Geest versus religie

Degene, die ons dit onderwerp stelt, vraagt van ons een beschouwing en ook een oordeel over de grote godsdiensten met nadruk op de godsdiensten van het Oosten. Nu is die nadruk eigenlijk overbodig, omdat onze houding tegenover alle godsdiensten ongeveer hetzelfde is.

Godsdienst is een kruk voor degene, die niet kan komen tot een zelfstandig geestelijk leven. Krukken zijn niet mooi, maar ze zijn noodzakelijk; zelfs als ze zijn opgebouwd uit verwaandheid, mis representatie, misverstaan van feiten en wat boerenbedrog. Ik wil niet zeggen, dat dat voor alle godsdiensten gelijk geldt. Maar als je een godsdienst beschouwt, dan kom je al heel gauw tot de conclusie, dat je een scherpe scheiding moet maken tussen de z.g. grondbeginselen van die godsdienst en datgene, wat de godsdienst zelf is. Het bekende voorbeeld is het christendom.

Het christendom, dat kennelijk bedoeld is als een beleven van het einde van het Oude Verbond en het begin van een Nieuw Verbond, maar dat zich desondanks voortdurend terugstort in het Oude Testament en in feite een soort gereformeerd judaïsme is geworden.

De boeddhisten hebben een aantal stellingen, die fantastisch mooi zijn. De levensfilosofie van de Gautama Siddhartha is er een, die de mens leert hoe hij in de natuur, in zichzelf, in de totaliteit ook zich kan aanpassen; hoe hij kan komen tot een persoonlijke bereiking in een persoonlijke rust. Hij heeft nooit gesproken over tempels. Hij heeft nooit gesproken over monniken in grote kloosters. Hij heeft het alleen gehad over plaatsen van samenkomst en onderricht, verder niet. Hij heeft het zeker nooit gehad over activisten; die het boeddhisme moeten verdedigen tegen anderen.

Wat Mohammed betreft, zeker van de tot nu toe genoemden is hij wel de meest gewelddadige. Maar laten wij niet vergeten, dat deze sjerif van Medina eigenlijk helemaal niet streefde naar een overheersing van de wereld door zijn opvattingen, integendeel. In de koran vinden we verschillende sura’s, waarin wordt aangedrongen op respect voor de verkondigers en belijders van andere godsdiensten en in het bijzonder worden daarbij genoemd het joodse en het christelijke geloof.

De christenen hebben de mohammedanen vroeger vervolgd en de islamieten van vandaag zijn bezig met het jodendom af te rekenen. Alles op grond van hun godsdienstige overtuiging. Wat moet je dan als geest nog zeggen? Die gods­dienst deugt niet.

Godsdienst is de vertekening van de werkelijkheid. Zelfs als wij bv. in de Hindoe‑leer proberen door te dringen tot de denkwijzen, dan komen we ergens (o.a. in de Bhagavad‑gita en verscheidene andere geschriften) terecht bij een levensfilosofie. Die levensfilosofie heeft het helemaal niet over de verering van allerlei grote goden, ze heeft het niet over tempels, ze heeft het alleen maar over leven op de juiste manier. En wat is eruit voortgekomen? Een doolhof van tempels, een doolhof van goden, een verering van heilige beesten, waardoor de mensen armoede lijden vanwege de heiligheid van de koeien en de onaantastbaarheid van de ratten. Ja, zelfs de apen brengt de mens soms in tempels onder. Dit laatste zou misschien nog te begrijpen zijn, omdat hij hierin gelijktijdig een voorvadercultus en een associatie met het eigen huidige bestaan zou kunnen vereren.

Laat ons eerlijk zijn. Is er één godsdienst, die de mens werkelijk iets goeds heeft gebracht, dat niet zonder die godsdienst maar op grond van de principes waaraan zij haar gezag meent te ontlenen zou kunnen worden volbracht?

Als wij zien wat de Boeddha wil brengen, dan ontdekken wij dat hij in de eerste plaats de mens vrede brengt. Hij probeert de mens los te maken van zijn angst voor een bezielde natuur. Hij probeert de mens besef van eigen waardigheid bij te brengen. Hij laat de kasten en al wat daarbij behoort buiten beschouwing, om de doodeenvoudige reden, dat een mens nu eenmaal een mens is en als mens moet leven. Het medeleven met de mensheid is een essentieel deel van het mens‑zijn voor hem. Maar het gedrag van de mens. De bestaansrechtvaardiging van de mens is veel belangrijker dan al het andere. De Boeddha heeft het niet over organisaties, over tempels, over bonzen. Hij heeft het alleen maar over mensen.

Beschouwen wij de overleveringen en kijken wij naar de goden van de hindoes, dan zien wij daarin wel degelijk een scheppend principe. Maar dat scheppend principe is niet bedoeld om de mens een regimen op te leggen. Het zijn voorbeelden, die beginnen met de vrolijke Krishna en die ons met alle andere goden ‑ vanaf de plechtstatige Brahma tot de vaak demonische aspecten, die eveneens in de godenwereld leven toe ‑ confronteert met wat mensen kunnen zijn én ons zegt: Kies voor het goede. Misschien is het wel kentekenend, dat de fluitspeler een van de belangrijkste figuren is; belangrijker eigenlijk dan de goden zelf. Krishna is de vreugde van het leven. Hij is degene, die het gif wegneemt uit de wereld. Hij is de vrolijke vrede.

En wat Mohammed betreft: wat maakt Mohammed eigenlijk van Allah? Een vreemde, verre god misschien, maar gelijktijdig een heerser, die rijm en reden geeft aan het bestaan, die de veelvuldige demonen en djins wegbant, ofschoon zijn leerlingen hem al heel gauw daarvoor in een moeilijke positie brengen. Wat Mohammed wil in zijn Islam is eveneens een gedrag, dat menswaardig is; een leven, dat inhoud krijgt door hetgeen je doet. Wat moet je dan als geest zeggen van de mensen, die erover twisten wie de ware opvolger is: Ali of Hoessein? Dan kun je toch alleen maar lachen. Ik heb zo’n idee, dat wanneer je als geest naar die menselijke godsdiensten kijkt ‑ je als vergelijking kunt gebruiken iemand, die een pakje koekjes koopt en alvast begint de verpakking op te eten, zeggende dat de koekjes voor het hiernamaals bestemd zijn.

Neen, er zijn natuurlijk zeer ernstige grondslagen voor de religies. Er zijn een groot aantal parallelle verschijnselen in alle godsdiensten, zeker in de vroegste. Er zijn wijsgerige geschriften waarvan wij kunnen aannemen, dat zij zeer vele duizenden jaren terug aan. Wij weten bv. van de Indische literatuur, dat er geschriften bij zijn, die tenminste 9.000 jaar teruggaan. We weten overigens ook, dat bepaalde geschriften of overleveringen uit de Maya‑cultuur (of moet ik zeggen de Zuid‑Amerikaanse cultuur) waarschijnlijk zelfs teruggaan tot 40.000 v. Chr. Zeker, de godsdienst heeft veel oude wijsheid bewaard. Ze heeft ongetwijfeld ook veel wijsheid behouden en verbreid, maar ‑ en nu komt het typerende ‑ deze wijsheid staat eigenlijk in geen enkel verband met haar gepretendeerde bestaansreden.

Wij kunnen zeggen, dat het christendom ‑ als een eenvoudig voorbeeld ertoe heeft bijgedragen, dat Europa heeft leren lezen en schrijven, dat bepaalde cultuurschatten bewaard zijn gebleven; dat o.a. de Griekse filosofie kon doordringen in het toch wat dat betreft een beetje anders denkende noorden. Dat is waar. Op dezelfde manier kunnen wij zeggen, dat het boeddhisme een hele wereld van magie en tovenarij weer heeft teruggebracht tot een wereld, waarin je tenminste kunt nadenken over wat je moet zijn en waarin het bestaan, het voortleven en de eventuele reïncarnatiecycli een begrijpelijk geheel worden uit een persoonlijk streven. Dat is er. En we kunnen in de Hindoe‑leer zeker terugvinden de beginselen van een eerste menselijke beschaving; misschien zelfs herinneringen aan vroegere beschavingen. Maar is dat dan een rechtvaardiging van hetgeen de godsdienst is?

Je zou moeten beginnen met vragen te stellen. Nu is vragen stellen eigenlijk een beetje demagogisch, dat weet u allen. Als je niet weet, wat je tegen een ander moet zeggen, begin je een hoop vragen te stellen, allemaal met een verdacht klankje erin en dan zal iedereen op den duur wel denken, dat de ander ongelijk heeft. Je geeft hem geen kans om werkelijk aan het woord te komen. Het is niet mijn bedoeling om hier demagogie te bedrijven, maar ik zou toch een paar doodgewone vragen willen stellen.

Wat is India beter geworden door de strikte systemen en regels en door zijn kastenstelsel, dat in het hindoeïsme thuishoort? Wat hebben de brahmanen feitelijk bijgedragen aan een vroegtijdige ontwikkeling van India?

Het antwoord zal waarschijnlijk zijn: weinig of niets. Ze zijn een heersende kaste geweest, maar zij hebben het principe van menswaardigheid zeker niet uitgedragen buiten hun eigen gezelschap.

Wat de islam betreft, kun je de vraag stellen, of de regels van rechtvaardigheid ‑ zowel binnens‑ als buitenshuis ‑ die zelfs in de eerste sura van de koran reeds voorkomen eigenlijk wat uitgewerkt hebben. En dan zul je moeten toegeven, hoe mooi de voorschriften ook zijn, er is nooit iets van gekomen. Er is een geprivilegieerde kaste, die zich hiervan heeft meester gemaakt en die voor anderen een fatum, de wil Gods heeft verkondigd. Zoals overal is gebeurd. En pas als ze die meesterschap dreigen te verliezen, als er bv. een zekere meneer Gorden in Khartoem zit en die daar o.a. de slavenhandel en de katoenindustrie een beetje de nek dreigt om te draaien, wat doet men dan? Dan verklaart men de heilige oorlog.

Tegenwoordig is het precies hetzelfde. De heilige oorlog wordt niet verklaard door de wetteloze en de armen. Die schreeuwen om een heilige oorlog, ja. Maar degenen, die het instigeren, dat zijn de bezitters; dat zijn degenen, die geen concurrentie kunnen dulden, die een ontevredenheid van het volk niet dulden, die een opvoeding van het volk niet dulden. De anderen moeten volgens Allah’s wil leven, maar de grootheid van ons volk moet worden gehandhaafd. Wat heeft dat te maken met wat Mohammed heeft gezegd?

En dan u, o mijn goede christenen! Hoe liefdevol en verdraagzaam beweegt gij u over uw wereld. Vol mededogen voor degenen, die sterven in Vietnam, in Biafra, in Tunesië en overal elders, maar ondertussen denkende aan uw handelsbelangen vroom voortgaan op uw weg, zoals de priesters en de levieten in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Wat moeten wij met die godsdiensten beginnen?

Er zijn heel wat vreemde godsdiensten geweest op de wereld en ze bestaan nog. Er is een geloof in Zuid‑Amerika (Mexico), dat zich o.a. bezig houdt met de gevleugelde slang. In dat geloof werk je toe naar een voltooiing, die was bedoeld als de voltooiing van het menselijk hart. De basis van de filosofie in die landen, waarin ook vele grote steden zijn gebouwd en ook weer zijn verlaten, was dat je moest bereiken; je moest beter worden. Maar wat is ervan terecht gekomen? Men heeft langzaam maar zeker vergeten, dat het ging om de bereiking van het mens‑zijn; dus een bereiken van het samengaan van intellect en gevoel op de juiste wijze. Men is toen begonnen met de bloedende harten van slachtoffers aan de goden te offeren op de tempeltorens, die eens als een mathematisch symbool voor de erkenning van de oneindigheid in de plaats van de mens in de totaliteit waren opgericht. En zo gaat het altijd weer. Wij in de geest, wij hebben niet zoveel op met de godsdienst.

Godsdienst is gezag. En een gezag, dat zich niet kan baseren op een feitelijke macht, doet voortdurend een beroep op de imaginatie. Het voorstellingsvermogen van de mens wordt gebruikt als zijn eigen vijand. Hij leeft in een wereld met demonen, met bedreigingen. Overal gaan vreemde engelen en duivelen met hem mee om te registreren wat hij doet. Hij is nooit alleen. Hij mag niet zelf denken. Elke zelfstandige gedachte die strijdig zou kunnen zijn met hetgeen de leer is, zal worden genoteerd en gewroken. Waar moet die mens dan nog zelf leren denken?

Wat hebben de godsdiensten zo al gepresteerd? Wel, ze hebben in ieder geval heel veel gekke dingen gepresteerd. De aarde kon niet rond zijn, want godsdienstig was het anders. De mensheid kon niet ouder zijn dan 6.000 jaar, want volgens de berekening uit de bijbel bleek dat. De aarde draait niet rond de zon. Neen, de zon draait, rond de aarde, want zo staat het in de boeken. En hoe kun je een draaiende planeet ertoe bren­gen om stil te staan. Bovendien kan dat niet eens, want Jozua liet de zon stilstaan en dat kun je alleen, als de zon beweegt rond de aarde en niet andersom. Dat zijn de wetenschappelijke argumenten. Dat is de volksverdwazing, die voortdurend is gebracht.

En dan komt er iemand, die zegt: Laten de geesten nu eens praten over wat zij denken van godsdienst. U hoeft het ons gevraagd en we doen het. Normaal zijn we er meestal te beleefd voor.

Ik weet, dat sommige planten mest moeten hebben. Ik weet, dat sommige mensen godsdienst nodig hebben. Maar de mens kan groeien uit de godsdienst, als hij er niet onder begraven wordt, want dan verstikt het hem, zoals een plant die teveel mest krijgt verbrandt. En dat is nu juist wat voor ons onaanvaardbaar is. We houden er niet van, dat een mens leert om alleen maar eenzijdig te denken. Wij geloven niet aan regels en wetten, die op grond van een Godgegeven moraal worden gepredikt. Wij geloven aan moraliteit; maar aan een menselijke moraliteit. Wij geloven aan een geestelijke kracht en aan een geestelijke leiding, maar niet aan een geestelijke dictatuur. Wij weten, hoe het leven in de geest is. Wij weten, hoe teleurstellend het voor zeer vele gelovigen zal zijn, wanneer ze in onze hemelen komen.

Daar gaat een hindoe over en hij meent, dat hij herboren zal worden, desnoods in een heilig rund, ofschoon me dat ook geen begerenswaard iets lijkt. Nu ja, voor sommigen zal het verschil misschien niet opvallend zijn. Nu komt hij dan aan onze kant en daar staat hij met dezelfde problemen, met zijn jaloezie, zijn naijver. Een leven is niet afgerekend, het gaat verder. Hij kan niet vluchten in een andere incarnatie. Hij moet eerst afrekenen met alles wat hij nu is, voordat hij tot een incarnatie kan komen. Denkt u, dat dat leuk is voor hem?

Of de boeddhist, die in het ongunstigste geval misschien verwacht rondgesleept te worden door een serie hemels en hellen heen, of die misschien ook verwacht een zekere sfeer van rust te vinden en dan ontdekt, dat hij ook dezelfde is, dat zijn problemen niet, veranderd zijn. Hij moet ook een grote hoogte bereiken, voordat hij met een bewuste incarnatie zijn leven en zijn levensproblemen kan afhandelen. Het is niet zo gemakkelijk. Denk eens aan al die arme mensen, die menen dat zij in de hemel zullen komen. Zij krijgen er steeds meer van en hebben voortdurend meer moeite om hen ervan te overtuigen, dat waar zij zijn geen hel en geen hemel is, maar alleen het leven.

Misschien zou iemand kunnen beweren, dat wij bang zijn voor concurrentie. Want er zijn een hoop mensen, die zeggen; De geest kan alleen maar een zeker gezag uitoefenen, indien ze niet door de godsdiensten wordt bestreden; en de godsdiensten bestrijden de geest. Voor ons is dat niet zo erg. Per slot van rekening, of wij nu spreken door een medium of de een of andere prediker tot begeestering brengen, desnoods op zijn preekstoel in zijn kathedraal, ondanks alle bisschoppelijke waardigheid, dat maakt voor ons weinig verschil uit. Wat gezegd moet worden, wordt gezegd. Wat gedaan moet worden, wordt gedaan. Het omgekeerde is natuurlijk wat anders. Want een waarheid, die zich niet bindt aan regels, aan gepretendeerde heilige boeken, die zich niet laat tegenhouden door het schijnverbond, de magische cirkel van “God wil dit niet”, ja, die is gevaarlijk.

In de godsdiensten is de geest over het algemeen niet erg gezien. Begrijpelijk. Want de geest bindt zich niet aan datgene, wat de godsdiensten in stand houdt; een te straffe discipline, op een niet‑reële vrees.

En daarmee hebben we heel veel negatieve dingen gezegd. Nu meen ik, dat je het best eerst kunt afbreken, voordat je kunt beginnen met opbouwen. Laten we nu proberen om iets aan opbouw te doen. Dat die godsdiensten fout zijn, dat gebruiken fout zijn, weten we allemaal. Ze hebben echter één voordeel: ze maken denkwijzen bekend. Die denkwijzen worden weliswaar wat vertroebeld en vervalst, maar zonder dat zouden ze misschien veel minder verbreid zijn. Als wij kijken naar de filosofie van de Chinezen, dan valt ons op dat een heel volk daardoor nu nog enigszins wordt geregeerd en dat ‑ al spreekt men nu niet meer over Tao maar over verplichting tegenover de partij ‑ het idee van te behoren op een vaste plaats, het hebben van een vaste taak nog steeds bestaat. De denkwijze, dat je een plaats hebt in het leven, is op zichzelf belangrijk. Niet als men probeert die plaats voor altijd voor jezelf te fixeren. Maar je hebt een plaats in het leven. Je hebt een taak. Je bent deel van een groter geheel en je moet in dat grotere geheel werken. Wie dat verkondigt, doet een goed werk.

Laten we dan eens kijken naar de hindoes.

De hindoes zijn op hun manier ergens ook wel tot een saamhorigheid gekomen. Misschien dat hun kasten en hun sociale ordening ons tegen de borst stuiten. Daar staat echter tegenover, dat juist daardoor een zeker respect voor wijsheid is behouden; dat overleveringen tot voor kort een zeer grote rol hebben gespeeld; dat de saamhorigheid van bv. de familie, die vooral in dergelijke gebieden toch erg belangrijk is, niet alleen maar een zuiver materiële, maar ook een geestelijke en emotionele band is. Dat is zeker niet het slechtste resultaat van de godsdienst.

Laten we nu kijken naar de boeddhisten. Zeker, ze hebben misschien vele dwaasheden op hun geweten. Heel veel afzonderlijke filosofische scholen, die de praktijk uit het oog hebben verloren. Maar daar staat toch tegenover, dat wij bij de lama’s (o.m. in Tibet en de Karakoraums) plaatsen hebben gevonden juist voor degenen, die zich in stilte moeten ontwikkelen voor een zekere inwijding; dat wij uit het boeddhisme het Zen zien ontstaan, dat in feite een zelfdiscipline is, die veel sterker teruggrijpt naar de oorspronkelijke opzet van de Boeddha dan al het andere wat erbij hoort. En die dingen worden verbreid. Ze worden bewaard en ze kunnen in de wereld doordringen. Dat is veel waard.

Jezus heeft geleefd op aarde Jezus heeft zeker niet de bedoeling gehad om een kerk te stichten; dat hebben ze er later gauw bijgeschreven. Maar Jezus heeft een leer gebracht, waardoor de mens eindelijk vrijkomt van zijn idee voortdurend bedreigd te worden. Er is plaats voor een liefdevolle God, ook al is die liefdevolle God zeker niet wat de mens daaronder wil verstaan, zelfs op het ogenblik. Er is een vader in plaats van een toornige en wraakzuchtige tiran. Er is een gelijkwaardigheid, die berust op je relatie met God en niet op hetgeen je toevallig in de materie bent: slaaf, werkman, koning of wat anders. Paulus heeft er een kerk van gemaakt. Die kerk heeft veel van de gelijkheid, die Jezus probeerde te bereiken teniet gedaan. Dat is waar. Maar ze heeft het denkbeeld van de principiële gelijkwaardigheid van mensen toch wel bewaard. En dat is veel waard.

Zelfs de uitgestorven godsdiensten, die niet meer openlijk kunnen worden beleden en die niet meer tot de wereldreligies van vandaag worden gerekend, zijn nog ergens op de achtergrond overleveringen, die nu nog bestaan bij de indianen in het zuiden van Noord‑Amerika, in Midden‑Amerika, in Zuid‑Amerika. Overleveringen over beschavingen van lang geleden, over grote krachten, grote wezens, grote mensen. Vooral de levenswijsheid die daarmee gepaard gaat, het vermogen om je in harmonie te brengen niet de natuur (helaas voor een groot gedeelte omgezet in magie maar in feite berustend op de principieel menselijke en geestelijke eigenschappen) is dan toch bewaard gebleven. Tegenwoordig bezweren de christenen de natuur vaak nog als hun voorvaderen. Innerlijk hebben ze het gevoel van verwantschap met de krachten der natuur en roepen ze vanuit zich vele krachten wakker, die in de godsdienst misschien geen plaats zouden vinden, maar die juist daardoor een speciaal karakter geven aan het denken, aan het geloof, aan de ontwikkeling van vele mensen.

En dan de arme Mohammed, die waarschijnlijk tegen de moslims van vandaag te velde zou trekken in een nieuwe heilige oorlog, zoals hij eens de afgoden in Mekka rond de Kaäba wilde vernietigen. Ik geloof, dat Mohammed tevreden kan zijn, als hij ziet hoe zijn leer ertoe heeft geleid, dat een groot gedeelte der mensheid dan toch begrip heeft gekregen van waardigheid, dat er een filosofie is ontstaan, die op menselijkheid berust en niet alleen maar op macht.

Ze hebben veel goeds gedaan die godsdiensten. Ze hebben denkbeelden behouden, die anders teloor zouden zijn gegaan. Natuurlijk, soms houden ze het een beetje teveel voor zich. Er bestaan bepaalde schrifturen, die door de moslims worden beschermd en alleen via enkele leraren gedeeltelijk nog besproken en geopenbaard worden. Het Vaticaan heeft zijn geheime bibliotheken. De werkelijke kern van de hindoe‑priesters beschikt eveneens nog over de oude verhalen, die niet worden geopenbaard en waarvan het grootste gedeelte dan ook nog niet is vertaald, slechts enkele delen daarvan. Ook de boeddhisten hebben hun eigen verborgen wijsheid.

Er is de neiging bij de mens om alles tot zichzelf te beperken. Ik geloof niet, dat dat terecht is. Ik wil geen vragen stellen in de zin van: Meent u niet, dat het verstandiger zou zijn om elke mens zijn eigen weg te laten gaan en zijn eigen risico’s te laten bepalen? Denkt u niet, dat het beter zou zijn de mens als een volwaardig wezen aan te spreken in plaats van hem paternalistisch te laten betittelen en betuttelen door een aantal oude heren, die zelf ook niet beter weten? Ik zou die vragen kunnen stellen. Het zou demagogie zijn. Maar ik kan mij wel afvragen; als het Koninkrijk Gods in ons is, kan een paus dan uitmaken hoe ik God vind en mij de weg wijzen naar het Koninkrijk? Dat kan Jezus misschien. Omdat hij mij duidelijk heeft gemaakt, wat het Koninkrijk is. En ik vraag me af, of al die plechtige priesters, bijeengekomen in hun klooster, kunnen bepalen hoe de mens zijn verhouding tot God kan bepalen en het heldendom, dat tevens bestaat uit een en mensenliefde, kan bereiken. Ik geloof niet, dat ze het iemand kunnen aanpraten.

Wat essentieel is in het leven, is niet de godsdienst. Essentieel in het leven is datgene, wat wij zijn, wat wij leven. En wat wij zijn en wat wij leven wordt bepaald door onszelf, door onze behoeften, door onze mogelijkheden, door onze kwaliteiten als mens of als geest. Niet door hetgeen anderen daaromtrent believen te zeggen.

Als u lelijk bent, oerlelijk, dan mag iedereen u vertellen dat u mooi bent en u zult het op den duur gaan geloven, maar u verandert er geen steek door. Als iedereen u vertelt dat u braaf bent, dan kan het uiterlijk misschien zo lijken dat u door een gedragsnorm braaf bent, maar in feite bent u nog net zo gemeen als vroeger. Als u het niet gelooft, kijkt u maar eens naar enkele vooraanstaande representanten van de verschillende geloven, die heilig zijn in de ogen van hun volgelingen, omdat ze bepaalde uiterlijkheden kennen, maar die gelijktijdig op – laten we zeggen – een minder menselijk verantwoorde wijze misbruik maken van het goede geloof van degenen, die hen vereren.

Als wij zo eerlijk zijn, moeten wij ons afvragen: Wat moet godsdienst dan eigenlijk zijn? Ik zou zeggen: Godsdienst moet niet zijn een dienstorder, waardoor wij God eer bewijzen, maar ze moet zijn een besef van de Godheid, waardoor wij het hogere, dat wij beseffen, kunnen dienen. En dan staan we op een heel ander terrein.

Misschien kan ik er nog een paar punten bij noemen. Meent u, dat het nu belangrijk is, of u op vrijdag vis of vlees eet? Dat het voor God wat uitmaakt? Toch is het een heel lange tijd een grote zonde geweest voor een bepaalde religie om dat te doen. Denkt u werkelijk dat het nu ze belangrijk is, of u nu een varken eet of een schaap? Meent u, dat er een groot verschil is tussen het afslachten van een kip en een koe? Gaat u de godsdiensten maar na. Daar is het verschil wel aan­wezig. Dit is een zinloos verschil. Op dezelfde manier is het voor de ene godsdienst toegelaten om veel vrouwen te hebben, voor de andere mag hij er maar vier hebben, in een andere gods­dienst mag hij er maar één hebben en er is zelfs een godsdienst, die predikt dat het beter is om er helemaal geen te hebben. De laatste kan ik wel enigs­zins begrijpen, maar ik meen toch dat dit onzin is.

Elke godsdienst vertelt ons, dat zij de enig ware is. Zij vertelt ons, dat zij de zedenwetten bepaalt en als zij zegt: Mensen, copuleer in het openbaar ter ere van de godheid, dan heb je het maar te doen. En als diezelfde gods­dienst zegt: Je mag mekaar nog niet eens aankijken laat staan eraan komen, dan mag het niet. Dit heeft niets meer met de werkelijkheid te maken. De z.g. moraliteit, de verering van de familie en al die dingen meer, kun­nen een sociale noodzaak zijn, maar wanneer de godsdienst zich opwerpt als de verdediger ‑ van dergelijke dingen op grond van Gods wil en wet, dan ‑ om het wat provocerend te zeggen ‑ belazert hij de zaak. Ik geloof, dat we daar geen behoefte aan hebben.

We hebben geen behoefte aan grote kerken en tempels, betaald met het zweet van vele mensen, zonder dat zij werkelijk nut hebben. We hebben geen behoefte aan grote afgodsbeelden, die door mensen met van hun armoede gekochte kleine stukjes goudfolie worden beplakt, opdat ze toch vooral mooi zullen schitteren. Er is geen behoefte aan reukwerken, die ten hemel walmen. Er is behoefte aan een innerlijk contact met God. Dan is godsdienst en ware godsdienstigheid volgens mij het beseffen van het hogere, zoals het in u bestaat; het leven met dit hogere, zoals u voelt dat het voor u goed is; het beleven van dit hogere in de wereld rond u, zo goed als u maar kunt; het waarmaken van het beste wat men in zich draagt overal en steeds weer. Dat lijkt mij godsdienst.

Als je dus als geest moet oordelen over wat de mensen godsdienst noemen, ja, dan rijzen er verschillen en misschien ook geschillen. Heel veel van hetgeen er in godsdienstige overleveringen staat vermeld, overal, is ergens wel waar. Maar het is niet waar in de volle zin des woords. Laat mij vergelijken:

Iemand zegt u, dat er in uw stad woningen genoeg. zijn om allen onder te brengen. Dat is een feit. Alleen die woningen zijn er wel, maar de verde­ling is er niet. Een ander zegt, dat er in uw stad geen woningen voldoende zijn om allen ander te brengen en hij heeft gelijk. Want er zijn vele mensen, die een eigen woning verlangen en er geen hebben. Wie van de twee spreekt nu de waarheid? Geen van beiden. Zij belichten een probleem van één kant. Dat doet de godsdienst ook. De godsdienst zegt: Salomo had mijnen; dat kunnen we bewijzen. Salomo had stallen; we hebben ze teruggevonden. Salomo heeft een enorme roem gehad, dat kunnen we aantonen. Dus was Salomo datgene wat wij zeggen dat hij is. Ja, en dan zit je. Wij hebben de ruïnes teruggevonden van de oude steden, die worden genoemd in de bijbel, dus is de bijbel waar. Ik heb geroddeld over Jan Jansen. Jan Jansen is dood. Drie generaties lang is hij al dood. Ik vertel mijn roddelverhaal en als zij zeggen: “Maar bewijs het”, dan zeg ik; “Ga naar de Burgerlijke Stand en je zult zien dat Jan Jansen heeft geleefd.”

Dat is toch geen manier van doen? En dat doen alle godsdiensten. Als ze een bewijs moeten leveren, dan nemen ze één geïsoleerd punt of feit en daarin zoe­ken zij dan de bevestiging van de waarheid van hetgeen zij beweren. Daarom zei ik in het begin al: Heel vaak is er ook bij het geloof sprake van een niet juist begrijpen of een misrepresenteren van feiten.

Een mens heeft behoefte aan het hogere. Waarom? Omdat hij zonder dat niet tevreden kan zijn met wat hij is. De mens heeft er behoefte aan dat hogere waar te maken. Waarschijnlijk omdat hij wel degelijk gevoelt, dat hij veel mogelijkheden heeft, die hij nog niet heeft gerealiseerd. Wat overigens logisch is, als we weten dat bij de mensen maar gemiddeld 1/5 tot 1/10 van de hersenmassa actief bewust kan worden gebruikt en dat er heel wat lege plekken over zijn. Dus: de mens heeft behoefte aan God, zeker. Hij heeft behoefte aan het hogere en dit hogere lijkt mij ook voor hem noodzakelijk, omdat hij alleen daardoor tot ontwikkeling kan komen. Maar zodra het hogere iets is, wat niet meer past bij zijn persoonlijkheid, zijn wezen en zijn kunnen, wat gebeurt er dan? Dan gebruikt hij gaven, die hem doen veroordelen. Ik denk bv. aan de ongelukkige pater Peal, de mysticus, die de gave van genezen had gekregen. Hij was doorgedrongen tot iets hogers; en op grond daarvan werd hij voortdurend heen en weer gesleept van klooster naar klooster en op den duur in communicado gehouden werd. Dan denk ik ook aan een bekende derwish, die in de buurt van het hedendaagse Caïro op een gegeven ogenblik wonderen deed en vervolgens werd afgemaakt door een stelletje mullahs, want zijn wonderen concurreerden met hun pretenties en zij hadden geen bewijzen. Het doet me denken aan een jongeman in Duitsland, die eveneens kon genezen en die door de overheid eenvoudig werd verdonkeremaand. Hij mocht dat niet doen, want hij zou de gevestigde orde aantasten.

De mens heeft in zich vele gaven en vele mogelijkheden, maar de wereld wenst dat niet. De wereld wenst niet dat de innerlijke waarheid, de ontplooiing van de werkelijke mens tot stand komt. Datgene waar de geest voor werkt en naar streeft, wordt door een groot gedeelte van de mensheid afgewezen, omdat die mensheid het veel prettiger vindt met haar sprookjes in dezelfde sleur voort te gaan, eenzijdig denkend, met blindkleppen voor, doordravend en tenslotte een zelfvernietiging bereikend, omdat wat innerlijk zou moeten gebeuren, wordt omgezet in een bijna perverse machtsdrang; omdat het innerlijk besef van verwantschap net de mens wordt geperverteerd tot de gebondenheid aan de gemeenschap, de heiligheid van de natie, van het dorp of van wat anders. Desnoods van onze club.

Kijk, daarom kunnen wij in de geest niet blij zijn met de godsdienst. Daarom beschouwen wij haar hoogstens als een kruk voor onbekwamen, maar zien we haar gelijktijdig als een enorme hinderpaal op het pad van hen, die zouden kunnen leren zelf geestelijk verder te gaan en zich te ontplooien. Dat geldt voor alle godsdiensten. Dat geldt ook voor halve godsdiensten als theosofie en antroposofie. Het geldt voor systemen als een maçonniek systeem of rozenkruiserij. Zeker, die laatsten laten je meer vrijheid. Ze geven je wat meer mogelijkheden, maar ergens is er ook de grens. Ergens moet je dan ook stil blijven staan, eerbiedig voor het systeem en mag je niet verder doordringen. Je mag jezelf ontwikkelen, zolang het past binnen het systeem en daarna basta.

Je moet verder kunnen groeien, totdat je met je voeten op de aarde staat en je besef zich verheft tot in de hoogste hemelen. Dat is hetgeen de mens zou moeten bereiken. Dat is hetgeen voor ons geestelijk van belang is. Dat is hetgeen waarvoor de geest probeert iets te doen.

Het klinkt misschien net als ouders spreken tegen hun kinderen. Maar wij zouden er alles voor over hebben om u mensen op deze wereld de mogelijkheden te geven, die wij op de aarde niet hebben gevonden, om uw pad korter te maken. Want als u bewuster wordt, dan zullen wij daarin kunnen delen. Als u licht vindt, dan zal iets van dat licht ook bij ons kunnen binnendringen. Zo staan de zaken.

Wat moet ik dan verder nog voor inleiding geven? Ik geloof, dat ik meer dan genoeg heb gezegd. Sommigen van u zullen het mij kwalijk nemen, dat ik de godsdienst heb afgebroken. Ik vrees echter, dat iemand dat zal moeten doen zolang de godsdienst zelf nog niet bereid is om haar overbodige versierselen af te breken en eindelijk eens te komen tot de essentie van haar wezen. En misschien zijn er onder u, die het mij kwalijk nemen dat ik zo lang praat over iets, waarover ik zo weinig nieuws zeg, want de mensen willen graag nieuws horen. Laat mij dan alleen maar dit herhalen:

Wat ik hier zeg, zou elke dag moeten worden gezegd en het zou elke keer moeten weerklinken bij elke verklaring van iemand, die zich baseert op een geloof, op een vertrouwen, op een eenzijdigheid. Of het nu een priester is, een monnik, een heilige, de een of andere leraar of iemand anders. Het zou steeds moeten worden gezegd: Mens, u moet zelf leven. In u, mens, ligt de enige mogelijkheid om God te erkennen. En u kunt Hem alleen dienen volgens uw wezen en uw besef van Zijn Wezen. En daarmee kan ik de inleiding besluiten.

*******************

*  Denkt u dat de wereld kan bestaan zonder gezag of discipline?

Ik meen inderdaad, dat de wereld dat al heel lang doet. Ik meen namelijk dat datgene, wat voor gezag en discipline wordt versleten, bij de mensen over het algemeen een mengsel is van anarchie der plaatselijke belangen plus geweldpleging tegen anderen. Gezag kan alleen berusten op een vrijwillige er­kenning. Een gezag, dat wordt afgedwongen, is al geen werkelijk gezag meer. Een orde, die ontstaat door onderlinge samenwerking, is een werkelijke orde. Een orde, die echter wordt afgedwongen, is in feite slechts een onderdrukte onordelijkheid. Op grond daarvan meen ik te mogen stellen dat de wereld, die al zeer lang bestaat (dat is al honderden miljoenen jaren, zoals u weet) het al die tijd heeft volgehouden zonder een gezag of een orde op de wijze, waarop dit door mensen wordt gezien en opgevat. De mensheid heeft geprobeerd orde en gezag in te stellen en werkt daarmee vaak bijzonder naarstig in de richting van haar eigen ondergang.

*  Maar ik kan me niet voorstellen, dat in de huidige wereld een staat kan blijven bestaan zonder gezag of discipline.

Dat ben ik volledig met u eens. Maar wat is een staat? Een staat is een machtslichaam, dat probeert zijn eigen macht te handhaven en te vergroten tegenover andere soortgelijke machtslichamen, zonder dat er in de wereld iets is, wat die macht rechtvaardigt buiten het feit, dat die macht bestaat.

*  Maar die macht bestaat toch?

En omdat ze bestaat is ze goed?

*  Neen, neen, die bestaat door de mensen.

Ja. Zij is dus verkeerd door de mensen gesteld. Als we echter het ontstaan van de macht nagaan (dat is overigens een heel ander chapiter, maar ik kan er kort even op ingaan), dan is de staat eigenlijk ontstaan door de lust van en­kele sterkere en krijgslustige mensen om zonder werken een aangenaam bestaan te hebben. Ze deden dit door bescherming aan te bieden aan degenen, die werk­ ten mits zij daarvoor van hun werk wat aan hen zouden afdragen. Dat vinden we zelfs al in de tijd van de trekkende mensen, de nomaden. We vinden het echter in veel sterkere mate zodra er sprake is van een landbouwmaatschappij. In Griekenland bv. zijn zo vorsten ontstaan. In India precies hetzelfde. En de opperhoofden van de oorspronkelijk meer zwervende stammen van Europa hebben ook op dezelfde manier geleefd. Zij gaven bescherming aan degene, die hen rijkelijk van voorrechten en voeding voorzag en ze sloegen iedereen neer, die het niet deed.

Tegenwoordig gebeurt dat nog wel, vooral in de Ver. Staten en dan heet het gangsterisme. Uit dit gangsterisme is langzaam maar zeker een zelfrecht­vaardiging ontstaan, waarbij de verhoudingen dus niet meer willekeurig waren, maar de willekeur werd overgedragen aan één persoon, de hoofdman. Deze heer­schappij was erfelijk. De hoofdman was daartoe gemachtigd door de goden of door God of misschien zelfs een directe representant daarvan. Vanaf dat ogenblik was het hek van de dam. Van de kleine stadstaten en de kleine landbouwbe­schermingsgebieden kwam men tot steeds grotere staten, totdat men zover was, dat men wereldoorlogen kon beginnen. Waarmee ik maar wil zeggen, dat een staat alleen kan bestaan krachtens het onrecht, dat zij velen aandoet. Het recht, dat zij daarvoor geeft, is altijd minder dan het onrecht, dat zij aan­ doet. Dat is de feitelijke situatie. Dat betekent dus, dat de mens een persoonlijke verantwoordelijkheid en een persoonlijke ontwikkelingsmogelijkheid wordt onthouden en dat hij juist daardoor wordt gedwongen in de richting van het zelf macht zoeken, waardoor een toenemende machtsstrijd ontstaat, die alle geestelijke mogelijkheden voor het men­selijk geluk voor een groot gedeelte verteren.

Ik hoop, dat dit in ieder geval duidelijk maakt, hoe ik erover denk. U behoeft het er niet mee eens te zijn. Dat durf ik niet van u te vergen.

*  Meent u, dat de huidige onenigheid in de kerk een stap in de goede richting is?

Dat is een zeer lastige vraag. Nu moet ik heel diplomatiek worden. Aan de ene kant vind ik namelijk inderdaad die onenigheid een vooruitgang. Niet omdat er strijd is tussen de kerken en pogingen om die strijd op te heffen, maar omdat door hun poging de gevolgen van eigen vroegere strijd ongedaan ie maken ze in feite hun greep op de gelovigen verliezen. Daarom vind ik het mooi. Maar aan de andere kant zult u het met mij eens zijn, dat de poging van de kerken om tot een samenwerking te komen eigen­lijk voortkomt uit hun angst hun gezag te verliezen. De ideële gronden, die men aanvoert, zijn dus de verpakking voor de meer materiële machtsverhouding, die men wil handhaven. Of om het anders te zeggen: De oecumene is het directe gevolg van de ontkerkelijking.

*  Wanneer iemand leeft in een orthodox‑christelijke omgeving, maar zelf daaruit is gegroeid, welke houding dient hij dan aan te nemen om die omge­ving niet te kwetsen?

Ik meen, dat je iemand, die oprecht gelooft in dat geloof moet respecteren, zolang hij vanuit dat geloof geen dwang oplegt. Op het ogenblik, dat er een dwang wordt opgelegd, zou ik voorstellen om een onafhankelijkheid ten aanzien van dit milieu zoveel mogelijk te verwerven en daarmede zichzelf zoveel mogelijk te onttrekken aan de voor het “ik” niet dragelijke beïnvloeding en machtsuitoefening. Maar het is heel goed te begrijpen dat iemand, die in een gezin leeft dat orthodox is, als gast mede ter kerke zou gaan. Niet omdat men dat inte­ressant of belangrijk vindt (desnoods doet men ondertussen een dutje of leest een boekje), maar doodgewoon omdat men daarmee anderen een genoegen doet. Dat is dus weer iets heel verschillends. Ik kan bepaalde religieuze gebrui­ken van anderen respecteren, omdat ik hun het genoegen wil doen door dit respect te tonen. Ik gun hun geluk en ik zou hen anders ongelukkig maken. Maar op het ogenblik, dat ze essentiële dingen, die ik weet, denk en geloof zouden willen beteugelen, bedwingen of aantasten, wordt het iets anders. Dan zeg ik: Ik onttrek mij aan uw beïnvloeding. En dat behoef je dan nog niet met geweld te doen. Je kunt heel rustig ‑ bij wijze van spreken ‑ een straatje omlopen, dus ergens anders proberen zelfstandig je heil te zoeken. Wat daar­bij natuurlijk erg belangrijk is: als je in zo’n orthodox gezin zit en je bent daarvan afhankelijk, dan kun je niet zeggen; Ik wil onafhankelijk zijn op het ene terrein en mijn afhankelijkheid op het andere terrein blijven handhaven. Dan moet je kiezen voor een absolute onafhankelijkheid; en dat wil zeggen; de aansprakelijkheid voor jezelf op eik terrein.

*  Maar bent u niet van mening, dat daar een zekere huichelarij in zit?

Mag ik een tegenvraag stellen? Een paar vrienden van uw willen eigenlijk heel graag luisteren naar een concert, laten we zeggen de Liederkreis van Hugo Wolf. U houdt daar niet van. Nu kunt u dus kiezen. U gaat niet en daar­door brengt u de andere mensen in verlegenheid óf u gaat wel en u laat het dan maar over uw hoofd komen. Dat is toch precies hetzelfde. Is dat huiche­larij? Neen, dat is geen huichelarij. Het is iets anders, als je dan gaat zeg­gen; O, wat is het mooi. De huichelarij zit dus niet in het zeggen. Als ik je daarmee een plezier doe, ga ik mee. De huichelarij zit in het feit, dat je dan later doet, alsof het belangrijk was. Dat moet je dus niet doen.

*  Dat is hoffelijkheid.

Juist. Dat is kennelijk iets, dat men nier nog steeds niet door heeft. het verschil tussen huichelarij en hoffelijkheid. Inderdaad. Hoffelijkheid is: een ander in zijn waarde laten. Huichelarij is: een ander in de overtuiging laten, dat je zijn waarde beter acht dan de jouwe. U behoeft het er alweer niet mee eens te zijn. Trouwens, ik denk niet dat u nog in die moeilijkheden komt.

*  Nou, betrekkelijk. Het zou toch nog wel eens kunnen zijn.

Indien het ooit voorkomt, onthoudt u dan één ding; een mens, die niets over heeft voor een ander, komt nergens. Maar dat betekent ook, dat je het over moet hebben voor een ander om desnoods te gaan naar een concert, een po­litieke vergadering of een kerkelijke bijeenkomst van welke aard dan ook, omdat die ander het prettig vindt dat je gaat, mits je dan ook niet ver­der gaat dan dit en niet doet, of je dit eigener beweging of uit overtui­ging doet.

*  Hoe is de geestelijke wijsheid eigenlijk voor het eerst tot de wereld doorgedrongen? Is dit inspiratief gebeurd?

Neen, dat is eigenlijk gebeurd door mediums, die in die tijd vaak pro­feten werden genoemd én door opleiding plus inspiratie, waardoor z.g. le­raren ontstonden. Maar dit ligt al in een tamelijk ver verleden. Toen ech­ter de aandacht ging vallen op bepaalde verschijnselen (aandacht voor het mesmerisme en als gevolg daarvan en bijna onmiddellijk ook voor het spiritis­me, dat op effect uit was, laten we dat niet vergeten), was het mogelijk de mens op een toch wat meer directe wijze te confronteren net een werkelijk be­staan na dit menselijk leven en hem ook te confronteren met bepaalde verkla­ringen voor verschijnselen, die hij niet altijd had gezocht; in casu bezetenheid, die voor krankzinnigheid werd versleten. Dat is in het begin van het spiritisme een heel belangrijk punt geweest.

U moet wel begrijpen: de geest werkt voor deze wereld eigenlijk al zeer vele duizenden jaren. Ik weet niet precies hoeveel, of het er nu 30 of 50 zijn, dat weet ik niet. Het beroerde is, je kunt daarop ook geen C14‑reactie gaan aflezen, want het is niet meetbaar. Maar het is in ieder geval heel erg lang, veel langer dan ik mij geestelijk voldoende bewust ben om aan dit werk mee te doen.

*   Zou het kunnen dat u ons een godsdienstig mopje vertelt?

O ja. Een mens ging naar God en zei; “God, dit is uit de hemel gevallen, nu heb ik eindelijk de waarheid ontdekt. waarop God tot die mens zei: “Ver­gis je niet, ik heb net mijn nagels zitten uithalen.”

En als u dat misschien niet godsdienstig genoeg vindt; Een van de oude goden had de gewoonte om door het land te trekken. Hij deed er zo nu en dan ook nog een paar wonderen bij. Maar toen hij wegging, kwam hij tot de conclusie, dat wanneer een god onder de mensen gaat, hij over het algemeen wordt aangezien voor dwaas, bijgelovig en meer rammel dan voordeel krijgt aangeboden. Eerst wanneer hij zich als god openbaart, wordt hij plotseling vereerd en wordt zijn dwaasheid wijsheid enz. enz..

*  Is het zo, dat iemand, die aan iets gelooft een godsdienst heeft?

Is er sprake van een identificatieproces van het bewustzijn. Het bewustzijn identificeert zich met een bepaalde godsdienst. Neen. In feite is er sprake van een ontvluchting van de eigen persoon­lijkheid. Het is namelijk zo, dat de mens, die innerlijk met het onbekende wordt geconfronteerd, ontdekt hoe onnoemelijk veel hij zal moeten doen om dat onbekende binnen zijn bereik te brengen. Buiten hem wordt hem een eenvoudige leer geboden. Hij behoeft dus zelf niet meer na te denken. Het onbekende (dat is de god van de godsdienst) behoeft voor hem niet meer te bestaan en hierdoor kan hij dus zichzelf rechtvaardigen, zonder dat hij daarbij zelf in het onbeken­de behoeft door te dringen. En dan krijg je inderdaad als voor de consequen­ties een verwerping door het eigen wezen van een groot gedeelte van de eigenschappen van dit wezen (wat ook een dwaasheid is) en daardoor een identifi­catie net de godsdienst, die dan immers de loutering en de rechtvaardiging van hetgeen men is betekent en gelijktijdig de verantwoordelijkheid voor een groot gedeelte overneemt. Je behoeft n.l. geen eigen beslissingen meer te treffen; je hebt je slechts te houden aan de beslissingen, die de godsdienst al voor je neemt.

*  Is dit een soort blokkering?

Een blokkering tot op zekere hoogte. De godsdienst kunt u beschouwen als de oogkleppen, die je een paard aanlegt, wanneer het door een druk verkeer heen moet. (O, er zijn geen paarden meer. Het zal moeilijk voor u zijn u dat te realiseren.) Als je vroeger een schichtig paard had, dan legde je zeer nauwe oogkleppen aan, zodat het dier alleen recht vooruit kon zien. Het reageerde dan niet op alles wat er omheen gebeurde, het zag alleen nog net waar het heen moest. De godsdienst is iets dergelijks. Alleen met dit verschil, dat het paard de blindkleppen krijgt aangelegd, maar dat de mens ‑ bewust of onbe­wust ‑ die blindkleppen begeert, omdat hij bang is voor het leven, voor de wereld waarin hij staat.

*  Ik vind er toch meer overeenkomst met een paard, als je nagaat dat je van je geboorte af met alles wordt volgegoten.

Ja, dat is waar. U bedoelt dit: de mens wordt geboren in een milieu, waarin een bepaalde opvatting bestaat omtrent menselijke waarden, mores, religie en zal dus in de eerste plaats geïndoctrineerd worden in die rich­ting. Dat is volledig juist. Maar als de mens ouder wordt, krijgt hij een periode dat hij zelf kan gaan denken. Het vreemde is, dat die periode voor de meeste mensen valt tussen ongeveer 10 en 20 jaar. Dat is dus niet alleen de periode van een lichamelijke omzetting, maar ook van een totale verstoring van de normale gemoedsrust en het gedachteproces. We krijgen dan een opstan­digheid tegenover elk dogma en elk gezag en daarmee de mogelijkheid van het kritisch beschouwen daarvan. Maar dit betekent ook het nemen van verantwoor­delijkheden. De meeste mensen komen in deze periode dus wel tot eigen besef en waardering, maar ze komen er niet toe om dat besef en die waardering la­ter voort te zetten, omdat de aanpassing aan het milieu gemakkelijker is. Ze vrezen voor de consequenties van hetgeen ze denken en wat ze innerlijk zijn. Misschien psychologie, maar het staat direct in verband met godsdiensten.

*  Zijn het niet de sterken, de uitzonderingsgevallen, die niet toegeven en toch hun eigen weg gaan?

Die zijn er inderdaad. En heel vaak doen zij dat schijnbaar nog binnen het kader van een godsdienst. Maar dat is dan schijnbaar. Als wij bv. Albert Schweitzer zien, die toch werd beschouwd als een primus inter paris onder de christenen van deze tijd, dan zien wij dat Schweitzer een eigen geloof, een eigen interpretatie, een eigen opvatting heeft en dat hij heel Lambarene niet alleen daarmee regeert, maar dat hij deze filosofie zelfs in Europa uit­draagt en tot op zekere hoogte zelfs zijn stempel weet te drukken op bepaalde religieuze opvattingen van de mensen, omdat hij zichzelf is. Hij onttrekt zich aan de beïnvloeding.

Een ander voorbeeld is Krishnamurti. Krishnamurti wordt van jongs af aan eigenlijk geconditioneerd in de richting van de ingewijde, de meester. En hij speelt die rol ook een tijd. Maar innerlijk wordt hij zich bewust, dat het toch anders is. Zijn verhouding tot de werkelijkheid is een andere dan de hem opge­legde rol en hij breekt ermee. Het vreemde is, dat Krishnamurti’s grootste en belangrijkste invloed eigenlijk is begonnen op het ogenblik, dat hij niet meer de heerlijke meester van de Besant‑beweging was.

Er zijn dus voorbeelden te over, ook in deze tijd. Het is echter jammer, dat de mensen altijd klaar staan om zo iemand aan te vallen, zodra zijn reactie niet alleen een theoretische, maar ook een praktische is. Dan vragen ze van die mens niet, dat hij zichzelf beperkt, maar ze vragen van die mens dat hij hetgeen hij is omgeeft met de mantel van het religieus denken. Zolang hij dat kan doen, wordt hij geaccepteerd. Heel typerend. Het is precies hetzelfde, als een social reformer een hervorming wil doorzetten. Doet hij dit op grond van democratische noodzaken, dan is hij een goed socialist. Zodra hij echter de punten zuiver stelt, zonder ze met aller­hande denkbeelden van de gemeenschap e.d. te omhullen en eenvoudig stelt: dit is rechtvaardig en dat is noodzaak, is hij een lelijke communist.

Ik geloof, dat dit verhelderend genoeg is. Dan komt nu dat beruchte ogenblik, dat je eigenlijk gaat nakaarten. Nakaarten is voor ons een van de prettigste dingen, al gelooft u dat mis­schien niet, omdat je op dat moment kunt zeggen wat je meent dat juist is. Je bent niet meer gebonden aan een discussieonderwerp, je bent niet meer gebonden aan een beantwoording, een beredeneren. Je kunt zeggen wat je denkt. Dat zou ik in dit geval dan ook willen doen. Ik heb de godsdienst aangevallen. Niet om die godsdienst te schaden, maar ik heb geprobeerd van het heiligenbeeld, dat men ervan heeft gemaakt de vermomming af te halen, om te laten zien wat er overblijft: iets waaraan de mensen zich vastklampen, omdat ze bang zijn voor de werkelijkheid. Iets, dat de mensen regeert, maar dat zich niet houdt aan zijn eigen pretenties. Ik heb daarbij in de inleiding natuurlijk ook geprobeerd u duidelijk te maken, dat ik Jezus niet over één kam scheer met het z.g. christendom, zomin als ik de Gautama Boeddha Siddhartha aansprakelijk acht voor wat er is geworden uit het boeddhisme. Godsdienst is eigenlijk het zich angstig verzamelen van de kudde.

Rond ons is er een leegte. Die leegte is wel leven, het is oneindigheid, maar voor de mens is zij bovendien nog versierd met de dood en een aantal andere onbegrepen dingen. Het is iets, waarvoor je bang bent. Uit angst voor deze dreiging, die grotendeels imaginair is, proberen we eigenlijk zekerheid te vinden door in anderen de bevestiging te zoeken van onszelf. En omdat we dat niet als een angstverschijnsel willen verkondigen – dat zou onze eigenwaan, ons denkbeeld van eigenwaarde schaden – gaan we zeggen: Dit is Gods wil; zo moet het zijn.

We beweren heel graag ‑ zeker wanneer we op aarde zijn -: een mens is meer dan een dier. Maar deze mens, die zich beweegt in een grotendeels door hemzelf geïnterpreteerd milieu aan de hand van interpretaties en niet op grond van de feiten, gedraagt zich in feite ‑ ook ten aanzien van geestelijke zaken ‑ vaak als een dier. Dat wil zeggen, dat hij instinctieve reacties heeft t.a.v. oneindigheid en dergelijke dingen; dat hij bang is voor de krachten, die in hem schuilen, omdat hij ze niet begrijpt. Deze mens heeft mogelijkheden, die ver uitgaan boven hetgeen men nu beseft.

We weten tegenwoordig, dat er telepathie mogelijk is. Dat is wetenschappelijk bewezen; eerst door de massaproef van het Rhine‑institute, daarna door een aantal semi‑militaire proefnemingen. Telepathie wil zeggen: overdracht van gedachten of van kracht van mens tot mens. De meeste mensen zijn er bang voor. Ze zeggen; Een telepaat zou precies kunnen weten wat ik denk. Ze zijn dus bang voor wat ze denken. Ze zijn dus huichelaars, omdat ze niet durven zijn wat zij denken, omdat zij niet durven erkennen hoe ze in feite reageren. En als ze innerlijk een dergelijke vlaag van sensitiviteit voelen opkomen, dan moet dat onmiddellijk worden veredeld; dat moet de geest worden, dat moet helderziendheid worden, dat moet een visioen Gods zijn, dat moet een roeping zijn. Want als het alleen maar de werkelijkheid is die dichterbij komt, dan ben je er bang voor. Het zou je persoonlijkheid kunnen onthullen voor wat je in feite wel weet dat ze is.

De mens heeft krachten, die van hem uit kunnen gaan. De mens heeft krachten, waarmee hij op afstand zou kunnen reiken. Hij zou zich kunnen ontworstelen aan de zwaartekracht. Hij zou zoveel kunnen. Hij zou o.m. moleculaire oriëntaties kunnen veranderen. Maar hij durft niet. Hij durft niet, want als hij aan die gave begint, waar blijft dan zijn zekerheid, waar blijft zijn waardigheid. Waar blijft de schijnwereld, die hem zo dierbaar is. Dan is het veel prettiger om een filosofie aan te hangen of een systeem of een godsdienst, om je bezig te houden met dingen, die het je mogelijk maken misschien iets van die innerlijke gaven dan toch te gebruiken, maar nu op een manier, waarmee je de verantwoordelijkheid kunt afschuiven op een hoger wezen.

Een mens is een wezen, dat leeft in meer werelden tegelijk. Hij weet het misschien niet, of hij wil het niet weten. Maar hij heeft wel degelijk contacten met anderen ook. Wanneer hij slaapt, dan leeft hij soms in een andere wereld. Hij leeft soms in verscheidene werelden. Vandaag is hij in de ene sfeer, morgen in de andere. Hij ontvangt invloeden van overal uit het hele Al, uit de hele kosmos, uit sferen, mijnentwege van sterren en planeten, van kosmische krachten en stralen. Maar hij durft het voor zichzelf niet toegeven, want al is hij dan het brandpunt van vele van die invloeden, hij is het zélf, die de harmonie bepaalt waarin ze verkeren en hij is bang om die harmonie zelf te bepalen. Hij durft zich niet te stellen op eerlijke, bewuste wijze als het harmonische wezen in deze of gene zin. Daarom die kudde, Daarom dit herdersprincipe, waarbij de herders zelf eigenlijk schapen zijn; ze blaten nog harder dan de anderen. Ik geloof in de mens, niet als een klein tijdelijk wezentje, dat hier op aarde zo nu en dan wat moet ronddolen, wat zondigen en wat deugden moet vergaren om dan weer op z’n duvel te krijgen of te reïncarneren. Ik geloof in de mens als een eeuwig wezen, een eeuwig bestanddeel van God, een deel van een oneindigheid, die alles omvat: alle tijd, alle ruimte, alle mogelijkheden.

Ik geloof in de mens, niet als een persoonlijkheidje dat langzaam maar zeker moet worden verheerlijkt en verheven, maar als een bewustzijn, dat zichzelf blijvende langzaam maar zeker het merendeel van zijn besef en van zijn indrukken uit de totaliteit gaan, opnemen en daardoor zelf harmonisch wordt met de totaliteit.

Ik geloof in een harmonie, die tussen mensen kan bestaan, omdat ze elkaar erkennen en tegenover de anderen zichzelf durven zijn. Dat heeft niets te maken met hoe het hoort of met de wetten, die er zijn. Het heeft eigenlijk niets te maken met godsdienst. Maar het is anti‑godsdienst in zekere zin.

Indien ik geloof in Jezus Christus en wat hij heeft geleerd, dan moet ik dat in praktijk brengen, zoals ik voel dat dat juist is. Ik ben het, die de weg gaat en niemand kan die weg voor mij gaan. Dan moet ik dus leven zoals ik dat juist acht.

Als ik geloof in wat anders, dan zal dat pad mij ook kunnen voeren tot één en dezelfde wijsheid; maar ik zal moeten beginnen met zelf het pad te gaan. Ik zal moeten beginnen met mijzelf te ontwikkelen, mijzelf te ontplooien. Ik zal moeten beginnen met mijn harmonie met de wereld of met anderen niet op eventuele stellingen, wetten, regels en orde te baseren. Ik zal moeten uitgaan van wat ik ben en van de mogelijkheden, die er voor mij bestaan om de ander te erkennen voor wat hij is.

Ik zal een groot respect moeten hebben voor anderen. De godsdienst neemt dat respect eerder weg. Ik zal een grote eerlijkheid moeten hebben tegenover anderen. De godsdienst bevordert in vele gevallen helaas meer de huichelarij dan de eerlijkheid. Ik zal boven alles zelf een verantwoordelijkheid moeten hebben. Ik zal mij niet moeten beroepen op iemand, die mijn zondelast draagt, die voor mij mijn fouten herstelt: de een of andere lieve heilige misschien. Ik zal zelf moeten staan voor wat ik ben. Ik zal het zelf moeten uitmaken. Ik zal zelf als het ware de dienst moeten bepalen. En dan moet ik niet teleurgesteld zijn, als het anders gaat dan ik denk, dan moet ik zeggen: daaruit leer ik.

Je moet leren jezelf te ontplooien; jezelf te zijn. De godsdienst heeft je dat onmogelijk gemaakt. Er is maar één mogelijkheid om in de godsdienst tot de volle ontplooiing te komen; en dat is het totaal van je geestelijk besef zodanig omhoog te projecteren buiten de menselijke wereld, dat hetgeen in die menselijke wereld bestaat voor jou van geen belang meer is. Heel weinig mensen zijn ertoe in staat dat in hun stoffelijke vorm te bereiken.

Ik begrijp, dat de godsdienst voor velen een kostbaar goed is; dat ze zich één voelen met die godsdienst; dat zij daarin hun heil, hun zekerheid zoeken, omdat ze in zichzelf zo onzeker en zo bang zijn. Maar moet ik dan, omdat er velen zijn die onder die angsten lijden, omdat er velen zijn die zich één willen voelen met de massa, die zich willen laten regeren en bevelen, omdat zij bang zijn voor hetgeen zij anders zelf zouden moeten doen en dragen, moet ik daarom dan zeggen, dat dit het beste, het mooiste is? Neen. God heeft de wereld niet geschapen met godsdiensten, maar met mensen. Het Onbekende, dat wij God noemen, heeft Zich niet beperkt tot één klein wereldje met uitverkorenen. Hij heeft een heelal geschapen met vele sterren en vele planeten en vele volkeren. Dat is de werkelijkheid, dat is de waarheid.

Wanneer vandaag of morgen, laten wij dat nu eens aannemen, de eerste vlie­gende schotel openlijk landt en handelsbetrekkingen tracht aan te knopen met de een of andere staat op de wereld, dan is het hele politieke bestel kapot, dan zijn de godsdiensten kapot, want dan is het anders dan men heeft gedachten gepredikt en zal de onzekerheid van de mens hem dwingen een nieuwe gods­dienst te maken. En misschien dat die dan in plaats van een hemel spreekt van verre planeten waar het goed is of van monsterlijke slangen en wezen, die in de diepte van de ruimte je bedreigen. Zoals hij het nu doet op geestelijk ter­rein. Hij zal dan waarschijnlijk een oproep doen om alle rassenverschillen nu maar te vergeten, om alle grenzen te slechten en als mensheid paraat te staan tegenover de vreemdelingen uit de ruimte. Dat maakt wel duidelijk dat de godsdiensten, die we kennen, niet belangrijk zijn. De leefwijze, de lering die erin zit, die is belangrijk. Maar dit gevoel van geborgenheid en van zekerheid, dit zich vastklampen aan een systeem tegen alle feiten en regels in soms, dat heeft niets te betekenen. En daarom, moeten wij – geloof ik ‑ als we geestelijk bewust willen zijn, proberen zelf te leven en zelf te denken. Als u tot een kerk behoort of u heeft een bepaald geloof, dan moet u dat geloof niet plotseling afzweren, maar denk na. Tracht te ontdekken, zonder u iets aan te trekken van hetgeen men ervan zegt, wat voor gaven en krachten u heeft, wat voor denkbeelden u werkelijk heeft, wat de feiten zijn voor u. En u zult zien, dat u a.h.w. boven uw godsdienst uitgroeit, dat u een zelfstandigheid verkrijgt, waardoor u anderen kunt helpen, die misschien nog zo erg behoefte hebben aan steun en aan gezag. Maar op het ogenblik, dat u meent dat uw gezag het belangrijkste is van wat u voor anderen bent belangrijker is dan wat u zelf bent, dan heeft u ook weer gefaald. Leer uzelf te zijn, uzelf ontplooien en ontwikkelen. Vele wijzen op deze wereld hebben richtlijnen gegeven, waardoor u dit kunt bereiken, zonder ceremonieel, zonder bijkomstigheden, maar met een persoonlijk streven, beleven en bereiken.

Er is een oude spreuk, die we allemaal honderden keren hebben gehoord: ken uzelf. Maar hoe kun je jezelf kennen? Hoe kun je weten wat je bent, als je in de steigers van dogma’s en religies staat als een kerk die haar eigen vormen verhult achter deze metalen monsters. Je kunt pas jezelf zijn, als je alleen kunt staan niet tegenover God, maar met God, omdat God in je woont. Je kunt jezelf pas kennen, indien je durft doordringen tot datgene, wat in je leeft en daarmee durft werken. En bovenal, je kunt pas als mens een volledige betekenis krijgen, als je niet probeert een scheiding te maken tussen een geestelijke wereld en de materiële, de godsdienstige erkenningen en datgene, wat wij helaas gedwongen door de omstandigheden in de maatschappij moeten doen, maar praktisch leeft wat je innerlijk bent. Als je zover komt, heb je de enig ware godsdienst gevonden. De verbondenheid met een totaliteit, dat onbekende, dat in je begint te spreken en vorm aan te nemen, totdat je weet: alleen zo is het voor mij nog mogelijk te bestaan en vreugde in mijn bestaan te krijgen.

Kijk, dat is nu alles wat ik te zeggen heb. Het is mooi, ja. Ik vind het prettig, dat u het mooi vindt. Maar het is eigenlijk veel erger: het is nog waar ook.

Ik hoop u in ieder geval te hebben geconfronteerd met iets, dat van belang is. Misschien dat u, juist wanneer u daar eens over nadenkt, het eens bent met de eerste woorden, die ik heb gezegd na “goedenavond”: We zijn vanavond met de happy few. Of u de happy few of de happy many zult worden, dat interesseert mij niet, als u maar wordt tot de bewusten, die in de wereld waarlijk waardig mens zijn, maar gelijktijdig als totaal wezen ‑ geest en mens ‑ één leren worden met het grote geheim, het grote Onbekende, dat wij God noemen.