Geest en vormloosheid

Degene die deze titel heeft bedacht zal ongetwijfeld zijn geïnspireerd door alle verhalen van Zomerland, van een bepaalde sfeer en daarbij de stellingen en verhalen, die men ook hier heeft kunnen horen dat de wereld van de geest eigenlijk er een is van de gedachte.

Als u kijkt naar de geest en probeert haar kort te omschrijven, dan kunt u als volgt zeggen: De geest is een aantal variaties in een vaststaand energieveld dat ziel wordt genoemd en dat deel is van de oerenergie. Het geheel van deze variaties vormt een eigen relatie met de buitenwereld en heeft de mogelijkheid tot een eigen emissie van signalen in die buitenwereld. Dan hebben we het idee van de vormloosheid. Iets wat vormloos is heeft geen vorm, dat is duidelijk. Maar hoe kan men zich dat voorstellen in verband met een geest? Misschien heeft u wel eens op de een of andere Bühne gezien, dat men droog ijs neergooit dat dan met een heerlijke damp een soort wolkendek legt over de vloer. Stel u nu voor dat dat wolkendek fijne materie is. Stel u verder voor dat iemand in staat is een zo snelle beweging te maken dat daardoor een deel van dit wolkendek met behoud van consistentie wordt afgezonderd van de rest. Dan ontstaat er een vorm uit het vormloze. Toch is de essentie van het vormloze dezelfde gebleven. En toch is de kracht die wordt aangewend op zichzelf niet zichtbaar, niet kenbaar, ze is eenvoudig het gevolg van een beweging.

Wanneer u overgaat en u kijkt als geest naar uzelf, dan denkt u aan uzelf zoals u bent geweest, dus een mens. En alle kleinste deeltjes en alle trillingen die aanwezig zijn, vloeien samen en bevestigen die vorm. Als u dichtbij de aarde bent, dan heeft u nog wel eens kans dat, als u teveel verdicht bent, een ander tegen u oploopt en u voor spook uitscheldt. Als je denkt aan het weer, dan denk je niet alleen maar aan het weer, dan denk je aan een hemelkoepel, je denkt aan wolken of zon, je denkt aan een aarde die daaronder ligt. Met andere woorden: het begrip weer is een zodanig associatief geheel dat, als je dit begrip in je opwekt, er een groot aantal beelden ontstaat.

Als je in het licht bent, dan denk je: wat een lekker weer, en opeens realiseer je je, er is een aarde, er is een hemel, er zijn wolken. En mooi weer houdt in bos, planten, bloemen enz.. Of een ander denkt: een gezellig pleintjes: dan zijn er huizen en een pleintje. Want die gedachte die u uitstraalt heeft de neiging ‑ en dat is in bepaalde sferen sterker dan in andere ‑ om de daar aanwezige energie zodanig te verdichten dat die vormen ontstaan. Een geest is dus in wezen wel vormloos, maar omdat hij een besef heeft dat aan vorm gebonden is, zal hij zich in vorm uitdrukken. Op het ogenblik, dat hij die vormgebondenheid in zijn denken verliest (b.v. dat hij mooi weer eerder met een gevoel van harmonie gaat associëren), dan is er geen aarde meer nodig, geen hemel, geen wolken, geen zon en dus ook niet de bijkomstigheden van het bankje in het park, de mooie bomen, de zwaantjes in de vijver enz..

Het is duidelijk, dat er op zo’n moment een wereld ontstaat die vanuit menselijk standpunt werkelijk vormloos is. Ze heeft namelijk geen omschrijfbare contouren. Er zijn wel waarden afleesbaar op de een of andere manier, maar je kunt ze niet meer vertalen: er zijn geen woorden voor. Er zijn ook geen beelden voor te vinden. Nu kan een harmonie natuurlijk veel omvattender zijn dan het beste beeld van een wereld dat je hebt. Harmonie kan mijnentwege (laten we in de termen van de begroting blijven) zo’n 50 miljard verschillende zielen omvatten. Ieder legt iets van zichzelf daarin, maar het is geen vorm meer. Het is eigenlijk een analyse waarbij alles wat elk van de delen gemeenschappelijk bezit in volledigheid door elk daarvan wordt beleefd, en wel aangevuld met alle waarden, waarderingen, erkenningen en emoties die een ander t.a.v. het punt van harmonie bezit. Dat is natuurlijk heel wat anders dan een Zomerlandbeeld.

Men heeft wel eens gevraagd: Is het alleen in Zomerland dat er vormen zijn? Een van ons heeft toen geprobeerd om duidelijk te maken dat ook het duister, het onbehagen, vorm kan krijgen. Voor sommige mensen is onbehagen milieuverontreiniging. Maar om milieuverontreiniging te hebben met er een milieu zijn. Je staat in hetzelf­de landschap, maar overal liggen er flarden papier, lege blikjes, vissen drijven met de buik naar boven dood in de sloot, de zwaan heeft het ook allang opgegeven. Dan zit je nog steeds in een wereldbeeld dat je zelf hebt gewekt, maar waarin je onbehagen is geworden tot een bestaan in een milieu dat een asvaalt is. Je droomt misschien van contact met mensen, maar je bent bang, angst, duistere straatjes, eigenaardige panden, geheim­zinnig gedoe. Prompt ontstaat er dan ook een duistere straat, duistere din­gen. Anderen, die met diezelfde vreemde dingen behept zijn, zien in u het monster die u in hen ziet. Uw wederkerige afkeuring, uw angst, uw verwer­ping maakt van u beden t.a.v. elkaar een soort martelende demonen. Er is dan niets werkelijk, het is alleen de gedachte. De hele omgeving is feitelijk nog steeds zonder vaste vorm, zonder vaste inhoud. Maar u gaat uw eigen inhoud daaraan toekennen en daardoor wordt het voor u een beleefbare wereld. U kunt tot tamelijk ver in het duister gaan en nog steeds der­gelijke vormen en zaken ontmoeten.

Dat het in de Zomerlandsfeer een beetje anders is, zal wel duidelijk zijn, want je voelt je daar gelukkig. Er is een aanvaarding van jezelf en dat betekent al heel veel harmonie, heel wat vrede. De mens, die zichzelf aanaardt, ziet het bestaan als iets waar hij “ja”, tegen kan zeggen. Dit impliceert, dat hij ook alles positief ziet, positief interpreteert. Als je een ander ziet, dan moet dat wel een lichtende gedaante zijn een prettig iemand of op z’n minst genomen een soort buurman waar je graag mee wilt praten. Dat kan geen afschrikwekkende gedaante meer zijn. En als iets zo omvattend, zo sterk, zo hoog is dat je het zelf niet meer kunt bevatten, dat je aanvoelt, er is veel meer, dan heb je daar wel geen voorstelling van, maar dan denk je altijd nog dat is zoiets als de lichtende zuil die eens het volk Israëls voorafging. En dan zie je een lichtende zuil met glanzen, eventueel met bliksemschichten als het nodig is en je voelt je er thuis bij. Je gaat erbij zitten en je denkt: hier spreek ik met God.

Die zuil is er niet. U bent er wel, maar niet zoals u denkt dat u er bent. De hele wereld rond­ u bestaat niet in de zin van vormen, omschrijvingen, definities, indelingen, graderingen zoals u ze beleeft. De wereld is nog steeds vormloos, maar u heeft er de vorm ingebracht. Het is verkeerd te denken dat het alleen van uzelf uitgaat. Kijk, als we niet alleen zelf zouden zijn, dan zouden we er gemakkelijk af kunnen komen. Dan zouden we zeggen: Je projecteert op het lege doek van het bestaan in een sfeer eenvoudig je denkbeelden. Maar dan blijft het twee dimensionaal: het is niet diep. U doet echter veel meer. U geeft een voorstelling en een ander kan die aflezen. Ook al leest hij in feite uw gedachten af, maar voor u is het werkelijk, dus die ander beschouwt het ook als werkelijkheid. Hij kijkt ernaar en ziet dan details die u weer niet heeft gezien. Laat mij een eenvoudig voorbeeld geven, misschien dat dat de zaak verhelderd:

Een man van de soort die de andere sekse zeer op prijs stelt, kijkt naar andere entiteiten. Hij erkent haar vrouwelijke elementen en ziet vrouwelijke schoonheid. Maar vrouwelijke schoonheid in een hobbezak, want hij is nooit gewend geweest te kijken naar het stukje tussen het “frontbalcon” en de onderdanen. Nu kijkt hij naar die vrouw. Deze zegt: “O, zie je ons zo mooi? Dat is heerlijk, want ik heb een mooie robe aan.” Ze geeft dan de details. Waarop de man zegt: “Ja, ik kijk nu wel naar dat gezicht en de benen, maar er zit nog aardig wat tussen in, een mooie afkleding. Dan zit er aan ander bij die zegt: “Een vrouw is niet compleet zonder juwelen” en denkt daar een diamanten collier bij. En hup, daar hangt het diamanten collier. Je begint dus eigenlijk met niets, behalve de erkenning: dit is een andere persoonlijkheid die eens vrouw is geweest en je eindigt met een opgetuigd fregat waar een barones jaloers op kan worden. Misschien dat u nu een beetje gaat inzien waarom dat zo complex is.

Als we spreken over het vormloze of de vormloosheid, dan zegt men: Dat kan ik mij niet zonder meer voorstellen. Wat betekenen nou al die verhalen? Lieve mensen, als u uw ogen dicht doet, dan ziet u niets, maar u droomt. Als u droomt, dan loopt u in een wereld. Die wereld is er misschien helemaal niet of niet meer. U spreekt met personen die er nooit zijn geweest. U spreekt met personen die allang van de aarde weg zijn. Toch is dat werkelijk. Moet ik dan zeggen dat hier iets wat in u vormloos is, wanneer u overdag bezig bent, geïnspireerd door alles wat er in u bestaat ineens in de droom vorm aanneemt? Toch verdwijnt dat weer: het is niet vast. Was dat maar waar! Je droomt dat je de honderdduizend wint. Je wordt wakker en daar ligt het op je nachtkastje. Maar zo is het nu eenmaal niet. Je droomt dat je het hebt. Je wordt wakker en je constateert, als je je al iets herinnert met enige weemoed dat het nog niet zo is.

Dat is nu eigenlijk de essentie van de vormloosheid waarmee wij in geest voortdurend te maken hebben. Alleen met dit verschil: mensen dromen over het algemeen alleen voor zichzelf en vanuit zichzelf. Geesten denken, maar vormen gelijktijdig harmonieën. Zij dromen hun wereld tezamen. Maar als ze ophouden te dromen, dan houdt de wereld op te bestaan. En toch is ze ergens uit opgebouwd, ze is niet alleen maar een illusie. Want in een sfeer zijn krachten, energieën, zelfs krachtvelden aan te tonen. Wij kunnen zeggen: op dit punt hebben we een veel scherpere verwerking van details dan op dat punt. Zoals u misschien zegt: vandaag was het in Lissabon iets warmer dan in Amsterdam. Je zou dat menselijk gezien misschien kunnen uitrekenen in isothermen en isobaren, maar het geheel heeft geen gestalte. Het is alleen maar energie, zoiets als elektriciteit.  Elektriciteit zie je niet. Je kunt die wel voelen. Steek maar twee vingers in het stopcontact. Je kunt de werking ervan ook zien. Draai maar eens de schakelaar om en de lamp gaat branden. Werkelijk zien doe je het niet. Dan kun je zeggen: Maar er kunnen vonken uit springen. Dat is niet de elektriciteit die u ziet. De vonk is in feite een gloeiingverschijnsel dat in de lucht ontstaat op de doorslagbaan van de elektronen die u nog steeds niet kunt zien. U zou zelfs kunnen zeggen: elektriciteit op zich is vormloos. Stel u een wereld voor die alleen is opgebouwd uit elektriciteit – vormloosheid par excellence. Beschouw uw gedachten nu maar als de radio, de televisie, de wasmachine etc. dat u inplugt en daardoor begint te werken. Dan ontstaat er een verschijnsel: maar alleen door u, aan de hand waarvan u kunt constateren dat die energie er is. Nu weet ik wel dat er weer moeilijkheden komen, als we gaan filosoferen. Want wat is die energie? Ja, dat is God, zeggen ze dan. Maar waarop verschilt het ene deel van God met het andere? Moeten we zeggen dat God een soort flatgebouw is met verschillende etages? Dat is een beetje te gek. Laten we maar gewoon zeggen: Misschien is er een oerkracht waaruit al die krachten zijn afgeleid. God zelf is ook vormloos, niet definieerbaar. God is er wel, maar als je goed kijkt, is Hij er niet. Niet omdat Hij niet bestaat, maar omdat Hij niet waarneembaar is. God is het vormloze. De krachten die uit Hem voortkomen zijn voor ons ook het vormloze.

Dan komt er een ogenblik, dat we een deel van die kracht gaan erkennen. Het vormloze wordt voor ons opeens registreerbaar en daarmee in onze termen en binnen het kader van onze wereld omschrijfbaar. Dan is de hoogste sfeer misschien iets waarover een ander spreekt als licht. Je kunt niet zeggen wat ze betekent voor degenen die daar binnen zijn. Voor jou is het alleen een kenbare straling, een inwerking. Mogelijk een emotie, soms tegelijkertijd een gevoel van verrukking en ontzag. Maar wat die we­reld inhoudt en wat de bewoners eigenlijk zijn en denken, dat weet je niet. Het blijft vormloos, onbestemd, onbepaald. Het enige dat constateerbaar is, is de kracht daarin.

Zo is het ook met God. Net zo lang, totdat we op een punt komen waar de energieën in een orde van grootte vallen waarin wij ze zelf kunnen manipuleren. Dat betekent dat wanneer ons eigen vermogen als geest een bepaalde intensiteit heeft bereikt. wij daardoor een vormend vermogen krijgen over elke energieopeenhoping waarin die intensiteit niet wordt overschreden. Er kan wel steeds meer bijkomen, maar het moet op dat niveau blijven.

Als je nu probeert om God erbij te halen, dan zitten we met de enge­len en al wat daarbij komt. Dan zitten we met de schilderkunst, de fabelen vanaf de oudste pantheons tot heden toe. Het brengt ons niet veel verder. Wij kunnen alleen constateren in tegenstellingen, door indeling. En als wij ‑ kijkend naar God ‑ zeggen dat een bepaald deel van de werkelijkheid God is, dan wordt Hij voor ons omschrijfbaar. Hij krijgt in zekere mate vorm en gestalte, totdat we beseffen dat Hij alles is, dan …. weg, Hij is er niet meer. Als we een wereld zien ‑ dat mag ook uw wereld zijn ‑ dan zien we daarin allerlei dingen. Zolang wij in staat zijn de omstandigheden een beet­je naar onze hand te zetten, krijgen wij iets waarvan we kunnen zeggen: Nou, dat zit goed. Deze zaak valt uiteen in twee dingen:

In de eerste plaats: als wij deze wereld goed bezien, dan blijkt, dat wij de economie kunnen regeren door onze gedachten aan de economie op te leggen.

In de tweede plaats, zolang de economie verloopt volgens onze denkbeelden, denken de mensen dat het met de economie goed gaat en wensen de mensen dus onze denkbeelden te volgen en ze de vorm te geven waardoor zij beseffen dat de economie goed is, zelfs als iedereen zegt dat het slecht gaat. Als u dat zo bekijkt, dan zit u ineens voor een probleem. Het is ook in de mensenwereld niet zoals men het ziet. Het is zoals u het wilt zien.

Nu zal een mens niet aan alles voorbij kunnen lopen. Als daar een muur is, kunt u niet zeggen: Die is er niet, dus loop ik daardoor heen. U kunt het wel zeggen, maar als u dan bijkomt, dan denkt u er toen wel anders over. U kunt de feiten op aarde eenzijdig zien. De meeste mensen doen dat ook. Dat wil zeggen, dat hun wereldbeeld ook niet helemaal waar is. Dat wil weer zeggen, dat hetgeen u denkt en voelt eveneens niet in overeenstemming is met de waarheid. U kunt dan natuurlijk wel op uw achterbenen gaan staan en roepen: Het is een schande die stierengevechten. Maar er zijn mensen, die dit nu juist als het summum zien van gratie, van bekwaamheid, van mannelijkheid. Die mensen zien het gewoon anders. Als u zegt: Ik vind dat dierenkwellerij, dan zeggen zij: Hoe komt u daarbij. Dat dier krijgt de kans om een eervolle dood te sterven. Dat is toch veel beter dan afgeslacht te worden zoals het bij jullie gaat voor de biefstuk. Op deze manier leef je dus niet in de werkelijkheid, maar in een eenzijdige werkelijkheid.

Nu heeft u nog altijd de controleerbare feiten zoals de muur waar u niet doorheen kunt lopen en dat soort dingen. Bij ons ontbreken die. Maar wij bouwen onze werelden net zo goed op een gemeenschappelijk oordeel op, gemeenschappelijke veronderstellingen. Wij geven onszelf ook namen. Denk maar aan “De Orde der Verdraagzamen”. Wij denken dat we daardoor anders zijn dan een ander. Is dat waar? Wij weten het niet, want het wezen van de geest is vormloos. Het bestaan van de geest is een concretiseren van gedachten in een totale vormloosheid waaruit een schijnwereld ontstaat. Maar die schijnwereld is een directe weergave van bewustzijnsinhouden en berust, als je alles nagaat, in wezen op de energieverstoringen binnen het geheel dat zich “ik” noemt, dat zich geest noemt.

Iemand, die worstelt met dit begrip van vormloosheid, zal altijd zeggen: Je moet toch kunnen zien dat iets er is. Daarbij gaat de mens onwillekeurig visueel te werk. Of: als het niet gezien is, dan moet je het toch kunnen horen of kunnen ruiken. Maar er zijn gassen die je niet kunt zien, niet kunt ruiken, niet kunt horen, maar als je daar lang genoeg in bent, dan ben je wel vlak bij de overgang. Kun je dan zeggen dat dat er niet is? Neen, anders zou je er niet aan doodgaan. Het is er dus wel, maar het is niet iets wat valt binnen de orde van grootte van het voorstelbare of waarneembare. En daar hebben we dan het punt: Het vormloze op zich is het geheel van het voor ons niet waarneembare en niet voorstelbare waaruit effecten ontstaan die voor ons waarneembaar, kenbaar, uitbaar of reproduceerbaar zijn. Het gehele zijn berust op een niet te definiëren geheel of op iets waaruit voortdurend delen kenbaar kunnen worden gemaakt, wanneer een denkend vermogen zijn eigen interpretatie uitstraalt in die kracht, in dat wonderlijke onkenbare.

Hierin ligt de sleutel voor alle sferen, dus ook de sleutel voor de inwijdingen. De ene inwijding gaat door vlammen, de andere worstelt met slangen, de derde heeft weer iets nieuws ontdekt, misschien een strijd met demonen. Betekent dat dan, dat die inwijding reëel is? Vergeet dat maar. Het betekent alleen, dat bepaalde inwijdingen tot bewustzijn pas bereikt kunnen worden, indien het “ik” de tegenstellingen die daarin bestaan op een zodanige wijze aanvaardt of heeft verwerkt, dat men daardoor de tegenstellingen terzijde stellend een groter vlak van bewustzijn kan vormen voor de totaliteit. Dat is nu het hele eieren eten. De geest is het bewustzijn. De overgang van sfeer tot sfeer is zoiets als een inwijding. Het is een verandering in uw besef. Maar het betekent wel degelijk dat u moet afrekenen met een aantal waarden, die nu als tegenstelling ín u en daardoor vóór u in de wereld bestaan, omdat u pas als dat als geheel wordt beseft in staat bent om de tegenstelling te zien tussen dat geheel en de rest van het zijnde. Zo komt men steeds dichter bij de totaliteit.

In elke sfeer, in elke inwijding blijven er tegenstellingen bestaan tot aan de laatste bereiking. In die laatste bereiking vallen de tegenstellingen weg en daarmee elk denkbeeld van kenbaarheid of omschrijfbaarheid, ja, zelfs van beleefbaarheid in menselijke termen. Wat er overblijft is bestaan, maar het onttrekt zich aan alle omschrijving, aan alle kennen.

Zo ga je de weg door de sferen. Zo ga je als geest (het in wezen vormloze dat uit zichzelf voortdurend de vormillusie produceert om zo zichzelf te kunnen omschrijven) langzaam maar zeker naar werelden waarin steeds minder tegenstellingen zijn en waarin het “ik” daarom steeds minder de behoefte heeft zichzelf te omschrijven, maar zich slechts in zijn gerichtheid of in daden nog wenst te erkennen.

De vormloosheid is het bestaan zoals het is, wanneer de waan van denken, zijn en wezen (het “ik”) verdwijnt. Maar wie kan in het verdwenen van al waardoor het “ik” zichzelf bepaalt bewust nog leven? De vorm is het gegeven waardoor we onszelf aanvaarden en erkennen. Slechts langzaam zullen we gewennen aan het verwerpen van de vorm, het aanvaarden van de vormloosheid zonder dat het “ik” zichzelf ontkent als zijnde. Daarom, menselijke tijd en geestelijk bestaan zijn lang gebonden aan de vorm en aan de waan van tegenstelling en contrast. Eerst wanneer het “ik” zichzelf heeft aangepast aan al en niet slechts aan één deel, ervaart het een totaliteit waardoor de vorm verdwijnt als noodzaak en zelfs de vormloosheid niet meer omschrijvend is van wat het “ik” ervaart en noemt het Zijn.