Geestelijk onvolwaardigen en hun zieleleven

image_pdf

3 april 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst zou ik op willen merken, dat wij, en dus ook ik, niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik verzoek u dan ook mijn betoog kritisch te volgen. Het onderwerp heden is: Geestelijk onvolwaardigen en hun zieleleven.

Men vraagt ons vaak, of een incarnatie in een mentaal minderwaardig lichaam voor de geest geen verspilling van tijd en energie is. Men merkt daarbij dan op “dat men daarin toch niet verder geestelijk kan evolueren” en schijnt niet in staat te zijn het geestelijk leven van een volgens de maatschappij geestelijk minderwaardig kind geheel te volgen of zelfs maar de intensiteit daarvan te beseffen. Dit is aanleiding geweest tot het door ons stellen van dit onderwerp, dat ik gaarne voor u tracht te belichten uit een geestelijk zowel als uit een meer menselijk standpunt.

Om te beginnen krijgen wij, uitgezonderd enkele verschijnselen, die bv. als geboortefouten voorkomen – spastisch enz. – te maken met schijnbaar normale kinderen, waarvan echter op bepaalde leeftijd de geestelijke ontwikkeling stil blijft staan. Er is dus gedurende enkele maanden tot enkele jaren sprake van een voor kinderen normale geestelijke ontwikkeling. Naarmate het kind ouder wordt, “blijft het meer achter”. Het blijkt moeilijk of niet te kunnen leren, kan zich niet of slechts moeizaam aanpassen aan zijn omgeving en zal op vele verschijnselen in deze omgeving niet of wat vreemd gaan reageren.

Het zijn vooral deze reacties van de “geestelijk minderwaardigen” die de moeder ertoe brengen hen te zien als iets, wat ook op geestelijk gebied niet mee kan tellen. Wat zijn echter de feiten?

Een geestelijk minderwaardige heeft grotere moeilijkheden te overwinnen dan een normaal kind. Dit vooral, omdat vaak reeds in de zeer vroege jeugd een mogelijkheid tot communicatie blijkt te ontbreken. Er is een zeker gevoel van machteloosheid, dat zich bij sommige kinderen dan later zal uiten in een bijna dierlijke vernielingsdrift. De vraag is, of hier sprake is van een absoluut irrationeel gedrag, dan wel of hier vooral sprake is van een overmatig emotioneel gedrag, dat zijn redenen vindt in het onvermogen tot uitdrukken van het ik, het vinden van de juiste herinneringen, het aanvaarden van normen en zo de onmogelijkheid zichzelf aan anderen te uiten.

Er is in dit geval dus wel degelijk sprake van een reden, ook al wordt deze misschien niet verstandelijk en in woorden beseft. Zien wij, hoe deze kinderen opgroeien, zo blijkt, dat zij op zeer verschillende leeftijden a.h.w. mentaal stil blijven staan. Er zijn dus geestelijk onvolwaardigen, wier ontwikkeling uiteindelijk stil blijft staan op een peil, vergelijkbaar met de normale ontwikkeling van een kind van 4 tot 6 jaar oud. Dezen zijn betrekkelijk hulpeloos. De bezigheden, die zij in het leven kunnen leren verrichten zijn van de meest eenvoudige geaardheid en dienen altijd ergens een zeker spelelement te blijven behouden. Zelfs dan is geen sprake van continue inspanningen. Anderen bereiken een mentale leeftijd van 8 tot 10 jaar. Dezen zijn in staat meer te presteren. Bij hen ontbreekt een zekere ijver vaak niet, is er sprake van een redelijke trots op eigen werk enz.

Een grote groep, die niet als geestelijk minderwaardig beschouwd pleegt te worden, wil ik hier ook even noemen, ofschoon hun leven en gedrag door de maatschappij als redelijk normaal wordt aanvaard: Degenen, die stil blijven staan midden in de pubertijd en dus blijven leven met een geestelijke ontwikkeling die gelijk komt aan een normale leeftijd van 14 tot 16 jaar.

Vele leden van deze laatste groep bezitten namelijk, indien geen sprake is van bijkomende lichamelijke deformiteiten, over voldoende communicatievermogen om in de maatschappij voor normaal door te gaan, terwijl zij eveneens over voldoende handigheid of bekwaamheid plegen te beschikken, om mee te leven binnen het kader van de maatschappij. Wel zijn dezen wat emotioneler dan de doorsnee mens, kennen zij uitbarstingen van onredelijkheid, welke niet door de buitenwereld geprovoceerd worden en blijken zij ongewoon egoïstisch van instelling te zijn bij elke benadering van de problemen van het leven.

Wanneer ik deze drie groepen allereerst bezie, zo valt mij allereerst op, dat degenen, die stil blijven staan op een communicatieniveau, dat ligt beneden de norm voor een 5-jarig normaal kind, altijd strijdlustig zijn, grote ferociteit kunnen tonen tegenover de wereld en voortdurend om aandacht vragen met alle beschikbare middelen. Indien wij dit willen beschouwen als een probleem van onbeheerstheid, zijn de vragen, die ik in het begin van mijn betoog aanhaalde, ongetwijfeld gerechtvaardigd. Op het ogenblik echter, dat wij gaan beseffen, wat zich hier werkelijk afspeelt, verandert echter het beeld geheel: Hier is een wezen, dat in een voor dit wezen irrationele en onbegrijpelijke wereld, vecht en zoekt om een mogelijkheid tot persoonlijke uitdrukking te vinden. De emoties worden dan weliswaar onbeheerst getoond, maar blijken toch ook weer gepaard te gaan met gevoelens als zeer diepe teleurstelling, onverklaarbaar diepe geluksgevoelens. Bij deze kinderen komen vooral deze laatste gevoelens vaak tot uiting in een stil voor zich heen staren, gevolgd door een wiegende beweging van het lichaam of een lichaamsdeel – vaak het hoofd – en kraaiende geluiden.

Bij nadere beschouwing blijkt het kind in staat tot een reeks van zeer felle emoties, die bovendien direct gerelieerd blijken te zijn met de benadering van de wereld tot dit kind. Er is dus sprake van een wereldherkenning. Er is sprake van ervaringen. Een dergelijk kind moet wel degelijk trachten bepaalde problemen op te lossen, ook wanneer het dit niet kan doen op een verstandelijk redelijk niveau. Volgens de maatschappelijke normen worden door dergelijke kinderen in wezen geen oplossingen gevonden, of liggen de oplossingen op een vlak, dat geheel buiten alle redelijk aanvaardbare mogelijkheid ligt. Nu blijkt echter, dat, mits de wereld meewerkt, dergelijke kinderen, ondanks de haast onoverkomelijke moeilijkheden die dit in hun beperkte leventje met zich brengt, toch kunnen leren de wereld te accepteren en met hun beperkte vermogens en middelen vaak een zeker evenwicht weten te scheppen tussen deze voor hen onbegrijpelijke en onredelijke wereld buiten het ik, en eigen wezen met alle driften, ervaringen en geestelijke achtergronden.

Dit is een prestatie, die vanuit geestelijk standpunt moeilijk kan worden overschat. Het is veel moeilijker dan je te midden van een geheel vreemd volk met een voor jou geheel vreemde taal en gebruiken of gewoonten, die het ik niet passen, te bevinden en daar als eenzame te leven, terwijl je toch nog een weg moet vinden waardoor je althans enigszins deel kunt hebben aan het bestaan van die gemeenschap. Hoeveel eenvoudiger is het niet binnen een gemeenschap geboren te worden, waarvan je alle waarden en mogelijkheden kunt begrijpen en aanvaarden, en daarin een hoge rang te bereiken.

Het zielenleven van dit kind zal verder een geest bevatten, wier grootste behoeftes – althans bij een bewuste keuze – wel het leren van communicatie zal zijn. In menselijke oren klinkt het wel wat vreemd, wanneer ik hier stel, dat zeer vele mensen die binnen de maatschappij als aanvaardbare en achtbare burgers leven, juist op dit terrein tekort schieten. Toch is dit het geval: Er wordt geen werkelijk contact gevonden tussen ik en wereld. De wereld wordt ondergaan, maar maakt geen werkelijke indruk. Een geest, die misschien als menselijk hoogstaand wezen reeds geleefd heeft, maar steeds in dit contact, dit werkelijke contact met de wereld te kort schoot, zal op een bepaald ogenblik toch ook het werkelijke contact met het Al, met de kosmos, moeten verwerven.

In dit geval is de incarnatie in een dergelijk “geestelijk minderwaardig of onvolwaardig” lichaam een volkomen aanvaardbare taak en de bereikingen, die in dit stoffelijk schijnbaar zinloze leven voor de geest mogelijk zijn, kunnen dan ook vanuit een geestelijk en kosmisch standpunt maar zelden overschat worden.

U ziet dus, dat dit innerlijk leven van het kind, geestelijk gezien, ook zeer belangrijke pluspunten heeft.

Laat ons nu verder gaan naar de groep, die een zekere kinderlijkheid bewaart, maar mentaal stil blijft staan op het peil van een kind van 6 tot 8 jaar. Hier vooral blijkt, dat de emotionele reactie van het kind zeer direct is. De reactie is bijna rechtlijnig en wordt zelden sterk beïnvloed door herinneringspatronen. Alleen binnen een omgeving als een gezin met vaste, nooit zich wijzigende regels of werkzaamheden, die lange tijd geheel gelijk blijven, kunnen dergelijke patronen soms een rol spelen. Het resultaat van deze retardatie is dus een lijnrecht reageren op de wereld.

Vanuit een te kinderlijk standpunt, zeker. Maar daardoor ook met die kinderlijke intensiteit, die aan de volwassene normaal vreemd is. De vreugde van een kind is misschien korter van duur dan de vreugde van een normaal volwassen mens. Maar zij heeft een intensiteit en brengt een beleving, die de volwassene zich helaas meestal niet meer voorstellen, of herinneren kan. Het leed en de zorgen van een kind zijn eveneens intenser en groter. Zelfs een peuter van twee jaar heeft reeds zijn problemen en zorgen, al begrijpt u als volwassene deze misschien niet, of lacht u er wat om.

Vreugden, problemen, smart. Er is dus in geestelijke zin sprake van een volwaardig leven. Het kind ziet zijn wereld als een wezen, een omgeving, waarin het rechten heeft, een wereld, die op eigen wezen antwoord moet geven. Het kind is er. Alleen krachtens dit zijn eist het een aanvaardbaar antwoord van de wereld. Bij geestelijk onvolwaardigen, die op deze leeftijdsnorm blijven staan, zien wij wanneer zij ouder worden, vaak het toeroepen van of aanspreken van mensen op straat, of zij dezen nu kennen of niet. Wij zien hen zonder enige reden binnengaan in openbare gelegenheden of vertrekken, waar zij soms alleen maar kijken, in andere gevallen, enige niet ter zake doende opmerkingen lanceren om dan weer te verdwijnen. Zij tonen hierbij, evenals normale kinderen van die leeftijd, een eigenaardige voorkeur voor minder eerbare woorden en uitdrukkingen. Verder zien wij bij deze groep vaak een grote voldoening, wanneer zij een taak mogen volvoeren en daarvoor enige erkenning verwerven. Naar ik meen wijst dit toch wel degelijk op een vorm van verstand. Er is wel geen sprake van een redelijke benadering van de wereld volgens de gangbare normen, maar er blijkt wel sprake te zijn van een persoonlijke wereldbeleving. Hierin kan het ik de scheiding, zoals deze in de menselijke maatschappij, tussen ik en wereld pleegt te bestaan, niet aanvaarden, maar het Ik heeft gelijktijdig zeer intens deel aan de gemeenschap, waar dit maar mogelijk is.

Dergelijke kinderen kennen ook smart, welke meestal geuit wordt in een stompzinnig voor zich heen staren, onderbroken door driftbuien en woedeaanvallen. Zij zien de wereld als iets, waarop zij recht hebben. Maar dit doet een volwassenen uiteindelijk ook. Omdat hij echter deze begrippen in zich verbergt en zijn eisen niet maakt tot een conflict met de maatschappij, zoals elk kind in wezen wel pleegt te doen, zal hij ‘zijn deel hebben aan de wereld’ voor zichzelf niet voldoende definiëren. De betekenis van het deel zijn van de wereld wordt geestelijk dan ook niet voldoende geregistreerd.

Een geest, die leeft in een kind, dat deze vorm van geestelijke onvolwaardigheid vertoont, zal echter zeer sterk geconfronteerd worden met de verschillen tussen ik en wereld, terwijl het anderzijds zal leren zich omentwille van die wereld toch ook weer wat terug te houden. Het gevolg is dat taakbewustzijn in geestelijke zin en beïnvloeding door de beperkingen, waaronder het lichaam heeft geleden, ook verantwoordelijkheidszin ontstaat. Wat voor u een eigenaardig gedrag is, irrationeel, is voor het kind normaal en rationeel, omdat het zich niet alleen ziet als een wezen, dat recht heeft op de wereld, maar ook als een wezen, dat verantwoordelijkheid draagt in die wereld. Dat hierbij uw begrip van norm wordt aangetast, zodat werkelijk belangrijke dingen, als leren, eenvoudig terzijde worden gesteld, maar aan de andere kant bv. het tijdig open en dichtdoen van een deur zo plichtsgetrouw geschiedt, alsof het welzijn van volk en staat daarvan afhingen, maakt hierbij vanuit geestelijk standpunt weinig verschil. Al zijn uw opvattingen anders voor het kind zijn de kleine dingen inderdaad zeer belangrijk.

Leven in het lichaam van een geestelijk onvolwaardige van deze groep schept voor de geest dan ook de mogelijkheid, aan sommige aspecten van het leven een meer dan normaal intens deel te hebben, terwijl daarnaast men de belangrijkheid van het kleine leert inzien. Zoals de volwassen mens, zal ook de geest de kleine, bescheiden en schijnbaar onbelangrijke dingen over het hoofd zien – daarbij niet beseffende, van hoe onmetelijk groot belang soms een enkele gedachte, een enkele kleine daad kan zijn. En toch beseffen zij zeer wel, dat, wanneer men een ingewikkeld uurwerk heeft, en een enkel asje, schroefje of zelfs maar een klein tandje in een onbelangrijk rad ontbreekt, de functie van het geheel hierdoor onmogelijk kan worden.

Het kosmische geheel, waarin wij geestelijk moeten leren leven en werken vergt van ons een aandacht, ook voor het kleine. Nu leert deze tweede groep van geestelijk onvolwaardigen juist in het kleine zijn belangrijkheid te vinden en kent een vorm van geluk, waardoor men dezen als normaal volwassen mens in deze tijden op aarde eigenlijk zou moeten benijden.

Tot nu toe heb ik geen aandacht gewijd aan die vormen van onvolwaardigheid of minderwaardigheid op mentaal gebied, waarbij de hersenwerking geheel stil schijnt te liggen en, zelfs bij grotere ouderdom de babystatus bewaard schijnt te worden.

Een voorbeeld hiervan zijn wel de mongoloïde kinderen. Bij dezen hebben wij niet alleen te maken met een zeer snel blijkende en duidelijk kenbare misvorming die reeds in de eerste maanden onmiskenbaar is, maar hebben daarnaast ook te maken met een wezen, dat, schijnbaar vegeterende, alles rond zich absorbeert. Deze absorptie wordt door de volwassenen niet gezien of begrepen, omdat geen enkele voor de volwassene kenbare uiting plaats vindt. Het mongoloïde kind is als een spons, die indrukken opzuigt, zonder over de middelen te beschikken waardoor het aan de opgenomen waarden ook uiting kan geven. Het resultaat is dan het in betrekkelijk korte tijd verzamelen van een groot en zeer divers feitenmateriaal, terwijl de eigen emoties ofschoon wel degelijk bestaande, binnen veel nauwere grenzen blijven dan bij voornoemde geestelijk onvolwaardigen.

Ik wil dan ook graag aannemen, dat voor de mens, zelfs wanneer hij daarbij niet direct betrokken is, de geboorte van een dergelijk kind een tragische gebeurtenis is. Het wezen zelf heeft echter in de meestal korte levensperiode – vaak 3 tot 4 jaren – de gelegenheid zeer veel feiten op praktisch objectieve wijze te verzamelen en door eigen betrekkelijk geringe emoties en reacties dezen ook onvervormd over te brengen naar de geest. Daar, waar een tekort aan inzicht bestaat voor de geest in de mogelijkheden van de mensheid van deze tijd alleen, kan de incarnatie in een mongoloïde kind binnen zeer korte tijd voldoende data verschaffen. Dit kan vooral belangrijk zijn voor de geesten die vanuit de sferen op aarde werkzaam waren vóór de incarnatie en nadien eenzelfde taak willen aanvaarden.

Uit dit alles moge u blijken, dat de geestelijk minder bedeelden lang niet altijd ook werkelijk geestelijk minder bedeeld zijn. Integendeel, er zijn er onder hen die, vanuit een geestelijk standpunt bezien, meer mogelijkheden en kansen hebben dan vele normale mensen op aarde.

Het feit, dat deze kinderen geen verantwoordelijkheid kunnen dragen binnen de maatschappij, is een groot voordeel. Het belet hen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid tijdens hun leven – als zovele normale mensen – te zien als iets, waarvan men zich moet trachten te bevrijden, waarvan men de lasten en consequenties op anderen af moet schuiven. Zij zien verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid in hun leventje als een begerenswaardig iets en willen graag een aansprakelijkheid aanvaarden, verantwoordelijkheid dragen, omdat zij eerst hierdoor in hun wereld aan belangrijkheid winnen en zo gevoelen een contact met de wereld te hebben gevonden. Wanneer zij dit dan minder goed doen, dan voor de mensen aanvaardbaar is, mogen wij toch niet vergeten, dat hun beredenering binnen hun mogelijkheden over het algemeen veel positiever is dan bv. de als normaal aanvaarde mensen, wier geestelijke ontwikkeling en verstandelijke ontwikkelingen zijn blijven stilstaan tussen 14 en 16 jaar. Deze laatsten plegen namelijk de wereld te zien als een persoonlijk eigendom zonder meer. Voor hen leeft niets werkelijk buiten het eigen ik en alles, wat daarmede onmiddellijk geassocieerd wordt. Eigen speeltuig is dezen meer waard dan 100 mensenlevens, eigen verlangen, begeren, behoefte tot experimenteren, is dezen belangrijker dan het welzijn van een gehele wereld.

Bovendien zien wij bij deze groep een haat ontstaan tegen het gezag, tegen alle “ouders”. Nu bestaan bij alle kinderen ressentimenten tegen het ouderpaar, al is het alleen maar door de grote en vanuit kinderlijk standpunt inconsequente gezagsuitoefening, die zij baseren op de plaats die zij innemen.

Deze groep, waarbij de retardatie op een mentale leeftijd van 14 tot 16 jaar gestabiliseerd wordt, brengt deze haat over op alle gezag, dat in de plaats van de ouders treedt. Gelijktijdig zoekt zij zelf gezag, macht, aanzien te verwerven door deel te worden van groepen, die in zich een zeer strenge discipline kennen of nastreven, maar daaraan rechten ontlenen om gezaghebbend en beslissend op te treden tegen de buitenwereld. Men heeft hier de neiging zich tegen alle gezag te verzetten, tenzij men het zelf mede uitoefent. Vele revolutionairen behoren tot deze groep, maar daarnaast ook velen, die door oorlog de wereld aan hun voeten willen zien, die zekerheid en gezag zoeken binnen op militaire leest geschoeide organisaties, hebben aan deze kwaal geleden.

Geestelijk gezien zijn deze de ongelukkigste van de meer onvolwaardigen doordat zij enerzijds niet tot een werkelijke overeenkomst met hun wereld kunnen komen en anderzijds door innerlijke onvrede geplaagd zijn, en zullen zij maar zelden uit het stoffelijke leven die ervaringen van contact, eenheid, begrip gewinnen, die aan de normale mens toch zoveel geestelijke inhoud blijven geven tot op zeer rijpe leeftijd.

Geestelijk gezien is deze groep verder benadeeld, doordat in het leven slechts de grote, schokkende en daardoor voor het Ik ook materieel in wezen onaanvaardbare situaties op de ontwikkeling werkelijk invloed hebben. Het is hier niet het ogenblik om te gaan spreken over de tijdelijke onvolwaardigheid, het niet vol-verantwoordelijk zijn, dat door de psychiatrie in deze tijd zo vaak als verontschuldiging voor boosdoeners wordt aangevoerd. Er zijn slechts weinige mensen, die een werkelijk evenwichtig en afgerond wezen hebben op aarde. Maar de correctie van gevaarlijke onevenwichtigheden is alleen mogelijk door het toepassen van de harde regels, door het stellen van macht tegen machtsdrang, hardheid tegen hardheid. Dit is het enige, wat door de onevenwichtige, ook de tijdelijk onevenwichtige, werkelijk begrepen wordt.

Ik wil nu terugkeren tot het gedachteleven van iemand, die door de gemeenschap als geestelijk onvolwaardig wordt beschouwd. Elk ogenblik is nieuw, elk ogenblik heeft het leven zijn volle intensiteit. Er is geen afdemping van gevoelens mogelijk. Door de normale mens wordt door zijn redelijkheid, zijn ervaring, zijn vermogen waarlijk terug te zien in de tijd en beperkt vooruit te zien, vele ervaringen van het heden afgedempt. De belevingen zijn dus in pastelkleuren, terwijl zij bij de onvolwaardigen in vergelijk tot harde primaire kleuren worden. Zo kan van het ene ogenblik op het andere door de onvolwaardige omgeschakeld worden van grote wanhoop tot even grote vreugde, van absolute neerslachtigheid tot grote tevredenheid, van vreedzaam aanvaarden tot hartstochtelijk en gewelddadig handelen. De scala van mogelijkheden is binnen elk moment zeer groot. Ofschoon een schijnbare samenhang ontbreekt, liggen in deze tegenstellingen van beleven voor de geestelijk onvolwaardigen voldoening en zelfervaring.

Men meent vaak dat deze kinderen en mensen altijd ongelukkig zijn en wijdt de meeste aandacht aan de negatieve aspecten, aan hun onvermogen vooral binnen die wereld, een juiste plaats te vinden en met de wereld een juist contact te vinden. Men ziet echter te weinig de grote, intense vreugden, die een onbelangrijk klein ding soms kan geven.

Wij hebben ons ook met dit probleem beziggehouden en vonden bv., dat de vreugde van een z.g. idioot, leeftijd rond 20 jaren, die op straat een doodgewone knoop vond, in intensiteit groter was dan de vreugde van iemand van gelijke leeftijd die na een redelijk lange verloving in het huwelijk trad. De volle felheid van dit beleven werd weliswaar na enige tijd geheel uitgeblust bij de idioot.

Zolang echter de vreugde aanhield, werd de gehele wereld positief gezien en benaderd. Er was geen angst, dat iemand dit ik niet zou aanvaarden. Er was geen beperking in het gedrag. Er was een zo volledige beleving, als een normale mens misschien een enkele keer tijdens zijn gehele bestaan zal kennen. Toch was dit slechts een klein moment in het leven van deze onvolwaardige, een ogenblik dat zich, aan de hand van soortgelijke onbelangrijke gebeurtenissen elke keer weer kon herhalen.

Anderzijds zagen wij dingen, die men in de wereld der zogenaamde normalen niet kan begrijpen.

Een meisje – zwakzinnig – bleek nogal geprikkeld te zijn door een zekere geslachtsdrift.

In haar omgeving meende men – helaas – dat er een onreine geest in haar gevaren was. De achtergronden van haar gedrag had men overigens nooit kunnen beseffen: Dit kind wenste deel te zijn van de wereld. Dit deel zijn betekende voor haar de meest intense communicatie, doordat zij een gemeenschap had gehad en dit intens had beleefd, was dit voor haar het mooiste, het meest intense geworden, dat zij in haar leventje kende. Zij zag daarin niets zondigst, iets wat onkuis of slecht was. De kern voor haar was een met anderen op gelijke basis gedeelde beleving.

Het feit, dat men haar openlijk afstootte, wanneer zij deze toenadering zocht, om er tersluiks misbruik van de maken, heeft haar dan ook wel gekwetst. Op den duur maakte, dit meisje dan ook een onderscheid tussen de mensen buiten haar. Zij verdeelde dezen in twee soorten: Degenen, met wie een harmonie mogelijk was en degenen, met wie deze harmonie niet mogelijk was.

Het eigenaardige was hierbij, dat zij zich tegenover degenen, met wie een zekere harmonie, een zeker begrip mogelijk bleek, na enige tijd niet meer provocatief gedroeg, terwijl zij haar “onzedige” gedrag wel bleef voortzetten tegenover degenen, voor wie zij een zekere angst koesterde.

Een gedragspatroon als dit is, van buitenaf bezien, zeer eigenaardig. Hoe anders, hoeveel duidelijker worden de samenhangen echter, wanneer wij beseffen, dat de kern van deze “onvolwaardige” mens de behoefte is om mensen aan te zien, om hen gelukkig te zien, om eigen emoties a.h.w. overal in de wereld weerkaatst te zien. Soms komen dergelijke drangverschijnselen niet tot uiting. Omdat echter de geslachtsdrift in het menselijke leven een zo belangrijke en grote rol speelt, kan zij ook een zeer belangrijk aandeel hebben in het gedachteleven en zelfs het daadleven van de – lichamelijk toch rijp geworden – onvolwaardigen.

Wij zien dan, dat een idioot zich plotseling aan iemand vergrijpt. Vanuit het standpunt van de wereld is dit iets verschrikkelijks. Men beseft vaak niet, dat het niet goed mogelijk is om de idioot daarvoor te veroordelen. In de eerste plaats is vaak sprake van een provocatief gedrag van anderen, dat in de maatschappij als normaal wordt gezien, omdat hieraan binnen de normale gemeenschap nu eenmaal geen verdere gevolgen verbonden behoeven te zijn, terwijl de idioot deze beperkingen, die uit het maatschappelijk patroon voortvloeien, niet beseft.

Daarnaast beseft men al te weinig, wat dergelijke onvolwaardigen op een dergelijk moment eigenlijk zoeken. Zij zoeken vaak niet alleen een dierlijke bevrediging, maar ook een behoren bij de anderen, een vorm van deel zijn met de gemeenschap. Dit kan zelfs de grondslag zijn van gewelddadig optreden.

In het innerlijk bestaan van de onvolwaardigen is dit behoren tot, dit deelhebben aan, gelijktijdig de grootste vreugden, de grootste bereiking en de grootste ellende – ongeacht de vorm, die dit deelhebben aan, deelzijn van uiterlijk krijgt. Er is voor hen sprake van een voortdurende strijd om contact te hebben met de wereld rond hen en in die wereld betekenis te hebben. Zolang men beschermd wordt, zal dit wel goed gaan. Komt men te staan in een omgeving van ongeveer gelijkwaardigen, zo zal zich wel jaloezie ontwikkelen – men weigert vaak, elkaar te aanvaarden – maar toch blijkt dat men zich op den duur zal aanpassen en een zekere gemeenschapsbeleving vindt, wanneer er maar iets is, wat het mogelijk maakt een contact tot stand te brengen.

De geestelijk onvolwaardigen, die immers moesten ervaren dat hun pogingen tot toenadering werden afgewezen, hun toenadering niet begrepen of verkeerd beantwoord werd, terwijl hun uitbarstingen van wanhoop en woede als ongezeglijk werden beschouwd, zijn ook in een gemeenschap van gelijk misdeelden nog lange tijd schuw. Zij willen eenvoudig niet meedoen. Zodra zij echter vertrouwen krijgen, al is dit maar in een enkel vriendje of vriendinnetje – dat rustig eveneens geestelijk onvolwaardig mag zijn – of in een enkele verzorger of verzorgster, blijkt een dergelijk kind langzaam open te bloeien.

Ook hieruit wordt wederom duidelijk, dat de innerlijke wereld van deze mensen gebaseerd is op het innerlijke contact, ook wanneer geen redelijke uitdrukkingsmogelijkheid daarvoor bestaat. Ook de geestelijk onvolwaardige zoekt vanuit zich de wereld te beleven en er deel van te zijn en kan niet goed begrijpen, waarom die wereld hem of haar weigert te aanvaarden.

Dit alles zou een goede reden moeten zijn voor de wereld van de “geestelijk volwaardigen”, om zichzelf eens onder de loep te nemen. Want ik geloof, dat er bij deze volwaardigen velen zijn, wier motiveringen lager en minder edel zijn, dan de drijfveren, die wij bij de onvolwaardigen aantreffen.

Verder geloof ik, dat men, bij een nader onderzoek van dit probleem, zal moeten erkennen, dat – al is het voor een verstandelijk en redelijk mens niet zo gemakkelijk om contact te krijgen met deze wereld van de onvolwaardigen – de werkelijke conflicten, beweegredenen en zelfs reacties toch een grote overeenkomst tonen met zijn “redelijke” wereld en haar moeilijkheden. Vooral zal, volgens mij, dan blijken, dat de kleine onvolwaardigheden, die de normale mens voor eenieder, zelfs voor zich pleegt te verbergen, hier ten volle geuit worden, zodat de geestelijk onvolwaardige een zekere eerlijkheid bezit, die verder gaat dan bij de z.g. normale mensen.

Misschien moet ik hier ook nog wijzen op de neiging tot verheimelijken, bedrog en komedie spelen, die bij geestelijk minderwaardigen vaak voorkomen. Deze dingen komen hoofdzakelijk voort uit een angst voor een wereld, die zij niet begrijpen. Hun komedie is vaak een methode om aandacht te trekken, dan wel zich te beveiligen tegen een ingrijpen in hun kleine bestaan. Waar zij zich ook hierin geheel plegen te geven, is het voor de buitenstaander moeilijk te zien, waar de komedie ophoudt en de werkelijkheid begint. De poging zich anders voor te doen dan men is, vloeit soms ook – vooral bij de meer intelligente onvolwaardigen – voort uit een behoefte tot imitatie.

Eenieder die kinderen kent, zal weten, dat ook het normale kind haast onbewust iemand zal imiteren die het bewondert. Het geestelijk onvolwaardig kind zal echter het bewonderde niet zo snel nabootsen: Het bewonderde is hier in de eerste plaats emotie, beleving. Dat, wat de onvolwaardige vreest echter, maakt grotere indruk. Het is juist het gevreesde, dat hier wordt geïmiteerd. Daardoor wordt in dergelijk kind in bepaalde gedragingen vaak een soort karikatuur van de volwaardige volwassenen – onbeheerst, en juist daardoor instinctief door de geïmiteerde gevreesd en als onaanvaardbaar met alle middelen bestreden.

Soms kennen de “volwaardigen” de redenen van hun wreed gedrag, tegenover de onvolwaardige niet eens bewust, omdat zij weigeren te erkennen, dat zij schrikken voor iets, wat zij van zichzelf erkennen in deze nabootsing, die zij dan als niet passend gedrag met alle middelen bestrijden. De kleine, bijna beheerste driftuitbarstingen van vader wordt door het onvolwaardige kind, dat hem vreest, geïmiteerd als een onbeheerste uitbarsting van onredelijke woede. Het kind is dan, vaak zonder kenbare oorzaak, opeens zo onredelijk en zelfs gevaarlijk, dat men niet begrijpt, hoe dit mogelijk is. Het kind heeft zijn angsten in een actie omgezet, die, volgens eigen beperkt begrip, in overeenstemming is met de wereld. Het wordt niet beredeneerd, beseft, maar eenvoudigweg weergegeven.

Wij zullen de inleiding nu besluiten met een onder de loep nemen van de kwestie van incarnatie in dergelijke geestelijk onvolwaardige lichamen.

Minder bewusten zullen soms, door eenvoudige nalatigheden of vergissingen, incarneren in dergelijke lichamen. Dan is het opvallend, dat zij slechts zelden lange tijd daarin vertoeven, het zijn dus geen onvolwaardigen, die dan een leeftijd van 25 à 30 jaren bereiken.

Dan zien wij degenen, die vanuit het duister vluchten en, door een overhaast kiezen van een lichaam, eveneens een onvolwaardig voertuig verwerven. Zij zullen over het algemeen in de stof slechts zo lang blijven vertoeven als noodzakelijk is, om een eerste contact, een eerste communicatie met de omgeving, te ervaren. Ook zij leven dus vaak niet lang.

Degenen, die alleen incarneren om feiten te absorberen – meestal afkomstig vanuit Zomerland of de onmiddellijk daarboven gelegen sfeer – volstaan op aarde vaak met een kort leven van ten hoogste 5 jaar. Onder hen treffen wij velen, die bewust hiervoor het mongoloïde kind prefereren.

Ten laatste degenen, die een zeer grote stap op geestelijk terrein willen doen om in korte tijd een zeer grote uitbreiding van bewustzijn nastreven, maar dit niet kunnen bereiken onder de normale op aarde bestaande omstandigheden. Zij kiezen in vele gevallen het mentaal onvolwaardige lichaam. In dit geval zien wij, dat zij op aarde vaak een zeer lange tijd vertoeven. Sommige van de door dezen bezielde voertuigen bereiken leeftijden van 70 tot 80 jaar. Dit volgens de normen van de materie onvolwaardige bestaan blijkt dan onverwacht grote geestelijke mogelijkheden op te leveren. Dit is dan ook de reden, dat zeer velen vanuit de geest bewust een dergelijke vorm van stoffelijk bestaan verkiezen. Hieruit moet men echter niet afleiden, dat op aarde leven in een geestelijk niet volwaardig lichaam een begeerd lot is voor de geest. Men zal dit alleen kiezen en aanvaarden, omdat er geen andere mogelijkheid bestaat. Een vergelijk is misschien de wijze, waarop u een operatie laat verrichten of naar de tandarts gaat: Het is niet aangenaam, maar het is nu eenmaal de enige mogelijkheid om op korte termijn het gewenste resultaat te bereiken.

Verder meen ik mij te herinneren, dat al te vaak wordt gesteld, dat deze onvolwaardigheid een soort karma, een noodlot is voor degenen, die vanuit het duister incarneren. Voor degenen, die uit gebrek aan zorg of bewustzijn een dergelijk lichaam kiezen, kan ik dit nog wel aanvaarden. Ik wil echter hier opmerken, dat eigen bewustzijn binnen de kosmos in feite identiek is aan eigen lot, aan “karma”. In vele gevallen zal hier dus niet gesproken mogen worden van een ongunstig karma van het kind. De kwestie van de ouders ligt weer iets anders, waar hier oorzaak en gevolgwerkingen vaak duidelijk beslissend zijn.

Toch meen ik, dat ook voor de ouders van dergelijke kinderen een grote mogelijkheid tot het verwerven van een meer dan normale geestelijke rijping bestaat, en ik weet van tenminste één geval, waarbij een lichaam bewust werd gekozen, omdat vast stond, dat hieruit naast drie normale kinderen ook twee onvolwaardige kinderen voort zouden komen. In dit geval werd dit lot gezien als een taak, waarbij het vormen van een contact met deze onvolwaardige kinderen en het verzorgen van hen – gelijktijdig een last en een roeping – een geestelijk begrip voor communicatiemoeilijkheden deed ontstaan, terwijl de verdere emoties en belevingen belangrijke en van de norm afwijkende bewustwordingsmogelijkheden betekenden.

Wanneer u dus geconfronteerd wordt met de geestelijk onvolwaardige, of het geestelijk onvolwaardig kind, zou ik u willen verzoeken altijd te onthouden, dat dezen een zielenleven kennen – ook al ligt dit niet in een voor u aanvaardbaar vlak of binnen voor u redelijk begrijpelijke normen.

In de tweede plaats verzoek ik u, u steeds weer te realiseren, dat deze onvolwaardigen in geestelijk opzicht zeker niet uw minderen hoeven te zijn, zodra de stof buiten beschouwing blijft.

Ten derde wijs ik u er op, dat het oplossen van het probleem, dat een communicatie met deze onvolwaardigen nu eenmaal betekent, niet alleen voor hen, maar ook voor de z.g. normale mens, een grote stap voorwaarts kan betekenen in begrip. Geduld is in bijna onredelijke mate vereist.

Maar daarvoor wordt men door de geestelijke mogelijkheden, die als gevolg van het streven en het contact ontstaan, rijkelijk beloond.

Ten laatste meen ik, dat de geestelijk onvolwaardigen – die ook vaak verdere lichamelijke deformaties vertonen – recht hebben op de zorgen van de mensheid. Wanneer die mensheid, hard moet vechten voor eigen bestaan, kan zij deze zorg niet geven. Zodra zij echter over de mogelijkheid hiertoe beschikt, zal zij haar eigen geestelijke en verstandelijke rijpheid het beste kunnen bewijzen door de manier, waarop zij ook deze vreemdelingen in het menselijk milieu ontvangt en hult in de bescherming van menselijke genegenheid en aanvaarding, waarop ook dezen volgens menselijke normen recht hebben, al kunnen zij redelijk gezien misschien volgens sommige theorieën dit recht niet ten volle doen gelden.

Vragen.

  •  Ik vermoed, dat lichamelijke minderwaardigheid, zoals bv. ontstaat door het gebruik van slaapmiddelen tijdens de zwangerschap, ook een psychische minderwaardigheid meebrengt. Hoe staat u hier tegenover?

Wanneer wij zien, hoe door het gebruik van giftige stoffen tijdens de zwangerschap afwijkingen ontstaan – vaak zowel lichamelijk als cerebraal – kunnen wij wel stellen, dat de psychische achtergrond van het kind, dat geboren wordt, sterk van de norm zal afwijken. Dit wil ook zeggen, dat de beleving van het bestaan anders dan normaal zal zijn, ofschoon niet noodzakelijk sprake hoeft te zijn van onvolwaardigheid in mentaal opzicht. Vaak zien wij in het besef hiaten vallen, blinde plekken ontstaan, die vergelijkbaar zijn met het resultaat van een vertroebeling van het oogvocht, waardoor deelzicht ontstaat, met vaak meerdere blinde plekken.

Dit beeld geeft dus de belevingsmogelijkheid van de wereld weer en het beeld, dat op aarde van het ik gevormd kan worden. De geestelijke beleving echter, de geestelijke achtergrond, moeten wij echter beschouwen als van het lichamelijke gescheiden, ook wanneer het geestelijk ik zich tijdens het stoffelijke bestaan hoofdzakelijk via het lichaam uit. Dit blijft dus volwaardig.

Nu kunnen wij aannemen, dat het leven van een dergelijk kind niet altijd dat van een zwakzinnige zal zijn. Het is niet zeker, dat de materiële misvorming ook een beperking of misvorming van de hersencapaciteiten met zich zal brengen. Met zekerheid zal men dit in vele gevallen pas kunnen zien wanneer het kind een leeftijd van 3 à 4 jaar heeft bereikt. Wanneer men voordien, door middel van een z.g. genadedood dus een dergelijk kind om het leven zou brengen, begaat men dus een moord. Een misschien verklaarbare moord, een moord, waarvoor wij misschien zelfs iets kunnen voelen, maar die wij nooit gerechtvaardigd kunnen achten.

Indien men weet, dat het gevaar van een dergelijke vergiftiging zeer groot is en overweegt of men de vrucht zal verwijderen, staan wij voor een enigszins ander probleem. Hier gaat het allereerst om de vraag, in hoeverre de vrucht reeds als waarlijk bezield kan worden beschouwd.

In de praktijk komt het erop neer, dat, zo dit in de eerste maanden van zwangerschap zou geschieden en de onderbreking hiervan voor de moeder geen te grote gevaren inhoudt, geen bezwaar zal kunnen worden gemaakt tegen een dusdanige ingreep. De bezieling begint gemeenlijk in de derde maand van zwangerschap en is in de zevende maand voleind. Een ingrijpen in deze periode lijkt mij een onrecht aan de geest, die het lichaam als voertuig wenst en zich daarmede reeds ten dele heeft verbonden.

Een ingrijpen, nadat de bezieling tot stand kwam, is volgens mij, ook wanneer het kind zich nog in het moederlichaam bevindt, moord. Hier moeten wij dus zeker een “onaanvaardbaar” uitspreken. Uit dit alles blijkt wel, dat het gebruik van giftige stoffen, bv. als slaapmiddel of om de verschijnselen van de zwangerschap te verlichten, niet geheel verantwoord is en meer gevaren in zich bergt, dan men wel schijnt te beseffen. De praktijk bewijst, dat men uit gemakzucht vaak naar chemische preparaten grijpt voor dit doel, terwijl lichaamsoefeningen en juiste voeding hetzelfde resultaat zouden kunnen hebben. Uw conclusies kunt u zelf trekken. Ik voel dus in wezen niets voor het gebruik van dergelijke middelen, euthanasie van misvormd geboren kinderen, of een onderbreken van een gevorderde zwangerschap, ofschoon ik besef, dat onder bepaalde omstandigheden dit alles wel aanvaardbaar genoemd zou kunnen worden.

  • Zijn geestelijk gestoorden op oudere leeftijd ook te beschouwen als geestelijk minderwaardig in de zin als besproken? Hoe staat het met hun zieleleven?

Zoals ik in mijn inleiding trachtte duidelijk te maken, is het zieleleven niet gelijk aan het stoffelijk psychisch bestaan. Achter abnormaliteit van denken en leven kan een geestelijk geheel volwaardig bestaan geborgen zijn. Wanneer wij geestelijk onvolwaardigen aantreffen op rijpere leeftijd, lijkt het mij, mede gezien het in mijn inleiding vermelde, goed aan te nemen, dat zich achter de uiterlijke minderwaardigheid een geestelijk volwaardig of zelfs meerwaardig geestesleven kan bevinden. Het lijkt mij daarom goed om, tenminste in zijn gedachte-uitstralingen, dergelijke personen tegemoet te treden als gelijken.

Wanneer blijkt, dat in hen een vreemde vorm van wijsheid verborgen is, kan men hen zelfs beschouwen als wezens, waarvan men veel kan leren. Nimmer mag men er echter toe overgaan dergelijke onvolwaardigen te beschouwen als orakels of stemmen Gods, zoals dit bij primitieve volkeren en zelfs binnen de christenheid wel geschiedt. Er is immers geen normale associatie mogelijk binnen de hersenen, zodat zelfs een zuivere geestelijke impuls nooit zodanig concreet en zuiver zal worden weergegeven, waardoor de uitingen van de minderwaardige als orakel zouden kunnen dienen. Iets wat o.m. de hervormer Savonorola tot zijn schade heeft moeten ontdekken.


  • Kan een vrouw een mongoloïde kind krijgen door een geestelijke shock tijdens de zwangerschap? Doktoren beweren, dat dit niet mogelijk is.

Wanneer de shock alleen geestelijk blijft, acht ik dit eveneens onmogelijk. Ik meen echter dat wij ons wel moeten realiseren, dat bepaalde geestelijk schokken zodanig sterke geestelijke reacties met zich brengen, dat lichamelijke wijzigingen, o.m. van interne afscheidingen, dat in de eerste 5 à 6 weken van de zwangerschap hierdoor zonder meer van een afdrijven dan wel aantasten van de vrucht sprake zal kunnen zijn. Ik meen, dat, al zou dit een toeval zijn, een kans van 1 op 60 of 70 in dit geval de geboorte van een mongoloïde kind het gevolg zou kunnen zijn. Het is echter niet de shock zelf, die dit doet, maar de lichamelijke reactie daarop, waarbij daardoor in genoemd geval nog moet worden gesteld, dat hierdoor gedurende langere tijd – meerdere dagen – een afwijking van de interne evenwichten tot stand gebracht zou moeten zijn.

  • Hoe weet de geest, die in een zwakzinnige wil incarneren, dat het kind als zodanig geboren zal worden?

Dit is voor u misschien wat moeilijk te volgen. Wanneer wij zien, hoe de mannelijke zaadcel doordringt in de eicel, kunnen wij ook zien, welke onevenwichtigheden in deze samenvoeging zijn gelegen. Vanuit uw standpunt is dit een ingewikkelde moleculaire structuur, waardoor de vorming en ook afwijkingen van het lichaam worden beïnvloed. Wanneer wij in de uitstraling hiervan bepaalde hiaten ontdekken, een warreling in deze celkernstructuur, weten wij dat bv. de hersenen minder bevoorrecht zullen zijn. Het is dan mogelijk in de periode dat het framboosje zich ontwikkelt, reeds mogelijk met redelijke zekerheid vast te stellen, welke mate van deformiteit enz. te verwachten is. Dit alles met het gevolg, dat dus “bewust” een dergelijk voertuig kan worden gekozen. Ik hoop, dat de zaak u nu enigszins duidelijk is, ofschoon het u wel moeilijk zal vallen u voor te stellen hoe door concentratie een structuur die voor u microscopisch is, voor u wereld vullend kan zijn. De geest kan namelijk aan microkosmische waarden tijdelijk en alleen voor eigen ik, een macrokosmische structuur toekennen en deze als zodanig op verschillende vlakken ontleden en beleven.

  • Zal in deze tijd van versnelde geestelijke ontwikkeling het aantal geestelijk onvolwaardigen toenemen?

Een wat moeilijke vraag, die mij in de verleiding brengt om te antwoorden: natuurlijk!

Maar daarbij is hetgeen ik als geestelijk onvolwaardig zie binnen dit kader toch wel iets anders dan het door u bedoelde.

Wanneer wij namelijk een periode van vernieuwing en versnelde ontwikkelingen doormaken, zijn er altijd meer entiteiten, die achterblijven. Daarbij mogen wij echter niet vergeten, dat deze achterblijvers nog altijd aan de nu als norm geldende mogelijkheid en waarde beantwoorden. Het feit, dat zij zich steeds de mindere gevoelen en hierdoor dan wel steeds sterker onder spanning komen te staan ofwel ontvluchten aan de eisen van de tijd – bioscoopbezoek, drankmisbruik, gebruik van roesvormende middelen, voor sommigen zelfs tv.-kijkerij – vormen een dergelijke ontvluchting, evenals bepaalde vormen van toeschouwersport, dan kunnen wij wel aannemen, dat, zo de huidige toestanden blijven bestaan, bij een deel van de mensheid de mentale mogelijkheden in verhouding eerder dalen dan stijgen. In wezen is er stilstand.

Wel kan het aantal mogelijke zwakzinnigen groter worden, omdat juist voor deze zwakken de “bijslaap” een vorm van ontvluchting inhoudt en als zodanig het voortbrengen van kinderen door minder volwaardige ouders in de hand werkt. Door het ontstaan van andere ontvluchtingsmogelijkheden zal echter langzaamaan deze aanwas wel tot stilstand komen en zullen wij te maken krijgen van een door bewusten meer overlegd en deelmatig voortbrengen van nageslacht.

Dan begint m.i. de werkelijke vernieuwing. Laat ons niet vergeten, dat de oude joden eerst 40 jaren door de woestijn moesten dolen, omdat de oudjes weg moesten vallen, die nog heidens dachten en onderling verdeeld waren. Eerst de nieuwe geslachten konden toen verder gaan naar Kanaän als een volk met één God. Iets dergelijks is volgens mij ook beslissend voor de uiterlijke waarden van de vernieuwing op aarde.

  • Men kan een onvolwaardige niet zonder meer zijn gang laten gaan, hoe weinig begrip van dit wezen ook te verwachten is. Is deze belemmering schadelijk voor het zenuwstelsel, wat zich uit in hysterische buien? Hoe kan men het beste dergelijke kinderen aanpakken en leiden? Is ouderliefde vaak niet te beschermend en belet zo het opgewassen worden tegen de problemen, die het leven met zich brengt?

Dit is een tamelijk complexe vraag, die vele verschillende elementen tracht samen te bundelen. Laat ons dan allereerst stellen, dat elk wezen, ook een kind, ook een onvolwaardige, moet leren, dat het niet opgewassen is tegen vaste begrenzingen.

Nu blijkt, dat ook geestelijk onvolwaardigen zich aan vaste regels, die voortdurend en zonder uitzonderingen gelden, zullen aan gaan passen. Daar, waar echter uitzonderingen worden toegestaan, valt het milieu, waarvan de regel oorspronkelijk een onverbrekelijk deel uitmaakte, voor de onvolwaardige uiteen. Hij kan niet beseffen, waarom een bepaalde belemmering nu wel zou moeten bestaan en morgen niet of omgekeerd. Het resultaat is dan een verzet tegen de regel in een volledige woedebeleving, waarbij de onvolwaardige bovendien niet in staat is zich uit te drukken. Het gevolg is, wat u noemde “hysterische uitbarstingen”, waarin de algehele overgave aan de woede verder vaak uitputting ten gevolge heeft.

De ouderliefde zal, vooral in het begin, wanneer het kind nog geen al te groot probleem is – later verandert dit helaas weleens – geneigd zijn, om juist de geestelijk onvolwaardige tegen de wereld te beschermen en zijn gebrek te willen vergoeden. Iets, wat volgens mij niet geheel juist is. Ik geloof dan ook, dat men het geestelijk onvolwaardig kind wel degelijk met de wereld geconfronteerd dient te worden en alleen beschermd dient te worden tegen de gevolgen van eigen onvolwaardigheid, dus de fouten en misvattingen, die het zelf maakt.

Het mag echter niet geplaatst worden in een wereld, die voortdurend alles zachtroze en zonnig doet zien. In dit geval immers zal het kind zich gewennen aan een situatie, waarin het zelf meester is en het lichtste schaduwwolkje zien als een directe aantasting van eigen ik en wereld, plus alle contact met die wereld. Het contact is op de zonnige toegefelijkheid van de wereld gebaseerd, een wegvallen daarvan betekent voor de onvolwaardige een aantasting van eigen contact met die wereld en roept hartstochtelijke uitingen op. Het resultaat is een onbegrip voor eventuele gezagsverhoudingen een niet aanvaarden van regels, terwijl deze toestand niet door een beroep op redelijkheid en begrip voor de toestand kan worden opgeheven.

Gezien de traagheid, waarmede de geestelijk onvolwaardige nieuwe elementen in zijn bestaan op kan nemen, duurt het lange tijd, voor zelfs maar een nieuwe regel geheel aanvaard wordt. Wij maken dus door grote toegeeflijkheid en al te grote bescherming het de jonge onvolwaardige in het leven eigenlijk veel moeilijker dan noodzakelijk is.

Vele ouders willen hun minder bedeeld kind wel graag zelf blijven verzorgen, maar beschikken anderzijds niet over de juiste instelling. Men heeft medelijden met het kind, voelt zich tegenover het kind schuldig, dat men het in de wereld heeft gebracht of vraagt zich af, of men niet zelf schuld heeft aan de onvolwaardigheid. Juist daardoor zal men onredelijk handelen tegenover een kind – zowel ten goede als ten kwade – dat behoefte heeft aan een kleine, eenvoudige wereld met vaste normen.

Ik ben van mening dat ouders, die voor hun onvolwaardige kinderen alle conflicten en onaangenaamheden willen vermijden en vol toegeeflijkheid voor hen zijn, het leven voor deze kinderen harder en moeilijker maken dan noodzakelijk. Het is volgens mij juist dan noodzakelijk het onvolwaardige kind zo snel mogelijk in een milieu te brengen, waarin het met zekere genegenheid zal worden ontvangen, met begrip zal worden behandeld, waar vaste regels bestaan en een zekere – zij het milde – dwang het kind tot aanpassing noodzaakt. Dan kunnen de ouders vanuit dit milieu en met handhaving van de waarden, die daarin dan toch ook bestaan, het kind regelmatig met zich nemen, het de ouderlijke liefde schenken, zonder dat het kind onder deze liefde later veel zal moeten lijden en de ouders langzaam maar zeker ofwel zichzelf dan wel het kind gaan haten. Het lijkt mij, dat dit de meest juiste oplossing is.

  • Begrijp ik het goed, dat u het beter acht, wanneer het kind van de ouders vandaan gaat en in een goede inrichting wordt opgenomen?

Ja. Dat hebt u zeer goed begrepen. Ik heb dit niet gesteld, omdat alle ouders onbekwaam zouden zijn een dergelijk kind op te voeden, maar omdat vele ouders door een zeker gevoel van schuld en een groot medelijden voor dit kind, dat toch in een wereld zal moeten leven die het niet aan kan, het kind van de mogelijkheid blijken te beroven, binnen de beperkingen van eigen denken en reactievermogen, zich in de wereld zoveel mogelijk in te passen. Zij vervreemden het kind dus, terwijl het reeds t.a.v. de massa onvolwaardig is, bovendien nog van de normen, die nu eenmaal binnen die massa gelden voor gedrag, discipline enz. Het is tegen deze vervreemding van het werkelijke leven, dat ik mij verzet.

Zouden de ouders in staat zijn op milde en liefderijke wijze een vaste, niet variërende en niet door hun eigen stemming beïnvloede discipline te handhaven, zo zou ik ook de opvoeding binnen het gezin zeer juist en goed achten, vooral wanneer binnen dit gezin nog andere kinderen aanwezig zijn. Is de onvolwaardige enig kind, zo meen ik, dat zelfs in het laatste geval het gevaar voor vervreemding van alle werkelijkheid zo groot wordt, dat wij de voorkeur moeten geven aan een inrichting of althans een regelmatig verblijf binnen een gemeenschap van onvolwaardigen, waar uit de aard der zaak de eenling geen voorrechten voor zich alleen kan verlangen of verkrijgen.

  • Acht u het dan goed voor normale kinderen, wanneer zij opgroeien in een milieu, waarin ook een onvolwaardig kind leeft?

Ik zie hierin geen enkel bezwaar. Het normale kind moet leren, dat alles in de wereld mogelijk is, dat het in die wereld zekere verplichtingen kan dragen, dat het de meerdere kan zijn van wezens, die afhankelijk zijn en deze zal moeten helpen en beschermen. Ik ben nu niet direct een kinderpsycholoog, maar meen toch wel te zien, dat men de kinderen in uw dagen het gevoel van eigen taak, eigen aansprakelijkheid, te veel ontneemt.

Wanneer er binnen het gezin een onvolwaardig kind is, zal men binnen dit gezin beschermend op gaan treden en de kinderen zullen het broertje of zusje helpen en beschermen, zolang de ouders hun aandacht niet alleen aan dit kind wijden of, wat ook voorkomt, hun taak t.a.v. dit onvolwaardige kind geheel op de andere kinderen trachten af te schuiven. In dit laatste geval is het natuurlijk niet juist het kind binnen het gezin als onvolwaardige te handhaven. Maar indien de ouders de verzorging op de juiste wijze weten te doen geschieden en het onvolwaardige kind kan leven tussen broertjes en zusjes, die daarvoor enige aandacht hebben, zal dit zowel de normale kinderen als de onvolwaardige, ten goede komen. De kinderen in het gezin zullen leren genegenheid te geven aan een minder vaardige en eveneens leren de afwijking van de norm, zoal niet gewoon, toch als aanvaardbaar te beleven.

Voor de kinderen, de normale kinderen, is dit een grote verrijking indien zij later in hun leven in contact komen met mensen of wezens, die anders denken dan zij gewend zijn, zal hun eerste impuls er een van beschermend zijn, een wil tot helpen in plaats van een afwijzen. Zij zullen daardoor gemakkelijker contact hebben met hun medemensen, terwijl zij voor mogelijke deformiteiten of afwijking van de gebruikelijke norm niet al te snel afschuw zullen gevoelen. En een dergelijk afschuw voor iets, wat “anders” is, is de basis van de strijd tussen rassen en volkeren, zoals deze ook nu bestaat.

  • Is het niet raadzaam, dergelijke onvolwaardigen seksueel ongevoelig te maken? In vele gevallen zijn zij toch een gevaar voor de maatschappij? Worden door u de z.g. psychopaten ook tot deze groep gerekend?

Ik geloof niet, dat men de doorsnee psychopaat, zonder meer tot de geestelijk onvolwaardigen rekenen mag. Ik zou hen eerder willen omschrijven als geestelijk onevenwichtigen.

Hetgeen u voorstelt – in wezen dus het vernietigen van de mogelijkheid tot vruchtbaar zijn – betekent een ingreep in het lichaam, waardoor binnen het organisme veel verandert. De invloed op het lichaam en ook op de mentale erkenning van het leven kan zeer groot zijn. Wanneer er een mogelijkheid bestaat om onvolwaardigen onvruchtbaar te maken, en aldus zonder door operatie ingrijpen toch schade te veroorzaken – en er bestaan orale middelen, die hiertoe dienstig zijn – is een ingreep volgens mij niet aanvaardbaar. Een middel dat zonder meer onvruchtbaarheid tot stand brengt, zonder het organisme verder aan te tasten, zou echter wel aanvaardbaar zijn.

Wanneer men de seksuele gevoelens weg wil nemen vergt dit een ingrijpen in het lichaam, waardoor ook afscheidingen veranderen. Iets waarvan de gevolgen helaas niet altijd te overzien zijn. Deze gevolgen moeten door hormoonbehandelingen opgeheven worden en in deze materie is de mens van heden nog niet ver genoeg gevorderd om dit risico aanvaardbaar te achten. Wat betreft de psychopaten zou ik het enigszins anders willen stellen: Psychopaten zijn mensen, die over het algemeen voor een groot deel normaal kunnen denken, maar bepaalde afwijkingen vertonen. Soms ontstonden deze organisch, maar in vele gevallen zijn zij mede te wijten aan hun milieu, de maatschappij, waarin zij leven. Als zodanig moeten zij vanuit de maatschappij zonder meer bezien en beoordeeld worden en zijn zij niet, zoals de werkelijk onvolwaardigen, een directe verplichting van de maatschappij.

Daarom zou ik willen stellen, dat de psychopaat – die immers grotendeels normaal is en als zodanig door kan gaan in gezelschap – eventueel door operatief ingrijpen ongevoelig zou mogen worden gemaakt voor seksuele gevoelens, wanneer hij daartoe zijn toestemming geeft of door eigen gedrag dit noodzakelijk heeft gemaakt. Ik moet dit wel stellen, hoe zeer ik anderszins de consequenties daarvan zou betreuren. Hier echter is het een kwestie van deel zijn aan de maatschappij en deel hebben aan de maatschappij, zonder daarom een gevaar te vormen voor de maatschappij. De volle zwaarte van rechtspleging en rechtsordening, zoals deze in de maatschappij bestaat – ook al is dit misschien niet geheel rechtvaardig – acht ik noodzakelijk van toepassing op de psychopaat.

Ik ben dan ook tegenstander van elk wijzigen, verminderen of terzijde stelling van strafmaat of veroordeling, wanneer wordt aangetoond, dat iemand een onrechtmatige daad pleegde, terwijl hij psychisch niet geheel normaal of van zijn daden bewust was. Hiermede wordt het verder afwijken van de werkelijkheid en het afschuiven van persoonlijke aansprakelijkheid en verantwoordelijkheden nog maar verder aangemoedigd. Ik ben er van overtuigd, dat het juist zou zijn, een dergelijk argument niet juridisch aanvaardbaar te stellen, maar elk bewijs daaromtrent gebracht – voor en na de veroordeling – zou men moeten gebruiken om tijdens de strafperiode een genezing te bewerkstelligen.

Zoals u bemerkt heb ik deze vraag gebruikt om ook een eigen – niet geheel daarmede in verband staande – eigen mening weer te geven. U zult mij dit vergeven.

Indien u geen vragen meer stelt, komen wij zo langzaam aan het einde van deze bijeenkomst. Ik wil echter nog enkele punten naar voren brengen.

In mijn betoog heb ik getracht u duidelijk te maken, dat elk levend wezen binnen de grenzen van zijn bestaan bewustwording kan vinden. De belangrijkheid van deze vaststelling behoef ik niet verder toe te lichten. Het houdt dus ook in, dat elk levend wezen ons respect waardig kan zijn en wij tegenover alle leven ook zekere verplichtingen hebben. Juist omdat de geest vanuit zich vormen van leven kan ambiëren, die niet volgens uw idealen aanvaardbaar zijn, zou u, strevende naar geestelijk bewustzijn en geestelijke ontwikkeling, ook deze andere vormen met tegemoetkomendheid – ook geestelijk onvolwaardigen e.d. – moeten behandelen.

Er is hieraan echter meer verbonden. Zelf heeft u reeds in een van uw vragen gesteld: Dit is een tijd van vernieuwing en veranderingen. Elke tijd van vernieuwing brengt afwijkingen van de norm met zich.

Het is zeer wel mogelijk, dat iets, wat u op het ogenblik als geestelijke onvolwaardigheid of zwakzinnigheid beschouwt, in een ander kader gebracht zelfs een meerwaardigheid t.a.v. de hedendaagse mens met zich kan brengen. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat iets, wat u op dit ogenblik als ziekte of deformiteit beschouwt, morgen een belangrijke factor in de vernieuwing kan zijn en zelfs een beslissende rol kan spelen bij het tot stand komen van een nieuwe menselijke samenleving.

De normen, die u gewoonlijk stelt, zijn menselijke normen. Zij zijn zelfs niet gebaseerd op uw eigen wezen, maar alleen op een soort laagst gemiddelde. Een groot deel der normen, die u nu hanteert, is in wezen imaginair: Niet gebaseerd of feiten, die kenbaar zijn in uw wereld, maar op filosofieën, veronderstellingen, gedachten, die ideologisch mooi zijn, maar toch niet de werkelijke mens kunnen omschrijven, of zijn werkelijke benadering van het leven weer kunnen geven.

Degene die zozeer grijpt naar normaliteit en zich daarbij, zoals gebruikelijk, bezighoudt met de onwaardigheid, onvolwaardigheid en minderwaardigheid van anderen zal dan ook moeten beseffen, dat juist zij, die waarlijk meerwaardig zijn, de minderwaardigheid of onwaardigheid van anderen noch stellen noch erkennen. Hoe groter het begrip wordt voor leven en wereld, hoe meer je ook beseft, hoeveel goeds en belangrijks er kan schuilen in dingen die volgens de normale mens beneden de norm zijn. Wij hebben niet alleen maar te maken met de mensen en hun wijze van leven en denken, maar met de kosmos. Het is de eeuwigheid, waarin wij in feite leven. Al het andere is onbelangrijk, een kleine episode, een enkel klein accent, dat wordt gelegd binnen het eeuwige beeld, dat wij in wezen zijn.

Zoals dit voor u geldt, geldt dit voor alle andere leven. Ik zou u dan ook willen verzoeken problemen als het door ons heden gezamenlijk besprokene niet meer te zien vanuit de vraag: Is dit onvolwaardig, meerwaardig of minderwaardig, maar alleen uit te gaan van de vraag: “Is hier contact mogelijk?” Want het contact dat wij vinden met anderen, de communicatie tussen mens en dier, tussen mens en mens, mens en engelen, mens en zijn God, is het enige ware bestanddeel van het leven, het enige blijvende. Uit de communicatie en het begrip groeit harmonie en eenheid, waarin men waarlijk zijn wezen kan openbaren en uiten. Het is daarin dat de mens eerst werkelijk zichzelf waardig kan zijn.

Als u in deze dagen van vernieuwing geconfronteerd wordt met dingen, die misschien vreemd of onbegrijpelijk zijn, reacties van mensen, die u niet meer kunt aanvaarden, zo zou ik u willen verzoeken: Tracht desondanks te komen tot communicatie, tot begrip, dit indringen in een wereld van anderen, waardoor je die anderen ook over kunt brengen in je eigen wereld.

Wordt groter. Een waarlijk groot mens ziet de kinderen, de bezetenen en zieken als even belangrijk als de grootste genieën op de wereld. Zie als voorbeeld alleen maar naar Jezus, naar Zijn belangstelling voor de kinderen, de zieken, de onvolwaardigen.

Maar dit beeld herhaalt zich in uw eigen tijd. Zie naar een Albert Schweitzer of een Einstein. Deze groten zijn vol tederheid en begrip juist voor de kleinen, de onvolwaardigen, de anderen. Juist doordat zij geestelijk groot zijn hebben zij vaak minder geduld met de normale mens. Met een aan respect en grote tederheid grenzend begrip benaderen zij echter de wordende mens, de onvolwaardige mens, terwijl zij in denken en bewustzijn toch ook de hoogste waarden van leven en de grootste innerlijke contacten benaderen.

Leert groot zijn. Want slechts wanneer de mens in zijn beroering van wereld en mensheid grootheid weet te bereiken, slechts indien de mens de begrenzingen van zelfgeschapen normen kan doorbreken, zal hij waarlijk in staat zijn de kracht en mogelijkheid van een nieuwe tijd vanuit de geest ook om te zetten in de feiten binnen de materie.

Zo is ook de zorg voor geestelijk onvolwaardigen voor u een mogelijkheid om u voor te bereiden op een groter en meeromvattend leven, dat, naar ik meen, in de toekomst voor de mensheid is weggelegd.

image_pdf