Geestelijke mogelijkheden in de stof

uit de cursus ‘Actief geestelijk streven’ – (Inleiding)  1957-1958

Inleiding.

Het streven naar geestelijk beleven op deze wereld, is ongetwijfeld zeer oud. Maar al te vaak verliest de mens daarbij één ding uit het oog: In de allereerste plaats is het noodzakelijk dat wij de praktijk kennen. De praktijk kan alleen geboren worden uit ons eigen leven, ons eigen wezen. Niet iedereen kan dezelfde methode, kan dezelfde mogelijkheden benutten. Om u een voorbeeld te geven­: Wanneer een schoenmaker zijn apparatuur ter beschikking stelt aan een timmerman, dan kan die timmerman daarmee geen goede schoenen maken maar ook geen goed houtwerk. Dus is het noodzakelijk dat ieder uit cursussen als deze voor zichzelf put, voor zichzelf naar wijsheid zoekt.
Er was eens een groot profeet en van hem was bekend dat hij doden opwekte. Nu was er een dwaas bij hem, een jonge mens, die meende dat je a.h.w. per recept de magie kunt leren. Gaande door de woestijn vonden ze op zekere dag een geraamte, het geraamte van een mens. Toen zei die dwaas: “Heer, toon me nu hoe U deze mens opwekt uit de dood. Zeg mij het woord, waarmee u dat doet, opdat ikzelf door goede daden en goed leven in staat zal zijn de doden op te wekken.” De profeet had erg veel medelijden met die dwaas. Hij deed dus wat hem gevraagd werd. Maar hij zei dat woord niet luidop. Nauwelijks was die mens herrezen, waren de beenderen weer met vlees bekleed, of er kwam een leeuw uit de woestijn en met één slag werd de pas herrezen vreemdeling neergeslagen. De dwaas betreurde dit. Maar de profeet ‑ krachtens het geheim van Salomo, dat hij kende ‑ zei tot de leeuw: “Zeg ons, waarom hebt ge die mens neergeslagen?” Toen was het antwoord dit: “Omdat het zijn lot was te sterven, en zelfs u vermag niets tegen de wil van de Allerhoogste.” De dwaas zocht echter toch nog het woord te weten te komen. Toen zei de profeet tegen hem: “Ik zal je een willekeurig woord geven. Zeg zelf maar een woord. Wanneer je geestelijk zover bent gekomen dat je de kracht van de Allerhoogste beseft in jezelf, zal dat woord voor jou in staat zijn om doden te doen herrijzen. Maar het woord, dat ik ken, is uit mij geboren; het zou bij jou geen enkele uitwerking hebben.”

Ik vertel deze inleidende geschiedenis natuurlijk niet zonder reden. Er zal in de loop van deze cursus gesproken worden over de mogelijkheden van geestelijke genezing, van helderziendheid, kortom, van al wat er zo onder occultisme wordt verstaan. En dan zullen er heel veel onder u zijn, die tegen mij zouden willen zeggen (of tegen de spreker van die avond): “Maar geef ons dan het geheime woord. Geef ons dan het recept.” Dat kan niet. Wij kunnen u de theorie geven, maar die theorie zult u zelf tot werkelijkheid moeten maken. Denkt u aan hetgeen wij brengen als aan een mogelijk goed leerboek.
Wanneer u een leerboek voor u hebt en er staat, voor de dames, in hoe u een jumpertje kunt breien en, voor de heren misschien, hoe u zelf een stoommachine bouwt, dan kunt u dat wel willen, maar zolang u blijft bij lezen, wordt er niets gepresteerd. Eerst wanneer u leert ‑ met vallen en opstaan vaak – de aanwijzingen, die gegeven worden, in de praktijk te brengen, zult u werkelijk iets kunnen verrichten. Het is erg belangrijk dat u dit beseft. En dan komen we vanzelf bij de eerste les.

 

uit de cursus ‘Actief geestelijk streven’ – (Hoofdstuk 1)   oktober 1957

Geestelijke mogelijkheden in de stof

Wanneer een mens in de stof leeft, is hij geestelijk tijdelijk beperkt en gebonden. Deze banden afwerpen, lukt slechts weinigen en daarom is het noodzakelijk dat wij aan het begin van de reeks van lezingen in de eerste plaats nazoeken wat de mens in de stof reeds geestelijk kan bereiken, welke geestelijke krachten hij kan activeren, hoe hij daarmee kan werken. En dan gaan wij alleen de mens zelf na. Over die mens is al heel vaak gesproken. Ik zal dus alleen nog kort herhalen.
In de mens kennen wij het bewustzijn, het onderbewustzijn, (waarin ook de werking van de geest tot uiting komt) en een bovenbewustzijn, waardoor hij deel heeft aan de totale gedachtestromingen en krachten rond de gehele wereld. De kern van deze mens is de ziel. Zij vindt haar bron in het Goddelijke. In de eerste plaats zullen wij moeten leren met het bewustzijn te werken. Want meester worden over het onderbewustzijn is moeilijk, zo niet voor velen onmogelijk.
Het bewustzijn is over het algemeen gebonden aan zekere wetten. Deze wetten zijn door mensen opgesteld of vloeien voort uit openbaringen, die niet te allen tijde juist zijn begrepen. Het is dus in de eerste plaats noodzakelijk dat wij ons redelijk ontdoen van alle ballast der niet gewenste beperkingen. Een voorbeeld zal u mijn bedoeling verduidelijken.
Een houtvester ging het bos in en velde een rechte, mooie boom, die echter ziek was, want hij kreeg geen sappen meer. De boom beklaagde zich en zei: “Ben ik dan niet recht en ben ik niet mooi?” Toen gaf de houtvester als antwoord: “Ja, maar je drinkt niet van de levengevende sappen, die de bodem je brengt. Zou je dat kunnen doen, dan zou je gerust wat krommer kunnen zijn en minder mooi.”
Leven is de eerste eis, die wordt gesteld. Dat geldt ook geestelijk, vrienden. En heel vaak zijn de beperkingen, die wij onszelf opleggen, omdat het zo hoort of omdat wij menen, dat het zonder meer in een religie past, voor ons tevens belemmeringen voor onze geestelijke ontwikkeling. Want zolang wij b.v. weigeren het redelijk bestaan van de overgeganen te aanvaarden als iets, dat onmiddellijk ons eigen leven beroert, zullen wij elke mogelijke ervaring, elke mogelijke uiting van hen van ons afstoten. Wanneer wij niet geloven in de mogelijkheid om geestelijke krachten te putten en zo a.h.w. uit het Goddelijke krachten te geven aan anderen, opdat zij genezen, kunnen wij niet genezen. Op het ogenblik dat wij aarzelen, is dit al demonisch; hebben wij reeds door deze aarzeling alleen elke mogelijkheid op dat gebied verspeeld.
Ongetwijfeld is er veel voor te zeggen, wanneer men zich onthoudt in gevallen van twijfel. Maar wanneer u werkelijk een geestelijke vooruitgang zoekt, een geestelijk ontwaken, een actief geestelijk werkzaam zijn in uw stoffelijke wereld, dan zal het toch noodzakelijk worden dat u de keuze doet tussen òf de ontplooiing van uw vermogens dan wel het verwerpen van een reeks van wetten, een reeks van regels, die u juist hier belemmeren de waarheid te beleven en te bereiken. En dan gaan we uit van de rede.
Wat doet de mens schijnbaar redelijk, wat toch uit de geest stamt? Dan kennen wij in de eerste plaats de inspiratie. Inspiratie is in zekere zin een band met anderen. Zij behoeft niet noodzakelijkerwijze geestelijk te zijn, maar kan ook zijn een gedachten‑overbrenging vanuit de stof of zelfs een beïnvloeding vanuit het bovenbewustzijn. De inspiratie is een drijvende kracht, die ons in staat stelt boven de grens van ons normale vermogen te werken, te scheppen, kortom te handelen en te creëren. Dit overschrijden van onze normale grens van kunnen, is vaak erg begeerlijk.
We dienen dus te onthouden dat de inspiratie voor ons een voortdurende bron is van kracht, die ons in staat stelt alle eisen, die ons redelijk gesteld kunnen worden, verre te boven gaan, wanneer wij in de eerste plaats in staat zijn redelijk te aanvaarden dat de inspiratieve kracht werkzaam is en daarvoor onze persoonlijkheid terug te stellen zonder in de tweede plaats onze persoonlijkheid in de inspiratie te verliezen. Want wij moeten het steeds zijn, die het eindoordeel spreken omtrent het al of niet aanvaardbaar zijn van hetgeen geschiedt, van hetgeen geschapen wordt.
Deze inspiratie krijgt dan een uitdrukkelijker vorm, wanneer wij spreken over directe leiding. Ook dit behoort tot de mogelijkheden van de mens. Hiervoor is echter een opzij zetten van een stoffelijk‑redelijk denken ten dele noodzakelijk, dat u zich realiseert dat hogere, betere en sterkere wezens zich onmiddellijk met uw leven zullen willen bemoeien en dat zij dit doen, gedreven door de drijfveren van hun eigen wereld. Dit laatste is dus niet: alle meesters of geleiders zijn goed. Maar wel: alle geleiders helpen ons met een eigen doel.
Ook hier hebben wij de rede nodig om vanuit ons eigen standpunt, ons eigen beleven en denken, een voortdurende kritiek te oefenen op hetgeen ons als les, of soms zelfs als taak, wordt gegeven. Wij zijn het, die beslissen. Maar om te kunnen beslissen, moeten wij ‑ zonder ons eigen den­ken onmiddellijk in het geweer te brengen ‑ eerst de lering of de taak kunnen aanvaarden. Eerst ondergaan, a.h.w. haast daadloos. Dan – wanneer de invloed niet meer werkzaam is ‑ als buitenstaander kritiseren en nazien, wat er gedaan kan worden.
Hoe deze krachten werken? Ach, dat is betrekkelijk gauw gezegd. U bent een instrument. De meesten van u weten niet in hoeverre zij instrument zijn. Ik denk dat er hier veel tussen zitten, die zeggen: “Ja, maar ik heb toch eigenlijk nog nooit iets direct van de geest gemerkt.” U hebt het eenvoudig niet kunnen of willen zien, maar het is er wel. Elk mens is een instrument, een afgestemde eenheid; een wezen dus, dat bepaalde vaststaande kwaliteiten in zich draagt en reageert op die kwa­liteiten, waar en hoe dan ook ter wereld. Wanneer de afstemming niet wordt verzwakt of belemmerd door een te bekrompen en beperkt denken, zult u dus, bewust of onbewust, meewerken met al datgene, wat in uw we­zen reeds geboren was, maar van buitenaf wordt versterkt en gericht.
In het gedachteleven speelt dit verder ook via het onderbewustzijn een rol. Een mens voelt zich soms zo machteloos, zo hulpeloos, zo verlaten. En hij vraagt zich niet af, waar dat gevoel nu eigenlijk vandaan komt. Het is een stemming, zegt men. En dan kunnen wij deze stemming gaan verklaren met lichamelijke effecten, ziekte‑toestanden e.d. Maar dan zijn we er niet. Er is een belangrijker punt. Een groot gedeelte van deze gevoelens ontstaat mede door, of alleen door, invloeden van buitenaf, die in het onderbewustzijn werkzaam zijn. Er is een deel van uw denken, dat u niet beheerst. U hebt zich afgewend om uzelf voortdurend te vragen: Waarom? Hoe? Hierdoor blijft in u verborgen, wat eigenlijk heeft meegeklonken in uw wezen en zo de stemming tot stand heeft gebracht.
Ook hier moeten wij waken voor een overdreven zelfcontrole. Want als u voortdurend blijft peuren en peuteren in dat verleden, dat ergens onderbewust ligt opgeslagen, komt u in het rijk der fantasie terecht. En dergelijke fantasieën zijn ongezond. Maar toch is het noodzakelijk om in elke stemming een ogenblik u af te vragen: “Hé, heb ik dat vroeger meegemaakt? Waarmee stond dat in verband?” Kunt u dat vinden, dan zult u ook ontdekken dat het grootste gedeelte van uw stemmingen onmiddel­lijk kan worden teruggebracht tot de wereld, maar dat een deel daarvan ook niet‑stoffelijk verantwoord kan worden genoemd. Daarvoor is geen re­den of aanleiding te vinden. Bij dat gedeelte is dan de origine in ons (dus het herinnerings-beeld) gelijktijdig een aanduiding van de kwaliteit der geestelijke kracht, die in ons werkt.
Het is aardig deze dingen te vertellen, maar je moet er ook iets mee kunnen doen. Als u actief wilt leven ‑ geestelijk, in de stof ‑ dan moet u zich van elke mogelijkheid, die uit het rijk van de geest en ook uit de voor u versleten werelden van onder‑ en bovenbewustzijn tot u komt, trachten bewust te worden en bewust te gebruiken. U heeft deze mogelijkheid allen in meerdere of mindere mate. Door er gebruik van te maken, ontwikkelt u zich geestelijk, terwijl u gelijktijdig de eenheid geest‑stof aanmerkelijk vergroot.
Een volgende fase van eigen ontwikkeling brengt over het algemeen een bewustzijn omtrent niet voor iedereen kenbare krachten met zich. Een deel van deze krachten wordt ervaren als vergroting van eigen daadkracht en energie.
Andere delen daarentegen lijken meer op zintuiglijke gewaarwordingen en brengen vaak een beleven van twee werelden tegelijkertijd ofwel afwisselend met zich mee. Nu zullen we trachten ook dit een ogenblik te ontrafelen in zijn betekenis voor de stoffelijke mens.
Het opzamelen van krachten en het ontvangen van krachten, is voor ons erg gewichtig. Als een mens in de stof staat, is de tijd hem eigenlijk meestal te kort. Want hij heeft zoveel, wat hij zou willen denken, beleven, zoveel wat hij zou willen volbrengen, dat elke extra kracht voor hem als het ware een verlenging van levenstijd, werkelijke levenstijd, is. Die verlenging kunnen wij krijgen, wanneer wij gebruik maken van alle energie, die in ons ontstaat, uit ongeacht welke bron. Maar….deze energie steeds richtend volgens alweer een redelijk denken naar een door ons als begerenswaardig en juist gezien doel. De bronnen van energie kunnen ongeveer als volgt worden gerubriceerd:

  1. Zuiver stoffelijke impulsen. Hieronder versta ik angst, blijdschap e.d., die de energie van het lichaam tijdelijk aanmerkelijk opvoeren en soms ook het denkvermogen aanmerkelijk verscherpen.
  2. Onderbewuste factoren. Door herinneringen, die verborgen blijven, maar toch een voortdurende kracht zijn in het totale reageren van de mens, wordt soms een grotere intensiteit van denken en handelingen geschapen, wanneer zekere toestanden optreden of wanneer een mens bepaalde belevingen ondergaat. Deze zijn niet zo onmiddellijk te beheersen.
  3. De volgende bron daarentegen kan bewuster en redelijker gebruikt worden. Wij ontdekken in de wereld rond ons een stroming, die ook voor ons kracht betekent. Wij stellen ons bewust op deze stroming af, onttrekken daaraan energie en zullen deze op onze eigen wijze gebruiken. Uitleg omtrent de wijze waarop zult u in één der latere lessen krijgen.
  4. Dan kan ik kracht onttrekken aan, wat men noemt, de geest. Wanneer ik kom tot eenheid met een geestelijk gebied of met bepaalde geestelijke krachten, zijn deze in staat ‑ wanneer er tussen ons een voldoende harmonie aanwezig is ‑ hun eigen energie en kracht te geven ter versterking van ons onmiddellijk streven. Hierbij is sterk bepalend hoe wijzelf denken en handelen, maar toch zal altijd weer ons eigen redelijk denken de doorslag moeten geven. Wij mogen niet ‑ omdat de geest ons de kracht geeft – iets volbrengen, waarmee wij het zelf niet helemaal eens zijn. We moeten eerst voor onszelf hebben uitgemaakt dat dit verantwoord is, voor wij verder kunnen gaan.
  5. Dan de laatste en grootste bron van kracht. De mens kan in zichzelf keren. En in de kern van zijn wezen is, wat wij noemen, de ziel. Dus eigenlijk een deeltje van het Goddelijke, de werkelijke kosmische levenskracht. Deze levenskracht is nooit van de totale levenskracht geheel gescheiden. Wel voor ons bewustzijn, maar niet geheel. Door ons daarop in te stellen, kunnen wij langzaam maar zeker deze zielekracht in onszelf ontwikkelen en deze kracht gebruiken. Ze wordt automatisch a.h.w. aangevuld uit de grote kosmische krachtbron. Deze laatste kracht is te gebruiken zowel voor geestelijke als voor stoffelijke handelingen en zal te allen tijde ‑ mits alweer door de rede geregeerd, dus door ons denken en streven geregeerd ‑ in ons leven een zeer belangrijke factor ter bewustwording kunnen zijn.

Na deze mogelijkheden tot krachtonttrekking de mogelijkheden tot ervaring. In de stof vinden wij algemeen de volgende mogelijkheden tot bewustwording of ervaring van gebieden, die buiten onze directe wereld liggen.

In de eerste plaats: aanvoelen. De z.g. sfeer, die u aanvoelt of ondergaat, draagt in zich elementen, die onmiddellijk op de geest werken en in haar reflexen tot stand brengen. Uw reactie op een sfeer is dus een feitelijke vaststelling, zoals het gevoel ongeveer doet van een rond u heersende toestand. Dit aanvoelen kan worden gebruikt om zich zoveel mogelijk in harmonische sferen te bewegen, zich verder te beveiligen tegen dreiging, gevaar ‑ geestelijk zowel als stoffelijk ‑ in omgevingen, waar de sfeer duister, benepen of bedompt is.

Dan kunnen wij het zien. Het zien kunnen wij onderverdelen in verschillende sectoren en mogelijkheden. Allereerst het z.g. droom‑zien of tweede gezicht. Dit droom‑zien of tweede gezicht is een zuiver geestelijke beleving, die wordt afgedrukt op het bewustzijn en daarin beelden wekt. Deze beelden blijken soms een bijna geheel juiste projectie van een komende werkelijke toestand te zijn. Dit tweede gezicht is mede afhankelijk van de lichamelijke gesteldheid en komt bij sommige rassen uitdrukkelijk sterker voor dan bij andere rassen. Het kan echter door de meesten op de duur ervaren worden en brengt het vermogen met zich mee om op de duur ook beheerst beelden van toekomstige belevenissen (dus verder liggend in de tijd) reeds in het moment heden te beleven. Hoe dit mogelijk is en hoe wij deze relatie moeten bezien, zullen wij ook weer in een volgende les uiteen moeten zetten.

Dan de tweede en misschien reeds belangrijker factor van zien. Wij kunnen soms entiteiten waarnemen. Die entiteiten doen zich niet altijd onmiddellijk kenbaar voor, want om ze duidelijk te zien, is enige training nodig. In het begin krijgen wij de indruk, dat juist terzijde van ons gezichtsveld iets beweegt of weg glipt, een vorm zich een ogenblik toont. Op het ogenblik, dat wij de aandacht daarop willen richten, is het verdwenen. Dit kan soms uit optisch bedrog voortkomen. Het is dus niet noodzakelijkerwijze het resultaat van geestelijke beïnvloeding. Wanneer deze flitsen echter bij proefnemingen blijken voort te duren en wij hebben ook kunnen vaststellen, dat geen oogkwaal er de oorzaak van is, dan weten wij dus dat wij met iets anders te maken hebben, iets wat zich kenbaar maakt en toch voor anderen niet zichtbaar is. Wij zullen ons nu aanwennen om niet naar deze voorwerpen, personen of reflexen te kijken. Maar wel zullen wij ons er met onze gedachten op concentreren. In deze concentratie blijkt dan, dat juist doordat wij er niet naar kijken, het beeld een duidelijker vorm aanneemt. In het begin is dat een denkbeeld. In het denkbeeld kunnen fouten schuilen, maar op de duur ontstaat hierdoor een direct waarneembaar beeld buiten ons. Heeft men dit eenmaal bereikt, dan zal men tot de conclusie komen, dat hier heus geen fantasie een rol kan spelen, aangezien te veel verschillende waarden worden gezien, die controleerbaar ergens in de stof hebben bestaan.

Een volgende stap is het zien van wezens, entiteiten, die u helpen. Daarbij komt meestal een vleug van helderhorendheid, maar dit is niet noodzakelijk. De mens, die leeft met deze mogelijkheid, komt in de verleiding om voortdurend naar die geesten te zoeken. Voor een geeste­lijke bewustwording en een actief leven in de stof is dit verkeerd. Zij mogen ons zeker adviseren, wat zij dan heel vaak door gebaren doen. Maar hun advies betekent voor ons alleen een scherper nadenken over hetgeen wij willen doen. Eerst wanneer een advies juist bevonden is, zullen wij ernaar handelen. Wanneer ze spelen op onze reflexen – wat gebeuren kan ‑ zullen wij zo reageren, dat een minimum aan risico ontstaat. Desnoods een bezigheid, die we verrichten, tijdelijk stopzetten, totdat wij overtuigd zijn dat wij daarmee verder kunnen gaan volgens eigen redelijk bewust besef.

Dan de hoogste vorm van helderziendheid. Het kan zover komen dat je volkomen bewust je eigen wereld tijdelijk uitschakelt. Daarvoor in de plaats komt een andere wereld, die moeilijk beschrijfbaar is. In deze wereld zult u personen leren kennen, invloeden zien, kortom een totaal beeld krijgen. Dit beeld is subjectief, kent dus geen zuivere objectiviteit en is als zodanig niet voor iedereen gelijk. Maar de inhoud en de betekenis ervan is wel voor eenieder gelijk. In deze beelden leren wij ons gelijktijdig te bewegen in twee werelden en zijn zo in staat het geestelijk geleerde stoffelijk te verwerkelijken. Op dit laatste kan niet voldoende de nadruk worden gelegd.

Ik sprak zo even ook over helderhorendheid. Helderhorendheid is een auditieve illusie. Dat wil zeggen, zij wekt in ons een geluid, dat niet van buitenaf komt en toch schijnbaar gehoord wordt. Deze geluiden zijn nooit vaag. Degenen, die een gefluister vernemen, moeten rekening houden met de mogelijkheid, dat het ruisen van hun eigen bloed hen daar parten speelt. Werkelijke helderhorendheid kan nooit bevorderd worden door naar dergelijke onbetekenende geluiden ingespannen te luisteren. Zij zijn dan alleen een prikkel voor het onderbewustzijn en projecteren vaak onjuiste beelden. Bij werkelijke helderhorendheid horen wij in de be­gin‑fase soms één enkel woord of één enkele klank. Wij zullen ons in de betekenis daarvan slechts zover verdiepen, als het onmiddellijk kan slaan op onze handelingen en voornemens van het ogenblik, waarop de invloed kenbaar wordt. Verder slaan we daarop weinig acht. Wanneer we op deze wijze reageren, zal op de duur een uitbreiding komen. Er zijn dan stemmen, die duidelijk verstaanbaar bepaalde dingen zeggen. Heel vaak zijn dit tri­vialiteiten. Wij letten daarop niet. Wij constateren slechts dat wij horen. Dan komt een ogenblik dat ons raad wordt gegeven. Een raad, die wij eerst nagaan op zijn mogelijkheden, zuiver verstandelijk, om hem daarna in de praktijk te brengen, indien dit redelijk verantwoord is. Op deze wijze blij­ven wijzelf onafhankelijk staan van het verschijnsel. Een verschijnsel, dat immers gewekt kan worden door zeer vele invloeden in en buiten ons wezen. Indien echter blijkt, dat de raad redelijk juist is, zal het ver­standig worden onze plannen daarop te baseren. Er blijkt dan, dat de kracht, waarover ik heb gesproken in het eerste deel van mijn betoog, juist hierdoor vaak versterkt gewonnen kan worden.

Nu komen we aan een volgend punt, voor sommigen van u misschien het belangrijkste. De krachten die wij geestelijk a.h.w. verzamelen en in het lichaam kunnen vastleggen, kunnen worden gebruikt om daarmee handelingen te gaan verrichten, zowel geestelijk als stoffelijk. Hierbij zien wij o.a. genezing; niet slechts in de vorm van magnetiseren, maar ook als handoplegging of wondergenezing, als genezing op afstand e.d. Hierbij spelen krachten een rol, die uit de geest worden genomen en ten dele worden aangevuld door onze lichamelijke krachten. De leiding, die wij in de vormen van helderziendheid en helderhorendheid hierbij ontvangen, is soms zeer belangrijk, waar ze ons de juiste maat van kracht en het juiste gebruik van kracht kan leren.
U zult hebben opgemerkt, dat ik niet als een bijzonder verschijnsel heb gesproken over het waarnemen van de aura. Ik heb dit opzettelijk niet gedaan, waar het waarnemen van een aura een natuurlijk verschijnsel is, dat alleen een zekere grotere gevoeligheid van de optische zenuw vraagt dan normaal. De aura is overal aanwezig. Haar zichtbaarheid wordt door omstandigheden en ook a.h.w. door eigen spanning mee bepaald. Wij kunnen die aura gebruiken, wanneer we haar zien, om onze krachten juist te dirigeren. Krachten, die wij zelf putten, zijn vaak onvoldoende omdat een tweeledige concentratie dan mogelijk en noodzakelijk wordt. In de eerste plaats op de kracht en het verwerven daarvan; in de tweede plaats op het gebruik van de kracht en het richten ervan. Ofschoon – zoals reeds gezegd ‑ dit mogelijk is, betekent het heel vaak dat wij niet voldoende krachten kunnen ontvangen of onttrekken.
Nu is onze geest ook in de stof in staat zich persoonlijkheden voor te stellen, die een voldoende hoeveelheid kracht geven. Of deze persoonlijkheden al of niet zo reëel bestaan, is van weinig belang, indien slechts de kracht in voldoende mate vloeit. Realiseren wij ons dit, dan zullen wij begrijpen dat wij allen een helper of helpster in de geest nodig hebben. Voor de meesten is het mogelijk hiervoor werkelijk bestaande entiteiten of figuren te nemen. Zij behoeven niet persoonlijk te worden aangeroepen, een beeld van hen ‑ zelfs een betrekkelijk flauw beeld – met een intens zoeken naar kracht is meestal voldoende. Hierdoor komt een grotere hoeveelheid kracht vrij. Kracht, die dus gebruikt kan worden om onmiddellijke en grotere resultaten te bereiken.
Te allen tijde moet in het werk der genezing echter rekening worden gehouden met het volgende: Het is noch de mens noch de geest toegestaan in te grijpen in de werkelijke levensweg, de noodzakelijke levensweg van een mens. Wij kunnen dus alleen daar helpen, waar door de eigen toestand van de patiënt en diens eigen leven de hulp begeerlijk of noodzakelijk wordt. Wij mogen dan ook nooit onszelf zien als genezers, maar alleen als uitvoerders van een raadsbesluit der hogere krachten.
Gezien al het voorgaande is het belangrijk dat wij een levenshouding, een levensfilosofie kunnen stellen achter elk beleven. Onze activiteit moet groeien uit de kern van ons wezen, maar moet ook tevens een normale voortzetting zijn van onze innerlijke ontwikkeling. Het is daarom, dat ik in deze reeks van gegevens een kleine beschouwing wil invoegen, die misschien iets meer filosofisch‑esoterisch is.
Wij leven als deel van een groot Al. Deel. Niet als afzonderlijke eenheid in een groot Al, maar als deel van een groot Al. Dit deelgenootschap is oorzakelijk voor banden tussen praktisch al het bestaande en onszelf. Dit houdt ook banden in, die liggen in de tijd, zowel in de richting van toekomst als van verleden. Het ogenblik, waarop wij leven of menen te leven, is voor ons het brandpunt, waarin alle tijden, alle plaatsen, kortom alle krachten voor ons bewustzijn samenvloeien. Wij kunnen natuurlijk deze invloed ondergaan zonder meer. Dan echter heeft hij voor ons geen werkelijk belang, geen werkelijke betekenis. Want het erkennen van al hetgeen zich intens treft, betekent voor ons de bewustwording en dus de vergroting van onze levensmogelijkheid. Zo zullen wij zoeken naar een actief verwerken van deze dingen.
Nu kun je wel zeggen: “Dat doe je metterdaad”, maar daarvoor moet je een ondergrond hebben. Die ondergrond is deze: geloof, intens geloof. Geloof desnoods in dingen, die niet bestaan, maar geloof. Want de beelden, die onze fantasie schept, zijn beelden, die toch ergens in God moeten bestaan en dus ook in Hem werkelijk zijn. Ons onvermogen wordt door de Alkracht erkend, en onze onvolledige vormen, onze gebrekkige voorstellingen ‑ mits oprecht ‑ worden vanuit de Alkracht gevuld met alle energie en kracht, die ze voor ons maakt tot waarlijk goddelijke verschijnselen.
Wij zullen de kracht echter nooit trachten te gebruiken voor onszelf. Wij zijn reeds een brandpunt van alle krachten. Een extra kracht, zelfzuchtig daarbij gevoegd, betekent een verstoring van het evenwicht, dat in ons geplaatst is. En evenwicht betekent een zekere rust, een zekere gelijkmoedigheid, een vastheid van bestaan. Het verstoren daarvan, betekent voor ons een gehele reeks van invloeden wekken, die zeer moeilijk te verwerken zijn. Laat daarom alle streven naar actief geestelijk leven een streven zijn om uiting te geven aan hetgeen in ons bestaat; niet om in ons of in ons leven iets te veranderen, dat nog niet is.
Laten wij ons nooit door de tijd laten beheersen. De tijd is onze vijand, wanneer we mens zijn. Maar wanneer we in de eeuwigheid zijn, is hij onze vriend, is hij het terrein, waarin wij leven. Het mens‑zijn is slechts een fase van onze werkelijkheid. Niet meer. Dit begrijpende zullen wij de tijd zien als onbelangrijk in ons geestelijk werk, mits wij voortdurend de harmonie, de eenheid en de evenwichtigheid kunnen bewaren, die noodzakelijk zijn voor een werkelijk leven, een actief leven.
In al ons streven om te komen tot geestelijke werkzaamheid, beroepen wij ons in de eerste plaats op onze God. Uit Hem komen alle krachten. Door Hem zullen wij bewust worden. Wij zoeken lering en die zoeken wij op onze eigen wijze. Maar wij laten het aan God over die lering voor ons te vullen tot een nieuwe werkelijkheid. Ons streven is slechts God te dienen zo goed wij kunnen met de middelen, die wij thans bezitten. Indien wij deze regels aanvaarden, zal blijken dat de reeks van onze handelingen en daden in feite wordt een vergroting en ook een intensifiëren van onze werkzaamheid. Een werkzaamheid, die geestelijk zowel als stoffelijk is en die daardoor onze rol in het leven maakt tot een rol in overeenstemming met de goddelijke werkelijkheid, waaruit we geboren zijn.
Ik mag dan misschien nog één voorbeeld geven. Een geest is een mens, die denkt dat je een ster kunt vangen in een portemonnee. Een altruïst is iemand, die denkt dat je rijk wordt door weg te werpen wat je bezit. Een bewust mens is iemand, die de krachten, die hij bezit, gebruikt om daardoor rond zich alles te verstevigen en zo voor zichzelf een basis te maken, waaruit hij verder kan gaan.
Actief zijn betekent: werkzaam zijn. Geestelijk werkzaam zijn betekent echter overal, waar de geest leeft, zijn wezen tot uitdrukking brengen, zijn streven en gedachten aanzien geven. Waar de mens leeft in de stof, is actief geestelijk streven in de eerste plaats het uitdrukken van het geestelijke beginsel op het stoffelijk vlak. Esoterie, geheimleer en al deze namen geven de mogelijkheid aan om lering te verwerven, om door be­spiegeling groter waarheid te leren kennen. Maar een waarheid, die niet beleefd wordt, gaat teloor. Daarom is het noodzakelijk om alle nieuwe geestelijke waarheid, die wij erkennen, te beleven, opdat zij voor ons niet teloor gaat, maar voor ons een werkelijke verrijking van ons totale be­staan betekent.
In deze punten heb ik getracht kort samen te vatten wat noodza­kelijk is voor eenieder, die deze cursus volgt en trachten wil daaruit voor zichzelf een mogelijkheid op te bouwen tot werkelijk geestelijk wer­ken, tot geestelijk bereiken. Dit is de handleiding; de praktische ken­nis zult u zichzelf moeten verwerven. Is het ons mogelijk u in de prak­tijk te helpen en ten dienste te zijn, dan kunt u ervan overtuigd zijn dat wij dat niet nalaten.

Het doel van het mens-zijn

Mens‑zijn is een eigenaardige toestand. Want als je mens bent, draag je enerzijds in je geestelijke waarden, geestelijke krachten en aan de andere kant ben je bevoertuigd in iets, dat het best omschreven kan worden als een van de hogerstaande zoogdieren. Dat schept vanzelf een zekere onevenwichtigheid. Het lijden, dat daaruit voortkomt, dat onrecht, dat je rond je meent te zien en al wat daarmee in verband staat, doet je dan ook uitroepen: “Waarom ben ik mens!”
Vanuit een zuiver menselijk standpunt is er niets voor het mens‑zijn te zeggen behalve dan misschien: “Ik leef liever, dan dat ik dood ben.” Maar geestelijk gezien heeft het mens‑zijn toch wel een buitenge­woon grote, belangrijke betekenis. De geest die in een mens neerdaalt, krijgt voor de eerste keer de beschikking over een voertuig, dat zoda­nig hoog georganiseerd is, dat het in staat is ook zichzelf te beschou­wen en zichzelf a.h.w. te wegen en te meten in moreel, in zedelijk op­zicht. Dit is daarom zo belangrijk, omdat de geest leeft in zijn eigen wereld en sfeer, omgeven door veel minder beperkingen. Hij heeft dus niet de drang om iets door te zetten. Hij komt tot een ontwijken. Hij heeft niet de drang tot een onmiddellijk bereiken, want ten slotte kan hij op de duur alles toch wel verwachten. De geest kent in zijn eigen wereld niet de gesel van de tijd, waardoor hij in een volkomen gelijkmatig­heid zichzelf verder tracht te ontwikkelen en niet de noodzaak kent tot het experimenteren met kortere wegen. Verder kent de geest ofwel de vlucht voor het licht óf de aanvaarding ervan. Vergelijkenderwijze zwart of wit, geen tussenliggende fasen, geen grijzen.
Nu krijgt die geest de beschikking over een voertuig, dat hem dwingt tot streven, dat hem elke consequentie van eigen falen zeer pijnlijk doet ondergaan. Een voertuig, dat bovendien elke schakering van beleven kan vastleggen en ontvangen. De geest wordt dus uit zijn zelfgebondenheid losgerukt nu hij stoffelijk zo gebonden is, dat een volmaakte zelfuitdrukking onmogelijk wordt. Zo leeft hij dan als mens.
Mens‑zijn met zijn vreugde, mens‑zijn met zijn leed betekent voor hem niet – zoals men op aarde misschien denkt ‑ alleen maar een beperking of een totaal ondergaan van alle waarden. Neen, voor de geest be­tekent dat mens‑zijn in de eerste plaats een betrekkelijk korte poos van onttrokken zijn aan eigen wereld, maar in de tweede plaats een opdoen van reeksen van ervaringen, die in de eigen wereld grotere volmaakt­heid, grotere daadkracht mogelijk maakt.
God ervaren, is voor de geest misschien gemakkelijker dan voor de stof. Maar komt de geest in de stof tot een godservaring, dan heeft hij daarmee het wezen Gods beroerd. Dan is er een band gekomen, die niet meer door een persoonlijk ondergaan maar door een actief aanvaarden wordt getekend.
U begrijpt waarschijnlijk reeds dat dit mens‑zijn buitengewoon belangrijk is. Nu zullen we trachten de fasen van het mens‑zijn, elk met hun betekenis, hun nut en hun mogelijkheden onder ogen te zien. Allereerst geboorte, kind‑zijn.
Geboorte. In de prenatale periode voelt de geest zich haast spelenderwijze nog getrokken tot bepaalde mensen. Hij bindt zich niet een lichaam, dat groeit, zonder dat hij werkelijk in staat is alle eigenschappen daarvan redelijk te overzien. Hij heeft weliswaar de vermogens om dit te doen, maar niet de ervaring, die hem deze vermogens juist doet gebruiken. Zo laat hij zich in slaap wiegen in een geborgenheid en een zekerheid, die haast abrupt verbroken wordt kort voor de geboorte. De kramptoestanden betekenen een voortdurende benauwenis en in deze benauwdheid vlucht de geest geheel in het lichaam, zich niet bewust zijnde, dat hij deze ervaring kan verwerpen door het lichaam te verlaten.
Hij wordt geboren in de wereld. En nu valt de geborgenheid weg. Er komen andere factoren voor in de plaats. Voldoening en ongenoegen, vrees en vreugde. Alles intens, zoals de geest gewend is te beleven. Alles met de eigen intensiteit van wereldschepping, waardoor het kind dan ook veelal leeft in een wereld, die het grotendeels zelf bevolkt, En in deze periode gewent de geest zich in de eerste plaats aan de stof. Maar in de tweede plaats leert hij dat er beperkingen bestaan, die zijn eigen uitdrukking in een werkelijkheid dus normaliseren. De geestelijke emoties, die in een droom worden uitgeleefd, worden nu gekanaliseerd. Naast de wereld, die je voor jezelf opbouwt, staat een andere wereld, die je niet kunt verdrijven. Een tweede werkelijkheid wordt geboren.
Is deze belangrijke fase voorbij, dan is het kind een stoffelijke opvoeding begonnen. Nadat het geleerd heeft die wereld te aanvaarden en enigszins heeft geleerd zich erin te bewegen, begint het nu de gegevens van die wereld met vaak ontstellende snelheid te absorberen. Maar meest­al eenzijdig. De geest heeft in deze zelfde periode geleerd dat er een nadruk gelegd kan worden op dingen, die niet in die geest zelf bestaan en probeert zich zo aan te passen, dat hij deze dingen kan ondergaan en beleven zonder zelf vast te lopen.
Het kind wordt ouder. Het gaat naar school. Langzaam maar zeker gaat het groeien naar de puberteit. De geest wordt gedwongen zich steeds intenser met het leven te bemoeien, ontdekt dat binnen de beperkingen van de stof even grote vreugden en even grote verschrikkingen kunnen bestaan als er geestelijk zijn. Hierdoor krijgt hij een bewustzijn, dat niet meer gebonden is aan een wijdsheid, aan een grootsheid van belevingsmo­gelijkheid. De intensiteit, die hij buiten zich heeft gezocht, wordt nu binnen deze kleine stoffelijke begrenzing geproduceerd. En zo bereidt hij zich voor op de volgende fase.
Puber. Een lichaam in oproer. Nog niet volledig gekende begeerten en voorstellingen. Het dierlijk element, dat actief wordt. De geest beleeft het mee en beseft het niet geheel, maar voelt langzaam maar zeker de noodzaak tot groepsvorming, tot zich in een eenheid met anderen te sluiten. De beginfase van de puber kentekent zich dan ook over het algemeen door het vormen van kleinere vrienden‑ en vriendinnengroepjes, waarin haast een geheimtaal wordt gesproken en een zeer eigenaardige band, een eigenaardige relatie bestaat. Deze seksueel uit te drukken, zou te ver gaan. Maar toch zit ook deze waarde erin, half‑dierlijk, half‑ geestelijk.
Dan komt op een gegeven ogenblik de uitdrukking van de voortplantingsdrang. Het begint in dromen. Het spoort langzaam maar zeker aan tot een experiment, een verwerkelijking. Voor de geest is deze periode een ervaren van nieuwe mogelijkheden van ontwikkeling. Een ontwikkeling, die hij zo in zich niet heeft gekend. De stormen, die in deze periode de mens kent, gaande van uitbundigheid en vreugde tot diepste droefheid en verslagenheid, de gevoelens van strijdvaardigheid en moed enerzijds, haat en lafheid anderzijds zijn schokkend voor iemand, die slechts de gelijk­matigheid heeft gekend van een geestelijke sfeer. Ze zijn zelfs nog schok­kend en onthullend voor degene, die in de zoetheid van het geestelijk be­staan langzaam maar zeker de stoffelijke mogelijkheden verloren heeft. Al hetgeen je meende als geest te bezitten, wordt door elkaar gegooid. Het schoon inéén gepaste beeld van een wereld wordt door elkaar gewer­veld als een caleidoscoop, waarin de beeldjes anders vallen en plotse­ling een geheel ander patroon vertonen.
De mens groeit verder. De tijd van huwelijk, van seksuele relaties. De tijd ook van noodzaak tot aanpassing, van strijd met de wereld, omdat je je persoonlijkheid niet kunt uitdrukken zoals je dat zou willen. Dromen van vrijheid, die teloor gaan. Voor de geest een eindelijk erkennen van de gebondenheid aan de stof. En eindelijk het vinden van een weg, die dan in ’s hemelsnaam maar het leven accepteert. En daardoor juist in deze fase sterker dan tevoren een uitgedrukte bezitsdrang. Niet zoals het kind het kende, maar als een eenvoudige begeerte, een eenvoudige behoefte. Andere dingen komen in het spel. De begeerte wordt tot een gedachtebegeerte, die helemaal niet met de werkelijkheid samenvalt. De dingen stroken niet meer meteen. En heel vaak wordt dan zo’n leven, nog plotseling dooreen gegooid door uiterlijke omstandigheden die je niet kunt beheersen.
De mens lijdt, de mens gewint iets en verheugt zich. De geest lijdt mee en verheugt zich mee, maar op een andere wijze dan de stof zich dit realiseert. Voor hem wordt het een spel van harmonie en disharmonie. Voor hem wordt het één ontwakend bewustzijn, dat steeds verder de nood­zakelijke band tussen mens en mens doet aanvoelen. Geloof me, waarlijk menselijke banden en uitingen komen slechts onder de grootste spannin­gen tot stand. Daarom zijn de grootste spanningen ‑ geestelijk gezien ‑ vaak de grootste giften Gods. Ook wanneer ze zich stoffelijk vertonen als rampen.
Het leven gaat verder. En wanneer de geest nog gebonden blijft aan de stof, valt langzaam het accent van het dierlijke weer wat meer op het geestelijke. En nu begint in het stoffelijke het redelijke zoeken. Tot nog toe was geloof geloof. Het had te maken met een praktische, stoffelijke wereld. Maar wanneer de mens wat ouder wordt, gaan meer en meer de bovennatuurlijke dingen, het leven achter de dood, zijn aandacht vragen. De geest ziet dit aan en kan zijn eigen waarheid zo niet openbaren in de stof, zelfs niet door middel van zijn eigen lichaam. Zo leert hij dat niet de waarheid op zichzelf bepalend is, maar de beleving van de waarheid. Hij leert a.h.w. het voorrecht waarderen van een waarheid, die beleefd wordt.
Toch wil die geest openbaren wie en wat hij is. Juist nu het lichaam niet meer zo vele nieuwe indrukken brengt, zoekt hij naar een mogelijkheid om zichzelf te zijn. In dit zoeken naar zelf‑zijn moet hij een grote wilskracht, een grote volharding hebben. Hij leert om een doel na te streven, zo nodig ten koste van alles. Hij leert op de duur dat doel niet meer te zien als een persoonlijke bereiking. Want bij het langzaam vergaan van eigen leven, het weg vlieden uit het dagelijks bestaan en het komen in dat hoekje, dat voor ouden van dagen en niet meer modernen gereserveerd is, moet hij zoeken naar de weg om in de rest van de wereld, in anderen te leven.
Zelf leven, loopt ten einde. Hij vlecht een oneindig aantal banden, wordt zich steeds bewuster van de stof. Wanneer die geest is overgegaan, zal hij daardoor niet meer vreemd staan tegenover vele dingen, die hij verworven heeft. Hij zal naast de oude kennis, die gehergroepeerd is, nieuwe kennis hebben opgedaan. Hij zal nieuwe diepten en hoogten binnen het goddelijk bestaan gepeild hebben. En zo heeft hij dan door het mens‑zijn niet alleen de uitdrukking gewonnen van zijn eigen persoonlijkheid binnen God, maar ook een grotere mogelijkheid om God te aanvaarden. Hij heeft een stuwkracht gewonnen, een wil, die hem de schijnbare rust van een gezapige sfeer doet verlaten om te zoeken ‑ als het nodig is ‑ op de rotsachtige hoogten van een ongekende wereld, waarin niets hem bekend is. Waarin het lijkt dat hij alleen staat in het grote licht. God vinden, is voor de geest mogelijk gemaakt door het mens‑ zijn.
Mens‑zijn betekent stoffelijk vreugden en stoffelijk lijden kennen. Dat betekent hartstocht kennen en hartstocht beheersen. Dat betekent jezelf zien als deel van een geheel, nuttig, belangrijk; of jezelf te zien als verworpen en onbelangrijk. Deze levensgang brengt de geest zijn nieuwe inzicht, zijn bewustzijn van een werkelijk recht, dat ver uitgaat boven wat de mens rechtvaardigheid noemt. Het is daarom dat het mens‑zijn zo belangrijk is.
Iemand, die leeft als mens op aarde, kan ik dan ook maar één raad geven: Probeer werkelijk mens te zijn. Tracht niet je mens‑zijn te verhullen achter een onnodig ijzeren beheersing. Tracht niet jezelf aan het leven te onttrekken door alles op een afstand te houden. Leef intens in je leven, maar zoek naar het goede, dat het leven je brengt. Zoek naar een richting, die je houvast geeft. Zoek in anderen te leven, wanneer je eigen leven niet voldoende is. Zo zul je bemerken, hoe je groeit, hoe je als mens meer betekent. En eerst veel later zul je beseffen, wat dit betekend heeft voor de geest, die toch de kern is van de mens.

Regen

De hemel weent. Het somb’re grauw doet ‘t
licht der wereld ondergaan. En toch
weerkaatst zich reeds het licht, waar
plassen op de wereld staan.
De hemel trekt haar sluiers weg.
Weer glimlacht ons de zon.
Zuiverder schijnt het aardse zijn
dan voor de bui begon.
De pijn van regen en van leed is altijd
snel vergaan. Maar juist daardoor leert
men de zon, leert men ’t geluk verstaan