Geestelijke bewustwording

uit de cursus ‘Kosmische filosofie’ januari 1959

Wij weten allen dat de geest een reeks van ontwikkelingen door­maakt, waarvan het menselijk leven slechts een vaak betrekkelijk onbetekenende factor is. Geestelijke bewustwording strekt zich dus veel verder uit dan op basis van het stoffelijk waargenomene en ervarene aannemelijk zou schijnen. We zullen allereerst trachten u duidelijk te maken, waarom de geestelijke bewustwording belangrijk is; in de tweede plaats wat de zin is van deze bewustwording; in de derde plaats waar­om een bepaalde voleinding voor deze bewustwording onzes inziens logisch en aanvaardbaar zal zijn.

De bewustwording van de geest, beginnende dus in de eerste chaos, is gebaseerd op een behoefte aan assimilatie en uitbreiding. In de geest ontstaat een reeks van bewustwordingen die vertaald kunnen worden als beelden; beelden die op de duur praktisch identiek zijn aan de buiten die geest bestaande werkelijkheid. Hoe verder dit beeld zich uitbreidt, hoe meer omvattend dit wordt, hoe meer de geest congruent wordt met het werkelijke heelal. Wij hebben in de vorige les reeds over deze congruentie even gesproken, zij het t.o.v. een meer beperkt vlak.

De geest die stil blijft staan, is geïsoleerd. Wanneer een bewustwording tot stilstand komt, heeft de geest geen werkelijke betekenis. Zij leeft niet meer en is niet meer bewust. Slechts door een voortdurende wisselwerking tussen haar innerlijk kennen, haar innerlijke wereld en hetgeen buiten haar bestaat, komt zij tot een perfecte realisatie van zichzelf. Deze realisatie van het “ik”, voortdurend gecontinueerd, is in feite: leven.

Voor de geest is dus het bestaan een noodzaak. Zonder dit zou zij terugvallen in het niet en daarbij de pijn ondergaan van een zelfvernie­tiging, een stilstand of teruggang. Wil zij ontkomen aan de ongetwijfeld zeer onaangename consequenties van een rusten of een teruggaan, dan zal zij voortdurend met buitenwerelden in contact moeten blijven en uit deze buitenwerelden bepaalde waarden voor zichzelf assimileren. Natuurlijk zal er een ogenblik komen dat er niets meer te assimileren is en niets meer op te nemen. Dat punt betekent het sterven van de geest in de zin waarin wij leven kennen. Dus haar bestaan als onafhankelijke entiteit wordt vervangen door een stilstand.

Maar nu het eigenaardige. Wij weten dat in het menselijk bewustzijn verschillende afzonderlijke bewustzijnsfasen zijn, die voortdurend t.o.v. elkaar werkzaam zijn. Denkt u eens aan bewustzijn en onderbewustzijn, aan directe ervaring en herinnering. Denkt u eens aan geestelijke invloeden en zuiver stoffelijke impulsen. Allemaal waarden, die t.o.v. elkaar werken en die a.h.w. het spel der beleving aan de gang houden. Nu blijkt ons uit verschillende onderzoekingen van hogere geesten, dat naarmate je dichter komt bij het Alomvattende, bij het Al‑begrip, je ook meer deze verdeling in verschillende factoren ondergaat. Klaarblijkelijk is het geestelijk bewustzijn ingedeeld in wat wij zouden kunnen noemen: afde­lingen abstract en vorm. Daarnaast vinden wij de tegenstelling van schepping en ondergang, of leven en dood. Deze tegenstellingen zijn zo groot, dat bij een volledig afgerond en evenwichtig zijn van deze binnen het “ik”, zonder verdere noodzaak tot uiting of inwerking van buitenaf, een volledig bewustwordingsproces zich voortdurend af­speelt, waarin het totaal van het Al wordt gerealiseerd. Het geeste­lijk bewustzijn gaat dus aan de eindfase klaarblijkelijk over in een ander soort bewustzijn, dat niet meer de behoefte heeft aan buiten het “ik” staande factoren. Wij menen dat dit laatste aanvaardbaar is.

De gronden daarvoor zijn de volgende;

Een oneindig verder groeien zou betekenen een doelloosheid van het bestaan. Want waar geen einddoel bestaat, geen mogelijkheid tot voleinding, is elk streven nutteloos. De schepping leert ons, dat alle zaken wel degelijk ontworpen zijn met een zeker nut, dat alle stoffelijke en geestelijke vormen beantwoorden aan bepaalde regels en wetten. Het bestaan van deze wetten doet ons veronderstellen, dat er een einde is aan het Al, zij het, misschien ook een einde dat voor ons niet waarneembaar is. Dit impliceert dat er ook een einddoel moet bestaan voor de geest.

Wij weten uit ervaring, dat het opnemen van buiten ons liggende waarden en factoren, de grootste, zo niet belangrijkste rol speelt in het totaal van ons leven. De geest bepaalt haar eigen geluk of ongeluk aan de hand van hetgeen zij van buitenaf heeft opgenomen, plus de wijze waarop zij dit innerlijk verwerkt. Het is logisch om aan te nemen dat dit proces tot de voleinding moet doorgaan. Gelijktijdig is in ons de gedachte aan eeuwigheid als een soort dwang vastgelegd. Wij menen dan ook ‑ mede op basis van waarnemingen ‑ eeuwigheid (dus een buiten de tijd bestaan) als een zekerheid te moeten aannemen. Bestaat deze zekerheid, dan moet de vooromschreven voleinding voor de geest mogelijk zijn.

Nu ik hiermee allereerst een paar korte vragen heb beantwoord die ik ‑ in uw plaats tredende ‑ mijzelf heb gesteld, wordt het dienstig het proces der geestelijke bewustwording nader te bezien en te trachten voor onszelf duidelijk te maken, wat deze bewustwording eigenlijk inhoudt, hoe zij werkt en op welke wijze zij in verschillende werelden gecontinueerd wordt.

In de eerste plaats weer: De bewustwording van de geest vindt ‑ volgens alle ervaringen onzerzijds ‑ in een voortdurend geconfronteerd worden met materie plaats. Dit geldt niet alleen voor uw wereld, maar evenzeer voor wat wij noemen de lagere geestelijke werelden, waarin wij ook met een ‑ zij het fijnere ‑ materie te maken hebben. Daarnaast blijkt dat deze wisselwerkingen ook voor grotere geesten bestaan, die als be­zielende kracht kunnen optreden voor planeten en sterren en zelfs voor samenvattingen van vele sterren en sterrengroepen of zelfs nevels. Logischerwijze is dus deze werking van geest en stof een van de hoofdfactoren van elke geestelijke bewustwording. Ons afvragende wat dan in dit contact tussen geest en stof het feitelijk groeien van het bewust­zijn mogelijk maakte, kwamen wij tot het antwoord. Dit is ten dele kennis, ten dele wil, ten dele emotie.

Er is hier geen absolute scheiding te trekken. Wil, omdat een voortdurend begeren aansprakelijk is voor al hetgeen we vanuit ons zelf volvoeren. Het kennen van een doel ‑ zij het bij benadering is noodzakelijk om te kunnen streven. Kennis is dus klaarblijkelijk ook nood­zakelijk, zelfs voor de geest En zij kan niet zonder enige kennis een volledige bewustwording doormaken. En dan verder de emotie. De ervarin­gen, die wij hebben opgedaan met de stof tonen aan dat juist een emotio­neel ervaren, of dit nu schrik, vreugde, bevrediging, onrust of honger is ‑ het sterkst wordt doorgegeven aan de geest. Een gewoon gebeuren gaat meestal aan de geest voorbij. Het kan op die duur emotionele span­ningen doen ontstaan, die wel voor de geest betekenis gewinnen. Maar zij kent de wereld alleen ‑ hierbij verwijs ik naar de vorige les ‑ uit het beeld dat men zich maakt van de wereld en de verhouding waar­in men tot die wereld staat. Er is nooit sprake van een gekende waar­heid of werkelijkheid.

De geest leeft nu in de stofwereld. In die stofwereld ondergaat zij velerlei emoties en elk van die emoties betekent een beeld. Maar die beelden vormen geen aaneensluitend geheel. Degenen, die overgaan, tonen ons heel vaak hoe groot de hiaten zijn, die schuilen tussen de verschillende belevingen. Misschien kunnen wij dit ten dele wijten aan de beperkingen, een zekere hypocrisie op aarde. Maar ook van andere planeten worden gelijksoortige ervaringen gemeld. Wanneer hiaten bestaan, dan blijken deze juist een verlangen naar het ongekende te doen ontstaan. Men begeert niet het gekende, maar het ongekende; de honger om de hiaten te vullen.

Als ik in de stoffelijke wereld gefaald heb, hetzij door bepaalde emoties eenvoudig terzijde te schuiven, hetzij door bepaalde verplichtin­gen en de daaraan gepaarde ervaringen te ontvluchten ‑ kom ik in de gees­telijke wereld dus met bepaalde ontbrekende factoren, zonder dewelke ik niet kan komen tot een realisatie van een nieuw bestaan. Het ge­volg is, dat in geestelijke sferen bepaalde stoffelijke omstandigheden worden gesimuleerd en aan de stof verwante bezigheden worden voortgezet. Wij zien dit o.a. als een voortzetten van studies, een vervolgen van stoffelijke bezigheden. (In Zomerland kunt u ook een bakker vinden, die brood bakt, ook al is het helemaal niet meer nodig.) En daarnaast het op zich nemen van taken van meer geestelijk gehalte, zoals het geven van leringen aan lagere geesten of aan de stof of het vervolgen van geeste­lijke studies in contact met hogere wezens. Al deze dingen tezamen zijn niet bedoeld om het “ik” nu te verheffen, ook al zeggen wij dat heel vaak. Zij hebben alleen ten doel de hiaten die in ons geestelijk bewustzijn be­staan, aan te vullen ‑ althans te overbruggen ‑ zodat een vredig aan­vaarden van een geestelijke sfeer ons geheel mogelijk wordt.

Gaat men uit een dergelijke sfeer terug tot de wereld, dan zullen de compenserende werkingen, die men bv. in Zomerland voor zichzelf deed ontstaan door bezigheden, studie etc. worden vervangen door een gelijk­soortig stoffelijk streven. Bij reïncarnatie schijnt de geest dus haar innerlijk beeld vollediger te willen maken door in de eerste plaats voer­tuigen te kiezen, bijzonder geschikt voor het vervullen van bepaalde ta­ken, het ondergaan van bepaalde belevingen. In de tweede plaats door haar eigen streven als een zeer sterke wens daarin uit te drukken. De conclusie is duidelijk.: Bij geestelijke bewustwording, ongeacht het feit dat het hier om een volledig innerlijk proces betreft ‑ is elk niet volledig aaneensluiten van het wereldbeeld in het “ik” voldoende om de noodzaak te scheppen tot belevingen buiten het “ik”.

Gaat men verder in de sferen – wat ook kan voorkomen ‑ dan zal allereerst opvallen dat de bezigheden die in de geest werden verricht, voldoende emoties en spanningen hebben doen rijzen om daaruit te komen tot een aanvulling van het “ik”. Een wegvallen dus van de gapingen in het bewustzijn. Vreemd genoeg speelt hier ‑ zelfs voor degenen die in lichte sferen werken ‑ soms ook een betrekkelijk grote rol. Wij we­ten bv. dat geesten die toch werkelijk verlicht zijn, afdalen naar lagere sferen en in contact komen met demonen, dus geesten der chaos. Zij ondergaan daarbij vaak een zeer grote angst, ofschoon zij krachtens hun wezen voor dergelijke geesten onaantastbaar zijn. Het blijkt dat dit realiseren van het tegendeel van geestelijk bewustzijn, het geestelijk onbewustzijn, nagestreefd door de demonen, een buitengewoon egaliserende werking heeft op het totaal van het innerlijk, zodat evenwicht ontstaat. Daarnaast vreugden, contacten met hogere geesten die eerst als goden worden gezien, later meer en meer begrepen worden als abstracte ervaringen.

Hogere sferen komen tot een prijsgeven van alle vorm en alle beleving, maar kunnen ook dan nog gemoeid zijn in een soms verschrikkelijke strijd. Het is een strijd van ideeën, waarbij dus eigen bewustzijn omtrent goed, een reeks van gedachtebeelden in de wereld doet uitzenden en dan als tegenwerking van uit die wereld (en daarmee bedoel ik hier de kosmische wereld, niet alleen uw aarde) een sterke tegengerichte gedachte die geest belaagt. Men ondergaat ook hier nog twijfels, men ondergaat ook hier soms nog angst en kent hier ook de vreugde van volbrenging, de vreugde van overwinning. Dit schijnt noodzakelijk te zijn voor een verdere vorming.

Als een tweede puntje wil ik hier verder wijzen op de eigenaardige gesteldheid van het geestelijk bewustzijn zolang het niet volledig is. Men zou denken dat de geestelijke ontwikkeling een voortdurend uitbreiden van een gebied betekent. Dat men dus van een middelpunt uitgaat en langzaam maar zeker alle lege vlekken daaromheen invult tot een volledig bewustzijn en daarmee de vooromschreven nieuwe sfeer bereikt wordt. Dit is niet zo. Het geestelijk bewustzijn bestaat uit een vaak zeer groot aantal afzonderlijke fragmenten. Als wij ons de geest willen voorstellen als een cirkel, dan kunnen wij ons die cirkel indenken als met vele niet‑samenhangende sproeten of vlekken bedekt. Van vlek tot vlek wordt vaak een verbinding gevormd en wij zullen heel vaak constellaties zien, die doen denken aan de tekeningen der Marskanalen door Schaparelli. Daartussen blijft echter terra incognita blanco terrein waarin geen erkenning heeft plaatsgevonden.

Het gevolg is dat de nadruk steeds komt te liggen niet op één maar op twee gebieden. Bij de geestelijke bewustwording is de innerlijke honger niet eenzijdig maar tweezijdig, omdat een innerlijk evenwicht behoort tot de behoeften van de geest. Zij kan dus niet een zijde van haar wezen verder ontwikkelen zonder gelijktijdig ook een tegengesteld deel van haar wezen een ontwikkeling te geven. Wij zien daarbij o.m. dat weten wordt gecompenseerd door emotionele bewogenheid. Wij zien dat geloof en vertrouwen daarnaast door een Gods-ervaren worden gestimuleerd. Er bestaat tussen deze dingen altijd een band ‑ tenminste in het menselijk bewustzijn. Ze zijn echter in kaart gebracht op de geest, meestal centra die tegenover elkaar liggen vanuit het middelpunt gerekend. De conclusies die ik hieraan wil verbinden: Waar steeds twee punten belangrijk zijn voor de bewustwording en niet een is – een dualiteit, niet slechts in de stof, maar ook in de geest ‑ te verwachten en zij is zelfs een grondeigenschap van elke geest die een bewustwording verder ondergaat.

Een derde punt. De inhouden van eigen wezen zijn zo verschillend dat voor praktisch elke uitdrukking een beginpunt kan worden gevonden. Wat men dus ook zou willen doen op een wereld of in een sfeer, er is steeds wel een aanrakingspunt. Dit aanrakingspunt is echter niet datgeen wat men wil. Hetgeen men wil ligt steeds in die terra incognita. In deze wereld van het onbekende. Het uitgangspunt ligt steeds aan de grens ervan. Bij de geestelijke bewustwording zal de geest in zichzelf nooit de richting kunnen bepalen waarin zij ‑ van uit een bepaald gekend punt uitgaande ‑ de haar onbekende gebieden voor zichzelf verder realiseert.

Deze punten tezamen gevat, hebben ons een misschien wat technisch beeld gegeven van de geestelijke bewustwording. Om nu deze vooral van uit een stoffelijk standpunt wat meer te benaderen, moeten wij ons voor­stellen, hoe elke waarde in het leven voor het geestelijk bewustzijn iets betekent. Hierbij zullen de voor u misschien onbetekenende of be­langrijke zaken een geheel ander aspect krijgen. Denk nooit dat een stof­felijke waardering ook maar enigszins gelijk kan komen aan de geestelijke waardering en betekenis. Hier zal ik allereerst enige voorbeelden geven.

Eerst in het groot.

Er is oorlog. Er sterven ontelbare mensen. Er worden mensen in kampen doodgemarteld, anderen verhongeren of strijden, gedragen door een haast ontembare haat voor wat zij hun vrijheid noemen. In deze wereld zou schijnbaar het overleven ‑ voor de mens zo belangrijk geworden ‑ de voornaamste factor zijn. Vreemd genoeg zijn het niet de grote dingen die hier tellen. Voor de geest is het vernietigend aspect van de oorlog als zodanig onbelangrijk. Belangrijk is slechts de razernij, waarin men plotseling een vijand tracht te doden. Belangrijk voor de geest is niet de harteloze wreedheid, waarmee men in de kampen tegen de gevangenen tekeergaat of tegen elkaar; voor de geest is belangrijk de wijze, waarop men daarop reageert voor zichzelf, soms opvlammend in een felle haat, soms komende tot een aanvaarding, die later haast ongeloofwaardig schijnt te zijn. Het is de persoonlijke reactie, die voor de geest betekenis uitmaakt. Wanneer een wereld ondergaat, kan die wereld misschien een besef van vrees en van schoonheid wekken.

Deze twee begrippen zijn dan het enige dat telt. Niet het lijden van de wereld, niet het uitblussen van een, gehele cyclus van ontwikkeling. Alleen de schoonheid die werd ervaren en de angst die werd ervaren. Wij brengen dit nu over in een wat kleiner verband. U heeft misschien duizend dingen gedaan die alle met geldwaarden te doen hadden. U hebt gekocht en verkocht en het schijnt uw leven uit te maken. Vreemd genoeg geldt voor de geest meer die ene keer, dat u bewust uzelf tekort liet doen (uit medelijden bv. voor een ander), die ene keer dat u zich iets onrechtmatig hebt toegeëigend, terwijl u wist dat het u niet toebehoorde. Dit zijn factoren die voor de geest bewustwording betekenen.

Deze dingen blijven in u gegrift en zijn ten eeuwigen dage een beginpunt, van waaruit u verder kunt gaan om onbekende ervaringen en gebieden u eigen te maken. Wij kunnen dit echter nog kleiner stellen. U hebt misschien duizend dagen gewerkt in uw leven, maar op een dag overkomt u een klein ongelukje. U steekt bv. met een naald in de vinger, met een hamer op uw duim, of iets dergelijks. Een normaal voorval. Door dit voorval krijgt u ineens een afkeer, een woede tegen uw werk. U gaat het ineens vanuit een ander standpunt bezien. Hier ligt de waarde voor de geestelijke bewustwording.

Het zal u allen nu duidelijk zijn dat we hier toch werkelijk met innerlijke processen te maken hebben, die eigenlijk ver staan van elke beschouwing van uiterlijke omstandigheden. Er is geen norm te trekken, die vaststelt in welke verhouding stoffelijk beleven en geestelijke bewustwording ooit kunnen staan. Dit geldt ook voor alle sferen. Er is geen enkele maatstaf te vinden, die de overeenstemming aangeeft tussen de wereld en de vormen, waarin je je beweegt en je eigen geestelijk bewustzijn.

Opvallend ‑ voor ons althans‑ is echter het feit, dat de lege vlekken, door mij terra incognita genoemd, gelijktijdig blinde vlekken zijn. U kunt in de geest alleen ervaren wat in verband staat met het gekende. Uw uitwisseling met de buitenwereld kan alleen plaatsvinden op grond van gekende waarden.

U had misschien gedacht, dat de stoffelijke ervaring of de beïnvloeding van buitenaf dus die terra incognita zou invullen. Dat is niet waar. Dit gebeurt vanuit het “ik” en in het “ik”. De uiterlijke omstandigheden kunnen aanleiding daarvoor zijn, maar in de meeste gevallen is het de geest zelf, die eerst begint haar ideeën en gedachtewereld, als in het” ik” besloten, aan te vullen, voor zij ertoe kan komen deze buiten zich te ervaren of zelfs in een daad om te zetten en uit de drukken.

Toch vinden wij juist in die bewustwording sommige zeer eigenaardige verschijnselen. Om enkele ervan te noemen: Het plotseling bewustzijn van kracht; of tegengesteld, verlatenheid. Het plotseling a.h.w. kennen van elke gedachte in de omgeving van plant en dier, die van mens, kortom van alles, En daartegenover het plotseling niets meer kunnen begrijpen, omdat alles anders gaat dan het uw inziens zou moeten gaan. Een ander voorbeeld: U hebt ogenblikken dat andere werelden u reëler schijnen dan uw eigen wereld. Een uitwisseling van werkelijkheid. Gelijk­tijdig echter wordt ‑ in die uitwisseling uw eigen wereld belangrijker. Want daarin wilt u de erkenning van die tweede wereld zien.

Het zijn deze tegenstellingen, hier opzettelijk in meer stoffelijke zin gekozen, die ons bij de geestelijke bewustwording toch wel de kern van de zaak beginnen aan te tonen. Het gaat niet om de kracht, die wij bezitten of om de verlatenheid, die wij ondergaan. Het gaat om de wijze, waarop wij van onszelf bewust zijn. De kracht is een realisatie van eigen aanwezig zijnde krachten en vermogens. De verlatenheid is het zich bevinden in terra incognita, in onbekend terrein en niet meer de verbinding kunnen vinden tot de kracht, tot het eigen wezen en eigen inhoud.

Nu komt dit natuurlijk niet alleen stoffelijk voor. Wij kennen deze toestanden ook voor de geest. Ofschoon er voor de hogere geest geen leiding bestaat, bestaan er fasen van eenzaamheid of verlatenheid, die afgewisseld worden met een absoluut contact met omgeving en sferen. De andere gevallen zijn eigenlijk weer een weergave van hetzelfde principe. Klaarblijkelijk wisselt de geest in haar bewustzijn tussen de kenbare wereld, die zij in zichzelf draagt en een onbekende wereld, waaruit ze zelfs in haar verlatenheid in feite krachten put.

Het volgende beeld wordt over dit innerlijk proces gegeven door een van onze oudere broeders: het ongekende is het paradijs van de mens. Deze vreemde plaatsen zijn geheel anders dan wat hij kent. Want zijn kennen is een realisatie van het Goddelijke. In het ongerealiseerde echter kan hij wandelen met God. Het gevolg is dat elk contact ‑ elk nauwer contact ‑ met het Goddelijke leidt tot een gelijktijdig afgesloten zijn van zijn eigen wereld en wereldbewustzijn.

Het is dit proces dat in de allereerste plaats aanleiding geeft tot het gevoel van verlatenheid. Zou de geest zover kunnen komen dat zij ook in haar uitdrukking de goddelijke kracht doet ervaren, zonder daarbij het wereldverlies te betreuren, dan is de wonderdadige kracht in de geest een scheppende geworden en creëert zij in het ledige onmiddellijk goddelijke glorie en volmaakte vorm van uit zichzelf. Waar dit voorkomt, is geen beleven of contact met de buitenwereld nodig. Een voorbeeld, dat ik zo even ook al gaf: Het plotseling begrijpen of helemaal niet‑begrijpen van de omgeving.

Het is misschien goed dat ik ook hieraan enkele woorden wijd. Het plotseling verstaan, begrijpen van de omgeving, komt voort uit een gevoel van harmonie, dat zult u met mij eens zijn. Deze harmonie berust geestelijk echter op een erkennen van dingen, die ‑ eens onbelangrijk geacht ‑ nu tot een intrinsiek deel van eigen wezen zijn geworden. Op het ogenblik dat dit begrip optreedt, zijn een aantal eerst afzonderlijk gelegen punten van bewustwording tot een geheel verbonden. Naarmate meer van de aanwezige punten van bewustzijn in de geest verbonden optreden, zal het geheel een meer harmonische werking vertonen ten opzichte van elke mogelijkheid van uiting, elke beleving of beïnvloeding van buitenaf.

Bij verlatenheid maar onbegrepen zijn en onbegrip is het omgekeerde het geval. Hier verbreekt men bewust of onbewust de verbindingen, die ijl gevlochten worden tussen verschillende centra van geestelijke bewustwording binnen de geest en is de verdeeldheid van het wereldbeeld gelijktijdig zo verwarrend dat geen redelijk contact met de buitenwereld meer kan worden verkregen, zowel in de geest als voor haar uiting.

De zin van dit vormen van ketenen van punten van bewustzijn, of het verbreken van elke band tussen die punten, ligt in de kern van de geest zelf. Wanneer wij voortdurend in staat zouden zijn tussen die kleine punten van ons wezen ‑ die op het ogenblik het werkelijk weten, het werkelijk “ik”‘ uitmaken in de geest ‑ om een band in stand te houden, dan zou er geen behoefte zijn tot uitbreiding. Het ontstaan van de isolatie, het verbreken van deze banden dus, is in feite niet meer of minder dan voor zichzelf de noodzaak scheppen bepaalde van die centra althans uit te breiden. Hoe, heb ik u reeds verteld.

Misschien kan ik hierbij ook nog de vraag aansnijden: Hoe ligt eigenlijk dan die kernwaarde in het “ik”? Welke kracht is het, die ons tot het sluiten of verbreken van dergelijke ketens kan bewegen? Een antwoord op deze vraag te geven is ongetwijfeld moeilijk, omdat wij ons hier moeten gaan bewegen op het terrein van God, iets wat voor ons altijd nog enigszins theorie blijft. Wij nemen aan dat uit God de kern van het wezen (de ziel) is voortgekomen. Stellen wij nu, dat in die God een periodieke realisatie en een periodieke uiting plaatsvindt, dan zal deze periodiciteit zich moeten weerkaatsen in de geest. Verder is het aannemelijk, dat door deze verwantschap kleinere delen van de goddelijke Kracht niet slechts een gelijke frequentie maar zelfs een hogere frequentie van deze verschijnselen kunnen vertonen. Als zodanig zou de polsslag van de kosmos zelf bepalend zijn voor nu eens bindende, dan weer verbrekende tendensen, die geheel binnen het geestelijk bewustzijn besloten blijven en slechts zo nu en dan ‑ maar lang niet altijd ‑ ook naar buiten toe een uiting vinden.

In al het voorgaande heb ik getracht aan te tonen;

  1. Dat de geest een op zichzelf staande kracht is, waarin de bewustwording zich afspeelt en welker bewustzijn geheel gescheiden moet worden gezien van elke andere vorm van bewustzijn, die wij in een bepaalde wereld misschien zullen kennen.
  2. Dat de geest onderhevig is aan beïnvloedingen van binnenuit en dat over het algemeen haar uiting naar buiten toe origineert vanuit deze innerlijke beweegredenen, deze innerlijke beïnvloeding.
  3. Als gevolg hiervan blijkt de geest in haar uitingen niet in de eerste plaats de ervaring door middel van de uiting te verwerven, maar daarin slechts een bevestiging van reeds in haar bestaande waarden en factoren te verkrijgen.
  4. Zij zal ‑ gezien deze omstandigheid ‑ in zich een verzekerdheid gewinnen door haar uitingen. Haar uitingen ‑ onafhankelijk van goed of kwaad al of niet aanvaardbaarheid voor eigen wezen of wereld, betekenen te allen tijde een groter bewustzijn, zolang dit streven niet tevens een streven naar chaos is.

Voor ik mijn betoog geheel besluit, moet ik aan deze chaos ook nog even de aandacht wijden. De chaos is niet, zoals men denkt, een volledi­ge uitblussing van alle bewustzijnswaarden. Een geestelijk bewustzijn kan niet worden uitgeblust. Wel kunnen de verbindingen tussen bepaalde er­varingen verbroken worden (isolatie‑effect, het zich in een put bevinden) terwijl gelijktijdig de waarden daarvan onderling verwis­seld worden, zodat van geen innerlijke evenwichtigheid meer sprake is. Bij een totale verstoring van het geestelijk evenwicht krijgen wij de toe­stand, waarin geen besluit meer genomen kan worden, noch een eigen realisatie kan plaatsvinden. Dan neemt de bindende kracht vanuit de kern van het “ik” hernieuwd de leiding, volledig over en begint een proces van hergroepering en herbewustwording. Het is juist daarom dat wij steeds weer zeggen dat geen geest, geen ziel verloren gaat. Op aarde is men geneigd bepaalde dingen aan de chaos toe te schrijven. Ik meen dat dit niet juist is. Hetgeen voor u op aarde van het geestelijk bewustzijn tot uiting komt, heeft steeds een vorm, heeft steeds een inhoud. Het is nooit volledig zinloos en onsamenhangend. Het is steeds de uitdrukking van een innerlijke toestand. Zodra ware chaos be­reikt wordt, is geen uitdrukking meer mogelijk, omdat een gebrek aan even­wichtigheid en realisatie van het geestelijk “ik”” elke band met de buiten­wereld verbreekt.

In dit betrekkelijk korte betoog heb ik hier getracht weer te geven, wat de geestelijke bewustwording is en wat zij betekent.

Het geestelijk inzicht in verhouding tot het geestelijk bewustzijn

Wij spreken over een geestelijk inzicht op het ogenblik dat onze eigen gesteldheid ons in staat stelt zoveel Parallellen in de wereld buiten ons te ontdekken, dat wij daaruit conclusies omtrent het buiten ons liggende, zowel als het in ons liggende kunnen trekken. U zult begrijpen dat naarmate de bewustwording vollediger is, een groter aantal parallellen mogelijk is. Die mogelijkheid betekent echter niet een realisatie. Wij kunnen dus niet zeggen dat alle inzicht altijd identiek is met bewustzijn of bewustwording of omgekeerd.

Wij moeten stellen dat het verwerven van inzicht ‑ in tegenstelling met het voorgaande ‑ het bewuste contact met het buiten het “ik” bestaande betekent. Inzicht kan de geest nooit gewinnen door alleen in zich te werken en ‑ misschien door de nood gedwongen ‑ zichzelf te uiten. Het is voor haar een absorptie van buiten haar liggende waarden, die zij niet onveranderd voor zichzelf accepteert, maar in een nauwkeurig afwegen en vergelijken met het in haar bestaande gebruikt om de houding van haar eigen wezen en streven t.o.v. buiten haar staande machten en krachten voor zichzelf vast te leggen. Het verwerven van dit geestelijk inzicht maakt het nl. mogelijk om bij elke bewustzijnsuiting een zo harmonisch mogelijk pad te kiezen.

De bewustwording zelf eist uiting, daaraan ontkomen wij niet. Maar de geëiste uiting moet toch wel een klein beetje aangepast zijn aan onze wereld. Want wij beleven in de stof en in een lichaam. Wij beleven in de sfeer, in een voertuig. Wij beleven desnoods in een zuiver geestelijk bestaan, waar een voortdurend elkaar treffen van gedachtebeelden voor ons de wereld betekenen naarmate wij daarmee meer harmonisch zijn, naarmate wij meer aan de eisen van die wereld kunnen toegeven en gelijktijdig toch ons eigen streven volgen, zullen wij door dit inzicht onze eigen bewustwording vereenvoudigen ‑ eventueel versnellen ‑ en zeker tot een prettiger en aangenamer gebeuren maken.

Wanneer een geestelijk bewustzijn zo groot is geworden, dat een werkelijk inzicht in alle wereld verkregen kan worden, betekent het dat zolang men als deel van het Goddelijke nog met geheel van het Goddelijke een contact uit persoonlijk standpunt onderhoudt, men dit contact voortduren zo kan maken, dat de schoonheid en het aangename van het Goddelijke zich voor het “ik” openbaart. Het betekent dat wij door dit inzicht elke tegenstrever, elke geest van chaos kunnen vermijden. Het is dus wel zeer belangrijk dat wij niet slechts een geestelijke bewustwording ondergaan, maar dat wij ook leren een geestelijk inzicht te doen werken op elke uitingsvorm. Het zal u opvallen dat ik hierbij voortdurend spreek vanuit het standpunt van de geest, niet vanuit het standpunt van uw wereld. Dit is noodzakelijk. Vanuit uw wereld kunt u nooit een geestelijk inzicht bereiken.

Elk stoffelijk inzicht kan een breukdeel van een geestelijk inzicht in zich bevatten, maar kan nooit een volledige weergave zijn van de relatie die bestaat tussen het geestelijk “ik” in zijn erkende vorm en de wereld daarbuiten, de kosmos daarbuiten.

Ofschoon ik mij ervan bewust ben dat het voor u zeer moeilijk is om te redeneren van uit het standpunt van de geest, hoop ik toch dat u de volgende argumenten aan een nadere beschouwing zult onderwerpen. Al is het alleen maar om in de stof reeds u enigszins bewust te worden van hetgeen u alzo kan beïnvloeden.

In de eerste plaats betekent het, dat het geestelijk inzicht een beperking betekent van de bewustzijnsuiting. Wanneer men zich bewust is, dan zal men zich volledig willen openbaren en uiten. Men merkt vaak, dat dit niet kan. Wij blijven dan zitten met wat wij noemen een reeks drangwaarden (dus een honger om iets te doen of iets te beleven), maar beperken en bepalen deze tot een uiting, die ‑ erkend als harmonisch ‑ door onszelf aan het “ik” wordt toegestaan. In een dergelijk geval kan een betrekkelijk kleine, maar over het algemeen felle en zeer doorleefde uiting in de plaats treden voor zeer uitgebreide reeksen van beleving. Om het zeer simpel te zeggen: De geest die inzicht heeft in de verhoudingen die er bestaan tussen haar en de buitenwereld, kan een beleving meer betekenis, meer kracht geven en voor de vervulling van het “ik” betekenisvoller maken dan een ander die dit ongericht doet, met een duizend gelijksoortige belevingen zou kunnen volbrengen.

Ten tweede: het geestelijk inzicht houdt geen rekening met stoffelijke normen of wetten, noch met de normen of wetten van een bepaalde wereld. In enkele gevallen zal het geestelijk inzicht de geest er toe brengen een conflict te scheppen in een wereld. Dit is dan een innerlijk moeten. Men voelt dit aan als een haast onontkoombaar iets. Wanneer een mens nu betrekkelijk beheerst is, zal hij dit omzetten in droomleven. Maar hij zal toch altijd een of andere wijze van uiting zoeken ‑ desnoods een symbolische uiting ‑ om daardoor aan deze drang gevolg te geven. Het is duidelijk dat dit voor de geest noodzakelijk was. Want zij, – met haar inzicht in haar eigen onvolledigheid maar tevens met haar begrip voor de waarden van harmonie, die in de kosmos bestaan – heeft een bepaalde beleving met onthouding van alle andere belevingen uitgekozen om daarin haar eigen behoeften in de buitenwereld te openbaren. Zij zal daaruit dan ook vele emoties wekken. En deze emoties, die verwant zijn aan haar wezen, scheppen weer die harmonie. Harmonie, waardoor in de geest een uitbreiding van de punten van bewustzijn mogelijk wordt

Misschien is die vergelijking niet helemaal zuiver. Laat ik dan het beeld hier zo stellen: Men heeft een aantal edelstenen en er is een vaste lichtbron. Wij weten dat er vele flonkeringen in zijn en wij zouden elk facet in zijn flonkering graag willen erkennen. Dan zullen wij elke edelsteen moeten wenden. Wij zullen echter bij een groter aantal edelstenen die wending steeds zo doen plaatsvinden, dat een harmonische schittering van het geheel mogelijk blijft. De harmonische schittering van onze edelstenen is gelijk aan de bewustwording van de geest. Zij heeft steeds nieuwe argumenten aangevoerd. Zij zal caleidoscopisch al hetgeen in haar bestaat steeds weer in andere verhoudingen trachten samen te brengen en gebruikt haar beleven daarvoor als een soort brug. De emotie die uit het beleven wordt gewonnen, is een bevestiging van het al of niet harmonisch zijn. De hergroepering geschiedt dus aan de hand van het experiment.

Het zal u nu duidelijk geworden zijn dat de bewustwording dus in feite plaatsvindt door een zich uiten in de buitenwereld, maar gelijktijdig de waarden van die buitenwereld in het “ik” opvangen. Al wat buiten eigen bewustzijn ligt wordt door de geest niet verwerkt. Maar wat binnen eigen bewustzijn ligt is een bewogenheid en deze bewogenheid maakt een samenvoeging van bepaalde delen van het bewustzijn in de geest mogelijk.

Zolang wij nu hier experimenteel te werk gaan, zonder daarbij gelijktijdig te weten waarheen ons experiment gericht is, kunnen wij geestelijk voor de eigenaardigste verhoudingen komen te staan. Onze wereld zal de meest fantastische beelden vertonen. Wij zullen gelijktijdig ook maar al te vaak ineens vastlopen, doordat rond onze kernen van samengevoegd bewustzijn zich een voor ons onoverkomelijke vlakte van onbewustzijn gaat uitspreiden. Wij hebben dan een reeks van steden, die met elkaar verbinding hebben, maar omgeven worden door woestijn. Dit is niet te begeren, want wij moeten met het geheel van de geest zoveel mogelijk contact hebben. Inzicht is er nu op gericht de verschillende bewustwordingen zo t.o.v. elkaar te placeren, dat alle waarden die in de geest bestaan, voortdurend gewekt kunnen worden en alle delen van het geestelijk bewustzijn in de realisatie van de persoonlijkheid een gelijkblijvend aandeel zullen hebben.

U zult zich afvragen: Hoe kan ik in een dergelijk geval een daad gebruiken om het werk van duizend daden te doen? Ik zal hiervoor graag een voorbeeld geven. Wij hebben ‑ laat ons zeggen – bewustzijn omtrent de natuur, omtrent de kosmos, de krachten in de kosmos dus, omtrent onze, eigen placering temidden van die kracht, ons deel zijn van die kracht, etc. Elk op zichzelf is een afzonderlijk vlekje, een afzonderlijk stadje. Wanneer ik nu voor elk van die dingen een aparte ervaring nodig heb, zal ik dus ‑ tenzij ik een gemene deler kan vinden, een gemeenschappelijk punt dat voor elk van deze afzonderlijke factoren harmonisch is ‑ voor elk afzonderlijk stadje ook een afzonderlijk beleven, ja, misschien zelfs een afzonderlijk leven in de stof nodig hebben.

Het geestelijk inzicht maakt het echter mogelijk om vast te stellen, waar overeenkomsten zijn. Die overeenkomsten breng je terug tot de kern van het wezen. De kern van het wezen is a.h.w. de ziel. Maar de ziel heeft ook haar drang, haar werking naar buiten toe. Wanneer ik nu van uit al­le punten van mijn wezen naar het Goddelijke streef, zoals ik dit als kern in mijzelf draag, dan maak ik daarin tijdelijk een drang overheersend, die voor alles gelijk is. Deze drang kan dan volstaan met een enkele realisatie en één enkele daad en gelijktijdig toch voor alle een bevesti­ging betekenen; in alle dus de mogelijkheid vormen om met die daad (of het beeld) een nieuwer in het “ik” bevat beeld van het Goddelijke te scheppen. Het is uit het “ik” voortgekomen. Het is steeds het nemen van een klein boogje aan de rand van het onbekende. Het winnen van een heel klein gebied erbij. Zoals men bv. sommige wadden inpoldert door steeds weer kleine dijken te leggen en op de duur dus steeds meer land aan het vaste land toe te voegen.

Op deze wijze werkt de geest. Maar elke keer, wanneer zij een dijk heeft gelegd van een idee, zal zij het gebeuren daarin moeten hebben. Zij moet de beelden, de realisaties hebben, die nodig zijn om dit aan te vullen. Het begrip is geschapen. Zij moet dit doen door dus uit het Zijn­de dat buiten haar ligt, de zaak aan te vullen. Zij kan dit alleen doen wanneer zij eerst het bewustzijn heeft van dat terrein. Zij wordt door dit bewustzijn gedwongen tot die aanvulling en komt dus tot de daad. Mits de noodzakelijke daad, beleving of realisatie voor elk gewonnen ter­rein binnen het totaal van het bewustzijn (of voor vele gewonnen terrei­nen binnen het bewustzijn) gelijk zal zijn, zal hierdoor in een ogenblik een enorme uitbreiding van het “ik” (een grotere harmonisatie van het “ik” ook) plaatsvinden.

Het is duidelijk, dat geestelijk inzicht en geestelijke bewustwording samen dienen te gaan. Helaas is dit niet altijd het geval. Voor de mens zou ik daarom het volgende willen stellen: Realiseer u, dat sommige dingen voor alle fasen van uw bestaan gelijkelijk belangrijk kunnen zijn. Luister steeds naar uw innerlijke stem, maar richt uw beleving steeds volgens het menselijk mogelijke en aanvaardbare. U kunt geen werelden veranderen, ook al krijgt u soms die impuls van binnenuit. Maar u kunt het geestelijk inzicht stoffelijk dupliceren door een enkele daad te stellen, waardoor u een deel van uw wereld helpt verbeteren. Dit betekent dat de noodzakelijke realisatie voor het geheel in u heeft plaatsgevonden.

Op deze wijze kan men zelfs in de stof ‑ vaak de marionet zijnde van de geest en soms een onhandelbare marionet zelfs ‑ komen tot een meewerken met de geest en een bevorderen van de geestelijke bewustwor­ding door het inzicht dat in de geest zo belangrijk is, in de beperk­te waarden van de stof zoveel mogelijk toe te passen. Op deze wijze wordt een verhoging van eigen wezen bereikt en een vergroting van har­monie met het Goddelijke, waaruit ‑ zowel voor de voertuigenen als voor het geestelijk wezen zelf ‑ een vergroting van potentie voortkomt, die op de duur de aanpassing, de volledige aanpassing aan het Goddelijke mogelijk maakt.

De mens in het Goddelijk scheppingsplan

De vorm mens of mensachtige is in de eerste plaats een bewustzijnsvorm. Wij moeten ons wel realiseren dat in het goddelijk scheppingsplan alle fasen van bewustzijn gelijktijdig tot uiting komen. Daarenboven zal aan elke bewustzijnsvorm een daarvoor passend voertuig in de materie worden gegeven, zodat de mens, en qua voertuig en qua bewustzijn, een zekere fase uitmaakt van het Goddelijke.

De betekenis van de mens voor het Goddelijke is moeilijk te omschrijven. Het is even moeilijk om de betekenis te omschrijven van een marmerplaat of een bouwsteen t.o.v. de St. Pieter. Dit is wel zeer moei­lijk. Omgekeerd kunnen wij echter wel stellen: Wat is voor de mens en het menselijk bewustzijn de betekenis van het Goddelijke? En dit kunnen wij al­lereerst wel zo stellen: Wanneer het bewustzijn “mens” bereikt wordt, treedt een zelfbeschouwing op. Deze zelfbeschouwing doet een erkennen van relaties met hogere krachten ontstaan. Zodra wij de vorm mens of mensachtige hebben, krijgen wij te maken met een bewust godsbegrip, een bewuste godsrelatie.

Elke erkenning binnen een voertuig betekent voor de geest de noodzaak deze erkenning te verwerkelijken. De vorm van de mens is dan ook in het goddelijk scheppingsplan aangepast aan een scheppend principe. Wij kunnen natuurlijk aannemen dat mensachtige vormen in velerlei materie kunnen ontstaan, met velerlei verschillende stofwisselingsprocessen, met velerlei verschillende bouwvormen. Maar een ding zullen zij gemeen hebben. Mens of mensachtige is te allen tijde bevoertuigd met

  1. Zelfstandige voortbeweging;
  2. Hanteringsmogelijkheden (voor de mens dus hand met reversibele duim)
  3. Een waarnemingsvermogen, dat reproductie van het waargenomene mogelijk maakt (voor de mens bifocaal zien);
  4. Een gehoorsysteem dat tenminste in staat is in een zekere scala van geluidstrillingenverschillen te onderkennen en deze met emoties en ervaringen te verbinden.

Dit alles nl. is noodzakelijk om de scheppende gedachte, die uit het zelfbeschouwend godserkennen voortkomt, in de praktijk uit te drukken. Ongetwijfeld zal bij de mensachtigen en de mens in het begin een misverstaan van de scheppende functie kunnen optreden. Het voertuig moet verder gevorderd zijn dan het bewustzijn, omdat het bewustzijn zijn uitingsmogelijkheid in het voertuig moet zoeken en niet omgekeerd uit het bewustzijn een voertuig wordt gecreëerd. Dit impliceert dat het scheppen van het voertuig dus niet alleen afhankelijk kan zijn van de geest, die in zo’n voertuig leeft in casu de menselijke.

Stelling: Grotere, meer wetende en machtiger geesten kunnen zich uitleven als scheppers of medescheppers in het creëren van vormen die een bewustwording mogelijk maken voor reeds bestaande bewustzijnsvormen. Conclusie: Elke vorm die geschapen is, zal als schepping onmiddellijk gereleerd zijn met de kracht die aan de totstandkoming daarvan heeft medegewerkt. Als zodanig is het menselijk bewustzijn tevens gebonden aan bepaalde grotere geesten binnen de schepping. En zo hebben wij voor on­ze steen en de St. Pieter althans een nadere definitie gevonden. Het is de steen die behoort tot een bepaalde beuk of nave, tot een bepaalde wand; en van deze wand is de functie gemakkelijker aan te geven. Het to­taal mensachtige ‑ en nu niet meer stof‑menselijke van deze wereld al­leen ‑ is de directe uitdrukking van de wisselwerking licht‑duister binnen het Goddelijke (persoonlijke openbaring van tegenstelling). Als zo­danig ‑ onder de invloed van tegengestelde geestelijke krachten – een balanshoudende factor t.o.v. het verdere scheppingsprincipe, in zoverre dit niet volledig macro‑kosmisch is. Nu zullen wij ongetwijfeld het menselijke verder kunnen voortzetten door te gaan zien hoe het in zijn uiteindelijke ontwikkelingsvorm er uitziet. Maar daarmee zijn wij aan het menselijke of mensachtige in de thans geldende betekenis ontgroeid. Voor de geest is het menselijke een doorgangsfase, waarbij men komt uit wereldbeschouwing tot zelfbeschouwing en van uit een zelfbeschouwing met praktische wereldwerking tot een intense zelfbeschouwing, waarbij kosmische werkzaamheid mogelijk wordt door een goddelijke wil, waar kennis van het “ik” een aanpassing daaraan mogelijk maakt.

Zeggende “de mens is belangrijk” zeggen wij tevens dat het individu als zodanig belangrijk is; niet slechts mens of mensachtige als vorm of bewustzijn. Want in elke mens of mensachtige leeft een bepaald facet van de scheppingswil. Wij mogen dan ook aannemen dat ‑ geestelijk gezien ‑ mens en mensachtige de totale scala van licht en duister omvatten, voor zover deze geestelijk geopenbaard kan worden binnen de kosmos.

De interrelatie tussen mens en mensachtige is van minder belang dan men oppervlakkig zou menen. Deze is slechts een milieu‑omschrijving en beperking of uitbreiding van werkingssfeer. Het wezen zelf echter ‑ in het Goddelijke het enig belangrijke ‑ dankt zijn belangrijkheid aan het direct openbaren van een goddelijke fase. Zou nu de geest voortdurend veranderen, dan zou dit laatste onzinnig zijn. Er moet dus worden gesteld dat al hetgeen in de mens aanwezig is, binnen de kosmos aanwezig is en binnen de mens aanwezig blijft. In de mens worden bepaalde permanente waarden van het geestelijke uitgedrukt en vastgelegd. Aanvulling van de­ze waarden kan leiden tot een juistere aanpassing in bewustzijn door de mens of mensachtige aan het kosmisch plan. Een samengroeien met anderen, totdat een multiple persoonlijkheid ontstaat, die wederom scheppend werkt t.o.v. lagere vormen. Maar de eigenschappen als zodanig zijn onontbeer­lijk en voortdurend deel van het Goddelijke. Mijn nadruk op het individu heb ik gelegd om u duidelijk te maken dat gelijkvormigheid uit den boze is. God vergt, noch eist of kan niet vergen of eisen duplicatie van per­soonlijkheid en eigenschappen. Hij kan juist slechts differentiatie wen­sen. Ook in bewustzijn. Want een bewustzijn omtrent verschillen eerder dan overeenkomsten zal Zijn wezen immers in het mens‑zijn duidelijker tot uiting doen komen. Alle sferen tezamen nemend, waarin mens en mensachtigen zich te enigerlei tijdbewust worden of kunnen worden stel ik verder: Deze enkele fase, dit enkele facet, vastgelegd binnen de mens, maakt deel uit van een band, die loopt van oneindigheid tot oneindigheid, van God tot God. Als zodanig omvattend een totale cyclus van uitingen, die in de permanente en gefixeerde schepping een baan of lijntekening bete­kenen, die op haar wijze belangrijk is voor alle verdere samenhang en onmo­gelijk gewijzigd kan worden. Alle dingen hebben zin. De mens is een van de dingen, die niet slechts zin heeft, maar in staat is deze zin zelf te beseffen.