Geestelijke aspecten berustend op relativiteit

18 april 1972

Relativiteit: Een kwestie dus, zoals u zich zult realiseren van betrekkelijkheden. Wanneer wij de mens zien, dan wordt zijn reageren niet bepaald door de uiteindelijke waarden, maar door de verschillen die tussen die waarden optreden en kenbaar zijn. Toestanden zelf, zullen hem over het algemeen niet activeren, wel veranderingen in die toestand. En daar zitten wij dus met een punt dat voor de bewustwording erg belangrijk is. Je kunt van een mens niet verwachten dat hij, geestelijk of stoffelijk reageert op de dingen die zijn. Voor geestelijke bewustwording, geestelijke ontwikkeling moet je dus je altijd weer baseren, niet op dat wat als axioma ergens staat, want dat beïnvloedt je niet werkelijk, maar op de verschijnselen, de variaties, de voortdurende wisselingen die daaruit voortkomen. Nu weten wij verder dat elke mens een bepaald psychisch effect vertoont. Wanneer wij geconfronteerd worden met waarden, die voor ons onaanvaardbaar zijn, of die wij onaangenaam vinden, dan hebben wij de neiging deze te verdringen.

Wij hebben een beperkt bewustzijn. Dit bewustzijn beperken wij zelf, aan de hand van onze voorkeuren, terwijl wij volgens het bewustzijn dat wij onszelf toestaan, proberen te reageren op de veranderingen die in onze omgeving plaatsvinden. Laten wij ons nu eens afvragen of deze betrekkelijkheid dan misschien ook geestelijk kan bestaan. Het is wel wonderlijk dat een mens, die een heilige vereert die, zoals later blijkt, nooit bestaan heeft, door die heilige kan worden geholpen en bijgestaan. Waar komt die bijstand vandaan? Wij kunnen er ons gemakkelijk van afmaken en zeggen: Ja dat is God. Maar ik geloof dat het een heel andere kwestie is. Wij maken verschil tussen de potentie, de mogelijkheid dus van de veronderstelde heilige, een fictief punt ergens, in een fictieve omschrijving en ons eigen wezen. En dit verschil zien wij als een vermogen waaruit wij kracht putten. Wij meten het verschil en dat verschil kunnen wij door ons eigen denken kennelijk vaak stellen. Hierdoor kunnen vele suggestieve inwerkingen verklaard worden.  Het is, bij wijze van spreken, krankzinnig dat iemand, alleen door suggestie van een zekere kwaal verlost kan worden en toch komt dat voor. Waarom? Doodeenvoudig alweer, omdat die mens niet reageert op feiten, maar op veronderstelde waarden en zijn eigen positie, ten aanzien van een veronderstelde waarde, gebruikt om voor zichzelf krachten uit de totaliteit te putten. En als je daar nu mee begint, dan ga je begrijpen waarom relativiteit een rol speelt. Een mens kent goed en kwaad. Maar wat is goed, wat is kwaad? U kunt erover bekvechten. Maar het is zeker dat datgene wat ééns goed werd genoemd, in deze tijd verkeerd wordt genoemd. En omgekeerd. Het is duidelijk dat het ook plaats vindt bij de interpretatie van de Tien Geboden. De manier waarop men eens: “Gij zult niet doden” zag, was betrokken op de eigen stam. Nu wil men het gebod betrekken op de gehele wereld en gelijktijdig ontkent men de noodzaak zichzelf aan dit gebod te onderwerpen. Het zijn dus krankzinnige zaken. Maar onze bewustwording komt voort uit deze schijnbaar chaotische warboel van interpretaties en feiten. Nu kan ik hier dus een heel uitgebreid betoog gaan houden over goed en kwaad en dergelijke, maar ik zou dit ter zijde willen stellen en u willen vragen of u misschien iets weet van wat men noemt: “De kringloop der ziel”. Dat is een stelling, zij is niet helemaal waar. Maar het is nu eenmaal een omschrijving van een bepaald iets dat in de werkelijkheid ook aanwezig is, omschrijving die onvolledig is en ten dele onjuist.

Daarbij stelt men het volgende: De menselijke ziel begeeft zich neerwaarts ter helle, stijgt van daaruit op tot de wereld. Gaat van daaruit verder tot het goddelijke, verliest in dit goddelijke zijn vermogen tot bewustzijn. Zoals mogelijk ook in een lagere sfeer, dus in het duister kan gebeuren, keert weer tot de menselijke wereld terug etc., Een kringloop die dus strookt onder andere met bepaalde vormen van reïncarnatieleer. Die kringloop op zichzelf, moet u maar niet te ernstig nemen. Dat merkt u zelf wel, als het zover is. Als u het merkt, kunt u er zich mee bezighouden, voor die tijd hebt u in de eerste plaats te maken met wat u nu bent en wat u nu kunt doen. Maar daaruit zou in ieder geval kunnen blijken dat er voor de mens mogelijkheden bestaan neer te dalen in het duister, en op te gaan uit het duister. Maar er zit iets anders aan verbonden. Het lijkt onontkoombaar dat het conflict dat wij met het duister veronderstellen, op een gegeven ogenblik niet bestaat, wanneer het duister onze natuurlijke bestemming is. Wanneer wij in een neerdalende lijn gaan, komen wij door het menselijk leven en wij gaan door het duister. Dat wil zeggen dat voor ons het verschil tussen licht en duister voortdurend uit eigen ervaring realiseerbaar is.  Wanneer ik alleen het licht ken, zegt het mij niets.  Wanneer ik alleen het duister ken is het ook nietszeggend. Op het ogenblik dat ik beiden afwisselend beleef, word ik wakker ten aanzien van de verschillende gradaties die daartussen bestaan en voor al de veranderingen die langs mijn weg, door het duister naar licht of vanuit het licht naar het duister, zich gaan afspelen. Het zijn deze veranderingen die in mij worden vastgelegd. Dat betekent dat de ervaring die wij opdoen, de bewustwording die wij doormaken, gebaseerd is op een voortdurend zich wijzigen van datgene wat wij zelf zijn. Onze inhoud moet zich wijzigen onze beleving moet zich wijzigen en daarbij moeten herinneringen, ten aanzien van het verleden, zoals verwachtingen ten aanzien van de toekomst, eveneens voortdurend in ons geuit zijn.

Wanneer nu een geestelijke kracht op deze wereld inwerkt, dan zal zij dat ongetwijfeld doen met een bepaald doel, met een zekere gerichtheid. Zij wil een zekere nieuwe tegenstelling misschien creëren, een onderscheid. Maar wat die geestelijke kracht doet, dat is het beïnvloeden van ons milieu, van ons verschijnsel.

Alleen wanneer wij in onszelf waarden dragen, waardoor die verschijnselen door ons worden erkend, kunnen zij voor ons een beleving betekenen en kan van daaruit dus inderdaad een bewustwording voortkomen.

Op het ogenblik dat een entiteit licht en duister afwisselend beleeft, wordt zijn bewustwording gestimuleerd. Maar hij beleeft niet afwisselend licht en duister, ik dacht dat hij opging naar een grotere bewustwording en dus naar intenser licht.

Dat is de voorstelling die wij heel vaak hebben en dat komt omdat wij geneigd zijn om vooruit te kijken en bovendien omdat wij licht (dat is het gevolg van de leringen die in de omgeving zijn ontstaan, ordermeer) associëren met het goede, met het Goddelijke, en het duister noodzakelijker wijze met het demonische, met de onderwereld. Dat hebben wij eigenlijk te danken aan verre voorouders die begonnen zijn om de zon als alomvattende godheid te vereren. Vanaf dat ogenblik was licht goed en wat het licht bestreed, of waar het licht afwezig was, was minder goed dus kwaad. Daarom hadden die voorouders later nog een tweede godheid, die een tijd lang zelfs de belangrijkste is geweest. Het was de maan, want die maan die gaf licht in het duister en die was nog veel belangrijker dan de zon, want de zon gaf alleen licht overdag, wanneer het toch dag was. Zo eenvoudig dachten de mensen toen nog. Maar deze concepten die dus een tienduizend jaar oud zijn, die hebben nog steeds invloed op uw denken.  Maar weet u wel of u naar licht toegaat? In feite niet. U streeft naar een steeds hoger licht, maar is uw bewustzijn identiek met licht?  Er bestaat een uitspraak en die is ook bijna tweeduizend jaar oud: “Ik zal, in het hoogste licht, duisternis zijn wanneer er geen licht in mij is. En het diepste duister zal mij geen duisternis zijn wanneer het licht in mij leeft. Het is het licht in mij dat bepalend is, niet wat buiten mij kenbaar is.”

Ik geloof dat u daarmee het antwoord hebt. Wij kunnen in onszelf een bewustzijn krijgen waardoor wij niet meer door de buitenwereld beïnvloed worden, maar vanuit onszelf die buitenwereld zien in haar mogelijkheden, dan wordt die buitenwereld een soort verlengstuk van onszelf. Dat betekent egocentrisme, inderdaad, maar het is geen egoïsme want wij identificeren het met datgene wat buiten ons bestaat. En dan gaan wij langzaam maar zeker het geheel omvatten: Licht en duister zijn niet meer van belang. Ik wil nog een tweede citaat erbij halen: ” Toen de Schepper zei: Het worde licht, schiep Hij het duister. Want zie het licht kan niet bestaan zonder duister, het duister bestaat slechts indien er licht is. Zonder licht is er niets, zonder duister is het licht niet kenbaar.”

Is dit voldoende? Want daarmee heb ik ook alweer gezegd: Het is dus eigenlijk erg relatief. Licht en duister in onze bewustwording en onze bestrevingen, zijn termen die wij gebruiken. Maar wij zijn geneigd die termen met concrete waarden te associëren en daar maken wij een fout, wij maken er een axioma van. U weet wat een axioma, is? Het is een grondstelling die wij onbewezen aannemen op grond van het feit dat al hetgeen wij weten, de juistheid van de stelling schijnt te bevestigen. Daarom onderzoeken wij de stelling niet verder, daar zij nu eenmaal een axioma is. Dat axiomatisch denken dat zijn nu eenmaal van die dingen waarmee je voorzichtig moet zijn. Er zijn geen absolute waarden, die door het menselijk bewustzijn kunnen worden gesteld. Al datgene wat het menselijk bewustzijn stelt, is een relatieve waarde, die in haar wezen, een voortdurende mogelijkheid tot verandering, uitbreiding, inhoudt, terwijl gelijktijdig elke stelling een antithese ten gevolge heeft, welke eveneens voor verandering en uitbreiding vatbaar is. Je zit dus nooit met een vaste waarheid. Dat is ellendig voor een mens, die wil graag zekerheid hebben. Maar de grootste zekerheid die de mens kan krijgen, is het besef dat zijn eigen onzekerheid in balans wordt gehouden door het totaal van de kosmische evenwichtigheid. Een mooie uitspraak niet? Maar als u erover nadenkt, betekent het toch wat hoor.

Nu gaan wij weer wat verder. Kijk eens, als u naar uw wereld kijkt, dan weet u dat op het ogenblik bv. de mens zegt dat er vrede is. Maar het is een zeer relatieve vrede, want deze vrede is niet gebaseerd op eenheid en samenwerking, maar doodgewoon uit angst voor ernstige conflicten. Dus: angst brengt vrede. Maar vrede die uit angst geboren is, berust op een innerlijke onvrede. Er zijn mensen die zeggen: Wij strijden voor vrijheid en om die vrijheid te handhaven, benemen zij anderen de vrijheid te leven zoals zij zelf willen en denken. Met andere woorden: De vrijheid die deze wereld kent, is altijd gebaseerd op de onvrijheid van anderen. Daar heeft u weer die relativiteit, ook van vrijheid, vrij zijn. Men spreekt over recht op deze wereld in vele vormen. Denk eens aan juridisch recht en als je nu goed kijkt dan blijkt dat dit recht altijd krom is. Dan blijkt ook dat voortdurend mensen bezig zijn om die kromme eruit te halen. Dat zijn diegenen die zich benadeeld voelen door de kromming die in het recht bestaat. En die proberen daarom een ombuiging naar hun eigen voordeel tot stand te brengen. En de balans tussen deze beide, schept een reële rechtsmogelijkheid, die echter dan alleen reëel is. Let wel: wanneer op een gegeven ogenblik, de krachten die aan beide zijden ten eigen voordele streven, gelijk zijn. Wel erg relatief hé? Uw hele wereld eigenlijk!

Uw godsdienst bv. Wij zeggen: God is werkelijk, maar hoe werkelijk is die God dan? Wat brengt die God tot stand? Dan kunnen wij zeggen: Ja, de hele schepping, dat is mooi, maar dat kunnen wij niet bewijzen. Wij kunnen ook zeggen: Er is geen God? Maar hoe kunnen wij dan de wetmatigheden in het heelal verklaren? De God waarover velen spreken, is er kennelijk niet. Maar het bestaan ontkennen van alle regulerende machten en krachten in het Al is even kennelijk vanuit menselijk standpunt, nog onredelijker. Er is, iets! Op het ogenblik dat wij God gaan dienen, dan gaan wij ons verbinden aan een bepaalde voorstelling. Maar deze voorstelling impliceert verwerping van een deel van het leven. Een afwijzing dus van het deel van de mogelijkheden en ervaringen die tot die schepping behoren. Eenzijdigheid. Wij verwerpen, omwille vaak van allerhande mystieke mogelijkheden en belevingen, een groot gedeelte van de stoffelijke mogelijkheden en belevingen. En er zijn mensen die het andersom doen. Die zeggen: Er is toch geen God en dood is dood, dus laten wij nu alleen maar doen wat wij zelf voelen dat goed is. Deze ontnemen zichzelf daarbij heel vaak de mogelijkheid tot de meer mystieke beleving en de meer mystieke eenheid. Overal relatieven, relatieve verhoudingen. Het is niet allemaal concreet, om met zekerheid uit te drukken. Maar in onszelf bestaat wel degelijk een zekerheid, want wanneer ik u zeg dat goed en kwaad waarden zijn die voortdurend veranderen, dan kan dat voor het geheel van de wereld kloppen, voor uzelf klopt het niet. Wanneer ik zeg dat God een onbekende kracht is, dan heb ik gelijk. Maar voor uzelf is een bepaald begrip of een uiting daarvan kenbaar, dat is zuiver persoonlijk. Onze geestelijke bewustwording is niet gebaseerd op allerhand feiten en wetten. Onze geestelijke bewustwording is juist gebaseerd op onze persoonlijke reactie op datgene dat rond ons bestaat, zoveel mogelijk met uitsluiting van regels en wetten. Dat klinkt een beetje vreemd, maar de mens houdt nu eenmaal van het samenvoegen van alles in een bepaald kader. Maar dat kun je toch eigenlijk niet doen. Je kunt toch ook niet van je medemensen vragen dat zij leven zoals jij meent dat het goed is. Dan zou je hen kunnen dwingen om zo te leven dat het voor henzelf verkeerd is. Denk nu maar aan die heel goed bedoelende missionaris, die de negertjes begon te voorzien van  “Jaeger ondergoed”. Zonder er rekening mee te houden dat zij overgevoelig waren voor sommige vezels en dat , met die transpiratie samen, een enorme uitbarsting van eczema, ten gevolge had. Die man bedoelde het wel goed, maar hij vroeg zich niet af wat is goed voor die anderen, hij dacht wat is goed voor mij? Of beter: volgens mij? En zo vragen wij ons ook vaak af: Wat is het hogere Licht, wat is onze eigen bewustwording? En dan geven wij ons eigen beeld. Dat beeld kan voor ons waar zijn, maar het zal zich voortdurend veranderen. En dat is ook precies hetzelfde ten aanzien van onze eigen waardigheid, onze eigen kracht. Hoe willen wij bepalen wat wij zijn?  Wij kunnen zeggen: Ja, ik kan meer, ik weet meer, of ik ben meer geïnspireerd dan een ander.  Zeker dat kan op dit ogenblik waar zijn, maar wie zegt u dat het morgen nog zo is?  Morgen kan het totaal anders liggen en dan moet u openstaan voor het feit dat die mogelijkheid er is, dat u leert uit de tegenstelling. Je moet je niet verzetten tegen de verandering.  Je moet ook niet proberen jezelf dan maar te veranderen zoals de wereld. Je moet jezelf zijn en accepteren dat de wereld, en dan ook de verhouding tussen u en de wereld, verandert. Want dat zijn de ervaringen die je opdoet, dat zijn de ervaringen die je overbrengt naar de geest.

Nu nog een leuk punt: het is nog veel vager ergens, maar misschien gelijktijdig toch iets praktischer. Want weet u, wij kunnen natuurlijk zoveel filosoferen als wij maar willen, maar de basis van filosofie is, zo vreemd als het ook moge klinken: niet een opeenstapeling van denkbeelden. Maar de wereld van feiten die wij, vanuit onze filosofische veronderstelling interpreteren, zodat het experiment in de werkelijkheid mogelijk wordt. En dat geldt voor onze geestelijke krachten zo goed als voor andere dingen. Dat geldt voor onze bewustwording. Wanneer u op dit ogenblik zegt: Het hele leven kan mij niets meer schelen, er zijn mensen die dat denken, ik geef er niet om, was ik maar dood. Dan moet u zich ook eens even afvragen of u dan in dat leven misschien ergens een verkeerde weg bent ingeslagen. Want nu kunt u wel zeggen: De wereld doet mij dit aan, maar je moet je ook afvragen: wat doe ik de wereld aan? Niet in de zin van: De fouten tegen mij begaan zijn veel groter dan de kleine die ik beging, nee want het zijn mijn fouten. Hoe moet ik veranderen? Niet je afvragen hoe kan ik een bepaalde relatie of verhouding stabiliseren, of hoe kan ik het verleden terugvinden? Maar u voortdurend afvragen hoe kan ik verdergaan, en zonder daarbij tekort te schieten ten aanzien van hetgeen ikzelf als juist ervaar? Dat is het juiste. De relatie met de wereld aanvaarden en, vanuit jezelf streven. Hoe dan ook, naar een aanvaarding van een bestaande situatie en de ontplooiingen daarvan voor het “ik” in aanvaardbare en gunstige zin. En in geestelijke waarde uitgedrukt, komt het ongeveer hierop neer: Ik ben dom (nou als je dat zegt geloof je het zelf nooit hoor), er zijn zoveel dingen die zich aan mij onttrekken. Moet ik dan kijken naar de formulering van die dingen, of moet ik kijken naar de feiten? Het is mij opgevallen dat sommige mensen, die regelmatig op het land werken, het weer veel beter voorspellen dan de meteriologen. Alleen weten zij niet precies hoe zij het doen, maar zij doen het goed. Dan zou ik zeggen: Deze mensen zijn uiteindelijk betere weervoorspellers dan de wetenschapsmensen. Vreemd? Nee, helemaal niet.  Ik heb in mijzelf een zekere gevoeligheid, wanneer die gevoeligheid mij duidelijk maakt wat ik kan zijn, wat ik kan doen op een bepaald ogenblik, wat de omstandigheden zijn voor mij op een bepaald ogenblik, dan moet ik daaruit de consequentie trekken. Dan moet ik niet eerst vragen naar een goedkeuring van anderen, of een mooie omschrijving, of het geestelijk hoog aanvaardbaar maken van die dingen, dan moet ik het zijn, dan moet ik het doen. Filosofie moet worden omgezet in het experiment, maar het experiment is niet gebaseerd op hoogdravende stellingen. Het is gebaseerd op de feiten van het leven en de feiten van het leven omvatten, ook voor u, mede geestelijke krachten, geestelijke waarden, invloeden vanuit de kosmos. Wij weten bv. dat heel veel mensen op het ogenblik zich niet meer helemaal kunnen oriënteren in de situatie waarin zij verkeren. Zij willen het één niet, maar het andere zouden zij toch eigenlijk ook niet willen. De vraag is: wat moet ik zijn, wat moet ik doen?  Want ik sta hier dus met een tegenstelling. Er zijn veranderingen, uit die verandering kan ik bewust worden, kan ik leren, maar dan moet ik ook stelling kiezen. Ik moet bepalen wat juist is. Ik kan zeggen dat ik wijs ben en misschien een grote domoor zijn. Ik kan zeggen dat ik een domoor ben en misschien ergens erg wijs zijn, maar het feit is niet of ik wijs of dom ben, het feit is: Ik moet met datgene dat er is, zo leven dat ik voortdurend de waarde van dit ogenblik kan aanvaarden en voortdurend daaruit het volgens mij goede voorbereiden voor de toekomst.

Met geestelijke krachten is het ook precies zo. Er is op het ogenblik een vreemde golf aan de gang. De Witte Broederschap heeft namelijk een heel gek besluit genomen. Zij hebben gezegd: Wij hebben nu zoveel inwijdingsprocedures gebruikt en willen het nu uiteindelijk toch maar eens anders gaan doen. Wij gaan doodgewoon kijken of wij iemand over kunnen nemen, niet dus een medium. Maar gewoon iemand een tijdlang zodanig omvatten en inspireren dat die hele persoonlijkheid verandert in de persoonlijkheid van een hoger werven. Dat zou de persoon zelf nooit kunnen weten. Je zou nooit kunnen zeggen: Nu ben ik een hoger wezen. Maar op die manier is het mogelijk bepaalde kosmische wijsheden in vele verschillende vormen stoffelijk uit te drukken. De Witte Broederschap denkt: Er is op het ogenblik een grote tendens van verscherpte tegenstellingen, er is een vergrote hartstochtelijkheid in ontwikkelingen. Als die dingen samenkomen met verkondigingen van waarheden, waar de mens kan in opgaan, dan zullen er daaruit wel spontane inwijdingen ontstaan. Ik weet natuurlijk niet of het waar is dat het zo zal gebeuren, maar als deskundigen dat beweren en ik het tegendeel niet kan aantonen, moet ik althans de mogelijkheid aannemen nietwaar? Nu, dan zeg ik dus: Als dit geldt voor inwijding, moet dit gelden voor elk vermogen, voor elke geestelijke kracht. Het is eigenlijk heel eenvoudig.  Wanneer ik de mogelijkheid accepteer voor één ding, moet ik het voor alles, in dezelfde categorie, eveneens aanvaarden. Tenzij het uitdrukkelijk bewijs voor onmogelijkheid, ten aanzien van een deel van de categorie, bestaat. Op grond daarvan moet ik dan de waarschijnlijkheid voor de rest van de categorie verminderen. Dus: Als ik ontdek dat alle apen op een gegeven ogenblik een beperkt herinneringsvermogen hebben, dan kan ik zeggen: Maar er zullen wel apen zijn die wel een volledig herinneringsvermogen hebben, zoals de mens. Maar wanneer nu vijftig apensoorten dat niet hebben en er zijn er nog vijftig die ik moet onderzoeken, dan moet ik aannemen dat de kans dat die bewuste aap er is, heel klein is, de waarschijnlijkheid wordt minder. Zolang als ik over de aap, als een hele categorie, een stelling heb, waarvan het tegendeel niet bewezen is, kan ik dus aannemen dat er iets inzit, dat ik ermee vooruit kan komen. En zoals ik dat nu heb gezegd, zo geldt dat nu voor uw innerlijke kracht. Als ik zo-even de zaal inkijk, dan zie ik hier overal mogelijkheden. Er zijn mensen die bepaalde krachten hebben, er zijn mensen bij die absoluut voldoende gevoeligheid hebben om dingen waar te nemen die aan de normale mens ontgaan. Dan spreken wij niet over bijzondere helderziendheid enz., maar gewoon gevoeligheid. Ik zie dit. Potentieel is het dus mogelijk, want de kracht die er voor nodig is, bestaat. Dan vraag ik mij af: Waarom niet? Misschien omdat de mens niet bereid is een tegenstelling ten aanzien van zijn stoffelijke wereld te aanvaarden, die even variabel, eigenlijk even onberekenbaar ergens is, als zijn eigen stoffelijke wereld. Hij projecteert een vastheid waar die niet is, maar wanneer ik zeg: Die waarde hier boven mij is één vaste wet, dan zeg ik voor mijzelf: Ik ben gebonden aan één vaste wet, ook waar ik nu sta, en daartussenin kan niets bestaan. De wet en de wet. Maar als ik zeg: Hier is het proces van verandering, van ontdekking, van bewustwording, dan moet ik zeggen: En hier is ook het proces van verandering, van ontdekking en bewustwording. Dan moet ik de geestelijke kracht in de wereld brengen, dan moet ik de krachten uit de wereld gebruiken om daar de geestelijke kracht als het ware, voor mijzelf, mee manifest te maken. Dit noemt men wel eens mystiek hé?

Weet u, mystiek zouden wij misschien het beste zo kunnen omschrijven: Nooit je dorp verlaten en toch in de geest de hele wereld kennen. Dat is mystiek. En als die mystiek goed is, dan is de landkaart die je maakt van de hele wereld redelijk juist, niet volledig, maar redelijk. Op dezelfde manier kun je zeggen: Wanneer ik in mijzelf een geestelijke wereld veronderstel en ik ga die wereld vullen met demonen en dergelijke, dan zal ik mij richten op de duistere krachten, op de voor mij onaanvaardbare krachten in de kosmos, maar ik zal ze ook zelf activeren. Ik ga mij richten op de hogere krachten en dan zullen zij zich niet altijd zo uiten als ik mij dat voorstel, maar wanneer ik mij daarop richt en, vanuit mijn leven dus, daarin iets probeer te bereiken, dan is er een echo, dan is er een wisselwerking. Het bekende echo-kamer-effect zit zo: Je staat hier in het midden, rond je is de wereld. Het werkelijk gebeuren voor jezelf is er het uitzenden van het signaal, mijn denken gaat naar de werkelijkheid. De werkelijkheid beantwoordt datgene wat door mijn denken dus is gestimuleerd, beantwoordt in die wereld voor mij. Ik selecteer, door wat ik ben, uit de wereld wat de wereld voor mij is. Dat is die echo stelling. En met die echo stelling zit het geestelijk nu precies hetzelfde. Wanneer ik de geest afwijs, wijst de geest mij af. Wanneer ik de geest dus op de een of andere manier afwijs, dan kan die geest zich niet manifesteren. Wanneer ik aan die geest eisen stel, dus bepaalde verschijnselen in het bijzonder verlang, die in wezen voor mijzelf onaanvaardbaar zijn, die behoren tot het ongeloofwaardige, waar ik alleen op durf hopen, dan is de kans niet heel groot dat ik een positief antwoord krijg. Maar als ik in mijzelf iets ken in de wereld, geestelijk of stoffelijk, dit met zekerheid erken en het is in die wereld aanwezig, keert het met zekerheid tot mij terug.  Wat ik dus in mijzelf volledig naar de wereld zend, maakt de wereld voor mij waar, want zo beleef je het. En dat geldt geestelijk ook. U heeft hier allerhande krachten, allerhande potenties, goed, maar wat doet u ermee? Ja, de meesten zeggen: Ach ik zou graag willen zien, horen, genezen, enfin u kent het. Maar wanneer ik zeg: Ik zou graag willen, dan zegt u dus: ik kan niet. Vergeet dat niet. U ontkent dus tegenover de wereld dat het kan. Dan is het toch logisch dat die wereld u alleen op dezelfde manier kan antwoorden. Het betekent niet dat het niet bestaat, het betekent alleen dat u voor uzelf, door de weifeling die u in uzelf draagt het onmogelijk maakt. Het is allemaal zo erg relatief eigenlijk. Een mens is misschien in staat om de hoogste toppen van bewustzijn te bereiken en hij blijft misschien steken in zijn eigen trots, dat komt voor. Want die mens zegt dan: Ja maar ik moet gelden en hij zegt niet: Ik moet de kosmos laten gelden. En doordat hij zegt: Ik moet gelden, brengt hij alleen wat met hemzelf, of met haarzelf, in verband staat uit die wereld terug. Zeggen wij: De kosmos moet gelden, dan kan de hele kosmos tot ons terugkeren, zover de mogelijkheid tot harmonie in onszelf aanwezig is. En daar hebben wij dus ook weer een belangrijk punt. De mogelijkheden, die voor de mens bestaan, zijn nimmer vastgelegd het zijn variabelen die bepaald worden door de beleving van de mens plus de relatie die hij voor zichzelf voortdurend stelt, ten aanzien van de kosmos.

Dan gaan wij over naar het laatste deel van mijn betoog: Wij hebben het gehad over geestelijke stromingen, invloeden uit de kosmos. Nu moet u eens luisteren: Wanneer wij bv. zeggen dat een bepaalde straal de aarde gaat beroeren, dan is dit geen reële straal, het is een kracht die wij, als zodanig, verbeelden.  Wanneer wij die straal als een vaste waarde stellen, dan stellen wij de gevolgen van die straal als onveranderlijk. Wanneer wij de straalt stellen als een beeld voor een relatie, zonder die relatie verder helemaal te bepalen, dan is het effect van die straal iets wat door ons mede bepaald wordt. Laten wij het voorbeeld nemen van deze tijd: Sterke rode invloed: deze staat over ’t algemeen voor strijd, strijdlust, moed, ook edelmoedigheid, bepaalde hartstocht-aspecten enz.. In zijn negatieve vorm staat deze over ’t algemeen voor verwarring, tweespalt in jezelf, vaak ook voor aantasting van de gezondheid door eigen schuld en dat soort dingen.  Wanneer wij nu zeggen: Die invloed is er, dan kunt u gaan zeggen: Dus zijn wij daaraan onderworpen. Neen! U bent daaraan niet onderworpen, tenzij u zichzelf daaraan zonder meer onderdanig maakt. Maar wanneer u, vanuit uzelf, iets ziet in de wereld, iets waar wilt maken in de wereld, dan zal het geheel van de invloed die op u afkomt, in overeenstemming daarmee, voor u functioneren. Wanneer wij astrologisch redeneren, dan kunnen wij dus zeggen bv. er is een aardige Saturnus-invloed op komst en wij moeten bovendien nog rekenen met een paar eigenaardigheden van die oude Neptunus. Ja, dat is inderdaad waar, maar die krachten die bepalen de verhouding op uw wereld. Maar bepalen niet voor u de verhouding en de beleving. Die bepaalt u, door de wijze waarop u reageert op uw wereld. De verandering op zichzelf is een stimulans, ook een verandering in geestelijk klimaat, in omstandigheden. Maar uw reactie daarop bepaalt wat het voor u betekent in de wereld. En daarmee heb je, geloof ik, een hoofdpunt van dit hele geestelijke leven en die interpretatiemogelijkheden en noodzaak, die wij hebben, wel bereikt.

Misschien mag ik proberen het wat scherp te formuleren, dan kunt u er eens over nadenken: Ik reageer niet op feiten, maar alleen op zich wijzigende feiten. Ik reageer niet op vast bestaande geestelijke invloeden, maar slechts op zich wijzigende geestelijke invloeden. Mijn bewustzijn is dus een bewustzijn van verandering. Het geheel van mijn wezen kan, in de verandering bepaalde, voor het “ik”, harmonische waarden selecteren. Op grond van deze selectie zal de invloed van de wereld op ons wederom kenbaar worden. Wij maken ons leven uit het bestaande, door een selectie van voor ons geldende krachten uit de veelheid van mogelijkheden. Geestelijk doen wij precies hetzelfde als in het voorgaande stoffelijk werd gesteld. Wij worden voortdurend omringd door een totaliteit van geestelijke mogelijkheden en invloeden, maar door onze eigen instelling selecteren wij die krachten die zich aan ons openbaren, die mogelijkheden die in ons werkelijk worden, zelfs de geestelijke invloed die wij zullen ondergaan.  Begrijpende dat het geheel van de buiten mij schijnbaar aanwezige zekerheden en vaste waarden, in wezen slechts, beperkt zéér sterk tijdgebonden en, in waardebepaling, bovendien zeer relatief uitgedrukt is, moet ik stellen: In de eerste plaats moet ik een harmonie zoeken met mijn wereld op een wijze die in overeenstemming is met de feiten van dit ogenblik.

In de tweede plaats moet ik, op grond van mijn innerlijk aanvoelen of geloven, op dezelfde wijze contact zoeken met de geestelijke waarden of krachten. Ik behoef deze niet noodzakelijkerwijze te personifiëren, ik kan dit doen mits ik geen eigenschappen daaraan verbind, die beperkend zouden zijn voor de uiting. Ik zal dan het geheel ontvangen, uit de totaliteit, wat voor mij nodig is. Mijn beeld van de wereld zal zich aanpassen aan datgene dat ik ben, en op grond van deze harmonie, zal ik een steeds groter gedeelte van de kosmos als deel van mijzelf kunnen gaan beschouwen. De strijdigheden, die ik eens buiten mijzelf vermoedde, blijken grotendeels dan innerlijke problemen te zijn, die oplosbaar zijn wanneer ik mijn “ik” niet als een beeld stel, maar als basis van beleving.  Ik hoop dat ik u hiermee een dienst heb bewezen, u hebt dan enkele grondpunten waarvan u verder kunt uitgaan.

De geestelijke beleving van een mens is vaak voor hem gebonden, zoals u weet. Het is zelfs mogelijk om hierop een zekere kracht te ontwikkelen en die wordt dan door helderzienden waargenomen. Wat u waarneemt, is niet datgene wat hier volledig aanwezig is, het is dat deel van het aanwezige waarmee u harmonisch bent. Uw waarneming is niet volledig, uw beoordeling zal dus nimmer volledig juist zijn. Maar op grond van uw waarneming, kunt u wel voor uzelf volledig juist reageren, daar immers uw reactie dan gebaseerd is op datgene waarmee u harmonisch bent.

Ik heb hiermee eigenlijk mijn grondbetoog afgemaakt. Heeft u ten aanzien van dit punt, op dit moment, vragen dan kunt u ze dus rustig stellen. Zoniet heb ik nog een paar secundaire aspecten van het geheel waarover ik nog verder zou willen spreken.

U heeft gezegd: Ik moet zo leven dat ik het voor mij goed heb voorbereid voor de toekomst. Dat is een beetje in tegenspraak met wat wij altijd hebben gehoord: Je moet in het heden leven.

U leeft in het heden, maar het heden is voor u slechts gebaseerd op uw erkenning van het verleden en uw verwachting voor de toekomst.  Dat is nu eenmaal psychologisch voor de mens de enig juiste manier.  Je kunt niet het verleden elke ogenblik helemaal uitwissen en daarom dus alle verwachting voor de toekomst  eveneens volledig uitschakelen.  Je kunt zelfs niet als mens zeggen: Ik doe alleen vandaag wat vandaag nodig is, want de noodzaken van vandaag worden vaak bepaald door de verwachtingen of behoeften van morgen.  Maar wanneer ik vandaag dus werk, dan bereid ik wel iets voor,  voor morgen, maar dan moet ik dat doen zoals ik het vandaag juist voel.  Niet zoals het morgen misschien juist zal zijn, zoals ik het vandaag juist voel.   Daarop moet mijn reactie en mijn werk gebaseerd zijn.

Broeder, u zegt: De waarneming hangt af van de innerlijke harmonie.  Kan men met alles harmonisch zijn, of is men beperkt in zijn wezen in harmonie?

Theoretisch kun je natuurlijk ook op aarde, met de gehele kosmos, harmonisch zijn. Praktisch moeten wij slechts constateren dat het voor zeer weinigen, in de hele historie van de mensheid, en wat dat betreft van alle met de mens vergelijkbare bewustzijnsvormen in de kosmos, is voorgekomen. Ik ben dus persoonlijk geneigd om te stellen dat een zeer grote harmonie met het Al wel bereikbaar is, maar dat deze over het algemeen beperkt wordt door de “ik voorstelling” die men op aarde, in de materie waar men ook is, dus zo sterk  aankleeft dat daardoor een verwerping van een deel van de kosmos bijna onvermijdelijk wordt. In wezen is er dus geen beperking, maar je kunt natuurlijk zeggen: Waanzin betekent niet dat je iets werkelijk beleeft.

Maar voor de waanzinnige is de waan zijn werkelijkheid, anders zou hij geen waanzinnige zijn. En op dezelfde manier kun je zeggen: Mens zijn, dat impliceert ergens de voorstelling van “mens” in je dragen, een definitie van jezelf in menselijke zin.

Dat betekent een beperking van alles, wat je voor jezelf aanvaardbaar acht en wat je mogelijk acht en daardoor zul je dus een deel van de kosmos verwerpen. Je kunt proberen, op grond van wat je nu bent en van wat je nu in jezelf erkent, die beperkingen steeds meer af te wijzen, ze dus te zien als ogenblikkelijk verschijnsel dat de toekomst niet bepaalt en dan ontstaat een uitbreiding van de geestelijke beleving.  En door die uitbreiding ontstaat, mijn inziens, ook een grotere harmonie.

De veranderingen, waarvan wij nu gesproken hebben, zijn in feite maar realiseerbaar of ervaarbaar, als wij dit kunnen afwegen ten opzichte van een referentiepunt, nu weten wij dat er geen referentiepunt in het geheel bestaat. Er is geen absoluut referentiepunt.

Of moeten wij het in de tijd zien?

In de tijd ook niet. Het referentiepunt voor ons is het totaal van onze beleving en ervaring.  Wij refereren, of wij willen of niet, alles aan onszelf. En ook aan onze voorstelling, en aan onze illusies, onze idealen, onze waan. En nu zul je vragen wat het verschil is tussen een illusie, een waan en een ideaal?  Het zijn alle drie vormen van droom, van onwerkelijkheid, het is werkelijkheid die geprojecteerd wordt. Dus, je hebt jezelf als punt van referentie en voor jezelf geldt geloof ik dit: Ten aanzien van harmonische ontwikkelingen, geestelijke ontplooiingen,  geestelijke belevingen, geldt voor het “ik” het volgende criterium:

Het geluk dat ik vind, betekent ontplooiing in goede zin, het ongeluk dat ik ervaar, is voor mij een bewijs van disharmonie, tussen datgene wat ik veroorzaak en datgene wat ik ben. Ik moet dan mijzelf dus weten te veranderen, opdat ik die harmonie herstel.

Nu zal ik nog kort even de secundaire punten noemen,  anders lijkt mijn betoog mij onvolledig.

Geestelijke beleving, hoe relatief ook, hoe weinig punten van referentie, buiten jezelf ook, is toch altijd gebaseerd op datgene wat er in de kosmos bestaat.

Anders gezegd: Wij zijn gebonden aan een werkelijkheid. Een werkelijkheid die wij niet beseffen, die wij zelfs niet volledig kunnen concipiëren, maar die ons dan toch beperkt in onze mogelijkheden. Wij zijn dus niet onbeperkt. Het begrip van deze onbeperktheid houdt, vreemd genoeg in, ons deel zijn van de oneindigheid, omdat wij, door de beperktheid van ons eigen wezen, de perfecte aanvulling van differente wezens kunnen vormen, zodat wij gezamenlijk het onbeperkte uitbeelden. Wij kunnen nooit zelf het absolute bereiken, wij kunnen het alleen bereiken in samenhang met anderen. Dat is het eerste punt.

Het tweede punt is misschien nog veel eenvoudiger. Daar de meeste mensen uitgaan van een bepaald denkbeeld, een bepaald ideaal, is het goed te beseffen, dat een ideaal nimmer bepaald wordt door zijn formulering, maar door zijn uitwerking.  Een ideaal kan theoretisch volledig goed zijn en gelijktijdig praktisch het tegendeel van het goede tot stand brengen. Wij moeten ons daarom richten op het praktisch goede, niet op het theoretisch of idealistisch goede. Door dit te doen maken wij, voor onszelf, een reëler en bewuster leven in de materie, of maatschappij mogelijk. Wij krijgen een grotere veelzijdigheid en door die veelzijdigheid, in onszelf, een ruimere scala van belevingen en reactiemogelijkheden, zodat de kosmos meer in ons gaat spreken.

Het derde punt is nog veel eenvoudiger: Zolang je beroept op de geest om datgene te doen wat je zelf kunt doen, werp je je in feite op een projectie, omdat de werkelijkheid onaanvaardbaar is. Het is beter met projecties te werken dan niet.  Maar het is beter de beperktheid van hetgeen je boven je projecteert als een levende en voor jou ingrijpende kracht te beseffen. Zodat je op den duur de werking en daarmee de bewuste beleving als basis ervaart en niet de stelling van waaruit volgens jou die krachten oorspronkelijk zijn gekomen. Als je zegt: God doet een wonder, dan is dat aanvaardbaar om een wonder te verklaren. Maar dan moet je ook zeggen: Het wonder is in zichzelf verklaarbaar. En als ik begrijp wat het wonder tot stand brengt, zal ik het wonder ook kunnen doen. Al datgene dat ooit met geestelijke krachten mogelijk is geweest, is dit vandaag aan de dag nog. Want de mogelijkheden zijn niet veranderd, slechts de mens heeft zijn besef van mogelijkheden veranderd en heeft zich sterker gebonden aan allerhande grondstellingen en leerstellingen die, niet bewijsbaar, gelijktijdig toch zijn relatie met de kosmos beperken. Verwerp niet alle leerstellingen zonder meer, maar probeer elke beperking van uw contact met het kosmische daardoor voor uzelf te beseffen, dan zult u het als vanzelf ook verwerpen.