Geestelijke vernieuwing

SVGZ -14 oktober 1960

Aangezien wij in de afgelopen weken reeds hebben gewezen op de vele verschijnselen, die gepaard gaan met het veranderen van de tijd en het begin van het tijdperk van de Waterman, is het zeker zaaks ook de geestelijke zijde hiervan nader te beschouwen. Vanuit de geest tonen de problemen, die op de wereld bestaan, zich altijd weer van een andere zijde en met ander belang, dan op de aarde zelf. Het optreden van staatslieden bv. krijgt voor ons onmiddellijk een psychologische achtergrond, wij zien daar het zielenleven achter. Wat voor u ergerlijk is, lijkt ons soms alleen maar zielig, terwijl wat u grappig lijkt, voor ons soms ontstellend is.

U zult begrijpen, dat wij vooral in de laatste 100 jaar de veranderingen op aarde met buiten- gewoon grote belangstelling hebben gade geslagen. De mentaliteit is sterk aan het veranderen. Toch zullen wij achter het mom van egoïsme, zelfstandigheid en hardheid in deze dagen, vaak bij de mens andere waarden vinden. Het innerlijk is niet in overeenstemming met zijn uiterlijke verschijning, maar duidt iets nieuws aan. Vooral valt hierbij op, het buitengewoon grote gevoel van onzekerheid, dat de meesten beheerst en de al even grote behoefte aan warmte en geborgenheid.

Daarnaast is er ook sprake van een groeiende behoefte aan een God en een geloof, maar een geloof, waaraan je jezelf geheel en daadwerkelijk durft te geven. Daarbij blijkt, dat in werkelijkheid niet, zoals uiterlijk de schijn wordt gewekt, het materiële het belangrijkste is, maar dat dit juist vaak ver op de achtergrond staat. De mensen van deze dagen dromen graag. Dezelfde nozems, of rowdies, die op knallende en gierende bromapparaten de gezeten burgers dicht bij de dood of een hartverlamming brengen, blijken in zich vaak een droom te koesteren, waarin zij de wereld beheersen. Niet wreed, maar goed. De onverschillige meiden daar, die met een schoenlepel in hun pantalon kruipen, de haren verward, lopen te jumper-zwaaien langs de straten van de grote steden, zijn innerlijk vaak vol van heimwee, omdat zij zo graag met een pop zouden spelen. De mensen, die met grote invloed en vastberadenheid spreken over het lot van de wereld en de noodzaken van deze tijd, blijken innerlijk vaak verschuchterde kleine boekhoudertjes te zijn, vol van vrees, dat een accountant hun rekeningen zal komen controleren. De gewone mensen, met hun onverschilligheid en hun besloten willen blijven in eigen kring, dromen van een lichte wereld, waarin het een vreugde is om te werken, een wereld, waarin de mensen elkaar begrijpen, waarin er geen standen zijn. Een wereld kortom, waarin je je werkelijk tussen broeders en zusters weet. Deze dromen zijn dan de basis van mijn betoog.

Wanneer wij spreken over een geestelijke vernieuwing, zal een ieder beseffen, dat bepaalde innerlijke processen daar voor de mensheid aan vooraf dienen te gaan. Het is eenvoudig al deze dingen te herleiden tot uiterlijke verschijnselen. Maar juist zijn onze verklaringen dan niet, omdat zij zo onvolledig blijven. Wij zouden kunnen spreken over het feit, dat de kerken leeg blijven, dat de mensen een geloof menen te hebben en gelijktijdig dit geloof vertrappen, dat de mens nergens meer in gelooft of vertrouwt. Dan kunnen wij er op wijzen, dat haast alle mensen steeds weer en blijvend ontevreden zijn. Misschien meent u, dat ik beter zou doen u te vertellen over de nieuwe wereldleraar, want deze is op de wereld. Maar ook dit feit zegt uiteindelijk zo weinig over de werkelijke vernieuwingen. Dit alles blijft de buitenzijde, het werkelijke gebeuren moet zich ín de mens afspelen. Indien ik wat zich daar afspeelt, wil begrijpen, zo wend ik mij wel in de eerste plaats naar mijn eigen wereld. Wanneer ik naar mijn eigen wereld zie, zo ontdek ik daar een toestand, die met een algehele mobilisatie kan worden vergeleken.

Reeds langere tijd is er rond en op uw wereld een strijd gevoerd tussen de krachten van duister en licht. Wij kunnen deze krachten ook noemen: de krachten van het materialisme en van de vergeestelijking. Deze strijd werd uitermate snel gevoerd. Zij vond op aarde een weerkaatsing in vele autoriteiten. Deze strijd is bijna beëindigd. Om te spreken met de termen van een kort geleden gevoerde oorlog: Het is bijna 5 minuten over twaalf. Maar de mobilisatie in onze wereld gaat verder. Vreemd genoeg zien wij de duistere krachten, die wel in de materie willen leven, maar zich gelijktijdig toch van het Al bewust willen blijven, een soortgelijke samentrekking van krachten volvoeren. Deze strijd is in zijn uiting niet meer gericht op de stoffelijke verschijnselen. De strijd die nu begonnen is gaat vooral om het innerlijke van de mens. Het is een strijd waardoor de mens zonder twijfel zeer sterk zal moeten veranderen en zeer veel zal moeten leren.

Dromen zijn vaak bedrog. Maar in enkele gevallen blijkt een droom waarheid te zijn. Vaak openbaart de droom je dan een waarheid, die je nog niet had beseft. Ik meen, dat dit voor de dromers, die op uw wereld nu leven, het geval is. Wij moeten in uw wereld langzaam maar zeker een andere houding vinden tegenover God en de wereld. Het is niet belangrijk meer, zoals in het verleden werd gedacht, of de Bijbel nu wel of niet letterlijk waar is, of deze of gene religieuze of esoterische richting nu wel gelijk heeft of niet. Voor de mens is in deze dagen alleen maar belangrijk, dat hij ergens dat innerlijke Goddelijke Licht kan vinden, waardoor hij boven eigen bekrompenheid wordt uitgetild en zo leert iets werkelijk te zijn en te betekenen in het leven, want het mag niet bij een droom blijven.

Het beginsel, dat vanuit onze sfeer naar de aarde wordt uitgedragen, hebt u in vele slagzinnen al gehoord. Het klinkt ongeveer als: Jullie, wanhopigen van de wereld, verenigt u! Elke mens heeft het recht, maar ook de plicht, te allen tijde mens te zijn. De waarheid, die eeuwig bestaat, kan niet veranderen, noch in deze dagen noch in de toekomst of het verleden. De kosmische waarheid zal altijd gelijk blijven. Er kan maar één waarheid zijn. Deze waarheid is voor een mens niet te overzien.

Wanneer de mensheid deze stellingen begint te aanvaarden en te begrijpen, zo men elke mens het recht om als mens te leven laat en een ieder wil aanvaarden als medemens, ongeacht rang, stand, huidskleur, of ras, zal inderdaad een ware broederschap onder de mensen ontstaan. Ik heb over het algemeen een hekel aan de woorden “broeder” en “zuster”. Deze worden immers het meeste in gemeenschappen gebruikt, waarin men onderling allesbehalve broederlijk en zusterlijk pleegt te handelen, maar deze woorden met een pruimenmondje uitspreekt om zo eigen vroomheid opvallend te etaleren. Ik geef toe, dat enkelen, die deze woorden gebruiken, ze ook menen. Maar dat is zeker geen meerderheid. Toch moet het idee van broederschap, van eenheid, steeds verder onder de mensen doordringen. Niet alleen de grenzen tussen de landen moeten vervagen, maar vooral de grenzen die mensen onderling hebben getrokken tussen zichzelf en hun medemensen. Vandaar, dat vanuit onze sfeer de eerste grote geestelijke aanval op deze wereld plaats zal gaan vinden. Een aanval, waarbij alle beschikbare middelen zullen worden gebruikt en onze gehele kracht zal worden ingezet. Ik zal u trachten iets van onze bedoelingen weer te geven en ons “plan de campagne” weergeven, ook al is dit niet zo gemakkelijk in mensenwoorden vast te leggen.

Het begin is een vraag. Deze wordt in de mens gewekt en luidt steeds weer:  “Ben jij dan zo goed? Heb jij dan nooit een vergissing gemaakt? Ben jij nooit wreed geweest tegen mens of dier? Ben jij nooit harteloos geweest? Heb jij nooit iets vergeten, omdat het je niet beviel? Ben jij nooit aan het lijden van anderen onverschillig voorbij gegaan?”

De eerste aanval met mijn vragen is gericht op het geweten van de mensheid. Een verwijt tevens: “Mens, wat heb je gedaan?” Dit wordt niet volbracht, omdat wij de mensen zo buitengewoon schuldig achten, maar omdat de mens moet leren beseffen, dat hij alles, wat hij anderen verwijt, ook in zichzelf draagt. De mens moet leren geen verwijten tegen anderen te richten en niet meer in haast bombastisch felle aanvallen anderen af te breken en te kraken, maar steeds weer met anderen tezamen iets op te bouwen. Dat is alleen onder de mensen mogelijk, wanneer de mensen geen begrippen van meerderwaardigheid meer koesteren, niet meer menen belangrijker, of juister ingesteld te zijn dan anderen. Wanneer dit begrip zo hier en daar vaste voet gaat krijgen, volgt onmiddellijk de tweede aanval. “Mens, wat doe je, wat ben je? Wat beteken je? Heb je werkelijk betekenis voor de wereld? Heb je tijdens je leven ook maar één enkel wezen iets gelukkiger, iets wijzer, of iets beter gemaakt? Wat heeft je leven opgeleverd aan waarden, die niet door belastingen kunnen worden aan- getast, door oorlogen kunnen vernietigd worden? Welke waarden heb je vergaard in het leven, die niet met de komst van de dood voor jou verloren zullen gaan?”

De vraag dus: “Mens, wat ben je waard?” De mensen leven te veel voor zichzelf. Zij geloven alle goede en grootse dingen gaarne. Zij willen graag geestelijk streven, zij willen graag hogerop, maar vergeten daarbij, dat je alleen betekenis kunt krijgen en geestelijk kunt stijgen, wanneer je ook werkelijk en metterdaad voor je medemensen werkt en zorgt.

Wanneer de mens begint te beseffen, dat hij iets voor anderen moet gaan doen, komt de derde en belangrijkere aanval. Een vergelijking makende zou ik de eerste twee aanvallen acties van de infanterie willen noemen. Deze vergelijking is zoveel te juister, omdat elke mens zich verschanst heeft, loopgraven heeft gemaakt van zelfrespect, dat ten koste van alles gehandhaafd moet blijven, een verzet tegen het erkennen van ongelijk e.d. Zijn deze eerste stellingen eenmaal gewonnen, dan komen de tanks, het zware geschut. Want dan moet de mens ontwaken en de termen en normen van een nieuwe tijd leren kennen en aanvaarden. Dan moet de geestelijke vernieuwing werkelijk gaan beginnen. Tot op dit ogenblik is er slechts sprake geweest van het opruimen van oude zaken. Na de twijfel aan het eigen bestaan en de waarde daarvan moet ook een begrip komen voor de mogelijkheden daarvan. De vraag luidt nu: “Wat kun je, mijn vriend? Wat wil je werkelijk gaan doen? Zoek je hoog geestelijk Licht en geestelijke krachten? Zij zijn er, waarom kun je die krachten dan niet bevatten en gebruiken? Zoek je naar begrip, mens? Overal rond je is de mogelijkheid tot begrijpen geschapen? Waarom zoek je dan nog?”

Zie, leef en begrijp! Dit alles is nog een benaderen van de mens en zijn stellingen. Maar dan komt als verpletterend de werkelijke aanval: “Mens, durf je dan niet te geloven? Durf je niet zeker van jezelf te zijn? Durf je niet eens voor jezelf verantwoordelijk te zijn? Mens, kun je niet beseffen, dat jij in jouw wereld, met jouw middelen en mogelijkheden, zodra het gaat om de geest en het Licht, toch altijd tussen alle mensen alleen moet staan?”

Begrijp, dat je op niemand kunt rekenen, op niemand kunt vertrouwen, wanneer het er om gaat, iets te volvoeren, wat jij door traagheid opzij hebt gelegd. Besef, dat er niemand is, die voor jou je gebrek aan kracht, geloof en besef onmiddellijk kan compenseren. Begrijp verder, dat er niemand is, die de gevolgen van je falen onmiddellijk voor je op zal kunnen nemen. In je wereld bestaan dergelijke wezens en krachten nu eenmaal niet. Maar rond jou, mens, bestaat een kracht, die dit alles wel kan. Rond je is een grote hoeveelheid van entiteiten, hoge Lichtende, sterke én lagere. Boven al deze wezens staat het grote, het Goddelijk weten, dat je voortdurend gade slaat en steeds geheel je wezen kent en ziet. Bedenk, mens, dat deze hoogste kracht niet alleen de buitenkant der dingen ziet, niet alleen, wat je doet, maar ook, wat je denkt en wat je werkelijk bent.

Ik moet toegeven, dat juist deze aanval voor menigeen zwaar en verpletterend is. De gedachte, dat je nooit werkelijk alleen bent, kan voor een mens zeer bezwaarlijk zijn. Het is als mens zo gemakkelijk, wanneer je achter een strak gezicht je gedachten kunt verhullen. Het is zo prettig in de beslotenheid van je eigen kamer te doen en te laten wat je wilt. Het is zo gemakkelijk een leugen te vertellen, een onware verdachtmaking te fluisteren. Maar de gedachte van veilig zijn en mogen huichelen gaat teloor, wanneer je werkelijk inziet, dat je geen enkel ogenblik van je leven ook maar werkelijk alleen bent. Dit besef is voor de mens moeilijker te verwerken, dan alle zelfverwijt.

Het is daarom, dat deze aanval zo noodzakelijk is voor een geestelijke vernieuwing. Vandaar ook, dat de mens zozeer zich juist tegen het werkelijke hiervan zal verzetten, dat wij hem steeds weer zullen moeten verpletteren met ook stoffelijk kenbaar bewijsmateriaal. Anders weigert hij dit te aanvaarden. Wat hij ook prijs zal willen geven, wat hij ook wil aanvaarden, van het begrip in zich met zichzelf alleen te zijn en voor alle krachten van buiten veilig te zijn, wil hij geen afstand doen. Het zal dan ook lang duren voor deze waarheid werkelijk tot de mensen zal zijn doorgedrongen.

Zoals bij de andere aanvallen onder meer gebruik werd gemaakt van het inplanten van ge- dachten, het richten van de aandacht op delen van lezingen, zinsneden en boeken, zo zal dit derde deel de voor de mens ontstellende ervaring brengen, dat zijn gedachten door anderen worden uitgesproken en erkend, dat anderen zijn verleden kennen en zijn willen beseffen. Het pijnlijke zal ongetwijfeld voor velen de ontdekking zijn, dat de veilig verborgen fouten uit het verleden opeens, en ook zonder ingrijpen van andere mensen, aan het daglicht zullen komen.

Wij beseffen heel goed, dat wij de mens zo het leven buitengewoon moeilijk zullen maken. Dit is niet te vermijden, want een geestelijke vernieuwing kan nooit geboren worden, wanneer de mens nog blijft denken dat uiterlijkheden voldoende zijn, terwijl hij in zich een heilige plaats heeft, waar hij zijn werkelijke wezen kan verbergen, zodat niemand kan weten, wie hij werkelijk is en hoe hij in werkelijkheid streeft. Gezien de instelling van de doorsneemens is het niet waarschijnlijk, dat een alomvattende geestelijke vernieuwing geboren zal worden zolang men nog meent, dat er uitwijkmogelijkheden bestaan. Vandaar ook, dat juist dit deel van de aanval op de mens lange tijd zal duren, vandaar, dat juist hierin voor alles de Lichtende krachten en mogelijkheden van alle Lichtende en hogere sferen uitgedrukt zullen worden. Gelijktijdig zullen Wij dan de reactie zien van de krachten uit de geest, die hoofdzakelijk in de materie werkzaam zijn. Dezen gaan opeens omstandigheden beïnvloeden. Het geheim, dat zo veilig verborgen leek, komt naar buiten. De mens, die zich verscholen meende in de anonimiteit van de massa, ziet zich opeens weer in het licht der algemene belangstelling geplaatst. Waarden uit het verleden komen weer op de voorgrond. Steeds meer zal blijken, dat ook hoger geplaatsten voor deze krachten niet onaantastbaar zijn. Voor hen komt opeens en zonder dat men kan na gaan, het gerucht, dat hun ware afspraken en gedachten onthult. Voor hen komt opeens de val, de veroordeling. Ook voor hen wordt opeens eerlijkheid en open zijn noodzakelijk, want slechts zo kan de waarheid op aarde invloed krijgen.

Daarmede is dan de slag wel geslagen. Maar u weet wel, dat, wanneer de infanterie en de tanks eenmaal naar voren zijn gerukt, de noodzaak ontstaat het veroverde gebied te bezetten en te zuiveren. Het uitroeien van kleine vooroordelen, het omsingelen van belangrijker punten van weerstand, zodat dezen geen invloed meer kunnen hebben op de ontwikkeling van het geheel blijkt dan ook uit de volgende taak, die de geest op zich zal moeten nemen. Nu geen vragen meer als: “Wat ben je? Wat kun je?” Hier wordt het conflict steeds meer van de bewustzijns- inhouden, die van buiten af te beïnvloeden zijn, verplaatst naar het innerlijk. Er is nu sprake van een besef van innerlijke kracht en vermogen.

Daarnaast staat steeds weer de demonstratie, dat anderen deze innerlijke kracht, deze wijsheid en dit Licht bezitten en ermee kunnen werken. Dan zal voor menigeen pas werkelijk een behoefte van innerlijke grote armoede mogelijk zijn. De mens zal zich dan ingesloten gevoelen door de krachten des Lichts als een belegerde stad. Steeds weer zal hij, zullen de delen van zijn bewustzijn, die zich nog niet aan het Goddelijke Licht overgaven, hongeren naar Licht. Dit is moeilijk te dragen, omdat de belangrijke factor van gelijk-hebben, recht-hebben, ontbreekt. Deze laatste waarden kunnen namelijk de mens tot buitengewone prestaties voeren. Wanneer het beleg van de Lichtende krachten tot een algehele overgave heeft geleid, ligt de mens voor ons als een maagdelijk terrein: de debris van het oude zijn opgeruimd. Oude gewoonten en begrippen zijn gestorven. De mens staat nu in een wereld, waarin hij zal moeten zoeken naar een nieuwe levensinhoud, naar een nieuw leven.

Ofschoon hij reeds dan zal beseffen, dat hij moet streven in de richting van broederschap onder de mensen, vrede op de wereld, zo is hem dit uiteindelijk niet genoeg. Zo komt hij tot een uiterste krachtinspanning. Veel van wat nu nog in de menselijke geest gold als “terra incognita” zal dan worden opengelegd en voor een ieder toegankelijk worden gemaakt, zowel door het streven van de wetenschap als de aanvaarding, die in de geest mogelijk wordt. In deze fase grijpt de geest nog in, maar er is geen sprake meer van een aanval. Eerder een kwestie van helpen en steunen. Het is te vergelijken met de voedselacties, die na de bezetting van een land wel door goed menende naties wordt volvoerd ten behoeve van de burgerbevolking en zelfs van de krijgsgevangenen. Zo zal ook de geest, die niet meer in de stof vertoeft, zich geneigd voelen de mens meer broederschap te schenken en met de mens in een steeds nauwer contact te treden. Een begrip in de mens voor de noodzaak van verschil van mening zal hieruit voort- komen. Daarnaast zal hij beseffen, dat verschillen van mening, taak, inzicht en werkwijze ook in de hoogste geestelijke sferen nog bestaan. De mens, die dit alles verwerken kan, heeft daardoor een blijvend contact met andere werelden gevonden, een geheel nieuwe bestaansinhoud verworven.

Nu, maar dan ook eerst nadat al het voorgaande doorlopen is, kunnen de krachten van Aquarius werkelijk door de mens begrepen en aanvaard worden. Dan is er geen behoefte meer aan het scheppen van stoffelijke condities en omstandigheden. Ook heeft de geest geen behoefte meer om tot de geestelijke aanval over te gaan. Dan wordt elke strijder van zo-even uw broeder en vriend, die u steunt. De hoogste gedachte, die in deze nieuwe periode mogelijk is zegt ons, dat God de steeds Gevende is. D.w.z., dat wij geen eisen mogen stellen. Hoogstens kunnen wij tot God zeggen: “Gij hebt ons iets gegeven, waar wij niet om gevraagd hebben. Als het kan, God, pas dit enigszins aan onze wensen aan”. Het hogere begrip zegt ons, dat God aan ons in alle dingen geeft, niet alleen in die aspecten van leven en bestaan, die ons bevallen. Geld, dat je in de loterij wint of een portefeuille, die je verliest, kunnen beide gaven van God zijn. Je moet begrijpen, dat deze dingen niet alleen zin hebben in het geheel, maar ook voor jezelf in het eigen leven een patroon vormen, dat goed, welwillend is. Voor de mens zal in de komende era dan ook zeer belangrijk worden: zijn vermogen om te beseffen, dat stoffelijke waarden en omstandigheden altijd weer terug zullen treden voor geestelijke capaciteiten.

Reeds nu weet eenieder, die iets aan geneeskunde doet, dat vertrouwen in de geneesheer, suggestie e.d. de beterschap kunnen brengen, waarbij geen feitelijke middelen worden toegepast en men soms niet weet zelfs, hoe men eigenlijk genezing zou moeten brengen. Reeds nu kan wetenschappelijk worden aangetoond, dat de mens, die in zijn genezing werkelijk gelooft, zelfs wel in staat is dodelijk geachte kwalen terug te dringen en tegen te houden, zelfs wanneer de krachtreserves van het lichaam veel te klein hiervoor lijken te zijn. Verder is het te bewijzen, dat de mens reeds nu onder spanning meer dan normaal, soms ongelofelijk veel meer dan normaal kan presteren en verdragen. Dit laatste beperkt zich niet tot spierprestaties, maar blijkt zich uit te breiden tot denkvermogen en perceptie. Ook het geheugen kan onder bepaalde spanningen zeer nauwkeurig en fel reageren met schijnbaar vergeten feitenkennis. Men heeft ontdekt, dat de gedachte het lichaam regeert en heeft daarvan een wetenschap gemaakt, die de mens toont, hoe men, door met de gedachten en instincten van een mens een soort spel te spelen, die mens zelfs geheel kan conditioneren totdat bepaalde denk- en handelwijzen deel van zijn Ik zijn geworden.

Wanneer wij deze, nu reeds vaststaande feiten zien, zal het u niet meer zo moeilijk zijn een stap verder te doen en de stelling te aanvaarden, die voor de periode van de Waterman bepalend is: Wanneer ik in mijzelf kom tot een mystiek beleven, een vertrouwen en geloven, zal ik altijd meer kunnen presteren. Hoe sterker vertrouwen en geloof worden, hoe meer ik kan zijn en betekenen voor anderen en volbrengen…

Dit laatste is m.i. het meest belangrijke punt van de komende geestelijke vernieuwing. Zodra wij, al is het maar door werkelijke overgave aan, of geloof in de Alkracht, kunnen putten uit deze kracht, zullen wij ook in staat zijn om, beantwoordende aan hetgeen wij in ons als goed erkennen, voor anderen steeds meer te zijn. Wanneer wij in deze periode de bewustwording, als omschreven, mee hebben gemaakt, zullen wij ons steeds meer gedreven voelen voor alle anderen de schenkende, de zorgende, de helpende te zijn. In ons wordt dan zoveel kracht geboren, ons wordt zoveel kracht en Licht geschonken, dat wij eenvoudig niet kunnen rusten en stilstaan, maar steeds meer moeten geven, er steeds meer voor anderen moeten zijn. Hierbij gaat het niet meer om het feit: “Ik geef, ik ben het”. Het Ik blijft buiten beschouwing. Het geven is, juist wanneer het zo onopvallend mogelijk gebeurt, een vervulling van onze levensdrang. Men doet dan het goede niet meer om zich van de massa te onderscheiden, innerlijke zekerheid voor zich te gewinnen of goed te zijn in de ogen van anderen. Men leeft zo, omdat dit de enige manier is, waarop je antwoord kunt geven aan de kracht en het Licht, die je in jezelf vindt.

De grondstelling, die ook in deze tijden geldt, is oud. Wij vinden deze in de evangeliën en zelfs ver voordien, soms in lessen verborgen, soms in allegorieën: ”Bemin, erken en aanvaard uw God boven alle dingen en erken, aanvaard en bemin uw naaste gelijk uzelf.” De geestelijke vernieuwing brengt dit weer als hoofdtoon van het geestelijk bereiken. Maar nu niet meer alleen uiterlijk, maar gedrongen door innerlijk beleven, innerlijke krachten en aanvaarden zal de mens dit nu beleven en in de praktijk brengen. Wanneer dit eenmaal is geschied, zal er waarschijnlijk geen sprake meer zijn van grotere acties vanuit de geest op aarde. De mensen denken heel vaak, dat de geest op aarde komt, omdat hij dit leuk vindt. In enkele gevallen zal dit waar zijn, maar in de meeste gevallen zal de lichtende geest zich niet tot de aarde wenden, omdat dit zijn grootste genoegen is, hoe aangenaam dit overigens kan zijn. Dan zullen wij in onze wereld levende, de mensen tot ons zien komen. Dit is veel beter, dan zullen wij, i.p.v. te moeten worstelen met het menselijke onbegrip, in onze wereld tot de mens kunnen spreken en mogen beleven, hoe de mensen uit de stof bewust met ons een broederschap gaan vormen en bewust met ons tot een eenheid van streven komen. U begrijpt, dat er bij ons over deze geestelijke vernieuwing veel wordt gesproken. Haast een ieder heeft er een eigen mening over.

Wanneer de nieuwe en lichtende heerser zijn gaven schenkt aan de wereld, zo schenkt hij tevens vermogen, macht en beheersing. Hij schenkt Licht, inzicht en kracht, maar ook schenkt hij ondergang voor hen, ook verderf, die zijn gaven zouden misbruiken. Slechts de geest, die in staat is deze gaven onzelfzuchtig te aanvaarden, zal onder deze Heerser in staat zijn op aarde te leven, bewust te worden. Dan zal deze mens ook als nooit te voren leren doordringen in zijn eigen wezen en verder dan ooit kunnen komen in zijn bewuste aanvaarding van de Godheid. Degene, die deze dingen kan aanvaarden, zal een innerlijke taal leren verstaan, waardoor het hem mogelijk zal zijn te spreken met bloem en boom, met dier en ster, terwijl hij zelfs zal leren door te dringen tot in het kokende gesteente, dat in een brede gordel onder de aardkorst gloeit. Hij zal weten, dat in dit alles leven is en kracht. Uit dit weten zal hij de eenheid beseffen tussen zijn eigen wezen en zijn wereld, eenheid tussen zijn ik en alle dingen, die zijn, geweest zijn, of komen. Hij zal zich één leren gevoelen met het ware leven en het werkelijk geschapene op waarlijk tijdloze wijze.

In die dagen zal het Licht krachtig zijn in de mens en in hem een trilling tot stand brengen, die fel is als de klank van de bazuinen van Jericho: de muren van wat men Ik heeft genoemd zullen vallen. De stad, die men ego noemt, zal blijven staan en leven, maar nu open voor het Al, het Al ontvangende en erkennende in zich, maar ook vanuit zich de karavanen van daden zendende in dit Al. Zo zal er een recht zijn op de vreugde en vrede. Wanneer deze dingen voltooid zijn, zal de ware vrede op aarde heersen. Niet de vrede van de zwakken, die het geweld vrezen, maar de vrede van de sterke, die het geweld veracht, omdat hij in zich een grotere kracht en vermogen draagt. Dan zal het schijnen, dat het paradijs op aarde is herschapen. Niet volmaakt zal dit zijn, maar de mensen zullen geleerd hebben ook het onvolmaakte te dulden en het lijden te dragen. Zij zullen dulden en lijden, omdat zij willen, niet omdat zij hieraan niet kunnen ontkomen, maar zij zullen beseffen, dat men door dulden en lijden soms meer bereikt en meer geeft, dan door de strijd.

Met deze visie, al werd zij oorspronkelijk niet door mij gesproken, ben ik het eens. Het is een belofte voor komende tijden. Niet voor het heden, wel is het een beeld van de geestelijke vernieuwing. En deze gaat u allen reeds nu aan. Wanneer die dagen komen, vrienden, zult u al zijn overgegaan. Dan leeft u in onze werelden en u zoekt op uw eigen wijze verder in de sferen naar bewustzijn en Licht, of u geniet misschien de restanten van stoffelijke waan. Misschien zelfs zult u in de duistere diepten van het onbegrepen Ik worstelen om de erkenning van het hoogste Licht, dat zich slechts kan openbaren wanneer je jezelf durft vergeten. De verbondenheid van sfeer en stof – zonder scheiding – zal u beïnvloeden, zoals zij ons zal beïnvloeden. Er zal immers dan een eenheid worden geschapen, waarbij de mens voor het eerst sedert vele eeuwen – en dan ook met wetenschap en bewijzen – zal kunnen zeggen: “Er is geen dood. Ziet, er is geen eenmaligheid in de verschijnselen. Alles is vorm, maar werkelijk is slechts het Ik dat groeit naar de kosmos en de kracht, die deze kosmos heeft geschapen”.

In het aanvaarden van deze band tussen stof en zonder stof levende geest zal ook uw wezen dan nieuwe krachten kunnen vinden en zo de rust en de vrede kunnen bereiken, waarnaar u streeft.

De tijd van de Waterman is de tijd van de vernieuwing, vooral van geestelijke vernieuwing. De grote betekenis van deze tijd zal niet gelegen zijn in de materiële omwentelingen, die met deze tijd nu eenmaal verbonden zijn, maar in het besef, dat voor de mens noodzakelijk is indien hij leven wil, maar hem tevens doet leven zonder een kennen van grenzen, zonder vrees voor ondergang en dood, zonder geheimen aan gene zijde van een graf. Alleen de mensheid, die dit alles heeft bereikt, zal m.i. in staat zijn de volgende fase te betreden en van een wereld, die dan materieel georiënteerd is, iets goed te maken, zonder de voortdurende dreiging van vernietiging, die deze dagen kenmerkt, zonder ook ooit geweld en macht te stellen in de plaats van recht en begrip.

 Ik zie de komende periode als een van de meest belangrijke in de geschiedenis der mensheid. Maar wanneer de geest, die in de stof incarneert in deze periode niet rijper en edeler wordt, wanneer zij niet op weet te stijgen tot een nieuw bewustzijn, dan zullen alle gunstige tekenen van de nu komende jaren niets anders zijn van de kleurige bladeren aan een boom, die de herfst en de ondergang inluiden.

* Indien je je ervan bewust wordt, dat er in je leven een fout is geweest, moet je dit  dan naar buiten toe zeggen, of kun je dit met jezelf afrekenen?

Ik meen, dat het luidkeels belijden van schuld voor de buitenwereld niet zo belangrijk is. Indien wij innerlijk onze schuld werkelijk erkennen, zullen wij trachten de fout op de een of andere manier ongedaan te maken. Niet omdat wij iets hebben gedaan, wat materieel niet hoorde, maar omdat wij innerlijk weten, dat wij nooit de kracht van de geest kunnen aan- vaarden noch gelukkig kunnen leven, wanneer wij op de een of andere wijze geen evenwicht scheppen. Dit betekent soms zelfs, dat men over de schuld moet zwijgen. Dit kan zwaarder zijn dan bekennen. Zal het soms noodzakelijk zijn om specifiek en stoffelijk je daden te stellen, in vele andere gevallen zal het belangrijker blijken geestelijk en stoffelijk aan geheel de wereld dienstbaar te zijn.

Indien wij, ook innerlijk, de moed hebben te zeggen: “Hier heb ik een fout gemaakt, dit was verkeerd, ik ben schuldig”, zullen wij daar m.i. tevens aan toevoegen: “Dit nooit weer”. Dit houdt in, dat ook de innerlijke en niet voor de wereld geuite erkenning van schuld stoffelijk zijn gevolgen zal hebben. Ik meen, dat dezen op zich niet het meest belangrijke zijn. De openbare schuld belijdende, zoals wij dit kennen bij de christenen, bepaalde fasen van Amon- en Isisverering, ettelijke inwijdingsscholen en zelfs bij de Mitrasdienst, is ritueel, maar ook hier geeft men vaak toe: het hardop belijden van de schuld is niet noodzakelijk. Het standpunt dat men innam, was: indien ik mijn schuld openlijk beken, zal ik mij gemakkelijker kunnen beheersen – de ogen van de anderen zijn immers nu wetend op mij gericht – waardoor ik niet zo snel in dezelfde fout zal vervallen.

* Zijn verschillende groepen – o.m. de Oxfordgroep – trappen op de weg naar de   waarheid?

Er is één waarheid. De mens kan op verschillende wijzen de waarheid benaderen en zoeken. Elke richting is, wanneer zij oprecht wordt geloofd – ongeacht haar al dan niet juist zijn in menselijke of kosmische zin – een pogen tot die waarheid te komen. Als zodanig zal zij voor de mens een trap van geestelijke ontwikkeling betekenen. Zelf kan de denkrichting nooit als een trap van geestelijke ontwikkeling worden aangestipt.

NAASTENLIEFDE

Wanneer wij dit begrip bezien, rijst allereerst de vraag: wie is mijn naaste? Mijn naaste is in de eerste plaats wel iedereen, met wie ik op enigerlei wijze in contact ben.

Indien u met  Chroesjtsjov in contact komt, is deze uw naaste. Hoe moeilijk het u misschien ook valt, zo zult u toch deze naaste lief moeten hebben. Ware naastenliefde gaat zover, dat wij alles zullen geven en alles zullen doen om onze naaste te helpen. Indien wij beseffen, dat de naaste belangrijker is voor de wereld, of het geheel dan wijzelf, zullen wij onszelf zelfs opofferen, om zo de naaste te redden. Nergens staat geschreven, dat wij de naaste meer lief moeten hebben, dan onszelf. Boven onszelf mogen wij alleen God beminnen.

Er komt vaak een ogenblik, waarbij de keuze, waarvoor dc naastenliefde ons plaatst, moeilijker is, dan wij wensen. Voorbeeld: honger. Ik heb een kleine voorraad. Wanneer ik met mijn naaste deel, zullen wij met zekerheid beiden omkomen. Dan heb ik het recht allereerst mijzelf in stand te houden. Maar ik kan pas een beslissing nemen na mij in geweten afgevraagd te hebben: wat ben ik en wat is – naar mijn beste weten – de ander? Wanneer wij ontdekken, dat wij ongeveer gelijkwaardig zijn aan de ander, is het zelfs logisch, dat wij in dit geval allereerst aan onszelf denken. Wij zullen daarmee niet verder gaan, dan voor het behoud van het leven noodzakelijk is, terwijl wij daarnaast alles zullen doen om de naaste toch nog de mogelijkheid tot leven te geven. Voorbeeld: mijn naaste is ongekleed. Er is weinig kleding, ik heb wel genoeg om met de ander te delen, zodat wij beiden tenminste enigszins beschermd zijn tegen de elementen. Ik vrees, dat ik bij het afgeven van een deel van mijn kleding misschien wel ziek zou kunnen worden. Zekerheid daarover heb ik niet. Dan is het mijn plicht om ook mijn naaste zijn deel te geven.

Wij kunnen ons ook andere omstandigheden indenken. Ik leef gelukkig en gezellig. Nu komt mijn naaste en hij bedreigt mijn wereldje. Wanneer deze naaste nu tracht mij te doden, zo heb ik mijzelf ook lief en zal ik terugslaan. Bij voorkeur niet zo, dat mijn aanvaller overlijdt, maar alleen zo, dat hij wordt ontwapend. Wanneer mij blijken zou, dat de houding van deze naaste voortkomt uit een verkeerd begrip, zo zal ik zeer veel van hem verdragen en door mijn houding tot het laatste toe trachten hem duidelijk te maken, dat hij ongelijk heeft. Slechts indien zelfbehoud mij tot handelen dwingt, zal ik dit doen. Hierbij ging het om de verhouding tussen mijn leven en dat van mijn naaste. In alle gevallen zal ik het welzijn van mijn naaste stellen boven alle bezit, boven alle dode dingen. Verder dien ik te beseffen, dat de mens meer rechten op mij heeft en meer feitelijk mijn naaste is, dan een dier ooit kan zijn. Wanneer ik de keuze heb uit het water mijn lievelingshond te redden, maar hierdoor het leven van een naaste – mens – in gevaar zou komen- of teloor gaan, dan dien ik de hond op te offeren en de mens te redden, hoe zeer mij dit ook smarten zal.

Bovenal dient men in de naastenliefde te beseffen, dat niemand verplicht is met zoetsappige onderworpenheid zijn naasten tegemoet te treden. Naasten zijn gelijken. Zoals broeders en zusters elkaar de haren soms uittrekken en toch één zijn in hun familietrots en onderlinge liefde, zo mogen wij ook rustig hen de waarheid zeggen en eens toeslaan. Juist wanneer je de naastenliefde tracht te beoefenen, zul je het recht hebben als een werkelijk mens in het volle leven te staan. Wanneer u overgaat, zult u ontdekken, dat u ook in de sferen het recht hebt, zelfs al bent u eerst zo-even overgegaan, als een rechthebbende geest in volle waarde en waardigheid te midden van uw medegeesten te staan. U hebt volledig het recht uw mening te zeggen, wanneer het noodzakelijk is. Dit te doen, wanneer het geen nut heeft en anderen kan krenken, is niet alleen het tegendeel van naastenliefde, maar zelfs dwaasheid. U hebt alle recht om voor uw eigen belangen op te komen, zolang u de rechten en belangen van anderen daardoor niet schaadt. U hebt recht het leven bepaalde eisen te stellen. Maar u hebt niet het recht deze eisen te verwerkelijken zonder daarbij ook de belangen van anderen te achten.

Kortom: naastenliefde betekent niet, dat alle mensen als koerende duiven in paren op de levensboom gehurkt dienen te zitten onder een voortdurend geroekoe. Dit heeft even weinig met werkelijke naastenliefde te maken als het paartje, dat bij volle maan in het park op een bankje zit. Wel betekent het: altijd rechtvaardig zijn t.o. anderen. Altijd de zwakken helpen beschermen. Altijd met geheel je wezen, tijd en bezit klaar te staan om anderen te helpen, wanneer dit noodzakelijk is. Naastenliefde betekent: altijd en zonder aarzeling je bezit delen met hen, die daaraan werkelijk – maar dan ook werkelijk – behoefte hebben. In het begrip naastenliefde ligt verder opgesloten, dat je liever 100 maal faalt door té goed te zijn en je medemensen teveel te vertrouwen, dan door wantrouwen eenmaal een medemens niet te helpen, wanneer deze daaraan behoefte heeft. Naastenliefde betekent, dat het beter is te goed van vertrouwen te zijn en daarvan steeds weer het slachtoffer te worden, dan zonder vertrouwen te leven.

Leven in naastenliefde betekent, dat je een eenheid beseft tussen eigen wezen en allen, die rond je zijn. Later zal u blijken, dat naastenliefde nog verder gaat. Op den duur zal de beleving van de naastenliefde zó ver gaan, dat alle lijden in de kosmos tevens het uwe is, maar dat u tevens deel hebt in alle vreugden. Uiteindelijk zal de naastenliefde zover gaan, dat u bewust één zult willen zijn met hen, die lijden en hun lijden voor hen zult willen dragen. Dan zal je alle vreugden en rechten terzijde willen stellen, wanneer je een enkel mens daarmede ook maar iets zou kunnen helpen. Dit laatste gaat verder dan voor mensen mogelijk is, verder dan de doorsnee geest in vele sferen kan gaan. Onthoudt voor het heden: naastenliefde betekent een ander erkennen als je gelijke, hem gelijke rechten toe te kennen, beseffende, dat je t.o. anderen steeds weer plichten hebt. Besef, dat geen enkel verschil van mening of zelfs vijandschap u ooit zal mogen beletten t.o. een mens, mens te zijn en hen, die behoefte hebben aan uw hulp, te zeggen: “Broeder, wij zijn uit één vader geboren. Ik sta naast u.”

Hiermede ben ik aan het einde van mijn betoog en rest mij alleen nog de opmerking: vroomheid en zoetsappigheid zijn geen ware naastenliefde. Een te groot respect voor anderen kan ook nooit uit ware naastenliefde voortkomen. Een besef van gelijkheid, innerlijke gelijkheid, is de basis van het begrip: mijn naaste. Respect voor uiterlijke vormen moet je hebben, maar dat mag er nooit toe voeren, dat je een ander laat lijden, of te kort doet, “omdat het zo hoort”. Zeker is het geen naastenliefde, wanneer wij al die andere domoren eens gaan bekeren, tot zij onze wijsheid aanvaarden. Vergeet nooit, dat er een zeer groot verschil – zo niet een tegen- stelling – bestaat tussen naastenliefde en het anderen opdringen van je geloof, je meningen, etc. Naastenliefde betekent: dienen, maar dan ook alleen, waar dit werkelijk noodzakelijk is. Zorg steeds goed voor jezelf en tracht dezelfde zorg te hebben voor het welzijn van allen, waar je mee in contact komt.