Gedachten aan offer en opstanding

3 april  1960

Het is mij een genoegen op deze bijeenkomst tot u te mogen spreken. Wanneer wij dichter naar het Paasfeest toegaan, zien wij dat het christendom zich steeds sterker gaat bezighouden met de gedachten aan offer en opstanding.

Het verhaal van de opstanding is ouder dan Jezus en het christendom. Zelfs nu vertelt men elkaar nog de legende van de Gouden Vogel Phoenix, die eens in de tien eeuwen in het brandende vuur van de zon neerstort en daaruit herboren opstaat. Ofschoon ik geen christen ben, zal ik daarom op mijn wijze gaarne een ogenblik over de opstandingsgedachte en al, wat daarmede samenhangt willen spreken. Vreemd is n.l. altijd weer, dat opstanding gepaard schijnt te gaan met en God en met een zeker lijden. Een lijden, dat tevens de vernieuwing in zich bergt.

Een oude wijsgeer sprak daarover eens met zijn leerling en hij zegde hem: “Mijn kind, wanneer je zoekt naar een vernieuwing, dan zal het oude moeten veranderen of ten onder gaan. Bedenk wel, dat al wat vernieuwd wordt verandert. Als je zoekt naar onsterfelijkheid zoekt naar het geheim waarbij het menselijk lichaam eeuwig kan leven, zoekt naar het geheim van een eeuwig bestaan in de sferen, dan zul je moeten lijden.”

Ik geloof dat dit in alle tijden wordt bevestigd. Niet alleen dat Jezus moest lijden aan het kruis, moest wachten in het graf, maar alle mensen en alle wezens – of men hen nu grootmeesters noemt, goden of engelen – lijden voordat zij opstaan. Het proces der vernieuwing, of zo ge wilt der hergeboorte, is daarom in de legende van de Phoenix zo schoon uitgedrukt. Men vertelt daarover vele verhalen. Een daarvan wil ik u voorhouden in de hoop u daardoor te doen begrijpen, waarom lijden en herrijzen een zijn, maar ook waarom ook gij kunt herrijzen.

Er is een gebied van woestijnen, waarin zwarte steen en grauw zand elkaar in een hopeloze volgorde afwisselen. De dagen zijn daar nauw bepaald en beperkt en men kent geen schemering. Wanneer het dag is, hangt de hemel als een koperen koepel over de verlatenheid. Te midden van die eenzaamheid staat een piramide. Ze is gebouwd uit zwarte steen, verkleurd door de jaren en door de vernietigende Samoem geslepen, zodat men haar haast niet herkent, tenzij men weet  waar te zien. Ze is eenzaam in dit gebied. Men vertelt, dat eens in de vele jaren er op deze piramide een vuur brandt, O, het kan een natuurlijk vuur zijn, want soms spreekt men van de dansende lichtduivels, die niets anders zijn dan aardgassen, ontsnapt uit de bodem en ontstoken door de hitte. Vlammen die wenken in de nacht en de reiziger schijnen te misleiden. Nu leeft er een vogel, zijn naam is Phoenix. Hij is de ziel van de wereld. Zoals de mens zelf zijn geest uitzendt over een onmetelijke afstand, zo zendt men ook deze vogel uit: de geest van de wereld, die zoekt de ruimte te bedwingen en de sterren te kennen. Maar wanneer hij ver en lang zoekt, wordt hij vermoeid en oud. En zo gebeurt het in nachten van fluweel, waarin de juwelen van sterren slechts schaars schitteren, dat een schaduw zich neerstort op de piramide, omringd door brandende pilaren. Dan sterft al het oude, dan sterft ook veel van het weten, dat de vogel vergaard heeft. Het weinige dat hem blijft, wordt de kern van een nieuwe vogel. Een vogel, die zichzelf is en toch verjongd en veranderd. Die weer gedreven door de ongebonden lust naar weten en avontuur uitzwerft. En men zegt, ofschoon niemand weet, of het wel waar is, dat soms – rond 20.000 jaren moet het al geleden zijn dat het de laatste maal gebeurde – bij die piramide een oude stad schemert. Zij trilt en siddert alsof ze een luchtspiegeling is. Maar wie binnendringt achter haar muren, vindt daarin het paradijs.

De vogel Phoenix vliegt uit. Maar wanneer hij terugkeert na vele reizen, herschept hij het paradijs op aarde, omdat hij in de verjonging, het onnutte weten heeft verworpen en de kennis van het totaal der schepping in waarheid weet weer te geven aan hen, die als lichte en zalige geesten voor een korte wijle rusten op aarde, voor zij met hun vreemde stad verdwijnen – men weet niet waar of in welke wereld.

Het verhaal is oud. Maar laat ons nu het menselijk leven bezien. Hoe vaak zijt gij uitgegaan om een ervaring te vinden? hoe vaak hebt gij niet gedacht nieuwe kracht en nieuwe denkbeelden te zien en altijd weer dient gij terug te keren tot uzelf. Want altijd weer is er een weg, die u belemmert verder te gaan, als een cul de sac, een doodlopende steeg van het leven. Dan keert de mens terug tot zichzelf. Maar hij blijft beladen en belast met al het weten, dat hij heeft opgedaan en beseft niet, dat het voldoende is te weten: deze weg is niet de mijne.

Zo vergaart de mens steeds meer weten en kennis. Hij vermoeit zijn lichaam, zijn haren vergrijzen, zijn schreden worden langzaam, traag en aarzelend. Wanneer de last te groot wordt, stort die mens ineen. Dan valt een lichaam neer en wordt in het pijnlijk ogenblik van zelfopenbaring, van nacht en herboren worden, het overbodig weten achtergelaten.

Zo wiekt een geest door de hemelen, rust in wouden van ruisende bamboe, spiegelt zich – in een lotus gezeten – in de vijvers der eeuwigheid en keert terug. Want velen zijn de paden des levens. Maar als een mens niet na elke doodlopende straat, na elke mislukking het totaal van de pijnlijke ervaringen mee zou nemen, wanneer hij elke maal weer als een menselijke Phoenix zich zou vernieuwen in het vuur der waarheid, zou een mens dan nog sterven? Want dan zouden alle lasten van vele jaren wegvallen, dan zouden alle dwang en drang van een te zwaar weten worden vervangen door een kennen, een kennen van eigen weg en van al datgene, wat daartoe niet behoort.

De legende van de Phoenix is oud. Zij is de legende van de mens. Zij is de legende van al, wat zoekt naar waarheid. Er is voor ons maar één plaats in de schepping, er is voor ons maar één pad, dat wij in vrede en onveranderd kunnen gaan, Zoals de sterren een vaste baan moeten trekken, totdat zij komen aan het einde, de ruimte, zo heeft de mens zijn baan, die hij moet trekken tot hij aan het einde van de tijd komt.

Onze weg naar het einde van de tijd kunnen wij alleen vinden, indien wij waarheid kennen. Maar waarheid heeft vele aangezichten. “Jezus is herrezen.” zo jubelt men. Maar waarom is Jezus gestorven? Ik zei u reeds: Ik ben geen christen, maar zou Jezus niet zijn gestorven, de kruisdood hebben ondergaan, omdat de mensen hem niet begrepen, omdat hij moest trachten de te zware last, de menselijke onvolkomenheid, die hij in zichzelf had opgezameld, van zich te werpen en dit niet kon?

Jezus kon zijn leerlingen niet alleen laten. Daarom moest hij sterven. Jezus is herrezen en hij wilde teruggaan tot zijn leerlingen. Maar zijn weg was een andere en in verblindend licht verdween hij voor hun aangezicht.  Dat is de simpele waarheid van het verhaal.

Hoe leeft gij? Is uw leven misschien ook een doolhof geweest van mislukkingen en een enkele maal slagen? Is uw denken ook een doolhof van herinneringen, waarin slechts een enkele maal de waarheid van het heden vlijmscherp kan doordringen? Zo ja, dan zult ge sterven, want de last van het onnodig weten kan geen mens dragen. De last van de onnodige herinnering is de duistere dood zelve, die de mens omhult en hem werpt in het vernieuwend vuur van de lichtende waarheid, tot hij er uitgeput kan rusten in een geestelijke wereld van vrede.

Gij zijt evenzeer belast en beladen. Denk niet westers. Denk niet aan belast zijn met schulden en beladen zijn met zonden, want dit is alleen de dwaasheid van mensen, die niet beseffen, wat achter deze begrippen steekt. Gij zijt niet belast met schuld of beladen met zonden. Gij zijt belast met het onnodige, het voor u niet noodzakelijke denken en weten en streven, wat ge met u sleept, steeds weer. Gij zijt beladen, niet met de werkelijke schuld maar met de angst voor de mislukking van het vele wat ge hebt gedaan. De angst voor de doodlopende stegen, die ge in uw leven hebt betreden. Het is aan u. De mens is als het vuur der eeuwigheid. In hem brandt een vlam en nimmer is die vlam te doven. De mens is als de ruimte: ledig, slechts sprekend een echo, het klinken van een Goddelijk woord. De mens is vaak een reeks van dromen, op wrede wijze dooreen geweven. Een droom van recht en plicht en leven en het is die droom, die u belet de vlam te zien en het antwoord op het scheppingswoord te geven.

Ik weet niet, of gij beseft, mijne vrienden, hoezeer dit waarheid is. Leven en werkelijk leven betekent niet uzelf voortdurend belasten met het verleden. Het betekent niet steeds nieuwe regels en wetten vinden of steeds meer overtuigd zijn van je eigen rechtvaardigheid. De ware mens hoopt slechts één ding: het opgaan in de Goddelijke eeuwigheid, vindend zijn zin en zijn plaats en deze erkennend, ophouden mens te zijn en toch te leven.

Een mens is een wezen van dromen. Maar elke droom is een werkelijkheid waaraan men zelf is voorbijgegaan. Eerst wanneer de dromen sterven, zal de mens in waarheid leven.

Ik zou verder kunnen gaan. Als een eindeloze litanie rijen zich de begrippen aaneen en dan trachten ze te tekenen het complexe beeld van de mens. De mens is altijd meer dan woorden. Gij, gijzelf zijt delen van de eeuwigheid. Zoals de grote Meester van het Licht zegde: “Zijn zelf betekent antwoorden op de kracht, die u heeft geschapen. Gij zijt een antwoord op de kracht, die in u spreekt en roept. Maar antwoordt gij waardig? Is dat wat in u spreekt gelouterd, zuiver, jong en nieuw? Of is het vervuild, vertraagd en stervend, waardoor de onbelangrijkheid de geest belet tot het wezen door te dringen.”

Het christendom gaat spreken over herrijzenis. En het christendom zegt ons, dat dit een eenmalig wonder is dat nimmer meer zal geschieden. Maar hoe weinig weet men van de werkelijkheid, als men dit zegt. Ik zeg u: Gij zult herrijzen, keer op keer. Misschien dat daartussen het schaduwspel van de dood ligt en het louterend vuur van een zelferkenning in een andere wereld. Maar leven zult gij, want sterven kunt gij niet. Nu, zowel als in andere levens, kunt gij de juiste weg vinden, kunt gij het juiste pad gaan, indien gij het onbelangrijke wilt vergeten. Want gij behoeft niet te sterven. Uw leven is eeuwig en oneindig. Maar zo ge sterft, is dit dus het onnodige van weten en denken, het niet noodzakelijke in het leven, waarmee ge u belast hebt.

Nog een enkel woord voordat ik u verlaat. Het ware leven is de vreugde van het juiste handelen, het juiste denken, dat beide eenheid geeft. Juist handelen en denken, wat niet is: beantwoorden aan menselijke wetten en voorstellingen, maar slechts leven in het heden en vreugdig aanvaarden al het beleven en terzijde stellen alles, wat niet noodzakelijk is om eigen wezen te leren kennen.

Ik hoop, vrienden, dat niemand het mij euvel duidt, dat ik mij verstout heb bij mensen, die overwegend christelijk denken, te spreken met de taal van een ander geloof, van een ander weten. Ik kan u slechts dit herhalen: Gij behoeft niet te sterven. En zo gij al sterft in dit leven en in deze wereld, is dit slechts omdat ge dit niet meer kunt dragen en u moet vernieuwen om in een andere wereld, in een ander leven uzelf te zijn en voort te gaan.

Moge het licht der waarheid u eenmaal de eeuwige jeugd schenken, die niet gevangen is in een enkele leer, maar die slechts kent een juiste plaats in het grote werk der schepping.

o-o-o-o-o

Dat was nu geen gastspreker maar een nieuwe aanwinst van onze Orde. Dit om hem te introduceren. U hebt hem misschien al een enkele keer gehoord, maar zeker nog niet vaak. En dat wij juist in deze groep en in deze tijd die spreker de kans hebben gegeven dit onderwerp te behandelen, heeft natuurlijk zijn zin,

Hij mag rustig spreken over het niet noodzakelijk zijn van de dood, maar per slot van rekening, daar doe je zoveel niet meer tegen en waarom zouden we ons daar zo druk over maken? De continuïteit van leven wordt door hem evenzeer bevestigd als door ons allen en de gedachtegang van zuivering en van reiniging, die voortdurend bezig is en voortdurend op ons inwerkt, die kennen we ook al lang.

Neen, ik zou zeggen: Zijn betoog is belangrijk door de wijze, waarop hij het in de eerste plaats formuleert en de beelden die hij gebruikt. In de tweede plaats omdat hij doet inzien, of althans doet horen, dat u feitelijk niet behoeft te sterven. Maar nu zeg ik er meteen wat achteraan: Geen mens kan werkelijk sterven. Je kunt de ene wereld voor de andere verwisselen. Dat is alles.

Wanneer je nu eenmaal leeft in een wereld die christelijk is (dat op het christendom is gebaseerd), dan zal uw eigen denken in meer of mindere mate eveneens christelijk zijn. Het lijkt mij dan ook verstandig die christelijke beginselen niet helemaal opzij te zetten. Het is misschien erg bekoorlijk, als je zo al die oosterse wijsheid hoort. Maar de meeste mensen laten zich ook hier weer door de ballast – onze vriend zou zeggen de “cul de sac” – misleiden. Zij komen in de doodlopende steeg van “het andere” terecht. Maar waarvoor heb je het andere nodig? Ik zou het zo willen zeggen: In alle leven en in alle denken, in de praktijk zowel als in de theorie, in de stof zowel als in de geest is er sprake van een werkelijkheid. Die werkelijkheid kunnen wij niet veranderen, die werkelijkheid is van God. Jezus heeft ons geleerd die werkelijkheid te benaderen door er deel van te zijn. Akkoord, dat deel-zijn moeten we dan voortdurend in het heden beoefenen. Op het ogenblik dat wij in harmonie zijn met die wereld, geeft de wereld prettig antwoord. Als je zaken wilt doen – je bent bv. verkoper – en in harmonie met de koper en je voelt elkaar aan, dan heb je veel groter kans te verkopen. Dat is punt één. En in de tweede plaats heb je altijd nog de kans dat de ander ook wanneer hij niet koopt, zozeer aan het aangename contact wordt herinnerd, dat hij dit later weer opneemt en dus toch nog een verkoop mogelijk maakt. Het is allemaal zo eenvoudig, als je het bekijkt. Het gaat erom: hoe zijn wij tegen elkaar, wat zijn wij t.o.v. elkaar? En dat is wel een christelijke leer, maar het is tevens de kern van de leer, die onze vriend zo even verkondigde: de leer van de Phoenix, die steeds weer herrijst enz..

Weet u, wij delen de tijd in. Als je op aarde bent, begin je hem in mootjes te hakken. Je telt met seconden, met minuten, met uren, met dagen, met maanden enz.: en wanneer het 31 december is, dan zing je zelfs van “Uren, dagen, maanden, jaren” enz.: maar je realiseert het je eigenlijk niet. Er zijn er hier verschillende bij die – zoals het in de volksmond heet – een dagje ouder zijn. Voelt u nu werkelijk, dat u zo oud bent? Weet u hoeveel uren, hoeveel minuten u geleefd hebt? Geen sprake van. Het is zelfs meer een kwestie van stemming. En nu mag je rustig 60 zijn, maar op sommige dagen heb je een gevoel als een meisje van 30. Datzelfde heb je met de heren. Ze mogen dan misschien wat zwaarder en wat grijzer geworden zijn, wat kaler en ze mogen in jaren ook al naar de 60 lopen, maar er zijn zo van die dagen, dan lopen ze weer te flaneren en te marcheren, alsof ze 20 zijn en ze voelen zich 20. Het is alleen jammer dat de rest van de wereld het niet zo voelt, maar daar kun je niets aan doen. Dat is de illusie van de tijd.

Waarmee ik maar wil zeggen: Je rekent nu wel met die stukjes tijd en je hakt die tijd in stukjes, maar in feite is die tijd meer een instelling in jezelf voor je beleven. En dan ga ik een stap verder. Wanneer ik leef in een Goddelijke werkelijkheid, wat is dan belangrijk? Wat de buitenwereld zegt? Het aantal mootjes tijd dat voorbij is gegaan of wat ik van binnen ben? En nu is het gekke….u weet het, de spreuk waar wij wel eens meer mee schermen, dat Jezus eens gezegd heeft: “Indien ge niet zijt als de kinderen, zo zult ge niet ingaan tot het Koninkrijk Gods.” Een heel mooie spreuk. Maar laat ik het nog eens een keer anders zeggen: Tenzij je in jezelf al die ideeën van tijd zover weet uit te schakelen, tot je bent als een kind, dat alleen maar leeft in het heden, fel en intens, maar in het heden, heb je geen kans dat je iets van de werkelijkheid ziet.

Bij ons is er ook tijd: een zuiver persoonlijke tijd. Je hebt natuurlijk wel eens vrienden. Ik heb bv. een vriend, een reuze fijne vent. Hoger dan ik, zoals dat heet. Niet dat hij hoger zit, maar hij weet meer. Wanneer wij met elkaar bezig zijn, dan zegt hij wel eens tegen me: “Je loopt voor.” Alsof ik een wekker ben, die verkeerd is afgesteld. Dan vraag ik mij altijd af: Waarom loop ik voor? En dan kom ik tot de conclusie, dat ik voorloop door mijn manier van denken en leven. Ik maak mij te druk.

Nu zou u zeggen:  Waar maakt een geest zich nu druk over? Maar er is een weten, dat je wilt vergaren: er zijn dingen, die je op de aarde wilt doen, in een andere sfeer wilt doen. Je kunt het zo druk hebben. Dan zegt hij altijd tegen mij: “Je loopt voor.”

U begrijpt wel, dat ik dit ook eens een keer ben nagegaan en mij heb afgevraagd: Waarom? Toen zei hij dit tegen mij: ‘Kijk eens, hoe rustiger jij bent, hoe kalmer jij bent a.h.w. hoe meer jij in harmonie bent met de kosmos, hoe zuiverder en hoe beter je al die dingen, die je nu achter elkaar doet, gelijktijdig beleeft. En dat is voor jou precies hetzelfde. Kennis is niet alleen iets, wat je moeizaam moet vergaren. Kennis is iets, wat je soms absorbeert, net als een spons. Het is je wezen. En wanneer het ermee in contact komt, slurpt het het op.”

Nu heb je heel veel mensen, die erg hun best doen om te leren, te leren, te leren. Daardoor maken ze het zich onmogelijk te absorberen. En dat is bij ons geesten ook zo. Daarom loop ik voor. Ik moet in staat zijn a.h.w. het tijdloze en alle kennis en alle mogelijkheid tot handelen, die daaruit voortkomt krachtens mijn wezen in mijzelf op te nemen, opdat ik – en nu krijgen we een heel gevaarlijke en deftige term – verzadigd zal zijn van Goddelijke waarheid en Goddelijk licht.

Hoe meer ik denk over wat ik zo dadelijk zal gaan doen, hoe minder kans ik heb dat ik het er goed af breng. Vreemd, he? Hoe meer ik mij zorgen maak over datgene wat nu nog geen zekerheid is, hoe erger het voor mij is, want hoe minder, kans ik heb dat ik het er zonder zorgen af breng.

In die christelijke wereld nu, waarin wij leven, mogen wij dan misschien de zaak zo stellen: God leeft niet alleen in de hemel. (dat is alleen voor de mensen, die zo’n pottenkijker niet kunnen gebruiken: die hebben God naar de hemel verbannen), maar God Zelf leeft overal. Hij is overal, bij ons ook, Deze God, deze Vader, is tijdloos. Hij is niet aan ruimte gebonden. Hij bezit het totaal. Maar God is als het ware rust. Als het niet oneerbiedig klonk, zou ik zelf erbij willen zeggen, dat God amorf is, elke willekeurige vorm aanneemt naargelang het vat, waarin Hij wordt gegoten! De mogelijkheid om met Zijn wezen tot eenheid te komen en met Hem in contact te komen, ligt voor een groot gedeelte aan ons. Wij moeten a.h.w. leren God te absorberen, God op te slurpen. Hij is er, met al Zijn kracht, al Zijn vermogen, met alles wat onze vriend misschien zou noemen: de eindelijke en laatste vernieuwing of het ontwaken in het Nirwana of zoiets. Wij behoeven alleen maar God in ons op te nemen en dat kunnen we nu alleen, als wij geen haast hebben. Hoe harder wij naar God streven, hoe minder kans dat er wat gebeurt.

Weet u, ik ken daar een leuk voorbeeld van. Wanneer het dadelijk zomer wordt – je hoort en ziet er de eerste tekenen al van (het eerste ijswagentje rijdt al door de straat) – als het zo rijkelijk warm is, dan is het zo lekker je zo even in het koele water te laten zakken en zo heerlijk af te koelen. Dan absorbeer je het water door de huid a.h.w., je bent verfrist.

Maar stel, dat je nu precies hetzelfde wilt doen, maar dat je haast hebt. Je neemt een raceboot. We laten die raceboot met 80 km. per uur over  het water gaan. Moet u eens proberen om even een duik te nemen! Dat water is harder dan die balk, waaraan u kort geleden uw hoofd heeft gestoten. Dat is zo hard, dat u niets anders doet dan uzelf heel erg bezeren. En wanneer u nu nog meer haast heeft en u zou over dat water gaan met 1000 km, per uur, dan is dat zo gevaarlijk voor u, dat u gewoon verpulverd wordt, als u eraf springt.

Nu weet ik wel van kinetische energie, energie van beweging, maar daarom gaat het niet. Het is de relatie, welke bestaat tussen het water en u. Hoe sneller u zich over het water beweegt, hoe moeilijker het voor u is deel te hebben aan het water, door te dringen in het water. Zet dat voorbeeld nu eens om. God is een oceaan. We zouden er ons voortdurend in kunnen verfrissen. Wanneer het leven ons een beetje te veel wordt, wanneer de problemen ons over het hoofd dreigen te groeien, doen we net als op een warme dag. We laten de transpiratie even heerlijk door een bad afspoelen. We laten ons gewoon even in het Goddelijke zakken. Wij absorberen het. We laten het in ons doordringen, op ons inwerken. En als we dan – omdat we nu eenmaal ook verschijnselen zijn van de schepping – weer verder moeten gaan, zijn we weer fris. We hebben een massa veerkracht gewonnen. We zijn gezonder en prettiger.

Als wij echter haast hebben in het leven, als wij zo ontzettend veel dingen moeten en willen doen, wat is dan het gevolg, vrienden? Dan wordt God voor ons niet meer iets, waarin wij ons a.h.w. kunnen vernieuwen, waarmee wij in harmonie kunnen zijn. Dan wordt God voor ons iets hards, iets wat ons afstoot. Tot het op een gegeven ogenblik zo erg wordt, dat alleen al het denken aan God ons helemaal uit ons verband, uit ons dagelijks doen brengt.

Nu heeft Jezus ons geleerd één te zijn met God. Hij spreekt over het Koninkrijk Gods. Dat klinkt heel wat deftiger dan mijn voorbeeld van een bad, maar het is precies hetzelfde. Het Koninkrijk Gods is niet een indringen in Gods Koninkrijk en ook niet een indringen in jezelf. Neen. Het is alleen maar het accepteren van God, Die rond je is. Een aanpassen van het eigen “ik” aan het ritme van de kosmos, van God Zelf. Ja, als wij dat doen, worden wij voortdurend verfrist en vernieuwd. God is het leven zelf. Dus het leven in ons wordt voortdurend aangevuld en vernieuwd. Wat kan ons nog gebeuren? O, zeker, er gebeuren wel dingen, die uit menselijk standpunt minder prettig zijn. Wij kunnen er dan echter tegenop, deze dingen kunnen ons niets doen. Gaan de zaken eens een keer slecht, dat hindert dan in het geheel niet, we komen er boven op. Moeten wij 100 keer failliet gaan, wij zullen 100 keer opnieuw beginnen en wij zullen altijd weer vreugde kennen in het leven en in het bestaan. Komen we voor een probleem te staan, dat wij niet aan kunnen? Dan leggen we dat rustig naast ons neer, want er komt een moment, dat wij op dit probleem of op een ander – indien ze waar zijn – een antwoord zullen vinden. Geen reden om ons zorgen te maken.

Jezus leert ons te leven in het ogenblik, intens, met felle vreugden, felle smarten, met misschien grote angsten en felle begeerten, zoals een kind leeft. Hij leert ons te leven in een aanvaarden van God, maar gelijktijdig ook in een aanvaarden van de eenheid met alle dingen zonder haast.

Een aardig voorbeeld daarvan vindt u in een van de gelijkenissen. U kent het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Die ongelukkige kerel lag helemaal lens geslagen langs de weg, overvallen door rovers. En er kwamen mensen aan, dat waren werkelijk gewichtige mensen. Priesters, Levieten. Ze moesten naar de tempel, ze hadden geen tijd, het was veel te gewichtig. Zo zijn er heel veel mensen, die hebben zoveel gewichtigs – hetzij geestelijk of stoffelijk – te doen dat ze alles voorbijgaan. Ze zien niets. En als ze het zien, hebben ze geen tijd, er is iets belangrijkers.  O, wat kan er belangrijkers zijn dan intens deel te hebben aan het leven. Kijk eens, die Samaritaan had er wel tijd voor en daarom was hij beter, daarom was hij de werkelijke naaste van die man, die door de rovers was overvallen.

Wanneer wij werkelijk naasten willen hebben, d.w.z. wanneer wij contact willen hebben met de kosmos en de eeuwigheid, vrienden, dan moeten wij ons niet haasten, dan moeten wij heel eenvoudig en heel simpel God accepteren en wat wij voelen uit God te komen op dat ogenblik met ons volle denken en vermogen te uiten in de wereld. Aan anderen a.h.w. mededelen, totdat wij één zijn geworden met het geheel. Wanneer wij één zijn met het geheel – het geheel gaat nooit te gronde – dan zijn wij even zo goed aan die onsterfelijkheid toe.

Dit was zo het een en ander, niet zo plechtig en zo statig maar even waar. Leef, zoals je bent, dat is erg belangrijk. Leef naar datgene, wat je in jezelf voelt als goed. Doe dat elk ogenblik en denk er niet aan, of je misschien het volgend ogenblik iets beters zou kunnen doen. Doe het goede van nu, op het ogenblik dat je de mogelijkheid hebt en als er dan in de toekomst een andere mogelijkheid ligt om goed te doen, zullen wij wel weer zien. Wij zijn niet in de wereld om in de toekomst goed te doen maar in het heden. Leef zoals je voelt te moeten zijn. Wanneer iets vandaag schuld blijkt, dan moet je het vandaag opzij zetten. En niet zeggen dat het voorgoed schuld is, daarmee hebben wij niets te maken. Wat vandaag slecht is, doen we niet. Wat morgen aan slecht of goed brengt, zullen wij wel weer zien, zullen wij dan beoordelen. Om werkelijk te leven moeten wij alles doen wat tot vandaag behoort. Wat tot vandaag behoort is een deel van het verleden en ook deel van de toekomst. Daar houden wij ons mee bezig, maar verder ook nergens mee. Daarin doen wij met ons, volste vermogen alles wat wij kunnen doen, hebben wij dat gedaan, dan gaan wij rustig verder. We wachten nooit met spanning op hetgeen morgen zal komen. Dat doe je toch wel, maar als je werkelijk leeft, wacht je daar niet op. Want wat morgen brengt, is niet belangrijk. Het leven is het heden en het heden is oneindig, omdat het heden de uitdrukking is van het wezen Gods.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

VUUR

In den beginne was het Niet. En uit het Niet en het niet-bestaande brak de eerste trilling. Het Woord, het eerst geuite wezen zich een baan en werd tot vuur.

In de vlammen van de hemel, in de kracht van het bestaan werden wervelingen gevormd en braken sterren zich baan. Want sterren zijn vuur. Uit de sterren werden vurige planeten, en koelden deze af door koude ruimte, onbegrepen eigen zijn, zo brak het vuur zich in het leven baan en wilde in het leven zelf de kracht van het leven zijn.

In alle leven brandt een vuur. En het is een noot van het akkoord, dat reeds gehoord werd in het begin, toen vuur geboren werd uit de eerste klank, het eerste woord. Is in u vuur tot leven, denken, in u vuur tot daden, beheersing, tot macht, het is alles hetzelfde wat de hemel, de sterren en alle leven tot stand heeft gebracht.

Wanneer het vuur sterk wordt, kan het verteren. Dan kan het je vreten, tot je vergaat – maar dat alleen omdat je niet de kracht van het vuur en ook niet je eigen wezen verstaat. Want het vuur is het leven: het leven de kracht, die je voort doet gaan door wereld en sfeer.

Leer je dat vuur in jezelf erkennen, te behouden, te beantwoorden, ja, nog meer, te maken tot deel van je kosmisch streven, dan is het vuur niet meer vernietigende kracht maar juist behoud van zijn en van leven.

Wanneer in het duister een vlammetje brandt, zie je het haast van onmetelijk ver. Dan wordt de lucifer in mensenhand lichtend en sterk als een kleine ster.

Wanneer in een mens een vuur ontbrandt en hij weet het op een juiste wijze te hanteren, dan wordt hij een ster, een taken van licht, waarop een ander, wiens leven nog niet is gericht, juister zich kan oriënteren.

Zo, speel niet met vuur, wat gevaarlijk kan zijn, maar tracht het vuur te begrijpen, te kennen, te beheersen, te gebruiken en jezelf te gewennen aan het vuur, dat is deel van de eeuwigheid. Dan zul je ontdekken, dat het vuur zelfs in je is deel van de kracht, die je tot het einddoel geleidt.

Maar eens komt de tijd, dat de vorm is verloren, dat is dan het einde van de tijd, ’t allerlaatste uur. Dan weet je niet meer, waartoe te behoren, dan vrees je het niet, maar nog blijft je het vuur.

Wanneer bij het einde van de tijd engelenhanden de tempel volbouwen en beëindigen de strijd, weer smeden het bekken, zodat een-zijn de krachten van stof en van geest, wees dan niet bevreesd. Want het vuur, dat je bent, zal dan gedragen worden door anderen, geplaatst in de tempel en gaan als een licht op de kandelaar: het levenssymbool zelve, lichtend en erend zijn Schepper nog staand. En als de tempel verduistert en zelfs niet meer fluistert het erkennen van God in een hemelse kracht, dan blijft het vuur nog in Hem als een leven.

En is de kosmos nog tot een einde gebracht, het zal dat vuur zijn, dat een scheppende taak wordt gegeven.

Zo speel niet met vuur, maar leer het bewaren. Het is oneindige waarde. Het is niet teken van strijd, maar Gods kracht in het wezen, gemaakt tot het leven. Wees niet dwaas, dat je het vuur te veel bestrijdt. Aanvaard het zoals het jou is gegeven en leef het zo goed en zo sterk als je kunt. Dan is dadelijk het staan in d’eeuwige tempel als vlam jouw wezen ook zeker gegund.

In u is een vuur. Het vuur kan vele vormen hebben. Soms is het de ijver om iets te bereiken, soms is het een vuur van de hartstocht, soms is het de begeerte om te weten of het vurig verlangen God te dienen en jezelf te kennen.

Welke vorm het vuur ook heeft, acht het hoog,, het is een deel van de levenskracht zelve, een deel van God. En wanneer alles in je wezen, wat je nu belangrijk acht, is vergaan, dan zal juist datgene, wat vuur was in je wezen – werkelijk vuur – blijvend zijn. Vergeet niet, dat wij dan ons eigen deel aan de schoonheid bijdragen, Ik zou het zo willen zeggen:

Wanneer bij de eerste lentezuchten, door zuidelijk strelen van warmere luchten, een botten en bersten van de bloesem reeds breekt tot wit als een wolk, de boom reeds spreekt van een zomer tegen een hemel, die van winter nog droomt, dan toont zich het leven in het eeuwige streven, en in ons is een kracht, die in ons steeds brandt en dringt om zelf open te bersten, om te tonen ons vaderland van eenheid. Eenheid met God en eenheid met mensen, eenheid met wereld, met sfeer en met tijd, omdat den is ons wezen en vruchten moet dragen, niet voor de wereld maar voor de eeuwigheid.