Geestelijke voertuigen en krachten

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Inzicht 2’ (hoofdstuk 8) – mei 1964

Zoals wij een vorige maal hebben getracht te begrijpen, heeft de mens van uit zijn geestelijke voertuigen een zekere invloed op zijn stoffelijk leven en bestaat er ook omgekeerd wel degelijk een inwerking. De indeling en opbouw van de menselijke psyche maakt het haast noodzakelijk dat er sprake is van een voortdurend verkeer tussen verschillende sferen; dus een uitwisseling van krachten, van ideeën, van impulsen. Wij zullen in deze les trachten na te gaan wat bepaalde geestelijke voertuigen te maken hebben met het gedrag van de mens en hoe gelijktijdig die voertuigen aansprakelijk kunnen zijn voor situaties, die op aarde ontstaan. Ik kies daarvoor zoveel mogelijk regels en zal alleen daar, waar dit noodzakelijk is, trachten met voorbeelden een toelichting te geven. Dan mag worden gesteld:

  1. Elk geestelijk voertuig is en blijft deel van de persoonlijkheid en kan zich van geen enkel ander deel geheel onafhankelijk bewegen, gevoelen of handelen.
  2. Gezien de verbinding, die er tussen alle voertuigen bestaat, zal niet slechts elke actie in een bepaalde sfeer of op een bepaald vlak invloed hebben op het geheel van de persoonlijkheid, maar zullen tevens alle veranderingen in omstandigheden, die in een bepaalde sfeer optreden, hun weerkaatsing vinden via alle voertuigen in het totale “ik”.
  3. Daar de levenskracht voor alle voertuigen in wezen gelijk is en binnen het “ik” een transformatie van deze kracht van het ene vlak naar het andere voortdurend mogelijk blijft, zullen veranderingen van situatie in een bepaalde sfeer eveneens betekenen, dat de eigen vitaliteit van de totale persoonlijkheid anders wordt gericht en op sommige punten sterker, op andere punten minder sterk tot uiting zal komen.
  4. Elke kracht, die optreedt in één der sferen en wier werkingen een zekere verwantschap vertonen met datgene wat in een lager voertuig kan bestaan, veroorzaakt via het bepaalde voertuig, behorend tot de sfeer waarin de kracht werkzaam is, in de persoonlijkheid een verandering, die daadwerkelijk tot uiting zal komen vooral daar, waar in één der voertuigen de beweegredenen, krachten, activiteiten of andere werkingen van de optredende kracht, een grote harmonie of een weerkaatsing kunnen vinden.

Met die paar eenvoudige regels hebben wij zeer veel gesteld omtrent het innerlijk bestaan van de mens; en met inachtneming hiervan kunnen wij ook een beter inzicht krijgen in veel wat zich op geestelijk en ook op stoffelijk terrein rond ons afspeelt.

Indien immers een kosmische kracht inwerkt op een sfeer, die ver boven het eigen bewustzijn van de mens ligt en niet onmiddellijk de materie bereikt, zo zal de inwerking van deze kracht binnen het ego tot uiting komen en zal de mens in feite – bewust of onbewust – in zijn stoffelijke wereld de representant worden van datgene wat in een zeer hoge sfeer plaats vond.

Wij kunnen ons dat zelden goed realiseren, omdat wij nu eenmaal dergelijke impulsen over het algemeen wegredeneren, rationaliseren of op een andere wijze proberen te ontgaan; zeker wanneer wij in een stoffelijke wereld leven, maar vaak ook in een lagere sfeer. Wij kunnen niet ontsnappen. Wij kunnen verdringen, wij kunnen wegpraten, rationaliseren, maar elke kracht van voldoende sterkte – ongeacht de sfeer waarin deze optreedt – zal indien een van onze voertuigen daardoor wordt beroerd, het geheel van ons wezen tot een reactie dwingen,

Wanneer nu een dergelijke invloed in wezen strijdig is met bv. de voorstellingen die men kent in een stoffelijke wereld, dan zal er een impuls ontstaan die strijdig is met het eigen “ik”. Er ontstaat een grote innerlijke verdeeldheid. Er komen totaal verkeerde opvattingen uit voort. En toch kan men zich niet geheel ontdoen van deze neigingen, deze inspiraties, deze krankzinnige toevallen. Wij mogen dan daaruit een les trekken.

In een tijd waarin vele kosmische krachten optreden, zullen van het totaal der krachten er slechts enkele zijn, die de wereld als geheel onmiddellijk beroeren; maar alle andere krachten zullen inwerken op de mens. De uitwerking vindt plaats in een sfeer, waarin die kracht misschien in haar geheel aanvaardbaar is, maar de consequenties daarvan zullen binnen het “ik” lang niet altijd zo te vertalen zijn, dat ze ook door een stoffelijk bewustzijn als normaal en logisch kan worden ontvangen. Hoe meer deze krachten optreden, des te groter de mogelijkheid tot verwarring in een stoffelijke wereld.

In deze dagen toont die verwarring zich wel allerwegen. Wij zien hoe waarden en waarderingen zich haast ongemerkt, dus voortdurend, wijzigen; hoe eens gekende vaste stellingen en dogma’s verwateren tot ze hun feitelijke betekenis verliezen. In het gedragspatroon van zeer vele mensen zien wij ook varianten ontstaan, die niet alleen maar kunnen worden verklaard door de wereld, de inwerkingen van een maatschappij of een levensconditie. Zij hebben ergens van uit menselijk standpunt een irrationeel element. Wij weten nu echter aan de hand van het voorgaande dat hier dus wel degelijk een reden voor bestaat en dat de reactie als totaal redelijk mag worden genoemd.

Keren wij nu terug naar het eigen wezen, dan zullen wij verder tot de ontdekking moeten komen dat inwerkingen op een bepaald voertuig voor ons lang niet altijd een bewuste beleving betekenen en dat ze lang niet altijd een impuls kunnen inhouden, die in de materie bv. niet is te verwerken. Ik wil trachten hier enkele voorbeelden te geven om iets duidelijker kenbaar te maken wat ik bedoel.

Een invloed treedt op in het gebied dat u Zomerland noemt. Dan houdt dit in, dat deze kracht vorm geeft; dat deze kracht de aanwezige gedachten en beelden (gedachten beelden?) iets wijzigt, maar niet vernietigt. Er blijft dus een voorstelling bestaan, die voor de mens – zij het misschien als een ideaal – aanvaardbaar blijft. Hij zal hierop reageren en zijn handelen wordt van uit stoffelijk standpunt meer idealistisch. Hij begrijpt zelf misschien niet hoe hij ineens tot deze verandering van instelling, dit grotere idealisme komt, maar hij verwerkt het; het is aanvaardbaar en begrijpelijk.

Nu stel ik, dat er een kracht optreedt in één van de sferen, die wij met kleur kunnen aanduiden. In deze trilling bestaat geen gevormde voorstelling. Het gehele Al wordt uitgedrukt in een verhouding. De verhouding tussen het “ik” en het andere. Elk resultaat dat wordt waargenomen, is niet meer als een vorm te omschrijven, maar eerder als een timbre dat ontstaat door de vermenging van twee kleuren. Een soort tint. Een tint, die dus als wezenlijke waarde in die sfeer betekenis heeft en ook bruikbaar is, zoals een voorwerp op aarde dat zou zijn. Er is dus geen voorstelling. Nu komt deze kracht en zij verandert de totale uiting in dit kleurniveau, zodat – laat ons zeggen – een oorspronkelijke tint blauw praktisch groen wordt. Dan treedt er dus een geloofs– of aanvaardingselement in de plaats van het bewuste, het logische reageren en denken.

Hoe moet de mens op aarde dit verwerken? Hij kan het niet. Zijn gehele wezen is gebouwd op logica, op verstandelijkheid, op wetenschap en hij wordt geconfronteerd met een geloofswaarde. Er is in hem een drang dit geloof tot uiting te brengen, maar gelijktijdig voelt hij zich gefrustreerd omdat dit geloof voor hem verstandelijk niet aanvaardbaar is. Het resultaat is in vele gevallen een compromis, waardoor wij ofwel komen tot een bijna dictatoriaal optreden, waarbij eigen waarden en waarderingen zonder meer primair worden gesteld en het wetenschappelijk bewijs wordt gefingeerd, dan wel in een situatie geraken, waarin wij trachten zoveel mogelijk van het als geloof aangevoelde te bewijzen en de rest proberen van ons af te zetten, zonder daartoe in staat te zijn.

In beide gevallen zal hierdoor de verhouding tot de wereld een andere worden en niet altijd een betere. In het eerste geval nl. tracht men zijn eigen persoonlijkheid voortdurend aan allen op te leggen; gebrek aan respect voor de naaste en in feite ook – ongeacht alle verklaringen van het tegendeel – een gebrek aan naastenliefde. Disharmonie is het gevolg. In het tweede geval een innerlijke onzekerheid, waardoor men enerzijds zijn normaal logisch denken niet verder kan voortzetten, anderzijds niet alleen eigen geloof, maar elke geloofswaarde die men ontmoet zal trachten aan te tasten. Men wil komen tot het verstandelijk bewijs. In deze strijd vervreemdt men zich over het algemeen van dat wat men heeft bereikt, zowel als van datgene wat men eigenlijk zou willen geloven. Vereenzaming is één van de vele resultaten.

Uit deze twee voorbeelden kan duidelijk worden op welke wijze een kracht dus het stoffelijk gedrag kan wijzigen en verder hoe dit stoffelijk gedrag niet in overeenstemming behoeft te zijn met de oorspronkelijke kracht of intentie van het wezen, dat ons in een bepaalde sfeer heeft benaderd.

Nu gaan wij dit weer terugbrengen tot deze tijd. Van uit de gebondenheid, die een lange tijd werd bevorderd (het vinden van juiste groep evenwichten en –belangen), is in de laatste twintig jaren geestelijk de nadruk al gedraaid in de richting van een meer individueel besef. Daarbij speelt de klankwereld ongeveer de grootste rol, maar ook in andere werelden komen die elementen steeds sterker naar voren. Er is echter geen mogelijkheid tot individualisme, indien men zich gelijktijdig krachtens vorige ontwikkelingen heeft gebonden aan groeps dogmatisme.

Het resultaat is enerzijds een veel grotere neiging tot ketterijen, anderzijds ook de neiging om die ketterijen steeds sterker te onderdrukken. Want degene, die uit de impuls van individualisme voor zichzelf alleen maar een versterking vindt van een bepaalde gedachtegang of van een bepaald geloof, zal zich steeds sterker verweren tegen een ieder die die waarde aantast. Het is logisch, dat een dergelijke inwerking moet leiden tot een steeds meer dictatoriaal of op zijn minst genomen paternalistisch optreden van een ieder die die zekerheid bezit en ook maar enig gezag kan bekleden. Op uw wereld is dit al enige tijd een feit.

Nu stellen wij daarbij verder, dat in de laatste 2 à 3 jaren de invloed van het individualisme gepaard ging met een behoefte tot verzinking (innerlijk contact), omdat – en wel in een van de hoogste sferen – er een lichtkracht optrad, die praktisch alle kleuren in zich bevatte. De mens kreeg de neiging om een grotere eenheid te zoeken, maar kon die met zijn wereld niet vinden. Hij kon dit begrip “eenheid” ook niet verdedigen; hij kon het niet goed begrijpen. Wij zien dus strijdige handelingen ontstaan, waarbij enerzijds het “ik” voortdurend zoekt naar grotere eenheid en harmonie met anderen en anderzijds voor zich voortdurend de individuele uiting beslissend stelt. Dit geeft in uw wereld aanleiding tot steeds verdergaande conflicten van allerhande aard. Want ieder denkt aan zijn persoonlijk belang en wil dit volledig gediend zien door de massa of door de groep, waartoe hij behoort.

Wanneer wij nog even kijken naar wat er op het ogenblik optreedt, dan zien wij wat het best een groeiende kracht van levensenergie mag worden genoemd. Deze levensenergie ligt gelijktijdig op twee niveaus.

Enerzijds is het een zeer sterke en grote kracht, die ons benadert op het terrein van het witte Licht, anderzijds werkt deze kracht op een bijna astraal vlak en beroerd dus onmiddellijk de gedachtewereld en zelfs de materie. De inwerking van deze zelfde kracht, die op twee niveaus optreedt, is echter voor de mens alsof er twee verschillende en misschien zelfs strijdige krachten zouden optreden. Het hoogste element in ons wezen zal over het algemeen levenskracht omzetten in streven; dus een behoefte tot grotere gerichtheid, snellere vooruitgang, betere en snellere beslissingen. Datgene, wat op astraal vlak komt, is levensenergie. Maar die levensenergie kan niet worden gebruikt om dat innerlijke waar te maken; althans niet in de vormen, waarin men leeft en streeft. Resultaat: er ontstaat een energie die gepaard gaat met onrust. Onrust, die op zichzelf weer bepaalde uitputtingen tot stand kan brengen, zodat men enerzijds ongewoon actief is, anderzijds voortdurend klachten heeft over vermoeidheid of lusteloosheid; in feite is dit ongedurigheid. Dit zijn de situaties die op het ogenblik reëel bestaan.

Hoe kunnen wij daarvoor een oplossing vinden? In welk verband kunnen wij misschien een persoonlijk gericht zijn vinden dat de grote nadelen omzeilt? Dit moeten wij weer in punten formuleren en dan zeggen wij:

  1. Al datgene wat in mijn wezen wordt ontvangen aan kracht en alle wisselwerkingen met sferen, die in mijn wezen bestaan, zullen voor mij tot uiting moeten komen op dat vlak, waarop ik bewust ben; in casu de stoffelijke, de menselijke wereld voor u.
  2. Daar het enige bewuste gebruik van krachten mogelijk is in die wereld waarin ik bewust ben, zal ik moeten trachten alle werkingen en krachten in mijn eigen wereld uit te drukken, mij daarbij bewust distantiërende van alle inwerkingen waarover nog geen bewuste beheersing mogelijk is.
  3. De krachten, die ik bewust ban uit mijn levenspatroon – voor zover dit door mijn bewustzijn wordt bepaald – treden in mijn bestaan op als toevalsfactoren en zullen in deze zin door mij kunnen worden verwerkt, daar zij dit als innerlijk erkende krachten niet zouden zijn.

Alweer punten, die op zichzelf eenvoudig zijn, maar waaraan voor u enige vragen verbonden blijven.

Ik kan een kracht buiten mij stellen door haar niet in mijn berekeningen, mijn plannen, mijn bewustzijn te betrekken.

Vergelijk: u hebt hoofdpijn. U kunt trachten die hoofdpijn te genezen. U kunt er aandacht aan geven. Maar als uw bezigheden te belangrijk en te druk zijn, kunt u trachten uw hoofdpijn tijdelijk te vergeten. Het eigenaardige is dan, dat ze soms verdwijnt en dat ze in andere gevallen sterker tot uiting komende ons dwingt tot ingrijpen.

Op een soortgelijke wijze kunnen wij dus invloeden in ons eigen wezen, waarmee wij geen raad weten, eenvoudig terzijde stellen en wij laten dan aan het toeval over of voor ons bewustzijn nog actieve waarden zullen zijn of niet.

Het maakt voor ons een zeer groot verschil uit. Want nu kunnen wij de krachten die in ons bewustzijn leven wel harmonisch en volledig tot uiting brengen. Wij vermijden hiermee dus niet de inwerking in ons ego, maar wij vermijden de disharmonie in ons bewustzijn. Vele mensen zijn daartoe op het ogenblik niet in staat.

Wanneer u de wereld in de komende maanden en zelfs jaren beschouwt, zo zult u steeds worden getroffen door de grote kloof, die er gaapt tussen de plannen die men maakt en de verwerkelijking mogelijkheden die er zijn.

U zult zich steeds weer verbazen over het eenvoudig niet beseffen van moeilijkheden en ook over het over– of onderschatten van moeilijkheden.

Indien u het voorgaande daarbij echter in het geding brengt, zal u duidelijk worden waarom dit plaatsvindt. Deze mensen zijn disharmonisch. Zij willen alle factoren (dus hun innerlijke krachten, hun intuïties, hun emotionele veranderingen plus hun verstand en hun dagelijks leven) binnen één geheel samenvatten en vinden steeds weer factoren, waarmee ze niet in het reine komen. Zij projecteren dit dan door een onwerkelijke wereld op te bouwen (waarover wij reeds meer hebben gesproken), die in zich wel degelijk logica en samenhang heeft en die als enige fout vertoont: een volkomen gebrek aan synchronisatie met de werkelijke mogelijkheden.

Het resultaat is: een voortdurend ineenstorten van op zichzelf zeer goede en belangrijke plannen. Het is het ineenstorten van dingen, die je in eigen leven of in het leven van velen een grote belangrijkheid en kracht had toegedacht. Overschatting en onderschatting van deze dingen treden op door disharmonie. Wanneer dit op aarde in grotere omvang gebeurt, dan zien wij als gevolg daarvan revoluties, die in feite datgene bestrijden wat zij trachten te bereiken. Wij zien oorlog voortkomen uit de ernstig gemeende behoefte naar vrede; of zien per ongeluk vrede ontstaan, daar waar een feitelijk oorlogsdrijven op de achtergrond ligt. Er is a.h.w. een omkering van de gewenste gevolgen.

Degenen die zo leven, staan in een volledig vijandige wereld en zullen meer en meer elke mens, elke kracht, elke toestand zien als iets wat agressief moet worden benaderd. Agressie op zichzelf echter is een ingrijpen, dat wij voor onszelf niet kunnen verantwoorden. Dat gebeurt maar zeer zelden. De consequentie: ze gaan ten onder aan hun strijd en aan zichzelf. Voorbeelden daarvan zijn er ook in het verleden geweest.

Nu zullen wij natuurlijk niet altijd verscheidene invloeden in de geestelijke voertuigen kunnen waarnemen. Het kan zijn dat er één invloed is die alles domineert. In zo’n geval krijgen wij een emotionele aanpassing aan mogelijkheden. Zodra er meer optreden, begint dus het gevaar.

Dan kan er omtrent deze tijd worden gesteld:

Ten eerste: Gezien het in steeds grotere frequentie en in tijd steeds dichter opeenvolgend optreden van krachten van zeer verschillend niveau en trillingsgetal, zullen verwarringen als vooromschreven in toenemende mate mogelijk worden.

Ten tweede: Deze krachten op zichzelf behoeven niet disharmonisch te zijn; het totaal opbouwend patroon, zoals het zich in de kosmos vormt, kan perfect zijn. Dit verhindert niet dat de mens dit als chaos of verwarring zal aanvoelen.

En dan moeten we daaraan onmiddellijk toevoegen: om deze verwarringen althans zoveel mogelijk te begrijpen en enig inzicht te verwerven in al datgene wat hiermee verband houdt, moeten wij voor onszelf een zo eenvoudig mogelijke formulering vinden, waarin deze invloeden en hun inwerkingen voor ons begrijpelijk zijn voorgesteld. De juistheid van dit laatste is niet zo belangrijk als de begrijpelijkheid, mits geen aperte onjuistheid in de stelling is opgenomen.

Daarom zullen wij trachten de verschillende sferen t.o.v. elkaar als geleider van invloeden kort te definiëren, daarbij uitgaande van de in deze Orde gebruikelijke onderscheidingen.

  • Elke invloed, die op de materie inwerkt, zal niet slechts het leven in de materie maar alle materie betreffen en daarom een zo totale wijziging tot stand brengen, dat deze voor het bewustzijn praktisch niet kenbaar is, omdat een gelijk verschil gelijktijdig overal optreedt. Wij behoeven hieruit dus geen verdere lering te trekken, behalve die ene: er zijn tijden, waarin invloeden van buitenaf ons mogelijkheden geven, die anders niet bestaan. Dientengevolge moeten wij voor onszelf besluiten de ons gegeven mogelijkheden volgens eigen begrip en verantwoordelijkheid zo volledig mogelijk te exploiteren en rendabel te maken.
  • Dan krijgen wij de astrale sfeer. Invloeden die de astrale sfeer beroeren, hebben de eigenschap dat zij aan de vele daarin bestaande vormen (veelal door menselijk denken geschapen godsvoorstellingen, gedachte projecties etc.) een nieuw element toevoegen. Dit wil zeggen dat tien goden, die voor de mensen kenbaar zijn, zich alle tien gelijktijdig maar volgens eigen karakter gaan openbaren. De strijdigheden die door het menselijk denken in hun karakter is gelegd, zal in de uiting van de kracht eveneens tot stand komen.
    Elke mens die astraal gebonden is met een dergelijke god, ondergaat het totaal van die invloed als een openbaring, een aantal onverwachte gebeurtenissen of mirakelen, kortom een bevestiging van zijn geloof. Dit is in feite niet waar, want de voorstelling of verklaring op zichzelf is niet belangrijk, slechts de uiting. Binnen de mens zal deze uiting vooral bestaan in:
    a.Dromen, die vaak een enigszins voorspellend karakter hebben. Daarnaast echter ook angstige dromen of angsten, die de strijdigheden met de werkzame kracht binnen de mens meer kenbaar maken.
    b.Kracht, bewustzijn, verstandelijke reacties in overeenstemming met de kracht, die astraal optreedt. Alle voorstellingen blijven praktisch materieel en zijn aan vorm en vorm voorstelling gebonden. Abstracties komen hieronder weinig of niet voor.
  1. Dan gaan wij eens zien wanneer de sfeer van levenskracht wordt beroerd. De levenskracht op zichzelf beïnvloedt de organische samenhangen en het stoffelijk welbevinden van de mens, evenzeer als de sterkte van de banden met zijn hogere voertuigen, die hij innerlijk kan ervaren. Waar dus de sfeer van de levenskracht en het daarbij behorende voertuig in feite een brug vormt tussen het hoger “ik” en het stoffelijk gemanifesteerde “ik”, zullen alle inwerkingen op dit terrein enerzijds gepaard gaan met organische veranderingen – zij het zeer gering – die zich openbaren in groter welbehagen, maar ook vaak in grotere kwetsbaarheid op een bepaald gebied, een verscherping of verzwakking van zenuw reacties e.d. Daarnaast zal onder dezelfde invloed een aantal impulsen of intuïties ontstaan, die – enigszins buiten de norm liggend – de mens over het algemeen helpen om zijn hogere voertuigen en hun intenties in de materie juist te uiten. Die uiting kan op aarde positief zowel als negatief geschieden (dus door een bevestiging zowel als door een ontkenning); de impuls zelf blijft gelijk.
  2. Dan gaan wij naar wat ik zou willen noemen: de verstandelijke sfeer of wereld. De Zomerlandsfeer dus, waarin de voorstelling en de beelden van het hoogste belang zijn.
    Elke kracht of invloed die hier optreedt, verandert in de eerste plaats beelden en voorstellingen. Dat wil zeggen, dat ook in het menselijk denken de sequentie van mentale reacties ofwel de samenhang van de beelden in zijn denken een andere wordt. Er ontstaat een door het “ik” vaak niet geheel besefte verandering in denkwijze, welke op haar beurt weer bij de normale redelijke reacties lichte wijzigingen tot stand brengt. Voor de mens betekent een invloed op dit terrein een afwijking van het normale, die hij voor zichzelf niet kan verklaren. Bij deze afwijking spelen dan heel vaak instinctieve waarden weer een grote rol, omdat hij bij gebrek aan een voldoende verstandelijke gelijkheid onbewust teruggrijpt naar deze instinctieve, emotionele reacties.
    Indien men van deze kracht gebruik wil maken, dan zal men dus in de eerste plaats moeten erkennen waar de verandering ligt. Wie zichzelf kent en een redelijk beeld van zichzelf heeft, zal inderdaad dergelijke afwijkingen zeer snel kunnen constateren en zal – gezien de gerichtheid van de afwijking – ook begrijpen op welke wijze hij de krachten voor zich op de meest juiste manier praktisch kan gebruiken.
  1. Gaan wij iets hoger, dan komen wij in de sferen die praktisch vormloos zijn. Sferen, die door de Orde over het algemeen als geluid of als een lage, zuivere trillingswereld worden aangeduid. In deze sferen zal een optredende invloed in de eerste plaats een verandering van timbre ten gevolge hebben. Het is alsof men eenzelfde noot het ene ogenblik hoort klinken uit hout, het volgende ogenblik uit koper. Het zal u duidelijk zijn dat deze verandering van timbre, waarbij de gehele persoonlijkheid verder gelijk blijft, een onverwachte emotionele wijziging gaat betekenen. Het is voor de mens, of de normale redeneringen, zijn daden, belevingen, geloof en zijn instelling een andere achtergrond hebben gekregen. In feite is dit niet waar. Dit begrip van verandering kan hem soms met onrust vervullen. De reactie zal dan negatief zijn. Aanvaardt hij deze omstelling en tracht hij daarin wederom het beste te bereiken, zo zal hij ontdekken dat hij geestelijk gesterkt over een veel juister aanvoelingsvermogen beschikt, waarbij zijn niet verstandelijk maar gevoelsmatig beoordelen van de wereld hem scherper inzicht en mogelijkheden verschaft en daarmede ook een juister gerichtheid van eigen bestreving.
  2. Komen wij daarboven, dan vinden wij de middelhoge frequenties of trillingen; een terrein dat weleens als klank en kleur werd omschreven. Deze wereld omvat dus zowel een hogere trilling als een invloed op het lagere. Wij zouden kunnen zeggen, dat ofschoon de bronnen hier redelijk hoog zijn en goddelijke en kosmische persoonlijkheden (b.v. een zonnegeest) zich daarin voor de mens kenbaar kunnen uitdrukken, toch het “ik” deze zaak over het algemeen omzet wederom als emotie. Maar nu een emotie die los staat van eigen persoonlijkheid en dus a.h.w. in de wereld wordt gevoeld. Het is een sfeer, die je buiten jezelf gevoeld. Het zal duidelijk zijn dat iemand die hierop niet reageert, daarin verder geen mogelijkheden heeft. Ontvangt men die invloed echter en kan men die sfeer in de wereld zien als iets waaraan eigen gedrag moet worden aangepast, dan zal men automatisch die kracht voor zichzelf actief maken. En terwijl men meent te beantwoorden aan de wereld, wordt men in feite een stuwende kracht, die in eigen wereld maar ook binnen het eigen “ik” de ontvangen impulsen op elk niveau waar maakt.
  3. Ten laatste wil ik nog noemen de zuivere lichtwerelden, waarin de impuls de gehele persoonlijkheid beroert als een verandering van betekenis. Een betekenis, die in dit geval ook redelijk bestaat. Van uit zuiver menselijk denken is het alsof men plotseling ongekende gezichtspunten ziet; of al het bekende plotseling nieuwe zijden toont. Indien dit het geval is, dan moet men wel begrijpen dat het niet een verandering buiten het “ik” is, maar een invloed in het “ik”. Wij zien méér. Het bewustzijn wordt in zekere mate vierdimensionaal en kan dus reageren op innerlijke en uiterlijke mogelijkheden in alle mensen en in alle materie.

Het zal duidelijk zijn dat ik hiermede onvolledig ben. Maar een volledige behandeling van elk van deze sferen voert ons te ver van uw eigen materiële werkelijkheid af en zou een eenvoudig inzicht eerder onmogelijk maken, dan versterken.

Stel nu, dat verschillende van deze krachten gelijktijdig optreden. Dan zullen wij aan de hand van het voorgaande vaststellen dat een groot aantal van deze krachten ons juist van uit bepaalde hogere werelden een composiet vormen, die als eenheid kan worden gezien. Wij zullen nl. in onszelf gevoelens, emoties of intuïties ontdekken, die een zekere overeenstemming hebben en elkaar aanvullen. Wat wij nog niet beseffen is, dat de mogelijkheden van de verschillende manifestaties, van wat volgens ons hetzelfde is, anders zijn.

Wie tracht met de inzet van de kracht van zijn gedachten en daden het aangevoelde waar te maken, zal in de meeste gevallen zelf ontdekken in hoeverre hij hierbij de norm van zijn prestatie kan overschrijden. Dit erkennende zal men zijn eigen bestreving richten op die punten, waarin de grootste mogelijkheid ligt.

Een gevaar hierbij zou kunnen zijn dat men juist – omdat dingen die anders niet zo vlot gaan, maar nu wel wat vlotter verlopen – aan deze tekortkomingen, hetzij in eigen leven, hetzij in de wereld, meer dan normale aandacht besteedt. Het zal u duidelijk zijn dat u daarmee het minst bereikt en dat het voor ons allen noodzakelijk is om bij deze krachten een zekere harmonie met onszelf te vinden en ons te richten naar datgene waarmee wij het meest bereiken.

Komen er echter bepaalde lagere elementen (zoals uit de mentale wereld, de levenswereld of de astrale wereld) in het geding of zelfs beïnvloedingen van de materie, dan kunnen zich voor ons strijdige beelden en stromingen ontwikkelen.

Wanneer wij enerzijds horen van vernieuwing en aan de andere kant een toenemend conservatisme moeten vaststellen, dan kunnen wij daartussen vaak geen overeenstemming vinden. Daarom moeten wij in dit geval trachten in onszelf te keren. Wanneer wij onszelf nl. beter trachten te begrijpen, dan zullen die elementen, die voorstellingen, ons niet dwingen tot een dogmatisch optreden naar buiten toe, maar ons inzicht geven in de persoonlijke formulering van het leven. Juist bij deze lagere invloeden en krachten acht ik het – wanneer ze gemengd optreden – van groot belang dat men nagaat wat men innerlijk is, denkt en verwacht en daarbij niet zijn hoop, maar eerder zijn begrip van de feiten laat spreken. Dan zal blijken dat er een zekerheid overblijft. Handelend in deze zekerheid kan men alle krachten, gelegen in deze inwerkingen der verschillende voertuigen, goed, juist en zonder persoonlijke verdeeldheid tot uiting brengen.

Alle krachten hebben één bron. Dat wil zeggen, dat het volmaakte bewustzijn alle krachten en invloeden – ongeacht van welke sfeer afkomstig – kan herleiden tot de ene goddelijke Kracht en daardoor de goddelijke Kracht in zichzelf sterker kan beleven.

Helaas beschikken wij maar zelden over deze ogenblikken van innerlijke volledigheid. Daarom moeten wij met begrip voor onze opbouw, de structuur van ons wezen en denken trachten een zo algemeen mogelijke benadering te vinden. Dit geldt voor de problemen van het leven en voor ons persoonlijk beleven. Het geldt voor onze verplichtingen, voor onze vreugden en voor ons leed. Hoe meer onze benadering een algemene is, waarbij onze persoonlijke uiting belangrijk is, maar er aan de wereld geen definitie of eisen worden gesteld, hoe wij de goddelijke Kracht benaderen en hoe minder wij dus kunnen worden gekweld door deze eigenaardige dissonanten, die kunnen voortkomen uit gelijk strevende krachten in verschillende sferen, die door ons volledig anders worden geïnterpreteerd.

Ik geloof dat ook hier wederom een formulering in enkele regels de meest eenvoudige zal zijn en stel daarom:

  1. Wat in mij leeft, is belangrijk voor mij. Wat ik in mij voel als de meest juiste en positieve uiting, is een noodzaak voor mij. Zodra ik dit echter bind aan vaste condities in de buitenwereld, maak ik mijzelf een volledige, juiste beleving onmogelijk en zal ik mijn eigen uitingsmogelijkheden zeer beperken.
  2. Wanneer ik het totaal van de wereld buiten mij beschouw als gelijkwaardig en in mijn uiting binnen die wereld niet afga op mijn waarderingen van de buitenwereld, maar slechts op de aangevoelde mogelijkheden van gelijk trillend zijn (harmonie) of de gevaren van niet gelijk trillend zijn (disharmonie), zo zal ik door deze oriëntatie automatisch uit de belevingsmogelijkheden datgene selecteren, waarin ik mijzelf zo volledig mogelijk verwezenlijk en gelijktijdig bij gebrek aan omschrijving a.h.w. God kan ontmoeten in het totaal van dat wat rond mij is.
  3. Daar mijn leven een groot aantal persoonlijke elementen kent, die ik niet kan ontwijken, al zou ik dat willen, zal ik moeten trachten deze elementen zozeer één te maken met mijn persoonlijkheid en zozeer te beschouwen als een werkelijk deel van mijn bestaan, dat ik in mijn benadering van de wereld geen onderscheid meer maak tussen mijzelf en deze delen, die ik als deel van het “ik” heb aangenomen. Ik zal dit ook moeten doen, wanneer ik niet het werkelijke wezen, maar slechts mijn interpretatie daarvan op deze wijze gebruik. Het is belangrijk dat ik steeds één centrum vorm. Een centrum dat zo beperkt blijft, dat het door mij kan worden beleefd en van waaruit ik de gehele wereld als volkomen gelijkwaardig benader. Wanneer ik mij beroep op krachten, zo kan ik dit nimmer doen op de kosmische krachten zonder meer. Alle krachten zullen mij immers slechts in zoverre beroeren, beïnvloeden of door mij werkzaam kunnen zijn, als mijn “ik” daarmede harmonisch is. Ik kan deze harmonie, zeker voor vele hogere sferen, niet voldoende bepalen. Daarom zal ik elk beroep doen op mijn kern (mijn ziel) en op de eeuwige Kracht die ik als bron daarvan beschouw of op de voorstelling, die ik met het bestaan daarvan verknoop.
  4. Omdat bij het optreden van vele verschillende krachten van zeer verschillend niveau, zoals in deze tijd het geval is, de redelijkheid over het algemeen steeds weer tekortschiet, zullen wij ons een geloof moeten aanmeten dat in ons een grote zekerheid is; dat ons – voor zover het ons persoonlijk reageren, handelen en streven in het leven betreft – een voldoende zelfverzekerdheid geeft en dat voor ons kan dienen als bepalende factor van harmonie. Een factor van harmonie wil zeggen: een deel der harmonische mogelijkheden, waarmee ik mijzelf voldoende één gevoel om al datgene, wat elders in deze harmonische werking bestaat, als deel van mijzelf te aanvaarden en gelijktijdig mijzelf in elk ander deel van die harmonie volledig en zonder voorbehoud te openbaren. Het is dus a.h.w. een wederkerigheid.

Met deze punten hebben we grondregels vastgelegd, die vooral in deze tijd van kracht worden. Hoe het totaal van de reacties op aarde in de toekomst zal zijn, kan niemand u zeggen. Ook wij niet. Onze vermoedens daaromtrent, de waarschijnlijkheden die wij zien, zijn zeker niet voldoende omschreven om daaruit een absoluut zeker beeld van de toekomst te destilleren; het is slechts een waarschijnlijkheid. Wat wij echter omtrent deze kracht stellen, is wel een zekerheid. Wat wij weten omtrent de verschillende golven van kracht, die deze wereld en de door harmonie daaraan gekoppelde sferen beroeren, staat vast. Dan zal het voor uw inzicht in de lopende ontwikkelingen misschien ook goed zijn te weten, dat naast een versnelde werking van oorzaak‑en‑gevolg en wat dies meer zij ook optreden: een versterking van energie, die een grotere gerichtheid vergt.

Wanneer u in deze tijd iets wilt bereiken, zult u uw doel beter, juister en met meer vertrouwen moeten kunnen omschrijven dan gewoonlijk het geval is. Verder zullen deze krachten in uzelf werkzaam kunnen zijn en ten dele zelfs in de materie buiten u eveneens aanwezig, maar zij kunnen nooit gebaseerd zijn op uw verlangens of voorstellingen, voor zover die stoffelijk bestaan.

U zult ontdekken dat vele mensen – juist door het ernstige streven naar iets wat zij begeren, maar dat zij niet als harmonisch met zichzelf kunnen of mogen beschouwen – het tegendeel van het nagestreefde verwezenlijken. Steeds meer zult u zien dat mensen, die ten koste van alles iets willen bereiken en daarbij weten dat het op dit moment niet harmonische mogelijkheden schept, daardoor voor zichzelf toenemende disharmonie scheppen. Voor uzelf kunt u dit vermijden.

Wanneer u die disharmonieën in de wereld ziet optreden, dan is het voor u tevens een les. U kunt alleen reeds aan de hardheid en felheid – ik zou haast zeggen: de egocentrische en egoïstische wijze, waarmee een bepaald doel in de wereld wordt gebracht – berekenen in hoeverre het waarschijnlijk is dat het zijn doel bereikt, dat het wordt verwezenlijkt.

De mislukkingen die u ziet zijn geen resultaat van een ingrijpen van hogerhand, maar gewoon van de disharmonieën die wij hebben besproken,

Het is gelijktijdig voor u een waarschuwing om u verre te houden van al die richtingen – of dit nu is in geloof, in politiek of op enigerlei ander terrein – die zo extreem zijn in hun streven, dat zij met een terzijde stellen van alle andere waarden één doel nastreven; ook wanneer het een Godsrijk is. Deze dingen brengen conflicten met zich, die heel vaak die richtingen en groeperingen vernietigen.

Vrede kan er onder deze omstandigheden alleen zijn, indien de mensen eerst vrede in zichzelf vinden. U zult begrijpen dat mensen, die vrede in zichzelf zoeken door een vorm van zelfverdoving of door een poging om hun eigen problemen te vergeten – meestal eveneens zelfzuchtig werkend – vrede voor zichzelf onmogelijk maken. Vrede kun je alleen in jezelf vinden door eerst de feiten te aanvaarden, door een beroep te doen op alle innerlijke kracht die je erkent en dan – zonder anderen ooit te dwingen of ten aanzien van anderen rechten uit te oefenen – van uit jezelf die vrede waar te maken. Dat is de enige methode om vrede te bereiken.

U zult zien dat de goede bedoelingen overal teniet gaan. U zult zien dat pogingen om de gulden constant te houden teniet gaan. Dat de poging om de welvaart verder te doen stijgen teniet zal gaan. Dat pogingen om de beurskoersen hoog te houden op een gegeven ogenblik, ondanks alle mooie maatregelen, teniet gedaan. Dat statenbonden, ondanks alle mooie plannen en mogelijkheden, in feite uiteenvallen.

Wanneer u dat alles ziet, laat u dan niet door dit wantrouwen, die veroordeling van deze tijd beroeren, die zo fataal kan zijn voor uw harmonie met de wereld. Besef alleen dat de door ons besproken inwerkingen op de wereld van uit de verschillende voertuigen en sferen die conflicten hebben veroorzaakt door een onvolledig erkennen daarvan. En besef tevens, dat u voor uzelf het tegengif kunt leren kennen, wanneer u de consequenties trekt uit deze regels en stellingen.

Ik hoop dat dit onderwerp heeft bijgedragen tot uw vermogen om achter de schermen te kijken van datgene wat er in deze en de komende tijd gaat gebeuren en u daardoor meer vertrouwen en zekerheid zal geven om persoonlijk deel te hebben aan de grote en goede krachten, die er in verborgen zijn.

Heersende krachten

Wanneer u hoort dat een bepaalde invloed op aarde heerst, dan is het vaak moeilijk om u een beeld te maken van de werkelijke bron. Wij kunnen spreken van Heren en Prinsen van Licht, van de grote Tronen en Heerschappijen. Maar zelfs dan blijven deze grote invloeden toch wel ver van de mens. Daarom zou ik in dit onderwerp kort willen trachten hun wezen wat duidelijker te beschrijven en weer te geven waarom en op welke wijze zij hun invloed eigenlijk uitoefenen.

Datgene wat wij ontmoeten als een kracht, is een persoonlijkheid. Die persoonlijkheid is lang niet altijd belichaamd in onze zin van het woord, ofschoon een dergelijke kracht ongetwijfeld kan wonen in een deel van een zonnestelsel, een Melkwegstelsel of misschien zelfs een gehele sterrennevel als haar eigen lichaam beschouwt. De meesten van hen zijn eerder een stuk ruimte. Hun belichaming is een ledig niet, waardoorheen soms sterren kunnen bewegen. Zij zijn een plaats die tijdloos is; en door de begrenzing, die deze plaats bezit t.o.v. de omgeving, is er toch wel sprake van iets dat wij een lichaam mogen noemen.

Hun denken is voor de mens misschien wat vreemd. Want een wezen dat tijdloos is, is volkomen natuurlijk omdat het geen haast heeft. Er is geen enkele motivering tot handelen. Er is alleen nog maar de behoefte om te bestaan. En deze grote krachten bestaan dan ook met eigenlijk weinig respect voor alles wat leeft in tijd, al datgene wat geen ruimtelijke grenzen voor zichzelf volledig beseft als eeuwig waar.

Hun invloed is in vele gevallen een haast onwillekeurige. Wij kunnen ons voorstellen, dat iemand ademhaalt en een vlieg die voorbij komt uit haar baan brengt. In deze ruimte is het een spel van de invloed der omgeving. Van alle kanten komen in dit soms ledige, soms door wat sterren bevolkte ruimte een reeks stralingen. Er komen trage gedachten, die eeuwen vragen om een enkel woord te zeggen. Zo reageert zo’n wezen.

Die gedachten zullen op alles wat daar doorheen gaat een grote invloed hebben en zelfs naar buiten toe voor alles wat in de omgeving is een soort straling zijn, zoals een warmtegolf van een zon bv.. Maar een gedachte kunnen wij moeilijk voorspellen. Want deze gedachten zijn persoonlijke reacties; het is een directe wil.

Er zijn echter functies die vergeleken kunnen worden met de harteklop, de ademhaling van een mens. Het is alsof zij in de ruimte zich langzaam wenden en uitdijen; of zij hun eigen magnetische eigenschappen wijzigen; of het potentieel van de aanwezige energieën in zo’n veld een ogenblik groter of kleiner wordt. En dit zijn dan de vaste ritmen, aan de hand waarvan wij een prognose kunnen stellen voor het optreden van een dergelijke kracht.

In tegenstelling tot wat velen denken, is er dus eigenlijk geen sprake van dat al die stralingen die uw wereld bereiken met een bijzondere intentie worden gegeven. Ze zijn een automatische uitwaseming van een groter bestaan. Degenen, die daarvan gebruik maken zijn zij, die zich bewust zijn van deze krachten en ze kunnen gebruiken, ze kunnen omzetten.

Als een mens ademt, dan kan een plant uit deze adem bepaalde monoxyden, bepaalde bestanddelen opnemen en zal daarmee voor zichzelf iets opbouwen. De kosmische kracht van zo’n grote persoonlijkheid – slechts zelden deel van een bewust proces – wordt door hen die weten verwacht, in het “ik” opgenomen en omgevormd tot een nu wel bewust gerichte kracht. En daarmede zien wij dus het eigenaardige ontstaan dat de eigenlijke bron, de grote kosmische persoonlijkheid zelf geen belangstelling heeft voor datgene wat er met die kracht gebeurt. Het is een natuurlijk verschijnsel, zoals uw ademhaling. U vraagt zich ook niet af, wat er zal gebeuren met hetgeen u uitademt en wat er gebeurt wanneer u inademt. Maar degenen die weten kunnen er gebruik van maken. Zij vormen de kracht om, zoals de mens misschien probeert de kracht van de getijden zodanig te ketenen, dat zij elektrische stroom opwekken, of hem de mogelijkheid geven om zoutpannen te vullen en wat dies meer zij.

Hiermede is de persoonlijkheid misschien enigszins getekend. Maar zelfs wanneer sommige gedachten eeuwen en vele eeuwen kunnen duren, zo kunnen wij ons toch ook voorstellen, dat een gedachte soms een reactie tot stand brengt. Een reactie, waarbij men zich betrekkelijk snel gaat oriënteren. Denkt u zelf maar aan het ogenblik dat u plotseling gevaar ziet en haast instinctief handelt.

Die grote persoonlijkheden kennen geen gevaren zoals wij, maar in de langzame golfslag van hun gedachten, de perioden waarin zij soms duizenden jaren plegen te zwijgen, komt soms iets wat ik het best de “boodschap van machten of van de gemeenschap” kan noemen; want ze zijn onderling met elkaar verbonden. Wanneer die impuls komt, dan kunnen wij dus ook weten, dat die bepaalde kosmische persoonlijkheid, gezien haar eigenschappen, haar vermogens, haar karakter, zal reageren op een vaste wijze. En hier komt dan het grote raadsel van een kosmische invloed, waarop wij eigenlijk niet hebben gerekend en die onverwacht snel of onverwacht uitblijvend ons voor raadselen plaatst. Het is de reactie op een gebeuren in de kosmos.

Nu wil ik proberen een voorstelling op te bouwen, die in wezen slechts een gelijkenis is. Er is in dat grote Niet een deel van het niet‑begrensde. Wij noemen dit een persoonlijkheid. Laten wij deze gestalte geven, als het een mens zou zijn of misschien een wervelstorm. Dit wezen gaat zijn eigen weg. Het heeft zijn eigen plaats. Het is ruimte en het is ruimtelijk bepaald ten opzichte van het middelpunt van het heelal, waarin het bestaat.

Die persoonlijkheid spreekt. En wanneer hij spreekt, heeft hij een stem, zo diep en sonoor dat wij hem niet horen. Eén trilling, een geluidstrilling van zijn stem is misschien een fluctuatie van 10 à 20.000 jaar. En wanneer hij een woord spreekt, dan zendt hij daarmee krachten uit; en sommige sterren vlammen op en andere sterven. De materie die donker is, wordt plotseling tot licht gemaakt. Antimaterie verandert haar geaardheid en verdwijnt of verschijnt. Op deze wijze is hun spreken van uit een meer stoffelijk standpunt een soort scheppen. Maar wie spreekt, reageert toch niet op de kleine veranderingen die hij door dit spreken tot stand brengt. Het ligt te ver beneden hem.

Nu hebben zij veel gesproken. En zoals een mens soms na veel gesproken te hebben in zichzelf moet overdenken, komt hij tot introspectie. In zichzelf doordringend tracht hij zijn harmonie met die anderen te definiëren; en er ontstaat in zijn wezen een spanning, waarin de kleine dingen, die normaal worden verwaarloosd voor zover zij in zijn ruimte, in zijn wezen zijn, belangrijk worden. Dan kan een enkele wereld (bv. zo groot als de aarde), die zich daarin bevindt, een belangrijkheid krijgen die al het andere uitsluit. Zoals degene die in zichzelf zoekt, soms één woord of één gedachte heeft, die de hele wereld in belangrijkheid overschaduwt. En met uitsluiting van al het andere wordt dan de kracht van zo’n wezen geconcentreerd op die ene wereld. Dit zijn de ogenblikken waarin deze goden – deze naam gebruikte men vroeger voor hen – scheppen. Dit zijn de enorme uitbarstingen van energie, waarmee een zon wordt geboren, waarmee planeten worden voortgebracht. Dit zijn de wonderlijke werkingen, waardoor leven ontstaat of een wereld wordt uitgedoofd.

Zij weten wel wat zij doen. Maar voor hen is het leven op die wereld niet een werkelijk leven. Het is als een droom in zichzelf, een weergave van hun eigen wezen.

En nu komt het wonderlijkste. Wanneer je als mens of als geest diep in jezelf doordringt, dan lijkt het soms alsof een andere stem, een vreemde je antwoord geeft. En je weet niet, of die ander je eigen “ik” is of dat het werkelijk een vreemde is. Want het antwoord komt alleen, wanneer je in harmonie ermee bent. En die harmonie moet zo groot zijn, dat er ongetwijfeld een gelijkenis bestaat. Misschien is daar een mens. Een mens op zo’n kleine wereld. En daar is een geest, die een ogenblik in zichzelf keert. Een godheid van de ruimte, die voor ons een Niets lijkt. En ziet: de gedachte van de mens weerkaatst a.h.w. de gedachte van die grote geest. De mens weet misschien niet, hoe hij aan die gedachte komt, maar hij heeft haar in zichzelf verwerkt. Hij lijkt hem een antwoord te zijn uit de ruimte. En zo overweegt hij en beschouwt het van uit zijn standpunt. En die grote kosmische geest, die blind is voor de sterren, die zich door zijn wezen van ruimte bewegen, antwoordt opeens op de gedachte van een enkele mens. Er is een harmonie.

Ik geloof niet dat die grote Kracht, die grote Persoonlijkheid, precies weet waar het antwoord vandaan komt. Maar hij weet, dat het er is. En zo ontstaan er, zonder dat beide zijden het precies voor zich weten, bindingen tussen kleine schepselen en deze grote wezens die een voor u onmetelijk deel van de ruimte omvatten alleen met hun zijn. Zij zijn de werkelijke bronnen van de krachten, die ook uw wereld gaan beroeren en reeds beroeren.

Maar ik heb u reeds gezegd, wanneer zij niet denken, dan is er een periode van spreken. Die periode van spreken houdt in dat er energie is. Een periode van denken betekent eveneens dat er energieën zijn.

Nu zijn er wezens, die kleiner zijn – laat ons zeggen in een vergelijking: de mens en een huisdier – maar met een intellect groot genoeg om die kleinere wereld te beseffen. Dezen putten nu uit deze acties eerst voor zichzelf kracht. Zij moeten eerst in zichzelf uit de eenvoudige harteklop, de ademhaling, de eenvoudige gedachten of de trage trilling van een woord, een energie verzamelen, waarmee zij de kleinere wereld weer kunnen gaan beïnvloeden. Zij zijn het, die spreken bv. tot de sterren. Hun wezen heeft echter één nadeel. Zij kunnen niet de kracht aftappen en onmiddellijk doorzenden. Zij moeten in zichzelf a.h.w. de kracht opzamelen, zoals een pomp, die eerst een zekere kolom water moet hebben opgepompt, voordat zij water kan geven. Zo vertraagt zich dus eigenlijk hun werking t.o.v. die kosmische persoonlijkheid.

Stel nu, dat het woord is uitgesproken op het ogenblik dat één van die secundaire grote krachten eindelijk voldoende kracht heeft om invloed te kunnen uitoefenen, dan is het mogelijk dat de introspectie volgend op het woord ergens een dubbele harmonie schept. En dan hebben wij te maken met het Grote, het voor ons Oneindige, een grote Heerser, een kosmische Kracht, die wij dan nog wel enigszins kunnen begrijpen. Wij hebben dan te maken met een Kracht, die direct onze eigen wereld gaat beroeren. En wij hebben te maken met een vreemde siddering, die het totaal van ons wezen en alle werelden doortrilt. Zo ontstaan er dus complexe invloeden.

Maar zelfs dan nog: wanneer de pomp al water geeft, zo zal haar water wegvloeien, tenzij er iemand is die het opvangt. Er zijn dan sterrengeesten en daarmee vergelijkbare krachten en ook kleinere krachten zoals rassengeesten, die op een gegeven ogenblik – mag ik zeggen – een emmer hebben. Zij hebben dus een mogelijkheid om kracht op te vangen en die elders uit te storten. Zo geschiedt er in nog lagere, maar voor ons toch zeer hoge bewustzijnsvormen een verdeling van een continue kracht in kleine, kortere golven. En zo ontstaan dan de ritmen van enkele jaren.

Want één woord van zo’n grote invloed, ach, dat is voor een mens praktisch een kosmisch uur. En één gedachte, dat is een invloed die eeuwen omspant. Maar zo’n paar jaar is dus weer een kleinere kracht. Als we zeggen: de mens is de kosmische kracht, zijn huisdier is degene die de kracht weet te verwerken en door te geven (hetgeen ik met de pomp vergeleek), dan kunnen wij misschien zeggen: de parasiet daarvan is dan weer de geest in de vergelijking, die in korte perioden die krachten voor ons kan uitstorten.

En zo zult u ook begrijpen, dat wij van het ongevormde van deze groten (dit Niets) moeten komen tot een steeds sterkere belichaming. Een kracht, die daaruit put, moet belichaamd zijn. Hij kan vele sterrenwerelden omvatten, maar er moet een lichaam zijn. Er moet een kern in zijn wezen zijn. En degene die daaronder valt, moet misschien een ster of een planeet beheersen, of een enkele een zonnestelsel. Want belichaming is noodzakelijk.

Al deze persoonlijkheden leven ergens zoals wij. Niet dat zij een wereld kennen zoals wij, maar ook zij zoeken naar een contact met de kosmos. Ook zij willen zichzelf zijn. Ook zij zijn harmonisch of disharmonisch, goed of kwaad, van uit hun eigen standpunt. Hun wereld verschilt van de onze door de energie die ze hanteren, door de wijze waarop zij beleven en waarnemen, maar niet door het essentiële. En daarom kunnen wij over de krachten die inwerken wel zeggen: Zij hebben persoonlijkheden zoals wij, zielen zoals wij. Ze zijn in hun onmetelijke grootheid in sommige problemen misschien niet eens verder dan wij. Wij behoeven hen niet te zien als krachten, die onwezenlijk groot boven ons staan, als de beheersers van ons lot, hoe waar dit soms stoffelijk moge zijn. Voor ons innerlijk zijn ze eerder dingen die wij kunnen bereiken. Wij kunnen hun wereld delen; soms voor een ogenblik, soms tijdloos als zijzelf.

Wie ontgroeid aan de tijd, vindt deze krachten steeds meer; een werkelijkheid van vastliggende werelden, hemel‑ en hellewerelden, van niet omschreven impulsen en emoties, waarin je leven kunt. En velen die in de sferen een wereld uitzoeken, waarin hun eigen “ik” wordt weerspiegeld, kiezen vaak haast onbewust de harmonie met de lageren en soms zelfs met één van de hogere krachten, die ik u omschreef.

Nu zult u begrijpen dat dit beeld, hoe onvolledig ook, nog steeds ver staat van de menselijke praktijk en de menselijke realiteit. Om dit terug te brengen tot iets, wat wij gemakkelijker kunnen hanteren, vorm ik de volgende voorstelling:

Wanneer ik in mijzelf zoek, vind ik nimmer alleen mijzelf, maar altijd ook mijn wereld. En in mijn wereld ook de grote krachten, die ik buiten mij misschien niet eens besef. Door in mijzelf te zoeken vind ik dus feiten en niet alleen maar een beeld van het ego. Door de verinnerlijking leer ik echter ook erkennen wat er buiten mij bestaat, al zie ik het niet.

Uit de innerlijke zekerheid wordt de bruikbaarheid van de niet zichtbare en niet beleefbare krachten en werkingen in mijn wereld rond mij geboren. Door in mijzelf te gaan bereik ik een punt van tijdloosheid, waarin alle gebeuren op zich onbelangrijk wordt. En wanneer ik die rust kan terugbrengen tot mijn eigen wereld, kan ik de tijdloosheid voor mijzelf ten dele waar maken. Ik kan dus mijn eigen tempo en mogelijkheden a.h.w. vergroten of verkleinen. Heb ik daarbij bovendien nog een bijzondere kracht, waarmee ik mij harmonisch heb gevoeld, dan kan ik – omdat ik tijdloos durf denken – mij baseren op datgene wat ik erkende, dat woord, die gedachte misschien, die uit het Oneindige tot mij kwam. En door dit consequent te leven onttrek ik mij dus eigenlijk aan vele beperkingen van mijn eigen wereld.

Iemand, die een tijdloze kracht leert leven van uit zichzelf, is in zoverre tijdloos dat hij van zijn eigen wereld vervreemdt, behalve in zijn bestrevingen. Zijn bewustwording omvat veel meer dan zijn eigen wereld ooit kan bieden.

Nu zal menigeen gaarne krachten willen ontlenen aan het Hogere. En dan ontmoeten wij een zeer eigenaardig verschijnsel.

De filosoof kan wonderen doen – zo zegt men – door de zuiverheid van zijn gedachten. En eigenlijk is het ook zo.

Wanneer mijn wezen het grotere omvat, ben ik gelijktijdig mede vormend voor het kleinere. De filosoof maakt geen wonderen waar, maar doordat zijn wezen anders is, drukt hij zijn wil uit in die delen van het zijnde, welke voor ons nog onbeheersbaar zijn. Hij beleeft wetten, die voor een ander een vage visie zijn, maar voor hem zo nauwkeurig als een kleed dat op maat is gemaakt.

Alles mystiek en toch ergens werkelijkheid. Want zelfs indien ge u niet volledig bewust zijt van de harmonieën die ge in u draagt, zo zal de grote Persoonlijkheid uw antwoord verstaan en u antwoorden. Niet omdat er een genade is, niet omdat er een bepaald contract of een verbintenis bestaat, maar omdat er harmonie is. En daaruit volgt:

Wanneer uw eigen wezen leert harmonisch te leven met een kracht, die men in zichzelf voelt en erkent, waarin men gelooft of die men waar vindt in zijn wereld, dan zal alleen krachtens die harmonie een deel van die grote Kracht en Heerschappij zich a.h.w. eveneens van uit het “ik” verbreiden. Wie op deze wijze werkt, verwezenlijkt nimmer alleen zijn eigen wil. Hij verwezenlijkt in feite het wezen, de persoonlijkheid van de Kracht, waaraan hij zijn vermogens ontleent. Maar hij zal nimmer geheel meester zijn. Absolute beheersing in deze is haast onmogelijk.

En om te besluiten en het u niet te moeilijk te maken: De kosmische wezens waarvan wij spreken, zijn voor de aarde niet veel meer dan tendensen. De ademhalingen van grote Krachten waartoe je behoort, omdat een reis door zo’n wezen eveneens soms honderdduizenden jaren vergt, zijn niet anders dan de ritmen waaraan de aarde gehoorzaamt. Wij leven binnen een grote Kracht. En soms kunnen wij overgaan van de ene Kracht naar de andere. Zo’n overgang zal voor ons nooit veel meer betekenen dan een verandering van ritmen en ook een verandering van de harmonie, waaruit iets kan worden bereikt.

In deze periode, waarin wij ons voorbereiden op de absolute vernieuwing, betekent dit dus niet alleen maar een ommekeer van uw gebruiken of van uw gedachten – hoe belangrijk die ook mogen zijn om een juiste harmonie te vinden – in wezen betekent dit dat u deel gaat uitmaken van een ander ruimtewezen, van een andere kosmische Persoonlijkheid en dat u in die Persoonlijkheid andere ritmen en krachten zult vinden dan tot nu toe. Zo u zichzelf daaraan aanpast, zult u mens blijven als tevoren; en met uw ervaring van het vroegere rijker en met meer harmonische mogelijkheden dan voorheen.

Tracht ge de oude Persoonlijkheid erbij te behouden, dan zult ge eenvoudig het contact met de nieuwe niet kunnen vinden. De werkelijke verlichting, de hoge harmonie is niet meer mogelijk. En zoekt ge alleen het nieuwe, zonder daarbij het oude nog te achten, zo vrees ik, dat ge – ofschoon uw harmonie verdergaat – niet de verrijking in uzelf kent, waardoor u a.h.w. de aandacht van dit grotere wezen kunt boeien en hem een antwoord kunt geven dat zo rijk is voor deze Grote, dat hij erover nadenkt en zich dus op u concentreert en daardoor u ook meer opneemt in de tijdloosheid van zijn eigen bestaan.