Geest is en blijft geest

image_pdf

15 november 1955

Allereerst zullen wij eens informeren of u vragen heeft?  Heeft u vragen?

  • Er zijn inderdaad een paar punten, die mij onduidelijk blijven. In de eerste plaats: “Geest is en blijft geest. Zonder de stof zal zij zich niet kunnen handhaven op geestelijk geheel juiste wijze”.

Een heel aardige opmerking.  Geest is en blijft geest. Geest is een eigenschap van de ziel. Geest is een bewustzijn. Maar wanneer je die geest hebt, dan leef je daarmee op een zeker bewustzijnsvlak. Wanneer ik nu echter nog niet geheel het bewustzijn heb, dat behoort bij het vlak waarop ik leef (dus nog niet zover ben gevorderd, dat ik dat vlak beheers), dan zal de vormgeving van de geest ook onvoldoende zijn en mij zo onharmonisch in mijn wereld plaatsen.

  • Hoe is het mogelijk, dat men reeds op zo’n hoger vlak is?

Op een hoger vlak komen is (wat de eenvoudigen noemen) het binnen treden in een andere sfeer. Maar wij willen esoterisch bewust worden, nietwaar? Daarom gebruiken wij deze term liever. Een bewustzijnsvlak, of sfeer, hangt af van het aantal impressies ten opzichte van andere entiteiten, die op kunnen worden genomen door de persoon. Wanneer ik dus op een gegeven moment zover kom…. Laten wij als voorbeeld zeggen: U gaat naar Amerika of naar Frankrijk. Dan moet u een andere taal spreken. U beheerst deze taal enigszins. Zo kunt u dan ook met enig vertrouwen dat land binnen komen. Maar tot uw grote ontsteltenis blijkt dat uw school-Engels of Frans toch wel heel erg van de werkelijke taal verschilt. U denkt dat u om een bordje soep vraagt en in werkelijkheid vraagt u om een rauwe ossenstaart of iets dergelijks.

Ook andere misverstanden kunnen dan voorkomen. U denkt heel erg beleefd te zijn en u beledigt juist iemand. Daardoor kom je dan in een onaangename toestand. Je voelt jezelf niet thuis. Je bent niet harmonisch. Je bent dan geneigd om je uitingen zo veel mogelijk terug te trekken en onopvallend in een hoekje te gaan zitten. Maar dan heb je daar ook geen deel meer aan het leven. Dat kan een geest ook overkomen.

  • Wat wordt er bedoeld met: de klimmende kringloop van de incarnaties doorbreken?

 Aha. Daar komt de eerste die er een sleutel uitgevist heeft. Mijn compliment. Een klimmende kringloop zouden wij ook kunnen uitdrukken als een spiraal. Alleen heeft deze een begin en een einde. De kringloop van de incarnaties bestaat uit voortdurende levenscirkels, die steeds vlak boven of onder elkaar liggen. Wanneer ik nu een klimmende kringloop doormaak, dan is er in werkelijkheid slechts één levensgang. Waar ik echter niet in staat ben de kern, de as, waarom al mijn levens zich afspelen te bereiken, ben ik gedwongen om ervaring na ervaring langzaam verder te gaan, in plaats van geheel in de levensschakel in te treden, die ik zelf ben binnen het Goddelijke: Mijn eigenlijke kringloop. Treed ik echter bewust hierin, dan bevat ik het totaal van alle levens en levensmogelijkheden, die voor mij bestaan. Ik ben dan alle incarnaties in één leven geuit, alles volledig en volmaakt. Het doorbreken van de klimmende kringloop van de incarnaties, is voor de mens juist. Een dalende kringloop is voor u demonisch. De klimmende kringloop doorbreken wil alleen zeggen: u vrijmaken van de uiterlijkheden van het leven en daarvoor tot uzelf komen. Hierdoor wordt u deel van het Goddelijke, zodat u, voor uw eigen leven althans, binnen uzelf scheppend en dus als het ware Goddelijk wordt.

  • Men doet dat toch ook wel eens onbewust?

Zelden. Praktisch alleen bewust. En dat is begrijpelijk. Zich onbewust onttrekken aan deze kringloop betekent terugkeren tot het onbewustzijn. Dan kan weliswaar onbewust het Goddelijke ervaren worden, maar de bewuste ervaring blijft achterwege. Instinctief doorbreken gaat dus niet. Alleen het bewust, om niet te zeggen redelijk doorbreken van deze kringloop brengt ons de bewuste ervaring van het Goddelijke.

  • U heeft het ook gehad over: Alle begeren is uit den boze. Dan gaat u iets later verder: Wanneer het leven dat begrijpt zal het leven zichzelf kunnen openbaren in elke uiting van het leven enzovoort.

Sleutel twee. Het valt mij echt mee. Wanneer wij begeren, dan wil dat zeggen, dat wij een aparte houding innemen tegenover bepaalde dingen in het leven, onverschillig van welke geaardheid die zijn. Zolang wij begeren (het begeren dus in ons leeft en werkt) kunnen wij het geheel van het bestaan nooit als harmonisch ervaren. Wij scheppen tussen ons bezit, of ons begeren, een band, die een tegenstelling vormt tot de eenheid en het totaal van de wereld. Kunt u dat volgen? Het leven moet zich in God echter als geheel ervaren. Dat ligt niet alleen in mij, in wat ik begeer of bezit, het is in alles. Wanneer ik zonder begeren ben, is alles voor mij gelijk in waarde. Ik zal dan in alles ook gelijkelijk mee kunnen leven. Ik zal dus het leven in mijn gehele wereld dus binnen mijzelf kunnen ervaren.

  • De geest spiegelt zich eerst in een rijkdom van vormen en zal daarna de vormen elimineren. Is dat voor iedere geest hetzelfde?

Ja, dat is voor iedere geest hetzelfde. Elke vorm is een uiting van het ‘IK’. Wanneer dit ‘IK’ nu komt op een punt dat het het Goddelijke wil gaan benaderen, zal het zich eerst moeten gaan realiseren wat het zelf is. Hoe kan het ‘IK’ dit doen? Slechts door alle vormen, waarin het als ‘IK’-heid kan leven achtereenvolgens te zien. Daarna echter, vastgesteld hebbende wie en wat het is, kan het ‘IK’ die vormen eenvoudig terzijde leggen, elimineren, uit de aandacht weg doen vallen. Daarvoor in de plaats kan het dan zijn gehele wezen op en in het Goddelijke richten. Het is eigenlijk net als met iemand die netjes op zijn zondags uitgaat. Die gaat eerst even voor de spiegel staan. Wanneer het bijvoorbeeld een dame is, dan wordt even nog gekeken of de maquillage wel goed is. De neus wordt even bijgepoederd, een haarlok wordt nog wat netter geduwd. Er wordt nog even gekeken of de japon nu wel goed zit. De heren halen een kam door hun haar, trekken het dasje nog even recht.

Men verplaatst dus de aandacht van punt tot punt, om zo een perfectie van uiterlijk tot stand te brengen. Men wil voor zichzelf overtuigd zijn: Nu zie ik er werkelijk zo netjes en zo goed uit, als ik moet zijn. De geest die tot God wil gaan, kan dit niet, wanneer zij niet een gevoel van zelfvertrouwen, een zekere zelfverzekerdheid heeft. Om dit te bereiken moet zij eerst eens even nazien of alles bij haar nu wel in orde is. Zij spiegelt zich in een rijkdom van vormen, vóór zij er toe over kan gaan zichzelf te vergeten en alleen nog maar te leven met en in God.

  • Het is verkeerd daden te stellen terwille van de daad. Het is echter goed daden te stellen, omdat zij het ‘IK’ uiten in het leven?

Zeer eenvoudig gesteld. Het is niet goed te eten omdat het zo lekker is, maar wel om te eten, omdat en wanneer wij voeding nodig hebben. Dat is eigenlijk precies hetzelfde. Ons leven in de geest en ook in de stof reeds voor een groot deel, hangt af van de wijze waarop wij onszelf beleven en buiten ons kunnen openbaren. Wanneer wij dat, wat in ons leeft, buiten ons in de wereld kunnen zetten en zeggen: “Ziet, wij hebben wat geschapen”, dan zijn wij tevreden.

Wij moeten iets bereiken. Wij moeten onszelf wel in de wereld openbaren, anders kunnen wij geen vrede vinden. Is het duidelijker geworden? Hoe minder u van het licht zult vragen een uiting van uw eigen wensen en eigen denken, hoe dichter u zult komen bij de waarheid. Mag ik daar een eenvoudig voorbeeld voor geven? Dat is meestal de beste verheldering. Wanneer u staat in de wereld en u beziet het leven vanuit uw persoonlijk standpunt, dan is elke waarneming subjectief. Het is uw wereld. Niet dé wereld of dé waarheid. Hoe minder persoonlijke factoren in uw waarnemingen meespelen, hoe beter uw waarneming van de werkelijkheid wordt. Wanneer u door gekleurd glas staat te kijken naar een landschap, vertoont het andere effecten en waarden, dan wanneer u normaal het landschap beziet. De Schepping is een waarheid. Echter niet zoals wij dit zien en waarnemen, maar zoals God dit geschapen heeft. Om het Goddelijke element in de Schepping te kunnen herkennen, moeten wij onze eigen persoonlijkheid terug kunnen dringen. Hoe minder dus wij die wereld zuiver persoonlijk ervaren en hoe meer wij die wereld tot ons laten komen, hoe beter het is.

Zoveel te meer zal het Goddelijke zich in de Schepping aan ons openbaren. Zoveel te minder zullen onze eigen meningen de waarheid voor ons verhullen of misschien zelfs verdrijven. Nu, ik mag tevreden zijn. Ik heb in ieder geval er een paar leerlingen bij, die zich de moeite getroosten om alles na te gaan. Dat is wel heel erg prettig. Zij hebben zich door de materie heen geworsteld en zullen in ieder geval mee kunnen komen. Hoe staat het met de anderen? Bedenk wel, het is ook een esoterische waarheid, dat degenen, die zich in de ogen van anderen verhogen door hun eigen gebreken te verbergen, zich daarmee vernederen ten opzichte van zichzelf.

De wereld buiten ons. Wij kunnen vanuit onze eigen wereld door middel van ons eigen bewustzijn komen tot het vaststellen van een aantal grondwaarden en grondwetten in elke wereld, die er bestaat voor stof en geest. Wij vinden in de eerste plaats de materiële krachten ontleed tot een bepaalde grondvorm. Deze zelfde norm vinden wij terug in het geestelijk bestaan. Waar alles (let wel alles) wat wij ontleden deze dezelfde waarde, die voor ons verklaarbaar noch omschrijfbaar is, als grondslag vertoont, moeten wij wel tot de conclusie komen, dat deze kracht waar is, of deel van de waarheid. Met andere woorden: De wereld buiten ons is een waarheid, een realiteit. Het is dwaasheid om de wereld te verwerpen.

Een vriend van mij, zei dat heel aardig: Kijk eens, Boeddha werd geboren uit de koningin Maya. Hij bedoelde daarmee natuurlijk de laatste Boeddha, de Gautama. Maya is begoocheling. Boeddha betekent: Hoogste bewustwording.

Hieruit volgt dat de bewustwording uit de waan wordt geboren. Met andere woorden: het resultaat van de schijn is de waarheid. Dit moeten wij vasthouden wanneer wij na het voorgaande de buitenwereld beschouwen. Wij weten dat een groot gedeelte van hetgeen ons omringt, door ons niet zuiver wordt gezien, niet zuiver wordt aangevoeld en niet zuiver geaccepteerd. Wij zijn bekrompen, zeker, wanneer wij in de stof zijn, binnen onze soort, binnen onze denkwijze, binnen onze wereld. Ook wanneer wij geest zijn nog. Resultaat: de beperking van onze waarneming is de grondslag van alle waan. Hieruit volgt….. Aardig voor u om eens te beschouwen, wanneer u dat wilt. U kunt er lang over mediteren. Ik zelf ben de leugen, die wordt geboren uit de Goddelijke waarheid, omdat ik niet de waarheid, maar mijzelf stel als middelpunt van al het zijnde.

Wij kunnen ons bestaan nu eenmaal niet anders indenken dan zich ook afspelende rond ons. Wij willen uit dat bestaan een bevrediging voor onszelf hebben als middelpunt van deze wereld. Wij zoeken niet de organische functie te erkennen, die toch ook wij binnen de Schepping moeten hebben. Wij zoeken in tegendeel de beheersing van de wereld rond ons, van alles wat wij waarnemen om zo de wereld tot een dienende factor voor onze ‘IK’-heid te maken. De wijze van wereld-benadering betekent, dat de wereld buiten ons voor ons tot leugen wordt. Want wij kunnen in die buitenwereld alleen datgene waarnemen, wat in onszelf leeft. Al wat niet in ons aanwezig is en in de buitenwereld wel bestaat, zien wij niet. Daarentegen zullen wij om een afgerond geheel te krijgen van hetgeen er zich in die wereld rond ons afspeelt verschillende factoren aanvullen. Wij zoeken een methode om een te onvolledig beeld vanuit ons eigen wezen aan te vullen. Het voor onszelf zijn dus te vervolmaken en het in te passen in ons schema. Niet in het werkelijke schema, maar in ons schema van het Al. U kunt zich dat het beste voorstellen, wanneer u denkt aan het beschouwen van verschillende voorwerpen, dat u doet. Voorbeeld: U staat voor een huis. U weet niet, dat daar kamers in zijn. Weet u, dat dat huis driedimensionaal is, tenzij u toevallig een zijvlak daarvan waarneemt? Neen. Toch vult u dit huis aan tot een volledige woning. U gaat daarbij zo ver, dat wanneer men u voor een gevel zet waarachter niets aanwezig is, u toch zegt: Dit is een huis. (Iets, waarvan overigens de filmproducenten rijkelijk en gaarne gebruik maken). Zie ik echter een stukje waarheid, dan legt dit de nadruk op mijn eigen onbelangrijkheid. Nu moet ik dat, wil het mij aannemelijk zijn, aan gaan vullen tot iets, dat mij mijzelf aanvaardbaar maakt: Zou u uzelf in het ware perspectief zien, dan zou u tegen uzelf moeten zeggen: “Zie, ik ben maar heel onbelangrijk. Andere dingen zijn veel belangrijker.

Maar ondanks mijn onbelangrijkheid moet mijn bestaan toch een doel hebben. Wat is het doel van mijn bestaan? Een doel moet ik hebben, want waarom zou ik anders als iets onbelangrijks bestaan?” Maar dat doet men niet. Integendeel: Men gaat zeggen: “Aangezien ik schijnbaar onbelangrijk ben, moet er ergens een verborgen afmeting zijn, die mijn gevoel van belangrijkheid rechtvaardigt. Er is een dimensie in de Schepping die mij (mens of geest) maakt tot een uitverkorene, tot heerser.”

Dat is niet waar. Het is waan. Maar omdat ik alle dingen zo benader, zal ik ook alle dingen zien als ondergeschikt aan mijzelf. Een mens ziet een plant als iets, dat er voor hem is: Om te gebruiken. Hij ziet de plant niet als iets, dat voor zichzelf naar een ontwikkeling streeft, maar als iets, dat hem vruchten moet geven of schoonheid. Hij ziet een dier niet als een zelfstandig wezen, maar als iets waaraan hij eisen kan stellen, dat hij kan gebruiken en desnoods doden.

Dat is natuurlijk een grote fout. Maar de mens ziet ook de ster als een lichtpuntje en de zon als een licht, dat om zijnentwille bestaat. Hij denkt er eenvoudig niet aan, dat dit ook persoonlijkheden zijn, die naar een eigen ontwaken, een eigen bewustzijn streven.

In de sferen is het al precies hetzelfde: Wij zien een hoge geest. Als een zuil licht bijvoorbeeld.

Dan kijken wij daarnaar en zeggen: Wat zijn wij toch gelukkig. Wij zijn toch wel in een lichte sfeer. Dan zijn wij toch al betrekkelijk bewust. Wat zijn wij toch gelukkig, dat die hoge geest zich verwaardigt, tot ons neer te dalen. Het moet toch wel een zuivere, hoge sfeer zijn die wij hier hebben. Wij kijken helemaal niet naar al hetgeen er van die geest nog ver beneden ons geuit is. Wij kunnen ons eenvoudig niet voorstellen, dat die geest nog verder af zou dalen. Hij is bij ons. Maar wij zien niet dat deze hoge geest rijkt van de hoogste tot de laagste sfeer. Wij nemen eenvoudig aan, dat die geest er alleen maar voor ons is en gevoelen ons daardoor nog eens zo goed en eens zo gelukkig. Juist omdat die geest bij ons is geweest. Het duurt dan ook voort, wanneer die geest weer weg gaat.

Maar ook dat is niet: waarheid. Het is alleen maar de wereld buiten ons, zoals wij die zien en zoals wij die projecteren. Daarom is het wel belangrijk dat wij, juist wanneer het gaat om leerstellingen die u zeggen dat u zelf alles bent (dat u zelf in de schepping mede scheppend en mede verantwoordelijk bent) dit onder uw aandacht brengen. Want u bent alles, maar alleen doordat u deel van de goddelijke kracht bent. Bedenk dit wel. U komt anders al snel in de verleiding om te zeggen: Ik sta in het centrum. Ik ben deel van God. Dan moet die rest toch… Ja, wat moet die rest dan? Je gehoorzamen? Moet die rest er dan voor u zijn? Maar die rest is evenzeer deel van het goddelijke als u. Daarom zoeken wij de wereld buiten ons te vinden in waarheid, zover wij die kunnen benaderen. Dat is voor ons in de geest misschien iets meer dan voor u, maar ook voor ons is het zeker niet volledig.

De wereld buiten ons is deel van ons zijn. Niet van ons bewustzijn, maar deel van ons werkelijk wezen. Wanneer er een factor, een feit, werkelijk weg zou vallen in de wereld buiten ons, zouden ook wij niet meer bestaan, omdat de gehele structuur van de Schepping, bestaande nu als volmaaktheid, dan zichzelf vernietigend, ineen zou storten. Er is geen preferente belangrijkheid van dit deel van het leven, of van dat. Dit stukje van een bestaan, of dat. Want alles is volledig gelijkwaardig. Alles, is gelijk in de waarheid. Er is in de wereld buiten u geen goed en geen kwaad, geen licht en geen duister. Al wat u ziet als goed en kwaad, als licht en duister, wordt geboren uit u, ontstaat en bestaat uit uw eigen wezen en niet in en uit de werkelijkheid.

Wij zien mensen rond ons of geesten en denken dat wij juist met deze tezamen verder moeten gaan. Wij gevoelen dit als een behoefte en hebben (dit zij met nadruk vermeld) het recht om tezamen te gaan, om elkaar te helpen en bij te staan. Maar in werkelijkheid gaat onze verplichting verder tegenover de Schepping en heel wat minder ver tegenover onze medemensen en medegeesten. Wanneer wij dit als belangrijk zien, dan is het een belangrijkheid, die wij krachtens ons oordeel geven, niet een belangrijkheid, die zij zelf bezitten. Alles is gelijk in alle levende kracht. Wanneer wij het zó beschouwen, dan worden de vormen, die de wereld buiten ons nu heeft, wel heel onbelangrijk. Dan is er eigenlijk over vorm weinig te zeggen: de vorm is alleen maar een beeld van de in ons levende waan en voorstelling. Hoe kunnen wij dit geestelijk begrijpen en beleven? Hoe kunnen wij ons bewust worden van het feit, dat het leven waarheid is en niet slechts: onze waarheid? In de eerste plaats door steeds meer af te zien van al datgene, wat onze persoonlijke beoordeling hecht aan de dingen buiten ons. Welke factoren zijn daarvoor in mens en geest het meest bepalend?

Angst en begeerte. Wij behoeven niets te vrezen, want in alles is het Goddelijke leven. Wanneer wij het Goddelijke daarin aanvaarden en niet slechts de schijnvorm, die uiteindelijk alleen door ons zo wordt gezien, zullen alle dingen, met ons verwant zijnde, gelijkelijk ons ware bestaan versterken en verstevigen en niets in ons vernietigen, dat waardevol is.

Wij mogen niets begeren, want wij hebben deel aan alles en recht op alles. Maar indien wij ons gaan richten op één ding, in plaats van op het zijn met al zijn vormen, verstoren wij in onszelf een evenwicht en wordt de disharmonie in ons sterk onderstreept door de kracht, die ons er toe brengt te kiezen. Begeren is verkiezen. Verkiezen boven iets anders. Het toekennen van een relatieve waarde. Wij zien het één en het ander. Wij prefereren echter één van beiden. Deze preferentie heeft werkelijk geen zin. Alles is gelijk. Op den duur zullen wij dus moeten leren van dit begeren afstand te doen, er onafhankelijk van te worden. Het mag voor ons niet meer de factor zijn, die ons de wereld vanuit een bepaald standpunt doet zien. Kerende tot de kracht, de levende kracht, die in ons is, kunnen wij de wereld zonder angst en begeren aanvaarden en door de volledige verwantschap met alle dingen alles bereiken en bezitten.

Het is echter duidelijk, dat wij vooral in het begin begeren en angsten niet zonder meer van ons af kunnen zetten. Het is echter noodzakelijk voor elke leerling, die naar bewustwording streeft, te begrijpen, dat alle begeerten en elke angst uit het eigen wezen wordt geboren. Dat elke angst en elke begeerte onbelangrijk is in het geheel. Dat het dus ook onbelangrijk is, hoe men daarop reageert. Het is alleen belangrijk, dat u zichzelf in de reactie niet weer voor een nieuw probleem stelt. Dat is het werkelijke en grote probleem van het bestaan. Want ons begeren stelt ons voor een keus. Wij gevoelen nu voor onszelf (ook al is dat voor het geheel onbelangrijk) dat wij deze kant uit moeten gaan en niet gene. Wanneer wij de verkeerde kant uit gaan is er in het Al niets veranderd, maar wel is er iets in onszelf veranderd. Wij hebben onszelf ontkend en moeten de eenheid met onszelf terug gaan zoeken. Hierdoor onvrede, vergroting van de waan, verlies van werkelijkheidswaarden.

De gedachte is het belangrijkste wapen, dat wij voeren in onze strijd om waarheid. Alle impressies die wij ontvangen, kunnen worden teruggebracht tot overwegend waan, tot wonderlijke problematiek, die eigenlijk een ondergang schijnt te betekenen. Ondergang van de in ons levende krachten, tot het ‘IK’ geheel onbewust een nieuwe ontwikkeling moet beginnen, ofwel de ondergang van deze wereld buiten ons en daarvoor in de plaats een waarheid. Wanneer ik denk, dan refereer ik aan hetgeen ik weet omtrent de werkelijkheid. Het denken is echter eigenlijk een verzameling van waanvoorstellingen. Wij moeten goed begrijpen, dat het denken is gebaseerd op het waarnemen van verschillen. Verschillen die niet werkelijk bestaan, maar slechts verschillen, die uit onszelf geboren zijn. Echter, zijn in alle gedachten bepaalde waarden gelijk. Datgene, wat wij gelijkelijk in alle dingen erkennen, moet een eigenschap zijn of van onszelf, of van het Goddelijke.

Waar wij ons vaak verzetten tegen impulsen, die vanuit de Schepping tot ons komen, kunnen wij aannemen, dat hier Goddelijke krachten zijn geuit, die vanuit de Schepping ook tot ons komen. Wij moeten dan trachten deze werkingen en drijfveren in ons bestaan zo te aanvaarden en te verwerken, dat er voor ons geen strijd uit voort komt. U zult zich er ongetwijfeld over verwonderen, dat ik de gedachte een wapen noem en u toch ontraadt te strijden. Onthoudt één ding echter goed: Een werkelijke strijd kunt u niet voeren. U kunt alleen strijden tegen een wereld, die uit uzelf geschapen is. U kunt aan de werkelijke waarden van de Schepping niets af of toe doen en er niets aan veranderen. U kunt alleen aan uw eigen leven en bewustzijn iets veranderen. Die veranderingen zijn wenselijk, wanneer uw wereld onvolmaakt is krachtens uw wezen en voorstelling. Dat is de strijd, waar Jezus het over heeft, waar Mohammed op wijst en waar de Boeddha het over heeft. Strijd, die wij overal terugvinden: de strijd tegen onszelf. De strijd om de volmaaktheid te vinden. Maar deze strijd, baserende op de wereld van heden, op het bestaan, zoals wij het thans kennen (onverschillig in welke wereld of sfeer) betekent ook, dat wij als Don Quichotte’s vechten tegen windmolens, die wij zien als monsters of betoverde reuzen. Degene, die zoekt naar bewustwording, begrijpt deze strijd, die het hoongelach van de goden zou kunnen wekken, indien zij niet zo diep tragisch ware. Hij begrijpt echter ook, dat een dergelijke strijd geen enkel nut heeft, dat zij een hersenschim is. Wanneer wij het element ‘strijd’ uit het leven willen bannen, moeten wij echter ook gelijktijdig onze houding tegenover de wereld, die wereld van ons, wijzigen. Wij moeten begeerteloos worden. Wij moeten afstand doen van angst en vrees, van vreugde, bezit en ervaringen. Daarvoor in de plaats komt dan onze eigen tendens om zelf te bestaan.

Eerst wanneer wij het punt bereikt hebben, waarbij wij zelf tot schijnbaar daadloze factoren zijn geworden, slechts handelende zover als onze omgeving, zover wij die nog kennen, ons dit dicteert, zonder echter zelf aan handeling of daad zelf ook maar enig deel te hebben, zijn wij dicht bij de waarheid. De waarheid is bestaan, leven. Al het verdere is een schijnvertoning.

Degenen die een rookwolk zien en daarin een ogenblik een beeld waarnemen, zullen nooit zeggen: “Zie, dat is nu het wezen van de rookwolk”. Zij zullen zeggen: “Een aardige warreling, die dadelijk weer vergaat”. De werkelijkheid is de rook, niet het beeld, de lijnen, die zij tekent.

De werkelijkheid is het leven, niet de vluchtige vormen, die er voor een ogenblik worden geschapen om dan weer onder te gaan. Eeuwig is de kracht, die in mens en geest werkt en leeft.

Eeuwig is ook de wereld buiten ons. Al het verdere is waan, geboren uit een onvolkomenheid.

  • Maar wat is dan de wereld, zoals de geest die ziet?

 Wel, wanneer u rond u kijkt, dan zegt u: Hier staat een tafel, daar een stoel, hier zitten mensen enzovoort. Is dit waar? Volgens u op het ogenblik wel. Voor de geest ziet het er al heel anders uit. Zij ziet uitstralingen, dus werkingen. Toch nemen de geest en ook u allebei hetzelfde waar. Een bewijs dus, dat de wereld niet zo is, als u ze ziet. Toch moet er iets buiten ons bestaan. Anders zouden wij niet allen iets waarnemen. U moet het dus zo stellen: De werkelijke wereld buiten ons is voor ons het totaal van de waarden of grondslagen, die wij allen hetzelfde ervaren.

Wanneer wij alles nu tot deze noemer terug gaan brengen, dan kunnen wij bijvoorbeeld zeggen: Al wat hier aanwezig is, is energie, gebonden in verschillende vormen, die bovendien samengaan met verschillende bewustzijnsvormen. Misschien zelfs verschillende bewuste entiteiten. Dat die entiteiten bestaan is een waarheid. Zij handelen buiten ons eigen bewustzijn om. Dat er verschillen in bewustzijn bestaan is ook al een waarheid. Die verschillen in bewuste uiting zien wij overal. Wij kunnen echter niet zeggen: dit is meer levend dan dat of dit is meer dood dan dat. Wij kunnen alleen zeggen: vanuit ons standpunt is dit meer bewust dan dat. Dat wil zeggen: meer gelijk aan ons eigen wezen en levensopvattingen. Maar alweer: De grondslag is altijd weer gelijk. Dit is dan de ware wereld buiten ons. De wereld buiten ons, die weliswaar in relatie staat met ons wezen, met onze geest, maar die onafhankelijk daarvan toch ook zijn eigen eigenschappen heeft. Grondeigenschappen, die voor alle sferen en alle bewustzijn gelijk blijven.

  • Dus de waarneming is niet gelijk?

Neen, inderdaad. Waarneming is voortdurend onvolledig en daardoor onjuist. Uw waarneming van een stoel, een bank of een kast, is afhankelijk van, gebaseerd op de waarde die u daaraan geeft. Wanneer wij die waarnemen, dan hebben kast, bank of stoel voor ons geen enkele waarde meer als gebruiksvoorwerpen. Wij zien ze dus niet meer in de vaste, onveranderlijke en bruikbare vorm. Wij zien ze als bepaalde lichtende elementen. Dingen, die een licht uitstralen en een eigen kracht hebben. Waarom?

Voor ons bewustzijn is het bruikbare de uitstraling. Een ander, die nog hoger staat, ziet die uitstraling al niet meer. De differentiatie van kleine krachten is onbelangrijk geworden. Wij ontleden als het ware nog met de spectroscoop van ons ‘zien’ de lichtende kracht in verschillende kleuren. Wij nemen er daar dan slechts enkelen van waar. De hogere geest zegt echter: Er is daar wit licht met die en die intensiteit. Daar is wit licht met die intensiteit. Geen onderscheid meer van kleuren, nog wel onderscheid van intensiteit. Wanneer wij echter nog hoger zouden komen, maak ik mij sterk, dat er geen verschil in intensiteit meer wordt gezien, omdat dit te klein is. Daar wordt waarschijnlijk alleen nog maar gezegd: Ziet, dit alles is het wit, diamanten licht, dat de scheppende kracht is. En gezien de gerichtheid en geaardheid ervan is dit deel van de materiële Schepping. Daar zien wij aan de andere kant ernaast de geestelijke Schepping.

Deze twee vlakken zijn de werkelijkheid. Bij God is er echter ook daar geen scheiding meer.

Daar is alles één. Waarom ziet nu de geest uitstraling en ziet u de vaste vorm? Omdat ons wezen gericht is op juist dit aspect van de werkelijkheid. Wanneer de hogere geest dit alles kan zien als een wit licht met verschillende intensiteiten (daar ben ik zeker van, de rest is veronderstelling) dan ben ik er zeker van dat alle andere factoren, die wij niet waarnemen, toch mede in deze dingen aanwezig zijn.

Wij nemen dus verschillend waar. Maar op grond van al deze verschillende waarnemingen komen wij tot een grondeigenschap en deze grondeigenschap nemen wij allen gelijkelijk waar, ook al wordt hij door ons verschillend geïnterpreteerd.

  • Wat de waarde is van deze gang van bewustwording?

De waarde van dit alles is het volgende: Wij kunnen het witte licht slechts op waarde schatten, wanneer wij weten, wat erin schuilt. Daarom gaan wij het stukje bij beetje na. Wanneer wij al die stukjes en beetjes dan bij elkaar weten te voegen en onze persoonlijke interpretatie ervan weg leren laten, vinden wij God. Daar gaat het ons eigenlijk om. Nu kunt u natuurlijk gaan vragen: Waarom zoeken zij dan naar God? Maar dan kan ik u alleen maar antwoorden: waarschijnlijk omdat dit in ons ingeschapen is.

Het gaat er dus om (en dat is deel van de esoterie) te beseffen dat in alles buiten ons een werkelijkheid schuilt. Dat wij die werkelijkheid niet kunnen zien. Dat anderen, die geheel anders waarnemen en interpreteren, deze werkelijkheid evenmin kunnen zien. Dat wij echter allen tezamen een bepaalde grondtendens waarnemen, die aanduidt, dat er ‘iets’ is en vaak reeds eigenschappen van dat ‘iets’ weergeeft. Wanneer u dit begrijpt, zult u zich kunnen realiseren, dat de wereld buiten ons niet iets is, wat wij geheel moeten verwerpen. Maar dat de wereld, zoals wij deze zien, een Schepping is van ons eigen wezen. Daarover ging het hoofdzakelijk.

  • Is het mogelijk als mens in de stof te komen tot deze door u genoemde daadloosheid?

Zij kan in ieder geval al heel aardig benaderd worden. Het leven uit de Goddelijke kracht, in plaats van uit eigen bewustzijn is een mogelijkheid, maar zij wordt slechts door enkelen bereikt temidden van de stoffelijke normen en factoren. En wel omdat de stof een zoeken is naar uitdrukking van het ‘IK’ in vorm en alle zoeken naar vorm juist een uitdrukking is van eigen wezen en bewustzijn, zodat de stoffelijke waarneming wel heel sterk op eigen gedachten en impressies berust. Daardoor is het dus in de stof nog zeer moeilijk. Hetzelfde geldt voor sommige geestelijke sferen ook nog.

Wij begeven ons allen trapsgewijs daarheen. Maar willen wij in dit leven de juiste houding kunnen vinden, de juiste wijze van leven (ook in een sfeer, dat blijft wel hetzelfde) dan moeten wij deze grondslag weten, opdat wij nu reeds het belangrijke van het onbelangrijke kunnen scheiden in onze eigen wereld. Daar gaat het om.

  • Bij ons mensen zijn twee wijzen van waarnemen: bewust en intuïtief. Zijn deze allebei waan? Of is één daarvan waar?

Beiden zijn waan. Ook uw intuïtie is gebaseerd op zintuigelijk verworven waarden en voorstellingen. De intuïtie zelf behoeft niet op zintuigelijke waarnemingen gebaseerd te zijn, maar is wel gebaseerd op vertaling van impulsen in een taal, die gebaseerd is op zintuigelijke waarneming, waardoor de intuïtie eerst uitdrukking, richting en beeld kan vinden, binnen het bewustzijn. Zelfs wanneer zij in zichzelf dus zuiver, waar en zonder enige vorm zou zijn, verwerft zij deze toch in het proces, dat nodig is haar tot het bewustzijn door te laten dringen.

  • Hoe komen wij dan tot het erkennen van deze waan?

Wij behoeven de waan niet te herkennen als een voor ons werkelijke factor. Maar wij moeten wel weten, dat onze werkelijkheid grotendeels waan is. U moet weten dat een zeer groot gedeelte van uw wereld eigenlijk een soort van spelletje is, waarin u zelf een scheppende factor bent. Juist dit is het noodzakelijke voor een esoterische bewustwording. De weg van de esoterie bestaat niet in een plotseling opheffen van de persoonlijkheid op menselijk peil. Esoterie is het scholen van de mens opdat hij de niet-menselijke waarden, die buiten hem liggen, kan begrijpen.

Wanneer hij ze kan begrijpen, leert hij zichzelf zover om te stellen, dat hij met enkele van die waarden kan leren werken. Het is echter dan noodzakelijk dat wij eerst de punten stipuleren.

Wij hebben de eerste keer een enigszins andere richting gevolgd. Wij hebben echter de hoop, dat de thans gevolgde wijze, die u elke keer weer voor grote levensproblemen plaatsen en u de meest wonderlijke gegevens voorzet, dat wij u (mits u mee kunt denken en u zich de moeite getroost om deze dingen te overwegen, na te gaan, enzovoort) tot een bewustwording kunnen brengen, die het u mogelijk zal maken zelf over het leven na te denken op een geestelijk volkomen verantwoorde wijze. Niet slechts zoals nu op een persoonlijk verantwoorde wijze.

Laat mij dus even alle bestaande misvattingen wegnemen. Wat wij de vorige keer verteld hebben en wat ik u deze keer verteld heb, is eigenlijk niets anders dan een handleiding tot het zelfstandig denken. Het beschouwen van de wereld en het leven. Het betekent geen leiding tot een bepaalde levenspraktijk. Wanneer er echter problemen zijn in uw leven, wanneer er plotseling vraagstukken opdoemen en u moeilijkheden bezorgen, wanneer er tegenstrijdigheden in uw leven zijn, dan kunt u, wanneer u zich het gesprokene over de zelfscheppende functie (de vorige keer) realiseert, plus de waan van de wereld buiten u, zoals deze keer behandeld, voor uzelf een oplossing vinden, die het u mogelijk maakt verder te gaan en voorkomt dat u vastloopt in een probleem.

U bent zelfscheppend voor uw wereld, dus: Wat er ook gebeurt, kunt u ook door het beste te geven uit uw wezen, voor uzelf een wereld creëren, die op den duur een perfectie doet bereiken door uw eigen uitingen. Het is niet noodzakelijk stil te blijven staan, te aarzelen om te handelen of te treuren. Punt twee is een kwestie van waan. Wanneer de wereld buiten mij waan is, behoef ik mij van die wereld buiten mij niets aan te trekken, tenzij de waarden, die schijnbaar in die wereld bestaan, in mij ook werkelijk bestaan. Wanneer de wereld buiten dus bepaalde dingen naar voren brengt, moet ik mij onmiddellijk gaan realiseren: In hoeverre zijn dit dingen, die in mij leven? Is dat zo, dan moet ik mij eraan houden. Is dit niet zo, dan moet ik dat terzijde stellen.

Er komt een groot probleem in mij op. Maar dat probleem wordt geboren uit waan. In mijzelf draag ik de waarheid reeds. Is het dan noodzakelijk hard te worstelen om dat probleem te overwinnen? Of kan ik misschien ook zonder de oplossing van dit probleem in de goede richting verder gaan? Daar kunt u de antwoorden op vinden. Dat is wel noodzakelijk. De esoterische scholing, zoals reeds gezegd, bestaat voor het grootste gedeelte uit een verzameling van wetten, van leerstof. Het verhandelen van waarden, die geestelijk of stoffelijk schijnbaar juist zijn. Maar wie moet daarmee werken? Wat zijn de resultaten ervan? Men houdt zich bezig met de esoterie om een verhoging van eigen bewustzijn te bewerkstelligen. Dat kan alleen, wanneer men dit op verantwoorde wijze tracht te doen. Dat wil zeggen, dat men zich moet realiseren dat ook elke verhoging van het eigen bewustzijn berust op waantoestanden, zodat elke hinderpaal, die voor de bewustwording opdoemt, terzijde kan worden gelegd, wanneer de reële waarde in mij bestaat. Omdat het uiterlijke probleem alleen maar voortspruit uit een onvolledig begrip in mijn bewustzijn.

Ik behoef niet te strijden om het probleem op te lossen. Het zal, wanneer ik het naast mij neerleg zichzelf voor mij oplossen, omdat ik de kennis daarvoor nodig onbewust reeds in mij draag.

Wanneer het noodzakelijk wordt, vind ik dus de oplossing. Hierdoor kan ik de rust verwerven die noodzakelijk is voor een beschouwelijk leven. Men moet niet slechts deelnemer aan het leven zijn, maar tevens de beschouwer, de waarnemer, wil men uit het leven de volle baten aan bewustzijn, kracht en vreugde verwerven. Dat is de reden, waarom wij de scholing op deze wijze geven.

  • Ik merk hier, dat de som van het Goddelijke in mij en het Goddelijke buiten mij gelijk is aan de volmaaktheid.

Inderdaad. Dat is volledig juist. U kunt het als volgt uitdrukken: Ik zelf ben deel van het Goddelijke en als zodanig deel van de volmaaktheid. Het geheel van het Goddelijke is geuit in het geheel van de Schepping. Wanneer ik in mijzelf dus bewust ben van het geheel van de Schepping ben ik in mijzelf volmaakt. Waar ik echter in mijzelf de volmaaktheid niet ken, mag ik zeggen dat al hetgeen er buiten mij ligt en door mij niet wordt verwerkt en begrepen, het verschil is tussen de volmaaktheid en mijn wezen. Hoe meer ik bewust word, hoe minder de wereld buiten mij te zeggen heeft. Ik behoef de waarheid niet meer buiten mijzelf te zoeken.

Geen commentaar? Eigenaardig. Er is namelijk tussen hetgeen ik nu gezegd heb en het voorgaande een schijnbare tegenstrijdigheid. Heeft niemand dit dan opgemerkt?

Wanneer ik leef in een wereld van waan en ga de wereld buiten mij van mij afsnijden, wat dan?

Heeft niemand die opmerking gemaakt? Weet iemand dan daar het antwoord soms al op? Neen?

Dan was het toch wel verstandiger geweest om die vraag te stellen. Ik zal ze dan nu maar beantwoorden, ook zonder dat zij mij gesteld is.

Wanneer de wereld buiten mij waan is, kan ik nooit met die wereld in evenwicht komen en die wereld in mijzelf opnemen, voordat ik de werkelijkheid gevonden heb. Anders zou het resultaat een voortdurende strijdigheid in mijn eigen wezen betekenen, waarbij ik delen van de wereld in mijzelf steeds weer vernietig. Datgene, dat deel is van de Goddelijke waarheid en bewust in mij berust, is in mij onsterfelijk, onveranderlijk. Het onveranderlijke deel van mijn wezen en persoonlijkheid, dat uiteindelijk de werkelijkheid in mij uitmaakt, het onveranderlijke, kan hoe langer hoe groter worden. Naarmate dit waarheids-bewustzijn in mij aanwezig is, behoef ik het buiten mij niet meer te zoeken en te ervaren, want ik ben er mee verwant. Ik leef dus ook in al hetgeen, dat eerst geheel buiten mij scheen te liggen, nu ook zelf geheel en volledig mee. Ik ben er deel van geworden en beleef het als zodanig niet meer als buiten mij staand.

Datgene, waarmee ik volgens mijn bewustzijn alleen maar ben verbonden via de Goddelijke Kracht, is schijnbaar nog buiten mij. Daarin ga ik streven en zoeken, zodat de wereld, die buiten mij ligt, zich voor mij verkleint volgens mijn standpunt, naarmate mijn innerlijke wereld zich vergroot.

BESCHOUWINGEN OVER MAGIE.

We beginnen met onze beschouwingen over magie. Men heeft u er reeds op gewezen, dat magie berust op het kennen van wetten, die niet algemeen bekend zijn. Dat er echter niets werkelijk bovennatuurlijks bestaat. Het is goed, dat wij daarmee altijd rekening houden.

Want stel, dat wij bijvoorbeeld sympathische werkingen gaan proberen. Dat is de bekende wijze van magie, waarbij men door middel van contact-voorwerpen een ander beïnvloedt, ten goede of ten kwade. Ergste voorbeelden zijn het wassen beeldje, dat men laat smelten. U weet wel: vroeger zei de men dat een heks, die een bezwering uit had gesproken onmiddellijk ter plaatse zou omkomen. Want zodra het beeldje begon te smelten, begon te heks te branden. Het is ongeveer hetzelfde als het zwart-magische beeldje, dat met nagels, haren enzovoort wordt versterkt en dan doorstoken enzovoort.

Schijnbaar zijn hier de resultaten, wanneer wij optreden, bovennatuurlijk. Men weet zich er geen verklaring voor te geven, hoe deze dingen eigenlijk werken. Maar wanneer wij ons nu eens vasthouden aan het feit, dat alle dingen via de levenskracht één zijn? Dan hebben wij in ieder geval een wet, die logischerwijze overal en in elke sfeer moet werken. Er is een onverbreekbare band tussen al het geschapene en via deze band kan het bewustzijn van de sterke op de minder sterke worden afgedrukt. Ook iets, wat u een vorige keer al eens hebt gehoord.

Nu wilt u langs sympathische weg beïnvloeden. Hoe doe ik dat? Ik moet eigenschappen van die persoon kennen. Daarvoor is het contact-voorwerp nodig. Of dat nu iets is, dat iemand bij zich heeft gedragen ofwel een stukje van diens lichaam, zoals een nagel of een haar. Het moeten altijd voorwerpen zijn, die ons in staat stellen de uitstraling en dus het karakter van een persoon gade te slaan. Ik kan echter nooit iets tot stand brengen, wanneer in mij niet de eigenschappen aanwezig zijn, die in de andere persoon tenminste ongeveer gelijk leven.

Wat zegt nu een andere wet, die u in andere vorm kent onder de wet van communicerende vaten? Wanneer een vlak van vloeistofvaten, die onderling verbonden zijn verschilt, zal net zolang een uitwisseling plaats vinden, tot het vlak in alle vaten gelijk staat. Dit geldt voor de geest ook, wanneer er een geestelijke spanning in een mens aanwezig is en hij heeft te maken met een soortgelijke spanning bij een ander, dan kan door het feit, dat deze beiden aanwezig zijn plus de verbinding, die wij via de levenskracht met eenieder kunnen maken (hebben eigenlijk) de spanning, die bijvoorbeeld in mij is, overgedragen worden in anderen. Het is aardig om te zien hoe de zwart-magiërs, die onder primitieve volkeren werken bijvoorbeeld te werk gaan: Zij zorgen, dat het uitspreken van een bezwering ter ore komt van de persoon in kwestie.   Waarom?

Er is hier een ongeveer gelijk geloof of bijgeloof. Een geloof aan magische krachten en machten.

Op het ogenblik dat de bezwering bekend wordt, is er in die persoon dan dus een verstoring van innerlijk evenwicht. Hierop volgt een verstoring van evenwichten, die, psychisch beginnende, zich voort kan zetten in het lichamelijke. Wanneer ik nu een zwart-magiër ben en ik weet deze onrust in mijzelf zo op te bouwen, dat zij mijzelf haast dreigt te verslinden, dan kan ik ook via het contact, die onrust over laten vloeien op die ander. Bij mij flauwt die spanning af, maar gelijktijdig wordt zij bij die ander sterker. Nu ben ik magiër en ik weet dus hoe ver ik kan gaan.

Ga ik te ver, dan vernietig ik mijzelf, maar ik weet de grens. De ander is geen magiër. Die kan dat niet thuisbrengen. Nu is er niets zo moeilijk te bestrijden als een onbekend gevaar.

Resultaat: volledige verstoring van de geest bij het slachtoffer. Hierdoor optreden van lichamelijke verschijnselen, die een psychische ondergrond hebben. Desnoods misvattingen en misgrepen, die uiteindelijk alleen maar voortkomen uit die te grote innerlijke spanning.

Wanneer u nu hoort van een tovenaar, die iemand dood wenst, is dat zogenaamde sympathische magie. Hier wordt een deel van in het ‘ik’ opgewekte kracht overgebracht naar een andere persoon, die niet in staat is, die krachten te placeren, ze te egaliseren en zo te verwerken, eraan ten ondergaat. Maar nu bestaat deze magie ook tegenover mensen, die helemaal niet bijgelovig zijn. Want zo’n vloek wordt ook wel eens uitgesproken over een blanke, die niet aan dat bijgeloof doet. Ook die kan daarvan dan nog zeer veel hinder ondervinden. En wel te meer, naarmate de magiër meer inzicht heeft in de mentaliteit van de blanke. Waarom?

De spanning die voor de neger bijvoorbeeld vernietigend is, wordt door de ongelovige blanke verworpen met een schouderophalend: Ach, dat is toch onzin. Daar heeft hij een verweer tegen, want hij gelooft er niet aan. Maar er zijn andere dingen, waar hij wel aan gelooft: Hij gelooft aan zijn positie, aan zijn invloed op de omgeving, aan zijn middelen. Hij gelooft misschien aan de  gevaren van het oerwoud. Hij heeft bepaalde angsten. Daar hebben wij het ook als eens over gehad, over die angsten. Wanneer die magiër juist deze dingen aangrijpt, dan kan hij, zelf voor deze invloeden veel minder gevoelig, nog veel hogere spanningen opbouwen dan tegenover inboorlingen. En zo, de op zich misschien meer en meer eenzijdig gevormde geest van de blanke overwinnen. Ook die ten gronde richten. Je kunt het ook omgekeerd doen natuurlijk. Stel nu, dat ik eens wit-magisch deze sympathische magie wil toepassen, dan weet ik bijvoorbeeld dat iemand anders rust nodig heeft. Moet ik nu bijvoorbeeld in mijzelf deze rust gaan opwekken en deze aan de ander toezenden? Dat is een aardige methode. Maar dan breng ik wel rust. Het lijkt  dan wel of ik olie op de golven gooi. In wezen blijft de onrust aanwezig. Maar als magiër kan ik in mijzelf de onrust verdragen en vernietigen, die de persoon in kwestie niet aan kan. Wat doe ik dus? Ik ga proberen mee te leven in die onrust. Ik ga het probleem van die ander overnemen en voor mijzelf oplossen en weer een probleem en weer één. Desnoods tot ik zelf met een hele stapel problemen zit. Dan voel ik op den duur dat ik het antwoord op de problemen niet meer heb. Dat komt doordat die ander de antwoorden heeft gekregen, terwijl ik de vragen heb moeten behouden. Als resultaat moet ik mijzelf van de buitenwereld afsluiten en al deze problemen nog eens voor mijzelf beschouwen, beantwoorden en verwerken. Dan pas kan ik vrede gaan geven, niet voordien. Het oorzakelijk verband van deze sympathische werkingen staan in direct verband met de werkingen van onder- en bovenbewustzijn. Want de geestelijke kwalen van een menigte kunnen zo sterk zijn, dat zij ook de gezonde individuen daarin besmet en aanpakt. Massa suggestie enzovoort.

In de massapsychologie komt dit verschijnsel ook naar voren. Maar men begrijpt veel te weinig hoe en waarop het werkt. Wanneer ik de dingen niet in mij draag, die ook in de massa leven, blijf ik nuchter. Ongeveer als op een partijtje, waar je binnen komt als de anderen al wat gedronken hebben. Drink je zelf niet, dan kom je niet mee, dan blijf je nuchter. Maar heb je een glaasje gedronken, dan voel je de stemming aan, doet mee en ondergaat roes en kater, evenals die anderen, ofschoon je misschien wat later dan die anderen dubbel ziet. Hoe dan ook, het verveelvuldigen van al door alcohol vindt dan ook plaats, waardoor u op hetzelfde vlak terecht komt. Het klinkt u misschien eigenlijk belachelijk. Maar ook dat is uiteindelijk een sympathisch verschijnsel. Een soort van magie.

Wanneer er een stemming is in iemand en in een ander is van diezelfde stemming ook maar een heel klein beetje aanwezig, dan kun je elkaar opvoeren tot een punt, waar de stemming bij beiden boven het oorspronkelijk peil ligt en bij beiden praktisch gelijk is. Is er bij één van de personen die stemming niet, dan kan de magiër hoogstens trachten met kunstmiddelen die stemming te wekken vóór hij tot zijn magische concentratie overgaat. Dat klinkt misschien toch ook wel weer aardig. Nu staat echter in verband met het zogenaamde sympathische systeem, dat de magiër hier gebruikt, ook nog iets anders in onze aandacht voorop.

In het Al zijn een aantal stromingen. Deze stromingen bestaan uit zeer primitieve materie. Toch hebben zij al kennelijk elementaire verschillen. Wanneer nu een ster in zo’n stroom terecht komt, gebeurt er wat: Dan verandert waarde, uitstraling en activiteit van die ster door de uit de ijle materie ontvangen deeltjes. In het meest erge geval zou zij een nova kunnen worden. Dus plotselinge ontbranding. Maar dat komt niet zo vaak voor. Wat meer gebeurt is, dat er magnetische storingen optreden. Onder andere storingen in het ontbindingsproces, dat zich afspeelt in de kern van zo’n zon. Wanneer dat gebeurt, zendt zo’n ster of zon dus dus stralen uit en die gaan naar alle planeten toe, die daar in de buurt zijn. Maar zij reizen ook door de ruimte 100, 200, ja zelfs 1.000 lichtjaren zonder veel van hun kwaliteiten in te boeten.

Wanneer een groot aantal sterren gelijktijdig door zo’n stroom worden beïnvloed, is het resultaat natuurlijk dat daarin ongeveer gelijksoortige verschijnselen optreden. Dat wordt dan dienbaar in verschijnselen van elektrisch-magnetische aard en die beïnvloeden de aarde bijvoorbeeld, de zon, de maan en andere planeten. Het resultaat is, dat een dergelijke invloed zelf met kleinere intensiteit een materiële verandering teweeg kan brengen, niet alleen op een wereld, maar zelfs in een heel gebied, een heel deel van de ruimte. Wat is er buiten sterren nog meer in de ruimte?

Wel, al klinkt het misschien vreemd, in die ruimte zijn ook de sferen of een groot deel daarvan. Wanneer die straling nu van een kwaliteit is, die bijvoorbeeld de zomerlandsferen nog beroert, dan kan daar ook een plotselinge verandering plaatsvinden. Het veranderde denken en ervaren van die geesten kan dan weer zijn invloed op de mensen hebben, die nog op een stoffelijke wereld leven.

Omgekeerd: de straling beïnvloedt alleen de stoffelijke wereld. Hierdoor wordt de mensheid beïnvloedt, de mensheid beïnvloedt de geest en ook hier komt er weer een verandering. Die veranderingen brengen onder andere met zich mee, dat zogenaamde historische fasen en perioden optreden op uw wereld. Het is te bewijzen dat vele beslissende gebeurtenissen ongeveer samenvallen met het optreden van novae. Met het optreden van kometen en meteoren. Dat al die dingen vallen in jaren dat er iets bijzonders te doen is, is ook op aarde welbekend. Nu kun je zeggen, dat is bijgeloof. Neen! Er is dan een verandering in de stralingsverhoudingen in het zonnestelsel. Hierdoor wordt er iets veranderd in de mensen en ook vaak in de geest. Wanneer ik als magiër voel dat er een dergelijke verandering plaats vindt, (je moet oppassen, want dat gaat meestal erg geleidelijk) dan kan ik natuurlijk voor mijzelf tegenmaatregelen nemen. Wanneer ik weet wat mij aanvalt, kan ik mij bij de aanvaller aanpassen. Het is zoiets als die van de boer en de stier. Er was een boer, die had een stier. Als die boer van de boerderij wegging, liep hij altijd om de wei heen, waar de stier stond. Maar wanneer hij terugging, liep hij wel door die wei heen en dan kwam die stier meestal nogal onvriendelijk op hem toe wandelen. Iemand vroeg eens aan die boer: “Waarom doe je dat eigenlijk?” Die boer vertelde toen: “Als ik van huis af ga, dan heb ik nog heel wat te doen. Dan wil ik mij niet moe maken door hard te lopen. Maar als ik terugga, wil ik graag weer thuis zijn.

Dan is die stier een prikkel, waardoor ik vijf minuten eerder bij de vrouw ben.” Misschien een wat onbenullig mopje, maar het illustreert iets.

Wanneer wij gevoelen dat er een dergelijke invloed op ons werkt, kunnen wij vaak de gevaarlijke gebieden, waar een dergelijke invloed ons mee zou sleuren, ontgaan. Wij kunnen voorkomen dat bepaalde dingen gebeuren. U zult bijvoorbeeld op zo’n tijd niet in dispuut treden. Want anders komt daar ruzie uit voort en u wilt geen ruzie hebben. Maar nu komt er een ogenblik, dat je een omschreven doel hebt. Dan zeg je: “Kijk, nu maak ik hiervan gebruik om mijzelf in rechtvaardige toorn te laten ontsteken en zo de kracht op te brengen om op die manier eerder en beter dan anders mijn doel te bereiken.” Iemand die op deze manier leeft heeft altijd de wind achter. Hij maakt gebruik van zuiver natuurlijke gebeurtenissen. Wanneer zo iemand dan in zulke omstandigheden iets bijzonders creëert en door massa-hallucinatie wonderen schijnt te verrichten bijvoorbeeld, dan is dat niets bijzonders, dan heeft die mens alleen van die krachten gebruik gemaakt om zoiets tot stand te brengen.

Nu is het zo, dat er in de ruimte altijd wel sterren zijn die een bijzondere invloed hebben. De astrologie houdt, zonder het te weten, niet alleen rekening met sterrenbeelden die zich verplaatsen, maar ook met kosmische stromingen. Deze verplaatsen zich ongeveer als de donkere wolken, die men wel tussen de sterren kan vinden. Langzaam volgens uw idee, razend snel volgens uw begrippen. Maar van ster tot ster duurt nu eenmaal een hele tijd. De invloeden verplaatsen zich met de stromen. Ook al duurt dat honderden jaren, zal degeen die van deze dingen weet, niet alleen rekening houden met de invloeden die hier, maar ook met de invloeden die elders werken. Hij zoekt dan contact met zo een stroming en weet zijn werkzaamheden zo te leiden, dat deze altijd bestaan uit datgene wat door zo’n stroom bevorderd wordt.

Een steen, die precies in evenwicht staat, kan zo zwaar zijn, dat geen twintig mannen haar op kunnen tillen. Maar een kind kan haar reeds uit haar evenwicht brengen, mits haar basis voldoende smal is. Dit principe is het, dat op de voorgrond komt, wanneer wij met sympathische krachten werken. Wij gaan uit van het standpunt, dat wij een groot aantal dingen nooit alleen en geheel uit onszelf kunnen doen. Wij kunnen deze dingen echter wel doen, wanneer de omstandigheden met ons meewerken. Wij kiezen dus voor ons wonder, onze magische prestatie het ogenblik uit, dat de omstandigheden als het ware door deze krachten reeds zo zijn geplaatst, dat wij in plaats van met onze volle kracht, reeds met een enkel vingertje het gewenste resultaat reeds kunnen bereiken. Het is één van de eigenschappen van een goede magiër, dat hij weet wanneer een bepaalde prestatie het beste kan worden volbracht.

U zult zeggen: “Hoe weet zo iemand dat dan?” Magiër zijn betekent zelfkennis hebben en niet bang zijn. Het betekent: de moed hebben om met jezelf te experimenteren. Zo’n magiër is dag in dag uit bezig met het bepalen van die invloeden. Wanneer hij voelt dat de invloeden gunstig zijn, presteert hij schijnbaar impromptu, schijnbaar zonder meer, een wonder. Maar altijd het wonder dat de gelegenheid vraagt. En de gelegenheid behoeft meestal niet eens zo heel luid te vragen. Zeker niet wanneer het een zwart of een grijs magiër is. Maar het is ook altijd weer dat wonder, die prestatie, die op het ogenblik door de heersende krachten en krachtsverhoudingen mogelijk wordt gemaakt.

Ook de aarde heeft tijden dat zij in zich innerlijke spanningen opwekt. Ook zij kent in haar binnenste een ontbindingsproces, waardoor als het ware een uitstraling wordt bevorderd. Het kan zijn dat die uitstraling tijdelijk wordt vergroot. Wanneer ik dat aanvoel, kan ik juist daarmee wonderen doen. Komt er in het aardmagnetisme een verandering, dan weet ik dat die onder omstandigheden het menselijke en ook het dierlijke zenuwstelsel heel wat aan kunnen doen.

Ja, een soort aardstralen. Die zijn er ook. Dat is niet zo een sprookje als men vaak zegt. Maar goed. Ik weet dat die storing er is. Nu ga ik die storing zelf opvangen. Stel u maar voor, dat wij het over aardstralen hebben. Ik weet dat er ergens zware aardstralingen zijn. Ik heb zelf de kracht natuurlijk niet, om een algehele storing van het zenuwstelsel teweeg te brengen. Wat ga ik nu doen? Ik ga mijzelf opladen met die zenuwen-storende kracht. Nu ga ik bijvoorbeeld naar een stal toe, waar een paard staat of een koe. Ik ontlaad daarop de in mij opgezamelde kracht.

Resultaat: De koe wordt ziek en geeft haast geen melk meer. Het paard wordt zenuwachtig en schopt heel de boel kapot. Misschien gaan zij zelfs dood. Dat komt dan allemaal door die ontlading van krachten.

Onder de sympathische magie behoort verder nog iets: Het gebruik maken van kruiden, die op een nauwkeurig bepaald ogenblik van de dag of de nacht worden geplukt. Bij een bepaalde maanstand bijvoorbeeld. Ook dit is geen bijgeloof. De natuur past zich voortdurend aan bij de omstandigheden. Zo volgt zij onder andere de maanloop. Ook de planten. Het resultaat is kenbaar onder meer uit de wijze, waarop zij hun voeding opnemen. Zo kunnen bepaalde roesverwekkende, giftige of prikkelende stoffen, op bepaalde tijden sterker in de plant vertegenwoordigd zijn dan op andere tijden. Sommige van die stoffen zijn vluchtig. Wil ik planten hebben, waarin die stoffen op het best aanwezig zijn, dan moet ik ze dus plukken in de vroege morgen voor de zon op gaat.

Of, zoals dat heet in de oudere magie: Nat van dauw. Dat betekent dus, dat er nog geen grotere uitwaseming en verdamping is geweest en vluchtige stoffen op hun best in de planten aanwezig zijn.

U ziet, ook hier is weer een heel natuurlijke verklaring voor die dingen. Het is helemaal geen wonder. Maar wanneer je op deze wijze kruidkundig bent, doe je eigenlijk aan magie. Je maakt immers gebruik van de meest gunstige omstandigheden om uit de planten datgene te verwerven wat je nodig hebt? Hoe men dit het beste doet? Door jezelf in te stellen op de meest gunstige omstandigheden en tijden. Een kruidenverzamelaar, die bijvoorbeeld in de vroege morgen of ’s nachts zekere planten gaat zoeken, begint meestal eerst een tochtje in de vrije natuur te maken.

Of, indien dit niet mogelijk ofwel te lastig is, met een beschouwing. Hij moet de dingen op zich in laten werken. Dat, wat hij nodig heeft, komt dan op den duur in fase, in harmonie met zijn wezen, zijn gevoelens. In harmonie is deze mens dan zowel met planten als wel met de gehele natuur. Hij of zij (het zijn vaak vrouwen die dit doen) zullen dus automatisch de invloed ondergaan van de planten, die het best aan de eisen, die zij stellen aan het kruid, beantwoorden.

Wat zou u er zo van zeggen? Wel aardige dingetjes om eens over te praten. Niet zo belangrijk misschien en zeker niet zo zwaar. Maar nu ga ik een laatste stukje sympathische verschijnselen in de magie behandelen en dat kan dan misschien toch weer wat zwaarder zijn. Maar dat is niet zo erg: Jullie moeten toch dit een keer of twintig overlezen, wil je er alles uithalen wat erin zit. Dan leest u meteen dit stukje nog maar eens over.

Ik heb geestelijke eigenschappen, die in overeenstemming zijn met een bepaalde sfeer. Wanneer ik nu een gevoel of een eigenschap in mijzelf versterk tot ik het haast niet meer dragen kan, zal ik juist daardoor in staat zijn door te dringen in geestelijke sferen. Dus bewustzijnstoestanden waarin wezens leven, die ongeveer gelijk geaard zijn. Alleen door mijn gedachten kan ik dus reeds geestelijke banden leggen, die ik zo nodig later door bezweringen kan versterken. Denk maar eens aan wat wij daar een vorige keer over gezegd hebben. Hieruit volgt dat, wanneer ik verlang naar hogere geestelijke entiteiten, ik zo goed mogelijk in mijzelf de hogere gedachten moet wekken tot zij alles overheersen. Heb ik dit gedaan, dan kan ik dus zo tot in een hogere sfeer doordringen.

Maar dat kan uiteindelijk iedereen. Wat is dan de speciale kunst van de magie daarbij? Wel, wanneer op een gegeven moment de waterspiegels bij communicerende vaten bijna gelijk zijn, wat krijgen wij dan? Een vermindering van stroming. De magiër wekt niet alleen de door hem verlangde sfeer in zich op, maar neemt bovendien waar hoeveel moeite deze steeds hernieuwde opwekking hem kost. Op het ogenblik dat hij deze toestand zonder merkbare moeite in stand kan houden, sluit hij zijn eigen pogen af. Hierdoor is hij dan in staat om alle invloeden en werkingen, of mededelingen uit hogere sferen, in zichzelf te ontvangen en te behouden. Want: Is deze toestand, die u misschien een verrukking wilt noemen of een meditatief ontrukt zijn aan de wereld, dan kan door kort daarop in mindere mate de gelijke toestand weer op te wekken, een volledig bewustzijn daarvan behouden blijven, terwijl het onderbewustzijn dan de invloeden uit hogere sferen in het ‘Ik’ redelijk uitdrukt, zodat al, wat men daar bijvoorbeeld tot je gesproken heeft, terugkeert tot je als een schijnbaar uit het onderbewustzijn komende gedachte, waardoor het ‘IK’ in staat is zichzelf zuiverder te zien en oplossingen te vinden voor problemen, die voor de mens zonder hulp onoplosbaar blijven.

Daar laat ik het dan toch werkelijk bij.

MEDITATIE.

BESCHOUWING

Je leeft en dat leven dwingt je steeds maar weer voort te gaan. Je hebt geen tijd om te zien wat je zelf bent of wat je doet. Je hebt geen tijd om de wereld op haar werkelijke waarde te leren schatten. Het leven jaagt je voort. Verder, steeds maar verder. Nu moet er dit gedaan worden, dan dat. Zorgen voor morgen. Het oplossen van de problemen, die er van gisteren zijn overgebleven. Je hebt zo weinig tijd. Je hebt de tijd niet om jezelf een ogenblikje af te zonderen en een ogenblikje over te gaan tot een stil beschouwen van je leven, de wereld. Om de wereld te kunnen beschouwen, moet je eerst afstand hebben gedaan. Zoals een schilder, ijverig penselend, vanaf het palet de kleuren neerwerpende, op het doek lijnen en vlakken vult om terug te treden en op een afstand het effect waar te nemen om te zien of het wel goed is. Dat is beschouwing. Ook voor het leven.

Je kunt in de volheid van het leven en de drukte ervan toch wel tot beschouwing komen. Maar dan moet je eerst afstand ervan nemen. Je moet een ogenblik alle bezigheid, alle levensdrang van je af zetten en zo onpartijdig mogelijk je eigen wezen bezien. Begin niet bij een ander te kijken. Bij anderen kijk je vaak zo scherp, zo veroordelend. Voor jezelf oordeel je niet zo gemakkelijk. Kijk naar jezelf. Wanneer ik mijzelf beschouw en zie hoe ik gebonden ben door de duizenden draden van het leven, als een marionet dansend en springend naar de grillen van de machten die mij beïnvloeden, dan ga ik mij afvragen: Waarom?

Dan ga ik zeggen: “Deze dans die ik vertoon is vreemd, maar er zit een zeker ritme in, dit gebaren is niet zo zinloos”. Zo kom ik dan vaak tot een conclusie: “Ik moet iets doen. Maar wat?”. Ga ik over deze vraag nadenken, dan is de beschouwing voorbij. Dan ben ik weer gevangen in dezelfde wervelstorm van leven en ervaren. Maar ga ik mijzelf afvragen: “Wat zou hierin mooier zijn, schoner?”, dan kan ik met mijn gedachten hier verbeteringen in aanbrengen. Ik kan mij het beeld voortekenen zoals het is en hoe het zou moeten zijn. Hierin stel ik de verschillen vast. Dit is de grote kunst van beschouwing. Het is niet slechts het overwegen van de dingen. Het is een overzien van de dingen. Als het overzicht is verworven, dan wordt het ons plotseling weer zo noodzakelijk om aan het werk te tijgen. Er zijn mensen die denken dat de contemplatie de methode is om geestelijk beter te worden. Zij contempleren dag in dag uit vele uren over vele onderwerpen. Zij vergeten één ding: het beschouwen zelf heeft voor u geen waarde, wanneer zij niet in resultaten voor u tot uiting kunnen komen. Dat kan alleen gebeuren door uw eigen leven, uw eigen denken, uw eigen werken. U kunt u niet richten tot een hogere macht en zeggen: “Ziet, dit zal Gods genade mij geven”. Of: “Dit zal Jezus mij schenken”. Dat is onzinnig. U kunt wel alle dingen beschouwen en dan zeggen: “Deze dingen behoren anders te zijn” en dan zelf de hand aan de ploeg slaan.

Het leven beschouwen en overdenken betekent in werkelijkheid: Zorgen dat je klaar bent voor de dag van morgen. Niet door zorgzaam na te gaan wat er gedaan moet worden, maar door het ware beeld van het heden vast te stellen. Door vast te stellen wat er vandaag is gebeurd. Wat de dag van vandaag heeft gebracht. In uzelf draagt u een beeld van volmaaktheid, een beeld van wat uw leven moet zijn, zoals de kunstenaar een beeld in zich draagt, dat hij op zijn doek tracht weer te geven. Wanneer de kunstenaar een tijd lang rustig zijn werk beschouwd heeft, soms haast roerloos, soms met menig gebaar en schrede van gezichtshoek veranderend, zien wij hem plotseling weer naar zijn doek lopen. Hij brengt driftig een paar verbeteringen aan. Hij treedt dan weer terug en beschouwt opnieuw.

Wanneer wij in het leven ontdekken dat wij een redelijk patroon van goedheid en redelijkheid bereikt hebben volgens ons eigen denken, dan moeten wij werken als die kunstenaar.

Aandachtig beschouwend, kort en krachtig verbeterend en weer beschouwend. Het heeft geen zin te beschouwen zolang er geen lijn in ons leven is, zolang niet tenminste één detail een redelijke volmaaktheid bereikt heeft. Je moet bij het kunstwerk dat leven heet, stukje na stukje aanvullen, totdat het de volmaaktheid bereikt van het beeld, dat je in jezelf draagt. Voel je dat er zo’n punt gekomen is in je bestaan, dan treedt je terug en gaat verder het leven beschouwen.

Je laat het op je inwerken en vraagt je af waar het nu eigenlijk toch nog iets verschilt van het beeld dat je nu in je draagt. U zegt dan niet: “Het wordt anders, wanneer ik die lijn doortrek”, u zegt: “Dit detail dat ik heb beleefd, is volgens mijn huidige inzichten af”. Desnoods verbeter je nog iets en dan ga je verder.

Later zul je misschien nog eens daar terugkeren om iets te verbeteren, te veranderen, te wijzigen. Wanneer je in het leven probeert detail na detail goed en mooi te krijgen, dan zul je op den duur een levensbeeld krijgen, dat goed is en schoon. Een harmonisch en schoon leven betekent ook een leven vol van geestelijke bewustwording en kracht. Het betekent het steeds weer meer ontsnappen aan de banden, die ons binden in een beperkte en bekrompen wereld.

Beschouwing is een middel tot de daad. Zonder de daad heeft de beschouwing geen waarde. Zonder beschouwing zal onze daad echter vaak zó slecht gericht zijn, dat zij eerder vernietigend dan scheppend voor ons werkt. Daarom behoren deze beiden samen te gaan in het leven van mens en geest, die strevende naar bewustzijn, de uiteindelijke volmaking zullen kunnen bereiken.

image_pdf