Geestelijke aspecten van de inwijding

1 juli 1960

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar, daarom verwachten wij van u dat u ook zelfstandig nadenkt. Het onderwerp voor vanavond zal voor sommigen van u misschien wat moeilijk zijn. Gaarne zou ik u iets willen vertellen over de geestelijke kant van de inwijding, waarbij de aandacht vooral zal vallen op de geestelijke belevingen, zoals die in de sferen mogelijk zijn.

Elke inwijding betekent in zich gelijktijdig een vereenzaming, een erkenning en een bereiking. Juist wanneer wij het leven van de geest hierbij willen betrekken, zal ons al zeer snel blijken, dat de aspecten van een inwijding, zoals wij die in de stof kennen, in geestelijke werelden een geheel ander aanzien plegen te hebben. Het is voor ons eenvoudig de verschillen scherp te stellen, omdat naast de vormen, die u van inwijdingen in de stof kent, ook in de sferen bepaalde inwijdingen bestaan.

Wanneer ik een vergelijk tracht te treffen tussen de zuiver stoffelijke vormen van inwijding en de inwijdingen die zich afspelen in de sferen, dan blijkt het volgende. De stoffelijke inwijding begint met een zoeken, dat bij de mens in de eerste plaats blijkt te berusten op zijn wijze van denken. Belangrijk hierbij zijn dan zijn pogingen het onbekende te erkennen en te begrijpen. Bij de geest zal de eerste fase anders zijn. Hier is het begin eerder een zich openstellen, een bereid zijn tot ontvangen, dan een daadwerkelijk kennen, zoeken, of weten. Hieruit kunnen wij al direct de conclusie trekken: zowel in de stof als in de geest zal het voor degene, die inwijding zoekt, belangrijk zijn in de eerste plaats voor de krachten van boven open te staan.

Wij kennen in de geest toestanden, die men in de stof als verrukking pleegt te omschrijven. Wij gaan dan geheel op in bepaalde aspecten van het leven, schoonheid, of het beschouwen van een bepaald begrip. Hierdoor ontstaat een zelfvergetelheid. Deze impliceert vooral in de geest, dat geheel het wezen openstaat voor alle werkelijke aspecten van de schoonheid, of het aspect dat men beschouwt. Op het ogenblik dat ik mijzelf vergeten kan, maak ik het hogere het tevens mogelijk tot mij door te dringen. Dit hogere zal zich stoffelijk veelal openbaren als een korte ervaring, waaruit men krachten put, een vergroting van weten en begrip.

In de geest is hier weer een verschil te vinden. Bij de geest openbaart zich het beleven niet in een vergroting van kracht of weten, maar eerder in een soort verdoving. In deze toestand, die te vergelijken is met een algehele bedwelming in de stof, heeft eigen sfeer of wereld tijdelijk geen toegang meer tot eigen bewustzijn of wezen. Je bent dan geheel gevuld met een andere kracht. Je beleeft andere waarden. Voor de beginneling kan dit het best omschreven worden als een door nevelen schouwen, waarachter men al een stukje van het beloofde land ziet liggen. Langzaam keert men tot de eigen sfeer terug. Wat men heeft ervaren – heeft gezien – blijf je geheel bij – en geeft daardoor een andere waarde aan alles, wat je verder beleeft en doormaakt. Uit een je herinneren van het aanschouwde is het ook mogelijk krachten in het “Ik” te putten.

In de stoffelijke inwijding hebben wij verder meestal te maken met een inleider, die met de naar inwijding zoekende mens een deel van de weg gaat en hem aan de inwijder voorstelt. Er is in de meeste gevallen een verschil tussen leraar en inwijder. In de geest ligt ook dit anders. Een zuiver geestelijke inwijding kent geen bepaalde geleiders. Zij kent ook geen bepaalde inwijders. Men ervaart alleen de opeenvolgende toestanden, die gezamenlijk de inwijding uitmaken. Wel kunnen wij een parallel trekken van de momenten, waarop eigen innerlijk weten aanmerkelijk wordt vergroot. Wij bevinden ons dan in een toestand van verhoogd bewustzijn, waardoor een andere sfeer mede voor het “Ik” toegankelijk is.

Geestelijk treffen wij daarin dan vaak verwante wezens aan, die tijdelijk een deel van de weg met ons gaan. Het is niet mogelijk deze wezens nauwkeurig te definiëren, of naar aard te omschrijven. Zou deze toestand meerdere malen worden herhaald, dan is het lang niet zeker, dat wij elke maal dezelfde entiteiten ontmoeten. De inwijder is bij de geest, de directe Goddelijke kracht in zijn vorm van Goddelijk Licht. Er is geen sprake van een influisteren van een geheim woord, of een overdragen van kennis of macht. Voor de geest is elke fase van inwijding alleen een openbaring van het “Ik”, waarbij een deel van de Goddelijke werkelijkheid kan worden beseft.  Hoe intenser de mens verder streeft, hoe intenser hij ook naar het innerlijke geheim zoekt. Bij de geest geldt: hoe intenser hij het Goddelijke mag ervaren, hoe meer hij zich bewust wordt van de onvolledigheid van deze ervaring en door zijn daden – bij de mens is hier meestal sprake van de gedachte – trachten zal verder te gaan in de richting van een aangevoelde eenheid met het Goddelijke.

Met dit eerste beeld heb ik u waarschijnlijk voldoende duidelijk gemaakt, dat de aspecten van de inwijding bij de geest enigszins anders plegen te liggen dan in de stof. Ik zou onvolledig zijn, indien ik u er niet op zou wijzen, dat ook voor de mens in de stof de inwijding plaats kan hebben zoals voor de geest, met een beleving van alle geestelijke waarden. Door zijn wijze van leven en denken maakt de mens zich het ondergaan van een dergelijke inwijding moeilijk. Hij is al te zeer geneigd zijn inwijding te zoeken langs een weg van vele boeken, ingewikkelde studies, jaren van ontbering. Soms is dit voor de mens inderdaad de enige weg, maar dit geldt zeker niet altijd. Want in de mens zetelt de geest en het is vanuit geestelijk standpunt in de eerste plaats de geest, die de inwijding moet onder gaan. De materie, de stof, is daarbij voor de geest secundair. Vandaar, dat m.i. alles, wat ik u ga zeggen, voor de mens even belangrijk kan zijn als voor de geest.

Op het ogenblik, dat wij in het duister zijn, kan dit duister ontstaan door ons onvermogen een wereld te erkennen. Vaak komt het duister ook uit onszelf voort, wanneer wij ons bewust en tijdelijk afsluiten van een geestelijke wereld, waarin wij reeds leven. Een geest kan op een gegeven ogenblik verder zijn eigen wereld en sfeer verlaten om zich naar een duistere wereld te begeven. Hij heeft daarmede een zeker doel. Hij wil bv. een medegeest helpen, Licht brengen, of een waarheid openbaren. In deze periode van zich bewust afsluiten voor eigen sfeer krijgt de geest dan alle invloeden, die rond hem zijn, te verwerken. Dit zijn dus ook de gedachten, de pijnen, het lijden van degenen, die in het duister leven, de onzekerheden van degene, die pas is overgegaan. Je beleeft dus veel, wat feitelijk niet tot je eigen sfeer behoort. De grote reeks van ervaring, die wij geestelijk zo op kunnen doen, is in eerste instantie voor ons vaak een belasting.

U denkt misschien, dat het voor de geest alleen maar prettig is om eens een babbeltje te komen maken. Toch zijn ook hieraan voor de geest wel enige moeilijkheden verbonden. U meent misschien, dat het voor de geest heel normaal en zelfs vreugdig zal zijn in een lagere sfeer te mogen werken. Ook dit is maar zeer ten dele waar. Men moet daarvoor het bewustzijn van eigen sfeer en wereld achterlaten. Het bewustzijn, want het behoren tot een bepaalde sfeer kun je nooit vergeten. Dat blijft. Je moet alles, wat met die sfeer in verband staat, al dat Licht, al die vreugde, terzijde stellen, opdat wat je in je wezen aan kracht draagt voor een lager wezen, aanvaardbaar geopenbaard kan worden. Dit is een kwestie van daden, niet zozeer van denken. Het zijn deze daden, die, een accumulatief effect hebbende, ons steeds meer bewust maken van iets, wat buiten onze eigen wereld en de voor ons bereikbare sferen bestaat. Wij dringen door in een andere wereld of sfeer, wij groeien naar iets toe, wat geen van de ons bekende sferen werkelijk beroert en toch met alles verband houdt.

Realisatie: naast onze eigen wereld bestaat een werkelijkheid. Wij zoeken die werkelijkheid dan te vinden. Daardoor komt de geest dan tot een periode, waarin het eigen leven alleen aan de overdenking van deze niet gekende werkelijkheid is gewijd. Zoals de geest van de mens na de overgang een periode van overdenking nodig heeft, voor hij verder naar bv. Zomerland kan gaan, zo zal de geest, die in de overdenking de aanvang van zijn leerlingschap heeft bereikt, beginnen met het beleven van een periode van duisternis. Wij spreken hier over duisternis, omdat het “Ik” gedurende enige tijd de eerste erkenningen, het aangevoelde, zó intens tracht te beleven en te verwerken, dat zelfs het hogere Licht hem uit deze afsluiting niet redden kan. De geest vormt zich dan innerlijk een beeld van de werkelijke wereld en krijgt daardoor ook een begrip voor zijn taak. Van een directe en volledige taakomschrijving is nog geen sprake. Hier geldt nog de vrije keuze, want het bewustzijn kent in deze fase nog vele mogelijkheden en vele voor het Ik even aanvaardbare taken.

Deze taken zijn allen reeds beperkt in hun werking. Zij gaan alleen in dezelfde richting, in alle mogelijke taken ligt al de vervulling van een bepaald en steeds gelijk doel. Dit doel is niet een tot het Licht brengen van anderen te noemen. Eerder is het de behoefte de verinnerlijking, die men zelf heeft mogen ondergaan, ook voor anderen mogelijk te maken. Men doet dit door anderen leringen te geven, maar kan evengoed iemand uit het duister tot het Licht brengen, een overgegane afhalen, of een mens op aarde inspireren.

Gedurende deze periode van geestelijk streven, die ik eerste graad of leerlingschap wil noemen, gaat door de steeds weer groter wordende ervaring een reeks van wetten steeds duidelijker omschreven worden in ons leven. In anderen zien wij bv. oorzaak en gevolg gedemonstreerd, terwijl wij ervaren, hoe het ons wel mogelijk is bepaalde delen van het lot te veranderen, of beter aan de mogelijkheden aan te passen, maar dat bepaalde delen van het lot van anderen toch voor ons onaantastbaar blijven. In het begin denken wij hierover als karma, later doen wij van deze definitie afstand en zeggen: “Dit onvermijdelijke is de eigen taak van de mens”. Het begrip, dat elk wezen in de Schepping een eigen taak te vervullen heeft, waaraan anderen niet kunnen roeren, groeit in ons steeds sterker. Hierdoor komen wij tot een beleving, die men in een bepaald genootschap gezel of tweede graad pleegt te noemen.

Naast het visioen van een naast alle voor ons bereikbare wereld en bestaande werkelijkheid zijn wij nu in het bezit van een redelijke kennis omtrent tot de werkelijkheid behorende wetten. Deze wetten herleiden wij tot regels, die wij gemakkelijk kunnen hanteren. De verdere inwijding is nog steeds een kwestie van daden, niet van overpeinzingen of leringen, waarin de grote bewustwordingsmogelijkheid is gelegen. Dan krijgen wij steeds meer te maken met hogere inzichten en hogere krachten. Een hogere kracht kan ons nu veel decreteren, dat ons schijnbaar onzinnig lijkt. Voorbeeld: Er is een ODV. Wat voor nut heeft het nu, dat een dergelijke groep wordt gesplitst in vele op zichzelf staande eenheden in vele verschillende plaatsen en landen? Waarom afstand doen van de aantrekking, de macht, die in een internationaal verband gelegen kan zijn? Zeker, wij kennen de redenen daarvoor. Toch vragen wij ons wel eens af: waarom juist zo? Zeker, zolang wij gezel, ingewijde van de tweede graad, zijn.

Naast het goede willen komt dan ook een tweede factor: de gehoorzaamheid. Wij erkennen, dat een interpreteren van de Goddelijke wetten en regels niet zonder meer voor ons geheel juist mogelijk is. Wij beseffen, dat voor een geestelijk geheel juist handelen, vaak een veel grotere kennis van God, Schepping en de wereld der waarheid noodzakelijk zal zijn, dan wij kunnen bezitten. De periode van werken in de tweede graad brengt voor alles samenwerking. Een zeer intens samenwerken, dat nooit wordt gestaakt om verschillen van geloof, ras, opvatting e.d. Hierdoor is het mogelijk, dat een mens die op aarde rooms-katholiek was, vanuit de geest spreekt in boeddhistische zin, of een boeddhist in christelijke zin.

Het gaat hier nog steeds om het bereiken. Daarbij is er altijd weer sprake van samenwerking. Soms gevoelt men zich opeens onder gesteld aan entiteiten, die men niet kent, of waarvan men oppervlakkig gezien zou denken, dat zij lager moeten staan dan jezelf doet. Ook dit dient men te aanvaarden. Juist doordat wij zelf niet meer beslissen, maar eerder onze taak ondergaan zonder haar geheel te overzien, krijgen in onze belevingen de wetten en regels nader gestalte. Zij worden voor ons langzaam maar zeker tot een deel van de werkelijkheid, die in ons innerlijk nu niet meer slechts een visioen is, maar eerder een weten. Het beeld van de werkelijkheid, dat zo in ons groeit, blijkt hanteerbaar te zijn. Het geeft ons een begrip van scheppende werkingen en krachten, een begrip ook, dat het ons mogelijk maakt het “Ik” af te stemmen volgens eigen keuze op die entiteiten, of die delen van de scheppende kracht, die voor de vervulling van onze taken mede noodzakelijk zijn.

Is dit eenmaal bereikt, dan volgt een periode van stilte, waarin wij onszelf in een nieuw Licht leren zien. Dan bereiken wij het leerlingschap van de derde graad, dat men op aarde ook wel een meestergraad pleegt te noemen. Inderdaad zijn wij ook enigszins meester, waar wij beslissingen kunnen en moeten gaan nemen. Hierdoor worden wij mede verantwoordelijk voor de daden en belevingen van anderen. Wij zijn verantwoordelijk voor de volvoering van een bepaalde taak. Wij geven aan de leden van de eerste en tweede graad een zekere opleiding, terwijl wij er gelijktijdig voor dienen te zorgen, dat zij met alle goede bedoelingen geen verkeerde dingen doen, of in gevaar komen.

Voor het eerst in de geestelijke inwijding huwen denken en daad. Uit de praktijk, de daad alleen, gaan wij al ras over tot het putten van krachten voor onszelf en anderen, de verantwoording, die wij daarbij te dragen hebben, is groot. Wanneer ik een leerling weg zou zenden voor een taak in een duistere wereld, dan houdt dit tevens in, dat ik er voor aansprakelijk ben, dat hij in dit duister niet ondergaat, dat het duister, dat hem aan alle kanten omringt, hem nooit zal kunnen overweldigen: wat het ook kost, ik moet de leerling beschermen. Zelfs indien dit dient te geschieden door het zenden van een straal van Kracht en Licht, die, naar mij schijnt, een geven is van méér dan mijn wezen dragen kan; ik zal er zorg voor moeten dragen, dat hij uit het duister wordt bevrijd en weer in eigen sfeer opgenomen wordt, wanneer hij niet in staat blijkt zijn taak geheel of gedeeltelijk juist te volvoeren.

U zult begrijpen, dat deze derde fase, dit geestelijk meesterschap, een grote verantwoordelijk- heid mee brengt. Je gaat nu werkelijk ingrijpen in het leven van anderen. Er is niet alleen meer een doen, of doen ondergaan, er is sprake van verantwoording, die steeds weer en steeds meer moet worden gedragen. Voor het “Ik” is hierbij de grote moeilijkheid wel, dat je, ook al draag je alle verantwoording, toch nog ondergeschikt kunt blijven aan entiteiten, die – althans zover je kunt zien – geestelijk lager zijn, of in feite minder bewust zijn dan jij. Deze vreemde verhouding blijft overigens steeds weer bestaan. In de geest, tijdens de inwijding, blijkt steeds weer, dat de sfeer, waarin men leeft, het bereikte vlak van bewustzijn dus, heel weinig te zeggen heeft. Klaarblijkelijk is het eerder de innerlijke gesteldheid, die, eerder dan het bewustzijn, bepaalt wie kan bevelen, wie de werkelijke leiding zal hebben.

Zo groei je langzaam maar zeker in het meesterschap tot een soort specialisatie. In het begin lijk je misschien nog het meest op een novicemeester, maar al snel besef je, dat een dergelijke taak nog te veel aan bepaalde sferen is gebonden. Je tracht dan je meer en meer van de werkelijkheid, die, naar je weet, buiten alle sferen bestaat, te realiseren. Perioden van een je terugtrekken van alle geestelijke belevingen om deze werkelijkheid innerlijk beter te kunnen beleven, worden dan frequenter. Gelijktijdig zal je vaak, haast onverwacht, na een dergelijke periode van rust en overpeinzing, in een hogere sfeer ontwaken.

Nauwe banden met andere geesten komen steeds minder voor. Daarvoor in de plaats kent men dan een grotere harmonie met het geheel. Op deze wijze ontkom je dan aan een te kleine en te persoonlijke uitoefening van macht en te beperkt gebruik van krachten. De specialisatie, die in deze periode wordt gekozen, heeft over het algemeen niet veel meer met de stof gemeen. Voorbeeld: Een geestelijk dokter kan behoren tot de tweede graad, maar zal niet hoger zijn, wanneer hij tenminste als zodanig zich op aarde nog uit of werkt. Een geleidegeest zonder meer kan tot de eerste, of misschien tot de tweede graad behoren. Hoger is een geleidegeest zelden. Wel kan een hogere geest een deel van zijn krachten en tijd nog aan een dergelijke taak wijden, wanneer dit erkend wordt als gevolg van een persoonlijke binding en noodzakelijk voor eigen verdere bewustwording.

De derde graad geeft ons te zien: krachten, die deel hebben aan het geestelijke werk van de Witte Broederschap. Leider en werkers in kleinere of grotere spiritistische of spiritualistische gemeenschappen, die een inwijding van hun volgelingen nastreven. Inspirerende krachten van de derde graad of hogere kunnen verder trachten bepaalde uitvindingen mogelijk te maken, of bepaalde, stoffelijke, inwijdingen beter te doen slagen.

Naast deze drie graden bestaan vele andere- en hogere graden. Het lijkt mij dwaas hieraan veel tijd te besteden, daar deze voor de stofmens zeer moeilijk te bevatten zijn. Wat daarbij in hoofdzaak gebeurd, is wel dat men steeds minder voor zich leeft, steeds minder aan zichzelf gebonden is en daardoor steeds meer en meer bij voortduring open staat voor geestelijke krachten en Goddelijk Licht. Het wezen, dat verder gaat op de weg der geestelijke inwijding, leert dit Licht te richten. Vergelijkend: men is dan als iemand, die beschikken kan over een vermogen van zoveel ampère, zichzelf tot een zoeklicht maakt om zo punten op aarde, of in lagere sferen, die belangrijk zijn, van een daar kenbaar licht te voorzien. Je bent dan eigenlijk reeds een werktuig van het Goddelijke geworden. Bewust ben je dit, wanneer je de volgende drie trappen af hebt gelegd. Het werktuig zijn voor het Goddelijke houdt niet in dat je zelf niet meer denkt. Wel betekent het, dat je handelen in de eerste plaats geregeerd zal worden door het Licht en de Lichtende hogere krachten.

Ik wil trachten u iets te beschrijven van het wereldbeeld, dat men in deze graad heeft. De wereld blijkt te bestaan uit elkaar aanvullende factoren. Het beste stelt u zich dit voor als een reeks van kubussen, die aaneengesloten een soort muur vormen. Elk leven is het vlak van een kubus in zijn ogenblikkelijke waarde. Elk leven heeft, zoals de kubus, meerdere vlakken. Deze vlakken zijn veelal verborgen, maar kunnen toch zo nu en dan naar voren worden gekeerd, waardoor zij tot kenbare uiting worden. Zo verandert het aspect van onze muur voortdurend.  U kent wel die kinderblokken, die op elk van de zes vlakken een verschillende kleur dragen. Stel nu, dat willekeurig nu eens deze, dan weer gene kleur naar voren wordt gedraaid. Door het grote aantal vlakken is er van een voortdurende verandering van totaalbeeld sprake. Het effect heeft iets van een caleidoscoop. Degene, die nu het tweede drietal trappen heeft doorlopen, weet zeer wel, dat overal dezelfde zes kleuren aanwezig zijn. Nu is je doel harmonie. Daarom leer je, hoe door het scheppen van bepaalde prikkels kan worden voorkomen, dat teveel kleuren, die met elkaar vloeken, op naast elkaar gelegen kubussen, gelijktijdig naar voren komen.

De werkingen van de ingewijde geest betreffen vooral de geuite Schepping en zijn harmoniserend. De taken, die een dergelijke geest daardoor op zich neemt, zijn vanuit stoffelijk standpunt wel buitengewoon belangrijk. Het handhaven van vrede, of zelfs het toelaten van oorlogen, behoort daarbij tot de dagelijks voorkomende problemen. Het kennen van de vele verschillende werelden waarop strijd voor kan komen en het ingrijpen aldaar, is deel van de dagelijkse taak. Iemand, die zover is ingewijd, kent geen grenzen meer. Hij blijft in zijn werkingen dan ook niet beperkt tot een enkele planeet, bv. de aarde, maar zal alle werelden, die binnen zijn bewustzijnsbereik vallen, gelijkelijk kennen en gelijkelijk trachten te helpen. Hij is verder niet beperkt tot alleen stoffelijke werelden, want hij heeft toegang tot de vele verschillende werelden, die in de geest opgebouwd worden aan de hand van verschillen van geloof, ras, e.d. Ook hier is een dergelijke geest bij voortduring werkzaam. Men dient wel te beseffen, dat het niet in de bedoeling van de geest ligt de verschillen te egaliseren. Wel tracht men alle verschillende waarden tot harmonie, tot samenwerking en samengaan te brengen. Contrasten dienen te blijven bestaan, want slechts, indien elk leven door de juiste contrasten omgeven wordt, kan dit leven tot een perfectie komen. Alleen uit contrasten is een bewustwording mogelijk. Door de voortdurende wisselingen van contrasten met een zo groot mogelijke positieve waarde voor het individu, zien wij, dat een hoogste bereiken mogelijk wordt. Het individu komt tot een kennen van zichzelf en een begrip voor de Goddelijke waarden, zover zij onmiddellijk rond het “Ik” kenbaar zijn. Het eindresultaat is een erkennen van wereldwaarden als door mij geschetst in het beeld van de caleidoscopische muur.

Wat ik u over de volgende reeks van drie trappen nog tracht te zeggen, is ook voor mij groten- deels onvoltooide studie, of van horen zeggen.  Tot nu toe hebben wij met een wereldbeeld gewerkt, dat kon worden voorgesteld als een samengesteld en caleidoscopisch van kleur wisselend vlak. Je kunt dit geheel ook nog in drie dimensies voorstellen, de mogelijkheden tot harmonie en disharmonie verzesvoudigen. Het geheel lijkt wel een soort doolhof. In deze doolhof heeft elk pad zijn eigen betekenis, elk pad kent zijn eigen reeks van kosmische verhoudingen en maakt voor een ieder, die zich langs een dergelijk pad zou bewegen, een welbepaalde en nauw omschreven reeks van ervaringen en bewustwordingen mogelijk. Degene, die het getal negen in zich draagt, zal nu binnen deze doolhof leiding geven aan allen, die daarin bewust hun weg zoeken. Hij is als het ware een meester van paden geworden. Zoals men het ook wel uitdrukt: hij is geworden tot een Poort- wachter op de Weg van Bewustwording.

Het Goddelijke Licht speelt hierin natuurlijk de grootste rol. Het dirigeren van dit Licht, het scheppen van de juiste verhoudingen van schaduw en Licht, om zo elk wezen te voeren tot een voor dit wezen meest juist bewustzijn in sfeer of wereld, is de zeer moeilijke en belangrijke taak van deze Groten. Vreemd is daarbij – en voor mij niet helemaal begrijpelijk – dat degenen, die de derde trap van drie treden beklommen hebben, een volledigheid van Licht in zich kennen, die voor ons niet geheel kenbaar is. Klaarblijkelijk zien wij wel het Licht, maar zijn de verschillen, die daarin nog kenbaar zijn, door ons onvermogen, voor ons praktisch niet waarneembaar. Toch kennen zij verschillen in dit Licht. Afgaande op hetgeen zij ons daaromtrent wel vertellen – contacten bestaan tussen hen en ons nog wel – zouden de verschillen, die zij in dit Licht waarnemen, in feite de balans vormen, waarrond geheel de kosmos draait. De intensiteit van Gods wezen is overal gelijk, maar het geheim van de inwijding is juist het besef, dat Gods wezen niet overal in gelijke mate is uitgedrukt. Dit schept het waarneembare verschil. Wij zien de aanwezigheid, de Groteren zien de uitdrukking. Het kennen van de uitdrukking van het Goddelijke betekent dan klaarblijkelijk, dat je – ook buiten alle tijd – de werkingen van de Schepping geheel kunt volgen.

Daarboven liggen dan de Grootmeesters van Licht, die vaak stoffelijk gehele sterren, of zelfs sterrennevels, als domein toegewezen krijgen, en dan heersen in gehele stelsels van sferen. De inwijdingsgang schijnt ook daarmede nog niet geheel ten einde te zijn. Daarvan kan ik u niets meer vertellen. Ik kan u wel mede delen, dat de graad van inwijding niet is gebonden aan de sfeer, waarin de geest zich bevindt. Zij kan op elk willekeurig ogenblik beginnen. Wanneer de eerste trap geheel betreden is, zijnde drie treden, zal zij automatisch een uitbreiding van sfeer beleven en sfeerbewustzijn met zich brengen, zonder dat daardoor uiterlijk de sfeer, waarin men leeft, verandert.

Wij hebben in de laatste tijd al veel gesproken over de behoefte aan mensen, die geestelijk streven en esoterisch bewustzijn bezitten. Het lijkt mij overbodig ook in dit verband op deze noodzaak te hameren. U weet dit nu wel. Wel wijs ik er op, dat de mens, die in de stof een leerlingschap, of zelfs een leerlingschap van de tweede graad weet te bereiken, zich daardoor van vele stoffelijke beperkingen bevrijdt. Dit is zeer belangrijk. Alle geest kan deze bewust- wording doormaken. Een geest, die meerdere trappen van deze inwijding heeft meegemaakt, kan nog op aarde incarneren. Zij kan op aarde leven maar zal zich niet in een stoffelijk weten omtrent haar bereiking uit kunnen drukken Dit is juist het moeilijke. Het is onmogelijk om bereikingen en ervaringen van een inwijding in de stof weer te geven, wanneer de inwijding op zich geheel geestelijk is.

Een aardig voorbeeld is hiervan Le Comte de Saint-Germain, die met zijn steeds weer verschijnen en verdwijnen al heel wat verwarring op aarde heeft gesticht. Zijn onbeperkt leven en zijn grote vitaliteit kon hij tegenover de mensen niet anders verklaren dan door een ietwat spottend: “Ik bezit een elixir”. In alchemistische zin is dit nog wel aanvaardbaar. Wij moeten beseffen, dat het elixir niets anders is dan een reeks van juiste instellingen, opgewekt door denkbeelden en belevingen. Omschrijfbaar zijn deze alleen, wanneer de toehoorder reeds over een redelijke inwijding kan beschikken.

Beziet men het geheel vanuit geestelijk standpunt, dan blijkt, dat een geestelijk meester van deze graad ook op aarde en in de stof in staat is geheel zijn geestelijke verplichtingen te voldoen en zijn taak op geheel juiste wijze te volbrengen. Het is hem onmogelijk deze samenhangen op aarde aan stofmensen duidelijk te maken, of op begrijpelijke wijze voor te stellen. Natuurlijke wetten en krachten, die door op aarde vertoevende ingewijden en hun leerlingen worden gebruikt, zullen, zo zij al over de verstandelijke vermogens beschikken om hiervoor een verklaring te geven, nooit en te nimmer in hun werkelijke en geestelijke vorm aan anderen kunnen worden voorgesteld. Ongeacht de verklaringen blijft hun verklaring voor hen, die menen te weten, misleiding, voor de anderen: mirakels.

Er bevinden zich op aarde op het ogenblik velen, die een dergelijke geestelijke inwijding doormaakten, of zelfs een eerste trap daarvan tijdens hun stoffelijk leven doormaakten. Het aantal leerlingen en gezellen op aarde, zelfs het aantal van op aarde en in de stof levende meesters is groter dan men zou denken. De geestelijke inwijding maakt het mogelijk een sfeer rond de wereld te vormen, die een ieder, die ongeveer daarop is ingesteld, als onwillekeurig beroert. Dit beroerd worden door die sfeer vraagt geen redelijk denken, eerder vergt het enige eenzaamheid en afzondering. Daardoor komt het, dat mensen, die aan een dergelijke geestelijke inwijding op aarde begonnen zijn, eenzaam worden. Voor hen is het leven op een gegeven ogenblik geheel grijs en wazig, alsof geen enkel gebeuren voor hen nog werkelijk iets te zeggen heeft, terwijl ook hun begeerten en angsten dof en wazig worden, verhuld door bederf als metaal, dat zwaar geoxideerd is. Het lijkt hen of alles in het leven geen zin meer heeft.

De afzonderingsperiode, die de geest in eigen sferen kent als een duister voor een kort ogenblik – een geheel zelf bezig zijn met iets, wat buiten eigen wereld ligt – kan voor de mens, wiens lichamelijk bestaan verder blijft gaan in eigen wereld, niet zo volledig optreden.  De eenzaamheid toont zich dan in een gevoelsmoeheid, of zelfs gevoelsdoodheid. Eerst wanneer men toch het buiten alle wereld en sfeer liggende enigszins heeft begrepen of aangevoeld, kan men verder gaan. Het visioen, dat je dan krijgt, moet ontstellend zijn, wanneer je in de stof leeft.

In de geest ben je reeds gewend aan vele zonderlijke gezichten en openbaringen. Voor de mens lijkt mij de combinatie van volstrekte eenzaamheid, oneindige ruimte en onvoorstelbaar fel Licht – het verdere is niet omschrijfbaar – haast niet te dragen. Alle mensen, die op dit ogenblik op de wereld vertoeven en aan een geestelijke inwijding bezig zijn, zullen zich dan ook nogal eens ongelukkig voelen en zich afvragen, waarom in hun leven nu nog dit en dat noodzakelijk is. Niemand kan u daarvoor een verklaring geven buiten uzelf.

De geestelijke inwijding met al zijn aspecten staat wel voor de stof open, maar vraagt van de mens, evenzeer als van de geest, in de eerste trappen vooral de daad. Eerst later vraagt zij daarnaast om begrip en denken. Juist dit maakt de weg van geestelijke inwijding voor mensen in de stof haast onaanvaardbaar. Onze ervaring van de zuiver geestelijke inwijding is dan ook wel, dat vele mensen de gelegenheid krijgen hiermede reeds op aarde te beginnen. Sommigen van hen weten reeds op aarde een eerste graad te behalen. Degenen, die weten door te dringen tot de tweede graad, of zelfs een derde graad bereiken, zijn op aarde zeer zeldzaam. De grote behoefte van de mens te denken, te rationaliseren en zich van alles als tastbare voorstellingen te maken, houdt hem bij de geestelijke bereikingsmogelijkheden tegen. Op zich zal men dit, zolang men in de stof is, betreuren. Geestelijk weet men, dat de mens, die zich in het leven ook maar op een inwijding voorbereidt, haast automatisch bij zijn komst in de geest reeds de geestelijke inwijdingsgang begint. Het komt zelfs voor, dat de periode van overdenking, die voor haast elke geest na de overgang optreedt – 48 uur tot enkele jaren van overpeinzing, waarbij het “Ik” tot en met 2 à 3 dagen in het duister pleegt te vertoeven, gelijktijdig reeds een erkennen geeft van de buitensfeer, de buiten wereld en sferen bestaande werkelijkheid. Hierdoor kan de mens, die in zijn leven verlangde naar inwijding, maar deze niet daadwerkelijk bereikte, vaak al in de eerste uren na de overgang tot een eerste geestelijke inwijding komen Zijn schijnbare gebondenheid wordt hem dan een bevrijding, die tot uiting komt in een daadwerkelijk actief zijn.

Ik vertel u dit alles, opdat u het begrip van geestelijke inwijding niet zonder meer als voor u onbelangrijk terzijde zult schuiven. Ook wanneer zij stoffelijk voor u moeilijk te bereiken is en u stoffelijk zich misschien niet kunt verenigen met de eisen die zij stelt, geldt immers toch: elke stoffelijke voorbereiding, die de geest maakt voor een inwijding in de stof, zal voor haar onmiddellijk na haar overgang worden gevolgd door de door mij vooromschreven aspecten van geestelijke inwijding. Deze inwijding vergt geen kennis en zelfs geen kracht buiten wilskracht. Zij staat geheel los en vrij van alle stoffelijke invloeden en gebeurtenissen. Haar kern is het innerlijk kennen en aanvaarden van iets, dat werkelijker is dan alle eigen werelden tezamen.

Zo goed als je op aarde allerlei belevingen door moet maken en dientengevolge in de sferen die belevingen voortzet bij een niet voldoende ondergaan daarvan, of zelfs tot de aarde terug zult moeten keren om het onderbroken beleven voort te zetten, zo bestaat ook voor de geestelijke inwijding een regel: wie aan een geestelijke inwijding begint, kan onverschillig in welke sfeer of wereld hij leeft – zijn inwijding en mogelijkheid tot bereiking blijft steeds bestaan – de band met de werkelijkheid steeds overheersen. De vorm, die zij daarbij aanneemt is minder belangrijk. Een ieder zal uiteindelijk in elke sfeer volgens die inwijding precies het evenwicht en de harmonie moeten vormen, die ook voor de bewustwording van anderen noodzakelijk is, terwijl men zelf uit dit werk een eigen bewustwording putten zal.

  • Het is voor ons, mensen, die vaak gebonden zijn aan een menselijke bewustwording moeilijk dit alles te begrijpen. Wij hebben ook hier vaak mogen horen, dat de kern van alle inwijdingen een bewust worden van het eigen wezen is. Hieruit kan men zich van God bewust worden, welke bewustwording men dan in het dagelijkse leven uit moet dragen. Hoe klopt dit?

Er is tussen stoffelijke en geestelijke inwijding een grote parallel aan te wijzen. Er bestaat ook een groot verschil. De parallel is dat wij beginnen met het zien van een Beloofde Land, dat wij niet kunnen betreden: de werkelijkheid Gods, niet gekleurd door menselijk voorstellingsvermogen of geestelijke beperkingen. Dit is de waarheid zelf. Hierin zijn ook wij zelf waar. Hieruit volgt, dat reeds in de eerste fase een stap wordt gedaan in de richting van zelferkenning en één-wording met het Goddelijke. Bij de mens wordt dit alles naar binnen toe gebracht en gezocht. Het is dus zuiver esoterisch.

De geest draait hier de waarden om. In de eerste plaats dient zij in haar belevingen exoterisch te zijn, omdat het beleven van haar wereld voor haar het meest belangrijke is. Haar wereld houdt hier dan tevens als begrip in: elke wereld, waarin de geest thuis is, werkt, of werkzaam kan zijn. Wanneer u stoffelijk een inwijding hebt doorgemaakt, zult u overschakelen naar een geestelijke inwijding. U verliest bij uw probleemstelling nu uit het oog, dat geest en stof, zeker voor zover het vaste waarden en maatstaven betreft, over het algemeen absolute tegen- stellingen zijn. Het verschil ligt niet zozeer in de intentie en het uiteindelijke doel, als wel in de mogelijkheid tot Godsbeleving en uitdrukking van de Goddelijke wil, zoals die erkend wordt. Dit komt juist in de geestelijke inwijding sterk naar voren. Wanneer wij ons alleen willen houden aan een bepaald systeem, dan kunnen wij veel bereiken. Wij kunnen dit systeem, ongeacht hetgeen er op aarde mee te bereiken is, niet onmiddellijk in de waarden van de geest transponeren. Onder meer zal het systeem, dat op aarde een steun betekent, voor de geest al zeer snel tot een verstarring worden.

Het gevolg is, dat de fluïdewereld, waarin de geest ervaart en bestaat, in het “Ik” de positieve uitdrukking vergt, maar tevens een ongebondenheid t.o.v. de wereld, waarin zij leeft. Deze wereld is immers slechts een uitdrukking van met andere gedeelde denkbeelden en als zodanig een weerspiegeling van onvolkomenheden. Voor haar wordt de Goddelijke wil het enige het “Ik” drijvende, het enige, dat daden en werken kan en mag activeren. Op aarde is dit niet mogelijk. Wanneer men op aarde een wereldburgerschap na zou streven met uitsluiting van elke trouw, dan zou men voor anderen al heel snel, bewust of onbewust, tot een soort landverrader worden. Wanneer je op aarde zou denken aan een Godsvoorstelling, die geen enkele feitelijke voorstelbare Godheid erkent, dan zou men u al snel een heiden, een Godloochenaar, of antichrist noemen. De stof vraagt een aanpassing van de praktijk bij bestaande vormen. Het denken is daarbij vrij en heeft geen direct kenbare invloed op de wereld buiten dat “Ik”. Voor de geest is een aanpassing aan de wereld niet noodzakelijk.

Indien u nu het voorgaande beschouwt, zult u zien, dat juist door de tegenstelling, die de geestelijke inwijding vormt, tegen de geldende stoffelijk gebaseerde inwijdingssystemen, voor de geest zeer grote voordelen bestaan, ofschoon men in beide gevallen een geheel gelijk einddoel nastreeft. Er is via vele trappen, in beide belevingen, een streven naar een in zich kennen van God. Wanneer ik u spreek over het witte Licht, waarin een gewoon mens geheel verblind zal zijn en de lichtere, doch niet geheel bewuste geest wel ziet, maar geen scherpe vormen en onderscheid kan vinden, zal u nog een verschil duidelijk zijn. De menselijke ingewijde kan misschien wel een reeks van verschillen vaag aanvoelen, maar alleen de geheel ingewijde geest kan alle verschillen zien.

Voorbeeld: Stel, dat van de 25 mensen hier aanwezig er vier zijn, die God intens beleven. Dit kan door vele oorzaken tot stand komen, zelfs doordat zij i.p.v. naar ons te luisteren, een ogenblik het eigen “Ik” doordringen en zo een hogere waarde daarin vinden en beleven. Stelt u zich dan verder voor, dat ons kennen van het Goddelijke niet alleen wordt gevonden in het kennen van Gods alom tegenwoordigheid – het Witte Licht – maar in de uitingen van eenheid, of harmonie, die bij verschillenden bestaat met dit Goddelijke. U ziet dan in het geheel vier felle stippen wit. Een ander deel van de aanwezigen voelt zich wel door het Goddelijke aangetrokken. Dit is wel Licht, maar niet zo verblindend meer. Anderen denken meer aan hun zakelijke zorgen. Daar is op dat ogenblik dan weinig of geen harmonie met de op zich overal gelijkelijk aanwezige Goddelijke Kracht. Dit is dan kenbaar als donker of duister. De differentiatie, die zo ontstaat, berust op andere waarden en heeft een geheel andere inhoud dan de stof zich voor kan stellen.

De aanwezigheid van het Goddelijke in de mens maakt de mens tot Licht, terwijl het niet bewust erkennen of ervaren van dit Goddelijke de mens tot duister maakt voor de beschouwer – ook wanneer de mens zelf niet tot het duister behoort. De geestelijk ingewijde kent niet alleen zichzelf, maar ziet het verschil tussen de niet voltooide Schepping, waarin hij leeft – het steeds weer voorkomende duister of minder Lichte – en de voltooide Schepping, die zich uit in het witte Licht, dat hij evenzeer kent. Het doel van de ingewijde geest is dan ook overal het Lichtende sterk en edel te maken, het duister te verdrijven, opdat het aanvoelen van de Goddelijke kracht in allen een harmonie tot stand brengt, waardoor een algehele eenheid met het totaal Goddelijke mogelijk wordt en op den duur een één-zijn van de voltooide Schepping en het beeld van de Schepping, dat nu nog als onvoltooid wordt gekend. De geestelijke inwijding kent wel hetzelfde doel als de stoffelijke inwijdingen, maar benadert dit doel anders en kent daarnaast een doel, dat boven stoffelijk begrip en vermogen uitgaat.

  • Maar de geest wordt toch altijd ingewijd, ook wanneer wij een stoffelijke inwijding volgt in een stoffelijk voertuig?

In de eerste plaats heb ik getracht u duidelijk te maken, dat ook de door mij beschreven geestelijke inwijding wel degelijk in de stof kan worden ondergaan. Daarnaast wees ik u er op, dat de geestelijke inwijding niet gebonden is aan leer- of organisatievormen, maar alleen aan beleving. Zelfs kennis speelt hier geen rol. Indien wij een stoffelijke inwijding zien, dan valt onmiddellijk op, dat het Goddelijke zowel als de kennis van het Ik in de eerste plaats zullen worden benaderd vanuit een stoffelijk standpunt. De belangrijkste fasen van de inwijding blijven nog zuiver geestelijk, maar de oorzaak van het geestelijk bereiken kan worden gezien als een product van een voortdurende wisselwerking tussen een zoveel mogelijk in harmonie zijnde stof en geest. Hieruit volgt dan, dat de geestelijke inwijding, die de stof terzijde stelt, wel mede gebaseerd kan zijn op een stoffelijke inwijdingsschool, maar de regels en vormen daarvan toch terzijde kan stellen. Vandaar, dat de geest in de geestelijke inwijdingen minder gebonden is aan vaste voorwaarden en stoffelijke beperkingen, waardoor een ander en sneller bereiken van de inwijding langs zuiver geestelijke weg mogelijk wordt. Wij kunnen als zeker stellen, dat de mens, die, al is het ook maar met gering succes – maar eerlijk – een stoffelijke inwijdingsleer heeft gevolgd, in de geest automatisch over zal gaan tot deelname aan de geestelijke inwijding, waarbij het stoffelijke reeds geleerde, en bereikte, mede bepaalt, in welke fase van inwijding hij zich na korte tijd zal bevinden. Dit kan lopen van trap één tot desnoods – maar zelden – trap negen.

  • Hebben degenen, die in Zomerland zijn, eo ipso een inwijding doorgemaakt?

Neen, zij hebben wel, zoals u zegt eo ipso, zodra het Zomerland wordt verlaten in geestelijke richting, een verhoging van bewustzijn bereikt, waardoor men een ander inzicht in wereld en bestaan zal krijgen. Daarmede is dan ook alles gezegd. Wij spreken hier niet van een inwijding, omdat een dergelijke bewustwording niets te maken heeft met een meer directe en onmiddellijke benadering van het Goddelijke, of een zuiverder zelfrealisatie en uitdrukking. Uiteindelijk kunnen wij natuurlijk het klimmen van sfeer tot sfeer ook wel een wijze van inwijding noemen. Dit is in vergelijking met de werkelijke inwijding zoiets als het Boemeltje van Purmerend vergeleken bij de Etoile du Nord.

  • U heeft het erover, dat een geest, die in een duistere sfeer helpt, daar alles ondergaat van dit duister. Moet die geest dan in het duister blijven toeven?

Zo erg is het niet. Het lijkt meer op het afdalen van een mijnwerker. Wanneer je de werktijd hebt volgemaakt, ga je weer naar boven. Het wil wel zeggen, dat men tijdens het volbrengen van de taak inderdaad aan die sfeer gebonden blijft. Dit is ook noodzakelijk, omdat men met een gelijktijdig vol bewustzijn van een eigen en hogere sfeer niet voldoende in staat zou blijken alles te begrijpen en te verstaan, wat zich in de lagere wereld afspeelt.

  • U spreekt van een stoffelijke en geestelijke inwijding. De driehoek is ziel, stof en geest. De ziel heb ik niet gehoord. Ik hoorde wél meerdere malen de stelling: de ziel uit zich via het medium geest in de stof.

Dit is wel aardig gezegd, maar heeft met de inwijding op zich weinig verband. De ziel in zich is Goddelijke kracht, deel van het Goddelijke wezen, tijdelijk van de Godheid afgezonderd en geopenbaard in ons bewustzijn. Zij behoeft geen inwijding te ondergaan, zij is immers reeds één met God? Wanneer zij in haar uiting zich weerspiegelt, zoals God Zichzelf openbaart in Zijn Schepping, kan zij uit de inwijding, die geestelijk bereikt wordt, komen tot een juiste en volledige weergave van haar wezen. Hierdoor zal zij zowel in de gekende wereld als in haar eigen wezen de eenheid met het Goddelijke helemaal kunnen beseffen en weergeven.

  • Hoe kwam het, dat de mens in Atlantis de band met de geest verloor?

Oorspronkelijk was er in Atlantis sprake van een zeer eenvoudige sociale structuur, waarbinnen de mens in grote verwantschap met de natuur leefde. Nadat de handel en de nijverheid begonnen toe te nemen, viel de aandacht op het materiële. De aandacht voor de geest ging over in belangstelling voor de magie. Het gevolg was, dat men in het verkeer met de geest geen zelfvertrouwen meer bezat en het contact met de geest lager stelde dan materieel gewin. Daardoor kwam men er steeds meer toe het contact met de geest te delegeren aan anderen. Als gevolg verloor de gewone mens in betrekkelijk korte tijd zijn vermogen om met de geest in contact te treden. Toen ook vele magiërs meer aan geld dan aan geestelijke waarheid begonnen te denken, ging ook hier het juiste contact teloor. Uiteindelijk bleven alleen de wit-magiërs over, die geen belangstelling voor de materie hadden. Zij vormden de kern van de Witte Broederschap, zoals deze in de eerste tijd op aarde bestond.

  • Gaarne uitleg van: “De grote Pan is dood”.

Men legt dit wel uit als de dood van het heidendom, maar ook als de dood van Christus. Dit betreft het avontuur van Daimonides. Wij vinden ook in de overleveringen van andere volkeren soortgelijke verhalen. Het genoemde verhaal staat dus niet alleen op zich. Een variant is het verhaal van de man, die door een stem wordt aangesproken, die hem zegt: “Zeg aan Tom, dat de vorst dood is”. De man vertelt dit aan zijn vrouw. Zijn kat springt van onder de tafel en roept uit: “Dan ben ik koning”, waarop hij voorgoed verdwijnt. Ook bestaat er een verhaal, waarbij een dwerg een mens verzoekt voor een bepaald gebouw te roepen, dat de vorst – hier wordt dan een naam gegeven, die varieert – dood is. Dan klinkt uit het huis geween en geweeklaag, ofschoon niets te zien is.

Hetgeen, waarop al deze verhalen doelen, is het feit, dat de Al-kracht zich in verschillende persoonlijkheden openbaart, die dus leidende functies binnen een deel van de Schepping hebben. Pan is de leider van de natuur, de verpersoonlijking van de aarde zelf, de vruchtbaarheid en de kracht der aarde. “De grote Pan is dood”, zou dus betekenen: de kracht, die tot op dit ogenblik voor ons de vruchtbaarheid en het leven der aarde was, is heengegaan, heeft zich terug getrokken. Nemen wij aan, dat de kracht, die de aarde verder zal besturen op een hoger vlak ligt, dan kunnen wij wel stellen, dat het geweeklaag komt van natuurgeesten, die niet onder een vaste en persoonlijke leiding van de aardgeest staan. Zij zijn dan ook vanaf dit ogenblik niet meer in staat zich onbeperkt aan de mensen te tonen en in het uitoefenen van macht met de mensen te concurreren.

Dat men dit in verband wil brengen met Jezus dood is wel aardig. Helaas zijn er dergelijke verhalen bekend, die reeds van vóór Jezus geboorte al oud waren. Er bestaat een soortgelijk verhaal in de Perzische literatuur, dat stamt van 1600 v. Christus. Er schijnen overigens hiervan nog oudere versies te bestaan. Interpretaties als: Christus is gestorven, of: het heidendom is dood, lijkt mij dus wel een zeer eenvoudige christelijke uitleg, die niet het geheel van het verhaal dekt.

Uit de vele verschillende verhalen op dit terrein zou ik af willen leiden, dat een dergelijk gebeuren zich meerdere malen herhaald heeft. Als juiste interpretatie zou ik willen stellen: Een bepaald deel van de natuur is binnen het rijk van het mensdom veranderd en voor bepaalde krachten teloor gegaan. De band tussen de mens en de natuur is aanmerkelijk verminderd. Daardoor hebben de krachten van de lagere geest, de geesten van de natuur e.d. minder invloed op de mensheid, tot ook zij herboren zijn binnen de waarden van het nieuwe rijk. Dit is overigens de enige verklaring, die op alle verhalen past, waar de tijd, waarin dergelijke verhalen spelen, ook steeds een nieuwe geestelijke leraar, of grote maatschappelijke verandering te zien geeft. Zo was het ook in de tijd, dat Daimonides de opdracht kreeg voor het eiland de dood van de grote Pan uit te roepen.

  • Het gereedschap – steen – is in Afrika, Nijldal en W. Europa tot 80.000 v. Chr. ge- heel gelijk. Daarna ontwikkelen Egypte en N. Afrika een eigen techniek. Later, tussen 12.000 en 5.000 v. Chr. valt ook deze eenheid weg. Verder neemt men aan, dat tot 500 v. Chr. Egypte zeer bosrijk was. Gaarne uitleg.

Reeds vóór de homo sapiens het heersende mensenras was, bestonden er grotere culturen. Deze hangen direct samen met het bestaan van Atlantis. Een slavenvolk wordt in Atlantis opgevoed. Ook op de vaste landen wordt deze kennis verbreid. Later trekt dit volk weg uit Atlantis. Hierbij trekt het vanaf Liberia naar Tanger. De Middellandse Zee was kleiner dan nu. Zij trekken langs de kusten van de binnenzee, die lag, waar nu een deel van de Sahara ligt, via Egypte, maar ook via de Abessijnse hoogvlakte. Via Zuid Azië trekt men langs de zee terug: invloed op vroeg-Griekenland, maar ook op een deel van Spanje. Later ook in Wales en Ierland. Deze tocht heeft honderden jaren geduurd. De autochtone bevolking wordt in het stamverband opgenomen, dan wel door de stam beheerst. Met sterkere stammen is er ruilhandel, men leert elkaars technieken. In deze tijd zullen nog steeds werktuigen van ongeveer gelijke inhoud verbreid worden. De trekkende bevolking leert er andere methoden bij, zodat een verschil ontstaat tussen de in Afrika nog gebruikte methoden en de meer gevorderde methoden in Europa. Later zien wij een soortgelijke tocht, die begint in de buurt van Portugees W. Afrika. Hier vinden wij het begin van de dolmenbouw, die wij dan ook veel later terug zullen vinden in Hongarije en Roemenië. Ook hier is sprake van een aanpassing van vorm en bouwtechniek aan de plaatselijke gebruiken en mogelijkheden.

Ik concludeer dan ook, dat de gelijkvormigheid te danken is aan een vergaande Atlantische invloed in genoemde gebieden. Wijzigingen zullen ontstaan door verschillen in techniek – aanpassing van plaatselijke technieken aan de techniek van een trekkend volk – tijdens een trek, die een tiental eeuwen duurt. Later ontwikkelen zich industrieën in N. Afrika, maar ook in Frankrijk, waar men klaarblijkelijk vuurstenen, messen en gros maakte. De industrie geeft aanleiding tot verdere technische verbeteringen en aanpassing aan het ter plaatse gevonden materiaal. Hierdoor ontstaat een steeds verder gaande differentiatie, die eerst in Europa, later ook in N. Afrika, voert tot het gebruik van zeer doelmatige, maar van plaats tot plaats verschillende technieken. Overigens mogen wij niet vergeten, dat de beschikbare werktuigen en het materiaal voor een groot deel de vorm zowel als de techniek zullen bepalen, zodat alle wapens en werktuigen uit het stenen tijdperk uiterlijk een grote overeenkomst blijven vertonen.

Wat Egypte betreft: de binnenzee in de Sahara maakte een geheel andere verdamping en neerslagverdeling mogelijk dan nu. Een groot deel van Afrika is onvruchtbaar door een te kort aan neerslag. Wolken uit de Atlantische Oceaan ontladen zich, wanneer zij door een bergketen worden tegengehouden. Andere delen van het land worden niet bereikt. Vroeger heeft dan ook op plaatsen, waar nu woestijn is, een savannah-achtig landschap en bebossing bestaan. Vooral rond Boven-Egypte was er sprake van werkelijk dichte wouden en in het zuiden vinden wij meer moerassen, een parkachtig landschap, dat in savannah ’s  over kan gaan.

Door aardverschuivingen werd de harde laag, waarop de binnenzee stond, gebroken. Ook rivieren wijzigden hun loop. Voor dit gebeuren pleit het feit, dat onder de Sahara wel degelijk verschillende grote rivieren stromen, maar met grote verschillen in diepte. Enkele van deze onderaardse wateren lopen op 15 tot 60 m. onder de oppervlakte. Er zijn ook grote stromen, die rond 450 m. beneden het oppervlak liggen. Door verdamping plus sijpelen vermindert het water. Daardoor komen minder wolken tot ontlading. In betrekkelijk korte tijd wordt de binnenzee tot een reeks van uitdrogende moerassen. Voor het bestaan hiervan pleit nu nog het bestaan van bepaalde zoutmoerassen, evenals de structuur van verschillende wadi’s.

Het ophouden van wateraanvoer, evenals het uitdrogen van kleinere beken doet bladbomen al snel uitsterven. Bomen met langer wortels blijven nog leven. Gebrek aan hout voert al ras – men bouwt in de dan bestaande beschaving nog hoofdzakelijk met hout – tot een verregaande ontbossing. Gevolg: het water verspoelt, de rijke toplagen worden weggespoeld of verstuiven. Zie het dustbowl-probleem, dat voor enkele decaden ook in Amerika optrad. Ook het Nijldal wordt sterk ontbost. Zelfs nu is het aantal bomen, dat daar staat, zeer beperkt. Een uitzondering vormt hier alleen het gebied rond de Nijlvallen. Overigens is het verdwijnen van in overvloed beschikbaar hout aansprakelijk voor het bouwen in tichelstenen aldaar.

Zeer waarschijnlijk heeft Egypte zijn grote beschaving en uitzonderlijke cultuur dan ook te danken aan het wegvallen van de bossen, het vergaan van de binnenzee in de Sahara. De isolatie, die zo ontstaat, geeft gedurende lange tijd zekerheid tegen invallen van rondtrekkende volken en rovers en bevordert een afzonderlijke ontwikkeling op basis van het van oude bekende.

  • Waar zijn de 10 stammen van Israël gebleven? 27.000 mensen werden weg geleid. Joodse hiëroglyfen worden in China aangetroffen, terwijl men ook beweert, dat de Angelsaksen van hen afstammen.

Een compliment voor de vruchtbaarheid van de 27.000 mensen. Wij kunnen hier een ander antwoord vinden. Wij weten, dat de Joden, die na wegvoering ergens achterbleven, voor een groot deel in de plaatselijke bevolkingen opgingen. Zij vormden daarin bepaalde beroeps- groepen; het joodse ras in Nederland is het beste bewijs voor een opgaan van het Jodendom in een gastland. Dit heeft niets te maken met het Judaïsme. Vóór, tijdens en na de wegvoering door Sargon hebben grotere en kleinere groepen van het volk zich op laten gaan in andere volkeren. De orthodoxen vormden aparte groepen, die langere tijd eigen cultuur bleven bezitten. Voorbeeld: de Joden in Rusland en Polen. Zij drijven veel handel, worden rijk en zullen in vele landen gedurende bepaalde perioden in de topgroepen van de bevolking worden opgenomen. In Engeland is, vooral sedert het ontstaan van de geldaristocratie, de hoeveelheid joods bloed in de topklasse aanmerkelijk verhoogd. Toch zijn de Angelsaksen geen Joden van origine.

Degenen, die zich op de verdwenen stammen blindstaren, vergeten dat een andere duiding mogelijk is. Twaalf is een kosmisch getal, dat voor het totaal van de Schepping kan staan. Als zodanig zijn alle mensen, die deel weten te hebben aan het verbond tussen God en mens, deel van een der 12 stammen. Zijn zij geen Joden, dan behoren zij dus automatisch tot een van de 10 stammen. De verdeling in stammen vindt dan plaats aan de hand van ras, geloof en leefwijze. Alleen op deze wijze is het voor mij aanvaardbaar, dat de 10 verloren stammen zich ook vandaag als stam openbaren. Wat het joodse schrift betreft: dit vindt men inderdaad in China terug, zelfs betrekkelijk vroeg. Daarnaast vinden wij dit in Indië, Mongolië, Siberië, Koerdistan en Afrika. De oude Joden hadden, vooral wanneer zij weer eens verdeeld of weggevoerd worden, de gewoonte zich in hoofdzaak aan de handel te wijden. Daarbij brachten zij hun cultuur ook in andere landen. Zij waren geen arme zielen, die alleen centen zaten te tellen, maar in vele gevallen begaafde diplomaten, of grote avonturiers.

Zo is te bewijzen, dat vanaf Salomon een groot deel van de zijdehandel ruim 800 jaren in joodse handen is geweest. Men vergeet dit alles en meent, dat Israël nooit een grootmacht is geweest. Daarbij vergeet men dan tevens, dat bv. Salomo een zeer grote vloot had, evenals een voor deze tijd nog onvoorstelbaar aantal strijdwagens; daarnaast bezat hij kopermijnen en dergelijke. De mijnen, zowel als enkele belangrijke havenplaatsen, lagen aan de Rode Zee.

Aan de hand van de Bijbel en de overlevering kunnen wij verder vaststellen, dat hij handel dreef met verre gebieden. Is het niet logisch aan te nemen, dat ook zo de Joden handelsnederzettingen in het rijk van de Hindoes gesticht hebben, maar zelfs hun handel via de kustvaart uit wisten te breiden tot China en Japan? Degene, die de in de Bijbel genoemde stoffen vergelijkt met de rijken, waarin men joodse hiëroglyfen aantreft, zal toe moeten geven, dat in de tijd van de grote vorsten van Israël een verspreiding van Israëls kennis en godsdienst kan hebben plaats gevonden. Uit plaatselijke overleveringen in N. Azië kunnen zij zelfs lezen, dat vreemdelingen tempels bouwden, waarin een onzichtbare God, die zij aanbaden, zich zou openbaren in de bliksem, of in een vlam. M.i. een bewijs te meer, dat de joodse eredienst en ongetwijfeld ook joodse gebruiken over een groot deel van de vroeger beschaafde wereld verspreid zijn geweest. Een geloof aan tien stammen, die onder het mom van andere volkeren of rassen, in de wereld ook nu nog bestaan, is niet noodzakelijk. Aan te nemen, dat 27.000 mensen een zó grote invloed hebben gehad, dat zij de voorvaderen van vele volkeren, waaronder de Angelsaksen, zouden vormen is dan ook m.i. niet juist.

  • In deze dagen geven jonge predikers, vaak zonder veel studie, ons veel, door de overtuiging die zij aan de dag leggen. Hebben ook dezen een bijzondere inwijding ontvangen?

Een prediker, die eenvoudig is en juist daarom zijn geloof als een vaststaand geheel ervaart, zal met meer overtuiging kunnen spreken dan een geleerde. Daar tegenover is de theoloog vaak zozeer in mogelijkheden, geliefde interpretaties en stellingen verward, dat hij vergeet direct tot de mens te spreken. Luister eens naar de radio, hoe geleerder de prediker, hoe minder boeiend zijn betoog in de zin van begeesterend. Het wordt eerder een interessante les, waaruit men iets kan leren. Het gaat dan niet meer om een godsdienstig beleven, maar eerder om het voor en tegen van een bepaalde stelling. Er is dus voor de jonge prediker geen bijzondere inwijding noodzakelijk. Wie geheel gelooft in hetgeen hij zegt en dit niet wil rationaliseren, zal anderen door zijn innerlijk weten kunnen begeesteren. Een mens, die werkelijk gelooft, is in staat zijn geloof waar te maken door te handelen, alsof dit – ondanks het ontbreken van bewijs – een waarheid ware, waardoor hij in staat zal zijn anderen van de waarheid van zijn geloof te overtuigen. Degene, die een geloof zegt te verkondigen, terwijl hij in zich verward is en niet weet, wat hij precies gelooft, zal zijn verwarring en de in hem bestaande tegenstellingen gemakkelijker aan anderen overdragen, dan de zekerheid, waarin hij eens hoopt te leven.

  • Als je bent overgegaan, mag je dan een tijd rusten?

Mogen wel, maar het wordt al vlug vervelend, want als je over bent gegaan, ben je niet moe meer. Wanneer je niet moe bent, is er geen reden tot rusten, dus kiest men een taak.

  • In elke sfeer kan men een eigen taak kiezen.

Naarmate het inzicht groter wordt, zal deze vrijwillige keuze meer in overeenstemming komen met hetgeen men ziet als kosmische noodzaak.