Geest is geest en stof is stof

image_pdf

20 september 1955

 Geest is geest en stof is stof. Of deze beiden samengaan, ofwel gescheiden zijn krachtens hun bestaan, afgezonderd van de volmaaktheid van het geschapene, zijn zij onvolmaakt. Die onvolmaaktheid uit zich dan ook in het feit, dat wij niet alle geheimen op kunnen lossen, dat wij niet het antwoord op alle vragen kunnen weten. Wij zoeken naar waarheid en hopen dat u ons op deze pelgrimstocht naar het einddoel toe een wijle zult willen vergezellen. Wij moeten tezamen trachten te komen tot een bewustwording, die het ons mogelijk maakt alle schijn, alle waan, terzijde te stellen en de waarheid te zien. Wij zullen trachten dat te bereiken door onze gedachten omtrent het eeuwige, vanuit de wereld van waan te projecteren, door met u te behandelen, te overwegen en te bespreken op welke wijze voor ons hieruit nut te trekken is.

Daarmee heet ik u dan namens onze kant, dat wil zeggen, de wereld waartoe u behoort, maar die u slechts ten dele kent, van harte welkom. Welkom, medepelgrims naar de eeuwigheid. Nu zullen wij dan gaan beginnen met gezamenlijk te overwegen wat voor ons van betekenis kan zijn. Ik heb u zo-even aangehaald: Stof is stof en geest is geest. Toch schrijft Mahjarabhi in zijn filosofisch werk over de eeuwigheid: Goden en mensen zijn gelijk, want zij zijn het één of ander, maar kunnen niet beiden tegelijk zijn. Toch is de scheppende Kracht gelijk in mens en God. Zij leeft in een wereld van stof, vorm en waan evenzeer als in de oneindige Volmaaktheid, die de kern van alle dingen is.

Van hier moeten wij dan toch wel onze overwegingen gaan beginnen. U bent mensen: stof en geest. Maar terwijl de stof u de ene kant uitdrijft, voelt de geest in zich vaak de behoefte om een andere richting te kiezen, om een andere wijze van leven en beleven door te voeren. Dus in u zijn stof en geest ook nog gescheiden. Er is wel een band, maar die band is betrekkelijk zwak.

En bij ons? Bij de geest? 0, zeker. Wij zijn fijnstoffelijk van structuur, wij leven…… Wij kennen vormen, al zijn die dan ook veel vloeiender dan die van u. Wij zijn uiteindelijk ook iets in een voertuig. Als bij u kunnen wij dan ook zeggen: er is stof en geest, of beter, iets anders, dat geen vorm heeft. Iets, dat wij niet kunnen omschrijven of definiëren. Ook wij bestaan uit twee factoren, niet uit één.

Toch hebben door alle eeuwen heen alle grote wijsgeren gesproken over een God, die Eén is.

Dan moeten wij uiteindelijk binnen die God dus ook één kunnen zijn. Die God schept alle dingen: Hij heeft hemel en aarde geschapen, de mens. Hij schept duisternis en licht en in Hem zijn deze dingen één. Dan moet dus ook datgene, wat voor ons verschillend lijkt stof en geest, één zijn.

Een éénheid voor stof en geest, in volmaakte harmonie, geboren uit het Goddelijke, is de Volmaaktheid, zoals zij in de Schepping gerealiseerd kan worden. Het is dus begrijpelijk, dat ik vanuit dit standpunt denkende en sprekende tot de conclusie zal komen, dat de grote kunst, het grote Geheim van het Leven, de achtergrond van elke geheime leer moet zijn het scheppen van een harmonie tussen stof en geest. Dat dit geldt in elke sfeer, behalve misschien in de allerhoogste die er bestaat. Wat wordt ons dan alzo geboden aan leerstellingen, die wij hiervoor zouden kunnen gebruiken?

Wel, in de eerste plaats vinden wij iets daarvan bij de oude wijsgeren, die hun wijsheid nog in het Sanskriet neerschreven op houten tafelen. Wat zeggen zij ervan? Wanneer ik weet wat ik ben, weet ik ook wat ik nodig heb. Wanneer ik weet wat ik nodig heb, dan kan ik voor mijzelf een volledige vrede vinden. Vind ik vrede, zowel in geest als in stof, dan heb ik een harmonie gevonden, waardoor ik in het Goddelijke opga. Dus: weten wat je bent. En wat zijn wij dan?

Daarover zijn vele uitspraken gedaan en het is moeilijk om te beslissen, wat hiervan het juiste is. Want zo zegt iemand: De mens is een verzameling van tegenstellingen, begrensd te midden van de eeuwigheid. Aardig gezegd. Verzameling van tegenstellingen. Ik geloof dat geen bewust wezen, of dit nu mens of geest is, kan beweren dat dit onjuist is. In ons zijn er altijd strijdige factoren en juist daaruit worden wij bewust.

Een ander brengt ons dit aardige gezegde: Mens is al wat denkt, wat bewust is de verantwoording voor eigen daden te dragen. Een veelomvattend iets. Dat brengt ons dan tot de menselijke opvattingen over dingen, die tot nu toe het dierenrijk behoorden, of tot de monstruositeiten gerekend werden. Wat zegt men nog meer hierover? De mens is de eeuwigheid, die zichzelf niet herkent. Dat is een punt dat de aandacht waardig is. Want, wanneer wij (wij allen zijn uiteindelijk mens volgens de voorgaande definitie) eeuwigheid zijn, die zichzelf niet herkent, dan moet dus het totaal van de tegenstrijdigheden in ons en de veranderingen, die wij kennen, voortkomen uit het feit dat wij onszelf niet kennen. Vandaar  als basis van elke leer en esoterische beschouwing steeds weer de uitroep: Ken uzelf.

Wordt u bewust van datgene, dat u bent. Goed, dan moeten wij dus als de kern van de esoterie beschouwen het zoeken naar onszelf. Niet op een zelfzuchtige wijze, maar eerder beschouwend.

Objectief, zo mogelijk: hoe kunnen wij onszelf dan het eenvoudigste leren kennen? Door wanneer wij onszelf gaan bekijken, niet alleen onszelf te bekijken door eigen ogen. Dan zien wij menige deugd en soms ook menige fout, die een ander niet ziet in ons. Wij hebben omtrent onszelf lang niet altijd een juiste voorstelling. Toch moet er ergens een factor zijn, die het ons mogelijk maakt te omschrijven hoe en wat wij zijn, want anders zou het totaal van de Schepping geen nut hebben.

God heeft ons wetten gegeven. Elke wet begrenst een deel van ons wezen. Mogen wij dan misschien zeggen: Aan hetgeen ons werkelijk onmogelijk is, kunnen wij herkennen wat onze mogelijkheden zijn. Onze mogelijkheden bepalen ons wezen. Dit, zoals wij in elk bewustzijnsvlak, waarop wij een ogenblik leven en vertoeven voor ons zelf kunnen bepalen: Dit ben ik in deze fase en wanneer ik dit ken en ik pas mijn verworven kennis toe op het leven, dan openen zich nieuwe perspectieven. Dan blijken er factoren te zijn, die schijnbaar met Gods wetten in strijd zijn. Dat kan echter niet. Dan gaan wij verder zoeken en vinden dan nieuwe wetten. Wij vinden dat de wetten, die wij interpreteerden uit ons beperkt standpunt, meer omvattend zijn, dat zij anders zijn. Soms ruimer, maar altijd zeker scherper omlijnd. Zo komen wij dan ook tot grotere zelfkennis.

Met het doel deze zelfkennis te gaan benaderen zullen wij dan ook in de loop van deze cursus, als ik het zo mag noemen. Het is een reeks van besprekingen die wij houden en dus eigenlijk geen echte cursus. Een aantal sprekers aan het woord te laten komen, die, elk van hun kant uit, iets zullen zeggen over filosofie, magie, Goddelijke wetten, esoterische lessen enzovoort, enzovoort. Wij zullen trachten uit het weten van anderen voor onszelf een grens te vinden, die het ons althans enigszins mogelijk maakt te begrijpen wat wij zijn, waar wij zijn en waarom wij zijn.

Ik denk niet, dat u daartegen bezwaren zult opperen. En waar niets beter is dan meteen de daad bij het woord te voegen, zal ik u thans voor gaan stellen aan een spreker, die op een misschien wat Oosterse wijze een aantal zienswijzen voor zal leggen over wetten, ook al spreekt hij zelf daar niet van. Wanneer u geleerd heeft het gesprokene te ontcijferen, dan zult u uzelf gespiegeld zien in zijn woorden. Het omsluit een groot deel van wat u kent en zal het u daardoor mogelijk maken een scherper beeld te verwerven. Maar meer nog aan ons allen tezamen, geest en stof, een voorspoedige tocht naar het onbekende land, waarvan de hoofdstad ‘IK’ heet.

 

IN HET BEGIN WAS ER HET ‘NIET’

In het begin was er het ‘Niet’. Het ‘Niet’ is niet het ledige. Het is de ongeuite mogelijkheid, die altijd weer kan bestaan, altijd weer plotseling tot werkelijkheid kan worden, die weer terugkeert tot de nietigheid, waaruit zij tevoorschijn kwam. Dit is het begin van alle dingen, de waarheid van alle verschijnselen. Het is de weg, die alle dingen gaan. ‘Niet’ of kern van het zijn. Want alles wat bestaat, alles wat wij waarnemen is niets dan een verschijnsel, een mogelijkheid, gerealiseerd voor een enkel kort moment binnen een enkel bewustzijn. Er zijn duizenden wegen.

Wij denken echter dat onze weg de enige is. Er zijn duizenden werelden. Wij denken dat alleen de onze werkelijkheid is. Wanneer wij inzien dat naast ons bestaan een ander bestaan mogelijk is, dan menen wij dat er twee werkelijkheden zijn. Dat er misschien een mogelijkheid van keuze is tussen wereld en wereld, tussen God en God, tussen mens en mens. Toch is dit alles schijn.

Er is maar één waarheid.

Die waarheid is het Niet, waaruit het Al geboren kan worden, maar wat toch uiteindelijk de betekenis is van alle dingen. Wij gaan door het leven, wij hechten ons aan bezit en aan mensen.

Waan: het is het Niet, dat voor een ogenblik een vorm heeft gekregen. Wij zijn geest en wij houden ons vast aan de verhevenheid van de sfeer waarin wij vertoeven. Waan. Deze wereld is Niet en Niets. Wij denken dat wij God zullen kunnen bereiken in een vorm, die voor ons aanvaardbaar, acceptabel is. Maar God is Niet, God is een Ledigheid, waarin geen vorm is en geen licht. Iets, waarin toch alle vormen, alle licht en alle duister besloten liggen.

Uit dit Niet wordt de mens geboren, de geest, die dromen verwerkelijkt die in het Niet lagen te dromen. Hij wekt mogelijkheden en leeft daarin. Of Hij zich nu een God noemt of een mens.

Eens was er een Schepping met Goden. Eens hebben de Goden samen gestreden. Zij hebben de mensen en de wereld geschapen. Zij hebben mensen vernietigd en de wereld bedreigd, maar het Niet bleef gelijk. Een ster viel van de hemel, de aarde staakte haar wenteling om haar as.

Vroege mensheid, dieren van de oertijd werden verstikt door modder, verstikt door gas. Zij vielen neer, terwijl het vaste land in de zee verzonk en nieuwe bergtoppen een pasgeboren continent kroonden.

En de werkelijkheid was Niet. Duizend mogelijkheden waren er. Duizenden mogelijkheden worden vervuld wanneer er een bewustzijn is, dat ze uit het Niet geboren doet worden. Wanneer er een kracht is, die uit de veelheid, die in het Goddelijke sluimert, er één weet te wekken. De mens kan denken. In het denken is hij de gelijke van de Goden. De mens kan scheppen en in het scheppen is hij de gelijke van de Goden. Alleen: de God weet waar hij scheppen moet en waaruit. De mens weet het niet. Het grote verschil tussen een God en een mens is dan een kwestie van weten. Zo zijn wij Goden. En dwazen tegelijk.

Wie zich van alles onthecht, wie alle werkelijkheidszin van zich af kan werpen, doet zijn eigen werkelijkheid geboren worden, ook voor anderen reëel. Wie dan een wens uitspreekt, ziet die wens dan vervuld, indien men in de vervulling daarvan gelooft. Indien ons wezen in het Niet een gedachte weet te vinden, dan zal ons daardoor geopenbaard worden dat ook dit reeds lang bestond voor het ook voor ons een werkelijkheid werd. Indien wij een gedachte achterlaten, indien wij een woord gesproken hebben, wanneer wij een ogenblik een lichtende daad gesteld hebben in de sferen en wij werpen gedachten en daad van ons, dan wordt het voor ons verleden.

Maar het leeft voort in het Niet.

Soms is er een mens, geest of God, die in zijn bewustzijn al deze dingen hernieuwd kan laten herleven, hernieuwd kan laten ontstaan. Want alles is eeuwig. Wij denken dat onze wereld een continuüm is, waarin voortdurend vooruitgang en afwisseling is. In werkelijkheid zijn de gebeurtenissen niets anders dan boeken, gesteld op een lange reeks van planken, wachtende op de lezer. De heilige hoekenhal, zoals u zou zeggen, de bibliotheek van de Eeuwigheid, waarin al hetgeen er binnen God mogelijk is, staat beschreven. Wij kunnen het altijd weer terug vinden.

Wij kunnen het geboren doen worden. Er is geen grens voor hen, die dit bewustzijn hebben. Vaak vertellen de legenden, dat de Goden tot de mensen komen, dat zij mensen rijkdommen geven en niet altijd is de rijkdom, waarop gedoeld wordt in werkelijkheid goud, zoals men het in de legende tegenkomt. Vaak geven zij het geestelijke goud. Deze goden zijn niets anders dan meer bewusten, wezens, die beter dan wij, beter ook dan u, weten waar de Kracht van de Schepping zetelt en waar de werkelijkheid geboren wordt, die gedeeld tot waan wordt. Wij zijn een tussenschakel tussen goden en mens: Geest, die reeds weet van het bestaan van deze geheimzinnige Nietigheid, van het alomvattend Niet, van dit onbegrijpelijke, dat IS en NIET IS tegelijk.

Wij zoeken een weg om daar binnen te gaan. U zoekt de weg om tot onze wereld te komen. Maar zolang wij ons doel stellen alleen in uw wereld of alleen in onze wereld, zolang wij zoeken naar een mogelijkheid om op een voor ons duidelijke wijze alles redelijk te omschrijven en te definiëren, zolang wij de theorie belangrijker achten dan de praktijk, zolang wij moeten begrijpen wat wij zelf doen, kunnen wij niets bereiken. Eerst wanneer wij weten in onszelf, zonder redelijk overleg, dat deze Kracht bestaat, dat wij alleen maar het onwaarschijnlijke behoeven te wekken om het tot werkelijkheid te maken, dan beginnen wij iets te begrijpen van de Goddelijke Kracht.

Dan beginnen wij iets te begrijpen van de Goddelijke wijsheid, dan zullen wij uiteindelijk begrijpen, waarom werd gezegd: “Want ziet, wie ontvliedt aan de waan zal nietig en daadloos zijn, bewust zwevende, Niet: levend. Of: levende, zoals de mens zich dat denkt. Toch bestaande in een volheid, groter dan een mens zich ooit kan voorstellen”.

Dit is een waarheid, want zonder te zijn kunnen wij duizenden dromen dromen uit het Niet en zijn allen werkelijk, omdat zij in het Niet bestaan. Zij zijn dan de werkelijkheid van onze wereld en wij kunnen die werkelijkheid dan volledig scheppen, zoals zij voor ons behoort te zijn. Wij kunnen alles wat voor ons onbelangrijk is, weglaten tot wij de hoofdzaken, de werkelijke aanvulling van ons wezen bereikt hebben. Bereikt vaak in een enkel woord of een enkele frase, zodat wij ons dan tot het Niet kunnen keren en daarin ondergaan, omdat wij weten, dat wij niet geblust worden, maar als een mogelijkheid ook verder blijven bestaan. Een mogelijkheid rijker dan de vele mogelijkheden, die nu reeds begraven liggen. Een mogelijkheid, die zichzelf tot leven kan wekken en insluimerend zich dit realiseert.

Er is een band, die u en ons bindt. Een band, die gelijktijdig ligt in het Niet, waarover ik u nu spreek en ligt in onze wereld zelf. Dat is de kracht, waarvan wij de manifestaties zien. Dat is het wezen, dat wij op dit moment reeds in onszelf weten, dat zich altijd weer openbaart en uit, wanneer wij waarheid zoeken en niet slechts bevrediging. Welaan, deze kracht zullen wij delen.

Want deze kracht is uiteindelijk ook een deel van de grote Bron, deel van het Niet, het Onbekende, het Ongeuite.

Zolang deze kracht in ons allen pulseert, in geest en in stof, zullen wij de volledige bewustwording kunnen vinden, de volledige realisatie van de grote Waarheid. Omdat deze kracht echter in ons alles is, kunnen wij haar echter (meen ik) alleen gezamenlijk geheel realiseren.

Eerst wanneer wij haar geheel kennen, zullen zij kunnen komen tot een bewustwording in overeenstemming met ons verlangen en ons brengen tot dit Niet, waarin wij alle wereld verliezen, zoals wij die kennen en daarvoor terugvinden een eeuwig en onbegrensd bestaan, vol van oneindige mogelijkheden en vrede door het geheel in harmonie zijn met de Kracht, die in dit Niet werkelijk leeft.

Wij zullen u voor deze keer hiermee verder een ogenblik in vrede laten.  Denk na over hetgeen ik u gezegd heb. De volgende maal zal ik u weer spreken over dit Niet. Ik zal dan trachten u te tonen, hoe volgens mij het ontstaan uit het Niet van een wezen gelijk is aan het opbouwen uit een klein zaadje van een bloem, die uiteindelijk uit zichzelf een weide vol van bloemenpracht geboren doet worden. Ik zal trachten u in te laten zien, hoe wij juist in dit Niet een werkelijkheid kunnen vinden die voor onszelf toepasselijk is, een wijsheid, die ons verrijkt en verheft boven het alledaagse en een vrede, die verre gaat boven al hetgeen wereld en sfeer te bieden hebben.

PRIMITIEVE MAGIËRS

De primitieve magiërs waren natuurlijk in de eerste plaats mensen, die meer wisten dan de anderen. Want alle magie, evenals trouwens de processen van de esoterie enzovoort, berusten uiteindelijk op het weten van dingen, die niet bekend zijn aan iedere andere mens. Een weten, dat misschien niet altijd langs dezelfde natuurlijke weg werd verkregen, maar toch een weten, waardoor men ook zuiver technisch en stoffelijk in staat was tot grotere prestaties te komen dan de anderen. Om u een voorbeeld te geven wat ik hiermee bedoel: Denk eens aan een Yogi. Hij heeft geleerd zich te beheersen, hij heeft zijn voorgeschreven houdingen aangenomen, hij heeft zijn lichaam zijn wil onderdanig gemaakt. Nu kan deze mens op een gegeven moment dingen, die een ander niet tot stand kan brengen.

Dan zegt men: Ja, maar zij hebben ook magische gaven verkregen. Zeker. Maar een groot gedeelte van hun magie berust uiteindelijk op een volkomen beheersing van processen in het lichaam plus de mogelijkheid om de daardoor vrijgekomen krachten op een andere manier te gebruiken. Zodat hun magie voor een groot gedeelte terug te brengen is tot zuiver stoffelijke oorzaken. Zo was het met die primitieve magiërs nu ook. Het is heel aardig om bijvoorbeeld even aan te stippen, dat één van de geheimen van sommige Phoenisische magiërs lag in het gebruik van die opgeblazen huiden, waar zij later ook die leuke bootjes op gemaakt hebben. U weet: oorspronkelijk maakten zij bootjes van bundels riet. Later kwam daar een laag onder van opgeblazen huiden en op die manier kon zo’n bootje een veel grotere last vervoeren.

Oorspronkelijk was dat magie. Magie, die ook gebruikt werd voor het vervoer over van zware voorwerpen over land.

Zo was er eens een keer een groot godenbeeld. Het was geheel uit steen gehouwen en kon haast niet verplaatst worden. Nu was er een magiër die zei dat hij het wel kon, wanneer hij een bezwering uitsprak. Maar dan moest iedereen in zijn woning blijven, want bij deze bezweringen mocht niemand aanwezig zijn. Toen iedereen verdwenen was, kwam hij met zijn helpers en een hele hoop opgeblazen huiden. Het beeld werd met hefbomen heel voorzichtig een eindje omhoog gebracht en op één van die opgeblazen huiden geplaatst. Men bracht het iets uit zijn evenwicht, legde er andere huiden onder en zo kon het beeld verrold worden op veel eenvoudiger wijze, dan wanneer men gebruik had gemaakt van houten rollen of een slee, zoals dat toen nogal eens gebeurde. U weet wel: een paar balken met touwen eraan om te trekken. Dit ging veel eenvoudiger. Want als er een steen lag of zoiets, was dat niet erg: de huiden deukten wel in zover en het beeld rolde er gewoon overheen. Begrijpt u? Op die manier konden zij dan iets tot stand brengen, wat in de ogen van de anderen een wonder was.

Zo zijn er dan ook heel veel wonderen van de primitieve magiërs, die meer berusten op (zoals de Amerikanen zeggen) technisch ‘know how’ dan op een bovennatuurlijk iets. Zij hadden het besef dat er zeer veel krachten in de wereld zijn die je kunt gebruiken, mits je weets hoe. Nu kom ik vanzelf bij de oude Egyptenaren terecht. Want die hebben wonderlijk grote piramiden en tempels gebouwd en lasten grote stenen vervoerd, dat deze prestatie eenvoudig fantastisch was. Zij hebben grote brokken steen vervoerd, die soms (zoals bij pylonen bijvoorbeeld) 30 tot 40 ton wogen. Stel je eens voor, dat je dat alleen met slaven zou moeten vervoeren. Laten slepen of dragen door de woestijn heen. U begrijpt dat dat doden zou kosten tot en met en bovendien heel wat tijd en heel wat geld. Ook hier heeft men vaak gebruik gemaakt van de eigenaardige eigenschappen van opgesloten lucht, nietwaar, dat zij veerkrachtig blijft. Ook bij dat vervoer werd veel gebruik gemaakt van dit soort opgeblazen huiden. Echter, wisten zij daar meer: zij wisten dat de zon veel kracht heeft en dat de kracht van de zon geconcentreerd kan worden. Helemaal niets bijzonders voor deze tijd, want op het ogenblik worden overal pogingen gedaan om zonnekracht om te zetten in een voor de mens bruikbare energievorm. Indien u zich de moeite getroost de publicaties hierover te volgen, dan zult u waarschijnlijk al gehoord hebben dat zij op het ogenblik een preparaat hebben gevonden, een silicone-preparaat, dat aan het zonlicht zoveel energie ontneemt, dat je er een kleine radio op kunt laten spelen, een kleine zender op kunt laten werken. Je kunt er zelfs ook lampen op laten branden. Maar ja, daar heb je overdag weinig aan, tenzij je misschien een mens wilt gaan zoeken, zoals die wijsgeer. Want al zou je met tien lampen op de drukste marktplaats gaan zoeken, dan zou je misschien nog geen echte mens vinden. Maar dat doet nu niet terzake.

Die oude Egyptenaren wisten dus al, dat de zonnekracht bruikbaar was. Maar in plaats van te doen zoals heden, waar men die kracht tracht te gebruiken door allerhande ingewikkelde apparaten, maakte men daar van zeer eenvoudige middelen gebruik. In de eerste plaats gebruikte men bepaalde vlakken voor weerkaatsing. Tegenwoordig denkt men dat die spiegelvijvers, die alle oude vorsten aanlegden er alleen maar waren voor het mooie, om iets te weerspiegelen. Maar dat is lang niet altijd waar. Vaak werden zij speciaal aangelegd om een bepaalde zonlicht-weerkaatsing te wekken, waarvan men magisch een bijzonder gunstig gebruik kon maken.

De menselijke geest namelijk functioneert met bepaalde trillingen. Die trillingen, zoals bijvoorbeeld bij telepathie en gedachtenlezen, kunnen een zodanige dichtheid bereiken, dat zij de kracht van de zonnestralen kan leiden. De zonnestraling wekt wel trillingen in de omgeving op, waardoor zij merkbaar wordt, maar op zichzelf is het een straling, nietwaar. Men kan dan die straling leiden in een bepaald brandpunt, waar zij een zo grote sterkte bereiken, dat hierdoor lasten kunnen worden opgeheven. Op deze wijze heeft men gedurende de bouw van de piramide van Chefu, of Kephren, inderdaad vele steenblokken verwerkt. Ik wijs hier even op om u te doen gevoelen, dat er zeer vele natuurlijke krachten zijn, die je kunt gebruiken wanneer je maar weet: hoe. Want het was werkelijk de zonnekracht. Het waren geen geesten, die die stenen omhoog geheven hebben. Het was niets bovennatuurlijks. Maar de wijze waarop het gebeurde is heden ten dage nog steeds een geheim.

Dat is de kwestie, waarbij ook de esoterie veel te pas komt. De mens heeft zo langzamerhand vergeten, dat hij gebruik moet maken van de geest in de eerste plaats, wanneer hij de materie wil gaan beheersen. De geest kan veel beter dan de beste elektro-cardiograaf precies vertellen wat er gaande is met de pols of met het hart. Zij kan veel beter vertellen, hoe de zenuwreacties zijn dan de beste instrumenten, die er bestaan om dat te meten. Zij kan reflexen en hun intensiteit vaststellen, zonder dat zij eerst door een prikkel verwekt zijn en veel nauwkeuriger bovendien. De geest, indien goed gericht, dringt in de schedel heel wat gemakkelijker door dan X-stralen, want die hebben daar heel wat moeite mee. Zij ziet de fouten veel duidelijker en nauwkeuriger omschreven, dan de moderne technische apparatuur kan doen.

Ja, er is een tijd geweest, dat de geoefende menselijke geest bepaalde ingrepen als weefsel-vernietiging en weefsel-scheiding uit kon voeren, zonder dat er van een operatief ingrijpen in uw zin sprake was. Dat deed alleen die geest, omdat die geest een voorstelling wist te krijgen van al hetgeen er in het bewustzijn van een ander leefde omtrent zijn leven en zijn lichaam.

Terwijl men dan gebruik wist te maken van de krachten van die mens plus de eigen krachten om zo de gewenste wijzigingen tot stand te brengen. U begrijpt dat de mensen er tegenwoordig, wat dat betreft, dus eigenlijk heel armzalig voorstaan. Men richt zich steeds meer op de techniek, de techniek, de techniek. Hoe technischer het is, hoe mooier het is en wanneer je zegt: Dat kun je met je geest ook, dan zeggen zij: Ja, maar dat kun je niet altijd en dus kun je dan niet zo betrouwbaar werken enzovoort enzovoort. Maar men vergeet één ding: dat, wanneer de geest zo’n prestatie verricht, zij nauwkeuriger, juister en volmaakter werkt dan dit technisch ooit mogelijk zou zijn. Wij kunnen niet verlangen, dat de mens voor zijn dagelijkse leven deze krachten gaat gebruiken. Die tijd is voorbij.

Op den duur geloof ik ook wel, dat de geesteskrachten van de mens op een andere manier gebruikt zullen worden. Meer om te controleren dan om zelf in te grijpen. Die krachten leven in u ook. Op u zou dan van toepassing zijn, wat een Hepteh, de hogepriester zei, toen hij voor de Farao werd geroepen, die hem vertelde, dat hij wel een beetje te veel priesters opleidde naar zijn zin. Nu is dat te begrijpen hoor, want juist in de tijd van Hepteh werd de priesterkaste zo sterk. Bovendien was Hepteh ook nog pretendent. Ik geloof dat hij zelfs nog eens vijf dagen werkelijk vorst is geweest. De vorst voelde niet al te veel voor zo’n sterke priesterschap. Het resultaat was, dat de hogepriester probeerde te vertellen wat werkelijk zijn bedoeling was. Want denkt u alstublieft niet dat de priesters van Amon en van Ré alleen maar intriganten waren, die het alleen maar om macht en geld te doen was. Er waren veel idealisten onder, die vaak heus wel meer wisten dan menig moderne priester. De hogepriester gaf zijn vorst dit antwoord: “Wanneer gij wilt, dan maak ik u priesters van alle mensen, mits gij mij alle mensen geeft om er priesters van te maken”. Dit was een heel aardige toespeling. Hij bedoelde namelijk dit: Je kunt van niemand een priester maken, je kunt bij niemand een paranormale gave opwekken en niemand leren bepaalde wetten te gebruiken, als die mens niet gegeven is aan zijn leraar.

Nu was vroeger zo’n Farao zo belangrijk, dat men hem gehoorzaamde als hij zoiets zei.

Tegenwoordig is men democratisch en is de enige die u schenken kan uw eigen ‘ikje’. U kunt uzelf aan een bepaalde leiding overgeven, u kunt een bepaalde meester erkennen. U kunt zeggen: Dit is voor de uitverkoren leider. Alles wat hij zegt, zal ik doen. Wanneer hij zegt: spring, dan spring ik. Onzinnig? Misschien vanuit stoffelijk een redelijk standpunt. Maar aan de andere kant (dat kan ik heus hier op mijn erewoord verklaren) noodzakelijk, want in alle mensen leven die capaciteiten.

Als u nu alleen maar eens dit wilt onthouden: Bij de bouw van de piramiden waren er vijf priesters, die tezamen met een 80-tal slaven veel arbeid verrichtten door het gebruik van geestelijke krachten. Meer dan het werk van duizenden slaven, die op de normale manier werkten. Die slaven werden daarvoor opgevoed. Overigens werden zij later naar het huis van Ptah gebracht en hebben daar verder dienstgedaan, bij de priester-dokters hoofdzakelijk. Maar goed. Om u nu dus duidelijk te maken waar het naar toe moet wanneer wij esoterische leringen gaan geven en u ze gaat aanhoren. Dan moet je je volkomen over kunnen geven. Geef je jezelf volledig over aan die leer, vertrouw je daar volkomen op, dan heb je ook het recht die leringen op de proef te stellen. Wanneer je jezelf helemaal daaraan geeft, geen aasje twijfel meer over, zo is het, zo moet het, zo doe ik het, dan bewijzen deze leringen vanzelf, doordat er natuurwetten tot uiting komen, die u vroeger nooit gekend heeft en waar de wereld nog weinig of niets van weet, dat de dingen zo zijn.

Esoterie is geen zuiver abstract iets. Esoterie is niet alleen maar een filosoferen en zoeken in het geheimzinnige. Integendeel! Het is wel degelijk een reële wetenschap. Esoterie is als het ware de innerlijke toestand plus de wetenschap, nodig om de geheime wetenschappen tot uiting te brengen. Er kan geen magiër bestaan, die niet esoterisch geschoold is. Maar nu ik u dat zo er tussendoor verteld heb, laat ons nu even terug gaan. Die Egyptenaar had natuurlijk verder nog een andere bedoeling. Want bij het bouwen van hun graftempels wilden zij daarin zoveel mogelijk symbolen leggen. Daarom gebruikten zij de vorm, die de oudste piramide, die ook voor hen reeds lang een overlevering geworden was, gehad had. Namelijk een soort…..hoe moet ik het zeggen…. piramide. Dat is het woord, dat staat daar nu eenmaal voor.

Een vierhoekige piramide, die aan alle vlakken gelijk was en ten opzichte van de aardas een bepaalde stand innam. Daar kwam het eigenlijk op neer. Daardoor gaven zij dan in symbolen de wijze aan, waarop de dode dus regeerde in een ander rijk. De herboren Osiris, zoals dat heette. U begrijpt wel dat toen aan het einde van die periode ook de grote piramide herbouwd werd, de piramide, die later de piramide van Chefu of Kephren heette, hier inderdaad alles bij verwerkt werd, wat maar enigszins bruikbaar was. Nu is dat heel aardig. Men vertelt u, nietwaar, zij deden astronomische waarnemingen door een waterspiegel te doen staan in de knik van de gang tussen neergaande en opgaande ingangs-gang. Daartussen lag dan een waterspiegel. Daar zaten zij dan heel gezellig te kijken en zagen dan precies, wanneer een bepaalde planeet of ster op een bepaalde plaats was en konden zo allerlei gunstige en ongunstige momenten voor plechtigheden bepalen. Zo is het ook wel eens gebeurd. Maar om dat te kunnen doen (vergeet dat niet) moesten zij al heel wat van de sterren weten. Hoe zijn zij daar nu achter gekomen?

Wel. Deze oude geleerden……….of…..magiërs (je kunt dat allebei zeggen) kenden de geheime kunst om door een innerlijke wens jezelf te projecteren op een plaats, waar je wilt zijn. Zij wilden iets van de sterren weten. Zij wilden weten hoe dat allemaal in elkaar zat en dus projecteerden zij zich te midden van de sterrenhemel. Zij vonden daar een groot aantal waarden en stromingen, die voor de geest merkbaar zijn, al zijn zij voor de stoffelijke wetenschap schijnbaar onmerkbaar, te verwaarlozen en zeer onbelangrijk. Zij wisten deze mede te verwerken in hun berekeningen. Dit is zoveel te sterker als ik u vertelde, dat men oorspronkelijk heeft gewerkt een een twintigtallig stelsel om daarna over te gaan op een twaalftallig stelsel. Daarvoor is er zelfs nog eens een achtentwintigtallig stelsel geweest.

In al deze stelsels wist men steeds weer te komen tot een uitdrukking van alle kosmische stromingen en waarden. Men wist precies hoe groot die aarde was. Men wist precies dat zij bolvormig was, terwijl het westelijk deel van de wordende beschaving nog heel lang daarna over de vorm van de aarde als een pannenkoek dacht. Zij wisten precies welke baan de zon beschrijft.

Er hebben zelfs verhandelingen bestaan, onder andere een door een zogenaamde Chaldeeër over de baan, die de zon loopt in de buitenste werveling van het melkwegstelsel. Denkt u zich dat eens in. Niet zomaar verteld, dat er iets gaande is. Neen. Er is een spiraal, zo zei hij. Dat hebben zij eerst kortgeleden weer herontdekt. Er is een spiraal en in deze spiraal beweegt onze zon zich met die en die snelheid naar die en die ster. Hij zal echter deze ster nooit kunnen bereiken, want ook deze ster beweegt zich weer binnen deze spiraal en gaat in een ander vlak lopen. Wanneer deze afstand is afgelegd, dan gaat de aarde over in een ander ruimtetijdscontinuüm, waardoor zij dan een gehele reeks van andere verschijnselen en levenswaarden zal kennen.

Ik vertaal het natuurlijk in modernere termen. Gedeeltelijk is dat nog vastgelegd (symbolisch) in de grote piramide. De grote piramide is overigens al weer gebouwd in het twaalftallig stelsel, zoals u misschien weet. Zij is dus weer op een ander systeem gebaseerd dan de verhandeling. Maar die oude waarheid en wijsheid is daar nog weer in neer gelegd. Het is zoveel bewonderenswaardiger, wanneer wij bedenken, dat deze mensen niet de beschikking hadden over een sterrenkijker. Dat zij helemaal geen spectroscoop hadden om te bepalen, wat voor elementen er in een planeet of ster schuilen. Dat zij van de moderne driehoeksmetingen praktisch niets afwisten. Toch konden zij dit alles geestelijk tot stand brengen. Zij hebben dit altijd heel handig voor anderen bemanteld. Want de esoterie is een wetenschap, die gevaarlijk is in handen van een leek. Daarom waren zij zo voorzichtig te zorgen, dat niemand het ware ervan te weten kwam. Zoals wij dat ook trouwens in Zuid-Amerika hebben gezien.

In Zuid-Amerika had men namelijk, zoals u weet, de zogenaamde kepus, de knopensnoeren. De knopensnoeren waren in verschillende kleuren uitgevoerd. Men gebruikte verschillende typen van knopen en hield daarin zo een hele boekhouding bij. Men heeft u misschien wel eens verteld dat er allerlei wijze spreuken in waren geknoopt. Nu, dat is niet helemaal waar. Het ging oorspronkelijk zo: Er was eens een vorst. Dat was overigens al heel lang geleden en in de buurt van het huidige Argentinië. Later zijn er verschillende volksverhuizingen geweest. Deze vorst wilde weten hoe groot zijn kuddes waren. Hij hield er namelijk een serie beesten op na. Omdat niemand in staat was dat allemaal te onthouden (zo knap waren zij toen nog niet) nam men een dunne liaan en voor elk dier werd daar met veel moeite een knoop in gemaakt. Zo kwam men langzaamaan tot het gebruiken hiervoor van koorden, later van repen leer, waarin de knopen werden gelegd.

Toen men verschillende soorten dingen moest gaan tellen, is het al begrijpelijk, dat men dus ook verschillende koorden nam, ook uiterlijk verschillend en daar met knopen de aantallen in vastlegde. Als je nu voor elk ding een knoop ging leggen, was het zo erg vervelend. Dus legde men oorspronkelijk een bepaalde knoop voor ‘één hand’ dingen of dieren. Vijf. Later voor twee handen. Tien. Er zijn ook knopen geweest, die twintig telden. Vijftigtallen kwamen in die begintijd niet voor. Maar wij vinden wel weer bijvoorbeeld bij de Inca’s na vele eigenaardige gebeurtenissen en ontdekkingen, een stelsel, dat zelfs honderdtallig was. Nu waren er echter ook in de oudheid van Amerika een aantal van…..hoe moet ik dat zeggen…ingewijden is misschien wel wat veel gezegd. Maar filosofen en kenners van de overleveringen. Kenners van de oude leer.

Ik heb u vroeger al eens verteld, hoe er een verband bestaat tussen het oude Atlantis en Zuid-Amerika. Dus denkt u maar dat daar een groot deel van die overleveringen vandaan is gekomen.

Het is misschien aardig dat er even bij te vermelden. Weet u dat het boek “Mornon” door Smith gevonden werd? Hij vond de gouden platen van het boek “Mormon”. Nu is echter het eigenaardige dat die platen inderdaad wel eens bestaan zouden kunnen hebben. Ik zeg niet dat dit zo was, maar het zou mogelijk geweest zijn. Want in vroeger tijd heeft men zeer veel wijsheid neergeschreven op gouden platen. Indien dus het boek “Mormon” inderdaad gevonden is zoals de Mormonen beweren…..

Weet u wat van de Mormonen? Of moet ik het eventjes vertellen? Nu, kijkt u eens. Zij geloven dus dat tijdens de regering van Koning Hizkia een aantal Israëlieten zijn uitgeweken en uiteindelijk terecht zijn gekomen in Amerika. Dat deze daar een groot gedeelte van de christelijke waarheden gepredikt hebben en deze ook hebben neergelegd onder andere op metalen platen.

Zo gaan dan de Mormonen er vanuit dat deze platen een aanvulling zijn, een openbarend geschrift, dat direct op Bijbel en Evangelie aansluit. Zij hebben daardoor een geheel ander inzicht in de godsdienstige verhoudingen dan de andere mensen. Er zijn natuurlijk een hele hoop misslagen geweest. Denkt u maar aan de geschiedenis van Brigham Young, de opvolger van Smith. Maar ondanks dat, hebben wij hier toch te maken met een werkje, dat stamt uit de jaren (zoals zij zelf zeggen) tussen 200 en 600 jaar na Christus.

Hoe het ook zij, wij weten in ieder geval dat er zulke platen hebben bestaan. Die platen hebben weer een eigenaardige samenhang met het knopenschrift. U zult wel begrijpen dat het knopenschrift op den duur verbreid werd. Dat is net zo gegaan als met het schrijven, het spijkerschrift van de oude Phoeniciërs. Daarvan vinden wij later de zegels verbreid over de gehele oude wereld. Overal waar zij kwamen, werd op den duur dat verkorte spijkerschrift dat zij hadden, gebruikt, vooral voor administratieve doeleinden. Zo ging het met dat knopenschrift nu ook en zo gaf het de gelegenheid om in een schijnbaar onschuldige administratieve mededeling een soort code te verwerken. De code bestond dan uit kleurknopen. Men begon oorspronkelijk om elke knoop op hetzelfde snoer een andere kleur te geven, wanneer die een andere getalswaarde had. Men kon dus schijnbaar normale dingen weer gaan geven, maar men maakte daarin bepaalde verschillen ten opzichte van een controle snoer. Wie nu het controle snoer vergeleek met het schijnbaar primitieve stukje administratie kon daaruit mededelingen lezen. Die mededelingen hadden meestal betrekking op, wat men noemt, esoterische waarden. Het is eigenaardig dat een groot aantal van deze waarden een tijdlang in Peru verborgen zijn geweest, maar later ook via Mexico naar het Noorden zijn getrokken en uiteindelijk zelfs terecht kwamen in de buurt van het huidige San Diëgo en San Francisco. Dus in de buurt van die grote scheur in de aardkorst.

Ik zou u daaruit graag een paar stukjes aan willen halen, omdat zij zo aardig aantonen, wat ik hier allemaal heb zitten beweren over geestelijke krachten en esoterie. Daar schijft dan de één aan de ander in code. Zeer verkort, ik moet die telegramstijl dus iets verder uitwerken. “Heden heb ik mijn geest tot u gezonden”. Nu ja, dat begrijpen wij. Hij is dus uitgetreden en daarnaar toegegaan. “Verenig uw geest met de mijne”. Met andere woorden: laten wij samen werken.

Het eigenaardige is dan, dat de volgende frase het beste vertaald kan worden: “Opdat de vrede terug moge keren”. Daar wordt dan een landschap omschreven. Dus een paar ingewijden, die heel rustig een oorlogje onmogelijk willen gaan maken. Om te weten hoe dat ongeveer ging, moeten wij even onderduiken in de Indiaanse legenden.

Dan zien wij daar verschillende malen in de verhalen de grote medicijnman opduiken, die midden in een strijd plotseling op een veld staat, met een enkel gebaar de mensen wegvaagt en dan weer rustig verdwijnt, terwijl niemand weet wie hij is. Als men dan later huiswaarts gaat, ziet men in de verte ook de vijand huiswaarts gaan. Het is heel eenvoudig te verklaren: Er wordt hier gebruik gemaakt van een suggestief proces. Twee of misschien meer van deze ingewijden werken samen. Zij projecteren hun gedachten zo sterk op een bepaald punt, dat hierdoor de voor gewone mensen waarneembare schrikbarende gestalte ontstaat. Het plotseling verschijnen van de gestalte, die over het algemeen zeer groot is, in sommige gevallen spreekt men zelfs over een reus, trekt een ogenblik de aandacht van allen die strijden of klaar staan om te gaan strijden. Die aandacht is net genoeg, want nu wordt er een zo dringende gedachte uitgezonden, dat de vijanden elkaar niet meer waarnemen. Aan beide kanten is men verblind. U zult zeggen: wat heeft dit alles met esoterie te maken? Toch is dit eigenlijk een staaltje van magie, gebaseerd op het esoterisch denken, want, aanhalende en citerende: Wij weten, dat alle geest één is. Zo ik er dus ben en mijn broeder niet, zo zal hij toch horen op mijn stem. Niet terwille van mijn wijsheid, maar omdat hijzelf geen andere gedachte daar tegenover kan stellen. Tussen twee haakjes, iets wat bij andere Inca’s ook wel eens is voorgekomen, als ik de moderne regeringsvormen weer eens bekijk, heb ik zo het idee, dat het nog wel eens een keer voorkomt.

Nu ja, goed. Wanneer er dus geen bewustzijn is, dan heeft men ook geen verweer tegen u.

Dan vervolgt deze schrijver: Zo is het weten een machtig wapen, waar de onwetende te allen tijde de wetende zal moeten gehoorzamen. Maar wee, wie gehoorzaamheid afdwingt voor zich.

Hij maakt zich een vijand en kweekt een bewustzijn bij de onbewusten, dat tegen gericht is.

Indien men slechts zijn weten gebruikt om de onwetenden te beschermen, zal men de onwetende zijn onwetendheid laten. Moeilijk om eruit te komen, hoor. Maar in deze onwetendheid hen leidinggeven, opdat zij zich bewust kunnen worden gelijkelijk en één met hem, vergrotende de macht en wetenschap die ligt in alle geest, die bewust is.

Ziet u? Daar zie je, de achtergrond van die dingen en dat alles ligt vandaag aan de dag met bijvoorbeeld de Witte Broederschap precies hetzelfde. Het gaat er niet om bewustzijn te brengen ten koste van alles. Men moet een bewustzijn geven, opdat u één zult kunnen worden met degenen, die voor de groep strijden. Daar zit nu juist de kneep. Wie esoterisch wil werken moet begrijpen dat het openbaren van geheimen vaak slecht is en een kwaad. Want daarmee kan hij iemand vermogen geven zich te verzetten tegen een goede invloed, die op hem of haar wordt uitgeoefend. Wel zal zo iemand vlugger bewust worden. Maar waar de tendens, die tot de bewustwording leidt, een haatgedachte is. U weet wel. Angst, haat, enzovoort, zal hiervoor de mens lijden. Hij zal bovendien degene die goed wil, schade toe kunnen voegen. Hij zal dus het grote werk tegen gaan houden. Zo is het nu met ons precies hetzelfde. Wij willen met u de esoterie leren gebruiken. Wij willen een gezamenlijke bewustwording hebben. Wij willen als het ware steeds verder door gaan dringen in al deze geheimen, opdat wij de waarheid kunnen vinden: de werkelijkheid. Opdat wij met onze krachten deze wereld en al wat er verder is, kunnen brengen tot een bewustzijn, waarin wij gezamenlijk God kunnen aanvaarden, zoals Hij is en niet slechts zoals wij Hem ons denken. Ja, daar zit je dan. Je kunt eenvoudig de zaak niet forceren. Het moet alles zijn eigen weg gaan.

Nu maak ik even een hele grote sprong terug naar het begin van mijn betoog en wil u iets vertellen over de overleveringen, zoals die bij de primitieve magiërs van mond tot mond werden weergegeven en soms zelfs nu nog, wat misvormd overigens, in sommige genootschappen van de laatste tijd ook nog weer verteld worden. Wat ik nu ga noemen, is dus al ruim 8 à 9 duizend jaar oud. Dat verhaal gaat zo: Wanneer ik zoek, zal ik slechts vinden, wanneer mijn zoeken oprecht is. Wanneer ik strijd, kan ik slechts strijden met resultaat, wanneer ik machtiger ben, ofwel het recht aan mijn zijde heb. Strijd ik met het recht aan mijn zijde, dan ben ik onoverwinnelijk. Strijd ik met mijn eigen grote macht, dan ben ik slechts machtig tot een machtigere mij neder werpt. U ziet, het is allemaal nogal begrijpelijk.

Maar nu komt de clou van de zaak: Elke geest, die wij kennen en elke geest, die wij scheppen …..schijnbaar kenden zij dat toen ook al. Eigenlijk zou ik moeten vertalen: oproepen en omgrenzen, wanneer ik het goed wil doen, maar goed…… die wij scheppen, komt op hetzelfde neer…… is uiteindelijk een deel van ons eigen wezen. Maar waar ons wezen verwant is met vele krachten op deze wereld en in andere werelden, zullen wij gezamenlijk de grootste macht hebben, indien wij streven naar hetgeen uit onze geaardheid voortvloeit. Aardig. Dat is op het ogenblik nog een negerfilosofie. Het wordt misbruikt voor zwarte magie op het ogenblik. Laat ik dat erbij vertellen. Maar: de waarheid schuilt er achter. Wij kunnen niet zomaar iets gaan doen.

Wij kunnen niet zomaar tot een bewustzijn komen. Wij moeten weten wat er gaat gebeuren.

Wanneer wij nu bepaalde gaven hebben of een zekere kennis bezitten, dan is het natuurlijk voor ons een plicht om de mensheid daarmee te helpen. Wij mogen van die kennis aan anderen zoveel geven als noodzakelijk is om de mensheid vooruit te helpen. Maar ook niet meer. Dat is logisch.

Laat ons even redelijk denken: Wanneer alles één éénheid is, dan zal ik toch vanzelf alles krijgen wat ik nodig heb. Ik mag dus een ander niet iets gaan geven, wanneer het geheel (noem het God voor mijn part, of geef het een andere naam, de Algeest, de kosmos, het heelal) dat nog niet goed beoordeelt. Wanneer dat het geval is en ik ga het wel geven, dan verstoor ik de harmonische groei van de bewustwording in de gehele kosmos. Aan de andere kant mag ik de uitwerkingen van die krachten niet aan een ander onthouden: Want wanneer ik dat ga doen, ben ik zelfzuchtig. Dan verzaak ik een plicht, omdat die anderen ook deel zijn van het geheel.

Ik moet ze dus trachten te helpen zonder hen bewust te maken van de wijze waarop of de reden waarom ik ze help. Ik moet ze alleen maar helpen.

Aardig allemaal, hè? Nu ga ik nog even terug naar de Egyptenaren. In het oude Egypte had men een hele hoop eigenaardige opvattingen over leven en dood. Men had eigenaardige opvattingen over het bestaan van de wereld over goden, kortom over alles.

Daarom is het zo des temeer opvallend, wanneer wij weten dat in de geheime leren over de zon (ik vertelde reeds hoe zij deze krachten wisten te richten en hoe zij wisten ermee te werken) het volgende wordt gezegd: Wanneer Horus wordt geboren, wanneer Osiris reist, dan weten wij dat dit is een vuur, dat aan de hemel gloeit. Er is dus een voorstelling van de zon en men spreekt niet alleen van een zonnegod. Echter, of zij nu zeggen Osiris of Horus, wij noemen daarmee het wezen dat in dit vuur leeft. Een belangrijke vaststelling!

Er woont een wezen. Met andere woorden, de zon is niet alleen maar een bal vuur, waar wij zo toevallig met onze wereld omheen draaien. Het is een bewust en denkend wezen. Wat meer is: Dit wezen is aan ons verwant. Moet u eens horen! Is Aan Ons Verwant. Verwantschap maakte in Egypte heel wat meer uit dan hier en daarom betekent het nog heel wat meer dan wanneer wij hier zouden zeggen: verwant. Verwant: wij staan met elkaar in relatie. De families stonden elkaar daar altijd bij. Families behoren tezamen. Wanneer ik mij wend tot mijn broeder….. Niet meer: de God, maar MIJN BROEDER, zo zal hij mij antwoorden, indien ik zijn woorden kan verstaan. Dat heeft ook weer zijn betekenis: Wanneer ik mij ga richten tot God of tot de zon, de zonnegeest bijvoorbeeld, dan kan die geest mij wel antwoorden, maar dat heeft voor die geest weinig nut, wanneer ik niet in staat ben om hem te verstaan.

Er zijn heel wat invloeden, stoffelijke zowel als geestelijke, die ons, wanneer wij mens zijn, kunnen begrijpen. Ook wanneer wij in een sfeer leven. Hogere krachten dus, die ons kunnen begrijpen. Maar die niet tot ons spreken, omdat wij ze niet kunnen verstaan. Wij moeten dus eerst leren deze te verstaan. Dan gaat dat betoog verder en dat vind ik wel het interessantste van het hele geval, dat ik hier aanhaal: Zo leer ik de taal van de zon, door haar vragen te stellen, waarop zij mij kan antwoorden: zo is het, of, zo is het niet. Wij zouden zeggen: ja of neen. Dat is logisch en begrijpelijk. Wanneer wij op die manier iets vragen, dan kunnen wij aan de hand van onze ervaringen uit gaan maken of de stem gelijk heeft.

Wat ‘ja’ betekent en wat ‘neen’ betekent, kunnen wij dan al vaststellen. Hebben wij dat uitgeprobeerd op ons eigen terrein, waar wij thuis zijn en blijkt daar dat het goed is, dan behoeven wij verder niets te doen dan in vol vertrouwen op dezelfde wijze te vragen omtrent dingen, die wij niet na kunnen gaan. Wordt er dan ‘ja’ gezegd, dan is het voor ons ook ‘ja’ en wordt er ‘neen’ gezegd, blijft het ‘neen’. Wanneer mijn broeder dus ‘ja’ zegt, of ‘het is zo’, zo kan ik hem vragen: zo dat het antwoord moet liggen tussen ja en neen. Ik stel een onderwerp, waarop niet meer met ‘ja’ of ‘neen’ kan worden geantwoord. Het antwoord kan dan luiden bijvoorbeeld ‘ja’ en ‘neen’. Maar het kan ook luiden: ‘neen’ en ‘ja’. De schakering, het verschil in betekenis, leert mij weer iets kennen omtrent de taal van mijn broeder. Zo zal ik door de ervaring en doelbewust streven leren mijn broeder te verstaan. Ken ik zijn taal, zo is er voor mij geen geheim meer…. Want hij ziet de wereld en meer dan de wereld. Zo gaat het met ons ook, nietwaar?

  • Ja, vooral wanneer je slecht vertaalt. Dan worden de begrippen anders.

Ja, het is heel gemakkelijk om met de geest in contact te komen. Maar om te leren die geest te verstaan. Dus, zoals u zeer juist opmerkt, geen foutieve vertaling te geven van wat zij zegt, daar komt het op aan. Dat betekent, dat het sfeer voor sfeer noodzakelijk is te streven naar een begrip van hetgeen de hogere sferen zeggen, terwijl ons dan gelijktijdig een sleutel op de mond wordt gelegd en wij slechts dan mogen spreken, wanneer wij zeker zijn dat wij de taal van onze broeders verstaan.

  • Wij mensen praten ook zo vaak langs elkaar heen zonder elkaar te begrijpen. Wij bedoelen het toch allemaal goed.

In sommige gevallen is het zelfs zo, dat men elkaar wel begrijpt, maar toch langs elkaar heen praat. Het is dan alleen de vraag of men het ook werkelijk zo goed bedoelt.

  • Je kunt ook langs elkaar heen praten, terwijl je hetzelfde bedoelt Maar dan sta je toch niet op hetzelfde vlak.

 Het laatste wat u zegt, is belangrijk. De rest niet zo zeer. Maar: je staat niet op hetzelfde vlak. Wanneer wij nu omhoog gaan streven, dan is het heel goed mogelijk, dat de geest uit zijn sfeer, of u uit uw eigen wereld, wilt gaan grijpen naar iets hogers. Wil men elkaar begrijpen, dan moet er een toestand komen, waarbij het hoogste vlak van uw streven nog net het laagste vlak van die ander raakt. Dat is het begin.

Wij mogen niet verwachten, dat u bewust wordt en zegt: Ik ga in een andere sfeer de wijsheid vinden en leren leven op de juiste manier. Dat zou onzin zijn. Wat u wel kunt zeggen is: Ik verwacht, dat ik een contact zal krijgen met die wereld. Is dat er maar eenmaal, dan kunt u al het andere op den duur wel leren. Daar gaat het om. Die oude Egyptenaren hadden dus dat zaakje ook al heel aardig door. Zij wisten trouwens nog wel meer. Niet, dat het er veel mee te maken heeft hier. Het is eigenlijk weer een ander chapiter, maar ik vind het wel aardig dit hier ook even aan te halen.

Wat zegt één van hun priester-filosofen over de dood? Hij, die sterft, verliest zijn huis. Wie zijn huis verliest en geen vrienden heeft, is zonder onderdak. Zo zorge men, dat de geest zijn vrienden heeft vóór hij zijn huis verlaat. Ik zou zo zeggen dat dit ook voor u wel erg toepasselijk is. Zorg dat je ook in de geest je vrienden hebt. Zorg dat je contact hebt met anderen. Dat je niet in jezelf besloten blijft gaan in een kringetje, in één gedachtegang. Zorg dat je contact hebt met anderen, want wanneer je dan sterft, dan sta je zeker niet ‘zonder onderdak’.

Dezelfde filosoof geeft aan zijn leerlingen dan deze vergelijking: Toen Farao op jacht ging en zijn speer wierp, maar het wild niet raakte, zo was er één, die zijn speer met hem wierp, maar niet zei: Dit is mijn speer. Zodat de vorst heenging met eer en roem overladen en de buit in zijn wagen. Maar ziet, toen de jager tot armoede verviel, zo stelde hij zich in de hof en vroeg om rechtvaardigheid. En deze, hem herkennende, die eens voor hem de speer geworpen had, zei: Ga tot de tempel. Zo u de wijdingen ontvangen hebt, zal ik u stellen in mijn huis over vele slaven. Een gelijkenis. Maar er zit iets in wat wij ook weer heel goed in de gaten moeten houden, wanneer wij toch zelf zo goed mogelijk onderdak willen bekomen. Dat is dit.

Wij zijn vaak in staat om iemand geestelijk en stoffelijk te helpen. Maar wanneer wij al de eer daarvan voor onszelf opvragen, is dat eigenlijk zoveel niet waard. Dan hebben wij alleen de eer en de voldoening ervan en is het verder afgelopen. Maar wanneer wij terwille van God iets doen zonder daar verder over te praten, dan hebben wij ons tegenover God gesteld, zoals de jager tegenover de Farao. Die had namelijk iets gedaan wat eigenlijk de ander had moeten en kunnen doen. Nu zal God natuurlijk niet falen, maar in onze ogen doet Hij dat soms wel. Wanneer wij Hem dus op onze manier verbeteren en de eer daarvan aan God laten, dan verplichten wij als het ware God aan ons. Heel juist is dat niet, maar u begrijpt zo toch wel wat erachter zit.

Wij moeten zo nu en dan aan wonderen helpen doen, zonder daar over te spreken. Dat wonder is soms heel erg eenvoudig. Neem nu eens iemand, die heel erg in nood zit. Hij heeft geen cent meer, u kunt zo iemand natuurlijk wat geld geven met een paar goede woorden. Je zou ook een wonder kunnen doen door het eenvoudig in zijn zak te steken, zonder dat hij dat weet. Wat heeft u nu gedaan? U zult zoiets natuurlijk alleen in een noodgeval doen, nietwaar? U heeft dan namens God iets geschonken, opdat deze mens zijn vrede en geluk zal kunnen vinden. Voor die mens is dat een daad Gods. Een wonder. Hij kan zich wel denken, dat daar iets anders achter zit, maar voor hem is het een verlossing, een wonder en een bevrijding, waarvoor hij niemand anders kan danken dan God. Voor de dank, die hij tot God richt krijgt u als het ware een recht op hulp van God, wanneer dat nodig is voor u. Aardige redenering. Er zit wel degelijk rede achter.

Dit is redelijk en waar. Een wisselwerking. Ik geloof niet, dat er iets bestaat zonder een wisselwerking, want de Schepping zelf is een volledig evenwichtig iets, want God zelf is volmaakt en volledig evenwichtig. Zo zal dan ook de Schepping zijn. Wanneer er dan aan de ene kant iets verschuift, dan moet er ook iets aan de andere kant verschuiven, anders wordt het evenwicht verstoord. Wij kunnen ons dan wel voorstellen dat die oude Egyptenaren al hebben gedaan wat wij trachten te doen: Voor zichzelf de zekerheid te vinden, dat men vrienden heeft, wanneer dat nodig is. Wanneer heb je je vrienden het meeste nodig? Wanneer je zelf tijdelijk hulpeloos bent.

Wanneer is de mens het meest hulpeloos? Wanneer hij uitgetreden is. Wanneer hij pas overgegaan is.

Kortom, op alle momenten, dat de geest zich beweegt in een wereld, die hij niet volledig kent of zijn lichaam tijdelijk heeft verlaten is en dus ten prooi zou kunnen vallen aan willekeurige vreemdelingen. Juist in deze ogenblikken zijn het dan uw vrienden, die u beschermen en behoeden. Dus: u heeft natuurlijk in ons allen vrienden. Maar zorg ervoor, dat je geestelijke vrienden krijgt en heb je ze eenmaal, handhaaf dan die vrienden. Wanneer je een meester of geleider krijgt, je weet daarvan, hij spreekt tot je en toont je de weg, dan moet je je bij die meester houden. Dat is je beste vriend. Dat is degene die je helpt, geleidt en beschermt. Als je ervan overtuigd bent, dat hij het goede met je voor heeft, dan heeft hij het eerste recht om je te raden. Daarna pas komt een ander. Want, en daar kom ik weer bij de Inca-diensten terecht……….

Daar is namelijk eens een heel aardige uitspraak gedaan, toen iemand een god die hij gediend had, verwierp en daarvoor een andere nam. Toen zei de priester: U zegt tegen deze god: Ik wil u niet meer kennen. Tot de ander zegt u: Ziet, hier ben ik. De één zegt: Ontrouw is hij mij geworden. Wat deert het mij, wat er met hem geschiedt. De ander zal zeggen: Wat wenst deze vreemdeling van mij. Laat hem tonen, dat hij mij waardig is. Eerst dan zal ik hem ontvangen.

Zo hebt u steun van de ene noch van de andere god. Bedenk u wel. Niet gek. In meer moderne woorden zouden wij kunnen zeggen: Zorg dat je niet tussen twee stoelen in gaat zitten.

Dat is een fout, die vele mensen ook maken. Je kunt naar geestelijke bewustwording streven en kiest daar een bepaalde weg voor. Maar heb je die weg eenmaal gekozen, dan moet je je daaraan houden en niet denken, dat je door gauw naar een andere weg over te gaan het beter kunt doen. Je hebt je weg en daar hou je je aan vast. Je kunt rustig van de andere wegen kennis nemen, maar dit is je richting. Dit zijn je vrienden. Dit zijn degenen, die je kennen en dat is het wat werkelijk leeft in je. Al het andere is maar bijkomstig. Wanneer je dit verwerpt, dan kun je voor jezelf niet meer terugkeren. Dat voel je als een smaad, een schande en het kost je veel strijd. Maar het nieuwe ken je nog niet. Daar weet je nog niet genoeg van en zo ben je stuurloos.

Daar moet je voorzichtig mee zijn.

Zo ziet u, dat wij uit een paar van die oude dingetjes nog altijd weer een aardig lesje kunnen halen.

  • Waaraan kunnen wij dan die leider of die meester herkennen?

Ja, wanneer is iemand uw leider of uw meester? Wanneer hij zich al zodanig aan u kenbaar heeft gemaakt. Daar kunnen zeer veel geleidegeesten zijn, die u niet kent. Maar wanneer een bewustwording begint, dan zal de meester zich wel degelijk aan u openbaren wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Dan eerst kent u uw meester. Aan de eerste openbaring zult u hem altijd kunnen herkennen. Dan weet u dat hij het is. Zolang hij nog achter de schermen blijft werken, heeft dat voor u nog maar weinig te betekenen. Geestelijk misschien veel, maar dat weet u immers niet? Zolang u dit niet weet, kunt u dus ook niet zeggen: Ik heb een meester.

Dat wij een geleider hebben, nemen wij wel aan. Haast eenieder heeft een geleider, maar niet iedereen kent hem. Werkelijk voor u en voor uw leven worden zij eerst, wanneer u ze herkennen kunt. Wanneer zij zich dus aan u geopenbaard hebben en u met hen tezamen kunt werken.

Mediteren – studie.

Mediteren, mijne vrienden, wil niet slechts zeggen: aanhoren. Het betekent veel meer. Mediteren betekent: Overwegen hoe een volledige realisatie plaats vindt van het onderwerp, dat men beschouwt. Wanneer wij dan in deze kring tot besluit mediteren, zullen wij trachten dit als volgt te doen: Wij bespreken het onderwerp: studie.  Wij trachten hierbij voor onszelf een sfeer te bereiken, die de gedachten hierover in ons vastlegt, zodat wij de gedachten en de ondergrond van de woorden, niet de woorden zelf, voor onszelf doorleven en kunnen komen tot een bewustwording.

Er zijn mensen, die zichzelf steeds weer alles ontzeggen, opdat er kennis in hen kan ontwaken.

Zij studeren. Uit de boeken of vanaf de katheder vloeien hun begrippen toe. Woorden rijen zich aan woorden en deze moeten een beeld scheppen in de mens. Studeren betekent in jezelf een beeld vormen, dat gelijk is aan de ervaringen en de werkelijkheid van anderen, opdat u zelf een werkelijkheid kunt beheersen, waarin dezelfde factoren optreden. Wanneer echter de studie verder gaat dan alleen stoffelijke en materiële waarden, dan gaan wij zoeken met de geest. Dan kunnen onze gedachten soms niet meer bijhouden wat er in ons ontstaat of wat er zich in ons afspeelt. Dan vinden wij vaak de woorden niet meer, die de gedachten nog uit kunnen drukken.

Laten wij dan een ogenblik de studie van de geest in de eerste plaats gaan gedenken. Mijn geest, wat zijt gij klein, onwetend en ledig. Wanneer gij uitschouwt over het Al, hoe nietig is dan hetgeen gij meende reeds wereld vullend te kunnen noemen. Wanneer gij uitschouwt, dan vraagt gij u af, mijn geest, zal ik ooit kunnen begrijpen hoe deze wondere en grote wereld bestaat. Zal ik mij ooit meester kunnen maken van deze waarheid, opdat ik zelf waarheid moge worden.

Maar wanhoop niet. Want, zie, mijne geest, uw studie is leven. Wanneer gij zoekt naar waarheid, wanneer gij tracht uit alle verborgen bronnen de wondere Godheid van het weten in u te doen invloeien, dan wordt gij groot en groter dan het gras dat groeit, wanneer de regen neervalt, dat de kracht van de regen in zich opneemt.

Gij bloeit als de bloem, die knoppend open berstend als een vurig fanaal van schoonheid voor de wereld en de schoonheid kan staan. Gij, mijne geest, denkt u zelf klein, omdat gij uzelf niet kent. Maar rond u is de wereld en de Schepping. Wat in die Schepping bestaat, bestaat in u, want één zijn alle krachten. Zo zoek dan voor uzelf de uitdrukking van uw wezen te vinden in de krachten buiten u en gij zult in uzelf ontdekken hoe deze krachten in u reeds bestonden. Uw studie, mijne geest, is het richten van uw begeerten en het vervullen van uw behoeften. Het is het doordringen in uzelf, omdat gij zelf niet de beelden en woorden bezit, die u uw wezen kunnen openbaren, worden zij u gegeven. Buiten u staat de wereld en de wereld biedt u de begrippen en de woorden te kust en te keur. Zij overstroomt u met beelden van verschrikking en van schoonheid. Zij geeft u inzicht en toont u de kosmische ruimten, oneindig in hun verten.

Mijn ziel, mijn geest, wanneer gij leven wilt, zult gij een studie moeten maken van het leven, opdat gij niet faalt. Opdat gij durft leven en kunt leven zoals het u betaamt en voor u noodzakelijk is. Gij kunt niet alle dingen bevatten, mijn geest. Zo snel kan geen wezen groeien, zo snel kan geen bewustzijn zich verheffen. Zoek dan in uw wezen. Wat is uw grootste klacht, uw diepste leed? Waar is het weedom, dat u regeert? Zo gij dit weet, hebt gij het object gevonden voor uw studie. Schouw in de wereld en gij zult uw eigen beeld aanschouwen. Schouw in het Al en als een echo weerkaatst uit de oneindigheid uw stem een Goddelijke klank: het leven. Schouw op het leed dat gij lijdt en vraag u af: vanwaar en waarom. Gij kunt buiten u deze zaken zien en erkennen en uit dit weten, door studie verworven, zult gij dan ook in uzelf de oorzaken van weedom vinden. Gij zult dan in uzelf veranderen, dat wat niet past in uw streven.

Zo, mijne ziel, mijne geest, zult gij waarheid vinden uit een wereld die buiten u ligt. Maar de waarheid van de wereld die buiten u ligt, wordt pas waar voor u, wanneer zij reeds uw eigen waarheid geworden is, zodat gij haar gezicht kent. Leef dan, mijn geest. Leef. Zoek door alle werelden en sferen. Zoek door wereld en eeuwigheid. Zoek. Zoek naar alle dingen, die in u zijn als een lijden en een niet-verstaan. Dan zult gij eens bereiken het volle bewustzijn. Dan zult gij uw studie voleinden en kunnen zeggen: Ziet, al dit is het mijne. Dit zeggende, zult gij al het uwe weten te zijn gelijk aan God. Zo zult gij dan deel van God zijn, zoals God reeds altijd deel van u geweest is. Zoek. Zoek niet in rede. Zoek niet in woorden en theorieën zonder meer. Zoek in het leven dat gij kent, mijne geest. Mijne vrienden, dit geldt ook voor u. Het is goed dat de rede meespeelt. Gij zijt mensen. Maar uw studie moet meer zijn dan dat. Zij moet een beleven zijn, opdat die dingen uw eigendom worden, opdat zij in u herscheppen ontstaan en u nader brengen tot een begrip van de grote Waarheid.

image_pdf