Geestelijke genezing – vervolg

uit de cursus ‘Actief geestelijk streven’ – (Hoofdstuk 6)   maart 1958

Na de genezing in nabijheid zonder contact volgt ‑ en iedereen zal dat als heel natuurlijk beschouwen ‑ genezing op afstand. Nu bestaan er over genezing op afstand heel veel verschillende verhalen. Om er enkele te noemen: men neemt aan dat bepaalde geesten a.h.w. op gezag van of door contact met een bepaalde mens zullen uitgaan om zelfstandig genezend werk te volbrengen. Dat is fout. Men kan als geest nooit zelfstandig op deze wijze gaan werken, tenzij men ook zonder dit contact genezend werk reeds verricht vanuit eigen sferen. Dan is het contact met de mens echter niet meer bepalend voor hetgeen men volbrengt. Wij moeten dus elke gedachte van geestelijke doktoren, die weldoende rondgaan, wanneer zij gealarmeerd worden door een stoffelijke contactpost, uitschakelen. Dat is niet juist.
Een geestelijke dokter, zoals men ze dan noemt (ze hebben vaak geen academische graad, soms wel), is eerder iemand, die b.v. door middel van een medium, een trance‑medium of zelfs een inspiratief medium, tracht anderen bij te staan. Hij werkt dus direct via een stoffelijk middel. En daarbij kan hij dan door de krachten van het stoffelijk middel en de daarin gevonden mogelijkheden, soms volgens de daar getroffen overeenkomsten (dus bij een contact door middel van het medium getroffen overeenkomsten), een taak ook verder volbrengen. Dit is echter niet een werkelijk genezen op afstand, waar hier een onmiddellijk contact met het medium altijd noodzakelijk is geweest in dit geval.
Genezen op afstand moet eerder worden gezien als het gebruiken van eigen krachten en krachten van de geest of krachten uit het Goddelijke op zodanige wijze, dat het eigen voorstellingsvermogen de stoffelijke ruimte overbrugt en in sommige gevallen zelfs de ruimte van de tijd. Men kan dus bij dergelijke genezingen soms ingrijpen enige uren voordat men geconcentreerd heeft.
Dit is een schijnbare tegenspraak. Maar u moet altijd onthouden dat de mens leeft in een tijdsconcept dat niet helemaal juist is. Vandaar dat de geest a.h.w. terug kan gaan in de tijd ‑ ook de menselijke geest – en zijn krachten daar ontladen. Maar altijd zal voor een dergelijk teruggaan in de tijd of vooruitgaan in de tijd een zekere tol in eigen zenuwkracht moeten worden opgebracht. Het is dus niet aan te raden op deze manier te werken, tenzij in allerhoogste noodzaak en dan nog bij voorkeur onder leiding van bevoegden. Wel kunnen wij echter in het heden werken. En in het heden is die werkzaamheid dan als volgt:
Onze concentratie verplaatst ons wezen, voor zover dit niet stoffelijk is (dus dit gaat van het astrale af), a.h.w. in de patiënt. Alle krachten, die in ons gewekt zijn of die door middel van ons kunnen uitvloeien in de patiënt, worden daar dus onmiddellijk geactiveerd. Doet men dit alleen, dan bestaat het bezwaar dat men maar een bepaald aantal patiënten zo kan helpen. En dit aantal patiënten is betrekkelijk klein. Het bedraagt meestal per persoon ongeveer 4 á 5. Zou men meer patiënten nemen, dan is of de genezende werking onvoldoende, dan wel de uitputting te groot. Maar nu stellen wij dat geestelijke genezing kan geschieden door groepen. Juist op afstand. Die groep kan bestaan uit mensen, uit mens én geesten, of uit mensen en geesten. Ongeacht de samenstelling is noodzakelijk: een punt van concentratie. Dit punt van concentratie behoeft niet in tijd gelijk te zijn. Dus wanneer wij een groep hebben kan rustig A. ’s middags om 2 uur mediteren, B. om 4 uur, C. om 6 uur, enz. Ze kunnen ook allen gelijktijdig op één punt mediteren, dus op één uur. Noodzakelijk is echter wel het volgende:
Allen leggen zichzelf op deze krachten volgens afspraak op een bepaald tijdstip en meestal ook vanuit een bepaald centrum werkzaam te doen zijn. De geest, die zich daarbij aansluit, zal zich qua tijd en placering in ruimte volledig aanpassen aan zijn menselijke medewerkers. Het is dus niet zo dat de mens zich aan de geest aanpast, maar de geest past zich aan de mens aan.
Bij genezing op afstand wordt in de eerste plaats een trilling gewekt. Om dit zich voor te stellen, kunnen wij het beste zeggen dat de patiënten in een licht gebaad worden, dat uit henzelf wordt gewekt en versterkt wordt door alle harmonische factoren in de nabijheid. Een concentratie op deze manier brengt verder met zich mee, dat de patiënt wordt onderworpen aan de gedachtepatronen van degenen, die zich concentreren. Hoe groter de groep, hoe vlakker het gemiddeld gedachtebeeld is. Hoe groter de goedwillendheid van deze groep, hoe sterker ook de wil tot genezing, maar daardoor ook tot verbreiding van naastenliefde, van vrede, e.d. De patiënt zal deze invloeden evenzeer ondergaan als de krachten zelf.
Op afstand kunnen het best behandeld worden: Chronische kwalen, bij voorkeur ten dele psychisch. Lichamelijke kwalen vragen meestal een aanvullende behandeling, maar psychische problemen kunnen op deze wijze meestal snel en redelijk worden opgelost. Verder alle kwalen, die niet in verband staan met infectie‑ziekten of onmiddellijke weefselvervorming. Voorbeeld dus van niet te behandelen ziekten: roodvonk, mazelen, influenza, tuberculose, kanker, furunculose, e.d. Deze kunnen op die manier praktisch niet behandeld worden, met uitzondering van een ingrijpen door de geest, waarbij de geest onmiddellijk vanuit eigen sfeer ingrijpt en dus niet afgaat op de concentratie van stoffelijke medewerkers of een stoffelijke groep.
Bij het werken op afstand houdt men verder rekening met het feit, dat een gemeenschap, die zichzelf werkelijk als gemeenschap voelt, niet voor alle leden gelijk behoeft te zijn in doelstelling. Noodzakelijk zijn de grondwaarden: onzelfzuchtige wil tot helpen van naasten; geloof aan de kracht, die dit helpen mogelijk maakt; dus een instelling ten goede van de wereld, bevestigend de goddelijke wet en wil. Daarnaast echter kan ieder aan zijn eigen patiënten denken. Daarnaast kan ieder zijn eigen visie hebben op die patiënten en problemen. Dit is dan van geen belang; waar de groep als gemeenschap functioneert, dus als één wezen, tijdelijk samengesteld uit de vele deelhebbenden in alle sferen, alle werelden. De activiteit is dan gelijk aan de wil, niet van de onderdelen samen, maar de wil van onderdelen samen ongeveer verdubbeld per waarde. Dus twee die samenwerken hebben ongeveer 4 x zo veel kracht als één mens, enz. enz. Het enige criterium is: Eenheid is noodzakelijk om deze verdubbeling van krachten, (dus deze reeks a.h.w.) te doen ontstaan. Daar waar de eenheid en het onderling begrip worden geschaad, wordt de werking aanmerkelijk verminderd en kan onder omstandigheden vallen ver beneden de mogelijke prestaties van elk der deelnemers afzonderlijk. Waar de geest mee ingrijpt, is het dus ook wel noodzakelijk, zich zozeer op die geest in te stellen, dat ook daarmee harmonie en eenheid bereikbaar is.
Van deze wijze van geestelijke genezing op afstand door de mens wil ik nog een kort ogenblik overgaan naar geestelijke genezing vanuit de sferen. Zoals de mens in naastenliefde zich gedrongen voelt zijn medemensen te helpen, zo voelt de geest – zich veelal meer bewust van de werkelijke betekenis van het aards leven dan de mens ‑ zich vaak ver­plicht om deze mens bij te staan tot grotere bewustwording, tot sneller geestelijk ontwaken. Dit houdt in dat deze geest zal moeten helpen, ook waar het zuiver lichamelijke kwesties betreft. Bij die zuiver licha­melijke kwesties maakt deze geest dan van zijn bijzondere eigenschappen en zijn bijzondere toestand rijkelijk gebruik. Werkt hij ‑ zij het tezamen met enkele anderen, zij het alleen ‑ voor één patiënt en is het behoud van deze patiënt of de genezing van deze patiënt voor diens bewustzijn dringend noodzakelijk, dan zal ingegrepen worden, wat wij noemen, operatief. Hierbij kan de geest ‑ die immers kan doordringen binnen het lichaam van de mens ‑ zich a.h.w. concentreren in die mens en zo kunnen ingrijpen in elk intern orgaan, zonder daarvoor andere weefsels te be­schadigen. De hantering geschiedt meestal niet door een werkelijk sub­stantiëren van een bepaald deel van eigen wezen, maar eerder door het scheppen van zeer sterke stuwingen van astrale geaardheid, zoals ook bij donkere‑kamer‑seances wel kunnen worden waargenomen voor het bewegen van voorwerpen. Ofschoon klein en scherp gericht, zijn deze krachten dan veelal in staat om de belangrijkste wijzigingen inderdaad aan te brengen. De geest, die op deze wijze ingrijpt, zal echter nooit de totale genezing van de patiënt beogen. Er wordt slechts getracht een totale ondergang of een voortijdige overgang van de patiënt op deze wijze te voorkomen.
Dan kan die geest verder natuurlijk ook krachten geven. En dan zien wij hetzelfde verschijnsel, als wij zo-even bij die groep zagen, die genezing op afstand deed, nl. dat de kracht van de geest zich vaak openbaart als een gekleurd licht. Dit kleur‑hebben is in feite een aanduiding van de frequentie, waarmee gewerkt wordt. Er is dus sprake van een golf, die wordt uitgestraald. Het is niet slechts een emissie van deeltjes, maar ook een golving, die zeer sterk wordt ingebracht in de kleinste delen van het menselijk lichaam. Hierdoor kunnen ongekend grote stimuli bereikt worden met betrekkelijk kleine krachten en kan de vitaliteit van de patiënt aanmerkelijk worden vergroot. Bovendien kan door het moduleren, dus het aanbrengen van wijzigende trillingen in de oorspronkelijke straling, heel vaak het gedachteleven van de patiënt worden beroerd en ten slotte een inspiratief contact worden verkregen. Dit laatste wordt veelal op prijs gesteld door geesten, die alleen of in kleine groepen werken, omdat zij op deze wijze tevens een sterker contact krijgen met de wereld, dat het hun gemakkelijker maakt ook bij anderen genezend en helpend in te grijpen.
Genezing door grotere krachten ‑ ik denk hier dus aan groepen, die b.v. vijftig tot honderd geesten samenvatten ‑ is weer geschoeid op een ietwat andere leest. Bij deze geesten is het onderkennen van de kwalen en de fouten een eerste behoefte. Daarvoor kent men dan de z.g. scouts of zoekers, die contact kunnen opnemen met mensen, onmiddellijk dan wel middellijk van een medium. In dergelijke gevallen constateren zij, waar de kwalen zijn. De groep selecteert de volgens het eigen innerlijk evenwicht van deze groep gemakkelijkst bereikbare gevallen en geeft daaraan hulp. Dit houdt in dat het dus onmogelijk is op deze wijze hulp te verlenen aan alle patiënten, die middellijk (via een medium b.v.) deze hulp hebben aangevraagd. Slechts aan een betrekkelijk klein per­centage, ongeveer 13% tot 14% kan absolute hulp worden verleend. Daar­naast tracht men soms ook voor anderen iets te doen. Men doet dit dan meestal als een soort erkenning van het belang van het contactpunt. Wanneer deze groep zonder contactpunt werkt, zullen de scouts (de zoe­kers) zelf hun patiënten a.h.w. onder de aandacht van deze kring brengen, en deze kring tracht tussen patiënten en eigen wezen een grote harmonie te doen ontstaan, waarbij op astraal en geestelijk gebied een doorstroming van krachten ontstaat. De eigen geestelijke kracht van de patiënt, zijn eigen astraal wezen, wordt tijdelijk opgenomen in de kring van deze geesten, waarbij het bewustzijn van allen, gericht op één doel, dus mede dit wezen zeer sterk beïnvloedt en ten slotte tot eenheid met de kring dwingt. Daarna worden astrale en geestelijke krachten weer teruggebracht in het lichaam, verrijkt dus met de intensiteit, die de groep heeft kunnen geven.
Een laatste mogelijkheid van genezing door de geest komt ook weer het magische en het wonderdadige nabij. Hier wordt door de geest getracht om de goddelijke Kracht onmiddellijk actief te maken. Men kan zo’n geest zich het beste voorstellen als een brandglas, dat zich in de juiste focus brengt t.o.v. het voor die geest kenbare ‑ voor het brandglas dus kenbare ‑ goddelijke licht. Een bundeling van de krachten, waaruit de geest zelf leeft, op een bepaalde persoon brengt teweeg: het intreden van de onmiddellijk kosmische kracht binnen de patiënt met alle goede, maar ook alle kwade gevolgen daarvan. Kwade gevolgen, omdat het kosmische niet kan erkennen duisternis of tegenstellingen, maar slechts onmiddellijk evenwicht tracht te scheppen, ongeacht de gevolgen. Bij dergelijke behandelingen is het mogelijk dat de patiënt geestelijk enige schokken ondergaat, die soms langere tijd zijn denken ietwat a‑normaal doen zijn. Er is dan echter geen sprake van werkelijke waanzin, noch van een werkelijke geestesziekte. De symptomen ervan zijn vaak enige afwezigheid, ook verstrooidheid afgewisseld door vlagen van buitengewoon scherp bevattingsvermogen.
Wanneer wij na het bezien van de vele mogelijkheden ons afvragen, in hoeverre de werking van de geest zonder stoffelijke hulp op aarde gerealiseerd kan worden, zullen wij allereerst de mogelijkheid van de geest om in te grijpen moeten beschouwen. In de vorige punten heb ik dit reeds zoveel mogelijk toegelicht. Ter verduidelijking dan nog het volgende:
De geest is niet in staat onmiddellijk stoffelijk in te grijpen. Hij kan dit wel doen door gebruikmaking van stoffelijke krachten, hij kan dit ook doen door te werken via de geest van een bepaalde persoonlijkheid. Er is dus altijd een mediator/trice nodig. Zonder dit is het voor de geest zeer moeilijk iets te bereiken. Hij kan echter wel, wanneer hij over deze krachten beschikt, een reeks manipulaties volvoeren, die een doodgewone arts ‑ met mijn verontschuldiging aan allen, die een medische opleiding hebben genoten ‑ niet zo gemakkelijk volbrengt. Voor ons bestaat nl. een dimensionaal verschil, waardoor het mogelijk is aan te zetten in de organen zelf of in de weefsels zelf, zonder daarvoor een operatieve handeling te verrichten, zonder daarvoor zelfs verdovingen of iets dergelijks te doen plaatsvinden. Een eenvoudig neutraliseren van de stromen in de zenuwen is voldoende. Wij kunnen dan, binnen de cellen ‑ denk aan wat over de celkernen is gezegd in het eerste deel van ons betoog – eenvoudige veranderingen stimuleren, versterkte groei, in sommige gevallen ook versterkt verval. Afhankelijk zijn wij hierbij vooral van de eigen geaardheid van de cellen en de mogelijkheden, die zij ons dus bieden.
Het geven van kracht uit de geest kan alleen dan gebeuren, wanneer een redelijke harmonie bestaat tussen de patiënt en de krachtgever. Deze harmonie is noodzakelijk, omdat de kracht, die uit de geest wordt geput, via de geestelijke weg in de menselijke psyche moet worden gevoerd en eerst daar wordt omgezet in voor het lichaam bruikbare energieën. Over het algemeen zal de geest bereid zijn iedereen te helpen. Toch wordt hij daarin heel vaak belemmerd. Aan het einde van mijn vorig betoog heb ik er o.m. op gewezen, dat karma hierbij een van de hinderpalen kan zijn. Karma kan worden vergeleken met een gebrek aan harmonisch vermogen, waardoor geen genezing op welke wijze dan ook kan worden tot stand gebracht en zeker niet blijvend.
Nu heeft men de gewoonte om bij het aanroepen van de geest een onmiddellijke hulp te verwachten; een hulp bovendien, die dan wordt gegeven, zonder dat er verder iets aan vast zit. Helaas moet ik ook deze mening bestrijden. In de eerste plaats kan de geest een positief streven wel helpen verwerkelijken, maar hij kan niet een positief streven scheppen zonder meer. Wel kan hij daartoe instigeren. Is er geen positief streven in de patiënt aanwezig, dan kunnen wij niets beginnen Ik herhaal het nogmaals: Het eerste beginsel van elke medische behandeling is en blijft in de patiënt de gedachte en het geloof aan genezing sterk te vestigen.
Bijstand wordt verder verleend door het z.g. inspiratief werken. Inspiratief werken veronderstelt niet te allen tijde de aanwezigheid van een medium. Het betekent wel dat één of meer personen in de omgeving van de patiënt of de patiënt zelf vatbaar moeten zijn voor impulsen, die uitgaan van de geest. In deze gevallen is het mogelijk, dat de patiënt door een plotseling ontwikkelde lust voor licht genezende middelen ‑ meestal in natuurlijke vorm ‑ deze tot zich gaat nemen. Het is mogelijk dat de omgeving ‑ ondanks andere voorschriften ‑ plotseling besluit om het nu eens zo te proberen. Het is zelfs mogelijk, dat b.v. een medicus plotseling een andere visie krijgt op het ziektegeval, waardoor hij zijn diagnose verandert, dan wel aanvult.
Over de gehele wereld is de geest bereid de lijdende mensheid te helpen. Hij kan dit echter niet zonder de hulp van de mensheid. Het is dus in de eerste plaats aan de middelen, die de mensheid gebruiken kan, dat wij onze aandacht moeten schenken. En daarbij zou ik allereerst de nadruk willen leggen op de genezing door concentratie, de genezing op afstand.
Bij genezing op afstand is het echter noodzakelijk, dat de aanwezigen zich concentreren op de patiënt en van diens lijden althans een redelijk beeld in zich kunnen vormen. Deze voorstelling moet aanwezig zijn. Is zij eenmaal goed gevestigd, dan kan dit beeld zonder meer door associatie met b.v. een naam of een aanduiding uit het onderbewustzijn worden opgeroepen en kan dan onmiddellijk als actieve factor meewerken in het genezend proces. Verder zal het noodzakelijk zijn, dat men deze genezing en deze gedachte niet alleen richt op de geest zonder meer. Wanneer wij in de stof zijn, geven wij er de voorkeur aan om te werken via de geest, omdat hierdoor grotere krachten vrijkomen en dus ook grotere mogelijkheden openstaan. Toch is de eigen kracht, de eigen concentratie van de deelhebbers aan genezing op afstand, wel zeer belangrijk. Daartoe kennen zij bepaalde middelen, die hen helpen in de juiste toestand te komen. Wij verstaan daaronder o.m. concentratie en meditatie. Contemplatie echter wordt hierbij niet of praktisch niet gebruikt.
In de eerste plaats dan de concentratie en de wijze waarop deze het best bereikt wordt. Men stelt zich de personen zo goed mogelijk voor, men tracht a.h.w. de patiënten voor zich uit te beelden en drijft zo elke andere gedachte van zich. Speculaties omtrent het lot van de patiënten zijn toegelaten, gedachten omtrent hun ziekten evenzeer, alle begeleidende gedachten echter mogen niet worden uitgewerkt, moeten uit het bewustzijn worden weggedreven. Dit kan door de geschoolde in een zeer korte tijd geschieden. Als ik u mag herinneren aan hetgeen wij reeds zeiden: een geheel ingewijde kan dit in enkele seconden, een normaal mens heeft daarvoor ongeveer 2 minuten nodig. Dit houdt dus in dat, wanneer men hetzij alleen hetzij in een groepsgemeenschap wil komen tot genezing op afstand, te allen tijde elke oefening, elke poging kracht uit te stralen, zal beginnen met deze concentratie. Is deze concentratie echter volbracht, staat het beeld ons voor ogen, dan moet een zo sterk mogelijke beweegreden worden gevonden om te helpen.
Hiertoe beginnen wij met een meditatie. Deze meditatie zal uiteraard moeten samenhangen met ziekten, met lijden, met pijn. De wijze, waarop wij deze meditatie verwerken, is volledig afhankelijk van onze eigen manier van denken. Er bestaan hiervoor geen vaste regels in vormgeving of opbouw. Slechts kan worden gezegd dat elke meditatie, die bedoeld is als een versterking van krachten bij genezing op afstand, een poging in zich zal dragen om het lijden der mensheid te beschouwen, in zichzelf een medelijden op te wekken (dus een directe relatie met het lijden) en een poging het geloof vast te stellen, dat dit lijden teniet kan worden gedaan door de goddelijke Kracht en al hetgeen uit het licht geboren is.
Het is niet noodzakelijk dat deze meditatie tot een afgerond einde gebracht wordt. Er zijn gevallen, waarbij b.v. door insluimeren de meditatie zelf wordt onderbroken. Er zijn dan echter in u gedachteprocessen geschapen, die op de eigen gesteldheid doorwerken. Zo zal dus de kracht, die in de persoon schuilt plus diens wil, gericht worden op de genezing van zijn patiënt. Bij de eenling betekent dit dat die kracht wordt uitgestraald en meestal onmiddellijk. Het is echter ook mogelijk, door een zekere suggestie (het stellen weer van een wilsacte), een vertraging in de zending der kracht te bewerkstelligen. Men kan b.v. mediteren ’s middags om 12 uur en voor zich vaststellen, dat deze kracht eerst werkzaam zal worden ’s nachts om 12 uur.
Dit lijkt misschien wat vreemd, maar berust op een eigenaardige klok, die de mens nu eenmaal heeft ingebouwd. In elk menselijk lichaam zit een tijdsbesef. Dit tijdsbesef is zozeer aan de conventionele tijdsbegrippen gekoppeld, dat het stellen van een bepaald uur gelijktijdig het verloop van een zekere fase en het optreden van bekende omstandigheden inhoudt. Deze kracht zal dan misschien niet om klokslag 12 uur worden uitgezonden. Er is een speling van 20 tot 30 minuten naar beide zijden mogelijk. Maar de werking van die kracht zal ‑ vooral wanneer ze op een dergelijke wijze wordt uitgezonden ‑ vaak een tijd in beslag nemen, die tot anderhalf uur kan duren. Wanneer wij dus werken in een groep, is het stellen van een dergelijke tijd en een dergelijk voornemen om juist op die tijd onze kracht actief te doen werken, voldoende om gedurende een redelijke periode een algehele samenwerking van de groep te bereiken.
De uitstraling en de kracht van de groep is groter dan de kracht van alle enkelingen in de groep afzonderlijk. De potentie van de groep ligt hoger, is groter. Als resultaat zal ook het vermogen van die groep om krachten uit de geest te putten, te verwerven, leiding van de geest te krijgen of aan de geest middelen tot genezing ter beschikking te stellen, aanmerkelijk veel groter zijn. Toch is er een bepaalde grens. Men kan dergelijke groepen niet onbeperkt uitbreiden. Het maximum van 25 á 30 personen kan over het algemeen als redelijk worden aangenomen. Slechts wanneer het gaat om zeer algemene begrippen, waarbij men zich dus niet meer op enkelingen maar op de gehele wereld richt, is het mogelijk om dus met onbeperkt grote groepen hier ook actief iets tot stand te brengen.
Naast deze genezing op afstand bestaan er ook nog andere methoden. Een van de minst gebruikte maar toch ook zeer werkzame wil ik hier graag aanstippen. Er bestaat tegenwoordig de mogelijkheid om met iemand door telefoon of radio een z.g. stem‑contact te krijgen. Dat wil zeggen dat de stemmen van genezer en patiënt elkaar kunnen bereiken. In een dergelijk geval kan dus ook een uitwisseling van gedachten plaatsvinden. Deze uitwisseling van gedachten staat gelijk aan concentratie. Deze concentratie maakt het voor de genezer mogelijk zich vaak in de patiënt te verplaatsen, althans deze a.h.w. gade te slaan door geestelijke middelen. Bij de geest is afstand nl. niet bepalend voor de waarde. Zo kan dus, via deze lijn, door een enkele genezer soms een zeer grote kracht worden uitgezonden. Niet dat ze via de telefoondraad gaat, maar zij wordt dus sterk bevorderd door richtend contact. De genezer geeft hierbij veelal nog suggesties, welke op zichzelf geschikt zijn het vertrouwen in de genezing te vergroten en dus ook de genezende werking als zodanig. Degenen echter, die geen bijzondere training hebben in het gebruik van geestelijke krachten, kan ik deze methode niet in het bijzonder aanraden.
Verder kennen wij contactgenezing. Bij een contactgenezing (waarover wij reeds veel hebben gezegd) bestaan er verschillende mogelijkheden van werken. Ik wil hier de voor‑ en nadelen hiervan nu kort opsommen. De keuze, die men hieruit zal doen, moet door eenieder zelf worden bepaald.

In de eerste plaats. het directe contact. Hierbij vindt dus plaats een direct beroeren van het lichaam, o.a. massage enz.. Dit heeft het voordeed dat persoonlijke krachten onmiddellijk kunnen worden overgebracht. Het heeft het nadeel, dat een instelling op geestelijke krachten en de patiënt vaak zeer moeilijk wordt. Het resultaat is dat bij deze directe contacten men slechts zijn eigen inhoud kan overgeven aan de patiënt. Hierbij mag rekening worden gehouden met het feit dat in deze contacten soms ook eigen innerlijke gesteldheid wordt overgedragen. Het ontstaan van reflex‑pijnen is mogelijk maar niet schadelijk.

De tweede z.g. contactgenezing bestaat uit het maken van passes in de aura. Over het algemeen volgt hier de handbeweging dus wel de lijnen van het lichaam, maar op een afstand van enkele centimeters. Een minimale afstand van ongeveer 1/2 cm moet hierbij in aanmerking worden genomen, waar anders toch weer een te direct contact ontstaat. Bij het beroeren van de aura is het mogelijk via de aura ‑ dus de stralingen, die het menselijk zijn beheersen ‑ onmiddellijk op het menselijk lichaam in te werken. Waar deze straling over het algemeen ten minste een astraal vlak, veelal ook tevens een geestelijk vlak omvatten, is het verder mogelijk, dat door dit contact geestelijke krachten onmiddellijk mee kunnen ingrijpen.
Dan kennen wij de z.g. handoplegging in twee vormen. De eerste handoplegging is gewoon de genezingswil, die wordt uitgedrukt. Zij gaat gepaard met een zegenbede. Hierbij geldt hetzelfde als voor direct contact. Er kunnen persoonlijke krachten worden overgedragen; het is niet mogelijk geestelijke krachten over te dragen. Wordt de hand daarentegen op enige afstand van het hoofd gehouden, dan krijgen we de z.g. geestelijke zegening, waarbij dus geestelijke krachten kunnen werken via de genezer (ingesteld op genezing), en kunnen deze krachten door diens lichaam uittreden via de hand, overvloeiend in aura en lichaam van degene, die moet worden genezen.

De derde methode is de z.g. gebedsgenezing, waarbij het gebaar zelf niet bepaald wordt. De intensiteit van smeken en bidden, brengt hier echter een harmonie tussen genezer en patiënt tot stand. Het vertrouwen en geloof van de genezer kan zo worden overgebracht op de patiënt; iets, dat enorme suggestieve krachten in zich bergt. Deze suggestieve krachten maken de patiënt vatbaar voor elke opgeroepen kracht, die zich in de omgeving bevindt.

Dan kennen wij verder nog de z.g. behandelingsmethoden door een middel of medium. Dit houdt o.m. in het gebruikmaken van gemagnetiseerd water. Gemagnetiseerd water kan gedurende langere tijd goed blijven, vooral wanneer het bewaard wordt in een glazen vat, zo mogelijk bovendien nog gesteld op een glazen plaat. Een open glas echter doet de ingesloten kracht sneller teloor gaan. Men dient het dus zoveel mogelijk gesloten te behouden. Bij het magnetiseren van water wordt een glas ‑ zo wijd mogelijk open ‑ tussen de handen genomen (één hand boven, één onder het glas) en men laat de kracht van het eigen wezen doorstromen. Wanneer men zich hierbij sterk op genezing concentreert, zal een gedeelte van deze kracht tijdelijk in het water worden opgenomen en door middel van het water aan het lichaam van de patiënt kunnen worden toegevoegd. Het is echter niet mogelijk deze kracht onbeperkt houdbaar te maken. In het gunstigste geval kan gerekend worden met een houdbaarheid van ongeveer 1 week.
Dan kennen wij het instralen of wijden van voorwerpen. Hierbij komen wij verdacht in de richting van de amulet. Maar ook dit kan zijn goede kant hebben. Vooral wanneer wij daarvoor de geschikte stoffen gebruiken ‑ dat kan zijn voor simpele gevallen: eenvoudig gedroogde klei, gebakken klei, verschillende metalen, dus ijzer, eventueel nikkelmengingen, wit‑koper of licht koper, zilver, goud, platina en onder omstandigheden ook kwikzilver ‑ dan kunnen wij in de kracht van deze voorwerpen a.h.w. een totale werking bereiken. Want elk van deze genoemde voorwerpen draagt in zich een eigen kracht. Deze is voor de moleculaire structuur en de eigenschappen van de stof verantwoordelijk. Door een storing hierin teweeg te brengen door middel van onze eigen straling, veranderen wij die geaardheid. Alle materie heeft echter de neiging terug te keren tot de normale toestand voor zover dit mogelijk is. Het resultaat is dat, wanneer enigszins gunstige gedachten of omstandigheden ontstaan in de nabijheid van een dergelijk amulet, de kracht daaruit zal trachten af te reageren en zo een harmonie te scheppen met de uitstraling, die voor het vrij worden der kracht aansprakelijk is. Hierdoor is een voortdurende stimulans geschapen, die een deel van de psyche richt op de juiste verhoudingen, op de juiste instelling en daardoor de mens zelf openstelt voor de geestelijke contacten en genezing, die anders niet zouden kunnen plaatsvinden. Hierbij is het bovendien nog aan te raden bij de keuze van de te gebruiken materie rekening te houden met het volgende. Wij gebruiken koper, ijzer en nikkellegeringen (chroom‑ nikkellegeringen) alleen dan, wanneer wij te maken hebben met patiënten, wier ziekten in verband staan met het bloed, de bloedsomloop en storingen daarvan, bloedziekten tot zelfs anemie, dus bloedkanker toe. In de tweede plaats, wanneer wij te maken hebben met ademhalingsstoringen. Hier gebruiken wij echter geen koper. Kwikzilver wordt alleen gebruikt voor directe verval- en vervormingseigenschappen binnen het lichaam, zodat een amulet, daaruit gemaakt (bevat in een behoorlijk stevig, bij voorkeur glazen vaatje dus) gebruikt zal worden voor alle gevallen, waarbij wij te maken hebben met kanker en andere weefsel‑deterioraties (achteruitgang van het weefsel). Goud, zilver en platina gebruiken wij voornamelijk, waar de eerste storingen psychisch zijn en dus van hieruit een psychische beïnvloeding wenselijk is. De wijze, waarop wij onze krachten richten, is bepalend voor de kracht van de amulet. Gebruikmaken van tekens om die amulet te bevestigen is wel niet noodzakelijk, maar vooral met het maken van klei‑ amuletten, die algemeen bruikbaar zijn, toch wel vaak raadzaam.
Dan kan men in deze klei voor alle genezingen één of meer van de geheime namen Gods of van de omschrijvende namen Gods ingriffen. Daaronder o.a. Jahwe, Adonai, Elohim, Zabaoth, etc. Dus goddelijke termen. Verder kan daarin een reeks patronen worden gegrift. Daarvan zijn het best bruikbaar voor ons doel: het pentagram, waarbij in het hart ook weer een Godsnaam wordt ingeschreven; een dubbele cirkel, waarin de namen van de goede en de kwade krachten door een kruis gescheiden worden gesteld met aan de topzijde een Godsnaam en aan de onderzijde een duivelsnaam. We hebben hier dus te maken met iets, dat in de primitieve magie veel voorkomt, maar dat ook praktisch is te gebruiken voor geestelijke genezing.

Een volgende methode om te genezen is bruikbaar, wanneer je zelf of iemand, die je zeer na staat, ziek is. Men begint met de bede, dus een gebed, waarin de genezing wordt gevraagd. Dit gebed kan worden gericht tot willekeurig welke kracht, mits zij niet duister is. De voorkeur wordt gegeven aan een God, mits men daarin gelooft. Bij deze bede tracht men voor zichzelf de nastaande zieke te realiseren (weer als beeld) en men stelt zich voor dat de goddelijke kracht daarop afdaalt. Een visualisatie van licht hierbij kan heel vaak bevorderlijk zijn voor de genezende werking. In deze bede ontstaat wederom een sympathische band, die door het elkaar na staan nog bevestigd wordt en daarbij dus de genezende kracht bijzonder sterk doet werken via het eigen wezen, waarbij ook de kwaal uittreedt, dus a.h.w. verdwijnt via het wezen van degene, die bidt. Hierbij is geen nabijheid noodzakelijk, wel echter een sterke binding, die zo mogelijk emotioneel moet zijn.

Dan krijgen we verder te maken met de z.g. genezende beelden. Wanneer wij genezing uit de geest willen bewerkstelligen, dan zijn wij er ons van bewust, dat dit altijd weer een trilling moet zijn, d.w.z. een beweging in de materie, op een zodanige wijze met straling gepaard gaande, dat binnen het wezen van de patiënten veranderingen kunnen worden ver­oorzaakt. Wij weten ook dat in verschillende toestanden deze trillingen zich aan ons kunnen tonen als kleuren. Wanneer wij verlangen dat een pa­tiënt bij voorbeeld rust zal vinden, dan stellen wij ons deze mens voor als staande in een zoeklichtbundel van blauw licht. Kunnen wij dit blauwe licht ons zo sterk voorstellen, dat het in de persoon zelf schijnt in te dringen, dan hebben wij door deze concentratie feitelijk bereikt, dat ons wezen ter plaatse deze zelfde straling doet convergeren óp deze persoon. De kleuren, die bruikbaar zijn, wil ik hier nog even aanstippen:

Bij overspanning en al wat daarmee samenhangt (zenuwstoringen en neurosen, die niet van hoofdzakelijk lichamelijke geaardheid zijn in hun uiting) bij voorkeur blauw licht, licht en doorzichtig blauw. Is er sprake van leed en willen wij rust geven, dan stellen wij ons blauwachtig‑zilver voor. Hebben wij te maken met iemand, wiens emotioneel bestaan geschokt is, dus b.v. troost, beheersing e.d., dan maken wij gaarne gebruik van het voorstellen van een gouden licht, dus zonlicht. Krijgen wij daarentegen te maken met lichamelijke kwalen, dan houden wij rekening met het volgende: Alle kwalen, die hun hoofdzetel hebben binnen de borstkas, groen licht. Alle kwalen die beneden het middenrif hun zetel hebben binnen de beslotenheid van de romp, bij voorkeur rood licht en wel helderrood licht. Voor alle ziekten, die betrekking hebben op de bloedsomloop in de hersenen (dus dit is een uitzondering) en waarbij b.v. migraine in sterke vorm kan optreden: een helder en toch dieprood; lichtend, maar het rood bijna als aderlijk bloed. Dus wel helder maar toch een betrekkelijk diepe tint. Wanneer wij verder nog te maken krijgen met ziekten, die gelegen zijn in de extremiteiten, dus armen en benen en wat dat betreft ook eventueel oren, neus, dan stellen wij ons bij de concentratie bij voorkeur een licht voor dat vlamt. Denk aan het overspringen van een elektrische vonk; hierbij wisselen blauw en goud elkaar af. Hierdoor wordt een algemeen genezende werking verkregen, waar ziekteverschijnselen in deze ledematen over het algemeen met het verdere organisme in verband staan.

Het is duidelijk, dat deze door mij omschreven methode in de eerste plaats een suggestieve is. De suggestie, die door dit beeld wordt veroorzaakt, is in feite zelf‑suggestie van de genezer. Maar door die zelfsuggestie brengt hij zich in een toestand, waarbij hij in staat is bepaalde krachten uit het geheel der omringende kracht te nemen en deze te bundelen op de patiënt. Er kan worden gezegd dat aandacht (dus concentratie) over het algemeen werkt als een brandglas, dus de krachten van de omgeving samenvattende en deze gericht als een lichtbundel verder sturende. De voornoemde voorbeelden zijn dan ook bedoeld om dit richten, met een zekere selectie gepaard te doen gaan.
Het is onmogelijk om in te grijpen in ziektebeelden, die uit eigen schuld zijn voortgekomen. Dit klinkt schijnbaar wreed, omdat ‑ zoals men zegt ‑ vele ziekten door eigen schuld ontstaan zijn. Wij maken daarom nog de volgende beperking: Indien de toestand, waardoor de ziekte ontstaan is, ook thans nog gehandhaafd blijft ‑ hetzij zuiver psychisch, hetzij in begeerten, in een neiging om een bepaalde leefwijze voort te zetten, zich bloot te stellen aan bepaalde toestanden en wat dies meer zij. Om op de juiste wijze te genezen, zullen wij echter toch ook dergelijke patiënten trachten te helpen, wetende ‑ ik verwijs wederom naar Les 1 over dit onderwerp ‑ dat alle kracht die niet wordt verbruikt, hetzij op uzelf wordt teruggekaatst dan wel aan andere gelijksoortige gevallen wordt gegeven, die daaruit wel hun baten kunnen trekken.
Wondergenezingen zijn evenzeer mogelijk door geestelijke kracht. De beste voorbeelden daarvan vindt men o.a. in de bedevaartsoorden als Lourdes. Dit wil niet zeggen dat ze ook elders niet voorkomen. Bij deze bedevaarten vindt een gezamenlijke plechtigheid plaats en is de verwachting van alle aanwezigen bijzonder sterk gericht op genezing. Geloof en vertrouwen gaan hiermee gepaard. Bovendien is er een intense honger naar genezing van vele zieken. De hierdoor ontstane psychische spanningen kunnen tot voertuig worden gemaakt van geestelijke krachten en kunnen ook zonder meer ‑ dus zonder het ingrijpen van geestelijke kracht ‑ zich ontladen in de patiënten. Is er sprake van alleen door mensen georigineerde kracht, dan kunnen wel plotselinge verbeteringen plaatsvinden voor b.v. infectie‑ziekten ‑ ik denk hier aan t.b.c. o.a. ‑ er zullen echter geen directe weefselveranderingen plaats kunnen vinden. Dus alleen een uitsterven van de ziekten. Is er echter geestelijke kracht bij ‑ dat kan in vele gevallen; de geest vraagt zich niet af of dit volgens een bepaald geloof gaat of niet, alleen of er een behoefte is en een mogelijkheid ‑ dan is het ook nog mogelijk om versterkte weefselgroei te veroorzaken, om bepaalde weefseldelen te elimineren, om bepaalde organische verstoringen of endocriene stoornissen plotseling op te heffen. Gebruik maken hiervan is echter alleen mogelijk voor degenen, die volledig geloven in de plechtigheid, die ze ondergaan. Ook wanneer men zegt daarin niet te geloven, zal men toch moeten geloven, voordat een genezende werking mogelijk is. In de gevallen, waar men zegt: “Ik heb hieraan nooit geloofd”, is er dus sprake van een innerlijke verwachting, die uiterlijk wordt ontkend uit angst voor teleurstelling.
Op de achtergrond van alle geestelijke genezing schuilt de psychologie. Het is haast onmogelijk deze beide te scheiden, zij het dan dat bij geestelijke genezing de psychologie verder wordt doorgevoerd dan normaal is, zodat ook het gebied van het para‑normale hier sterk bij betrokken raakt. Altijd weer zullen de bepalende factoren neerkomen op:

  1. De instelling van de genezer, diens zelfvertrouwen en diens geloof.
  2. De instelling van de patiënt, diens aanvaarding van de kracht en diens vrijwillig afstand doen van de ziekte. (Dit laatste is lang niet altijd het geval. Vaak is ziekte een vluchtverschijnsel, waardoor men zich aan verantwoordelijkheden in de wereld tracht te onttrekken.
  3. Te allen tijde wordt rekening gehouden met het feit, dat ook niet uitgesproken gedachten in de omgeving mee beslissend kunnen zijn voor de houding van de patiënt zelf. Wanneer wij dus ‑ om hier iets aan toe te voegen ‑ op een gegeven ogenblik in een milieu staan, waarbij eenieder aan de mogelijkheid van genezing wanhoopt, is het onze taak niet alleen de patiënt, maar ook die omgeving zoveel mogelijk te overtuigen van het feit, dat enige genezing, enige verbetering althans mogelijk is. In een sfeer van optimisme gedijt de geestelijke genezing het beste. Daar, waar een hopeloosheid en een wereldontkenning is, is het noodzakelijk allereerst weer een belangstelling te wekken, zelfs wanneer die gericht is op andere dan geestelijke onderwerpen, want daaruit kan men verder een zekere positieve kracht putten, die de genezing mogelijk maakt,

Elke belangstelling van een zieke voor het wereldgebeuren in negatieve zin is schadelijk. Dus een kritisch lezen van kranten is vaak zeer hinderlijk. Het kan volledig storend zijn voor geestelijke genezing. Daarentegen het zoeken naar de positieve verschijnselen – ook in het dagelijks gebeuren ‑ het uiten van een hoop op vrede, een vertrouwen, dat het toch nog goed zal gaan e.d., kan eenzelfde lezing tot een positieve kracht maken. Men zal dus trachten de patiënt niet alleen in zijn eigen geval maar t.o.v. de gehele wereld een positieve houding te geven. Daardoor is het in de meeste gevallen nodig de patiënt te benaderen. Dit kan niet altijd zuiver stoffelijk gebeuren. Het is dan noodzakelijk dat men, wanneer men b.v. een patiënt heeft gekregen door briefwisseling, om die omgeving te verzoeken zoveel mogelijk optimistische en positieve gedachten uit te stralen bij de patiënt. Verder zonder een overdreven en dus ongeloofwaardig optimisme toch altijd weer een innig vertrouwen uit te spreken, dat er verbetering mogelijk is, dat zelfs de wereld nog niet ten onder zal gaan. Heeft men met de patiënt direct briefwisseling, dan is het vaak dienstig, dat men deze patiënt ook per brief dergelijke gedachten tracht te suggereren.
Onder de gunstige factoren voor genezing behoren verder: Voor gelovige christenen het lezen van Bijbel en Evangeliën. Voor degenen, wier belangstelling verder gaat dan het beperkt christendom, het lezen van licht‑esoterische lectuur; geen probleem‑lectuur, maar licht‑esoteri­sche lectuur. Verder kan voor de meesten worden aangeraden (zo ze daar­ in belangstellen) het sprookje met zijn achtergronden; het tijdschrift, dat niet alleen romans brengt. De lichte ontspanning, die men normaler­ wijze de patiënt gunt, bestaat vaak qua lectuur uit de onbetekenende romannetjes zonder opwinding. De energie, die daaraan wordt besteed, is ondanks de ontspanning en dus het geringe positieve effect, niet zo groot als een positief geestelijk zoeken, dat onmiddellijk weer openstelling van het ‘ik’ voor geestelijke krachten veroorzaakt. Is het mogelijk, dan zal men dus ook dat trachten te bevorderen. Naast Bijbellezing kan dus worden aanbevolen elke lectuur, die geestelijke problemen niet te zwaarwichtig behandelt dan wel stoffelijke problemen vanuit een geeste­lijk standpunt. Verder is raadzaam niet te zware muziek, echter geen ritmische muziek. Lezingen, b.v. van dominees e.d., mits van een niet te orthodoxe geaardheid, want dan kunnen ze ook wel eens prikke­lend zijn. Verder kerkgezangen enz. Het klinkt misschien vreemd dat ik ook deze punten ter sprake breng, maar de omgeving van de patiënt is vaak voor een groot gedeelte bepalend voor zijn mogelijk­ heid om tot genezing te komen. Het is dus logisch, dat wij enkele fac­toren noemen, die voor de genezing in alle zin bevorderlijk zijn.
Andere punten waarmee rekening moet worden gehouden: Wanneer een patiënt bedlegerig is, is het belangrijk dat hij zich bevindt in een vertrek met rustige en vrolijke kleuren. Belangrijk is verder dat hij de beschikking heeft over een tafeltje of vlak, waarop hij voorwerpen kwijt kan en waarop een assortiment ligt ‑ niet van geneesmiddelen, uitdrukkelijk niet! ‑ maar van voor hem bestemde versnaperingen, een bloemetje, enz. Het is belangrijk dat de patiënt de beschikking krijgt, indien het enigszins mogelijk is, over radio of een andere band met de buitenwereld. Voor de patiënt is het noodzakelijk dat hij of zij regelmatig rust, ook wanneer de kwaal niet zo ernstig schijnt. Deze rust kan het best worden bevorderd door b.v. zachte muziek. Verder een algemene stilte in de omgeving. Er moet rekening mee worden gehouden dat de patiënt veelal ’s nachts niet volledig kan slapen, waar hij overdag te veel gerust heeft. Het is niet goed dat de patiënt dan in het duister eenvoudig maar ligt door te denken. Dit vormt vaak pessimistische gedachten. Zo zal men, wanneer dit mogelijk is, de patiënt een licht ter beschikking stellen. Verder zal men trachten hem enkele denkbeelden te geven of voorstellingen, waarop hij zelf een droom of een gedachte kan bouwen, zodat de ziekte zelf geen te grote rol gaat spelen. Een te zeer ontzien van de patiënt is uit den boze. Dit ontzien wordt door de patiënt altijd geïnterpreteerd als een zware ziekte: “Het is zo erg met me, dat ze zelfs zo goed voor me zorgen.” Dit moeten wij vermijden. Deze regels zijn weliswaar niet direct geestelijk maar ze zijn noodzakelijk, ook bij geestelijke genezing.
Wanneer de patiënt imaginaire kwalen heeft, zijn ze voor de patiënt echt. We hebben dit in het begin al gezegd. Men accepteert die kwalen dus als normaal, maar minimaliseert a.h.w. hun ernst en hun mogelij­ke voortduring. Klaagt iemand over ernstige pijnen, tracht niet alleen die pijnen nu weg te nemen maar geef de suggestie, dat ze wel snel zul­len verminderen. Gebruik suggestie als een machtig wapen overal, waar u met lijden in aanraking komt. Ook wanneer dit zuiver geestelijk is, ook wanneer dit een lijden is, dat misschien gebaseerd is op een recent verlies enz. Deze suggestieve werking kan alleen reeds voldoende zijn om de mensen tot een betere instelling te brengen en zo althans hun normale levenskrachten weer uit de omgeving te doen opne­men. Overal waar een patiënt zijn geest afsluit, wordt de mogelijkheid tot genezing zwaar bemoeilijkt.
Nu ik over die afsluiting spreek, komen wij terecht bij een andere soort van kwaal nl. bezetenheid en aanhechting. Wij weten nl. dat sommige z.g. psychische afwijkingen kunnen worden veroorzaakt doordat een ander wezen doordringt in de aura van een patiënt en daarin vaak blijft, dan wel tracht om bewust bezit daarvan te nemen. In deze gevallen is het heel vaak moeilijk tot een goede oplossing te komen. De beste zou zijn met een daarvoor speciaal bestemd medium te séanceren, zodat deze geesten de mogelijkheid krijgen tot uitdrukking. Dit is vooral in het geval van aanhechting vaak voldoende om de band te breken en zowel patiënt als geest in een betere toestand verder te doen gaan. Hierbij wordt gebruik gemaakt van overreding, maar deze overreding wordt altijd weer vooraf gegaan en gevolgd door een intens gebed, dat de lichtende krachten de scheiding van die twee mogelijk maken.
Bij bezetenheid wordt het moeilijker. Hier zou men moeten overgaan tot uitdrijving of exorcisme. Daarvoor is echter een kracht nodig, die niet iedereen bezit. Verder een weten omtrent de mogelijkheden van de geest, die heel weinigen bezitten. Het is daarom niet raadzaam voor de leek zich aan exorcisme te wagen. Wel kan worden getracht elke positieve geestelijke werking te versterken. In de eerste plaats zullen wij ook hier weer trachten ‑ eventueel door middel van een seance ‑ de geest dus te bewegen tot verwijdering. Wij bieden zo iemand een tijdelijke woning, waarin hij zich nu ongeremd en ongehinderd kan uitdrukken. Terwijl hij bovendien bevrijd is van een lichamelijke toestand, die door de voortdurende strijd en het leed dat met dergelijke geestelijke ziekten gepaard gaat, toch nooit aangenaam is. Door overtuiging kan men slechts diegenen verwijderen, die door een misvatting bezit hebben genomen. Nooit de kwaadwilligen.
Indien men echter de kwaadwilligen toch wil verdrijven, is daarvoor nodig: gebed, en reiniging. Reiniging te verstaan als: voor de patiënt zowel als genezer een volledige lichaamsreiniging, omvattende alle lichaamsopeningen, kleding, die nog niet gebruikt is dan wel be­hoorlijk is gewassen en vooral in stromend water gespoeld; een omgeving, die zoveel mogelijk stofvrij is gemaakt, waarin vrije lucht en zonlicht toegang hebben. Wij gaan dan naar de patiënt toe en trachten ‑ vaak op een afstand, omdat hij gevaarlijk kan worden ‑ ons in het wezen van die patiënt in te denken. Ons gebed is a.h.w. een voortdurende vraag om­ kracht én begrip. Het zal dan heel vaak blijken dat in ons gedachten opkomen, die niet onmiddellijk met ons eigen wezen te associëren zijn. We hebben dan a.h.w. een telepathisch contact verworven. Hetzij met de patiënt zelf ‑ dus diens eigen geest ‑ dan wel met de bezitnemende geest. Nu trachten wij de ontvangen kracht als een positieve, lichtende kracht tot hulp aan onverschillig wie ons benadert, te geven. Soms zal blijken dat de bezitneming daardoor een ogenblik versterkt, maar waar wij lichtende kracht geven en door voortdurend gebed ‑ dit kan enkele uren in beslag nemen ‑ door voortdurend gebed in onszelf trachten te bevestigen dat dit licht alleen het goede, alleen de goddelijke liefde­kracht tot uiting brengt, zullen wij in vele gevallen de minder sterke bezitnemende geest ook kunnen verdrijven, zelfs wanneer hij kwaadwillig is. Slechts waar directe bezitneming door demonen plaatsvindt, is het niet mogelijk op deze wijze resultaten te behalen. Een laatste punt: Wij hebben nu gesproken over geestelijke gene­zing in praktisch al haar facetten. Soms oppervlakkig, soms meer diep­gaand hebben wij ook enkele methoden beschreven, die gebruikt kunnen worden. Eén ding echter mag nooit, in geen enkel geval, worden nagelaten.
Waar de meesten, die geestelijke genezing trachten toe te passen, geen voldoende medische opleiding hebben om de werking van de krachten bin­nen de patiënt te waarderen en ziekteprocessen te overzien, is het te allen tijde noodzakelijk, dat medisch toezicht op de patiënt plaatsvindt. Zonder dit is het riskant om geestelijke genezing te gebruiken, vooral bij zwaardere gevallen. Ik meen dan ook dat, wanneer een medicus een eed aflegt de mensheid te helpen, de geestelijke genezer voor zichzelf, wanneer hij zijn werk begint en zo zijn actief geestelijk streven dus richt tot het heil van de lijdende mensheid, de volgende beloften moet uit­spreken:

Nooit en te nimmer zal ik gebruik maken van de krachten des goeds en de krachten van de geest om voor mijzelf enigerlei gewin te verwerven.
Ik zal nooit en te nimmer trachten om ‑ buiten de stoffelijk geldende methoden van genezing én de daar bevoegde personen om ‑ een genezing te bewerkstelligen tenzij onafhankelijk van mijn hulp ook zij voortdurend toegang tot de patiënt hebben.
Ik zal nooit en te nimmer wantrouwen koesteren t.o.v. de krachten, die mij bijstaan.
Ik zal nooit en te nimmer mijn vertrouwen verliezen in de goddelijke Kracht, wetende dat het uiteindelijk de wetten der natuur en de goddelijke wil zijn, die bepalen in hoeverre mijn streven zal worden beloond met resultaat of niet.

Na deze behandeling van het onderwerp ‘Geestelijke Genezing’, dat wij betrekkelijk uitvoerig hebben gedaan, zullen wij een volgende maal verdergaan met andere aspecten van het geestelijk streven en leven op aarde en de mogelijkheden, die daarin schuilen voor de mens.

Noot I
Het gebruik van de term ‘onderbewustzijn’ om aan te geven dat eenmaal gevormde indrukken voortdurend weer uit eigen bewustzijn naar voren kunnen treden, ook wanneer zij niet redelijk worden beseft, is voor ons een aanduiding van de eenvoudigste methode om dus beelden binnen het ‘ik’ te bewaren. Het gebruik van de zo onderbewuste waarden zal dus altijd door de genezer geschieden en wel zoveel mogelijk in overeenstem­ming met hetgeen hij weet omtrent patiënt en toestand. Indien men zich eenmaal deze patiënt en zijn problemen sterk voor ogen heeft gesteld en men bewogen wordt ‑ zoals wij aannemen van eenieder, die aan geestelijke genezing doet ‑ door een innig medelijden, een innige wens tot helpen, zal hierdoor een indruk worden geschapen, die niet meer wordt uitgewist en te allen tijde dus door het eenvoudig noemen van een naam of het even wekken van een voorstelling in zijn geheel, optreedt als richtende kracht, waarbij elke uitgestraalde kracht, elke ten bate van de patiënt ontvangen kracht dus automatisch op dit beeld wordt geschakeld en het zelfs niet nodig is, om zich de symptomen een volgende maal weer voor te stellen.
Noot II
Bij het richten van krachten op de patiënt zonder hierbij handen, dus passes e.d. te gebruiken ‑ wat in sommige gevallen raadzaam is ‑ zal men hoofdzakelijk zijn bewustzijn richten door een visuele waarneming. De ogen zijn dan weliswaar niet de dragers van de kracht, maar a.h.w. het waarnemings‑instrument, waarmee de richting van de kracht wordt be­paald. Vergelijkend, de kracht zelf zal uittreden b.v. uit een van de chakra’s, dan wel direct uit de aura. Zij is dan de loop van een energie-geweer, waarvan het vizier wordt gevormd door de ogen. Dientengevolge zal men dus door een geconcentreerd staren voor zichzelf de overdracht van krachten aanmerkelijk kunnen vergemakkelijken, terwijl men weliswaar in elkaars nabijheid verkeert, doch geen onmiddellijk contact maakt. Er moet rekening mee worden gehouden dat voor de doorsneemens een vi­sueel beeld ‑ dus ook een richten van het oog op een bepaald beeld, of een bepaalde voorstelling ‑ een van de zuiverste factoren is om het eigen wezen daarmee in overeenstemming en harmonie te brengen, om in het ‘ik’ een volledige reactie daarop te wekken. Het beeld is hierbij vaak belangrijker dan de klank, zodat de voorstelling ofwel ‘het zien naar’ veelal verkieselijk is boven het spreken of het luisteren naar of het omschrijven.
Noot III
Bij groepsgenezing zal men over het algemeen komen tot een afspraak omtrent tijd en veelal ook plaats van werkzaamheid. Dit moet goed worden uitgelegd. Zoals reeds wordt opgemerkt, is de tijd niet ge­heel direct te bepalen, maar zal dankzij het onderbewustzijn van de mens en het daarin schuilende tijdsbewustzijn een werking op ongeveer hetzelfde ogenblik kunnen worden bereikt. Wanneer echter de groep daarbij geen voorstelling van de groep als geheel heeft, dan zal een ver­strooiing van krachten snel optreden. Een placering in de ruimte betekent dan ook niet het binden van de uitstraling aan een bepaalde plaats. Maar wel aan de groep en dus automatisch aan de plaats, waarop de groep zich bewust is te bestaan. Voorbeeld: Een genezingsgroep in Den Haag tracht een genezing te bewerkstelligen in Indonesië of Zuid‑Afrika. Dan zal deze groep zich in zijn werken en denken onwillekeurig placeren in Den Haag, zodat een ruimtelijke bepaling wordt gemaakt t.o.v. de plaats, waarheen de kracht wordt gezonden. Gelijktijdig zal door het kie­zen van een tijdsmoment een gelijktijdige gedachtekracht vanuit deze ene plaats ‑ door het zijn van de groep bepaald ‑ naar de plaats van de patiënt kunnen worden veroorzaakt.

Karma

Karma is een algemeen bekende waarde, die echter nogal eens verkeerd wordt gehanteerd. Men neemt nl. aan dat karma een onontkoombaar noodlot is. Hierbij ziet men een reeks van gebeurtenissen als onverbrekelijk met elkaar verbonden, zodat geen wijziging van gevolgen mogelijk is, nadat de oorzaak eenmaal is vastgesteld. Wij menen echter dat dit een te beperkte visie is, en menen daarom als volgt te mogen definiëren:

Elke bewustwording brengt met zich mee een bepaald begrip van de wereld en een bepaalde levensaanvaarding. Aan de hand van dit begrip en deze levensaanvaarding zal men komen tot een keuze van doel, een keuze van belevingsmogelijkheid. Wanneer men als zodanig incarneert, is dus de incarnatie en de mogelijkheden daarin verborgen een uitdrukking van het totaal van het bewustzijn. Naarmate de bewustwording groter wordt, zal binnen de beperkte mogelijkheden van de incarnatie echter ook de beheersing van alle daarin komende omstandigheden groter zijn. Het is dus niet noodzakelijk dat men alles volledig ondergaat, als het door het bewustzijn bij de keuze werd veroorzaakt. Integendeel, men kan door vergroting van bewustzijn en bewustwording aan vele consequenties van vroegere daden en handelingen ontkomen, waar de erkenning van deze daden en handelingen als onjuist de mogelijkheid impliceert om nu juist te handelen en daarmee uit eigen wezen en leven een groot deel van de daaruit voortvloeiende gebeurtenissen te elimineren.

Met het feit, dat wij dus karma stellen als identiek met het bewustzijn, dat bepalend is voor incarnatie in een bepaalde wereld ‑ deze wereld kan zijn de stofwereld hier of elders dan wel een sfeer – komen wij een heel eind uit de richting van de op het boeddhisme geba­seerde beschouwingen, die het noodlot beschouwen als een soort Godde­lijk Rad, dat voortdurend wentelt, waarbij eenieder aan de hand van zijn daden ‑ door angst en begeerte gejaagd ‑ voortdurend zal moeten ondergaan, wat de goden hem bestemd hebben. Dit is onjuist. Het bewust­zijn van de mens en zijn benadering van het Goddelijke in dit bewustzijn is bepalend voor de wijze, waarop hij de wereld ziet en beleeft. Het zijn niet de gebeurtenissen zelf, die het leven uitmaken, maar de beleving ervan. De beleving kan aanmerkelijk veranderen. Dan verandert ook de reactie. Door de verandering van reactie zal zeker ook datgene veranderen, wat men noodlot of karma wenst te noemen.
Nu wordt karma o.a. ook toegepast op toestanden, die in een menselijk lichaam b.v. blijvend voorkomen. Zo zegt men, wanneer men misvormd geboren wordt, dat dit karma is. Men zegt, wanneer iemand een ziekte krijgt, dat dit deel van zijn karma is, etc. etc. Begrijpelijkerwijze kunnen wij daarmee niet helemaal meegaan. Ongetwijfeld kan het feit, dat men bij de geboorte bepaalde misvormingen meedraagt, het resultaat zijn van een onvolledig bewustzijn. Maar juist door deze misvorming kan een bewustzijn ontstaan, dat in staat is, ondanks de misvormde gestalte, alle problemen van het leven eenvoudig te dragen, op te vatten en te verwerken. Daarbij valt dan de consequentie, die aan deze geboorte normalerwijze gebonden zou zijn, voor een zeer groot gedeelte weg. De wijze, waarop men zich dan in de wereld beweegt, is die van een normaal mens en de belemmeringen, die men ondergaat, zijn in verhouding niet groot meer.
Wanneer men een ziekte heeft, geldt weer precies hetzelfde. Wanneer ik mijzelf een ziekte op de hals haal door een verkeerd begrip en daardoor verkeerde handelingen, kan ik tot het bewustzijn komen, dat die handelingen verkeerd zijn. Stel ik mij geestelijk ten goede op, dan zal ik misschien niet alle schade, door de ziekte veroorzaakt, onmiddellijk teniet kunnen doen. Maar wel zal ik in staat zijn om aan de hand van mijn hernieuwd bewustzijn de gevolgen van die ziekte aanmerkelijk te beperken en door eigen geesteshouding ‑ die doorwerkt in het stoffelijke ‑ langzaam maar zeker een verbetering te verkrijgen, waardoor mijn leven anders wordt dan zonder dit bewust worden het geval zou zijn.
Een karma ziet men ook vaak als een kwestie van ontmoeting tussen mensen. Ik heb heel vaak horen zeggen: ‘Het was mijn karma, dat ik die en die op mijn weg ontmoette.’ Is dit wel waar? Kan het een karma zijn, dat u iemand doet ontmoeten? Het is een bewustzijn, dat u van een ontmoeting werkelijk bewust doet worden. Wanneer u dat bewustzijn niet zou bezitten, zou u bij elke ontmoeting de ander onwillekeurig voorbijgaan zonder zelfs te bemerken dat hij bestaat. Wanneer iemand in een stad met een miljoen inwoners door één van de vele straten loopt, die er zijn, en daar een bepaalde persoon ontmoet, dan kan het zijn dat die persoon plotseling de belangstelling wekt en als zodanig invloed heeft in het leven. Maar het is lang niet noodzakelijk. Want indien de aandacht anders gericht is, is die mens maar één van velen en gaat voorbij. Er is geen toeval dat bepaalt dat beiden elkaar hier ontmoeten en leren kennen. Het is zuiver de belangstelling van het eigen wezen en het bewustzijn, dat dus die belangstelling richt op o.m. deze ene persoon.
Karma ‑ zegt men ook vaak ‑ is een belemmering van de verhoring van vele begeerten. Ik geloof dat ook deze uitdrukking onjuist is. De belemmeringen, die in ons bestaan, zijn het resultaat van ons bewustzijn. Onverschillig of dit belemmeringen zijn op het vlak van ethiek (moraal), dan wel belemmeringen t.o.v. schuldbewustzijn ofwel door plichtsbewustzijn. De feiten pleiten steeds weer voor karma als zijnde een resultaat van een bewustzijnstoestand, waardoor het leven wel degelijk word geleid in een zekere richting. Wij weten echter dat een bewustzijn voortdurend aan uitbreiding onderhevig kan zijn, dat het voortdurend kan veranderen. Dan zullen de omstandigheden mee moeten veranderen met dit bewustzijn, zelfs wanneer wij leven in een stoffelijke wereld met een vastgesteld sociaal en economisch geheel, met een vastgestelde verhouding en placering te midden van de massa. Want ondanks die beperkingen zijn wij dan toch vrij ons te bewegen in de richting, die ons bewustzijn ons dan als juist toont. En hierbij laten wij al datgene achter ons, wat oorspronkelijk ons noodlot scheen te zijn.
Er bestaat geen enkele reden om karma te zien als een bindende factor, een onontkoombaar noodlot. Integendeel. Een bewust mens zal begrijpen dat ons karma slechts het gebrek aan bewustwording is, waardoor wij nog in de ban blijven van onbegrepen begeerten en onbegrepen angsten. Op het ogenblik, dat wij deze waarden begrijpen, wij ze kunnen beheersen, wij meester daarvan zijn, staat ‑ zoals ook de Boeddha heeft gezegd ‑ voor ons de weg tot de kern van het zijn, open.
Bewustwording – niet karma ‑ is datgene, wat ons lot bepaalt. Bewustzijn – niet een vreemde kracht van buitenaf ‑ zal bepalen wat wij meemaken, hoe wij het leven beleven en hoe wij het beëindigen. Indien wij ons hiervan voortdurend bewust zijn, zal dit ongetwijfeld eens te meer een aansporing zijn om eigen bewustwording op alle gebied zoveel mogelijk te vergroten. De resultaten hiervan zullen voor ieder merkbaar kunnen zijn en zeker uiteindelijk tot een dankbaarheid stemmen. Want het is zeker een reden om dankbaar te zijn, wanneer je weet dat je aan vele mogelijke consequenties van je bestaan bent ontkomen om daarvoor in de plaats te vinden een zekere vrede, een zekere tevredenheid en geluk, die het je mogelijk maken verder te gaan en verder te streven met de gedachte, dat je iets betekent in de wereld, dat je geestelijk verder komt en als zodanig kunt voldoen, niet slechts aan een vreemd noodlot, maar aan de drijfveer in jezelf, die je zegt steeds dichter te gaan tot het Goddelijke.