Gedenkdagen

image_pdf

4 november 1960

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Verder wijs ik u erop, dat het voor ons belangrijk is aan het begin van de avond een ogenblik stilte te hebben. Dit is voor ons, het werk en het medium van belang. Wij verzoeken u hiermede rekening te houden. Ten laatste herinner ik u eraan, dat de volgende week na de pauze gelegenheid zal worden gegeven tot algemene vraagstelling. Mijn onderwerp heb ik genoemd: Gedenkdagen.

Het schijnt de gewoonte onder de mensen te zijn bepaalde dingen op nauwkeurig vastgelegde en door allen gevierde dagen te herdenken. De wat nuchtere Nederlander beperkt zich hierbij over het algemeen tot hoogtijdagen als Kerstmis, Pasen, Hemelvaart, 1 mei en dergelijke.  Hij besteedt daarnaast enige aandacht aan de feestdagen van het vorstelijke huis en houdt zich bezig met herdenkingen op Allerheiligen en Allerzielen. Wanneer wij zoeken naar de achtergrond van deze reeksen van gedenkdagen, kan men zich niet onttrekken aan de gedachte dat vele mensen verliefd zijn op het verleden.

Op Allerzielen roept men steeds weer uit: wij mogen degenen, die heen zijn gegaan, niet vergeten… Maar m.i. zal men, indien degenen, die heengingen, werkelijk iets voor je beteken- den, geen bijzondere dag nodig hebben om hen te herdenken. Deze normalisatie is eerder schadelijk voor een werkelijk en innig herdenken en voert vaak tot een soort reclamecampagne en exploitatie, zelfs van de rouw op Allerzielen. Stel een eenvoudige vergelijking: een moeder, die alleen op Moederdag waardering krijgt voor haar werken en zwoegen, is maar een arme moeder. Wanneer een held alleen herdacht wordt, wanneer men weer eens een krans kan leggen, wanneer een held alleen betekenis heeft voor een volk op nationale feestdagen, dan kan worden gezegd, dat de arme held voor niets is gestorven.

Aan dergelijke gedenkdagen ontbreekt over het algemeen de praktische kant. Het is wel mooi de heiligen in de hemel op een bepaalde dag te eren, maar velen menen hiermede te kunnen volstaan, terwijl het toch veel belangrijker is, dat de mens steeds weer ernaar streeft om zelf iets van het eeuwige Licht voor zich te ontvangen. Let wel: ik heb tegen de praktijken op een gedenkdag geen werkelijk bezwaar, zolang dit niet voert tot een vergeten van de werkelijke waarden, die men niet alleen op die dag, maar in heel het leven steeds weer zal moeten beseffen. Het is ongetwijfeld heel mooi en plechtig om trage gezangen zingend over de mistige kerkhoven heen te schrijden, kaarsen aan te steken, portretten in de bloemetjes te zetten, omdat het Allerzielen is. Maar wanneer men de doden alleen dan en alleen zó herdenkt, heeft dit weinig of geen zin, terwijl de plechtige gebruiken de mens blind maken voor andere, meer belangrijke punten van aandacht.

Het gaan naar kerkhoven op zich is al een zuiver menselijke kwestie. De geest, die werkelijk met je verbonden is, is op alle dagen rond je of met je, daarmee kun je op elke dag in contact komen. Wanneer men een dergelijke geest alleen op een bepaalde plaats, of op een bepaalde dag meent te kunnen gedenken, is er iets niet in orde; dan beseft men de werkelijkheid niet. Daarbij komt nog, dat de werkelijke betekenis van dergelijke feestdagen ook al snel teloor gaat. De uiterlijke waarden en verschijnselen treden in de plaats van de innerlijke mogelijkheden en betekenis. Juist door het zich teveel richten op de feestdag, vergeet men waarden, die in heel het leven voortdurend zouden moeten worden beseft en herdacht. Volgens mij zijn daarom alle gedenkdagen uit den boze.

Zo men al meent niet zonder feest- of gedenkdag te kunnen leven, stel ik een nieuw feest voor. Laat alle commercieel geëxploiteerde feesten, van Vader- en Moederdag, via Sinterklaas en Kerstmis tot Pasen vervallen. Stel daarvoor in de plaats één dag gewijd aan de levensvreugde. Want de levensvreugde is iets, wat de mens in zijn leven altijd zou moeten kennen en zoeken.

Dit hoort kennelijk ook in de wereld van de stof thuis, waarbij komt, dat het streven naar de ware levensvreugde door de meeste mensen wordt vergeten. Let eens op, hoeveel mensen zonder werkelijke en innerlijke levensvreugde door de wereld gaan. Daarbij zijn zij vaak nog trots en wat verwaand: zij hebben immers kennis van de Bijbel, zij zijn meesters van de esoterie, de wetenschappen, zij zijn doorgedrongen in de meest duistere gebieden van de filosofie.

Er zijn mensen, die alles kunnen, behalve gelukkig leven en geluk geven. Vreemd genoeg zijn het vooral deze mensen, die wij bij gedenkfeesten voorop zien gaan. Zij trekken op met ge- wichtige gezichten naar de plaatsen, waar men de gevallenen zal herdenken. Zij bezoeken de cellen, waarin slachtoffers van een wereldoorlog hun laatste dagen hebben doorgebracht. Daarnaast trekken zij ten strijde voor kankerbestrijding, dierenbescherming en wat nog meer zij, maar van werkelijk leven, van ware levensvreugde hebben zij nooit gehoord. De mensen, die zich het meest op de voorgrond plaatsen en de belangrijkste plaatsen in de wereld schijnen te willen innemen, verstaan de kunst niet eens in zich intens met het eigen leven gelukkig te zijn.

Ik meen, dat hieruit de neiging voortkomt, om bepaalde dingen feestelijk te herdenken, ofschoon een herdenking in algemene vorm en buiten het eigen ik niet past, of het herdachte een werkelijk gedenkfeest niet meer waard is. Herdenkingen zijn mooi, zij zijn aan te bevelen; wanneer zij tenminste zin hebben, wanneer er enig praktisch nut aan verbonden is voor de geest. Persoonlijk kan men soms deze werkelijke zin nog wel vinden. Sommigen beleven dit op Allerzielen met een seance, met bloemen en kaarslicht. Dan lijkt het, of het contact met de overgeganen gemakkelijker, mogelijk dieper en intenser is. Ik weet zelfs, dat dankzij de instelling van de grote massa op deze dag inderdaad een contact wel eens eenvoudiger en gemakkelijker mogelijk zal zijn.

Men dient wel te beseffen, dat dit beperken van goede mogelijkheden tot contact niet van de geest uitgaat. Dit ligt geheel aan de mens. Wanneer de mens bewuster zou zijn, meer beseffen van het werkelijke bestaan en de werkelijkheid van het geestelijke leven; wanneer de mens iets vreugdiger en realistischer in de wereld zou durven bestaan, dan was het contact met de geest werkelijker, belangrijker en groter, terwijl het contact dan alle dagen mogelijk zou zijn met dezelfde intensiviteit van een Allerzielen. Gedenkdagen hebben voor mij weinig zin, wanneer men daardoor op andere tijden de goede mogelijkheden van het leven pleegt te vergeten, of de waarden van het leven gaat verwaarlozen.

Hoeveel mensen kennen persoonlijke herdenkingen en gedenkfeesten? Wanneer herdenkt u de tijden, dat u gelukkig waart en leert u hieruit de kracht vinden om in het heden evenzeer gelukkig te zijn. Hoe vaak gedenkt u bij alle onrecht, lijden en bitterheid ook de vriendschappen, de liefde, waarmee andere mensen u in uw nood terzijde hebben gestaan? Hoe vaak herdenkt u de werkelijke vreugden, die uw deel waren? Hoe vaak durft de mens de rekening van zijn dagen op te maken zonder de aanleiding van een nieuw jaar en zonder een grijpen naar de statistiek van goed en kwaad? Laat ons het zó stellen: hoe vaak durft u blij te zijn, omdat u nog leven mag? Hoe vaak zegt u eerlijk en oprecht tot uzelf: het leven bood veel goeds en geeft zelfs nu veel goeds? Ik ben blij, dat ik mag leven; ik ben blij in de zekerheid, dat zo dadelijk ook een andere en meer lichtende wereld voor mij open zal staan.

Toch is dit belangrijker dan vele plechtige herdachte feiten en dagen. Daarbij komt bovendien nog, dat de geformaliseerde en feestelijke herdenkingen vaak tot een paskwil worden: oud-strijders verzamelen zich rond de eeuwige vlam bij de Arc de Triomphe. Zij zijn aangetreden, staan in de houding. Een hoorn blaast een signaal. Er worden kransen gelegd. Vol eerbied herdenkt men de helden van de eerste wereldoorlog om dan prompt te gaan demonstreren tegen een bepaalde regering, of omdat men niet genoeg pensioen meent te krijgen. Zijn dus de helden gestorven voor een pensioen?
Ergens anders staan soldaten aangetreden, omringd door burgers. Er wordt een parade gehouden. Men herdenkt onze helden, onze vrijheid. Maar voor je het weet, is het plechtige gebeuren, het vertoon van macht, geworden tot een wat rampzalige propaganda voor nog meer soldaten en nog meer kanonnen, opdat een volgende oorlog nog meer helden de mogelijkheid tot sneuvelen kan bieden.

Hebben deze herdenkingsfeesten dan nog werkelijke zin? In een bepaalde staat viert men de 4e juli als dag van de vrijheid. Al is het lang geleden, nog steeds herdenkt men op deze dag, dat toen deze staat met deze wetten en rechten geboren werd. Overal in het land knettert het vuurwerk, trekken grootse optochten voorbij. Overal is het feest. Want dit is het land van de vrije mensen, van gelijke rechten voor allen. Maar de volgende dag dringen dezelfde mensen aan op beperkingen van invoer om zo zonder concurrentie te kunnen werken, neemt de regering besluiten en keurt zij het vervaardigen van nog dodelijker wapens en nog rigoureuzere maatregelen tegen andersdenkenden goed. Heeft dat feest dan nog werkelijk zin?

Maar u meent misschien, dat dit uiteindelijke verschijnselen zijn, die de persoonlijke waarde van de gedenkdag niet aan kunnen tasten. Sommige feesten, zo zult u zeggen, hebben voor mij persoonlijke waarde. Zoals bv. Allerzielen. Zeker. Dan zijn er mensen, die werkelijk in eerlijk en ontroerd gedenken aan een graf knielen, zich voornemen zich de overgeganen waardig te tonen. Maar anderen zoeken het meer in vertoon: zij willen tijdens een zielenmis de naam van hun overledenen genoemd hebben, ook al kost hen dat  50 of  100 gulden. Zij gaan met rijke bloemenlast naar het graf, leggen hun bloemen neer en gaan verder met de gedachte: wat zijn wij toch goed dat wij aan deze onaangename verplichtingen ons niet onttrekken. Vele anderen kunnen aan ons een voorbeeld nemen… . Van de laatste soort zijn er meer, dan u denkt. Er zijn mensen, die een heel jaar een graf verwaarlozen om tegen Allerzielen een keer de zaak wat op te knappen. “Anders staat het zo gek, weet u”. Maar het geld voor een regelmatig onderhoud, of de tijd, die dit zou kosten, is hen eigenlijk teveel.

Zolang velen een dergelijke mentaliteit hebben, kan wel zeker zijn, dat herdenkingsfeesten en gedenkdagen geen werkelijke zin hebben, maar eerder tot eigenwaan en misdragingen voeren. Ik meen, dat feiten, die werkelijk deel van het leven zijn, niet aan een bepaalde dag van plechtig herdenken mogen worden gekluisterd. Zijn deze dingen bv. geen deel van je leven, dan voert elke gedenkdag alleen maar tot zelfbedrog, waan en waantoestanden. Wij mogen dan vele feestdagen respecteren als een oude en waardevolle traditie, maar wij moeten toch toe kunnen geven, dat zij hun zin verliezen. Zodra een gedenkdag tot een lege traditie is geworden, heeft niemand meer het recht uit te roepen: maar dit is heilig, daaraan mag men niet raken… .
Het heeft geen zin feesten te vieren, gedenkdagen te houden en bepaalde gedachten steeds weer te herhalen, omdat het nu eenmaal altijd zo is geweest. Traditie noemt men dit en “het hoort nu eenmaal!”. Zo zijn schijnwaarden, die er toe voeren, dat vele mensen met zedige lange gezichten door de wereld lopen, terwijl in hen een vulkaan brandt. Traditie, wat men zegt, de burgerlijke moraal en het verouderde fatsoen brengen mensen ertoe heel het leven gebogen te gaan onder een zich steeds meer opstapelende zondenlast, waaronder zij uiteindelijk menen te bezwijken, terwijl zij aan al het goede in het leven voorbij gaan. Indien dit het gevolg is van traditie en herdenken, kan men het beter laten.

Zelfs wanneer de waarde van de herdenking buiten kijf is, zo wordt door gewoonte veel geboren, dat op zijn minst genomen, eigenaardig en vreemd is. Denk eens aan het kerstfeest: Jezus is op aarde geboren. Vrede op aarde aan allen, die van goede wil zijn. Dennengroen, kaarslicht en beierende klokken. Twee dagen lang spreekt men alleen over vrede op aarde en verlossing. Daarna gaat men rustig door andere mensen het leven onmogelijk te maken. De traditie vergt nu eenmaal, dat men dit op kerstdagen niet doet , maar de 27ste december is de dag, dat je weer rustig op de mensheid los mag trekken. Heeft het kerstfeest nog zin, indien dit de praktijk is?

Oudejaar: Gedachten, die een jaar trachten te overzien, oliebollen en gezang: “Uren, dagen, maanden, jaren….” Goede voornemens. Ik zal het volgende jaar beter zijn, want dit alles is traditie en men houdt zijn goede voornemens tot het nieuwe jaar juist vijf minuten oud is. Heeft zoiets nog werkelijk zin?

Goede vrijdag: Jezus sterft aan het kruis. “Wat heeft Hij veel voor ons geleden. Maar zaken gaan voor”.

Pasen: “Halleluja, de Heer is opgestaan”. Eieren eten. Spreken over verlossing, bevrijding. Maar gebeurt er ook iets in de mens, of blijft het alles aan de buitenkant, een lieve traditie, die allang zijn werkelijke zin heeft verloren?

Pinksteren: De geest Gods daalt over de mens neer, maar niet over ons. Wij zijn moderne mensen, voor ons bestaan deze dingen niet meer. Hopelijk duurt de kerkdienst niet te lang en is het weer goed, dan kunnen wij tenminste gezellig uitgaan. Waar blijft hier de betekenis van deze feestelijke herdenking?

5 mei: “Hoera! Op deze dag werden wij bevrijd. Leve de kermis!” Maar ondertussen voert alles in het leven tot dezelfde problemen, dezelfde wrede dictatuur die eens de bevrijding noodzakelijk maakte. Niemand herdenkt de eenheid van die dagen nog. Wij blijven onszelf, blijven onze eigen partij alleen erkennen als waardig en bereiden ons voor op een oorlog, die bitterder lijden zal brengen aan de mensheid, dan de strijd, die eens al dit bittere lijden en de bevrijding noodzakelijk maakten. Klinkt er op zo’n dag ook maar één stem, die tot de wereld durft zeggen: halt! Geen verdeeldheid en partijstrijd meer. Geen voorbereidingen voor oorlog, maar werken en streven voor een werkelijke vrede?

1 mei: Het feest van de arbeid. Het feest van mensen, die gezamenlijk en solidair voor hun rechten wisten te vechten… in het verleden. Maar nu vaak eerder het feest van arbeiders die eens met een goed inkomen in een arbeidsloze wereld hopen te leven als arbeider. Deze opmerkingen zijn bitter, maar waar, waar blijft het geloof in God en de geest Gods? Waar blijft de werkelijke solidariteit? Waar blijven de rechten van de mensen? Waar is de opofferingsgezindheid van de eerste Christenen, de eerste socialisten ook maar te vinden? Zeker niet in de plechtstatige bijeenkomsten en optochten. Zeker niet bij de macht bewuste priesters en de welgedane voormannen. Zeker niet bij de gelovigen, die hopen, dat God hun rommel wel op zal ruimen, of bij de arbeiders, die alleen nog maar denken aan meer vrij en een hoger bedrag in het loonzakje.

Gedenkdagen zijn klaarblijkelijk de aanleiding om eens heerlijk sentimenteel te worden, of eigen haat tegen anderen te rechtvaardigen. Is de dag voorbij, dan vergeet men dit alles wel weer. Zinneloos, bitter? Zeker, maar zo is het nu eenmaal voor de meeste mensen bij deze gedenkdagen. Slechts een enkeling vormt een uitzondering. Voor de mensen, die de begrippen, die op deze dagen worden herdacht, werkelijk beleven, is geen bijzondere gedenkdag noodzakelijk. Voor degenen die de waarden die men wil gedenken, toch niet wil beleven, is het beter dat hij deze dingen maar helemaal vergeet. Deze wordt op die dagen alleen maar opgezweept tot daden en gedachten, die niet bij hem horen; gedachten, waarmee hij uiteindelijk in het leven geen raad weet.

Voor mij zou het enige feest, dat een werkelijke betekenis voor allen zou kunnen hebben, een feest van levensvreugde moeten zijn. Geef mij een positief leven, een positief herdenken, een positief feest. Daarvoor heb ik overigens redenen te over. Wanneer een mens blij is, wanneer een mens zeker is van zichzelf, blijkt, dat hij zuiver lichamelijk reeds 20 tot 25% minder vermoeidheid gevoelt bij volkomen gelijke arbeid. Een lachend gezicht stelt maar een derde van het aantal spieren onder spanning dat werkzaam is in een anders treurig gezicht. Een mens met voldoende levensblijheid in zich, zal in het leven sneller kunnen reageren, sneller en met meer overleg handelen, juistere keuzes doen. Deze mens zal minder geneigd zijn voor zijn problemen in roes en begoocheling een afleiding te zoeken. Hij heeft geen kunstmatige stimulansen nodig om het leven te genieten, zodat een mens met levensblijheid een matig mens zal zijn, een mens met meer beheersing. Een mens die innerlijk blij is, zal juister en beter handelen t.o.v. zijn medemensen. Wanneer je van binnen blij bent, zul je, al heb je ook nog zo’n haast met je auto, altijd nog wel even kunnen stoppen om een voetganger over te laten steken.

Alleen op zuiver stoffelijke gronden is het bevorderen van levensblijheid al zeer belangrijk, maar er zijn nog andere waarden mee verbonden. Wanneer een mens werkelijk blij is met het leven, wanneer hij steeds weer van binnen enig Licht kent, zo zal hij dit met zijn gedachten uitstralen, die ook de geest bereiken. Deze zal hierop reageren en – zo zij Licht is – zich daartoe aangetrokken gevoelen. Want door de gedachten, die u uitstraalt, bepaalt u a.h.w. welke geesten u in hoofdzaak rond u zult hebben en ook, welke invloed geestenwezens uit een andere wereld op u zullen kunnen uitoefenen.
In de magie is dit bekend als de reeks van sympathische werkingen, die berusten op de wet van harmonische verschijnselen. Men kan dus voor een groot deel de geestelijke invloeden in het eigen leven bepalen en kiezen. Bent u blij en opgewekt in het leven? Zoekt u voortdurend de Lichtende innerlijke waarden te beleven en de Lichtende kant van het leven bovenal te ervaren, dan zult u vanzelf ook de Lichtende geestelijke krachten rond u vinden en door hen geholpen en gesteund worden. Dan gaat het u vanzelf beter in het leven, dan hebt u meer weerstand, wanneer het voor u noodzakelijke lijden ontstaat. Vanzelf is er meer geestelijk Licht in u, u beschikt over grotere geestelijke krachten en hebt een beter inzicht in het waarlijk noodzakelijke.
Begrijp mij goed: er staan geen geestjes om u op te heffen. De geesten, die rond u zijn, zijn alleen de uitvoerders van de Goddelijke wil, maar in uzelf wordt het geestelijke Licht, de Goddelijke kracht actiever. Daardoor schijnt alles in het leven lichter te zijn. De levensvreugde is voor de mens een noodzaak, indien hij waarlijk als mens wil leven en uit het menselijke leven een maximum aan bewustwording wil winnen.

Waar is de dag, dat men de levensaanvaarding predikt en herdenkt? Wanneer je vanuit de geest de uitwerking van sommige, op aarde gevierde gedenkdagen en feestdagen ziet, zijn de gevolgen eerder treurig te noemen. Laat ons als voorbeeld nogmaals de dag van Allerzielen verder beschouwen. Er is iemand van je heengegaan. Dat heeft je veel pijn gedaan. Misschien, dat je er uiteindelijk in geslaagd bent de herinnering te behouden en toch zelf verder te leven. Maar wanneer je dit laatste niet geleerd hebt, of ook maar even vergeet, is de kans groot, dat Allerzielen een dag wordt van huilen en klagen, waarbij alle eerbetoon slechts een uiting is van het verlangen: was hij/zij maar bij mij terug. Wanneer nu deze geest van de afgestorvene nog niet geheel bewust is, maar zich reeds op weg naar het Licht bevindt, dan is het of deze emotie tot een klauw wordt, die naar de ziel grijpt en haar terug trekt naar de aarde. Dit geschiedt meer dan u misschien aanneemt. Een waarlijk fraai resultaat, vindt u niet?

Neem een ander feest. Men herdenkt allen, die in de oorlog zijn gevallen, hen, die heengingen in de concentratiekampen. En men haat opnieuw de oorzaak van dit alles, en de mensen, die men daarmee verbonden ziet. Men begrijpt niet, hoe dit mogelijk was. Men begrijpt niet, dat men zelf mede de oorzaak is voor veel van dit gebeuren.
De zielen, die dergelijke ervaringen hebben doorgemaakt, zijn vaak evenzeer door haat bezield. Zij hebben het Licht nog niet gevonden. In hen leeft de heftige haat, het wraakzuchtige onbegrip voort, dat op het ogenblik van de dood hun innerlijk wezen doordesemde. En deze zielen trekt men zo aan en bezielt hen eens te meer met haat. Men roept deze gezellen tot zich. Laat deze dan maar de haat aanwakkeren. Laat hen de haat, die zij tegen de mensheid koesteren, dan maar uiten. Laat de duistere krachten onder hen desnoods een jonge mens in beslag nemen en deze, zich voortdurend aan hem hechtend en zijn gedachten misvormend, tot geweld voeren. Beseft men niet, dat de zielen, die de wereld haten en vaak niet alleen een bepaald volk, of een bepaald deel van die wereld haten, maar wel degelijk beseffen, hoe velen ook in de westelijke wereld aan hun ondergang schuld hadden.

Men komt dus samen en wakkert de haat aan opdat deze geesten in staat worden gesteld de wereld en de mensheid te vernietigen. Hoe vaak is een gedenkdag werkelijk positief? Hoe vaak blijft het niet bij frasen, in plaats dat men zich oprecht voorneemt de taak, waarvoor de doden eens stierven, sterven moesten, te voltooien? Maar op dergelijke dagen legt men bij voorkeur de nadruk op hetgeen, zij die gevallen zijn, voor ons allen hebben gedaan. Men spreekt niet over wat de mensen nú moeten doen, maar wijdt uit over het verleden, de slechtheid van degenen, die door deze helden bestreden werden. Men spreekt over de edele doeleinden, waarvoor zij hun leven offerden.
Pas terloops stipt men even aan, dat er ook op de aanwezigen nog een verplichting rust. Men neemt dan het liefst een verplichting die met wat geld kan afgedaan worden. Men zou moeten beseffen, dat men juist met deze soort herdenkingen de bitterheid, het geweld en het onrecht van voorbijgegane dagen weer tot leven brengt in de tegenwoordige tijd. Maar men beseft dit niet en schept zo, soms met de beste bedoelingen, een geestelijke waarde op deze wereld, die haar steeds meer vergiftigt in deze dagen, die toch reeds zo spannend en onevenwichtig zijn. Daarom zou men m.i. moeten beseffen, dat elke gedenkdag die men viert, elke herdenking van feiten en mogelijkheden, gebaseerd moet zijn op positief denken en streven, op een werkelijke geestdrift, die niets meer te maken heeft met het verleden, maar met de wil om iets te volbrengen in het heden.

Anderen zijn je voorgegaan. Je hebt ze misschien lief gehad. Zij hebben geofferd en gegeven. Dan moet je nu, in deze dagen, altijd weer in het heden, trachten om ter wille van hen, diezelfde gaven aan de wereld te geven. Helden of geen helden, beminden of geen beminden, wanneer je herdenken gaat, is het niet meer de tijd om erover te spreken, wat deze hebben gedaan. Dan moet men door daden bewijzen, dat men hun offer, hun leven zin heeft gehad. Dan verlangen zij van u geen standbeelden, bloemen en eerbetoon. Velen zijn heengegaan, maar zij droomden van een wereld, waarin het goed was te leven, waarin mensen gelukkig waren. Maak die droom tot werkelijkheid. Spreek niet over strijd, maar offer alles om te komen tot een wereld, waarin werkelijke vrede en samenwerking voor iedereen mogelijk is. Dan alleen bereik je iets, dan ben je de overgeganen waardig en geef je ook je eigen leven zin en inhoud.

Om u mijn stellingen duidelijker te maken, grijp ik nu naar een meer technische omschrijving: Op het ogenblik bestaat het denken op de wereld, waarin u leeft, uit enkele hoofdgroepen. Deze vallen onder drie invloeden. Er zijn drie geestelijke hoofdtendensen merkbaar, die onmiddellijk stof gebonden blijven en alle drie even sterk hun stempel op deze tijd drukken.

De eerste invloed kan men wel materialisme noemen. Het is iets meer dan dit, waar degenen, die onder deze invloed staan, hun eigen ideeën plegen te zien als meer dan het Goddelijke.

De tweede groep is geneigd een theocratie op aarde in te stellen. Deze groep bestaat uit mensen, die trachten een zeer beperkte Godsopvatting en alle daaruit voortkomende stoffelijke wetten aan alle mensen trachten op te leggen.

De derde groep is een groep van mensen, die zich uiterlijk wel met grote belangen of zaken plegen te vereenzelvigen, maar daarin uiteindelijk alleen zichzelf zoeken.

Binnen dit kader is er, zoals u wel zult hebben bemerkt, geen ruimte voor de zuivere idealist. Overigens zal zelfs de zuivere idealist zeer waarschijnlijk bij nadere beschouwing toch onder een van de drie genoemde invloeden vallen. Hij hoeft dit niet te beseffen. Zover het de stoffelijke ontwikkelingen en de daarmede onmiddellijk gebonden geestelijke invloeden betreft, kan worden gezegd, dat drie groepen een soort van evenwichtsspel op de wereld spelen. De hoofdtendens, die kenbaar wordt in elk van de drie invloeden, blijkt kenbaar te worden in bepaalde perioden van het verre verleden, maar ook in een zeer nabij verleden zeer duidelijk en zelfs overheersend tot uitdrukking blijkt te zijn gekomen.

Het materialistisch snobisme brengt ons terug tot de z.g. Goddelijke keizers van Rome, maar ook tot de ondergang van Babylon, de val van Alexander de Grote e.d. In de moderne tijd zien wij dezelfde werkingen weerkaatst in het Goddelijk achten van bepaalde systemen, het onaantastbaar achten van bepaalde groepen of partijen en de gedachte dat in het belang hiervan elke leugen geoorloofd is, zolang men maar het systeem dient.
De theocratische invloeden vinden wij in het verleden o.m. in de tijd van de Kelten. Wie zich daar tegen de opvatting van Goden volgens de Druïden verzet, verbeurt zijn leven. In Egypte wordt eenieder gedood die de Goddelijke afstamming en het absolute bezitsrecht van de farao op alle onderdanen wil ontkennen. Wat nader in de tijd ligt de periode van de inquisitie. Evenbeelden in deze tijd: G.P.U., N.K.W.D., Gestapo etc., want uit de theoretische invloed komt de absolute dictatuur voort.
De derde groep, de zelfzoekers, verlangen van de wereld alleen maar, dat hun haan altijd koning kraait. Deze trekken door alle tijden de anarchistische krachten tot zich, de krachten en groepen, die niets willen erkennen en elke ordening afwijzen buiten hetgeen in hun eigen belang is. Nemen wij aan, dat deze invloeden negatief ontwikkeld worden, dan is het wel zeker, dat de conflicten, die tussen hen ontstaan, de mensheid uit zullen roeien.

De gedachtenuitstralingen van degenen op aarde, die tot een van die drie groepen behoren, zullen alle krachten uit de geest, die in het verleden met een dergelijk gebeuren op aarde waren verbonden en zelfs vele niet in de menselijke vorm geleefd hebbende geestelijke invloeden, tot zich trekken. De invloed van de zo aangetrokken geesten kan heel wat verder gaan dan de mensen plegen te beseffen. Werkingen uit de geest kunnen tot de meest onverwachte stoffelijke gebeurtenissen voeren. Naast de negatieve geestelijke invloeden zullen ook met elke hoofdinvloed bepaalde positieve geestelijke invloeden verbonden blijven.

Wat moet men nu doen om conflict tussen deze drie invloeden onmogelijk te maken?
Elk van de drie genoemde waarden heeft zekere demonische nevenverschijnselen. Naar ik meen, is het niet erg belangrijk, tot welke groep iemand behoort, wanneer hij onder de invloed van het denken van de massa bezeten kan worden door een demon en worden verleid om te handelen zonder zelf te beseffen, wat hij/zij daarmee eigenlijk doet. De invloeden zelf, zoals zij op het ogenblik over heel de wereld tot uiting komen, kunnen wij niet bestrijden of veranderen. Wel kunnen wij voorkomen, dat men de demonische zijde daarvan te sterk ontwikkelt en zo krachten oproept, bewust of onbewust, die vernietiging met zich kunnen brengen. Dit is één van de redenen, dat ik mij tegen gedenkdagen verzet en u wijs op de negatieve kant daarvan, ofschoon ik mij ervan bewust ben, dat daar een positieve zijde tegenover kan staan. Maar de negatieve zijde is altijd aanwezig, de positieve komt minder en zeker minder sterk tot uiting.

De wijze, waarop men in het leven pleegt te denken, is volgens mij onjuist. Laat mij een vraag stellen: Is het belangrijk voor u te weten, wie nu in feite gelijk heeft, of acht u het belangrijker, dat de mensheid leert te leven in vreugde, dat zij voortdurend meer positieve krachten tot zich trekt en zo ook leert hogere en meer Lichtende krachten voor zich en vanuit zich te gebruiken? Indien u meent, dat dit laatste het meest belangrijke is, zo volgt hieruit, dat u openlijke gedenkdagen en feesten zult gaan schuwen en u aan de invloed daarvan zult trachten te onttrekken, terwijl u in het dagelijkse leven uw meer optimistische en vooral meer de levensvreugde erkennende zienswijzen tracht uit te dragen. U zult door het u verre houden van openbare gedenkdagen en bijeenkomsten vermijden, dat u door massapsychosen wordt meegesleurd en eveneens vermijden, dat door de invloed van het ogenblik uw eigen denken en leven wordt afgeleid van de juiste en Lichtende weg.
In een vrijelijk erkennen van de Lichtende waarden van het leven en een uiten daarvan zult u dan in staat zijn aan de wereld en alle geest, die nog met die wereld verbonden is, het enige werkelijk nodige te geven: levensvreugde, blijheid, aanvaarden van de zin van het leven. Vraag u niet af, wat er van de wereld terecht zou kunnen komen, indien alle mensen blijmoedig en zonder zorgen gaan leven.

Bedenk, dat Jezus tot de apostelen sprak, wijzende op de kinderen, die rond Hem speelden: “Indien gij niet wordt zoals dezen, zult jij het koninkrijk Gods niet binnen gaan”. Wij weten wel, dat kinderen fel en wreed kunnen zijn, want kinderen zijn geen heiligen. Maar de kinderen van deze wereld trachten steeds de vreugden van het leven te puren, waar zij maar te vinden is. Kinderen willen alle haat, strijd en verwijt vergeten, wanneer daardoor hun vreugde in het bestaan ook maar iets geschaad zou worden. Dus: zoek de vreugde in het leven te vinden, wees daarbij onschuldig en spontaan als kinderen, ongeacht welke van de drie genoemde groepen u beïnvloedt, zult u dan voor heel de wereld een invloed ten goede kunnen vormen.

Levensvreugde doet mens en geest positief denken en leven. Dan is er geen behoefte meer het leven té sterk te fatsoeneren naar eigen denken, dan wil men veel aanvaarden, om het leven zelf te mogen beleven. Daardoor staat zowel de mens zelf als heel zijn omgeving veel sterker t.o.v. alle verdeeldheid. Dan kan men de slagen, die het leven nu eenmaal geeft, beter verdragen; men kan door zijn vreugde ook vaak voor anderen een vreugde zijn. Zeg nu niet, dat het erg is, wanneer alle mislukkingen enz. in de doofpot gaan. Wanneer de levensvreugde maar blijft bestaan, zal deze de oplossing bieden voor de vele dingen, die men eens niet durfde te erkennen. Fouten en dwaasheden zijn niet zo erg, wanneer er maar de intense vreugde aan het leven is, waardoor men ondanks deze fouten steeds meer naar Licht en vreugde blijft zoeken en streven. Maakt u niet te druk ever kleine vergissingen, laat u niet teveel van streek brengen door problemen als: is Chroesjtsjov nu afgezet? Bedenk, dat er op de wereld niet veel zal veranderen, wanneer de mensen niet veranderen.

Om op mijn punt van uitgang terug te keren, er is een feest, dat mij steeds weer aantrekt: carnaval. Laat de mens de zotskap opzetten, lachen, hossen en zingen. Gesterkt daardoor zal hij in staat zijn om moeilijke tijden te aanvaarden en te overwinnen. Carnaval komt vóór de vasten en is dus feitelijk een je door vreugde voorbereiden op een zware tijd, die komt. In een wereld, die vol schijnt te zijn van zwaarwegende problemen en angsten zou ik willen pleiten voor een feest van vreugde, van onschuldige lichtzinnigheid. Puur het Licht uit het leven, het Licht, God zal rond je zijn. Geloof in het goede van het leven en de goedheid van God. Wanneer je intens genoeg durft geloven, zullen het goede van het leven en de liefde van God je geopenbaard worden. Leer innerlijk te beseffen, dat zoiets zó duister kan zijn, dat er geen Licht meer lokt aan de horizon. Leer te beseffen, dat zelfs de dood niets meer is dan een schaduw, die voorbij gaat, een ogenblik, waarin het bewustzijn verandert, maar het leven voort gaat. Er is niets in het leven, waarvoor je werkelijk bang hoeft te zijn; er is niets, wat je moet vrezen, wanneer je het goede zoekt.

Er is veel om je over te verheugen, wanneer je werkelijk durft te leven. Mijn raad is: geen gedenkdagen meer, maar elke dag een uur, waarin je herdenkt, hoe veel goeds je het leven ondanks alles heeft gegeven, alle vreugde, die het leven je nog brengen kan, alle mogelijkheden om Licht en vreugde te beleven, die er voor jou nog bestaan. Put hieruit voor uzelf de zekerheid, dat het leven goed is, dat God goed is. Aanvaard het duister niet, maar zie steeds weer het Licht en de Lichtende krachten, die zich in elk leven openbaren. De mensen, die zó leven, gebruiken – bewust of onbewust – iets, wat de grootste magiërs eveneens wisten te gebruiken. De perfect harmonische instelling van eigen wezen, waardoor men veel, zo niet alles van de demonische dreiging en het duister weg kan vagen uit eigen leven en de wereld. Leef zo en u zult bemerken, dat u steeds kracht hebt om steeds meer een goede wereld te helpen voor te bereiden voor hen, die in de stof naast u komen en innerlijk Licht en weten bezit, die u de waarheid doen zien, al lijkt voor anderen de toekomst ook duister en zwart.

Vragen

  • Men vreest op de wereld de persoonlijke ontwikkeling van de mens en tracht alles  te doen om een persoonlijke beleving bij anderen te verhinderen.

Ik ben dit met u eens. De mens heeft een sociaal instinct en is zo opgevoed, dat hij alleen binnen de maatschappij, kan leven. Dezelfde mens schijnt zijn sociale instincten hoofd- zakelijk te gebruiken om voor anderen uit de sociale maatschappij een dwangbuis te maken. Ik geef u het gestelde graag toe. Maar een mens die leeft uit levensblijheid en deze nooit ten nadele van anderen in daden tracht om te zetten, vindt in de blijheid tevens de beheersing van zichzelf en de zekerheid van zijn leven, wordt door anderen hoogstens gek genoemd. Daar kan men niets tegen doen.

Juist omdat de mens sociaal leeft en denkt, is hij vatbaar voor de verschijnselen bij anderen. Vreugde is daarvan de meest aanstekelijke. Wanneer de voorbijganger een bruidspaar uit een stadhuis ziet komen, is hij geneigd even stil te blijven staan en even te glimlachen. Niemand is bestand tegen de trappelende levensvreugde van een baby. Meent u dan niet, dat, waar vreugde zo aanstekelijk werkt, werkelijke levensvreugde en deze tevens een grote aanpassing aan anderen mogelijk maakt, de maatschappij door blije mensen kan worden veranderd, tot de negatieve zijden van het sociale instinct gaan ontbreken?

Overigens: het sterke reglementeren van anderen, het vastleggen van bepaalde emoties op een bepaalde dag etc. is voor mij geen uiting van het sociale instinct, maar eerder een gevolg van angst voor het leven en de verantwoordelijkheden daarvan. Volgens mij brengt het sociale instinct met zich, dat men de vreugde en krachten van anderen gaarne deelt, en, zo men eenmaal hiertoe is gekomen, men eveneens geneigd is geheel vrijwillig en zonder dwang de lasten en zorgen van anderen mede te dragen.

Wie leert te leven in vreugde en toch anderen te helpen hun lijden en zorgen te dragen, is niet alleen een goed mens, maar tevens een goed Christen. Wanneer alle mensen zo geworden zijn, zal er op de wereld nooit meer lijden en ongeluk kunnen zijn. Ik ben met u eens, dat de doorsnee mens angst heeft voor een te vrijelijk leven en het zich verheugen van anderen, omdat hij meent, dat hem dit schade of last zou kunnen berokkenen. Daarom wil hij alles reglementeren, maar er bestaat geen wet en geen reglement, dat u werkelijk kan verhinderen u in het leven te verheugen en het goede van alle dingen te zien.
U ziet over het hoofd, dat een mens die van harte blij kan zijn, die hartelijk durft te lachen, vaak meer waard is dan een heel leger, omdat hij met zijn innerlijke vreugde en de uitingen daarvan een beroep doet op de honger naar geluk en vrede, die in andere mensen leeft. Hij, die reglementen schept en ordent, kan dit alleen doen door gebruik te maken van bepaalde angsten. Deze zijn niet ingeboren, zoals het verlangen naar vrede en vreugde. Voor de maatschappij geldt: hoe groter het aantal regels wordt, hoe scherper men de uitvoering daarvan afdwingt, hoe groter de angst en hoe scherper de conflicten de regels in gevaar brengen.

  • Wanneer je tegenover het lijden van anderen je eigen levensvreugde zou stellen,    zou – naar ik meen – de andere daar pijn van hebben.

Dit ligt aan de wijze, waarop u uw levensblijheid uit. Wanneer je iemand in de ellende ziet zitten en je gaat met die mens mee huilen, kom je niet verder. Wanneer jezelf levensvreugde bezit, bent u innerlijk sterk. Natuurlijk gaat u niet tegen die andere zeggen: “Lach nu maar, want het leven is mooi…” Dat zou die ander niet kunnen verwerken. Maar jij bent sterk. Jij hebt innerlijk de levensvreugde en daardoor zie je, waar voor de ander nog vreugde kan schuilen. Daardoor kun je de ander helpen. Je kunt de ander erop wijzen, waar de mogelijkheden voor levensvreugde nog liggen en wanneer die ander dan onredelijk is, ben je in staat dit te verdragen. Zo kun je de ander ook daar nog blijven helpen en steunen, waar anderen zijn denken en gedrag worden afgestoten, of mede in de ellende verzinken.

De kracht, die nodig is om anderen werkelijk te helpen, kun je alleen putten uit innerlijk Licht. Innerlijk Licht is levensvreugde. Medelijden met anderen heeft geen zin. Medeleven wel, indien men uit eigen levenskrachten de ander de nodige kracht kan geven om verder te gaan. Vergeet niet, dat de gedachten, de sfeer, die u uitstraalt, op anderen invloed heeft en bovendien licht of duister rond u en die ander samen kan trekken. Treur mee, vergeet de vreugde van het leven en u trekt de duistere krachten aan, waardoor de druk van het leed zwaarder wordt voor degene, met wie u medelijden hebt. Trek door innerlijke vreugde en levensaanvaarding Lichte krachten naar u toe en alleen hierdoor zal het leed van de ander reeds meer dragelijk zijn.

  • Levensvreugde krijg je, maar ik betwijfel, of je ze zelf op kunt wekken. Maar wanneer ik rommel heb, moet men niet komen om levensvreugde, want dan moet ik eerst eens even die rommel verwerken.

U stelt: ik vind levensvreugde wel heel prettig, maar kan ze niet zo sterk in mijzelf gevoelen dat zij een voortdurend tegenwicht vormt voor mijn ellende, zodat ik mij niet voor kan stellen dat levensvreugde zo sterk kan zijn, dat ik daardoor automatisch de ellende kan overwinnen. Verder stelt u: levensvreugde krijg je, maar wij beheersen dit niet. Dit is niet juist: u kunt steeds de vreugden van het leven beseffen. U krijgt ze niet, want van binnen hebt u die levensvreugde altijd. U moet leren deze vreugde in het bewustzijn te doen zetelen. Vandaar mijn opmerking over één uur van herdenken per dag. Gedenk elke dag al het goede, wat er in je leven is en was, met uitsluiting van al je zorgen. Wanneer u dit regelmatig doet, zult u ontdekken, dat de levensvreugde, die u vanbinnen wel altijd hebt, maar die u slechts zo nu en dan bewust kon beleven, regelmatig deel van uw wezen is, u zult bemerken, dat veel van de kracht, die volgens uw mening u haast willekeurig zo nu en dan door God word gegeven, in feite je eigen kracht is.

Wanneer u stelt, “maar ik kan dit niet”, dat is mijn antwoord: probeert u eens het door mij gegeven systeem. Verder maakt u verschil tussen de ellende van anderen en uw eigen ellende. Zover het u mogelijk is anderen te helpen, bestaat dit verschil niet werkelijk. Door het deel hebben aan de ellende van anderen maakt u deze tot uw eigene en kunt u deze bestrijden met dezelfde wapens en krachten, die u voor uzelf zou gebruiken.

Onthoud u verder, dat geestelijk Licht en geestelijke waarheid niet ingewikkeld zijn. Levens- vreugde is niets ingewikkelds, maar een eenvoudig iets, wat je als mens ingeboren wordt, dat je als kind steeds weer beleeft, maar waarvoor je je, wanneer je groter wordt, leert schamen. Levensvreugde is een deel van je menselijke leven en eveneens van je menselijke besef, ook wanneer dit uiteindelijk zover naar achteren wordt gedrukt, dat men soms meent zich voor levensvreugde te moeten schamen en als volwassen mens alleen met een lang gezicht te mogen lopen. Overigens is voor ons de grootste vreugde van het leven wel het besef, dat er niets zonder is, dat alles in de kosmos zijn reden en zijn waarde heeft. De grootste vreugde in het leven is misschien wel het besef, dat alles zo eenvoudig is. Maar dat mogen wij natuurlijk niet zeggen, want de mensen vinden het leven immers zo ingewikkeld.

Indien wij zouden zeggen: “Mensen, er is maar één ding noodzakelijk in je leven: een waar en vol geloof in God en de zin van Zijn Schepping en de vreugde, dat je mag leven”, dan zou men dit niet zo prettig vinden. Zouden wij hier aan toevoegen: “Wanneer je dít nu maar kunt beleven, heb je niets anders nodig. Geen kerk, geen filosofie, ons niet”, dan zou men waarschijnlijk zeggen: “mooi is dat”, om dan naar anderen te gaan, die het leven ingewikkelder voorstellen, want dat wenst men uiteindelijk, waar anders eigen onvermogen en onjuist leven te sterk op de voorgrond komen.

  • Kunnen wij dan niet beter voor levensvreugde zeggen: Licht, kracht en goedheid  en liefde?

Volgens mij niet. Wanneer je mensen spreekt over Licht, kijken ze alleen maar naar boven. Het woord levensvreugde zegt hen duidelijk dat het Licht in jezelf moet zitten, in je geest en zolang je in de stof leeft, ook in je body. Levensvreugde is zeker geen Licht van boven, maar een erkenning van het Licht in jezelf en je leven.

  • Kracht dan?

Levensvreugde is op zich geen kracht. Een zekere kracht heb je vanzelf wel.  Levensvreugde is eerder het vermogen die kracht te realiseren en te gebruiken.

  • Goedheid?

Levensvreugde is geen goedheid. Wanneer je door de levensvreugde voor anderen goed bent, komt dit uit de vreugde voort, niet de vreugde uit de goedheid.

  • Liefde?

Volgens mij zijn er geen woorden op aarde, die zo zeer vertrapt, misvormd en vervormd worden als dat woord. Daaruit zouden teveel misverstanden kunnen ontstaan. Levensvreugde is meer dan liefde in een of andere beperkte zin.

Ik hoop u duidelijk te hebben gemaakt, dat geen van de woorden, die u hebt voorgesteld voor de mens, niet de juiste betekenis heeft. Maar het woord “levensvreugde” is nog niet door verschillende groepen van een andere betekenis voorzien. Dit woord is hetzelfde voor een Amerikaan, een Rus, voor een blanke en een zwarte. Want voor allen is dit woord nog steeds de omschrijving van de kracht en de vreugde van het bestaan.

Neen, ik kies het woord levensvreugde om aan te geven, dat je het goede en Lichtende kunt putten uit alle geestelijke en stoffelijke werelden, steeds meer vreugde en kracht kennend, niemand een ander door of voor die vreugde schaden, maar dit laatste vloeit uit de ware levensvreugde reeds als vanzelf voort. Iets meer persoonlijk wil ik nog opmerken: door het besef van het goede, dat in je leven was, kun je heel vaak kracht vinden, om er weer bovenop te komen en opnieuw de vreugde van het leven te ervaren.

  • Volgens mij zijn feesten als Allerheiligen toch voor vele mensen wel goed omdat zij daardoor uit hun dagelijkse sleur worden gehaald en eens een ogenblik zich bezig houden met de dingen, waarmee wij altijd bezig zijn.

Ik voel mij gecorrigeerd maar ben helaas niet geheel overtuigd om volgende reden: het zich vasthouden aan bepaalde dagen, om zich eens met dergelijke dingen bezig te houden, betekent voor de meeste mensen, dat het op een andere dag niet de dag is om hierover na te denken, zodat men gedachten daarover terzijde pleegt te leggen. Gedenkdagen brengen de mens er teveel toe begrippen en punten, die een geheel leven zouden moeten vullen, samen te dringen op een enkele dag per jaar.
Op één punt hebt u gelijk: op het ogenblik, dat het dagelijks beleefde in focus wordt gebracht door een mystieke beleving in gemeenschap en op een bepaalde dag heeft de gedenkdag natuurlijk wel zin. De zin ligt niet meer in het herdenken van een feit, maar eerder in het scheppen van een mogelijkheid tot gezamenlijk komen tot een intensifiëring van hetgeen je altijd reeds beleeft. Door het mystiek beleven in gemeenschap wordt de kracht, die je reeds altijd kende, ook voor verder dagelijks gebruik zo  geïntensifieerd, dat zij intenser, maar vooral zuiverder, bewuster en beter in je verdere leven een rol kan spelen.

Esoterie

Wij zijn dan weer aan de esoterie gekomen. Men heeft mij verzocht deze nogal praktisch te houden. Elke poging esoterisch door te dringen tot het Grote, voert tot denken. Wij denken over abstracte of niet-gekende waarden, maar dit pleegt tot veel misvattingen te voeren. Wij kunnen nooit esoterisch verder gaan, wanneer wij geen mogelijkheid vinden om ons denken aan de praktijk te toetsen. Er bestaan natuurlijk vele lelijke woorden voor waarden, die in feite niets anders dan toegepaste esoterie zijn. Ik denk daarbij o.m. aan de magie, de kabbalistiek, enz. De mens is al snel geneigd te zeggen: “Ja, maar dat bedoel ik niet, dat wil ik niet…” Maar op het ogenblik, dat de mens geestelijk bewuster wordt, zal hij, naarmate zijn zelfkennis groter wordt en zijn kennis zich verder uitbreidt, vanzelf ook bepaalde gaven verwerven. In hem worden dan eigenschappen wakker, die hij wel altijd bezeten heeft, maar die hij tot op dat ogenblik niet wist te gebruiken, of niet kon gebruiken.

Een mens die zichzelf geheel kent en beheerst, is in staat alle natuurkrachten volledig te beheersen. Verder is hij in staat elk kleiner bewustzijn te beheersen in dezelfde mate als er verschil in weten, innerlijk erkennen en bewuste kracht tussen hem en de ander bestaat. Hieruit volgt, dat de ware esotericus, die wat verder op het pad is gevorderd, eigenlijk een soort witmagiër is. Het zal heel moeilijk zijn een grens te trekken tussen de magie, het paranormale, occulte en al wat daarmee samenhangt en de innerlijke bewustwording.

Ik zou graag een paar voorbeelden aanhalen, die meestal beschouwd worden als liggende op het terrein van de magie. Daartoe grijp ik terug op het eigenaardige document, dat men wel het tweebladige boek van Toth heeft genoemd. Toth is een Egyptische god van de dood. In zijn boek zouden alle geheimen van leven en dood geschreven staan. Overigens heeft men dit boek officieel nooit gevonden, maar er bestaan wel verschillende aanhalingen en commentaren daarop. Hierin doelt men natuurlijk op de magische krachten, die uit dit werk kunnen geput worden. Maar wanneer je, daarbij denkende aan de innerlijke bewustwording, die documenten nagaat, ontdek je – tot je verbazing – iets bijzonders.

Ik laat het aan u over dit zelf te ontdekken en begin te citeren, want ik gun u graag de verrassing, die ik zelf ondervond, toen ik dit voor het eerst opmerkte:

“Hij, die weet, is meester over vuur en water. Hij beheerst de ether en de luchten. De aarde beeft onder zijn schreden, de duisternis van de dood bestaat voor hem niet. Niemand kan deze kracht hanteren, indien hij zichzelf niet gevonden heeft in de beleving van Toth.”

De beleving van Toth was de dood; dit was natuurlijk niet noodzakelijkerwijze ook de lijfelijke dood, maar kon vervangen worden door een symbolisch sterven. Wij vinden in vele inwijdingsleren de symbolische dood terug, die in Egypte meestal door een begrafenis in een grafkelder voor de duur van drie dagen werd gesymboliseerd. In de dood zou men – dit volgt uit een deel van het geciteerde geschrift – zichzelf leren kennen: “Hij, die in zich gaat, kent daar Ptah en uit Ptah zichzelf. Want ziet, hij is één met hem. Zo kennende de kracht en het wezen is hij de herrezen Osiris, die het Licht brengt.”

Een leuk punt in meer esoterische taal betekent dit: op het ogenblik, dat je van het leven afstand doet, ontmoet je het scheppend vermogen. Ptah is niet zozeer de grote Godheid als het scheppende vermogen. Hij is de scheppende functie van de kosmos. Deze scheppende functie is gelijk aan je eigen wezen. Je erkent daarin jezelf. De krachten van scheppend denken en concipiëren zijn in de mens en het al-scheppend vermogen klaarblijkelijk gelijk. Indien de mens zijn eigen beperkte wereld maar prijs kan geven, is dit voor hem werkelijk. Daaruit zijn al heel wat conclusies te trekken.
Onder meer dat de volmaakte, of geheel bewuste mens door zichzelf te kennen, in zichzelf ook alle krachten ziet ontwaken. Hij wordt daarmee nog niet Ptah, niet de scheppende kracht. Hij wordt tot herrezen Osiris. Osiris werd door Seth, zijn broer, die de vorst van de duisternis is, uit jaloezie gedood. Zijn lichaam werd in vele delen gesneden en in de rivier geworpen. De moeder Isis – voorstellende de aarde en op aarde levendbarende krachten – verzamelde deze delen, waarop Osiris herrees. Vanaf dit ogenblik trekt hij door de onderwereld en de hemelen gelijkelijk zijn regelmatige baan.
Indien wij ons wenden tot de dodenboeken leren wij, dat Osiris de kracht is, die in de boog van de zonneboot rust gedurende haar vaart door de onderwereld; toch is hij het symbool van bevrijding en Licht. Soms wordt hij in de functie van ontwakend Licht als de valk Horus uitgebeeld, maar hij blijft altijd een meer menselijke, een meer stoffelijke uitbeelding van Amon of Re, de Vader-god.

Ik zal trachten dit alles weer in esoterische taal om te zetten. De mens, die zich bewust wordt van het scheppend vermogen, zoals dit in hem leeft, terwijl hij de eenheid, die tussen Ik en Schepping bestaat, erkend heeft, zal terugkeren als mens. Osiris had altijd de menselijke gedaante. Hij is degene, die Licht brengt in de duisternis en waakt zelfs in de duistere werelden. Schijnbaar sluimerend, is hij in staat op de juiste tijd te ontwaken en alle demonische gevaren af te weren.

De ingewijde is degene, die de slechte invloeden tijdig erkent, zelfs indien het schijnt, dat hij zich van niets bewust is. Hij weet deze tijdig af te weren en af te buigen. Osiris is in de zonneboot, die langs de hemelen gaat en de aarde leven geeft. Hij geeft dit leven in vele vormen. Het werk van de ingewijde kan vele vormen aannemen. Hij kan daarin vele gedaanten en gestalten kennen, altijd weer zal hij terug keren tot zichzelf, tot het beperkte zijn, waarin toch voor hem het volledige scheppende vermogen is uitgedrukt. Hij kan in vele werelden leven, de duistere zowel als de Lichtste, zonder ooit zichzelf te verliezen.

In alle werelden zal de ingewijde voor anderen Licht en zekerheid betekenen voor allen, die van hem, of van de God, van God bescherming verlangen. Hij is dus in wezen een weerkaatsing van het Licht.

Ik hoor u al denken: die zit dat allemaal te vertellen en dan beweert hij nog, dat hij zal spreken over de praktische esoterie. Maar hier zit wel degelijk een praktische kant aan: wanneer wij namelijk weten, dat beheerste paranormale eigenschappen, die uit zelfkennis en innerlijk ervaren voortkomen, evenals witte magie, een uiting kan zijn van de innerlijke bewustwording, dan kunnen wij de zaak ook wel even omdraaien en stellen, dat elke kleine gave, die wij in onszelf ontdekken of ervaren, betekent, dat wij – indien wij onszelf maar prijs weten te geven om daarvoor de innerlijke beleving van de Schepping als het enig werkelijke te aanvaarden – aan die gaven reeds kunnen vaststellen, hoever wij ontwaken en ons werkelijk geestelijk erfdeel kunnen aanvaarden.

Er staat nergens geschreven, dat Osiris een grote studie moest maken voor hij doodging en nergens staat geschreven, dat hij voor een dergelijke studie een studiebeurs heeft gehad. Hij werd niet gesubsidieerd door de farao of de Goden. In zijn sterven en herrijzen was hij zichzelf. Hij kende geen angst voor de dood, zelfs niet indien deze uit het kwade voortkwam, wetende, dat juist, wat sterft onder het kwade, daardoor meester wordt van het kwade, zolang het niet in vrees ondergaat, maar door de ondergang zich van zichzelf bewust wordt.
Dat leer je allemaal uit die oude boeken. Als mens ga je dan zeggen: wij kunnen natuurlijk veel studies gaan maken. Wij kunnen alle oude Egyptische boeken en alle Chinese wijsgeren nagaan. Misschien kun je er nog de wetsrollen en de koran erbij bestuderen. Maar wanneer wij die van buiten geleerd hebben, zijn wij dan iets? Dat had je gedacht. Neen. Je leert juist de werkelijke dingen niet uit de boeken zonder meer. De werkelijke leer komt alleen voort uit de bereidheid voor al, wat je als goed erkent, te leven en zonder vrees daarvoor desnoods te sterven. Zó alleen vind je de grote waarheid en jezelf en de kracht van de ingewijde.

Ik kan mij voorstellen, dat er mensen zijn, die nu zullen zeggen: wij vinden het erg mooi en wij zouden graag ingewijd worden. Maar kunnen wij voor dat sterven nu niet iemand anders gebruiken? U lacht, maar ik heb beloofd praktisch te zijn en dit lijkt mij een opmerking, die menigeen zou willen maken, wanneer hij er de moed maar voor had. Het antwoord is dan: neen. Sterven in deze zin, de zin ook van het boek Toth, is niet het ondergaan van de stoffelijke dood. Het heeft niets te maken met hetgeen u ziet als sterven. Iemand, die dood is, heeft het volgens de stoffelijke opvattingen erg gemakkelijk in bepaalde opzichten: of zijn aandelen nu zakken of stijgen, de dode zal er niet warm of koud onder worden. Begeerte heeft geen zin meer. En vrees kent de dode in stoffelijke zin niet meer. Wanneer er iemand tegen hem zou zeggen: je geld of je leven, dan zou hij ongetwijfeld antwoorden: mijn leven heb ik niet meer, en mijn geld hebben mijn erfgenamen al. Wie doet mij wat?
U lacht erom, maar wat is het sterven, dat hier bedoeld wordt? De dode was, naar men meende, niet bang meer, hij was niet meer door vrees te bewegen tot een zichzelf verloochenen, wanneer hij eenmaal tegenover de rechters had gestaan. Hij had geen wereldse begeerten meer. Daarvan was hij vrij.

In de esoterie, inwijdingsleer en magie horen wij dan ook niet van de dood als iets, dat eenvoudig een overlijden is, maar als een afstand doen van alle angsten en alle begeerten. Het doel is de gelijkmatigheid van besef. De mens, die dit kan bereiken, is ingewijd. Als ingewijde is hij tevens magiër. Er bestaat geen ingewijde, die niet tevens in staat is, om, wanneer dit werkelijk noodzakelijk is, voor het welzijn van de mens of mensheid, doden op te wekken, de zon stil te doen staan en alles, wat daarbij behoort. Indien hij wil, zo zet hij een licht aan de hemel, doodt de nacht, opdat het altijd dag is. Deze verklaring is niet van mij, maar maakt deel uit van een formule op het tweede blad van het boek Toth, waarin wordt vastgesteld, dat de ingewijde deze macht heeft. Wanneer wij horen over het aan de hemel stellen van een licht, dat nimmer dooft, zo zijn wij geneigd dit in geestelijke zin te interpreteren, maar wanneer er zoiets geestelijk mogelijk is, moet het ook stoffelijk denkbaar zijn.

Nu gaan wij naar de praktische lessen, die hier voor u en helaas ook nog wel een beetje voor mij erin liggen. Neemt u rustig, wat u wilt. Ik zal mij met het restje wel tevreden stellen. Op het ogenblik, dat u ergens bang voor bent, moet u zichzelf trachten te overtuigen van het feit, dat u als het ware toch al afgerekend hebt met het leven, u bent dan niet meer bevreesd. Op het ogenblik, dat u iets te sterk begeert, moet u zichzelf zeggen, dat het begeren geen zin heeft, omdat u het toch nooit zo zult kunnen genieten, als u denkt, dat het zal kunnen zijn. Dat is hetzelfde als de geschiedenis van het jongetje op de markt. Dat zag een wagen met zuur en meende, dat het een heerlijk zoetzuur zou zijn. Toen het eenmaal een bom had, voelde het zich teleurgesteld, want het was azijnzuur. De tanden van het jongetje werden stroef, zijn oogjes begonnen te tranen en het meende: ik ben bedrogen.

Zo gaat het in het leven haast altijd, wanneer je iets begeert. Want wat wij begeren, bestaat voor een deel uit gedachten, uit waan; daarom kan het leven ons het begeerde toch nooit helemaal werkelijk geven. Wie dit beseft, zal zijn begeren niet zo gewichtig meer nemen. Wie leeft als mens, en als mens ken je angsten en alle begeren. Iets, wat blijvender is: jezelf te kennen en zo eerlijk mogelijk jezelf te zijn. Wanneer je dit probeert, bestaat de hele wereld rond je ook werkelijk. Aan die wereld kun je in de stof nooit ontkomen, hoe onprettig je dit ook vindt.

De wereld herinnert mij wel eens aan die strenge tante, die ik had. Op Seideravond liet zij mij met rust, maar op alle andere dagen zette zij mij steeds op mijn plaats. En als ik dat niet nam, zette zij mij in de hoek. Zo zal het u in het leven steeds weer gaan. Er zijn misschien ogen- blikken, dat de wereld u iets meer vrijheid laat, maar ik kan u garanderen, dat het leven u steeds weer neemt en u ergens eenvoudig neerzet. Dan zegt het: daar, hier moet je mee afrekenen… . Daaraan kunt u zelf niets doen. Met al uw weten en kennis staat u hier machteloos. Zelfs indien u de wereld zou kunnen beheersen, zou het leven u nog steeds weer op uw plaats zetten, een nieuwe taak u geven.

U kunt er voor uzelf zeker van zijn, dat de plaats, waarop het leven u stelt, voor u tevens een belangrijke taak is. Een geestelijke taak bovenal. De een wordt door het leven achter een bar gezet, de ander achter een toonbank, de derde in de mijnen, weer anderen worden boer of handelaar, weer anderen worden misschien in een ziekenhuis geplaatst. Elk voor zich vragen zij zich steeds weer af: waarom ik? Dit is, esoterisch gezien, een grote fout.     Wanneer wij zo leven, blijkt ons, dat juist uit het vervullen van elke taak, waarvoor het leven je zet, een werkelijk en blijvend beeld van je eigen wezen kan ontstaan, in plaats van door het verzet een beeld van jezelf te doen ontstaan, dat een schilder misschien nog zou kunnen maken, maar een fotograaf nooit, omdat geen enkele foto je zo flatteert. Een waar beeld van jezelf kun je verkrijgen door het juiste aanvaarden van het leven. Hierdoor ontstaat zelfkennis.

De mensen zijn geneigd om te denken, dat het in het leven vooral gaat om het worstelen, het voortdurend strijden om toch maar geestelijk erg hoog en Licht te zijn. Maar hoog en Licht zijn betekent voor hen dan ook, dat zij steeds weer ruzie maken met de wereld, waarin zij leven. Het betekent, dat zij met hun eigen toestand en moeilijkheden voortdurend overhoop liggen. Daardoor kunnen zij zichzelf niet werkelijk leren kennen. Het beeld, dat zij verwerven is misschien vleiend, maar onjuist. Het is in het beste geval een beeld van hetgeen zij volgens hun huidig bewustzijn gaarne zouden willen zijn. Onthoud dus: wat je werkelijk bent in het leven en in de kosmos, zul je nooit kunnen weten, wanneer je niet eerst de taken, die het leven je stelt, volbrengt.

Dit is nu de kern van de esoterie, die ik hier aflees uit de oude magie. Je zou het zó op een eenvoudige manier kunnen zeggen: Mens, je komt op de wereld voor misschien honderd taken, het leven stelt je elke keer, wanneer een nieuwe taak voor je begint, voor een nieuw probleem en schept voor jou een nieuwe toestand. Het stelt je op een bepaalde plaats. Ongeacht, wat je stoffelijk en redelijk zou denken, hoor je juist daar thuis en nergens anders. Jij hebt niet uitgemaakt, dat dit je taak zal zijn. Je hebt hieraan geen schuld, dit is niet alleen jouw verdienste. Je mag dit niet als een blind noodlot of een karma zien. Zie het als een ingrijpen van de Allerhoogste zelf. Zo moeten wij bestaan, zo moeten wij leven. Onder deze omstandigheden juist moeten wij het goede en het Lichte in het leven leren ervaren en uitdragen. Juist in de toestand, waarin je door het leven wordt gebracht, moet je zonder begeren en zonder angst leren juist te handelen. Daaruit bouw je je eigen beeld op.

Ik zou hier de vergelijking van zo-even verder door kunnen voeren. Wanneer ik de ingewijde vergelijk met Osiris op het ogenblik, dat hij uit de vele delen van zijn wezen tot een eeuwige werkelijkheid herrijst, zodat zijn taken samen vloeien tot één geheel en zijn gehele wezen blijvend is geopenbaard, zo mag ik ook wel zeggen, dat de gewone mens in al zijn goed willen, zijn streven en pogen verbrokkeld is. Hij leeft tien tot twaalf dingen tegelijk. Hij is nooit tevreden met de staat, waarin hij verkeert. Hij zou het altijd precies hetzelfde willen hebben. Degenen, die slank zijn, willen dikker worden, degenen die dikker zijn willen slank worden. De armen willen rijk zijn, de rijken denken, dat zij armer willen worden, al geloven zij dit niet altijd zelf. Wie zich groot gevoelt, wil graag wat kleiner, wie zich klein gevoelt, wil graag wat groter zijn. Geen normaal mens is tevreden met de plaats, waarop hij door het leven gesteld is. Niet tevreden bedoel ik niet een berusten. Dat is iets anders. Ik bedoel een werkelijk en bewust aanvaarden.

Wanneer een mens aanvaardt, wat hij is op dit ogenblik, aanvaardt, wat hem nu als grote zorg of groot probleem wordt gegeven, de vragen, die hij op moet lossen, of als een geestelijke last op de schouders ligt, verkrijgt hij inzicht. Dan vindt hij daarin een waar beeld van zichzelf. Maar wanneer hij voor plaats, beleven, of probleem bang is, zal dit nooit kunnen gebeuren. Wie bang is, zegt het oude Boek, roept over zich het sombere leger van Seth, zij, die duisterder zijn dan het diepste duister, zodat zelfs het Lichtloze hen nog tot Licht wordt. Degene, die alleen maar begeerten kent, leeft in de toverbeelden van zijn fantasie, waarin nooit een verwerkelijking kan bestaan, waarin hij zichzelf nooit waarlijk kan leren kennen. Dan is hij als een ezel, die zich een vorst waant, of als de vorst, die niet beseft dat hij een ezel is

In angsten en begeerten loop je altijd vast. Denk je teveel aan gisteren of morgen, dan loop je vast. Maar aanvaard je het leven, zoals het nu is, als een taak en vraag je je niet af, of jij deze taak af zult moeten maken, zodat dit een ander zal zijn, dan bouwt zich hieruit steeds weer een duidelijk beeld van je ware Ik op. Tenminste, wanneer je de taak steeds zo goed en zo volledig mogelijk volbrengt, als het leven je toelaat. Degene, die het ware Ik kent, is de meester. Niet alleen de magiër, die op de troon zit, maar ook de gehangene uit de tarot, de ingewijde. In de rota, de tarot, wordt de ingewijde afgebeeld als een man, die met het hoofd naar beneden met één been aan een galg hangt. Dit is de voorstelling van de ingewijde, die los staat van de wereld, zal lijden onder de onvolkomenheid van die wereld, omdat hij nog niet kan beseffen, hoezeer hij één moet zijn met het totale zijn en zichzelf daarin op moet lossen. Hij is wel ontwaakt uit de dood, maar nog niet de actieve Osiris geworden, die in taak en reizen onderwereld en hemelwereld verenigt.

image_pdf