Geestelijk werken

10 december 1973

Wij hebben vanavond een gastspreker voor u. Achtergrond: filosoof— alchemist. Periodes ongeveer 1450. Plaats: Zuid-Italië. Zijn wijze van denken is ook in deze tijd aanvaardbaar. Hij gaat uit van het geestelijk werken; het werken in en met jezelf en trekt daaruit allerlei conclusies over de mogelijkheden en de krachten van de mens. Om dat in te leiden is altijd wat moeilijk. Ik heb enkele van zijn spreuken genomen en daaraan wil ik mijn betoog ophangen.

“Slechts datgene wat je werkelijk in jezelf bezit, kun je tot uiting brengen. Al het andere wat je naar buiten toe toont, is schijn en vervliegt.”

Hier gaat hij uit van het denkbeeld dat de uiterlijke wereld beantwoordt aan de innerlijke wereld. Een mens, die in zijn leven overal conflicten ziet, moet die conflicten ook in zich dragen. Een mens die onzekerheden in zich kent, zal op de een of andere manier die onzekerheden in de wereld buiten hem projecteren. De relatie die tussen deze dingen bestaat, wordt volgens hem bepaald door de kracht van het denken.

Hij heeft het over een bepaalde vorm van levenskracht en zielenkracht. Hij noemt ze allebei sulfers rode, witte en nog andere sulfer. Zijn denken is ongeveer als volgt:

De mens bezit wat wij noemen een ziel. Deze ziel is in haar potentie oneindig. Ze bezit het totaal van de scheppende kracht, althans theoretisch. Dan bezit de mens een geest. De geest dient eigenlijk om de krachten te richten. In een van zijn beelden zei hij:

Je moet je voorstellen dat de wereld waarin wij leven het lood is dat we in de smeltkroes doen en dat warm maken met het vuur van de ziel. Dan werpen wij daarbij de geest en het goud der bewustwording komt tevoorschijn.

Het is uit de aard der zaak een alchemistisch beeld. Maar iedereen die in zichzelf een bepaalde toestand erkent, zal daardoor de kracht die aan hem inherent is omdat hij een ziel heeft, ook naar buiten uitstralen. En alles wat er rond hem bestaat, zal door die uitstraling mede worden bepaald. Ik meen dat dat op zichzelf een aanvaardbaar beeld is.

De gastspreker maakte in dat gesprek, waarbij ik meer geluisterd heb dan wat gezegd heb, ook nog een opmerking die volgens mij hierbij aansluit.

“De kern van al datgene wat wij doen, wordt bepaald door onze visie op de werkelijkheid die in ons bestaat. Wat wij zien als duister is niet duister, maar wij maken het duister door het als zodanig te zien. Wat wij vrezen is niet vreeswekkend, maar door het te vrezen maken wij het tot een voortdurend gevaar.

Datgene wat voor ons licht is, is licht omdat wij het zien als licht, want het is de kracht die in alle kracht is.

Als wij zegen of genade ontvangen, dan is dat onze visie van onze relatie met deze werkelijkheid: het licht. Maar in de ziel zijn al deze dingen gelijk en zijn altijd aanwezig.”

Dit is ook weer een bepaalde visie: Wat ik denk, bepaalt eigenlijk wat mijn wereld voor mij betekent. Datgene waar ik bang voor ben, is voor mij gevaarlijk. Niet omdat het op zichzelf gevaarlijk is, maar omdat ik er bang voor ben. Datgene wat voor mij een zegen, een genade, een geluk of een meevaller is, is dat niet werkelijk. Het is doodgewoon mijn visie op het leven waardoor het waar wordt.

Ik heb daarover eens nagedacht en het is inderdaad zo. Wanneer je mensen in een of ander speellokaal ziet spelen (chemin de fer, roulette e.d.), dan zie je dat degenen die zitten te hunkeren om te winnen, verliezen. Want ze denken: het zou mogelijk kunnen zijn. Degenen die er helemaal niet over nadenken en zeggen: “als er winst is, dan komt het wel”, die krijgen het meestal. Dat heb ik ook in het leven gezien. Er zijn mensen die denken: “Ach, voor mij is dit of dat niet mogelijk”. Ze zullen misschien soms een schimmetje ervan zien, maar het gaat voorbij, het is er dan niet meer. Er zijn ook mensen die denken: “Ik krijg wel wat mij toekomt, en wat kan het mij schelen”. Die mensen krijgen juist datgene wat ze nodig hebben. Het is misschien een krankzinnige situatie want het past helemaal niet in alle theorieën over oorzaak-en-gevolg. Maar als je deze gastspreker daarover hoort uitwijden, dan krijg je het gevoel: er is toch iets van waar.

Een volgende uitspraak van hem die ik weer van commentaar wil voorzien, is misschien iets eenvoudiger:

“Hoe krampachtiger ik leef, des te verkrampter alle kracht zal zijn, die van mij uitgaat. Maar als ik een kramp projecteer, dan zal de wereld mij die kramp teruggeven.”

Hij gebruikte daarbij een heel eenvoudig voorbeeld, dat voor ons in de geest waarschijnlijk gemakkelijker te volgen is dan voor u.

“Als u naar een duistere sfeer gaat en u laat zich overspoelen door de ellende van die sfeer zonder te zeggen: “er is licht en dit is overbodig”, dan kan dat duister u overspoelen. Maar zolang u het als overbodig beschouwt, heeft het geen macht over u. Als je iets met alle geweld wilt waarmaken, dan maak je het waarschijnlijk niet waar. Maar als je gewoon zelf handelt volgens een waarheid die in jezelf bestaat, dan wordt het wel waar.

Een denkwijze waarbij de relaties van de geest, van de kosmos allemaal worden bepaald door wat men persoonlijkheidsinhoud kan noemen.

Ik heb getracht om daaraan op mijn manier een paar lessen vast te knopen. Dat is moeilijker dan u denkt, omdat ik het niet geheel eens kan zijn met al zijn stellingen. Ik geloof nl. niet dat een mens zijn wereld geheel beheerst. Dat is iets wat de gastspreker kennelijk aanneemt. Maar ik geloof toch wel dat de mens zijn relaties met die wereld voor een groot gedeelte kan beheersen. En dat is in de eerste plaats een kwestie van consequent zijn, van eerlijk zijn.

“Als je ergens aan begint met voorbehoud en twijfels, dan kun je beter niet daaraan beginnen. Als je ergens aan begint doodgewoon omdat het waar is, dan zal je wel zien wat de waarheid wordt.”

Daar zit volgens mij heel veel in. Want wij hebben een wereld (dit is mijn visie) waarin wij worden geconfronteerd met condities en omstandigheden waaraan wij zelf niet veel kunnen veranderen. Wij zijn ergens in een park en op het gras is het nu eenmaal verboden te lopen. Je kunt het proberen, maar het kan je een bekeuring kosten. En als je langs de paadjes gaat, kun je alleen van bepaalde punten naar andere bepaalde punten gaan. Maar zoals wij leven en denken, zoeken wij in onszelf toch altijd weer naar het juiste doel. Ik geloof dat het doel dat wij nastreven veel belangrijker is dan de middelen. Dat de kracht die wij zien en nastreven belangrijker is dan de mens. Al het andere conformeert zich er wel aan. Wij moeten ons echter niet proberen los te maken uit het geheel. Als ik zijn gedachtengoed interpreteer, dan ziet hij het als volgt:

Ik ben deel van God. Als deel van God zijn alle dingen voor mij gelijkelijk mogelijk, alle krachten gelijkelijk in mij werkzaam. Ik moet met mijn besef en met mijn wil werken om dat waar te maken, maar de mogelijkheid is altijd aanwezig.

Mijn persoonlijke visie daarop wijkt wat af. Ik zou zeggen: In mij kan een besef zijn, kan een wil zijn. Ik neem ook aan dat in mij de kracht leeft, maar ik moet eerst weten wat ik wil. Om dat goed te kunnen weten, moet ik eerst beseffen wat het betekent wat ik wil. Je kunt nu wel zeggen: Ik wil de 100.000 hebben. Dat lijkt op zichzelf heel eenvoudig. Maar wat betekent dat de 100.000 hebben? Dat betekent niet alleen het moment dat je hoort: nu ben ik rijk geworden. Het betekent wel degelijk ook alles wat daarna komt. De wens die wij hebben is een complex. Indien wij het complex beseffen, kan onze wil het waarmaken. Maar zolang wij het complex, de gehele samenhang, niet volledig kunnen beseffen en ons daarin niet kunnen inleven of daarover dromen en daarop bouwen – wat ook vaak voorkomt – dan richten wij onze wil verkeerd en kan de kracht in ons niet actief zijn; die kan het niet waarmaken. De gastspreker kan volgens mij niet waarmaken wat op een bepaald ogenblik niet als mogelijkheid voor ons bestaat. Als wij die mogelijkheid verkeerd schatten, kunnen wij haar ook niet waarmaken, omdat wij dan streven naar iets wat niet bestaat. Er zijn dus wel verschillen van mening.

U moet niet denken dat zo’n gastspreker hier komt met een evangelie van “zo is dat” en de hele Orde onderschrijft het. Aan de andere kant is het natuurlijk erg belangrijk te horen hoe iemand daarover denkt, die ook heel lange tijd heeft gezocht, gestreefd en gewerkt en die geestelijk een hoog niveau heeft bereikt. Als zo iemand zegt, zoals hij tegen mij heeft gedaan: “Je kijkt niet ver genoeg”, dan neem ik aan dat dat waar is. Ik weet alleen nog niet hoe ik verder moet kijken. En zolang ik de kennis niet bezit van hoe ik verder moet kijken is de aanwijzing een kennisgeving. Ik kan er verder niets mee doen. Ik wil wel verder kijken, maar hoe? Waarnaar? Wat moet ik zien? Wat moet voor mij betekenis krijgen? Als ik dat besef en ik wil het zien, dan zal ik het zien. Maar vóór die tijd is de aanwijzing op zichzelf betrekkelijk nutteloos.

Onze vriend zegt: Als je weet dat je niet ver genoeg kijkt, ga je erover nadenken wat je zou moeten of zou willen zien of wat je denkt dat er te zien is. Dan ga je daarop je wil richten en als het bestaat dan zie je het, dan wordt het waar. Als je onjuist denkt, wordt je besef gecorrigeerd en dan kun je het ook vinden. Het is echt het idee van een bewustwording die tot stand komt door steeds verder weg te kijken, maar ook door je steeds weer aan te passen aan de omstandigheden.

“Het experiment – zo zegt de gast – is het resultaat van de filosofie.” Dat is natuurlijk vreemd. Wij experimenteren veel en vaak zonder er verder over na te denken. Dit is echt alchemistisch denken.

 De filosoof redeneert. Hij bouwt zich een beeld op van de kosmos, van de wereld. Als hij dat heeft, gaat hij naar zijn laboratorium en gaat experimenteren totdat het hem duidelijk is, of hij juist heeft gedacht of niet. Dat is een soort proef-op-de-som-mentaliteit. Dat betekent dat menige proef zal mislukken, dat komt in elk leven voor.

Maar wat is één leven? Zoals u hier zit, bent u allemaal al een paar maal geïncarneerd. De één is vroeger misschien leerling-priester geweest, een ander zakenman en een derde heeft misschien mestputten schoongemaakt. Wie weet dat en wat interesseert het u eigenlijk. Maar u heeft geleefd en na dit leven zult u verder leven in de sferen, eventueel weer op aarde of op een andere planeet. Het leven is een continu proces. In dat continu proces zou je misschien zelfs mogen stellen dat het leven voor ons het experiment is dat voortkomt uit onze theoretische beschouwing, onze filosofie die wij vóór de geboorte in een sfeer hebben opgebouwd. Ik weet wel dat het niet altijd helemaal waar zal zijn, maar het hoort er ergens bij.

Om bewust te incarneren moet je een denkbeeld hebben, dan heb je de kracht om dat denkbeeld op de proef te stellen. Ik geloof niet dat je door de proef de macht hebt om haar te doen verlopen zoals jij dat wilt. Ze zal verlopen volgens de bestaande wetten en waarden en daardoor zal je beter beseffen hoe je in een volgende situatie zult moeten reageren.

In de l5e eeuw wist men niet veel over de menselijke psyche. Vele stellingen, die onze gast nog aanhaalt zijn in wezen magisch en houden geen rekening met wat er in een mens leeft. Ik heb dat al verscheidene keren tegen hem gezegd. Voorzichtig en eerbiedig natuurlijk. Het opvallende was dat hij tegen mij zei:

“Ach, jullie maken je zo druk over de psyche. De psyche is niets anders dan de weerkaatsing van de werkelijke persoonlijkheid op het vlak van de wereldzee waarin je leeft.”

U leeft dus in een wereldzee. U heeft wel geen kieuwen, maar goed. Wat u bent, wat er misgaat of wat er goed gaat is een weerspiegeling van wat u werkelijk bent. Psychologisch kunnen we dat niet helemaal aanvaarden. Wij weten dat de menselijk psyche in zich bepaalde dwang-oriëntaties heeft t.a.v. het leven en zijn verschijnselen. Wij kunnen zeggen: Er zijn voor ons bepaalde onmogelijkheden. Onze vriend zegt: Wat maak je je daar druk over om dat te definiëren. Zo ben je werkelijk. Als je naar het leven kijkt, kun je je aan het beeld van wat je bent niet onttrekken. Ik heb toen getracht daarop een commentaar te vinden en ben tot deze conclusie gekomen:

Het gestelde kan waar zijn, indien een mens zichzelf werkelijk kent. Maar omdat in een menselijke psyche meestal een verweer zit tegen de werkelijke en volledige zelfkennis, zal het voor de mens niet te bereiken zijn. Dientengevolge kan de regel zoals die wordt gesteld misschien in de geest gelden (daar kun je de waarheid omtrent jezelf nl. niet ontlopen zonder jezelf te isoleren: duisternis), maar het zal nooit kunnen gelden voor de menselijke wereld.

Mijn tweede conclusie was: Wij zijn eenzijdig en we kunnen onszelf niet volledig kennen. Maar wij kunnen toch wel een begrip krijgen van onze relatie tot de wereld* Onze relatie tot de wereld zou dan voor ons een aanwijzing moeten zijn t.a.v. onze persoonlijkheid. Dingen, die wij niet als reëel erkennen, zullen dan toch duidelijk worden omdat wij zien hoe de wereld reageert.

Ik heb onze gast ook gevraagd: “Heeft u weleens goud gemaakt?” Hij zei: “Ach, een beetje goud maken kost te veel aan kostbare tijd.” “Dus u heeft het nooit gedaan?” “Eén keer,” zei hij. Ik vroeg: “Heeft u goud gemaakt?’* Hij zei: “Neen.” Toen heb ik gevraagd: “Waarom spreekt u dan van goud maken?” “Ja,” zei hij, “omdat het niet belangrijk is of ik slaag, of ik goud maak’. Het is belangrijk dat ik besef dat goud gemaakt kan worden. Het is ook niet belangrijk dat ik de materie kan veranderen, maar ik moet beseffen dat ik haar kan veranderen. Als voor mij goud het belangrijkst was geweest, dan had ik goud kunnen maken en had ik het waarschijnlijk gemaakt, maar het was voor mij een bijkomstigheid. Ik wilde zien of het mogelijk was. Het was echter niet belangrijk genoeg om mijn kracht daarin te projecteren, waardoor het mogelijk zou zijn geworden. Dat is een mooi praatje. Daarmee kun je er gemakkelijk tussenuit gaan. “Ja,” zei hij, “maar doet een mens dat niet altijd? De mens zegt steeds: Ik zou dit of dat kunnen zijn of kunnen bereiken en hij blijft zich daarmede troosten, terwijl hij heel iets anders is en heel veel niet bereikt of heel andere dingen bereikt. Dat is heel normaal, want die mens maakt waar wat voor hem geestelijk het belangrijkst is. Wat hij zich stoffelijk voorstelt is eigenlijk onbelangrijk, daar gooit hij de kracht van zijn hele persoonlijkheid niet in.”

Daarmee kwamen we op een onderwerp dat naar mijn idee ook interessant is namelijk: Hoe kan ik dan die innerlijke kracht activeren? Daar had hij ook een antwoord op:

“Die innerlijke kracht activeer je door de onvermijdelijkheid te beseffen van een ontwikkeling buiten jezelf.”

Nu, dan zit je toch even te kijken. Hoe bedoelt hij dat? Ik denk, dat het zo is:

De kracht die ik heb, gebruik ik alleen voor zover ik erin geloof. Voor de meeste mensen is het noodzakelijk om een vorm te vinden waarin ze die kracht projecteren. De ene mens zegt: Ik moet het horen van engelen of van de geest. Een ander zegt: Het moet voor mij door demonen of door natuurgeesten worden gedaan. Wij kunnen gewoon niet aannemen dat wij heel dicht bij die werkelijkheid staan. Op het ogenblik dat wij het aannemen – en dat is de grote moeilijkheid – reageren wij niet meer op onze wereld zoals ze nog steeds voor ons bestaat. Dan denken we dat we de wereld even kunnen veranderen door haar anders te denken. Die wereld bestaat uit ons wezen. Wij kunnen onze relatie met de wereld veranderen, maar niet de wereld zelf. Ik meen dat daar het hiaat ligt. Wij kunnen die kracht gewoon niet activeren, omdat wij de wereld niet kunnen aanvaarden zoals ze is en dan werken met de krachten die in ons zijn.

Het denkbeeld dat je die kracht zonder meer kunt gebruiken, voert tot heel vreemde consequenties. Je zou a.h.w. schepper zijn. Je zou alles mogelijk moeten kunnen maken. Ik heb dat de gastspreker heel beleefd gezegd. Zijn reactie daarop was heel eenvoudig en volgens mij erg onlogisch.

“De kracht, die wij hebben is voldoende om een heelal uit te blussen en om er één op te bouwen. Maar zolang wij niet beseffen dat het de kracht is waaruit we bestaan, maar menen dat wij bestaan in een heelal, zullen wij niet kunnen uitblussen. Omdat volgens ons denkbeeld, alles wat wij vernietigen gelijkkomt aan een zelfvernietiging en al wat wij opbouwen gelijkkomt aan een verantwoordelijkheid die wij niet durven dragen.”

Ik meen dat daar iets in zit, want heel veel mensen zouden iets kunnen bereiken of geestelijk iets waar kunnen maken, indien ze niet bang zouden zijn voor de consequenties. En die consequenties zijn in wezen wel de verantwoordelijkheid die je op je moet nemen. Je ziet heel veel mensen, die hun voorstelling van wat ze zijn en hoe ze leven en werken, zo sterk hebben geassocieerd met bepaalde materiële verhoudingen en relaties, bepaalde denkbeelden, bepaalde gebruiken en zelfs riten, dat ze zonder dat niet meer in zichzelf kunnen geloven. Dan zijn die mensen dus beperkt door hetgeen ze doen. Ik meen dat dat juist is.

Nu zijn krachten beperkt. Een mens die leeft, straalt een veld uit. Een mens die denkt, straalt een veld uit waarin die gedachten als een modulatie kenbaar worden. Een mens die wil, straalt bovendien een kracht uit die een interactie vertoont met alle andere velden en krachten die rond hem zijn. Ik kom dan tot de conclusies:

Voor de mens is de wil het belangrijkste, omdat juist deze wil het hem mogelijk maakt a.h.w. in te grijpen in datgene wat rond hem bestaat. Hier is hij gebonden aan zijn eigen denkbeeld van het mogelijke. Maar naarmate hij de mogelijkheden voor zich duidelijker ziet en duidelijker omschrijft, kan hij meer doen. Dat is mijn mening, maar ik denk dat ik het niet ten onrechte zeg.

De essentie van alle werken met kracht is hoe je denkt. Denken is niet alleen maar het formuleren van iets. Het is het vóélen van iets, het is het léven van iets. Als u een kracht uitzendt – of dat nu is om iemand te genezen of om bij wijze van spreken te zorgen dat iemand niet te hard loopt, zodat u hem kunt inhalen – welke kracht u ook kiest, ze kan alleen duidelijk worden geprojecteerd, indien in u ook het gevoel een rol speelt. Het is een kwestie van emotie en rede, die moeten samenwerken. Is er alleen de emotie, dan lukt het niet, omdat we dan niet komen tot een voldoend scherpe formulering. Is het het verstand alleen, dan is de richtlijn die we geven aan het verstand wel goed. Maar de kracht zelf kan niet volledig tot ontplooiing komen, omdat onze emotie nodig is om ons met iets te verbinden. Het is de band die tussen ons en het andere wordt gelegd.

Waar de emotie verkeerd is gericht, daar zal de kracht die de emotie vaak losmaakt juist de doeleinden frustreren die je met je wil tracht te bereiken. Als iemand aan zichzelf denkt, kan hij nooit een ander veranderen. Wat hij dan doet is zichzelf beïnvloeden; en dat kan zelfmisleiding inhouden. Het kan net zo goed zijn een verandering in de eigen mogelijkheden.

Ik heb getracht om dat geval toe te passen op de bekende wet van compensatie, die weleens wordt beschouwd als weergave van of deel van de wet van gelijkblijvende velden. Daar kom je tot een conclusie, die volgens mij de moeite waard is.

Op het ogenblik dat een kracht homogeen is (dus van de gehele persoonlijkheid uitgaat), zal zij geheel uit die persoonlijkheid gericht zijn en elke andere kracht dwingen een nieuw evenwicht te zoeken waarin de uitstraling mede verwerkt is. Dat kan een willekeurige kracht zijn, dat kan een mens, een voorwerp, dat kan alles zijn wat wij ons kunnen voorstellen en waarop wij met geheel ons wezen onze kracht projecteren. Op het ogenblik dat die verandering plaatsvindt, zal ze inhouden: een totale verandering van alle evenwichten rond ons. Want ik kan niet verwachten dat de kracht, die ik aan de ander geef, zonder meer tot mij terugkeert. Maar wat wel gebeurt is dat de verandering die daar ontstaat eveneens een verandering van krachtsverhouding met omgeving, met sfeer, met wat dan ook, met zich meebrengt. Ten slotte zal elke kracht die ik uitzend, ook weer ergens van buiten tot mij terugkeren, omdat het gehele proces een evenwichtsverstoring inhoudt. Deze voert altijd weer tot een zoeken naar evenwicht waarbij ik zelf als verstorende factor mede betrokken ben. En dan kunnen wij de conclusie nog wat verder doorvoeren:

Daar voor een mens het belangrijkste meestal het onmiddellijke resultaat is, zal hij kunnen slagen. Dus bepaalde resultaten tot stand brengen. Als hij met geheel zijn wezen – emotioneel en verstandelijk – en met een zo goed mogelijk besef van hetgeen hij tot stand wil brengen, vooral ook vanuit zich een kracht projecteert. Dan wordt die verandering inderdaad bewerkstelligd. Wat hij niet kan beseffen is het aantal nevenverschijnselen die ontstaan.

Nu krijgen we iets vreemds. Voorbeeld: U wilt rozen laten bloeien in de winter- U wilt dat doen om anderen te overbluffen. U bent zeer geconcentreerd, de roos moet nu bloeien. Die roos bloeit inderdaad, maar gelijktijdig bloeien zoveel andere rozen, dat het eigenlijke doel dat u nastreefde (het u onderscheiden van anderen) hierdoor wegvalt. Het is dus zo: de kracht die u uitstraalt, moet een goede kracht zijn, een ontwaken. Maar dat ontwaken is deel van een plant en ze reageert daarop als een geheel. Ze zal dat besef ook naar de omgeving uitstralen en die omgeving zal daarop reageren. Als uw kracht nu maar groot genoeg is, dan is de kracht die de plant uitstraalt ook groot genoeg. Is uw kracht groot genoeg om die plant in korte tijd tot bloei te brengen, dan ontstaat er vanuit die plant een relatie met andere planten waardoor ook deze in bloei zullen komen. Denk niet dat ik dit voorbeeld willekeurig heb gekozen. Dit is namelijk gebeurd tijdens een van de stunts van de Graaf van Saint-Germain. Deze wilde eigenlijk één rozenstruik laten bloeien, maar hij kreeg een bloeiende tuin. Toen hij het later weer eens wilde doen, ging het niet. Hij heeft het toen met massahypnose gedaan. Toen zaten ze in de sneeuw, maar voor hun gevoel heerlijk in de lente.

Ik kom tot de conclusie dat wij als mens of als wezen in een beperkt tijdsbesef datgene wat wij willen volledig kunnen waarmaken. Maar dat wij daarbij niet kunnen bepalen hoe daardoor de wereld rond ons veranderd zal worden. Wanneer wij terugkeren in de sferen zullen de krachten die wij hebben uitgestraald nog steeds tot ons terugkomen. Ze zullen onze toestand en onze ontwikkeling in de sferen mede beïnvloeden.

Wij hebben een vrije wil. Onze vriend, de alchemist, ontkent dit echter ten dele. Wat wij doen door deze vrije wil, dat bepaalt onze relatie met de wereld, met de omgeving, met alle sferen, kortom, met alles waaraan wij kunnen deelhebben. Wij kunnen niet één daad stellen die beperkt blijft tot een klein stukje van de wereld. Elke daad die wij stellen is een kosmische verandering. Dat wij soms geen gebruik maken van onze innerlijke kracht, van de zielenkracht, betekent volgens mij niet dat er daardoor niets verandert. Wij stellen iets in de wereld; wij verstoren dan toch ergens een evenwicht. Dat evenwicht moet zich ergens compenseren. Wij kunnen ons niet onttrekken aan de gevolgen van wat wij zijn en wat wij veroorzaken.

Dan blijft de vraag over: Hoe moet ik dan mijn leven en mijzelf zien? Ik geloof dat je moet uitgaan van het volgende:

  1. Je kunt wat je bent niet zonder meer veranderen, dus moet je leren jezelf in alle uitingen te aanvaarden.
  2. Jezelf zijn, ook door uitingen, kan nooit een situatie zijn waardoor schuld ontstaat. Je moet begrijpen dat je relatie met de wereld misschien een compensatie nodig heeft en die zal je tot stand moeten brengen. Maar je moet nooit praten over schuld. Je moet proberen iets wat gezegd is of gedaan, terug te nemen.
  3. Het is belangrijk voor een mens dat hij leert op zichzelf en zijn krachten te vertrouwen. Maar dat kan alleen indien hij een beeld van zichzelf heeft dat strookt met de hem bekende feiten. Dat bovendien emotioneel voor hem aanvaardbaar is en dat bij een poging om krachten te manifesteren houdbaar blijkt. Dat houdbaar is belangrijk! Ik heb kracht. Dan zal die kracht niet mogen veranderen door iets wat ik doe of door wat ik ben. Ik moet haar altijd als bestaand erkennen.
  4. Het is onbelangrijk wat ik nastreef of wil. Wel is het belangrijk dat ik actief ben. Het is mijn actie waardoor ik mijn innerlijke waarden voor mij steeds duidelijker kan maken. Maar gelijktijdig in de wereld voortdurend veranderingen, schep waaruit ik mijzelf beter leer beseffen. Dus het geeft niet wat je doet, als je het maar doet met het voornemen om alles te aanvaarden wat eruit voortkomt. Probeer niet anderen daarbij te betrekken. Gewoon zeggen: dit ben ik, dat doe ik, dat is deel van mij en daarom is alles wat eruit voortkomt eveneens deel van mij. Hier krijgen wij de zelfkennis, die voortkomt uit de actie plus de aanvaarding.
  5. Elke mens bezit in zich de kracht om alles te doen wat hij met geheel zijn wezen wil. Hij zal dit kunnen bereiken. Hij zal niet kunnen bereiken dat het gehele zijn daarmede ook aan zijn eisen beantwoordt. De mens die zichzelf leert kennen, zal dit door zijn daden zowel als door zijn besef van de gevolgen daarvan, duidelijker tonen. Naarmate hij zichzelf beter beseft, zal de uiting van zijn kracht meer in overeenstemming zijn met zijn ware wezen en werkelijke behoeften. Daardoor zal hij steeds bewuster worden.
  6. De mens, die deel is van de kosmos, bevat in zich de kracht van de gehele kosmos. Naarmate hij zich meer bewust wordt als zijnde een deel van de kosmos, zal hij vollediger de kracht van de kosmos bewust tot uiting brengen.

Ik meen dat ik hiermede een redelijke samenvatting heb gegeven van de achtergronden, die zo dadelijk in het betoog van onze gastspreker naar voren zullen komen. Hij behoort tot een behoorlijk hoge sfeer. Misschien heeft hij in zijn gedachten om in te haken op het eigene van de tijd. Trek u daar niets van aan. Neemt u de sfeer en laat u die argumenten maar gewoon over u heengaan. Kijk maar eens wat daarvan tot u doordringt.

Ik meen, dat voor de punten die u onthoudt en waar u helemaal geen weg weet dit inleidende betoog wel richtlijnen kan geven. Voor zover dat niet het geval is, vrienden, zullen wij proberen op latere bijeenkomsten daaraan nog wat te doen. In ieder geval blijf ik zeer bewust het verloop van het experiment volgen. Ik kan u garanderen dat ik aanwezig blijf bij deze gastspreker. Aangezien ik hier heel vaak de inleiding heb, zal ik de volgende maal eventueel verder daarop ingaan.

De Gastspreker

De mens is een wonderlijk mengsel van eeuwige, kracht, gebonden gedachten en materie die hem vaak beheerst. De meesten leven zonder te beseffen wat ze zijn. De meesten sterven zonder gewerkt te hebben met de kracht die in hen leeft. En toch is er in elke mens een kracht, groter dan die van een ster. In elke mens is een licht, dat het duister kan verdrijven dat ligt tussen de sterrennevels. Want in de mens is de wonderbare kracht: de sulfer van de eeuwigheid. Deze kracht schept uit hemzelf, voor hem, het absolute bewustzijn en het weten. Ze schept hem de Steen der Wijzen waardoor hij kan binnentreden in de werkelijkheid die niet verandert.

Een mens zoekt vaak zichzelf. Wat je bent, is eigenlijk de tijdloze, de eeuwige waarde waaruit alles zijn vorm heeft gekregen. De vormen vergaan … de tijdloze kracht blijft voortgaan en telkenmale verandert ze van vorm.

Onze gedachte, dat wat wij weten en denken te weten, is als de vorm waarin wij het lood van onze verwachtingen, de poeders van ons denken samenvoegen. Onze gedachten zijn een vast beeld. Uit onze gedachten brengen wij nu het ene, dan het andere naar voren. En dit proces, deze actie, dit denken is het die inwerkt op de grauwe materie, die wij verwachtingen noemen of leven of mogelijk de basis van het bestaan. Maar wat kan er veranderen als er niet een kracht is, die de verandering mogelijk maakt?

In u leeft het lichtende vuur: de aldoordringende kracht. In u is een besef, dat tijd en werkelijkheid omvat. In u is het vermogen die kracht te richten op al wat u noodzakelijk vindt. Als uw wil is geworden tot een kracht in zichzelf, dan ontstaan de vlammen die in het kader van de gedachten, verzamelde verlangens en materiële onwezenlijkheden en verlangens doen smelten, doen veranderen, totdat eindelijk daaruit het goud van waarheid en leven is geboren.

Leven is niet alleen maar bestaan. Leven is kracht die tot uiting komt.

Maar de kracht blijft, ook als de uiting voorbijgaat. Waarom zou je dan die kracht niet nemen en haar gebruiken om tijdloze waarden te verankeren in wat je bent?

Ik heb hen zien gaan de mensen. Ik heb hen zien trekken langs de zee. Ik heb hen zien zoeken naar de geheimen die sedert de Grote Alexander verborgen leken te liggen in de rijke, groene valleien van Azië. En altijd weer zijn ze teleurgesteld teruggekomen. Ze hebben gezegd: Er zijn wonderen en rijkdom, maar er ontbreekt iets. En ze hebben gelachen als ik hun zei: Wat ontbreekt, ontbrak in jezelf.

Of je staat op de woeste kale bergen in de sneeuw, terwijl de storm beneden je het land geselt en het onweer om de top speelt of dat je staat in de rijkste valleien vol paleizen in een ver land, als je zelf geen inhoud eraan geeft, dan ontbreekt er altijd iets. Er ontbreekt het vuur waardoor dat alles wordt samengesmolten tot een nieuwe werkelijkheid, tot een besef en een kracht waaruit je verder kunt werken. Zij hebben gelachen. Want mensen lachen graag en vaak, omdat ze niet weten hoezeer de werkelijke lach een echo is van het licht dat je bent en van de eeuwigheid waaruit je leeft.

In de stilte van mijn studeervertrek heb ik nagedacht en geheimzinnige figuren getekend, die macht uitdrukken. Ik heb mijn gedachten uitgezonden naar de onbekende plaatsen van deze wereld. Ik ben opgestegen naar de hemelen, die men mij had beschreven. Illusie na illusie is verbrokkeld tot stof en wat er overbleef was de waarheid. De waarheid van een Steen der Wijzen, van een alomvattend weten. Daarmede ben ik gegaan naar de zaal waar ik mijn experimenten uitvoerde. Ik heb ze op de proef gesteld, één voor één. Ik heb gezien dat begeren alleen niet voldoende is. Willen zonder weten, bereikt weinig of niets. Weten zonder willen is alsof je iemand wilt voeden met de namen van gerechten. Maar als je weet en je wilt, deze twee tezamen, dan is er het vuur, dan is er de kracht die verdergaat dan het experiment zelf. Dan is er niet alleen meer de vlam die vuur geeft en warmte tot het vat gloeit, wit en helder. Dan is er de kracht van je wezen, die speelt met de kleine delen van de materie. Dan is er de kracht van je wil, die ze samenvoegt en doet kristalliseren op een nieuwe wijze. Dan is daarin het lichtende van de sulfer en het recht van de sulfer en de macht van de sulfer.

De sulfer. Als je ademt, dan is dat deel van de sulfer. Als je denkt, is dat deel van de sulfer. Als weten ontstaat, dan zet zich de sulfer af. Niets kan zijn zonder de kracht van het werkelijke eerste licht en het eerste vuur. Niets kan bestaan zonder de macht, die in je woont. De macht, die niet in de hemelen woont, maar die in jou woont en in alle dingen.

Er is geen hemel met licht. Er is een licht waaruit u een hemel kunt beseffen. Er is geen kracht, die de wereld schept. Maar er is de kracht, die kristalliseert in de gedachte en uit die gedachte wordt tot materie.

U gaat door het leven en u verandert. De hele wereld is een werkkamer waarin experiment na experiment wordt gedaan totdat het goud van weten en besef ontstaat. Ook bij u, bij uw dromen en uw gedachten, uw aanvaarden van een situatie, omdat het haast niet anders kan, uw worsteling tegen de netten waarin ge gevangen denkt te zijn, alles is deel van het experiment. En wanneer in u licht is, dan versmelt alles tot een nieuwe waarheid; dan bent u werkelijk vrij. Wij zijn niet ontstaan of voortgebracht om slaven te zijn.

In de nacht van Bethlehem zagen de mensen een ster stilstaan boven de grot van de geboorte. De mensen hebben uitgerekend dat dat de komeet van Halley moet zijn geweest of een andere komeet. Mensen hebben getracht het te verklaren en ze hebben één ding vergeten: Wanneer het heldere, het zuivere vuur van een ziel zich lichtend kristalliseert in de materie, dan zullen allen die gevoelig zijn voor dat licht het aanschouwen. Niet dat het het enige of het goddelijke Licht is, maar omdat het het licht is waarop het licht in jezelf antwoordt, omdat het de adem is geboren uit dezelfde zucht, die ook jou heeft geschapen.

Men heeft gezegd dat het kind van Bethlehem een bijzonder kind was. Maar leeft in ons allen dan niet dat licht? Men spreekt over de Christus als van één die ver weg en buiten u staat. Maar ik zeg u: het licht in ons is die Christus, het licht in ons is die macht, het licht in ons is het vermogen. En als Jezus uitgaat en stommen doet spreken, blinden doet zien, doven doet horen, lammen doet wandelen, dan is dat hetzelfde licht dat ook in u leeft, dat van hem uitgaat.

Ik heb op aarde mijn weg gezocht door de filosofie en het experiment. Ik heb in de sferen mijn weg gezocht door het licht en de illusie naar het licht, dat werkelijkheid begint te worden. En meer dan ooit besef ik: er is geen kracht en geen licht buiten ons. Wij zijn verbonden met de kracht en met het licht en met de werkelijkheid. Niets van de schijnvormen die ons omringen, kan de wezenlijkheid van het licht veranderen of weerstaan. Al wat komt, wordt veranderd in harmonie, wordt één klank en zuiver goud, wanneer het vuur en het licht in ons werkt. Wij zijn geen hulpelozen. Wij zijn geen dwazen dolend door een tuin geschapen door goden en geesten. Wij zijn niet de onderdanen van hemelse hiërarchieën. Wij zijn licht van licht, kracht van kracht, verschijningsvorm van de ene Werkelijkheid.

Hier zit u mensen. Hier is uw bewustzijn: licht. U kunt uw vragen, zelf beantwoorden. U kunt de waarheid zelf beter vinden. Uw vermogen is groter dan u denkt. Uw zoeken heeft zijn antwoord gevonden als u in uzelf kijkt. Zelfs de geheimen van de uiterste grenzen bestaan niet, indien u in uzelf zoekt naar licht. Uw dromen en uw gedachten zijn slechts de weerkaatsing van vuur dat door uw onbewust zijn heen uitstraalt op de onbelangrijkheid, die een mens vaak nog wereld noemt.

Waarom openen mensen hun ogen niet voor de werkelijkheid van licht? Waarom aarzelen mensen om de kracht te doen uitgaan die in hen leeft en de harmonie kenbaar te maken, die de basis is van hun bestaan? Waarom twijfelen mensen aan God en zichzelf, terwijl God in hen leeft en in henzelf werkelijkheid is? Niets is onmogelijk.

Indien ge de tijd wilt regeren, zult ge de tijd regeren, want de tijd is niets anders dan een schimmenspel. Maar het licht dat ge zijt, is waar. Indien ge de wereld wilt regeren in haar verschijnselen, zullen de verschijnselen u gehoorzamen. Zij zijn niets anders dan de vluchtige gedachten van één die voorbijgaat zonder te beseffen. Maar waar uw besef is, daar maakt ge waar. Waar uw licht is, kan geen duister bestaan.

Licht zijn wij en licht van licht. Kracht zijn wij en kracht van kracht. Er is geen hulpeloosheid. Er is geen noodzaak tot onwetendheid. Er is geen ondergang die dreigt en geen bereiking die moeizaam bevochten moet worden. Er is in ons de enige kracht die alle dingen regeert. In ons en door ons is de eerste Oorzaak en de eerste Kracht. In ons en door ons werkt de God Die geschapen heeft en de Christus Die begrijpend is. Wilt ge dan meer zijn en meer doen of wilt ge beseffen? Streef ernaar om onder de mensen groot te zijn en ge wordt klein. Streef ernaar om waarlijk uzelf te zijn en bewust van uzelf en ge versmelt met een totaliteit.

Om te bereiken met ge geloven in uw God en in uzelf als in uw God. Om te bereiken moet ge beseffen wie en wat ge zijt en wat het is dat ge wilt bereiken. Om waarheid te zien moet ge waar zijn. Om de krachten van de eeuwigheid te zien samenvloeien, ook in u, moet ge aanvaarden dat ge eeuwig zijt.

Menig uur heb ik doorgebracht zoekend naar wijsheid. Gestreefd heb ik naar het vinden van wijsheid elders en in mij was alles. Wat in mij is, is in u. Wat rond mij is en uit mij gaat, is in u en gaat van u uit. Er is geen verschil tussen u en mij, tussen God en mij en u, behalve dat ene het bewustzijn van het licht: de kennis de oorzaak van het licht.

De filosoof staat in de kamer met de vele deuren en de trap met de vele treden. Hij benoemt de treden en gluurt angstig achter de deuren en probeert de trap op te gaan. Maar de deuren zijn uit zijn denken geboren. De trap is slechts zijn constatering van eigen onvolledigheid en onvermogen. Zijn gaan is alleen maar een terugkeren tot wat hij reeds is. Hij stijgt niet; hij beseft slechts.

De magiër werkt in de beslotenheid. Hij tekent zijn diagrammen, stamelt zijn formules, incanteert en noemt de vreemde namen. En niets van wat hij doet en roept en zegt, is iets anders dan een verschijningsvorm van het licht dat hij al is. Licht is ook hij.

De mens gaat door het leven en hij beklaagt zich over het onrecht dat rond hem is en hij is zelf het onrecht, want hij kent het licht niet, hij aanvaardt de werkelijkheid niet, die hij is. Hij gaat door het leven en hij spreekt over de mysteriën van leven en dood. Maar hij is het mysterie van leven en dood. In hem is het licht van de eeuwigheid. En leven en dood zijn de verschijningsvorm van één en hetzelfde spel, van één en dezelfde kracht. Als ge die kracht vindt, kent ge de werkelijkheid. Wat moet ik u meer zeggen?

U denkt: was het maar zo, dat ik het licht kende. Maar u voelt dat het ergens waar zou kunnen zijn. Waarom gaat u dan niet een stap verder en leeft u een ogenblik de waarheid van het licht dat u nu vaag vermoedt en aanvoelt en aanvult met gedachten totdat het weer een wereld is geworden. Laat de wereld wegvallen en laat de kracht blijven.

Het gaat zo goed niet meer, zegt men. Is dat niet, omdat u het licht in uzelf ontkent?

Het zou anders moeten gaan, roept men uit. Is dat niet, omdat u onvoldoende beseft wat u bent, wat het licht in u is en dat uit het licht zich de werkelijkheid moet kristalliseren, nieuw geboren in de beperking van de gedachten door de vlam van het eeuwige licht? Gij zijt geen slaaf, mens, dan van uzelf. En als u een dwaas bent, is het uw eigen dwaasheid die voortkomt uit het verwerpen van wat u weet en innerlijk beseft.

Ik ben ongezond, zegt men. Maar is dat niet een disharmonie, de ontkenning van de kracht en de harmonie die in u woont? U kunt meer, u bent meer, u volbrengt meer, als u durft werken uit het goddelijk Licht dat in u woont, als u durft leven uit de goddelijke Kracht waarvan ook u deel bent en die in u bestaat. Niets kan de kosmos u weigeren, indien u het licht beseft, want het Licht kan het licht niet verwerpen.

Dit is alles wat ik u kan geven: wat woorden. Een poging u bewust te maken van iets wat in ons allen leeft. Beroep u op dat licht, dan zult u misschien beseffen wat ik trachtte te zeggen. Dan zult u misschien beseffen wat u kunt en wat geen ander voor u kan doen.

Laat de banden in het licht ontstaan, opdat geen tijd en vorm ze meer kunnen verbreken. En zo ge het niet beseft, moge het licht dat in mij is het licht dat in u is beroeren totdat het licht in u is ontwaakt en gij het erkent, zo wordende tot dat wat ge altijd zijt geweest.