Geestelijke bewustwording

uit de cursus ‘Algemene zelfvorming’ (hoofdstuk 7) – april 1960

Denken

Op het ogenblik dat de mens in de stof en de stoffelijke praktijk gebruik maakt van al datgene, wat hem door de natuur en zijn eigen vermogens wordt gegeven, zal hij over het algemeen een redelijk rustig en uitgebalanceerd leven kunnen leiden. “Wie in zich sterkte vindt, is onaantastbaar,” pleegt men wel te zeggen. Er zijn echter bepaalde gebieden van leven, waar de doorsneemens te weinig mee te maken heeft. Daaronder kunnen wij o.m. rangschikken de voortdurend ontstaande contacten met astrale gebieden; de eigen realisaties – zover als deze mogelijk zijn – van de geestelijke sferen; en daarnaast ook wel degelijk de wijze waarop wij de ritmen en de inhoud van het totaal van de kosmos voor onszelf aanvoelen en weten te gebruiken.

Wat die astrale gebieden betreft, zou ik u op het volgende willen wijzen: Elke gedachte, die wordt uitgezonden, veroorzaakt – al is het voor nog zo korte tijd – een astraal beeld. Elk astraal beeld van grotere intensiteit en dus ook langere bestaansduur zal voortdurend en schijnbaar onafhankelijk van de persoon, die het creëerde, handelen. Al deze handelingen moeten worden gezien als volledig automatisch; en ze proberen alleen de impuls, die tot het ontstaan van dit astraal beeld de aanleiding was, in praktijk te brengen. Dit houdt in, dat vooral het emotioneel leven van de mens nogal wat moeilijkheden voor hem mee kan brengen, waar hij immers al datgene, wat voor hem hartstocht of angst of sterk begeren is, zeer sterk pleegt te projecteren. Ook als wij ons redelijk bedenken, blijft de geschapen impuls voortbestaan. Zij zal uit het astraal gebied op onszelf inwerken, maar gelijktijdig ook proberen om alle anderen, die in dat schrikbeeld of dit begeertebeeld mede een rol speelden, eveneens tot een verwerkelijking van de idee te voeren. Wij worden voor een zeer groot gedeelte gedreven door hetgeen wijzelf op deze manier tot stand brengen.

Als je probeert je gedachten te beheersen, zal blijken dat dit over het algemeen weinig of geen nut heeft. De poging om het denken te beheersen kan slechts zeer ten dele slagen, zelfs bij de sterkste mens. Hieruit vloeit voort, dat wij voor de geestelijke inhoud, die daarmee gepaard gaat, ons nooit mogen wenden tot de stoffelijke rede en dat wij niet kunnen ontkomen aan de beelden, die wij in een astrale wereld of op astraal gebied zelf scheppen.

Nu is dat natuurlijk niet zo tragisch als het lijkt. Want als je jezelf ziet als een schoonheid, kun je in ieder geval de bevrediging hebben dat deze schoonheid op astraal gebied, zij het voor een korte tijd, bestaat. Maar als wij nu bewustzijn willen opdoen op de wereld en wij zoeken dat in de kleine dingen die dagelijks gebeuren, dan zullen wij toch tevens geestelijk daaruit moeten winnen. En het vreemde is dat de geestelijke winst voor de bewustwording grotendeels kan voortkomen uit hetgeen wij astraal tot stand hebben gebracht. Alles wat in tegenstelling met ons feitelijk streven en willen als gedachtebeeld in de astrale wereld wordt gecreëerd, moet weer worden overwonnen. Elk overwinnen geeft ons de mogelijkheid een beter inzicht te krijgen. Wij leren datgene wat wij overwinnen, in zekere mate kennen. Wij begrijpen beter wat het betekent. Wij zien beter wat de inhoud ervan is. En dit houdt tevens in dat geestelijk gezien een groot gedeelte van de zo overwonnen ervaringen een feitelijk bezit worden. Het is een weten, een begrijpen, dat wij in elke geestelijke sfeer kunnen gebruiken en waar wij zeer zeker veel mee kunnen doen. Daarover zo dadelijk meer. In de tweede plaats:

Bewustwording op hoger gebied

Nu is een mens als een levensboom. Hij wortelt in de aarde, maar door de vele tussenlagen reikt hij tot de hoogste hemelen. En elke sfeer is een deel van het zijn. Een wereld die geen vorm heeft, kan een mens niet begrijpen. Dat is logisch. Want alles wat wij ons abstract moeten voorstellen, zolang wij in een menselijk voertuig leven, dat is voor ons een idee, maar nooit iets wat werkelijk is. Voor ons worden de meest abstracte dingen reëel op het ogenblik dat wij ze een vorm kunnen geven, dat wij ze in praktijk kunnen brengen. Zonder dat blijven ze betrekkelijk waardeloos en hebben ze geen eigen aangezicht.
Indien wij nu te maken hebben met sferen waarin vorm is – als bv. het Zomerland – dan kunnen wij dus uitgaan van datgene wat de stofwereld waarin u leeft plus deze geestelijke wereld die vorm kent gemeen zullen hebben. Daarbij is o.m. begrip van schoonheid. Zo vreemd het u moge klinken: elk beleven van schoonheid op aarde houdt in, dat men tevens een dergelijk begrip op hoger geestelijk niveau tot stand brengt. Elk begrip voor een medemens, waarbij men dus de motieven van die ander of de behoeften van die ander begrijpt, zijn tevens weer factoren, die voor ons -,op dezelfde wijze gedemonstreerd in een andere wereld -het benaderen van de daar levende entiteiten mogelijk maakt. Het zijn niet de ingewikkelde procedures, de al te ver gaande geestelijke studiën, die ons in Zomerland een waar bewustzijn kunnen geven. Wij staan daar tegenover een werkelijkheid; en die werkelijkheid is identiek met ons stoffelijk begrip, ons stoffelijk aanvoelen.
Om u een typisch voorbeeld te geven: Wanneer u hier op aarde iets doet met ware vreugde, zonder voorbehoud, dan schept u voor uzelf een ontvangstmogelijkheid voor al datgene op hoger niveau, wat eenzelfde vreugde inhoudt. De gave aan een stofmens van een kleinigheid, kan op deze wijze – als het “ik” zich daarmee a.h.w. een voelt – worden tot een gelijktijdig van uit een hoger geestelijke sfeer iets doen voor iemand, die ook daar lager staat. Het ontdekken van schoonheid in iets wat op deze wereld gepresteerd wordt – het zal een toneelstuk zijn of de een of andere symfonie – is een begrip voor lering, een contact met een ander, die ver van je afstaat en toch tot je spreekt. Het betekent voor Zomerland een mogelijkheid om van uit een hogere sfeer, die vormloos is, in deze vormwereld door uiting toch begrip te verwerven.

U ziet, er zijn heel veel dingen bij waarvan je zou kunnen zeggen: ze zijn eigenlijk natuurlijk op aarde en gelijktijdig uitermate belangrijk voor ons latere leven in die sfeer en ook voor ons ogenblikkelijk contact daarmee. Want aan die sfeer – gezien het feit dat wij altijd een voertuig hebben, dat erop is afgestemd – zit nl. nog iets anders verbonden. Op het ogenblik dat je als mens stoffelijk iets beleeft, wat een geestelijk counterpart heeft in een hogere sfeer, is er voor jou in die beleving een eenheid van de stof en die sfeer tot stand gebracht. Dat geldt ook voor alle lagere vormkennende sferen; dus men moet daarmee wel eens een beetje uitkijken. Toch kan worden gesteld, dat op het ogenblik dat de mens hier op aarde iets werkelijk “goed” beleeft, zodat hij zegt: “Kijk, hier heb ik voor mij nu datgene waar het werkelijk om gaat,” hij gelijktijdig in een hogere sfeer bewust is, dat tussen die sfeer en zijn ogenblikkelijk leven een contact is en dat uit dat contact voor hem een verscherping van bewustzijn op aarde voortvloeit. Dat gelijktijdig a.h.w. een groter geestelijk erfdeel ontstaat, een grotere geestelijke inhoud, die met de overgang niet teloor gaat, maar bewaard blijft in de sfeer waar dit thuis hoort en daar altijd en ogenblikkelijk te gebruiken is voor een leven daar en een ervaring daar.

Dat betekent dus wel, dat je als mens eigenlijk veel moet bouwen op dat innerlijk gevoel, dat ook in een andere sfeer zijn werking heeft. Hoe groter het contact is, dat u in uw stoffelijk leven kunt bereiken tussen geestelijke instelling en stoffelijke daad en beleving, hoe rijker u geestelijk zult zijn; maar gelijktijdig ook, hoe meer de waarde van die geestelijke sfeer voor u op aarde in de vorm van kennis en zelfs kracht of potentie onmiddellijk geuit wordt. Ook daarover heb ik zo dadelijk nog een paar woorden te zeggen. Maar ik wil eerst doorgaan naar het derde punt, dat ik u voor deze avond naar voren bracht, nl.:

Het erkennen van de kosmische ritmen

Er zijn in de kosmos bepaalde periodieke verschijnselen. De mens kan deze voor zichzelf in cycli uiteenrafelen: 3-daagse, 7-daagse, 9-daagse, 28-daagse, enz.. Die cycli op zichzelf zijn voor ons niet zo erg belangrijk. Per slot van rekening: wij zijn eeuwig. En wat vandaag negatief is, zal morgen positief worden; wat vandaag positief is, zal morgen zeker negatief zijn. Maar voor ons beleven, voor onze bewustwording, is het gebruik van deze ritmen wel belangrijk. Daarom kunnen wij stellen, dat de mens zoveel mogelijk moet trachten te begrijpen in welke periode hij zich bevindt van zijn persoonlijk ritme; van het grotere en langere ritme, dat de hele wereld betreft; en als het even kan zelfs van het verschijnsel, dat op dit ogenblik voor hem zijn deel van de kosmos beheerst. Hiermee kun je natuurlijk in de praktijk weinig ervaring opdoen. Deze dingen beginnen met een abstracte kennis, die een geloof bijna nabij komt. Een lager en snel ritme kun je aan de hand van je eigen beleven gemakkelijk registreren. Maar een verschijnsel als het ontstaan van een Aquarius Periode en de werking daarvan moet je op horen zeggen aannemen, omdat geen mens in staat is een paar duizend jaar te leven en precies te weten wat er gebeurt. Toch is het kennen belangrijk. Want wanneer wij weten wat voor een invloed de wereld op een bepaald ogenblik beheerst, zullen wij voor onszelf ook kunnen zeggen welke ervaringen voor het bewustzijn op dat ogenblik kostbaar kunnen zijn.

In een tijd dat alles streeft naar techniek, dat alles gaat naar het zuiver materiële toe en geen tegentendens aanwezig is, zal de doorsneemens moeten grijpen naar het begrip van de techniek en in die techniek voor zich een beeld zoeken van zijn God, van de kosmos rond hem. Maar op het ogenblik dat er verwarring komt, op het ogenblik dat die technische wereld in conflicten geraakt, is er al een nieuwe tendens. Dat kan een tendens zijn van geestelijk denken, dat kan een tendens zijn van esoterie, dat kan ook evengoed een tendens zijn van­ een soort lusteloosheid of van een ontvluchten aan de werkelijkheid. Als wij die tendens voor onszelf kunnen erkennen en dus weten wat voor een ontwikkeling er rond ons heerst, kunnen wij ons als mens met al onze daden daarop richten en daarnaast ook met ons denken rekening houden met wat er in feite rond ons gebeuren gaat. Wij zullen dan het meest juiste, voor ons het meest kostbare kunnen bereiken stoffelijk, maar ook geestelijk kunnen puren. Want niet elke tijd, niet elke pe­riode in de kosmos geeft een mogelijkheid tot een gelijksoortige bewustwording.

Bewustwording is altijd mogelijk, maar niet altijd kan worden gezegd dat een mens bv. tot zelfkennis kan komen; of dat hij kan komen tot een volledige zelfuitdrukking. Niet altijd kan worden gezegd dat Gods open­baring voor de mens zichtbaar is of dat de verwerkelijking van Gods taak voor de mens mogelijk is. Meestal is er maar één enkele – ten hoogste zijn er twee – van de noodzakelijke eigenschappen, die in het leven actief gebruikt kunnen worden.

Te weten op welk terrein je je moet begeven om verder te komen is be­langrijk. Het geeft je stoffelijk de mogelijkheden, maar het geeft je vooral de kans iets op te bouwen, zodat – gesteund door de krachten van de kosmos, die ook andere sferen mee beroeren en regeren – een ontwikkeling kan worden voortgezet door vele sferen heen. Het erkennen van de kleine ritmen is gemakkelijk, u hebt daarover al wat meer gehoord. Het erkennen van de grote ritmen kan buitengewoon belangrijk zijn.

Nu is het typische dat deze ritmen (en daarmee komen we weer op ons eerste punt enigszins terug) zich ook kunnen uiten in de wijze waarop schijnvormen in een astraal gebied ontstaan. Zij zullen tevens vaak bepalend zijn, voor de wijze waarop wij horen of leren of reageren in een vormkennende wereld, die dus voor de mens nog te benaderen is. Ik wil u nu allereerst (aangezien die periode nu eenmaal toch loopt) een kleine karakteristiek geven van de tijd, waarin u op het ogenblik leeft. Niet in de zin van politiek, maar in de zin van regerende invloeden.
Dan moet ik beginnen met op te merken, dat de komende 10 à 15 jaren grotendeels perioden zullen zijn vol van onverwachte gebeurtenissen en verwarring. De tendens is hierbij niet een vast klimmen van een reeks verschijnselen tot een nieuwe vorm, maar een voortdurend wisselen tussen het oude en het nieuwe. Dat heeft voor de mens een voordeel. U kunt nu op het ogenblik nog kiezen, hoe u uw geestelijk huis wilt stofferen: met Victoriaanse meubelen of met de toekomstige ijlheid van een Noorse ontwerper. Dat ligt helemaal aan uzelf. Maar u weet dat u ook steeds met het andere geconfronteerd wordt. Voor de komende 10 jaar is het belangrijk dat u een richting kiest en dat u in die richting blijft denken en handelen. Zodra de buitenwereld anders begint te reageren, trekt u zich van die buitenwereld ietwat terug, maar gaat door met uw eigen wijze van denken en leven. Zoek in de periode, dat de verschijnselen buiten u tegen-gericht zijn aan uw eigen gekozen doel of inhoud, niet daarmee verder te gaan, maar bepaal u ertoe datgene wat u bezit op dit terrein te behouden. Wanneer de nieuwe invloed komt, die met u overeenstemt, kunt u uw bezit geestelijk vergroten en ook dit weer handhaven en houden, totdat een nieuwe golf u nog hoger brengt.
Zou u echter geneigd zijn om met alles wat rond u is zonder meer mee te gaan, dan krijgt u een voortdurend afbreken en opbouwen. Dat is in de eerste plaats uitputtend. Wij hebben niet de tijd om drie of vier denk- en leefwijzen in een mensenleven af te doen. Wij moeten proberen een levenshouding te vinden en volgens die levenshouding zoveel mogelijk op te doen. En daarbij maken wij gebruik van het astrale. Wanneer wij nl. iets hebben gevonden wat voor ons belangrijk is, dan zullen wij trachten om dit zoveel en zo sterk mogelijk in ons denken en in onze gedachten tot uiting te doen komen. Desnoods nemen we elke dag een kwartiertje voor het naar bed gaan en dan gaan we even na wat wij vandaag hebben gedaan. Dan zeggen we: Kijk, dat wil ik bereiken. Is dat allemaal in overeenstemming geweest? Neen, dat had ik zo moeten doen, dan was het goed geweest.
Als je dat steeds weer doet, bouw je zo een zeer sterke astrale kracht op, die elke dag weer gevoed wordt en waarmee je dus een invloed krijgt op jou en op je omgeving, die je in staat stelt op het ingeslagen pad verder te gaan. Ik zou haast zeggen: het is een kapitaal aan geestelijke kracht dat je belegt en dat – mits op de juiste wijze en voortdurend belegd – een zeer hoge rente kan opleveren. Als u elke week een dubbeltje stort en u zet dat uw hele leven door of u zet het 40 jaar door en u gaat achteraf kijken wat u aan interest hebt gekregen t.o.v. het kapitaal, dan weet u dat dit erg veel is. Op dezelfde manier gaat dat geestelijk. Dus gebruik die ritmen met behulp van een astrale kracht, die u helpt wat sterker in uw schoenen te staan op het ogenblik dat de wereld het er schijnbaar niet mee eens is.

Maar natuurlijk is dat niet alles. Want onze periode is het begin van een grote periode. En ongeacht die overgangsverschijnselen, die voortdurende wisseling tussen oud en nieuw, moet er een klimmende hoofdtendens zijn. Die klimmende hoofdtendens is op dit ogenblik – de stoffelijke waarden even buiten beschouwing latende – een steeds sterker zoeken naar het mystieke. Een zoeken naar geestelijke inhoud. Een zoeken naar vernieuwing, waarbij in vele gevallen vooral zal worden getracht om het oude langzaam maar zeker nieuw te maken. Dit leidt tot een verandering van persoonlijke instelling en een sterker wordende nadruk op geestelijke vrijheid. (Stoffelijke gebondenheid neemt men daarvoor meestal op de koop toe.) Dit wil zeggen dat wij, indien wij gebruik willen maken van hetgeen de wereld op het ogenblik biedt, zeker ook geestelijk zullen moeten streven om zoveel mogelijk te beleven in de richting van geestelijke (uitdrukkelijk geestelijke!) vrijheid. Die geestelijke vrijheid moet worden omgezet in een waarde, die ons met het voor ons hoogst voorstelbaar en bereikbaar geestelijk vlak in contact brengt. Dat wil zeggen, dat elke mens, die in deze tijd praktisch verder bewust wil worden op geestelijk terrein, gebruik zal moeten maken van elke emotie om deze te verbinden aan zijn eigen denken en zo zijn ogenblikkelijk doel voort te zetten in een andere wereld.

Naast al die tendensen, waarover ik het heb gehad, zijn er natuurlijk nog meer omschrijvingen te geven. En aangezien u zo voor de praktijk bent in deze cursus, zal ik kort opsommen wat er op het ogenblik gaande is. Dan kunnen de meesten van u dat zelf narekenen en kijken hoe dat gaat. Over het algemeen is er in de afgelopen drie, vier maanden sprake geweest van toenemende prikkelbaarheid. Er volgt nu na ongeveer 10, 15 mei een periode waarbij de zaak wat rustiger wordt. De prikkelbaarheid neemt af. Daarna krijgen wij een periode van bijna 6 maanden met een klimmen van de prikkelbaarheid. Daarna weer een neergaan en dan komen we pas weer op een normaal niveau. Als wij dus prikkelbaar zijn, weten wij dat we dat van buitenaf zijn; dan zullen we proberen om prikkelbaar te zijn op die punten, waar wij er werkelijk wat mee kunnen bereiken.

Verder. De laatste twee maanden en de komende twee maanden zijn perioden van verwarring en verandering. Die verwarring en verandering kunnen zich in kleine dingen uiten, het kan ook uw hele leven betreffen. Maar hoe het ook zij, als wij weten dat wij in een periode van verandering zijn, begrijpen wij ook dat wij verandering kunnen brengen in de dingen die ons ergeren en die volgens ons idee (vooral ons geestelijk denken) veranderd moeten worden. Als u veranderingen aan wilt brengen, is het er nu op dit ogenblik de tijd voor. Wilt u op het ogenblik eerst eens de kat uit de boom kijken, dan kunt u ook nog rekenen met het feit, dat eenzelfde periode van veranderingen van oktober tot ongeveer half februari ligt in de komende tijd. Alle veranderingen in die tijd gemaakt met volle intentie en rekening houdend ook met het geestelijk doel, zodat weerkaatsing plaatsvindt in de hoogst bereikbare sfeer en het vormen van een stabiliserende factor in het astraal gebied, voeren voor de doorsneemens tot een periode van 6 à 7 jaar, waarin het bereikte verder geconsolideerd kan worden en het geestelijk bereikte kan worden uitgewerkt en verdiept.

Verder kan worden gezegd, dat de komende twee à drie jaar, evenals het afgelopen l½ jaar, nogal revolutionair zijn. Dat revolutionaire aspect, dat steeds op de voorgrond komt, wordt meestal stoffelijk uitgewerkt. Maar onthoud een ding: Een geest heeft niets aan een stoffelijke revolutie. Dat levert niets op. Een geest heeft alleen wat aan een revolutie, waarbij zijzelf een belangrijk deel is. Het doel van elk omwentelingsverschijnsel in deze jaren, dat wij nastreven, zou dus moeten zijn: het scheppen van gunstige stoffelijke condities voor de geest om zoveel mogelijk ervaringen – ook van hoger niveau – op te doen.

Dan wil ik over die 10 jaar verder nog opmerken, dat wij ons nu in de klimmende reeks bevinden, waarbij zeer veel invloeden van mystiek, maar ook zeer veel wisselvalligheden voorkomen. Afwisselende verschijnselen in de komende 10 à 12 jaren zijn kentekenend voor het geheel van de lopende eeuw en voor een deel van de volgende. Hier geldt: Alles, wat op dit ogenblik verandering zoekt, heeft twee zuiver kenbare facetten. Het is voor de mens in deze periode ondoenlijk zich slechts aan één zijde van een probleem of van mogelijkheden te houden. Alles wat u wilt doen (geestelijk, stoffelijk) heeft twee kanten. Beschouw beide zijden en wees ervan verzekerd, dat u die nooit van elkaar zult kunnen scheiden. Dat u zelfs – om evenwicht te houden in deze periode – elke stoffelijke handeling met haar counterpart zult moeten aanvullen; en dat ook geestelijk elke verlichting weer gepaard zal moeten gaan met de vereenzaming, waaruit – indien u zich bezint in die periode – een hogere verdere geestelijke ontwikkeling komt. Daarna krijgen wij, langzaam maar zeker, de kans dat we eens naar een echt 1000 jarig rijk gaan. Maar dat maakt u niet meer mee in de stof en dus zullen wij dit verder buiten beschouwing laten.

Wat ik hier heb gezegd over deze tendensen, moet u niet alleen beschouwen als iets wat je stoffelijk hanteert. De doorsneemens laat zijn geest veel te weinig werken. Ik weet niet of men het nog zegt, maar in mijn tijd zeiden ze ook wel eens in Holland: “Wie zijn hoofd niet gebruikt moet zijn benen gebruiken.” Ik zou het willen variëren en zeggen – juist voor de lopende periode: “Wie zijn geestelijke krachten niet gebruikt moet het stoffelijk bezuren.” De geestelijke kracht van de mens kan hij ontwikkelen, kan hij gebruiken en zal hij zeer zeker – houdt u rekening met wat u in de voorgaande lessen geleerd hebt – maken tot de kern, de spil, waarom zijn gehele geestelijke bewustwording zowel als zijn stoffelijke bereiking draaien.

Het tweede deel van mijn betoog houdt zich bezig met:

De ontwikkeling van de geestelijke gaven en de geestelijke kracht

Om van een geestelijke kracht gebruik te maken dient de mens voor alles van die kracht bewust te zijn. Het is echter voor de doorsneemens niet redelijk mogelijk te constateren over welke geestelijke gaven en krachten hij in feite beschikt en hoever deze reiken. Over het algemeen mag worden gesteld, dat het totaal van geestelijke krachten en geestelijke vermogens veel groter is dan de mens durft denken. Om te begrijpen hoe groot de kracht van de geest en de geestelijke capaciteit van elk individu is, moet u zich goed realiseren, dat uit geestelijk standpunt gezien datgene wat actief deel heeft aan het menselijk bestaan, misschien een 20e is van het totaal, vaak nog minder. Dat houdt in dat een ieder over zeer grote reserves beschikt, zelfs wanneer hij niet overgaat tot het aanboren van meer kosmische krachtbronnen in zijn omgeving.
Om die geestelijke kracht te kunnen gebruiken is nodig een innige innerlijke overtuiging; de overtuiging dat men de geestelijke kracht kan activeren.
In de tweede plaats is het noodzakelijk, dat men wanneer men iets wil gaan doen, waar men een werkelijk belang bij heeft, eerst de geestelijke kracht inschakelt en dan pas de stoffelijke procedure aan de gang brengt.

U zult dit begrijpen als ik u een vergelijking geef. Indien u een zware machine hebt, waarvan het vliegwiel door elektrische kracht wordt aangedreven en u begint eerst met de hand het vliegwiel in beweging te brengen, voordat u de motor inschakelt, dan is de kans zeer groot dat u zich sterk zult vermoeien en dat uw eerste handelingen met de machine niet zuiver zullen zijn. Er gaat tijd en energie verloren en heel vaak is het resultaat minder. Maar indien u eerst de kracht inschakelt en wanneer blijkt dat deze het vliegwiel niet rond kan krijgen, u met een kleine beweging de motor helpt, dan loopt de machine en kunt u rustig en zonder vermoeid te zijn aan het werk gaan. Als u uw geestelijke krachten eerst gebruikt, voordat u begint iets stoffelijk te verwerkelijken, dan zal daardoor alleen reeds een zeer kleine stoffelijke poging voldoende zijn om hetzelfde proces aan de gang te brengen en is de kans veel groter dat u dit beheerst en redelijk doet. Hoe beheerster en redelijker u doet, hoe groter weer de mogelijkheid dat u er wat uithaalt, dat geestelijk van belang is. Hoe verwarder het stoffelijk procedé, het stoffelijk gebeuren, hoe kleiner de kans dat wij daaruit geestelijk en klaar een zuivere les leren. Daarentegen hoe doorzichtiger, hoe eerlijker a.h.w., hoe meer rechtuit een stoffelijke handeling is, hoe zuiverder, hoe feller de emoties zullen zijn, hoe juister het inzicht is dat men gewint omtrent de gevolgen en de mogelijkheden. U zult dus begrijpen dat dat zeker een grote voorkeur heeft.

Maar geloof is niet altijd genoeg. Het heeft weinig zin om even te gaan zitten luisteren of je een Meester hoort. Er zijn mensen die gaan zitten luisteren of ze contact krijgen met een andere wereld en daarmee maken ze de kans op zelfbedrog steeds groter. Per slot van rekening, er zijn zoveel mensen die alleen horen wat ze zo graag willen horen. Wanneer ze in Indië bv. “Merdeka!” roepen, dan hoort Soekarno dat ze van hem houden. Het ligt er maar aan, hoe je het bekijkt. Maar als wij dus bereid zijn te ontvangen en zonder zelf te zoeken of ons in het bijzonder in te stellen op een bepaalde entiteit een begin van contact krijgen, zal het zuiver zijn. Laat ons dus niet zoeken naar een contact, maar laten wij wachten tot een contact ons zoekt.

Hebben wij dit gevonden, dan geldt wederom: de beste verbinding die je krijgt met een geestelijke sfeer en de entiteiten, die je van uit die sfeer willen benaderen, is: jezelf zoveel mogelijk af te sluiten voor het stoffelijke en vooral je stoffelijke problemen van het ogen­blik niet te berde te brengen. Als het een geest is, weet hij toch wel dat er iets niet in orde is en kan hij daar zelf op ingaan als hij dat wil. Maar als u dat steeds te berde brengt, dwingt u de communicatie in een bepaalde richting. En wil die geest dat niet doen, dan hebt u grote kans dat u zelf de rest eraan vastlijmt.
Betrouw niet al te veel op geestelijke communicaties om uw leven daardoor te leiden. Slechts indien wat geestelijk bereikt wordt ook metterdaad stoffelijk weerspiegeld kan worden, heeft dit voor u als mens betekenis en zin. Dat wat niet verwerkelijkt kan worden, moet nooit als boodschap worden genomen. Dergelijke boodschappen kunnen heel mooi zijn, zij kunnen zeer leerrijk zijn, maar ze hebben het grote bezwaar dat zij u in de stof niet verder brengen, ja, verwarren voor hetgeen voor u stoffelijk noodzakelijk en mogelijk is. Zoek het eerder in een persoonlijk uitgaan naar een andere sfeer. Op het ogenblik dat de mens zelf zijn geest bewust of onbewust kan verplaatsen naar een andere sfeer, al is het het astraal gebied, dan kan deze mens daar volkomen bewust van uit geestelijk standpunt handelen, reageren, daadwerkelijk tot uiting brengen. En dit is belangrijk. Want daardoor ontstaan de juiste emoties, de juiste inhoud, de juis­te sfeer voor een verdere ontwikkeling van bewustzijn.

Indien wij geestelijke gaven hebben, moeten wij ook altijd nog onthouden dat een geestelijke gave, een geestelijke kracht, iets is dat van ons uitgaat. Nu is het dwaasheid om een tank te vullen met water dat je uit die tank tapt. Het is dwaasheid geestelijke kracht, die uit jezelf of door jezelf komt, terug te voeren tot je eigen wezen. Je kunt er nooit meer en nooit minder van worden. Geestelijke krachten kunnen in de stof worden gebruikt, zodra zij worden gericht op derden, dus niet op het “ik”. Zij zullen daarbij voor het “ik” een grote betekenis gewinnen, indien zij naast de directe werking ook nog het beleven van deze werking in het “ik” mogelijk maken.

Verder zou ik nog op een paar punten willen wijzen, die eigenlijk niet helemaal bij het onderwerp passen, maar die toch interessant en belangrijk zijn.

  1. Gezien het feit dat er kosmische wetten bestaan en deze wetten in symbolen kunnen worden uitgedrukt, is het voor de meer bewuste vaak mogelijk aan de hand van cijfers of vervanging door cijfers wezensinhouden te erkennen, bepaalde gebeurtenissen en wetten te kennen. Komt men hierin wat verder, dan nemen deze de vorm aan van voorstellingen. Het is mogelijk door te dringen in de essence van het leven.
  2. Het is voor de mens, die daar wat verder in komt, zeer wel mogelijk aan de hand van zowel de entiteiten, die hij geestelijk ontmoet, als wel van de mensen die hij in een bepaalde periode ontmoet, voor zichzelf te bepalen wat op dit ogenblik voor hem zijn levende attractiefactor is. Want de mens heeft altijd perioden in zijn leven dat hij dingen naar zich toe haalt. Wanneer er een groot verschil bestaat tussen hetgeen je geestelijk ontmoet en hetgeen je stoffelijk ontmoet, mag worden gesteld dat er ergens een fout schuilt. Zeer waarschijnlijk in ons en in onze interpretatie of in onze afstelling. Op het ogenblik echter dat hetgeen ons uit de geest en uit de stof benadert een grote hoeveelheid gelijksoortige waarden bevat, kan worden gezegd, dat wij alleen door het beoordelen van deze beide factoren weten, wat op dit ogenblik op ons afkomt. Wij kunnen nooit ontkomen aan hetgeen op ons afkomt; wij kunnen het alleen wijzigen. Maar hier komt wederom de geestelijke kracht op de voorgrond. Indien wij de juiste instelling hebben, de kracht door geloof in onszelf activeren, kunnen wij wel niet voor ons het lot veranderen, maar wij kunnen degenen die ons geestelijk en stoffelijk benaderen veranderen. Een geest uit het duister kunnen wij misschien een beetje naar het licht helpen. Een mens die ongelukkig is of wraakzuchtig of haatdragend, kunnen wij misschien een klein beetje kalmer maken. Op deze manier kan het leven ook weer in de goede richting worden gebogen.

Elke mens draagt bij zich tekenen; elke mens is een getekende Gods. Die tekenen kun je niet alleen uit de handpalm lezen of uit de schedel knobbeltjes; maar je kunt ook aan jezelf vaak ontdekken welk teken God je heeft gegeven. Om dit te beseffen moet je nagaan: Wat heb ik in mijn leven het meest begeerd? Wat heb ik in mijn leven het meest gedaan? Het verschil tussen deze beide kun je over het algemeen nog wel omschrijven. En als je dat omschrijft, moet je voor een spiegel gaan staan. Dan zeg je: Wat herken ik van dit verschil in mijzelf? Heel vaak vind je een zeer groot percentage daarvan terug.

Dat, wat je in jezelf kunt terugvinden, is het stempel dat God op de mens heeft gezet. Het geeft je de bestemming aan die je niet alleen hebt voor deze wereld, maar ook voor de eerstkomende sferen, zodat dit stempel bevestigd blijft, totdat je uit Zomerland tot het vormloze kunt overgaan.

En met die punten, vrienden, wil ik mijn betoog besluiten.

De vrijheid van de geest

Wanneer wij ons van uit een menselijk standpunt de geest denken, menen wij over het algemeen dat die geest volledig wij is. Wij menen daarentegen dat die geest, zolang zij zich in de stof bevindt, sterk gebonden is. Geen van beide stellingen kunnen volledig waar worden geacht. In de eerste plaats geldt dit. De geest wordt voortdurend beperkt door haar eigen voorstellingsvermogen. Dat wat je gelooft, zul je geestelijk in feite zijn. En denk je geestelijk dat je bent opgesloten, dan zul je in elk effect, dat het voor jou persoonlijk heeft, inderdaad gekluisterd en opgesloten zijn. Meen je daarentegen dat je volledig vrij bent, dan zul je ook geestelijk volledig vrij zijn.

In de stof zullen wij zien, dat de stoffelijke redeneringen over ruimte en tijd voor de doorsnee geest een grote beperking zijn. Die beperking van vrijheid ligt dus niet in de eerste plaats in de werkelijke gebondenheid van de geest, maar wel in het onvermogen van het “ik” om zich de vrijheid van die geest te realiseren. Is de geest eenmaal aan de stof ontgroeid, dan zou ze in feite geheel vrij moeten zijn van alles wat ruimte en tijd is. In de praktijk echter houdt zij zich vast aan ruimtelijke voorstellingen en kent ze; zij het geen algemeen geldende, dan toch een persoonlijke tijd. Naarmate zij meer leert te rekenen met eigen beleven en daarnaast met een kosmische reeks van mogelijkheden, die rond het “ik” zijn, maar dan ook allemaal en onmiddellijk waarneembaar en bereikbaar, zal zij door ruimte en tijd minder gebonden zijn.

Om de geest vrij te maken, moeten wij dus eerst afstand doen van zeer veel beperkingen. In de stof betekent dit over het algemeen dat de mens, die lichamelijk en redelijk meer aan vaste lijnen gebonden is, ook geestelijk sterker gebonden zal zijn. Degene die zijn eigen leven, zijn lichaam, een zekere reeks van vrijheden permitteert, zich niet te veel wenst te binden aan een vast schema van gebeurtenissen en vooral – wanneer daar stoffelijk de redelijke mogelijkheid is – vaak handelt naar zijn eigen ideeën en impulsen van het ogenblik zonder van te voren programma’s op te bouwen, die zal geestelijk veel vlugger vrij zijn en geestelijk ook veel meer gebruik kunnen maken van die geestelijke vrijheid.

Een typisch verschijnsel vinden wij voor de vrijheid van de geest in bepaalde aspecten van second sight, helderziendheid. Hierbij treedt inderdaad een geestelijke waarneming soms in ruimte, soms in tijd, soms in beide op bij mensen bij wie je het helemaal niet zou vermoeden. Eigenaardig genoeg zijn dit vaak mensen, die op afgelegen plaatsen wonen en die dus in staat zijn hun dag helemaal naar eigen believen in te delen. Zij werken wel, misschien zelfs veel, ze hebben gewoonten, maar het zijn hun gewoonten; en wanneer deze hun niet bevallen, kunnen zij ze breken. Juist door deze vrijheid zijn zij in staat om zeer veel impulsen van de geest op te vangen en stoffelijk te vertalen. Het aantal voorbeelden hiervoor is legio.

Toch zal een geest niet alle dingen kunnen begrijpen. Misschien is het eenvoudigste voorbeeld dit: Wanneer uw geest vooruit kan zien in de tijd en u ziet iets, wat over 5 jaren gaat gebeuren, dan zult u het grootste gedeelte van dat gebeuren kunnen herkennen. U zult de omgeving, de verschillende voorwerpen nog kunnen beseffen, u weet nog waarvoor ze gebruikt kunnen worden. Maar stel nu eens, dat u 2000 jaar vooruit gaat. Dan zult u veel van hetgeen daar aan waarden te zien is helemaal niet meer thuis kunnen brengen. U weet niet waar het voor dient, u verliest elk begrip van samenhang. Er gebeuren dingen waarvan u absoluut de draagwijdte niet kunt beseffen. Het gezicht is voor u waardeloos. Hier is het uw eigen begrip, dat u beperkt. U zult heel goed kunnen beseffen, dat dit zowel voor de geest in vrijheid als voor de geest in de stof gelden moet. Waar ons bewustzijn niet in staat is te associëren en af te leiden, komen wij niet meer verder.

Een geest is theoretisch zo vrij, dat zij onmiddellijk na de overgang of zelfs daarvoor tot de allerhoogste sfeer kan ingaan. Zij bezit daarvoor nl. alle nodige capaciteiten. Alleen is zij door het onontwikkeld zijn van haar bewustzijn niet in staat hetgeen er in die hoogste sfeer is te begrijpen. Het is ofwel voor haar verblindend en pijnlijk, dan wel het lijkt een leegte, een niets, waaruit zij zich zo snel mogelijk zal terugtrekken. Op deze wijze zijn wij dus wel weer gebonden.

Waar het hier in deze groep o.m. gaat om de praktische bewustwording, lijkt het mij verstandig hier een paar regels aan toe te voegen.

  1. Op het ogenblik dat u iets als een zekerheid aanneemt, hebt u voor uzelf een beperking geschapen. Hoe groter de zekerheid, die u meent te bezitten, hoe moeilijker het u zal worden een eventuele werkelijkheid waar te nemen. Geestelijk betekent dus elk dogmatisme een begrenzing van geestelijke mogelijkheden en geestelijk kunnen; een binden. De gebondenheid is voor de geest over het algemeen niet begeerlijk.
  2. Er moet worden gesteld, dat waar geest en stof op deze wereld sterk met elkaar worden geassocieerd, alles wat het stoffelijk leven betreft als gewoonte, als regelmaat, als beperking van aanvaarden of zelfs van zien, op de geest zal worden overgebracht. Hoe beperkter uw eigen leven is en hoe sterker u uzelf bindt, hoe meer uw geest gebonden zal zijn. De binding die zo ontstaat blijft voor de geest ook voortbestaan nadat het lichaam teniet is gegaan. Want denkgewoonten worden eerst langzaam en niet ineens gewijzigd.
  3. Een zo groot mogelijke geestelijke vrijheid bezitten betekent tevens openstaan voor alle impulsen, ongeacht uit welke richting zij komen. Elke voorkeur die wij hebben is in feite een beperking van onze ervaring. Elke beperking van ervaring betekent beperking van geestelijke vrijheid, omdat wij het gebied dat wij verwerpen voor onze geest begrenzen en sluiten. Wij moeten dus zoveel mogelijk openstaan voor alle mogelijkheden, alle impulsen en alle invloeden.
    Hier moet ik echter iets aan toevoegen. Om te komen tot een volledig juiste waardering, zullen wij toch zolang wij een beperkt bewustzijn bezitten, eenzijdig moeten streven. Hieraan ontkomen wij niet. Het is ons niet mogelijk ons gelijktijdig naar alle kanten uit te breiden; en zo zal de keuze, die wij doen inzake vrijheidsbeperking, bepaald moeten worden door dat, wat voor ons op dit ogenblik het meest begerenswaardig is. In de stof is dat misschien niet altijd uit te voeren, voor de geest is het altijd wel realiseerbaar. Hoe bewuster de geest echter wordt, hoe minder noodzaak en behoefte tot eenzijdigheid er voor haar bestaat.
  4. Een mens die geestelijk vrij wil zijn moet begrijpen, dat een deel van geestelijke vrijheid ook ligt in de kunst van zelfbeperking. Een ongebondenheid van geest en eventueel ook van stof, die geen enkele beperking erkent, verloochent de kernwaarde van eigen bewustzijn. Zo verliest men de aansluiting met de kern van eigen wezen en wordt de eigen groei daardoor belemmerd. Vrij te zijn en niet te weten wat je met de vrijheid moet doen, is een van de meest pijnlijke dingen die je kan overkomen. Daarom is het raadzaam zich steeds geestelijk en stoffelijk zo ver te beperken, dat de vrijheden die men heeft en voor zichzelf opeist, zinrijk zijn volgens eigen bewustzijn en denken.

Met deze punten heb ik natuurlijk alleen in grove lijnen getracht mijn gebied te begrenzen. Want, mijne vrienden, aan begrenzing ontkomen kunnen wij nooit en te nimmer. Ons wezen zelf is begrensd en beperkt. Het feit dat deze begrenzing van tevoren bepaald wordt, door de vorige ervaringen van ons leven en onze vorige levens- of bestaanstoestanden, houdt in dat er een binding bestaat voor de geest, vanaf het begin, die bepaalt in hoeverre wij heden vrij zijn. Gebondenheid, zoals dit ook voor de geest regelmatig voorkomt, moet worden gezien als een direct uitvloeisel van de goddelijke wil en de goddelijke wet, terwijl zij daarnaast verder wordt gedefinieerd door de levenslijn, die we zelf gevolgd hebben. Te denken aan een absolute vrijheid is voor ons, zolang wij niet alle vorm achter ons hebben gelaten, zelfs onmogelijk.

Wij weten verder, dat ofschoon de geest zich alles kan voorstellen, zij niet alles kan realiseren. Dat wil zeggen, dat wij in ons een zeer grote vrijheid hebben, maar dat wij deze nooit buiten onszelf bevestigd kunnen weten. U kunt hier gaan zitten en u kunt van uzelf denken dat u miljonair bent, dat u in de hemel zit, dat u macht hebt over de wereld of dat u alle zieken door een enkele aanraking of een enkel woord kunt genezen. In uzelf is door uw denken dit wel waar, zolang u geen twijfel kent. Maar omdat dit niet onmiddellijk en precies gelijk aan het beeld, dat u in u hebt geschapen, zich buiten u manifesteert, zult u dat in u ontstane weer gaan beperken en verwerpen. Het is dus logisch, dat wij een beperking van de vrijheid van de geest ook zien in haar milieu of omgeving. Dit geldt niet alleen voor de stof, want ook in de sferen leven wij in onze eigen werelden. En elke wereld heeft uiterlijke reacties, die niet de volle scala van ons innerlijk voorstellingsvermogen omschrijven. Als gevolg zullen wij door onze buitenwereld steeds weer worden belet het totaal van onze geestelijke capaciteiten en vermogens ­onmiddellijk en volledig tot uiting te brengen. Ook een onvrijheid.

Wat moeten wij doen om geestelijk vrij te worden? In de eerste plaats moeten wij heel goed begrijpen, dat alle waarden, die wij buiten ons zien, van uit ons standpunt relatief zijn. Zij kunnen van uit onszelf en volgens ons bewustzijn volledig van kracht blijven, zonder daarom voor een ander ook maar enigszins bindend te zijn. Dit is het eerste wat wij moeten begrijpen, want zonder dit gaan wij de hele wereld zien naar eigen beeld en gelijkenis. En hoe meer wij de wereld vormen naar hetgeen ons goeddunkt, hoe meer wij onszelf zullen binden aan onze eigen beperking.
Wij zullen altijd moeten trachten begrip te hebben voor alles wat afwijkt van onze eigen inzichten. Wij behoren dit niet te accepteren, wij behoeven het voor onszelf niet te verlangen of inderdaad in praktijk te brengen, maar wij moeten het erkennen, wij moeten begrijpen wat er achter zit. Hoe meer wij kunnen begrijpen van hetgeen er zich in de wereld buiten ons afspeelt, onafhankelijk van onze eigen wil, hoe groter de vrijheid die wij in ons zullen krijgen. Want het begrip dat wij hebben voor de wereld vergroot onze geestelijke vrijheid.

Als er wordt gezegd: “Heb uw naaste lief gelijk uzelf”, dan wordt hiermee gezinspeeld op de kosmische eenheid die er tussen alle mensen en ten slotte ook tussen alle schepselen bestaat. Hoe meer wij deze eenheid voor onszelf realiseren en hoe meer de ervaringen van anderen deel van ons eigen wezen gaan uitmaken, hoe groter de reeks mogelijkheden die onze geest heeft om te kiezen en hoe groter het terrein waarin zij zich vrijelijk zal kunnen bewegen.

Ten laatste. Het vergaren van weten – stoffelijk en ook geestelijk – kan van groot belang zijn voor de vrijheid van onze geest. Weten houdt nl. in: een verklaring voor hetgeen wij rond ons zien. Hoe meer wij weten, hoe meer wij waarnemen of waar kunnen nemen. Hoe meer wij kunnen waarnemen en weten hoe meer wij zullen kunnen begrijpen. Hoe groter ons begrip, hoe groter onze wereld.

Hiermee heb ik getracht in het kort een overzicht te geven van wat vrijheid van geest kan zijn. Daarbij moet ik nog even wijzen op een paar misstanden en wanbegrippen, die op aarde heel vaak gelden.

Men spreekt over vrijheid van gedachten. Dit is niet volledig waar. Zolang u nl. aan anderen buiten uzelf gezag toekent, is de vrijheid van uw gedachten, door het aan anderen toegekende gezag, inderdaad beperkt. Wanneer deze beperking bewust geschiedt, is zij ten goede. Geschiedt zij echter onbewust, dan is dit een begrenzing van onze geestelijke vrijheid, die wij zelf niet wensen en die zelfs nadelig kan zijn.

Begrijp daarnaast ook heel goed, dat gedachten niet zo tolvrij zijn als u denkt. Elke gedachte die in u leeft, wordt ergens geuit en geopenbaard. Elke wens, zelfs de meest verborgene, wordt ergens in het heelal gerealiseerd, ook al bent u er zich niet van bewust. Het gevolg is, dat het geheel van uw wezen te allen tijde is geopenbaard. Dit te weten en te aanvaarden vergroot de geestelijke vrijheid. Zolang men echter het idee heeft, dat men gedachten e.d. verbergen kan, bindt men zichzelf. Openheid en eerlijkheid zijn voor de mens op aarde de beste middelen om een zo groot mogelijke innerlijke en geestelijke vrijheid te bereiken.

En dan een laatste wanbegrip en dan zijn we er wat dit onderwerp betreft alweer doorheen. Wij denken heel vaak, dat wij kunnen volstaan met onze eigen weg te gaan. Wij noemen het vrijheid, vooral in de stof wanneer niemand ons beperkt in hetgeen wij zelf willen volbrengen. Maar in ons leeft een begrip, dat verder gaat dan het “ik”. Om een heel eenvoudig voorbeeld te geven. Het kan zijn, dat een heer meent tegenover een dame niet hoffelijk te hoeven zijn, Wanneer hij die hoffelijkheid echter opzettelijk gaat vermijden, omdat hij daardoor zijn “vrijheid” van conventie bv. bewijst, zal hij zich in feite veel sterker binden dan door zich naar de gangbare gebruiken te voegen. De grote kunst van het vrije leven – en vooral het vrije leven van de geest – is wel: je zoveel mogelijk te richten naar datgene wat anderen verlangen en begeren zonder jezelf ooit prijs te geven. Dit “zoveel mogelijk” betekent, dat je door aan anderen tegemoet te komen een groot deel van hun wereld tot de jouwe maakt en daarmee zeker de mogelijkheid tot ervaring (tot beleving dus) zowel als tot geestelijk verdergaan aanmerkelijk uitbreidt.

Verzadiging

Wanneer je een vloeistof ziet, waarin zich kristallen vormen en de schittering beschouwt van hetgeen geboren wordt uit de oplossing, dan weet je: hier is sprake van verzadiging. Verzadiging is het ogenblik dat het “ik” niet verder kan opnemen, dat het “ik” al het verdere van zich afwijst.

Een verzadiging kan er zijn in de lucht wanneer kleine waterdruppels zweven als witte wolken, schimmen makend van al wat je rond je ziet. De verzadigde lucht slaat neer als een vochtige film op de grond en tekent vreemd vertekende lijnen. Ze doet de geruisen klinken als op een verre afstand, gedempt en gedoofd.

Zoals de lucht verzadigd kan zijn, zoals een oplossing verzadigd kan zijn, zo kan ook soms de mens verzadigd zijn. Wanneer onze geest te veel heeft opgevangen van krachten, van licht, komt er een ogenblik dat wij niet meer kracht kunnen aanvaarden. Wanneer die krachten dan toch op ons doorwerken, dan moeten wij ze afzetten. Wij moeten ze op de een of andere wijze uit onszelf verwijderen, want wij kunnen niet meer ontvangen. En in vele gevallen zullen wij dan moeten proberen dit af te reageren, te vluchten voor hetgeen in zo grote mate ons wordt gegeven.

Het kan zijn, dat de wijsheid die wij begeren in een rijke mate over ons wordt uitgestort. In ketens van woorden, in wit bedrukte bladen, vloeit zij ons toe als een stroom zonder einde. Maar het denken weigert. De ogen rijen de letters niet meer tot woorden. De bladzijden zijn als vergiftigd met kriebelende mieren, die wisselen en onbegrijpelijke tekens vormen. Oververzadigd. Wij kunnen niet meer nemen.

Die oververzadiging ligt aan ons, want het weten van de hele wereld is toegankelijk voor elke mens. En de kristallijnen bouw van de goddelijke wereld kan worden gereproduceerd in elk menselijk wezen. Maar wij willen soms niet meer ontvangen, wij kunnen niet meer. Wij proppen ons pauzeloos vol en het onbegrepene verstopt ons wezen. In plaats van het terzijde te zetten, behouden wij het in ons, tot wij niet in staat zijn iets verder op te nemen.

Verzadiging. Maar eer er een verzadiging is, moet er een honger zijn. Wanneer er in ons een honger is naar beleven, naar kracht, naar weten, dan gaat in ons wezen alles ernaar uit, het vraagt erom. Dan komt er een ogenblik dat de honger zo groot is, dat wij alles willen offeren. Zo groot kan die honger zijn, dat men voor een snede brood meer dan zijn gewicht in goud geeft. Zo groot, dat men voor enkele woorden van wijsheid jaren van arbeid wil offeren of jaren van leven. Wanneer die honger zo knaagt in u, is het tijd dat ge moet denken aan verzadiging. Maar bedenk wel: verzadig u op de juiste wijze en zorg dat ge niet oververzadigd bent. Zoek naar het ogenblik van beleven, waarnaar gij hongert. Zoek naar het punt van weten, dat u zolang heeft gekweld. Zoek naar die enkele kracht, die u in staat zal stellen om voort te gaan en dat te bereiken wat ge zoekt. Maar vraag niet meer dan dit. Want er komt een ogenblik, dat ge niet verder durft vragen, niet verder kunt leren. Er komt een ogenblik, dat het beleven u lusteloos en traag maakt, alsof het geen zin meer heeft. Dan hebt ge het punt der verzadiging bereikt. Als ge verzadigd bent, dan kan uw geest, dan kan uw denken nog hongeren naar meer, maar het heeft geen zin. Ge zult moeten werken. Zoals degene die gegeten heeft en verzadigd is, door de arbeid weer een nieuwe honger krijgt en weer in zich kan opnemen, zo omzettende hetgeen in hem leeft in nieuwe kracht, in nieuw weten, in een nieuw bereiken, zo kan de mens die zich verzadigd heeft aan kracht en geestelijk weten, aan stoffelijk beleven, daaruit dan weer arbeid bouwen, een nieuw bereiken, een nieuwe voortgang.

Voor ons is de verzadiging altijd mogelijk, indien wijzelf niet schuwen wat ons wordt geboden. Want rond ons is Gods veelvuldigheid. Al wat wij begeren ligt in de schepping voor ons bereid. Maar de honger moet groot zijn, want anders betalen wij de prijs niet. God biedt ons al wat wij begeren, van af het eenvoudigst stoffelijk beleven tot het wonder der occulte beleving en de opgang tot de hoogste sferen.

Hij vraagt daarvoor Zijn prijs. Wij moeten leren de prijs te betalen voor hetgeen ons geboden wordt. Wij moeten ook leren hetgeen wij gekregen hebben en hetgeen wij verworven hebben niet te zien als een doel in zichzelf, maar slechts als een middel om verder te gaan, om meer te bereiken, om meer in de schepping uit te drukken. Om zo uit de verzadiging honger te scheppen en in het scheppen van de honger het bewustzijn te vergroten en de vreugde in de wereld te intensifiëren. Totdat wij in de volheid van het leven met die honger ons zullen verzadigen, opnieuw en weer opnieuw aan de ontelbare gerechten die de Schepper ons biedt; betalende met ons streven en met onze arbeid, met ons aanvaarden van Zijn wetten en voor onszelf groeiende tot er een ogenblik komt, dat wij niet meer verzadigd kunnen zijn, maar het enige, wat ons blijft is: de schepping in zichzelf. Want eerst wanneer de mens de gehele schepping in zich draagt met al wat leeft en hij als de geest Gods zelf het heilig woord en wat het heeft voortgebracht omvat, is hij waarlijk verzadigd, omdat hij niet groeien kan, niet groter zijn kan, niet meer kan bevatten. Dan treedt de rust op.

Maar tot die tijd bereikt is, zal ons steeds de honger kwellen. En steeds zal het leven ons vragen of wij de prijs willen betalen. Hebben wij de prijs betaald, dan zijn wij voor een ogenblik verzadigd en wij zullen werken. En in het werk zullen wij onszelf bewuster zien, meer wetend en erkennend en gelijktijdig de kracht vindend om voortwerkende de prijs te betalen voor een nieuw weten, een nieuw begrijpen, tot het einddoel is bereikt.