Geestelijke waarheid en gevoelens

uit de cursus ‘Denken'(hoofdstuk 3) – januari 1982

Geestelijke waarheid en gevoelens

Gevoelens zijn voor een mens meer bepalend dan hij zelf pleegt te beseffen. Denkt u maar aan sympathie en antipathie. De manier waarop u de mensen beoordeelt zonder ze te kennen. De wijze waarop u conclusies trekt die niets te maken hebben met de feiten maar die alleen voortvloeien uit de wijze waarop u voelt voor dergelijke dingen. Gevoelens zijn dus een erg belangrijke factor. Het is duidelijk, als je gevoelens hebt, dan kunnen die door onbewuste associaties worden veroorzaakt. Bijvoorbeeld, iemand ziet er slordig uit, dus zal hij wel niet deugen. Of iemand ziet er niet hip genoeg uit, dus dat is een square. Zo loop je voor een groot gedeelte aan de werkelijkheid voorbij.

Nu is er echter ook nog iets anders in ons leven. Wij hebben allemaal in ons een waarheid die we eigenlijk niet kunnen uitdrukken. We noemen dat dan de geestelijke waarheid omdat ze het totaal van onze persoonlijkheid omvat. Deze komt ook niet zo sterk naar voren. Ze blijft meestal in het onbewuste actief. Een enkele keer echter beïnvloedt ze ons direct. Als we daarmee te maken krijgen, dan hebben we te doen met een aantal feiten die niet slaan op de werkelijkheid waarmee we op aarde worden geconfronteerd. Ik kan bijvoorbeeld aanvoelen dat er in de komende dagen een bijzonder verlichtende werking zal optreden. Waar haal ik dat vandaan? Zeker niet uit Polen en wat mij betreft ook niet uit het Vaticaan. Dus, ik voel dat aan. Ik wacht er eigenlijk op. Als ik die geestelijke waarde juist heb aangevoeld, dan zal ik ook verschijnselen zien waardoor ik zeg: zie je wel, ik heb gelijk gehad.

Hoe kan ik dat nu omzetten in redelijk denken? Dat gaat gewoon niet. Ik kan niet een gevoel nemen en zeggen: dat is zo, dus … , en dan ga ik verder redeneren. Ik moet zeggen: ik voel dit aan, misschien kan het zo zijn. Verder kan ik niet gaan. Alleen als ik mij weet terug te trekken diep in mijzelf en daarin de geestelijke waarheid bewust weet te beleven, kom ik tot de vaststelling van een aantal relaties dat voor mij bestaat, niet alleen ten aanzien van geestelijke werelden maar ook van stoffelijke feiten. En dan heb ik een aantal uitgangspunten waardoor ik dus wel een redelijk denkproces kan opbouwen. Maar dat blijft nog steeds voor anderen niet redelijk. Dat moet u goed begrijpen want de ander kent de feiten niet die wij hebben geconstateerd, hij ziet de samenhangen niet die wij erkennen.

Laat mij u een eenvoudig voorbeeld geven uit een oud bijgeloof: Er staat een noordenwind en er vliegt een kraai schuin tegen de wind in over mijn pad. Ik kijk dan naar de grond en zeg: ik moet uitkijken want de grond is niet betrouwbaar verderop. Bij die wind en met mijn onbewuste kennis van de omgeving, door de vlucht van de kraai in die richting is het waarschijnlijk, maar ik kan niet redelijk aantonen dat het zo is want er is geen directe samenhang te vinden. Dan zou ik moeten weten waarom de kraai juist schuin tegen de wind in vliegt, wat hij niet vaak doet. Ik zou dan ook moeten weten waarom er een noor­denwind staat en welke klimatologische invloeden er optreden. Dat weet ik niet. Toch is die conclusie heel vaak goed.

Men zou kunnen zeggen dat een deel van het volksbijgeloof oorspron­kelijk is voortgekomen uit een innerlijk besef van een geestelijke waar­heid. Men heeft relaties geschapen die schijnbaar krankzinnig zijn, maar ze werken heel vaak wel. De gevolgen die we daarvan verwachten, blijken in 7 van de 10 gevallen in verschijning te treden. Dat is dus iets wat we voor onszelf kunnen hanteren.

Nu is een geestelijke waarheid een we­reld waarin we ons moeilijk kunnen bewegen als mens. Een geestelijke waarheid kan bijvoorbeeld bestaan uit een groot aantal banden tussen een per­soon en vele andere personen, dit op grond van vele incarnaties, con­tacten in verschillende werelden en sferen. Die banden bestaan dus wel. Die banden zijn volkomen concreet en reëel, maar ze zijn niet te reali­seren in de termen van onze eigen wereld.

Dan is op grond van die relaties ook verder te verwachten dat we, hoe dan ook, elkanders leven zullen beïnvloeden wanneer we elkaar ont­moeten, hetzij een geest een mens, twee geesten elkaar, een mens een ander mens etc. Dus is die beïnvloeding deel van een geestelijke waar­heid. Ze bestaat concreet, maar niet in de beperkingen van het stoffe­lijke bestaan omdat we deze concrete wereld maar zelden helemaal kunnen overzien. Zelfs de hoogst ingewijde mens kan niet alle banden overzien die behoren bij zijn bestaan, tenzij hij de allerhoogste trap heeft bereikt en daardoor in wezen zelf niet meer actief is ten aanzien van die banden maar alleen reageert op die banden zoals deze bestaan. Dus, wat doen we? Wij maken het tot een gevoelswereld.

Die gevoelens kunnen in vele gevallen toch nog wel weer geratio­naliseerd worden, van redenen voorzien. Een voorbeeld: Zout is een reinigend element. Ik bedoel hiermee in de eerste plaats zeezout, omdat zeezout sporen bevat die in steenzout niet of niet in gelijke mate aanwezig zijn. Als ik zout over mijn schouder gooi, dan werp ik dat de duivel in zijn oog. Maar het gaat niet om de duivel, het gaat om het kwaad, d.w.z. het voor ons niet harmonische. Als ik zout neem en ik strooi dit om mij heen, dan gebruik ik eigenlijk een ritueel waarmee ik kwade krachten verdrijf. Niet alleen door het zout zelf, of­schoon het bepaalde eigenschappen bezit, maar ook nog door mijn eigen denken, mijn uitstraling, de werking van mijn aura en soms ook van een paar patiënten. Op die manier is dus een stom bijgeloof wel degelijk een magisch en ritueel verantwoord gebeuren.

Maar dat kun je weer niet zeggen in redelijke termen. Dus, wat ga je zeggen? Vroeger was zout erg kostbaar en als je zout morste, was dat een groot ongeluk. Dat ongeluk moest aan een demon geweten worden. Daarom strooide je het zout om de demon te verdrijven. Maar dan moet u mij eens vertellen waarom er as en zout worden opgelost in doopwater. Bij heel veel riten gebeurt dat. Dan moet u me vertellen waarom bij be­paalde offers niet alleen boter en meel worden gebruikt, maar ook zout. Allemaal riten. Onzin. Goed, onzin, maar misschien wel deel van een werkelijkheid die we aanvoelen zonder dat wij die precies kunnen omschrijven, zonder dat we weten wat we daarmee moeten doen.

Het zal u duidelijk zijn dat ook in uw eigen wereld gevoelens een rol spelen die allesbehalve redelijk zijn. U zult daarnaast in u soms waarheden ontdekken waarvan u niet eens wist dat u ze kende. U wordt wel degelijk voortdurend geconfronteerd zowel met uw gevoelswereld als met uw geestelijke waarheid.

In lessen als deze gaat het er niet alleen om te vertellen wat er bestaat, maar ook wat je ermee kunt doen. Laten we daarom maar eerst beginnen met het ontleden van de werking van onze gevoelens. Een groot gedeelte van mijn aanvaarden of verwerpen, zodra dit ge­voelsmatig geschiedt, vindt plaats op grond van niet bewust geconsta­teerde feiten van stoffelijke of geestelijke aard. Mijn gevoel is dus een aanduiding, maar schept geen zekerheid. Ik kan dus niet op mijn gevoel geheel afgaan, maar ik kan wel mijn gevoel beschouwen als een waarschuwing zodat ik rekening houd met mijn gevoelens zonder mijn handelen daar­door in het bijzonder te laten beïnvloeden, tot het ogenblik dat de voorvoelde situatie zich aankondigt. Dan ben ik voorbereid en kan ik reageren.

Als ik gevoelens heb die helemaal niets met de materie te maken hebben, dan wordt het moeilijker. Je kunt bijvoorbeeld het gevoel hebben dat er iemand achter je staat. Je kijkt, geen kip, laat staan een mens. Nou, dan een geest. Goed. Die geest is een verklaring, maar dat weten we niet zeker. Hoe komen wij tot een voelen van een aanwezigheid? Laten we dat even proberen uiteen te zetten. Wij voelen die aanwezigheid omdat er in onze privé-sfeer, die mee door onze aura wordt bepaald en daar­naast door gewoonte, een factor is die niet bij onze persoonlijkheid behoort maar die wel een mate van persoonlijkheid schijnt te bezitten. Dan mogen we in een dergelijk geval aannemen dat er inderdaad iets of iemand aanwezig is. Maar we kunnen weer niet zeggen: oh, dat is moeder of oom Janus of daar heb je dat gekke huisspook weer. Dat zijn weer de smoesjes die je jezelf verkoopt. Als het uw moeder is, dan zal ze meer moeten doen dan in uw nek blazen. Als het oom Janus is, dan moet hij nog heel wat anders doen dan u ineens rillingen over uw rug te bezorgen. En als het het huisspook is, dan zou er op zijn minst genomen een schil­derij naar beneden moeten vallen om duidelijk te maken dat hij aanwezig is. Wij weten niet wie of wat er is.

Als dit heel vaak voorkomt, dan moet het aan ons liggen, dat is duidelijk, want andere mensen leven in precies dezelfde wereld met pre­cies dezelfde omstandigheden en precies dezelfde geestelijke invloeden erom heen. Denk niet dat u een uitzonderingsgeval bent, dat u voortdurend in een kluitje spoken rondloopt terwijl een ander zonder enige geest in de buurt zijn wegen kan gaan. Degene die denkt dat hij zonder geesten zijn wegen gaat, is waarschijnlijk, althans op het gebied van deze gevoelig­heid, zwak van geest. Realiseer u dat, als deze voortdurend optreden­de verschijnselen plaatsvinden, zij direct te maken hebben met uw persoon­lijke instelling.

Om die instelling te verklaren, kunnen we nu wel grijpen naar de geestelijke waarheid en de geestelijke werkelijkheid maar die is niet zo gemakkelijk toegankelijk. Dus kunnen we ons iets anders afvragen. En dan blijkt dat een vergrote gevoeligheid zich voor een deel manifesteert, wanneer we onder bijzondere spanning staan, bijvoorbeeld als we ergens bang voor zijn, als we vol verwachting zijn of als we heel sterk op iets geconcen­treerd zijn. In deze gevallen neemt onze gevoeligheid buitenmate toe. Dit is te bewijzen. Ook de oude praktijken wijzen erop dat men inderdaad juist deze situatie van spanning zoekt om een contact met een geestelijke werkelijkheid mogelijk te maken. Denkt u maar aan de inwijdingsge­bruiken van vele indiaanse en van bepaalde negerstammen. Denkt u aan Jezus die 40 dagen vastte in de woestijn en aan al die mensen in het Verre Oosten die dat ook deden en nog doen. Deze mensen doen dit heus niet om zichzelf te kastijden. Zij doen het om hun geest als het ware te laten doordringen in een nieuwe we­reld. Maar wat die wereld betekent, kan weer niet redelijk worden over­dacht of uitgedrukt. Zo is dat ook bij u.

Ga dus, als u die bijzondere gevoeligheid zich ziet ontwikkelen, u afvragen: waar heb ik mee te maken? Wacht ik ergens op? Ben ik er­gens bang voor? Wat zijn de factoren die op dit ogenblik mijn gevoels­leven grotendeels bepalen? Weet u dat, dan weet u ook hoe u eventueel die gevoeligheid kunt verminderen, namelijk door de spanning weg te nemen of hoe u eventueel die gevoeligheid kunt versterken, namelijk door in over­weging van juist die emotie, dat gebeuren of de verwachting de eigen spanning op te voeren en daardoor gevoeliger te worden. Dus wat dat betreft, zit het allemaal betrekkelijk eenvoudig. U kunt dat voor een deel zelf bepalen.

Nu geef ik graag toe dat niet elke mens in staat is om zijn verwachtingen, zijn verlangens, zijn angsten en al die andere dingen waar­door hij van streek kan raken, allemaal bewust te kennen en te beheersen. Maar een klein beetje kunt u er ongetwijfeld wat aan doen. Daarmee schept u in ieder geval voor uzelf de mogelijkheid om een geestelijke wereld, die u niet concreet kunt uitdrukken en vertalen in menselijke termen, dichterbij te brengen en althans delen van de werkelijkheid over te zet­ten in iets wat u in uw eigen wereld kunt hanteren.

Dan hebben we natuurlijk de meditatietechnieken. U kent ze waar­schijnlijk allemaal. Als ik mij sterk verdiep in een bepaalt aspect van het leven, dan moet ik dat nooit doen in iets dat concreet is. U kunt bijvoorbeeld heel diep gaan nadenken over de politiek en de economische problemen van Polen. Dat is tegenwoordig in de mode. Maar daar komt u niet verder mee. Als u echter uitgaat van de emotionaliteit en van een emotionele ge­bondenheid, dan wordt het anders. Vandaar dat men zo vaak hoort dat mensen mediteren over het lijden van de mensheid, over de vreugde en dergelijke dingen. Hier gaat het om een emotionele gesteldheid. De gevoelswereld wordt in deze concentratie opgevoerd tot een maximum van gevoeligheid. Daardoor kan de gevoelswereld dan ook steeds meer registreren uit de werkelijkheid die om u heen is, maar die u niet kunt zien en die u geestelijk niet kent.

Met dit eerste punt hebben we in ieder geval iets bereikt. Wij we­ten nu wat het gevolg kan zijn van onder andere de verlichting tijdens de medi­tatie, maar ook het voorkomen van bepaalde verschijnselen in een toe­nemend of in een afnemende frequentie. Dan denk ik dat we in dit geval toch wel daardoor een meer redelijk niveau benaderen. Let wel, ik zeg niet dat uw leven redelijk is. De eerste totaal redelijke mens moet ik nog ontmoeten. Dat is maar een geluk ook, want de volkomen redelijke mens is een robot zonder fantasie en daardoor zonder het creatieve vermogen dat de mens juist aan zijn gevoelswereld en aan zijn zogenaamde intuïtie of zijn geestelijke werkelijkheid kan ontlenen.

Hoe moet ik denken in dit geval? Dat is erg belangrijk. In de eerste plaats, als ik voortdurend intuïties heb t.a.v. een gebeu­ren, dan moet ik controleren of het klopt. Iets dat één keer uitkomt, telt niet. Iets dat twee keer uitkomt, dat is al interessant. Als het tenminste 6 van de 10 keer uitkomt, dan heb ik kennelijk te maken met een vermogen, een mogelijkheid om op dit terrein iets te doen. Zolang ik deze zekerheid niet heb, zal ik proberen om in mijn denken althans deze waarneming terzijde te schuiven. Ik leg haar neer voor nadere be­schouwing maar wijk niet van mijn normaal pad van denken en handelen af. Blijkt dat ik inderdaad op bepaalde punten (een ieder heeft dat wel op sommige gebieden) bijzonder gevoelig ben, dan treedt het volgende op. Ik heb een waarschijnlijkheid bereikt. Als ik dat gevoel heb, dan is het zeer goed mogelijk dat het volgende resultaat kenbaar zal worden. In een dergelijk geval werk ik als iemand met een onbekende in een ver­gelijking. Die onbekende geef ik een voorlopige naam, bijvoorbeeld dreiging van een ongeluk, een meevaller of bezoek. Als ik nu 6 van de 10 keer aan­voel dat er bezoek komt en het komt inderdaad, wat let mij dan om vast thee te gaan zetten voor de dames en voor de heren te zorgen dat er wat onder de kurk zit. Dus we gaan rekening houden met het feit maar we weten nog steeds dat er een kans tot mislukking is.

Als we te maken hebben met voor ons onoverzichtelijke gebeurtenissen, dan wordt het een beetje anders. Wat denkt u bijvoorbeeld van de wereldpolitiek? Dat u er misselijk van wordt, kan ik begrijpen. Maar ieder heeft zo zijn eigen ideeën. Als u daarover na­denkt, dan beschikt u eigenlijk altijd over te weinig feitenmateriaal. Het feitenmateriaal dat u ter beschikking staat is nooit helemaal zuiver en vaak zeer eenzijdig vervalst. Wat moet u dan doen? In dit geval moet u uw gevoel inschakelen.

Anders gezegd, u komt tot een intuïtieve interpretatie van bekende feiten. U realiseert zich dat dat intuïtief gebeurt en u bouwt op grond van deze intuïtie uw verwachting op. Als die verwachting grotendeels uitkomt, blijkt dat uw intuïtieve benadering niet de slechtste is. Hoe meer u ontdekt dat uw intuïties tamelijk zuiver en juist zijn, hoe be­wuster u daarvan gebruik kunt maken. Op deze manier bent u in staat om zaken die u eigenlijk niet kunt overzien voor uzelf toch overzichtelijk te maken, inzicht te krijgen in zaken die voor anderen nog ondoorgronde­lijk zijn. Alweer een mogelijkheid waarmee u kunt werken.

Als u hoofdartikelen in de krant leest, moet u niet geloven wat de redacteur zegt maar u vraagt zich dan af: wat voel ik aan wat daarachter zit? Als u dan controleert of dat aanvoelen juist is, komt er een ogenblik dat u beter bent dan de redacteur van het hoofdartikel. Niet dat u er een baantje door krijgt in deze tijd, maar het is toch al­tijd meegenomen.

Ik heb al gezegd, we zijn op het ogenblik een beetje aan omwegen bezig als het het onderwerp denken betreft. Ik zou dan graag nu iets zeggen over de geestelijke werkelijkheid. Wij bestaan in de eerste plaats uit een energiebron (de ziel waar­van wij de oorsprong en de betekenis nimmer zullen kennen voordat wij er bewust één mee zijn geworden). Daarnaast beschikken wij over een geest. Deze geest is een veelvoud. Als u zich wilt voorstellen hoeveel voertuigen wij hebben, dan moeten we gaan staan in een zaal waarvan alle wanden met spiegels zijn bedekt en bij voorkeur waarvan een spiegel een octogoon (achthoek) is. Dan kijk je naar jezelf en je ziet je in het oneindige herhaald. De beelden die het dichtst bij zijn, zie je het scherpst. En als je goed kijkt, zie je ze zelfs onder zeer verschillende hoeken. De geestelijke werkelijkheid betekent iets dergelijks.

Ons werkelijk ‘ik’ waarin de werkelijkheid van ons lot, ons wezen, onze mogelijkheden in de gehele schepping al tijdloos is vastgelegd, weerkaatst zich in allerlei verschillende werelden. Elke weerkaatsing is niet slechts een beeld, maar een groot aantal beelden die steeds verder terugwijken. Als u in die geestelijke werkelijkheid dus naar uzelf kijkt, dan ziet u niet het enige juiste beeld. U ziet alleen het beeld dat voortkomt uit het standpunt van beschouwing dat u nu inneemt. Stel dat u dat zou kunnen verplaatsen, dat u de plaats zou kunnen innemen van het eerste, het tweede of het derde spiegelbeeld, dan zult u zien dat elke volgende figuur in details weer afwijkt van het eerste beeld waarmee u bent begonnen. Wij zien een oneindige ver­scheidenheid van kwaliteiten, mogelijkheden en eigenschappen. Tenminste voor zover het ons eigen begripsvermogen betreft. Dan moeten we ons realiseren dat wij dus oneindige werelden hebben. Wij hebben niet alleen een paar vastgestelde sferen, neen, wij hebben een oneindig aantal gestalten en een oneindig aantal mogelijkheden. Daarvan is er om, welke reden dan ook, één op aarde in het bijzonder geconcretiseerd. Die is stof geworden of vlees geworden, zeggen ze dan. Als u dit beseft, dan gaat u niet alleen maar uit van hetgeen u nu bent, schijnt te zijn of meent te zijn. U gaat uit van elke mogelijke variatie die voor u vanuit dit standpunt nog volledig en duidelijk voorstelbaar is.

Nu moet u zich één ding goed voor ogen stellen: op het ogenblik dat u nog te ver afwijkt van het ik-beeld dat u nu heeft, komt u wel­iswaar terecht in een werkelijkheid (geestelijk is dat nog steeds wer­kelijkheid), maar vanuit uw stoffelijk standpunt is dat fantasie. Een groot gedeelte van onze ik-fantasie is eigenlijk niets anders dan een mogelijkheidsbeeld gebaseerd op een afwijking in details van hetgeen we ook nu beseffen te zijn. Dan is dus die geestelijke werkelijk­heid van ons eigenlijk meer een speelveld. Het is iets waarin we scheppen en herscheppen, de beelden die onze ogen opnemen, omzetten in ande­re vormen, de klanken samen rijgen tot heel iets anders, tot iets wat meer uitdrukt dan het eigenlijk concreet stoffelijk zou mogen zijn. Als ik zover ben gekomen, dan weet ik dus wanneer ik fantaseer, wanneer ik droom. Daar zitten dan wel degelijk elementen in van mijn geestelijke werkelijkheid.

Als ik afgronddiep droom (u weet wel, al die zwarte duisternis, al die bitterheid, alle deurkrukken die je afbreekt, vloeren die onder je inzakken), dan heb ik niet alleen maar te maken met een angstdroom. Ik heb dan te maken met een fantasie die hoe dan ook iets projecteert van hetgeen ik ook nu ben, maar de details ervan wijzigt. Elke fantasie heeft precies hetzelfde. Ook al fantaseert u zich­zelf over het algemeen beter dan u meent te zijn en daardoor waarschijn­lijk slechter dan u zou kunnen zijn. Realiseer u dat. De geestelijke werkelijkheid is zo veelomvattend dat alles wat je op aarde bent en kunt zijn, daarvan eigenlijk maar een heel klein brokstukje is. Maar ons gezichtspunt en ook ons gevoel worden daardoor bepaald. Laat mij eens een heel gekke veronderstelling wagen.

U droomt dat u een engel bent, compleet met klappende wieken, harp en zegenend de hand reikend, gaat u over de wereld. U geneest zieken. U doet dit en u doet dat. U bent het misschien wel, maar waarom juist dat deel van de werkelijkheid? Niet omdat u die engel bent of omdat u de genezing kunt geven zonder meer, maar omdat u hier zinspeelt op een werkelijkheid die in uw ‘ik’ als totaal bestaat en die in het ‘ik’, zoals het nu op aarde bestaat, in feite maar zeer beperkt aanwezig is.

Of u droomt dat u een duivel bent. Er zijn heel wat mensen die graag een paar horens en een staart zouden willen hebben, alleen maar om hun chef te vertellen wat ze van hem denken. Waarom dit demonische, dit negatieve beeld? Dat zit ook in u. U bent geen engel, u bent geen duivel en u bent eigenlijk ook nog meer ­dan een mens. U bent gewoon een brok mensheid. U haalt deze aspecten naar voren uit de totale werkelijkheid omdat ze hoe dan ook iets te maken hebben met uw huidig bestaan.

Als u droomt van genezen, dan gaat het u niet eens om het genezen. Dan gaat het u misschien ook om een beetje meer te zijn dan een ander. Dat is heel goed mogelijk. Maar als u dat aspect kiest, dan betekent dit dat u bepaalde drijfveren kent, dat er in u bepaalde mogelijkheden zijn. In uw gevoel zullen die mogelijkheden zich soms aandienen. Het is natuurlijk krankzinnig om beredeneerd te zeggen: ik wil genezen. Daar zit iemand die hoofdpijn heeft genezen. Als u dat zo gaat doen, dan heeft de ander nog zenuwpillen nodig en niet alleen een as­pirientje.

Stel nu dat u voelt: ik kan die mens genezen, dan heeft u ergens in u een bevestiging van de mogelijkheid. En dan moet u ook niet naar die persoon toe gaan en dat eventjes doen, want dan bent u verloren. U moet zich gewoon concentreren op hetgeen u wilt doen. Tot uw verbazing zult u dan zien dat u daarmee resultaat boekt. U moet het echter wel eerst aanvoelen als mogelijk. Hoe komt dat? Redelijk gezien is het ondenkbaar dat de een of andere con­gestie eenvoudig door gedachtekracht kan worden opgeheven. Dat is na­tuurlijk onzin en als het dat niet was, zou het dat moeten zijn, anders worden er weer meer medische specialisten werkloos. Dus redelijk kan ik dat niet aanvaarden. Ik kan het alleen redelijk verwerken op het ogen­blik dat steeds weer het gevoel van ‘het is mogelijk’ plus de poging tot genezen, leiden tot resultaat.

Wij kunnen onze geestelijke werkelijkheid niet overdenken. Wij kunnen onze gevoelswereld niet redelijk verklaren. Zeker, we kunnen de hele psychologie erbij halen en alle psychiatrie waarvan we ooit hebben ge­hoord en dan komen we wel tot een aardige ontleding van onze persoon­lijkheid. Maar daar deugt over het algemeen niets van. De werkelijke pro­blemen gaan we toch uit de weg. De dingen waar het niet op aan komt, geven wij een gewichtigheid die ze niet bezitten. Laten we dus maar heel nuchter blijven. En niet die ik-ontleding, niet die gekke benade­ring, maar doodgewoon het denken beschouwen als een registratiemoge­lijkheid. Een registratie: mijn gevoelens hebben onder die omstandigheden die werkelijkheidswaarde.

Mijn geestelijke werkelijkheid, zoals ik die beleef, of mijn droomwereld, of mijn fantasiewereld als u dat liever heeft, heeft bepaalde aspecten die in de werkelijkheid meetellen. Welke zijn die? Resultaten erkennen en op die resultaten een verwachting bouwen. Dat is een van de belangrijk­ste zaken, want daardoor schep je een uitbreiding van je eigen redelijke wereld.

U zult zeggen: wat heb je eraan? U kent allemaal dat verhaal van de boer die voor het eerst in de dierentuin kwam. Hij zag daar een giraf. Hij keek ernaar en zei: dat is nep, zo een beest bestaat niet. Dat doet mij denken aan menige wetenschapper die met het occultisme in aanraking komt of die wordt geconfronteerd met iets wat hij niet goed begrijpt. Dan zegt hij ook: nep, onzin, bijgeloof.

U moet eerst leren zien wat bestaat en wat niet bestaat voor u. Het is een persoonlijke kwestie. Dan moet u op grond van deze persoonlijke erkenning komen tot de betekenis van het erkende in uw dagelijks leven. Zodra u dit tot stand heeft gebracht, heeft u voor uzelf een mogelijk­heid geschapen om deze op zichzelf onwaarschijnlijke zaken toch te groe­peren binnen het normale denkproces. Uw wereld is dan groter geworden. Niet door definities van feiten, denkt u dat niet, maar door een defini­tie van mogelijkheden die hier constateerbaar zijn.

Daarmee zijn wij dan gekomen aan het laatste en volgens mij belang­rijkste deel van deze les. Een geestelijke werkelijkheid, hoe onbenaderbaar ook, maakt voort­durend deel uit van ons leven. De inwerkingen ervan zijn voor ons moeilijk te herkennen. Wij kunnen alleen met veel vallen en opstaan tot een besef komen van iets wat voor ons geestelijk waar en werkelijk is. Zodra wij uitgaan van waarden, die ons van buitenaf worden geleerd zon­der dat deze voor ons betekenis hebben en door ons kunnen worden ge­uit, zullen wij onszelf altijd misleiden. Laten we dus wat dat betreft heel erg nuchter en heel erg logisch werken.

Als onze gevoelswereld ons voortdurend confronteert met zaken die we wel of niet aankunnen, waar we boos over worden of niet, laten we ons dan ook eens afvragen of die gevoelswereld niet een relatie weer­geeft tussen ons en de wereld of tussen ons en het onbekende. Want dat­gene wat in ons aan emotie en gevoel ontstaat, heeft altijd enig ver­band met iets wat buiten ons bestaat. Door de erkenning ervan wordt het mogelijk onze gevoelswaarden te beheersen of te veranderen. Gelijktijdig wordt door de erkenning van de betekenis van onze gevoelens het ons ook mogelijk om deze bewust te hanteren en te gebruiken en zo in te voe­gen in onze wereld van redelijkheid zonder dat wij daarbij van de werke­lijkheid te ver afwijken.

Geloof is goed. Een mens zonder geloof is een geestelijk arm mens. Maar geloof is een innerlijk aanvaarde, niet bewezen basis voor de rest van ons bestaan. Dit geloof kan alleen betekenis hebben indien het daadwerkelijk in ons bestaat en door ons in dat van anderen van directe en stoffelijk constateerbare betekenis is. Het heeft zo weinig zin om over geloof (over formulering van ge­loof vooral) te gaan strijden. Maar het is heel erg belangrijk om dat­gene waarin we geloven vanuit onszelf waar te maken, te zien wat het bereikt in onze wereld. Wij zijn misschien gebonden aan een lot dat in ons is vastgelegd. Ik zeg, misschien, want redelijk gezien kunnen we dat nooit constateren. Maar wij zijn wel degelijk voorzien van veel meer mogelijkheden dan we normaal gebruiken.

Laat ons dan nagaan welke mogelijkheden er voor ons bestaan. Laat ons overleggen op grond van onze kennis en besef van dit moment en van deze vorm waarin we nu leven, die we nu ‘ik’ noemen, om te bepa­len welke van die mogelijkheden gebruikt moeten worden en hoe. Op die manier komen we dichter bij een geestelijke werkelijkheid te le­ven en komen we langzaam maar zeker tot een besef dat vanuit het standpunt van zeer veel mensen als bovenredelijk kan worden beschouwd. Ik meen dat ook dit alles wel degelijk met denken en juist denken te maken kan hebben.

Ik heb geprobeerd het allemaal redelijk en duidelijk te stellen. U denkt misschien dat er herhalingen in zitten. Daarmee moet u erg uitkijken. Ik heb enkele herhalingen gebruikt als varianten. Dat wil zeggen dat ze afzonderlijke aspecten weergeven in een bijna gelijklui­dende zinsbouw. Het kan belangrijk zijn als u het naleest. U leest er dan niet zo gemakkelijk overheen.

Dan zou ik nog willen zeggen, hetgeen ik nu heb gezegd, heeft niet alleen maar theoretische waarde. Het is voor elke mens, afhanke­lijk van zijn persoonlijkheid en zijn vermogen tot aanvoelen, zeer belang­rijk. Het kan u zelfs helpen om bepaalde verschijnselen die rond u op­treden wat te beperken of ze juist duidelijker en daardoor kenbaarder te maken. Ik hoop, dat deze les iets daartoe heeft bijgedragen.

De gastspreker

De leiding heeft mij verzocht u wat te vertellen over de geeste­lijke werkelijkheid. De geestelijke werkelijkheid is eigenlijk iets wat je niet kunt vat­ten. Ik weet nog hoe ik ben overgegaan. Toen noemde ik dat nog sneuve­len. Ik zat in een vliegtuig. Wij gingen bommen gooien. Wij kregen een treffer van het afweergeschut. Het vliegtuig zei ‘boem’ en ik zei het ook. Toen was ik dood.

Toen ik dood was, zat ik nog steeds in een vliegtuig. Maar er waren geen bommen meer, er was geen geschut meer en wij zaten er nog maar met zijn drieën in. De andere vier zullen het waarschijnlijk over­leefd hebben. Toen kwam er iemand vertellen dat we dood waren. Daar hebben we ons bijna over doodgelachen. Toen zei hij: stap uit, je staat op de grond. Wij stonden werkelijk op de grond. Dat was heel eigenaardig. Vanaf dat ogenblik zag ik allerlei mensen van wie ik wist dat ze dood waren. En niet alleen dat, maar zij wisten allerlei dingen te vertel­len waaruit bleek dat ze wisten dat ik ook dood was. En wat meer is, dat ik ook bepaalde zaken moest gaan doen.

Als je kijkt naar de geestelijke werkelijkheid als je dood bent, dan lijkt het een beetje op een voortzetting van wat er is geweest. Je gaat langzaam maar zeker verder en het is net of je beter gaat zien. Waar je eerst de horizon zag, daar zie je nu weer verder. Daar zie je steden of landschappen. Hoe verder je kunt zien, hoe meer je eigenlijk naar die kant toe wilt gaan. Je wilt gaan kijken wat daar eigenlijk is. Wat je zo klein ziet, wil je groot beleven. Zo kom je eigenlijk van het ene land in het andere. Ik heb landschappen gezien die nooit hebben bestaan. Ik heb oerlandschappen gezien met allerlei enorme beesten. Ik heb de maan ge­zien. Ik ben op planeten geweest. Ik heb andere zonnen bezocht. Alles bij elkaar genomen, was het eigenlijk alleen maar een beetje sight-seeing. Ik heb geen foto’s genomen dus moet ik het allemaal uit het geheugen doen

Dan komt er een ogenblik dat je zegt: Ach, wat ik zie, is niet interessant. Maar wat betekent het? Waarom is het zo? Met dat eerste waarom begin je pas wakker te worden in de werkelijkheid van de geest. Vóór die tijd leef je in een stoffelijke wereld zonder stoffelijke rem. En dan kom je langzamerhand tot de conclusie: hé, ik heb niet gegeten, niet gedronken en ik heb geen honger, ik heb geen dorst. Hoe is dat mogelijk? Dan ga je verder doordenken: waarom? Hoe meer je denkt ‘waarom’, hoe minder je vraagt ‘hoe’. Dat is heel vreemd. Je kijkt niet meer naar de dingen zoals ze gebeuren maar naar de reden waarom ze ge­beuren. In het begin zie je duizend redenen. Dan valt het allemaal samen en zeg je tegen jezelf: wat moet ik daarmee beginnen? Zoveel verschil­lende invloeden zijn er nodig om een vlo een keer te laten springen. Dan vraag ik mij af: hoeveel zijn er wel nodig om mijn vliegtuig te laten springen?

Dan ga je kijken en zie je dat het eigenlijk voor een groot deel gelijk is. Het komt van verschillende richtingen, verschillende sferen (spirit worlds), maar het is precies hetzelfde. Dan zeg je: het waarom is dus het samentreffen van maar een paar krachten. Die paar krachten komen uit zoveel verschillende werelden en invloeden dat je dat eerst niet begrijpt. Je kunt niet begrijpen dat al die dingen van drie kanten komen en toch één zijn. Zie je eenmaal de eenheid erin, dan wordt je wereld voor het eerst ‘a spiritual reality’. Op dat ogenblik ga je in­zien dat er een aantal grote krachten zijn die met ons werken of met ons spelen.

Je gaat dan kijken wat die krachten zijn. Niet wat voor vorm ze hebben maar wat voor invloed ze zijn. Dan lijkt het of je eigenlijk zit tus­sen vier motoren die alle een andere kant uit trekken. Jij houdt ze bij elkaar. Dan zeg je: mijn functie, mijn betekenis is dus dat ik de kracht tezamen houdt. Niet dat ik de kracht onderga, dat is een bijkomstigheid. Het gaat erom dat jij het gebeuren tezamen houdt door het feit dat jij er bent. En dan vraag je je af, waarom ben ik er? Ik ben daar omdat zonder mij ergens de zaak uit elkaar zou vallen.

Ik heb een tijd een reargunner (schutter) gehad die een groot lief­hebber was van allerlei Chinese puzzels. Het waren stukjes hout, samen­gevoegd tot een mooie vorm. Maar als je een stukje niet op de goede plaats had, viel alles weer uit elkaar. Je moest dat ene stukje op de juiste plaats hebben. Ik heb het gevoel dat wij eigenlijk ergens zo een stukje zijn. Wij hou­den de zaak bij elkaar. De vraag waarom wij dat doen? Well, zonder ons zou de vorm niet bestaan. Zonder ons zou er chaos zijn. Geestelijke wer­kelijkheid is naar mijn mening het functioneren als anker voor het gebeu­ren dat zonder ons niet mogelijk zou zijn. Wij zijn de vorm waardoor de es­sentie van het leven niet zou bestaan.

Ik heb vrienden aan mijn kant. Ik heb er ook nog een paar beneden op aarde. Eén daarvan is op het ogenblik bijna op komst. Hij wordt nu 56 jaar. Vóór hij 57 jaar is krijgt hij een hartattack. Dat is begrijpelijk want hij zit op het Pentagon. Dat is werkelijk a stress situation. Niet dat je zo­veel werk hoeft te doen, maar je hebt zoveel mensen die moeten denken dat je zoveel werk doet. Dat is een hele inspanning om dat waar te ma­ken.

Well, al die vrienden van mij hebben een eigen voorstelling van de werkelijkheid. Ik heb dat ook, mijn beeld. Als ik zo kijk, zijn wij allen al­leen een beetje verschillend. Dat is ook nodig want wij zijn stukjes wer­kelijkheid die op elkaar moeten aansluiten, omdat zonder ons die werkelijk­heid niet zou kunnen bestaan. Dan zeg ik: geestelijke werkelijkheid betekent iets wat in zich de vorm voortbrengt om vanuit zichzelf in die vorm zijn eigen structuur (construction) te open­baren, zelferkenning. Ik kom dan tot de conclusie: degene die mij heeft gevraagd om duidelijk te maken wat geestelijke werkelijkheid is, heeft wei­nig werkelijkheidsgevoel.

Oh well, ik ben altijd een zeer eenvoudige jongen geweest. Natuurlijk, ik heb gevlogen, in een plane, dan. Voordien ook wel van de school. Als ik niet tot dat team had behoord, was ik nooit op de university ge­komen. Als ik nu probeer te kijken naar al deze dingen die geestelijk werkelijk zouden moeten zijn, dan heb ik weinig theorieën. Je kunt ze wel alle­maal opbouwen

Ik heb iemand gekend die van tevoren wist wat voor weer het zou wor­den en dan werd het altijd een ander soort weer. Maar hij wist het en de anderen wisten het niet, dacht hij. Dat is hetzelfde hier. Wij denken dat wij het weten maar wij weten het niet.

De geestelijke werkelijkheid zal er voor ieder mens wel een beetje an­ders uitzien. Maar is dat belangrijk? Voor mij in mijn nieuwe situatie is het niet belangrijk dat het werkelijk is, maar het is belangrijk dat ik mij deel voel van het geheel door mijn beeld van de werkelijkheid. Dat is de enige werkelijkheid die je altijd kunt gebruiken. Dat is het enige dat altijd waar blijft. Ik kan alleen bestaan en blij zijn met mijn bestaan omdat ik weet dat het zin heeft. Hoe ik die zinvolheid voor mijzelf probeer uit te drukken, is eigenlijk minder belangrijk dan dat ik die voel.

U zit in een wereld waarin eenieder denkt dat hij het weet. Neem nu Reagan. Reagan is quite a guy. Je moet maar denken: als je be­gint als klein acteur en je wordt president van de USA, dan moet je toch een bijzonder goed acteur zijn. Die man heeft zijn eigen beeld van de wereld. Hij zegt: ik heb alleen betekenis als ik sterker ben dan iemand anders. Als ik sterker ben, dan hoef ik niet zoveel te doen, dan kan ik het een ander laten doen. That is right. Dat is zijn idee van belangrijkheid, van de werkelijkheid.

Zo is dat bij Breznjef ook. Die man denkt op zijn manier. Zijn wer­kelijkheid is de onverslaanbaarheid van een theorie die hij zelf niet kan toepassen. Maar dat is zijn werkelijkheid, daardoor functioneert hij. Het is the way of life voor hem, de enige manier waarop hij zichzelf en wat hij heeft gedaan, moet doen en zal doen, kan blijven aanvaarden. U zult zeggen: dat is geen werkelijkheid. Niet de uwe.

De werkelijkheid van Reagan is niet die van Breznjef. Zij hebben beiden weer een heel andere werkelijkheid dan bijvoorbeeld Lim Po Sing. Je vraagt niet: hoe heet die clown, maar kun je erom lachen? Die Chi­nees heeft weer een ander beeld van de werkelijkheid. Maar als die mensen er niet zouden zijn, zou de wereld anders zijn. Nu denkt u: was zij maar anders. Als de wereld anders zou zijn, zou u dan nog bestaan, zou u nog betekenis hebben? Dat is de moeilijkheid als je te maken hebt met een geestelijke werkelijkheid.

Je wordt geconfronteerd met een wereld en je zegt: ik wil haar anders hebben. Maar als die wereld anders is, ben jij dan nog wie je bent? Je bent een product van al wat existeert. Je bent het product van de bakker, de melkboer, de belastingdienst, de dominee, de pastoor, van al die mensen om je heen. Indirect ben je ook nog het product van de een of andere staatsman. Niet dat je persoonlijkheid daardoor wordt be­paald maar wel je betekenis. Het is wat je doet. Niet zozeer het ge­beuren maar de reden die er achter zit. En dan blijkt dat de beteke­nis van een mens op de wereld eigenlijk heel anders is dan hij zelf denkt.

De mens kijkt ook teveel naar: wat heb ik en wat ben ik. Hij zal moe­ten vragen: waarom ben ik, waarom heb ik? Als hij de redenen kent, dan weet hij wat hij voor anderen, voor de wereld kan zijn. Mensen bestaan voor andere mensen. Geesten bestaan voor andere geesten. De kosmos bestaat omdat zonder dat bestaan de kosmos niet kenbaar zou zijn. Als je dan die dingen aanvoelt, dan is dat altijd beperkt, het is klein.

Ik heb een vriend gehad. Hij zei vier dagen voor zijn laatste vlucht: ik maak nog twee missies, van de derde kom ik niet terug. Dat was waar. En niet omdat hij een fout maakte, maar gewoon omdat hij, zoals onze plane, ook, pouf, de andere kant uitging. Hij wist dat. Maar waarom wist hij dat? Ik denk dat hij voelde dat hij niet meer paste in dit geheel en dat hij dat vertaald heeft in een doodsverwachting: wat ik nu ben, verliest zijn betekenis. Ik kan dat niet langer zo zijn, dus moet ik anders worden. En anders worden, was voor hem to die. Het is een manier van denken.

Nu weet ik dat het voor u vervelend is. Ik vond dat ook erg verve­lend. Ik hield ook niet van denken. Weet je, als je denkt, dan erger je je. Hoe meer je je ergert, hoe slechter je over anderen denkt. Hoe slech­ter je over anderen denkt, hoe minder vrede je kan hebben met jezelf. Maar als je al denken wilt over de geestelijke werkelijkheid, dan moet je denken aan het waarom van je zijn en de betekenis die je hebt. Je gevoe­lens die je hebt, blijken dan niet voort te komen uit een of andere helder­ziendheid of heldervoelendheid, ze blijken in de eerste plaats voort te komen uit je eigen aanvoelen van je eigen betekenis en de mogelijkheid om die betekenis in deze vorm te handhaven.

Zolang je je eigen betekenis ontkent, zul je altijd ongelukkig zijn. Op het ogenblik dat jij alleen maar betekenis wilt hebben voor jezelf en niet voor àl wat er is, ben je ongelukkig. Op het ogenblik dat je begrijpt: het gaat er niet om wat ik doe of denk te zijn of wat anderen denken dat ik doe of ben, maar hoe ik de functies, de mogelijkheden van al die anderen door mijn bestaan alleen in stand houd, dan wordt de we­reld anders, dan kun je happy zijn.

Ik heb genoeg gezegd. Mijn Hollands is niet zo goed geworden als ik had gehoopt. Ik geloof toch wel dat u heeft begrepen wat ik wilde zeg­gen. Ik hoop dat u het goed zult verwerken. Nu moet u niet denken dat u dat op aarde zonder meer kunt begrijpen. Dit is meer een kleine reser­ve, een mogelijkheid om nog wat extra kracht te vinden, wat extra vreug­de, weerstand te vinden tijdens een gebeuren als je denkt: mijn God, hoe moet dit verder gaan? Ook daar is het voor.

Een mens die probeert in een geestelijke werkelijkheid te leven, is op aarde geestelijk gestoord. Die moeten er echter ook zijn. Maar ik geloof niet dat iemand er de voorkeur aan geeft om dat te zijn. Ga gewoon verder met leven. De geestelijke werkelijkheid is er. Je bete­kenis is er. De zin van je bestaan in velerlei werelden en niet alleen maar vandaag de dag en in deze tijd is er en blijft er. Als je je af­vraagt: waarom? kom je soms een eind verder. Maar je moet je nooit af­vragen waarom iets anders is. Altijd afvragen: waarom ben ik zo? Waarom doe ik zo? Als u dat doet, dan merkt u dat u zelf ook invloed heeft. Dat u daardoor vanzelf ook een beetje meer vrede kunt hebben met het feit dat u nog hier beneden zit. En als u het dan niet afmaakt en u komt bij ons, dan is dat ene stukje van de puzzel weg, de puzzel die u zelf bent. En dan ligt hij helemaal in puin en kunt u weer terug­gaan om dat ene stukje te zoeken.

So, make your life. Make the best of it. Be happy. Be good, if you can. That’s difficult.

Leef je leven. Probeer nooit een ander te bepalen want jij wordt, of je wilt of niet, door anderen bepaald. Accepteer het en je hebt iets gevonden van een geestelijke werkelijkheid, ook als je daar niet over na­denkt. En denk je wel eens: waar moet dat heen? denk dan even terug aan dat deel zijn van alle dingen.

Nu heb ik werkelijk alles gezegd wat ik kan zeggen. Thanks, see you again.

Dat was een oude bekende. Voor degenen die de Orde al langer ken­nen, is Bill zeker geen vreemde. Wij vonden het passend om hem met zijn bijzondere ervaringen in de laatste tijd weer aan het woord te laten. Misschien heeft hij iets bijgedragen tot de duidelijkheid van het onderwerp.