ontvangen. Ik kan echter alle signalen ontvangen, die bij mij passen. Dat zijn er doorgaans heel wat. Stel dat iemand alleen maar receptief is en dat hij de gedachte‑impulsen zou opvangen, dan zou hij een soort stoorgeruis krijgen van 10, 20, 100 stemmen (stemmen vergelijkend gesproken), die alle door elkaar klinken en die wel een zeker gevoel wekken, maar over het algemeen geen boodschap doorgeven. Pas als één van die stemmen door mij als bijzonder belangrijk wordt gevoeld (nu krijg ik daarop dus selectie, concentratie), dan kont uit de achtergrond van het totaal die ene stem naar voren. Vergelijk een ouderwetse marconist, die met fluittoontjes werkt. Hij kan op één golflengte 30 verschillende fluittoontjes horen, dat ene station, dat hem roept, haal hij eruit doordat hij zich instelt op de toonhoogte. Het resultaat is heel vaak, dat hij de andere eigenlijk niet eens meer hoort.

Er is dus een zekere training voor nodig om een bepaalde boodschap op te vangen. Deze training vergt veel tijd en zal doorgaans niet zo gemakkelijk tot stand komen. Wel zien we dat incidenteel (dat komt vooral door ongevallen; een schedelbasisfractuur bv. kan er aanleiding toe zijn of een tamelijk zware hersenschudding, soms ook bijzonder grote psychische spanningen) wij a.h.w. automatisch selecteren. We zijn dan doof geworden, behalve voor een enkele frequentie. Als die frequentie met onze eigen instelling overeenkomt, dan luisteren wij ernaar. En aangezien die frequentie uit honderden of duizenden misschien met één stem vat, kunnen we die dan beter verstaan. Wilt u zelf ontvangen, dan zult u echter praktisch moeten zijn. Het klinkt heel aardig om te zeggen: Een ander geeft mij een boodschap en ik lees die woordelijk af, maar dat is niet zo. Wat u afleest is uw interpretatie. Dat hebben we al vastgesteld. Wat komt dan wel zuiver over? Een zekere gevoelswaarde. De eerste vorm van ontvankelijkheid voor gedachteoverdracht is het meevoelen met anderen, dus het delen van bepaalde emotionele gesteldheden. Deze kunnen dan vaak als verdere afstemming dienen, waardoor bij een zeer sterke zender (daar komen we dadelijk op) een beeld kan ontstaan.

Dan hebben we verder verwantschap. Verwantschap moet u hier niet zien als een stoffelijke of een zielsverwantschap, maar als een verwantschap door het belang. Man op reis denkt: hoop dat vrouw de aardappelen gaar heeft als ik thuis kom. Vrouw denkt thuis: Man zal om die tijd wel thuis komen. Ik zal de aardappelen opzetten. Een schijnbaar onwillekeurige reactie, die echter op een gemeenschappelijk belang en een enigszins op elkaar ingesteld zijn is gebaseerd. Dergelijke impulsen komen het meest voor. De ontvankelijkheid voor een overdracht aan anderen ligt voor de meeste mensen dus op dit terrein. In vele gevallen zult u de gedachte van een ander ‑ als u haar ontvangt – niet als een impuls van een ander ervaren, maar zien als een spontaan in u opwellend denkbeeld of een spontaan opwellende reactie. Men zou kunnen zeggen dat vele inkomende gedachten door ons niet worden gerealiseerd, maar eerder werken als een suggestieve invloed die op ons gedrag, op ons denken invloed uitoefent en daardoor de gerichtheid ervan bepaalt, maar niet de definitieve uitvoering.

Dan krijgen we de kwestie; zenden.

Ik kan mij natuurlijk op een mens concentreren, maar dan moet ik een voorstelling van die mens hebben. Indien die voorstelling zo intens is, dat ik een communicatie voor mijzelf waarmaakt, dan is het bijna zeker (niet altijd), dat ik inderdaad overdraag. Hoe meer iets in de lijn van de ander ligt, des te gemakkelijker van een reële overdracht sprake zal zijn. Wil ik dus uitzenden, dan moet ik mij in de eerste plaats beperken tot datgene, wat ik met degene die ik wil bereiken gemeen heb en bij voorkeur ingaan op de interessen, de verlangens van die ander. Als ik daaraan mijn boodschap vastknoop, dan zullen die impulsen ten eerste gemakkelijker worden overgedragen; en ten tweede: ik zal mij zeer scherp moeten concentreren. Deze concentratie betekent, dat ik al het andere en alle nevengedachten uitschakel. Alleen bij een zeer ver gevorderde training is het mogelijk om daarnaast nog andere taken uit te voeren; en zelfs dan wordt daardoor de overdracht van de boodschap beïnvloed. Bij de concentratie zou ik u deze praktische raad willen geven:

Stel u voor, dat u de ander voor u ziet. Probeer dit zo duidelijk voor u waar te maken dat u het idee heeft dat u met die ander kunt spreken.

Spreek met die ander en verwacht niet dat uw woorden zullen worden ontvangen. Verwacht ook niet dat het antwoord, dat de ander geeft, altijd het antwoord is dat de ander inderdaad aan u zendt. In heel veel gevallen is het iets, wat u zelf produceert om hiaten op te vullen.

Nu zult u wel begrijpen, dat het gedachtelezen een kwestie is waarmee men zich van het begin dezer tijden heeft beziggehouden. We weten, dat er bepaalde methoden zijn om die gevoeligheid voor de gedachten van anderen te vergroten. Eén van de veel voorkomende methoden van gedachteoverdracht vinden we bv. al bij de Inca’s (ook vóór de Spaanse periode) waar men onder de invloed van bepaalde toxinen en bioten een soort hypersensiviteit ontwikkelt, waardoor ‑ althans in grove lijnen ‑ iets kan worden overgedragen. Het is heel waarschijnlijk, dat het idee van de grote macht van de Spanjaarden mede op dergelijke overdrachten heeft berust. Iemand heeft ze geassocieerd met overleveringen en daardoor werd over het gehele land hun goddelijkheid eigenlijk een feit.

Het vreemde is nl., dat toen de Spanjaarden Amerika binnentrokken zij niet in de eerste plaats als goden werken erkend. Ze werden ontvangen als gasten. Men zag in hen misschien wel hogere wezens, maar hun absolute overmacht werd niet erkend. Dat blijkt uit het feit, dat ze door verschillende stammen werden bevochten en dat zij andere stammen als bondgenoten moesten kopen. Zo wordt er uit de historie ook veel duidelijk. Dergelijke impulsen, dergelijke overdrachten zijn ongetwijfeld mede aan­sprakelijk voor de vaak zeer eigenaardige manoeuvres, die er in Egypte wer­den uitgevoerd. We zouden zelfs de uitspraken van beroemde Pythia’s voor een deel tot gedachtelezen kunnen terugvoeren, omdat zij in zeer veel gevallen ‑ zij het dan in orakeltaal of in een door priesters verzorgde orakel­ taal, die was dan nog dubbelzinniger ‑ een antwoord gaven op de gedachten en daarbij de wensen en gedachten van degene, die de uitspraken zocht, a.h.w. aflazen.

Het overdragen van gedachten is eigenlijk zo oud als de weg naar Rome. Het is in deze tijd misschien een beetje buiten gebruik geraakt, maar het be­tekent helemaal niet dat het daarom vandaag den dag niet mogelijk zou zijn.Ik zal proberen eens te beginnen met een zeer eenvoudige methode, stap voor stap.

U wilt een gerichte gedachte overdragen.

Bepaal u tot één persoon.

Oriënteer u in de richting. Dit is niet belangrijk voor de over­dracht van de gedachte, maar wel voor uw gevoel, dat u naar de ander uit­reikt. Daarom is het niet belangrijk, indien u er een paar of zelfs veel graden naast zit; het is wel belangrijk dat u uw gedachten in een bepaal­de richting stuurt.

Formuleer eenvoudig. Hoe complexer u formuleert, des te groter de kans is dat u meer uw eigen onbewuste impulsen en gedachten overdraagt dan de boodschap, die u wilt geven. Als u een boodschap in woorden zui­ver wilt overbrengen, probeer elk woord afzonderlijk niet alleen als woord maar ook in de gewenste betekenis te overwegen. Doe dit gericht op de ander. Neem er uw tijd voor. Als u in het begin woorden zuiver wilt overdra­gen naar een ander, dan moet rekenen op een overdrachtstijd van 2 tot 5 minuten per woord. Het vraagt tijd; wees dus geduldig.

Als u sneller wilt denken en praten, moet u zich realiseren dat de ander wel de gevoelens, de tendens, aanvoelt, maar niet de geluiden ont­vangt. Denkt u maar aan een aap. Een aap hoort u tegen hem praten en denkt; Hij maakt aangename of onaangename geluiden. Hij associeert er misschien iets mee, maar wat u zegt, weet hij niet. Nu moet u de ontvanger van uw gedachten natuurlijk niet onmiddellijk zien als een aap of apin, maar u doet toch wel proberen u te realiseren dal de relatie ongeveer gelijk is.

U kunt geen geluid overdragen. Hoe sneller u probeert gedachten uit te drukken, hoe moeilijker het wordt om bij de ander een enigszins vergelijkbaar beeld of een vergelijkbare impuls te doen ontstaan. Eenvoud en recht­lijnigheid zijn zeer belangrijk.

Als u naar iemand wilt zenden, kies bij voorkeur een tijd, waarin u zelf redelijk ontspannen bent, niet wordt gestoord en waarin u aanneemt dat de ander ontspannen is, althans geen zware mentale arbeid verricht. Verwacht niet on­middellijk spectaculaire resultaten; die komen naar zelden voor. Wees ermee te­vreden, als u een bepaalde gevoelswaarde heeft overgebracht of als de ander een denkbeeld kennelijk op zijn eigen manier met u heeft gedeeld. Door een voort­durende herhaling van contact met één of meer bepaalde personen zal voor u de mogelijkheid groter worden om sneller te communiceren en u kunt dan de gemid­delde duur voor een woordoverdracht terugbrengen tot ongeveer 35 á 40 seconden.

U kunt daarbij impulsoverdracht bijna onmiddellijk doen plaatsvinden zodra de ontvanger daartoe openstaat.

Dan hebben we de kwestie van het ontvangen. Iemand, die bewust probeert gedachten van anderen te ontvangen, zonder zich daarbij onmiddellijk op één persoon te kunnen concentreren, zal weinig re­sultaat hebben. Maar u weet nooit, of de ander op dat moment zendt. Voor het aflezen van gedachten is daarom, indien u zich op een persoon richt, tenminste een visueel contact noodzakelijk. Onthoudt u dit. U kunt niet luisteren naar de gedachten van anderen, terwijl ze ergens zijn en u niet weet wat ze zijn en wat ze doen, tenzij ze toevallig zouden zenden; d.w.z. met een bepaald denkbeeld zeer geconcentreerd bezig zijn.

Dan moet u zich verder realiseren, dat openstaan voor anderen ook betekent wachten. Wanneer u wacht op de boodschap van iemand, die u iets wil meedelen, dan houdt u zich bezig met iets anders. U bent echter in afwachting; u bent dus bereid die actie onmiddellijk af te breken.

Een zelfde mentaliteit is nodig, indien u gedachtecontacten van anderen wilt ontvangen. Ga rustig uw gang, totdat u het gevoel heeft: hier komt een impuls. U loopt er dan onmiddellijk naartoe; bv. de telefoon belt maar drie keer. Heeft u eenmaal een contact ontvangen of heeft u het idee: er is contact, vorm u dan maar rustig een voorstelling, maar weet heel goed dat dit niet noodzakelijk is voor hetgeen de ander precies wil zeggen. Let daarom niet op de voorstelling of de woorden zelf, maar op de tendens ervan. Die tendens wordt over het algemeen wel juist overgedragen.

Wilt u uw receptiviteit vergroten, dan kunt u dit doen door te leren u zo volkomen mogelijk te ontspannen zonder aan uw gedachten een bepaalde inhoud te geven. Laat ze dwalen. Als u dan ontdekt, dat die dwalende gedachten, een vast patroon opbouwen, dat u niet onmiddellijk kunt thuisbrengen, neem dan voorlopig maar aan dat het hier een ontvangen boodschap geldt. Ik zeg “neem aan”, want het is natuurlijk heel goed mogelijk dat zo’n gerichtheid door eigen onder­bewustzijn wordt bepaald. Maar dan zal die boodschap steeds weer opduiken en gaat u vanzelf zeggen: Ja, dat heb ik al honderd keer gehoord.

Bijvoorbeeld: U krijgt elke keer zo iets van: Pietje in zijn hansop. Dan begrijpt u toch wel: Pietje loopt niet de hele dag in zijn hansop, en hij loopt u dat niet voortdurend te vertellen. Dan is dat dus ergens een associatie uit uzelf. Maar als u bepaalde denkbeelden krijgt en u kijkt dan eens wat ze betekenen en of u ze kunt associëren met een bepaalde persoon. U moet dat pas doen, nadat de impulsen zijn ontvangen, dus nadat u denkt, nu krijg ik er niets meer bij. Heeft u het gevoel: dit is van een bepaalde persoon, informeer eens discreet of ga het eens na. U zult ontdekken, dat u op deze manier werkelijk betrekkelijk eenvoudig gedachteoverdracht tot stand kunt brengen,

Er zijn er hier, die denken: Dat klinkt nu allemaal wel leuk, maar wat is het? En: zou hij er zelf nog wat van laten zien? Er is nu ook nog iemand met twee getallen in zijn hoofd: 37 en 42. Ik neem aan, dat die op het ogenblik op een subliminaal vlak liggen, het zijn dus geen bewuste gedachten. Ik kan het nl. niet allemaal sorteren. Kijk, ik zit hier tegenover u. Nu heb ik natuurlijk de noodzaak om het medium te beheersen en dat betekent een vorm van concentratie. Maar zelfs ik kan niet uit de gedachten van een betrekkelijk klein aantal aanwezigen één bepaalde gedachte afzonderen en die precies woordelijk weergeven. Toch leef ik in een sfeer. Dat betekent, dat mijn spreken eigenlijk iets is wat u telepathie noemt: een vorm van gedachteoverdracht. Daaruit zou u al moeten blijken hoe moeilijk het is om het allemaal zo precies te doen. Als u dan te maken krijgt met deze heerlijke gedachtelezers, die u precies weten te vertellen wat het nummer van het bankbiljet is dat u in uw hand houdt, dan moet u maar eens goed opletten, want dan is er altijd wel sprake van een code. Daar hoort een trucje bij. Er zijn heel wat toneeltrucjes voor.

Een van de eenvoudigste is spierlezen. Als ik iemand vraag om geconcentreerd aan een bepaald iets te denken (bv. aan de weg die ik moet gaan om een zeker voorwerp te vinden) en ik ga verkeerd, dan is hij zo geconcentreerd op het punt waar ik naar toe moet, dat hij even aarzelt. Let op die aarzeling; u kunt haar vaak op de spieren aflezen. De pols bv. is daarvoor geschikt. U kunt dit ook doen op de schouder, vooral wanneer u daarbij even aan de nekspier komt. Dan zult u ook ontdekken, dat dat heel gemakkelijk afleest. Na enige oefening kunt u op deze manier als telepaat optreden, zolang een ander uw trucje niet kent. Het heeft met werkelijke gedachteoverdracht dus maar heel weinig te maken. Het is in feite een impulsoverdracht, die tot stand wordt gebracht door een bepaalde suggestie; nl. dat je heel geconcentreerd aan het doel moet denken, opdat de gedachte wordt overgenomen. De gedachte wordt niet overgenomen; wat wordt overgenomen is de weg, die u wilt gaan, omdat u daarop bent geconcentreerd. Een beetje routine kan hier heel veel doen.

Een andere vorm van vervalst gedachtelezen is het werken met microzenders en micro‑ontvangers. Er bestaan enkele variéténummers, die daarop gebaseerd zijn. Hiermee is het mogelijk bepaalde impulsen door te geven en zelfs om iemand van achter het toneel een antwoord te geven op allerhande vragen, die je zelf misschien niet ‑ onmiddellijk‑ zou weten. Dat zijn technische trucjes. Dan hoort u over mensen, die precies en over een heel grote afstand kunnen waarnemen. Die kunnen luisteren en die precies weten wat een ander heeft gezegd, die een boodschap woordelijk kunnen overbrengen. Dan kan ik u alleen maar zeggen: Als ze werkelijk bestaan, zijn het grote uitzonderingen. Er bestaan natuurlijk wel methoden om die overdracht of waarneming mogelijk te maken, maar dan zijn we niet bepaald bij de werkelijke gedachtewerkingen, dan krijgen we te maken met het probleem, dat men uittreding pleegt te noemen en waarvoor m.i. de term persoonlijkheidsprojectie waarschijnlijk nog wel beter zou zijn.

Je projecteert je wezen in een vorm van fantasie naar een plaats of ruimte en je noemt daar waar. Die waarneming vertaal je dan later weer. Het beeld, dat wordt bereikt, is nooit 100 %, maar het komt daar toch aardig in de buurt.

Bij overdracht van woorden is het al veel moeilijker. Bij de uittreding kan ik nl. wel komen tot een reële gedachte-uitwisseling met anderen, maar ik kan niet komen tot een reële overdracht van deze gedachte-uitwisseling naar mijzelf en naar de nader. Hier staat de lichamelijkheid er weer tussen. Het is een inkomende impuls, die aan de hand van in het “ik” bestaande referentiewaarden wordt vertaald; en het is maar heel zelden dat alle referentiewaarden precies kloppen, gelooft u dat.

Ik hoop nu niet, dat ik het u hier tegen zit te maken. Gedachteoverdracht en gedachtelezen zijn een aardig spel. Maar aan de andere kant, denkt u nu werkelijk dat het prettig zou zijn, indien u de gedachten van ieder ander zoudt kunnen lezen? Vergeet u één ding niet: Indien u die gevoeligheid zover heeft ontwikkeld, dat u iedereen kunt ontvangen, dan betekent dat ook dat er signalen zijn, die zo hard zijn dat ze tot je doordringen ook als je dat niet wenst. Als u b.v. een voetbalwedstrijd Ajax‑Feijenoord gaat zien, dan komt u er waarschijnlijk geestelijk bewusteloos vandaan, alleen vanwege de gedachte-impulsen. Nu noem ik een voetbalwedstrijd, maar hoeveel andere situaties zijn er niet? De beleefde gasten, die van binnen vol haat en wraak zitten te schelden. Dat kan een heel sterke en heel onaangename impuls zijn. Al die gedachten van mensen op straat misschien. Sommige zijn onbelangrijk, die kunt u uitschakelen. Maar er zijn mensen bij die heel erg boos zijn of heel erg verliefd. Dat zijn dan intense gedachten; die kunt u niet zo gemakkelijk afweren, zeker niet als ze en masse komen. U zult ze misschien niet verstaan, maar u zult ze ondergaan. Dat betekent, dat uw eigen associatieve vermogens helemaal in de war komen en dat u dus op uw wereld niet meer normaal kunt reageren. Absoluut telepathisch begaafd zijn is dus niet zo prettig.

Een zender zijn? Ja, dat heeft misschien voordelen. Maar om een goede zonder te zijn, moet u ook kunnen ontvangen. Iemand, die alleen kan zenden, kan alleen boodschappen overbrengen, waarop hij de reactie kan zien. Die mogelijkheid bestaat natuurlijk wel. Eén van de aardigste proeven, die u op dat terrein kunt nemen is pogen een suggestie over te brengen. Let wel, geen boodschap, maar een suggestie.

Kijk naar een persoon. U behoeft niet te blijven kijken, maar kijk één keer goed naar die persoon, zodat u weet hoe hij tegenover u staat, zich beweegt e.d.. Denk u in, dat u die mens met een soort gedachtepaal raakt (daarvoor kunt u kiezen het voorhoofd of het achterhoofd) en dan zegt. Hier moet dit en dat gebeuren. U zult dan zien, dat vooral de zwakkere typen heel vaak op die reactie zullen ingaan. Als iemand in de bioscoop vóór u zit en u heeft er hinder van, dan moet u het naar eens proberen. Heel vaak werkt het. Die persoon gaat onrustig worden. Hij gaat op den duur wat verzitten en zit net goed voor u. Hij komt wel weer dadelijk terug en dan denkt u weer hetzelfde. Op het laatst blijft hij zo zitten en u heeft geen last meer. Dat zijn dus methoden, die u kunt gebruiken.

Een ander punt, waarop ik hier nog wil ingaan, is eigenlijk geen zuiver gedachtelezen en het is maar in beperkte zin een gedachteoverdracht. Als u op een weg zit bij een onoverzichtelijke kruising en een ander nadert die kruising, dan realiseert hij zich dat. U kunt die impuls opvangen, voordat u die ander kunt zien. Als die ander met een grote snelheid gaat en daardoor zeer geconcentreerd is, dan is de kans groot dat u het gevoel krijgt: ik moet inhouden, ik moet remmen, of: hier moet ik bijzonder snel gas geven anders wordt het gevaarlijk. Dergelijke impulsen moet je eerst geconcentreerd controleren. Dus in het begin niet zeggen: ik rem of ik geef gas, maar zeg­gen: ik houd er rekening mee, dat er iets kan gebeuren. U leert dan selecte­ren en u zult tot de conclusie komen, dat u bepaalde situaties a.h.w. vooruit aanvoelt. Het aanvoelen is te danken aan het feit dat andere, denkende wezens daarbij betrokken zijn. Het is dus heel iets anders dan clair-voyance.

Dan hebben we nog de onwillekeurige zonder. Iemand, die in zeer grote nood is (lichamelijk of psychisch) zal vaak zo sterk opgaan in zijn concentratie en de daarmee verbonden wensen, dat hij daardoor een uitermate sterk beeld uitzendt. Nu weet u allemaal en in de parapsychologie is dat bekend, dat er dromen zijn bv. van een vader, die in op dat ogenblik in doodsnood is. Hij is nog niet dood, hij staat op het punt van verdrinken en de familieleden zien hem druipend van water binnenkomen en naar een bed staren. Dit is één van de meest bekende voorbeelden. Iets dergelijks is dan een gedachteoverdracht. Daarmee wordt het idee van water, van nood, van gevaar inderdaad overgebracht. Maar in 9 van de 10 gevallen vertelt men zo’n geval vooral, als de persoon in kwestie (de zender) later is overleden.

Soms zien wij een vertraagde reactie en dan gaat die plaats-tijd-verhouding een rol spelen. Laten we zeggen, dat iemand verdrinkt in de buurt van bv. New-Foundland om 4 uur, gerekend in Greenwichtijd, dan wordt om 8 uur die figuur gezien door iemand, laten we zeggen in Zweden of Denemarken. De persoon is dan nl dood, maar de impuls is alleen een vertraagde. Er is dus geen sprake van een boodschap over het graf, maar van een gedachteoverdracht die door de omstandigheden, die nu eenmaal in plaats‑tijd‑ruimte in de hele structuur van het Al verborgen liggen, te laat worden overgedragen.

Een ander voorbeeld: Een vliegtuigongeluk (dit is historisch). Een vliegtuig verongelukte in de buurt van de een of andere stad in Azië. Dat ongeluk vond plaats om laten we zeggen 19 uur Greenwichtijd. Maar een sluimerend familielid van één van de passagiers droomde tijdens zijn middagslaapje om 2 uur ’s middags dat dit vliegtuig verongelukte. Ook hier weer hetzelfde. Maar nu loopt de impuls a.h.w. in de tijd terug en wordt dus eerder geconstateerd. Dat is geen waarschuwing vanuit de geest; dat is gewoon een gedachte-impuls, die wordt overgedragen.

Met dergelijke voorbeelden hoop ik u te hebben duidelijk gemaakt dat aan gedachteoverdracht heel wat meer vast zit dan alleen maar het leren van een techniek.

Dat gedachteoverdracht mogelijk is, is geloof ik op den duur wel bewezen. Dat daarbij die gedachteoverdracht lang niet altijd zuiver is, wordt elke keer weer duidelijk, ook als u zelf daarmee in contact pleegt te komen. Ga daarom nooit af op gedachteoverdracht als communicatiemiddel. Er zijn slechts zeer weinig mensen op aarde in deze tijd, die in staat zijn gerichte boodschappen uit te zenden en op te vangen. Er zijn slechts zeer weinigen op aarde, die in staat zijn de bijzonder ingewikkelde tijdruimtelijke structuur, bovendien nog beïnvloed door zwaartekracht pulsaties en dergelijke (zelfs zonne‑uitbarstingen spelen soms ook nog een rol), zover te ontraadselen, dat zij de gedachte in relatie tot zichzelf in tijd en op een bepaalde plaats kunnen lokaliseren. Het is allemaal niet zo eenvoudig. Eenvoudige proeven kunt u nemen en ik heb geprobeerd u daarvoor een eenvoudige methode aan de hand te doen.

Dus nogmaals:

Wie gedachten aan anderen wil zenden, moet niet uitgaan van zijn eigen denkbeelden, maar eerst iets vinden wat voor de ander belangrijk is. Op dat punt spreekt hij het gemakkelijkst aan.

Woordoverdracht vergt tijd. Dat betekent voor elk woord een tijd van mediteren, van erop geconcentreerd zijn. Zonder dit is woordelijk overbrengen maar toeval.

Overdracht van gevoelens, overdracht van een snellere communicatie wekt in de ander associaties, die misschien zelfs worden erkend als met u gereleerd, maar die toch afwijken van uw eigen impulsen en bedoelingen.

Als u ontvankelijk wilt zijn. Uw ontvankelijkheid moet u altijd door uw concentratie op een bepaald gevoel en soms op een bepaalde stem, die u meent te horen, richten. Realiseer u echter, dat ook dan woorden nimmer volledig zuiver worden ontvangen. Dat is een zeldzaamheid.

Ik hoop, dat dit als inleiding voldoende is en dat ik u stof genoeg heb geboden om daarover vragen te stellen of te debatteren. Om van tevoren één ding te bepalen: U moet niet verwachten, dat ik gedachten ga lezen. Ik kan nl. zeer moeilijk gelijktijdig een enkele gedachten a.h.w. uit het geheel pakken, het medium beheersen en bovendien mijn eigen contacten en afscherming in stand houden. Dus geen demonstraties.

*****************

*  Ik begrijp niet erg goed hoe iemand een gedachte kan opvangen, die eerst een paar uur later wordt uitgezonden.

Ja, ik kan begrijpen, dat dat erg moeilijk is. Ik zal proberen om het te benaderen. Om dit helemaal duidelijk uit te leggen zou ik, behalve een schoolbord en een aantal formules, ongeveer 11/2 á 2 uur nodig hebben. Die heb ik niet. Laten we dit stellen: De basis van de wereld is niet de vorm zoals u die ziet. De gedachte, dat alles illusie is, is voor een deel waar. Het is onze eigen interpretatie ervan. Onder de interpretaties, die wij ervan geven, is de tijd, die gebaseerd is op onze eigen waarnemingen en daarnaast op het stoffelijk organisme dat we op aarde hebben. Als we deze doen wegvallen, dan ontstaat er een meer variabele tijd, die met veel grotere tijdseenheden werkt. Ik zal het heel eenvoudig proberen te zeggen: U rekent met uren, maar in werkelijkheid zou een periode van laten we zeggen 8 uur kunnen worden gezien als 1 periode, zodat alles wat binnen dat uur wordt uitgezonden in het geheel gelijktijdig plaatsvindt, ook als het voor u in uw ervaring volgorde heeft. Als we nu komen op een punt, waar de verhoudingen van tijd en ruimte niet meer als afzonderlijke dimensies kunnen worden beschouwd, maar als gelijkwaardige factoren, optredend in een vijfde dimensie, dan is het dus mogelijk dat het product van die twee waarden gelijk is, terwijl de waarden onderling verschillen. Om het eenvoudig te zeggen; 2 x 2 = 3 x 2. Daarmee kun je dan die verschuiving in tijd krijgen. Ik weet niet, of ik het veel duidelijker heb gemaakt, maar ik heb het tenminste geprobeerd.

*  Als men tijd en ruimte uitschakelt? Bedoelt u dat?

Ja. Als men tijd en ruimte uitschakelt als afzonderlijke waarden. Laat mij het zo zeggen: U telt in appels en peren. Dan kunt u die twee niet met elkaar vergelijken en in overeenstemming brengen. Maar als ik tel in fruit, dan kan het wel. De geestelijke waarde telt in fruit. U telt in appels en peren. Maakt dat de zaak duidelijker?

*  In meditatie wordt door mij dikwijls een stem gehoord. Zou deze mogelijk van een entiteit of van een mens afkomstig zijn?

Mogelijk is dit wel, zeker is dit niet. Het is altijd verstandig aan te nemen dat het eigen onderbewustzijn daarbij een grote rol speelt. Nu hebben we wel enkele controlemogelijkheden en die kunnen we misschien gebruiken. Als u een dergelijke stem regelmatig hoort, moet u trachten die stem een antwoord te geven en een inlichting te vragen omtrent iets wat u zelf niet weet, maar waarvan u aanneemt dat de ander het antwoord wel weet. U zult dan ontdekken, dat als het een mens is een bevestiging ‑ zij het vaag ‑ wordt verkregen, indien er van een reëel contact sprake is. Is er sprake van contact met een geest, dan zal die geest bepaalde feiten en mogelijkheden, die voor u toekomst zijn en dus nog niet voorzegbaar, kennen en u daarmee een bewijs kunnen geven voor zijn afzonderlijk en persoonlijk bestaan. Indien u dergelijke proeven regelmatig noemt en ze vallen geregeld volgens de verwachting uit, neemt u dan maar aan dat het een mens of een geest is. Is het bewijs in 9 van de 10 gevallen van prognostische aard en houdt het zich verder bezig met waarnemingen omtrent gebeurtenissen op uw wereld op ver verwijderde plaatsen, dan kunt u aannemen: het is een geest. Is er sprake van de weergave van waarnemingen of afspraken op een ander punt, dan moet u aannemen dat het een mens is. U ziet, ik geef u geen definitief antwoord. Dat is in deze zaken altijd het verstandigst. Het is nl. zo dat een mens, die dergelijke ervaringen heeft, geneigd is die te zien als iets buitengewoons; en dit buitengewone brengt hem ertoe daaraan een bijzonder hoge waarde toe te kennen. Als we nu geen voortdurende controle hebben en geen bewijs dat het iets buiten ons is (wat we overigens ook nog zeer objectief moeten benaderen en zeker niet als een uitermate hoog gezag), dan komen we ertoe om ons onderbewustzijn een afzonderlijke persoonlijk­heid te geven en we ontheffen ons dan van de reële, de logische, de morele normen, waarin we leven op het gezag van dit onderbewustzijn, omdat we dan kunnen zeggen dat het een hogere kracht is, die het ons zegt. Dat is voor mij een reden om te zeggen: Weest u met deze dingen toch alstublieft voorzichtig en neemt u niet zonder meer het gezag aan, ook indien dat van de geest is. Als er een stem in u klinkt, die pretendeert de lieve God zelf te zijn en Hij geeft u een opdracht, die niet strookt met uw eigen begrippen van wat goed en juist is, vraag dan eerst of er even een bewijs kan worden geleverd. Controleert u dat bewijs. Vraag desnoods nog een bewijs, vraag driemaal om een bewijs, voordat u tegen de voor u normaal geldende waarden en waarderingen in een dergelijk gezag accepteert. U moet zelf leven. Geen enkele geest kan de consequenties van uw daden op zich nemen; zelfs als hij dat zou willen, blijft dat zeer beperkt. Geen enkele mens heeft het recht om uw vrijheid van leven en denken te verminderen of weg te nemen. U leeft. Het is uw leven en het zijn tenslotte toch uw beslui­ten. Daarom moet u ook bewust zelf nadenken en bewust zelf de verantwoorde­lijkheid dragen en de consequenties nemen. En dat doet u zeker niet, indien u een dergelijke stem verheft tot een hoger wezen of een hogere kracht en daaraan al het andere ondergeschikt maakt.

*  Wilt u nader ingaan op de telepathie van de Pythia van Dolphi?

In Delphi werd bij de oorspronkelijke Pythia gebruik gemaakt van vulkani­sche dampen, daarin o.m. bepaalde sulfamengsels voorkwamen. Hierdoor kwam deze Pythin in een roes te verkeren, die misschien ietwat vergeleken kan worden met de roes, die je kunt kregen door collodium en bepaalde lijmsoorten in te ademen, althans de dampen ervan. Als men dit doet, ontstaat er een vervreem­ding van de eigen werkelijkheid. Daar de Pythia door haar eigen geloof en de gehele omgeving dis suggestief werd gericht op de personen, die haar vragen kwamen stellen, werd haar gevoeligheid voor die personen aanmerkelijk groter en kon ze stemmingen en gedachtebeelden aflezen. Het was een vorm van hel­derziendheid, die mede door een kunstmatig veroorzaakte trance tot stand kwam. In deze helderziendheid echter reageerde ze even vaak en even veel op de ge dachten, verwachtingen en vrezen van de mensen, die om haar oordeel kwamen vragen den zij reageerde op andere erkenningen van minder direct stoffelijke aard. Daarom kan worden gezegd, dat de oorspronkelijke Pythia van Delphi zeer veel van haar gegevens telepathisch verkreeg en dat zij met deze gege­vens via uitspraken, die toen nog rechtstreeks worden gedaan, in feite de mens de spiegel van zijn eigen verwachtingen en angsten voorhing. Later is het systeem veranderd, vooral toen de in die tijd belangrijke poli­tieke figuren, machthebbers en generaal vaak kwamen. De priesters namen toen de controle over. De Pythia voorspelde dus wel, maar aan de priester, die dit opnieuw formuleerde volgens een kennis, die hij via relaties met andere tempels reeds bezat. Hierbij werd er overigens vaak gebruik gemaakt van suggestieve formuleringen, zodat het orakel in feite een middel voor de priester was geworden en een zekere pressie uit te oefenen op belangrijke fi­guren. Nog later maakte de vulkanische damp plaats voor de drievoet, waarin kruiden worden verbrand. Ook hier werd weer een roes door inademing veroor­zaakt en ook hier weer de sterke controle van de priesters. Men selecteerde op den duur echter mensen, die in deze; trancetoestand geen normale klanken wisten uit te stoten, dus niet normaal konden spreken en wiens gestamelde klanken ‑ voor een ander onverstaanbaar ‑ door de priester moesten worden ge­ïnterpreteerd. Deze methode wordt heel veel gebruikt daar, waar de priesters de controle willen behouden over hun orakels.

*  Vinden paranormale verschijningen of uitingen plaats in de 4e dimensie?

Dat is een heel moeilijke vraag. U zou moeten zeggen wat u onder de 4e dimensie verstaat. Indien u onder de 4e dimensie al datgene verstaat, wat op aarde niet onmiddellijk kenbaar is en niet slechts de tijdsprogressie, dan kunnen we zeggen; ja. Maar indien we de tijdsprogressie beschouwen als een dimen­sie (een lengte van het bestaan in tijd) dan moeten we stellen: er is een 5e dimensie, waardoor de interrelatie van alle 4‑dimenionaal kenbare feiten overzichtelijk wordt en daardoor afleesbaar en eventueel ook weer te geven, waarbij punt 1 de onbeheerstheid van de weergever over het algemeen een selectieve werking heeft en punt 2 zijn eigen z.g. menselijk logische of reële denkwijze vaak een verminking van de waarneming bevordert.

*  Ik reed eens in Frankrijk door de bergen in zeer slecht weer. Ik hoorde een stem, die in het Frans zei; ” La mort après 100 km.” Inderdaad lag na 100 km een auto op zijn kop. Was dit een gedachteoverbrenging?

Dat is mogelijk. Ik vermoed, dat iets dergelijks een spontane gedachten­ overbrenging is, maar dat lijkt me onwaarschijnlijk door het aangeven van een afstand, die u zelf betreft. Die kan een mens niet kennen. Wij zouden kunnen aannemen dat het een geest was, die de boodschap gaf. We zouden daarnaast misschien kunnen veronderstellen, dat u zeer geconcentreerd rijdend (slecht weer) uw gevoel dat er gevaar kon zijn zich op deze wijze concretiseerde en een waarneming tot stand bracht, die niet direct werd gerealiseerd op geeste­lijk terrein en deze dan hernieuwd formuleerde. De enige vraag is dan: Waarom geschiedt dit in het Frans? Zoudt u zelf deze taal voldoende beheersen om haar regelmatig te gebruiken, dan is de omgeving suggestief en zal inderdaad de weergave in het Frans geschieden. Is dit laatste niet het geval, dan moeten wij terugvallen op het denkbeeld van iemand, die een groot overzicht heeft en ook u kent. Dat zou dus iemand moeten zijn, die in de sferen vertoeft; niet iemand, die normaal op aarde leeft.

*  Het was typisch: na 100 km. Ik geloof, dat dat heel weinig scheelde.

In dat geval kunt u aannemen, dat u op de een of andere wijze een commu­nicatie van een entiteit heeft ontvangen en gezien de directe relatie en af­stand die werden aangegeven ‑ en volgens u zuiver ‑ zou ze ook specifiek tot u gericht moeten zijn.

*  Moet je voor een gedachteoverdracht tussen twee personen gelijkgestemd zijn (of gelijk geïnteresseerd) of kun je door een zeer sterke concentratie iemand ten goede of ten kwade beïnvloeden of de omstandigheden ten goede of ten kwade beïnvloeden?

De omstandigheden kun je nooit ten goede of ten kwade beïnvloeden. Je kunt ze alleen ten goede of ten kwade gebruiken. En ten goede of ten kwade is dan een zeer subjectieve waardering, zoals u zult begrijpen. Maar goed. Is het moeilijk een ander te beïnvloeden? Alleen indien u met die ander een punt van harmonie heeft, een gelijk streven, denken of vrezen, mis­schien een activiteit op dat ogenblik. Dat is minimaal toch wel noodzakelijk. De beïnvloeding van de ander kan dan slechts geschieden vanuit een voorstelling, die onmiddellijk met het punt van contact is verbonden. Dat houdt dus in, dat u als u in een auto zit (we hebben daarnet een voor­beeld ervan gehad) kunt overgaan naar de suggestie “stoppen” en vandaar verder, ook als de ander op dat moment niet in een auto rijdt. U moet het dus opbouwen vanuit het punt, waarin u het contact heeft. U kunt dan komen tot een suggestie, die bij de ogenblikkelijke toestand past, waarin de ander zich bevindt. Is de ander zwak van wil, dan zal hij hoogstens iets geremd worden en wat aarzelender zijn in zijn handelingen. Zo kunt u gedachten overdragen aan iedereen. Theoretisch is dat inderdaad mogelijk, maar aangezien dit voor de doorsnee‑mens een enorme prestatie vergt met een zeer sterke emotionele achtergrond, geloof ik niet dat dit praktisch veel zal voorkomen.

*  Kunt u het verschil zeggen tussen een voorgevoel en zo’n gedachte-uitstraling.

Een voorgevoel omvat ofwel alleen een onzekerheid, een onrust, dan wel een formulering van meer mogelijkheden. Een gedachteoverdracht, die in de tijd a.h.w. een sprong terug maakt, is over het algemeen een detail van een gebeuren. Het is altijd gedetailleerd op een bepaald punt, omvat zelden de totale gebeurtenis en is altijd gebaseerd op een persoonlijke relatie, een persoonlijke communicatie. Een voorgevoel is dat niet. Voorgevoelens kunnen soms voortkomen uit het onderbewustzijn. Ze kunnen daarnaast voortkomen uit een zekere precognitie, dus een begaafdheid om in de tijd vooruit te voelen. Ze zouden ook kunnen worden geïnduceerd door personen op aarde ‑ of wat waarschijnlijker is ‑ in de sferen, die u op deze wij­ze willen prepareren voor een bepaald gebeuren, een gevaar of voor en bepaalde mogelijkheid. Ik hoop, dat het verschil in deze uiteenzetting duidelijk naar voren is gekomen. Wat vanuit een ander is geprojecteerd ‑ ook als het in de tijd terugloopt – is altijd gedetailleerd en t.a.v. het totaal gebeuren onvolledig. Het voorge­voel kan een totale gebeurtenis voorzien, maar die geschiedt dan niet precies zo. Het is altijd meeromvattend en draagt in de eerste plaats een emotie in zich en pas secundair een beeld

*  Heeft u er een verklaring voor dat sommige mensen in kansspelen juist die nummers kiezen, die uitkomen, terwijl er in de omgeving ook zijn, die toch ook hun eigen getal hebben?

Nu komen we aan verschillende mogelijkheden. Een van de mogelijkheden, die meer voorkomt dan u denkt, is een onbewust gebruik van telekinese. Dat kunnen we bv. zien bij sommige roulettespelers. Sterker nog komt het tot uiting bij degenen, die werken met dobbelstenen. Precognitie (d.w.z. net een moment voor zijn op het werkelijke gebeuren) speelt vaak een rol ook bij kaartspelen; laten we zeggen een‑en‑twintigen of een‑en‑dertigen. Omdat als er een kaart wordt gekeerd je de volgende kaart al ziet. Doordat je je daarna overtuigt van de kaart die er ligt, weet je eigenlijk niet dat je die andere kaart eerst hebt gezien. Je reageert dan op de verwachting, die deze visuele indruk heeft ge­wekt; en die blijkt dan inderdaad juist te zijn. U kunt dit zien o.a. bij de proeven van Rhine, die zoals u weet met symboolkaarten worden genomen. Sommige mensen kunnen die inderdaad telepathisch ontvangen. Die zijn dus juist. Anderen zijn elke keer mis. Maar als je later gaat kijken, dan blijkt dat ze soms 3 of zelfs 4 kaarten vóór zijn en dan de se­quentie wel juist geven. Dat zijn dus vormen van precognitie.

*  Wanneer je met iemand samen bent, kan het gebeuren dat de ander precies datgene zegt, wat jij had willen zeggen. Is dat gedachteoverdracht?

Ja. Dat is een soort gedachteoverdracht. Maar u moet er wel rekening mee houden: als u met elkaar in contact bent, dan bevindt u zich in dezelfde omgeving. U heeft door het gesprek waarschijnlijk ook andere waarden gemeen. U deelt op dit ogenblik een deel van uw denken. De gedachte-uitstraling of de aura’s zijn vermengd. Hierdoor kan er een ogenblik komen dat beiden gelijk reageren op een en hetzelfde beslissende woord, dat bij beiden een gelijke reactie met lichte afwijkingen veroorzaakt. Als de ander dan volgens zijn wijze van denken spreekt, dan beseft u de overeenkomst zo sterk, dat u de verschillen niet eens meer ziet en zegt u; Dat heb ik ook willen zeggen. Eigenlijk zit er net een belangrijk verschil in. Dat is één van de redenen, waarom sommige van die polls (opiniepeilingen) mislukken, omdat de stelling bij een gelijke belangstelling op den duur leidt tot het overnemen van suggesties, terwijl men iets anders daarin meent te vernemen,

*  Als je een stem in je hersenen hoort, waar komt die dan vandaan?

Dat kan wat men noemt een auditieve hallucinatie zijn. Als je de stem in je hersens hoort, dan wordt ‑ dat staat vast ‑ in het klankherinnerings-cen­trum een aantal impulsen gewekt, overeenkomende met hetgeen u door de oren zoudt kunnen krijgen, zonder dat er van buiten een impuls komt. Daarom een hallucinatie. Dat kan een herhaling zijn van iets dat er eerder was, het kan ook zijn dat er eenvoudig de een of andere impuls komt, die die stem veroorzaakt. Dan komt de vraag: Hoe kan dit? En dan zeg je: a. dat kan het horen van gedachten zijn. b. het kan een inwerking zijn van een entiteit of een per­soonlijkheid uit een sfeer. De formulering is dan nog steeds gebonden aan uw eigen woordherinnering, U zult dus nooit denken in woorden, die u niet kent. U zult die, ook in u niet horen. Maar de formulering zal vaak aanmerkelijk verschillen van uw nor­male wijze van formuleren. De basis is hier dus altijd auditieve hallucinatie. De oorzaak ervan kan in uzelf liggen; ze kan liggen in de gedachten van andere personen; ze kan liggen in een ingrijpen vanuit de geest of een communicatie van de geest. De formulering geschiedt altijd volgens uw eigen woordherinnering.

*  Tijdsverschuivingen. Is er enig verband tussen wat Einstein heeft beschreven als tijdparadox enz. enz. enz,

Ja, of anders gezegd: snelheid zet zich om in massa, en als de snelheid oneindig is, dan is de massa dat eveneens. Dat zit er misschien wel enigszins bij. Er is dus wel een overeenkomst. Je kunt de afleiding van Einstein hier voor enigszins wel gebruiken, maar dan moet je wel dit beseffen: De snelheid van de gedachte is niet gelimiteerd. Ze kent dus geen limiet als b.v. elektriciteit. Een gedachteoverdracht kan gelijktijdig zijn over afstanden van laten we zeggen 1 of 2 miljoen/sec. Zeg nu maar dat dat een snelheid is van 10 miljoen/sec, dan krijg je vanzelf al een soort tijdparadox. Je komt dan misschien op dat punt waar je gaat teruglopen. Maar nu blijkt, dat de snelheid van de gedachte wederom is gereleerd aan de intensiteit ervan en ‑ zeker als het gedachteprojectie betreft, dus de totale inzet in de gedachte, de absolute concentratie in de gedachte en mode de emotionele inhoud ‑ bepalend is voor het doordringend vermogen en daarmede ook voor haar snelheid. Vanuit dit verband redenerend zou je dus kunnen zeggen, dat de hoge snel­heid of intensiteit mede aansprakelijk is voor de tijdparadox, maar dan blijft nog altijd het punt bestaan, dat niet op elke plaats, op dezelfde tijd en met dezelfde tijdsverschuiving zo’n boodschap kan worden ontvangen. Daarom, moeten we hier wel degelijk ook een plaatsrelatie zoeken. Laten we het dan zo zeggen. De plaats van ontvangst plus de intensiteit of snelheid van de uitgezonden gedachtegolf tezamen zijn bepalend voor de per plaats optredende verschuiving in tijd. Dat lijkt mij dan nog de eenvoudigste manier om dit te zeggen.

*  Energie komt hier natuurlijk ook bij te pas?

Ja, er komen zeker energieën bij te pas. Maar het beroerde is dat deze niet vergelijkbaar zijn met de energievormen, die men op aarde kent. Het is een gelijktijdige veldinductie-werking van krachtlijn tot krachtlijn, waarbij dezelfde fase ‑ hier ontstaan ‑ automatisch wordt weerspiegeld in andere. Bij magnetische velden kunnen we, dat soms zien. Als ik een storing heb in krachtlijn A, dan worden B en C overgeslagen, maar D komt weer aan de beurt. Ik sla er weer een paar over en dan herhaalt hij zich weer. Dan zie ik dus, dat niet alle krachtlijnen een gelijke afwijking, kronkel of buiging vertonen, maar dat bepaalde krachten hierdoor getroffen worden. Dit komt op aarde voor, als men de z.g. magnetische wervelstorm als gevolg van een zeer sterke zonnestraling meet. Dan ziet men dat een deel van de krachtlijnen van het aardmagnetisch veld recht bleven, maar dat andere delen in werveling komen, dus eigenlijk tijdelijk een enorme afbuiging vertonen, die bijna cirkelvormig is. Het typerende is dan dat de hoeveelheid, die wervelt t.a.v. het rechtlijnig blijvend gedeelte ongeveer is 1 : 4 , 1 : 5. Bij sommige zeer hevige Zonne‑explosies kan het wel eens 1 : 3 worden, maar meer wordt het niet. Daarmee kunt u het vergeleken.

Er zijn zoveel dingen, waarover je dan ook nog moet spreken. We hebben bv. variërende graviteitsimpulsen, omdat die graviteitsimpuls in de eerste plaats t.a.v. de totale graviteit zoals u die ervaart betrokken gering is; en in de tweede plaats, omdat ze in uw gehele milieu als zodanig gelijktijdig wordt ervaren, valt ze niet op maar is wel degelijk aanwezig. Deze gravitaire impuls is in feite weer een lichte bewegingsverandering. Het is een snelheidsvariatie van misschien 1 km. op een snelheid van 10.000 km.. Het is een variatie van versnelling en vertraging, die voorkomt in de loop van de zon en daarmee ook in de loop der planeten.

Deze dingen hebben dan ook weer te maken met de manier, waarop gedachteverschuivingen kunnen ontstaan. Het is een ontzettend ingewikkelde materie. Ik heb u al gezegd, ik zou er een schoolbord en formules bij nodig hebben. Dan zou ik, indien u de formules zoudt kunnen volgen, nog ongeveer 11/2 uur er­ voor nodig hebben om u de berekening te tonen. Er moet dan verondersteld worden: dat u de kosmische structuur (materieel en energetisch) kent, en dat u op grond daarvan de afleidingen kunt volgen welke uit het bestaande met redelijke zekerheid een secundaire krachtsverhouding postuleren, die niet onmiddellijk kenbaar is. Op grond van de wisselwerking tussen het gepostuleerde en de reële krachtsverhoudingen krijgt men den de variatie in tijd, die voor gedachten maar ook voor bepaalde andere verschijnselen kan optreden. Ik heb in ieder gevel de algemene lijn gegeven en ik zou er niet al te veel mijn hoofd over breken, als ik u was. Alleen als u specialistisch daarmee bezig bent is het wat anders.

*  Einstein heeft beweerd, dat licht de grootste snelheid heeft. Nu wordt er ook beweerd, dat de geest sneller is.

Dat is heel aardig, maar je moet het eigenlijk zo zeggen: De snelheid van het licht bepaalt de partikel‑bewegingssnelheid binnen het kenbare Al. Zodra ze wordt overtroffen, ontstaan er situaties waarbij de kenbaarheid in het bestaande Al op dat moment ophoudt te bestaan. Dat is het enige wat je kunt zeggen. Dan kun je wel zeggen: De geest is sneller. Maar de geest is niet materieel en hij is als zodanig energie, die zich niet voortplant door beweging maar door golving, plus selectie van golving, als je het precies wilt zeggen. Als ik ergens denk te zijn, dan ben ik er, omdat ik ‑ deel zijnde van een totale energie – op dat moment mij a.h.w. formeer op het punt waar de waarneming noodzakelijk is.

*  Als u dat dan zo denkt, dan denkt u dat toch door elektrische stromen?

Mag ik ook hier weer corrigeren? Denken door middel van elektrische stroompjes (eigenlijk zou men moeten zeggen bio‑elektrische impulsen) is materieel. Als ik denk, dan denk ik op grond van bestaande potentialen plus poten­tiaalbeïnvloeding van buitenaf. Dat zijn vaste toestanden in mezelf zowel als daarbuiten, die hun wezen veranderen en dus geen bewegingssnelheid van node hebben. Het is gewoon een veranderen van verhoudingen zonder meer. Het is ook geen energietoevoeging; het is een intensiteitstoevoeging. U ziet, het wordt tamelijk ingewikkeld, als u het precies wilt weten. Dat is een van de redenen waarom de mensen niet begrepen wat er nu eigenlijk met de geest aan de hand is, omdat ze zich voorstellen dat die geest in termen van hun wereld definieerbaar moet zijn. Maar dat is niet mogelijk, omdat je een wezen van energie (dat is een geest) nooit kunt vergeleken met een wezen van gebonden energie of materie. Daardoor krijg je al die afwijkingen van wereldvoorstelling en ook de vele beperkende voorstellingen, die je na de overgang hebt. En dan bedoel ik met overgang hier dus van de ene wereld naar de andere.

*******************************

Ik moet zeggen, dat in de discussie werkelijk een paar voor mij interessante punten naar voren zijn gekomen. Ik weet niet, of u mijn antwoorden daarop allemaal precies hebt kunnen volgen. Als ik het zo peil, dan geloof ik dat het percentage betrekkelijk gering is, maar het was voor mij in ieder geval een zekere uitdaging. Ik heb die met plezier aangenomen en ik heb ook wel een klein beetje rekening gehouden met uw gedachten. Toch geloof ik dat we terug moeten naar de eenvoud. De eenvoud nl. van gedachteoverdracht zonder meer.

Wat ik met mijn hele betoog heb geprobeerd aan te tonen is: a. dat gedachteoverdracht bestaat; b. dat gedachteoverdracht nimmer inhoudt een volledige betekenisoverdracht. Dat is voor velen van u belangrijk, want wanneer wij komen op het terrein van het paranormale, het occulte, dan zien we steeds weer dat de mens met impulsen als het overdragen van gedachten uit een andere sfeer of uit zijn eigen wereld te maken krijgt en daaraan onmiddellijk een absolute waarde toekent. Juist als het gaat om gedachteoverdracht moeten wij ons realiseren hoe relatief onze reactie is. Pas als we daarvan uitgaan, kunnen me de zaak hanteren. Zodra we iets als een absolute zekerheid gebruiken, terwijl het dat in wezen niet is (het is alleen maar onze interpretatie), komen we als vanzelf voor de mislukking te staan.

Mislukkingen gun ik niemand. Ze ontnemen een mens zo de moed en zelfs een geest struikelt daardoor heel vaak een tijdlang. Probeert u rustig een paar kleine experimenten. Ik heb u, zij het een beperkte, maar toch wel eenvoudige handleiding gegeven in het eerste gedeelte. Dan moet u niet zeggen: Zo staat het er letterlijk. U moet het gewoon voor uzelf toepassen; d.w.z. aanpassen aan uw denken en wezen. U moet ermee experimenteren. Een groot gedeelte van uw mogelijkheden en impulsen kent u niet, omdat u vasthoudt aan een verstandelijk patroon en binnen dat patroon ‑ en eventueel een aanpassend geloofspatroon – blijft reageren.

Het experiment betekent niet dat we het bestaande overboord moeten gooien, maar het betekent dat we naast het bestaansmogelijkheden moeten erkennen. Als je wetenschappelijk wilt redeneren, zeg je; Op grond van het bewezene construeer ik een nieuw bewijs voor een stelling, die ik uit het bewezene heb afgeleid. Maar dan kom ik tot een zekere rechtlijnigheid.

Ik zou daarnaast kunnen zeggen. Uit het bewezene bereik ik een kennis, waardoor het mij mogelijk wordt het vermoeden, ook als het ligt buiten de ont­wikkelingslijn in het bewezene aangetoond, voor mijzelf te onderzoeken en ‑ zo ik een bewijs vind ‑ dit zodanig te formuleren dat het een zijtak van het wetenschappelijk bewezene kan worden en dus een overdracht van mijn bereiking aan anderen mogelijk is. Zo moet u dat ook met geestelijk werk zien. Er is geen enkele absolute beper­king behalve die ene.

U leeft als mens. En zelfs al gelooft u in de hemel of in de hel, in de barbecue en picknick beneden of de voortdurende jamsession boven, wat u moet doen is vandaag leven en vandaag uw middelen gebruiken. Om die te kunnen gebruiken kunt u niet afgaan op iets wat u later misschien zult weten of kennen. U moet uitgaan van wat u nu kunt formuleren en overdraagbaar kunt maken. Dat kunt u het best doen, indien u uitgaat van de relativiteit en daarbij durft experimenteren; indien u begrijpt dat niets gefixeerd en permanent is, dat eeuwigheid in de menselijke relaties een woord is zonder betekenis. Zoals sommige mensen weten, die van eeuwige trouw spreken, dat duurt dan 2 maanden en 4 dagen. Laten we dat dus goed begrijpen.

Eeuwigheid en dergelijke begrippen kun je niet hanteren. Het zijn voorstellingen, die je dan wel gebruikt, maar je kunt niet ermee werken. Werken moet je met de dingen, die je nu hebt en die je nu kunt hanteren. Dan moet je daarbij ook niet uitgaan van hetgeen anderen omtrent je beweren, maar van hetgeen je meent omtrent jezelf te kunnen waarmaken op zo’n manier, dat anderen het ook kunnen constateren. Tegen jezelf zeggen dat je wijzer bent dan alle anderen, heeft geen zin, tenzij je ‑ praktisch of desnoods theoretisch ‑ die wijsheid aan anderen kunt overdragen. Maar als een ander tegen u zegt, dat u te dom bent om voor de duvel te dansen en u denkt daar anders over, nou ja, zoekt u de duvel op en kijkt u of het gaat. Als iemand zegt, dat u absoluut geen wetenschappelijk instinct hebt en u wilt iets onderzoeken, dan doet u dat; misschien komt u tot de conclusie dat u nog veel wetenschappelijker georiënteerd bent dan bv. Pasteur, ofschoon die ook eerst door lieden als onwetenschappelijk word afgewezen. Een voorbeeld, waarmee een paar van mijn kennissen de laatste tijd schermen en dat ik onmiddellijk en graag overneem. Wij moeten werken met gedachteoverdracht, omdat ze in ons leven als mens altijd een rol speelt. Als geest is dat vanzelfsprekend, maar ook als mens. U ondergaat de invloeden van de gedachten en emoties van anderen, maar u bent meestal niet in staat dit te beseffen. U bent meestal ook niet in staat bewust dergelijke dingen naar anderen over te dragen. Indien u zich alleen maar bewust wordt van het feit, dat u ontvankelijk bent voor gedachten, denkbeelden, emoties van anderen, dan is er al veel bereikt, want dan kunt u de nu schijnbaar onverklaarbare en spontane factoren in uw bestaan gaan waarderen als iets afzonderlijks. U kunt ze op hun betrouwbaarheid toetsen. U kunt proberen er conclusies aan te verbinden. U kunt uw leven beter daarop baseren.

Met de overdracht is het precies hetzelfde. U draagt vaak impulsen en gedachten aan anderen over. U weet het niet. Maar als u weet dat het bewust mogelijk is, dan zult u daarvan gebruik kunnen maken en de relatie met anderen tot stand te brengen op een niveau waar woorden geen hinderpalen meer zijn. Geloof me, de grootste hinderpaal voor de eenheid der mensheid is het woord.

Indien u zich op deze manier de moeite getroost eens na te gaan wat er aan telepathie, gedachtelezen, gedachtebeïnvloeding, emotiebeïnvloeding kan bestaan, dan zult u een wereld zien opengaan, die meer mogelijkheden in zich bergt, maar die vooral ook een grotere verklaring in zich draagt voor vele dingen, die u nu ziet als noodlot of als een vreemd ingrijpen van buitenaf. Leer uzelf kennen. Leer uw wereld begrijpen en u zult als mens in wijsheid en in vermogen groeien. Indien ‑ al is het ook maar voor één grein ‑ hetgeen we vanavond hebben besproken daartoe kan bijdragen, dan geloof ik wel dat we ons gezamenlijk doel hebben bereikt.