Geestelijke waarheid, geestelijke werkelijkheid

8 juli 1962

Ja, nu zitten we hier op een zonnige dag. Mensen, die de zomer weer voelen. En moeten we gaan praten over geestelijke waarheid, geestelijke werkelijkheid.

Misschien is het vreemd dat ik dan in de eerste plaats denk aan de mysticus Franciscus van Assisi, die voor mij een voorbeeld is van zon en zonnigheid. “Ik loof u, zuster Zon, die uit uw stille, stralende zegen tot de aarde nederdaalt…….”  Een slechte vertaling, maar het drukt het gevoel van verwantschap uit tussen de mens en de hele wereld, het heelal. Je kunt natuurlijk denken, dat bepaalde dingen erg belangrijk zijn. O, het komt zo vaak voor, dat de mens zijn zinnen heeft gezet op het een of ander en dat hij dat met alle geweld wil doorzetten, vervullen en volbrengen. De vraag is alleen maar; waarom? En dat waarom, ja, daarop zouden we een antwoord moeten zoeken. Het is misschien wel niet zo zonnig als de dag hopelijk zal blijven. Maar, waarom is de mens zich zo weinig bewust van zijn verwantschap met het Al? Als mens leef je in een wereld van gedachten. O, het zijn vaak heel goede en heel vriendelijke gedachten. De een wil uittrekken om de wereld te veroveren; de ander wil de wereld bekeren, en de derde wil de hele wereld gezond en gelukkig maken. Maar ze bereiken niets, omdat ze alle tegenstellingen uit de wereld willen weghalen.

De mens denkt niet aan de natuur als aan afwisseling. Als u de zon ziet, dan hoopt u dat het wekenlang zonnig zal blijven; maar u vergeet, dat ook de regen nodig is. De regen, die het mogelijk maakt dat de planten groeien en bloeien, opdat ze van de zon profiteren. U denkt aan een wereld, die volkomen gelukkig zal zijn. Maar als er een volkomen geluk is, zonder het contrast van het leed, waar blijft dan de waarde van het leven? Hoe kun je dan nog werkelijk blij zijn? De mens denkt aan een wereld, die alleen maar gezond is. Maar mensen, die gezond zijn, zouden die zich nog bewust zijn van hun lichaam, van de wetten der natuur, van de verplichtingen, die de natuur oplegt? Helemaal niet.

De mens is a.h.w. een eenrichtingsstraat: “Eén kant gaat alles uit,” zo roept hij. “We gaan maar een richting uit in het Al. En er is maar één weg, er is maar een waarheid en er is maar een begrip, dat goed kan zijn en al het andere, dat deugt. niet.” En als hij een afwisseling accepteert (wat voorkomt), dan meent hij dat die afwisseling moet komen als hij er rijp voor is. Wanneer er dagenlang een zinderende warmte is geweest, dan verlangt hij ineens naar koelte en een beetje regen en misschien naar een onweersbui. Maar als die onweersbui komt, terwijl hij juist zon zou willen hebben, dan zegt hij dat het verkeerd is, dat het fout is. De mens wil geluk hebben. Maar als een dier sterft, roept hij uit: “Wat wreed, dat het arme dier moet sterven.” En wanneer een mens wordt geboren, zegt hij: “Wat een geluk.” Wanneer een mens naar een gelukkiger en zonniger wereld overgaat, dan roept hij uit: “Hoe wreed, hoe jammer, dat dit leven in zijn bloei moest worden gebroken.” En al wat erbij hoort. Maar is dat logisch? Is dat redelijk? Daar hebben we dan de vraag, geloof ik, beantwoord. De mens is in feite niet redelijk. Niet eens volgens zijn eigen normen; en wat de kosmische normen betreffen, daaraan gelooft hij eigenlijk niet eens. O, hij neemt ze wel aan. Wanneer ik u zeg; Er is een kosmisch licht en een stralende kracht (die er inderdaad is), dan neemt u het graag aan. Dan voelt u de trilling van het warme, voile leven, dan voelt u de intense kracht, die u plotseling iets boven uzelf uittilt.

Maar als ik u zeg: Dit is altijd met u. Ga nu naar buiten en manifesteer die kracht waar ge kunt, dan wordt het wel eens erg moeilijk. Want je staat op de tram te wachten en ze komt niet; en dat is zo vervelend. De mensen, die jij nu juist zou willen zien als overtuigd van jouw denken, jouw ideeën en jouw geloof, die spotten er een beetje mee, en dan is de wereld zo droef, dan is er geen licht. De mens stelt zijn voorwaarden aan God. De mens stelt zijn voorwaarden aan het leven. Hij probeert zijn wetten en inzichten op te leggen aan de natuur. Hij probeert iedereen in een kader van gelijkvormigheid te dwingen. Maar als je daarmee begint, is het verkeerd. En daarom moet ik juist zo denken aan Franciscus. Franciscus, de blijmoedige zwerver, de diep mystiek voelende mens, die met evenveel genoegen tot de vogels sprak of een wolf bekeerde of tot de vissen predikte als hij dat voor de mensen deed. Er is geen verschil. Het verschil maakt de mens.

Eenheid is het kosmisch zegel, waaruit het Al instand wordt gehouden. Eenheid is het magisch woord, waarin God Zich aan de mensen openbaart. Eenheid is de levende kracht, die het Al doorstroomt. De mens, die de eenheid in zichzelf beseft, heeft er deel aan. Maar de mens, die uitgrijpt naar de verdeeldheid, naar zijn inzichten, naar zijn eenzijdig streven alleen, die geen begrip wil hebben voor de band, die tussen alle dingen bestaat: de juiste vorm, waarin lijden en vreugde, zon en regen, storm en kalmte, winter en zomer elkaar afwisselen, die kan immers niet één zijn met het Al, indien hij zijn eigen mening oplegt aan alle dingen. Ja, het is misschien een beetje diepzinnig, als u tenminste de consequenties nagaat, zeker voor een zondag als deze, waar de meeste van u waarschijnlijk hunkeren naar het ogenblik dat ze zich weer in de zonneschijn kunnen koesteren. Maar laat ons nu eens proberen dit mystieke geheel, deze kosmische eenheid, toch eerst even te begrijpen. Want dan kan de zon pas voor je zingen, terwijl ze met haar stralen aan de hemel een toverspel van kleuren schept, dat opgloeit in heel de wereld.

Wanneer ik leef, ben ik één met alles. Of ik het besef of niet, ik heb mijn plaats, mijn taak, mijn vaste doel en mijn vaste bestemming. En wat er ook gebeurt, of ik me verzet of ik het aanvaard, ik heb mijn vaste plaats, mijn vaste bestemming en ben ik ten slotte deel van het grote geheel. Wanneer ik me door de mensen verkeerd behandeld acht, dan ben ik dwaas, want ik heb mijn plaats en mijn taak. Die plaats en die taak houden ook in, wat er hier gebeurt. O, zeker, ik heb een vrije wil. Ik kan me verzetten tegen alles, wat me niet convenieert. Ik kan een kruistocht beginnen om mijn rechten te handhaven. Maar als ik dat ga doen, ontken ik de eenheid, en ik ben deel van de eenheid. In elke mens, in elke geest, in elke bewuste kracht ligt de kosmos, God.

Wanneer een mensenoog ziet, ziet God door het oog van de mens. Wanneer een mens spreekt, dan spreekt ergens God mee, want zonder Hem zou er niets zijn. En wanneer de zon schijnt, dan is het God, Die Zijn licht geeft. Wanneer de maan met haar bleke schemer de aarde overspoelt, totdat ze wordt als een zee van zilver, grijs en blauw, dan is het God, Die met het toverpalet der weerkaatsing de wereld voor een kort ogenblik een nieuwe gestalte geeft. God spreekt in de jagende wolken en in de storm. God ruist op de aarde neer met de regen. God spreekt in de roep van de vogels. God spreekt met de stem der dieren. God is de stilte en het overweldigend geluid van een eruptie. God is de vulkaan, die dreigt alles te vernietigen, en is de vredige stilte van het Zomerland, de schoonheid van lichtende sferen, God is Al. Wanneer ik God erken in alle dingen, dan zal ik nooit eenzaam zijn en zal mijn leven nooit zonder doel en zonder zin zijn. Want als ik zwijg, omdat zwijgen het enige is, dat ik kan volbrengen, dan is het God, Die in en met mij zwijgt. En wanneer ergens in mijn hart als een vlinder, die zich pas heeft ontpopt, de vleugels van de vreugde zich ontvouwen, wanneer ergens uit mij een nieuwe uitingsmogelijkheid, een openbaring opwiekt naar de vrijheid, dan is het God, Die al wat in mij geschiedt, de teer trillende vleugels van een mensenziel, beroert met Zijn kracht en op Zijn adem a.h.w. het nieuw gebeuren draagt naar verwerkelijking.

Het leven kan vreugdig zijn, want God is vreugde. Maar het kan alleen vreugdig zijn, indien wij alle dingen erkennen en als wij kunnen spreken tot de giftige slang, die ons bedreigt: “Ach, zuster, waarom zoudt gij mij bedreigen? Ik ben geen voedsel voor u, ik heb geen nut voor u en ik erken in u het licht van de Lichtende. Erken gij in mij het licht, dat in mij leeft.” En als de wolf verscheurt, zeg dan tot hem: “Zijn wij geen broeders? Wanneer ge honger hebt, kom tot mij en ik zal u voeden,” En hij laat zijn wildheid achter, want ook hij leeft in en uit God. Wanneer de geest komt en mij dreigend aanschouwt met een demonisch gelaat, dan roep ik hem toe; “Zijt gij dan niet hetzelfde licht als ik? Ik vrees u niet, want wij zijn versmolten in de eenheid, die God heeft geschapen.” En hij zal wegvluchten, als hij niet erkent. Maar hij zal worden tot licht, tot de gestalte van een engel, indien hij wel erkent. O, het leven is vreugde en eenheid en kracht. Dat wat ik ben, leeft in ieder ander. Dat wat ieder ander is, leeft in mij.

Dat is de mystiek van Franciscus. En dat is de waarheid omtrent de mystieke eenheid in alle dingen. Wij zoeken zo graag naar een voorstelling, die ons past. We willen ons de wereld der mensen wel voorstellen als ‘s Heren tempel, steen na steen opgebouwd en samen gedragen, totdat van de hoogste tinnen de vaan der bereiking wappert. Maar waarom zouden we bouwen? God heeft gebouwd. Waarom zouden wij proberen een plaats te bepalen, als God die plaats reeds heeft bepaald? Waarom zouden wij voor onszelf een taak zoeken, als er altijd een taak voor ons klaar ligt, omdat God ons een bepaalde bestemming heeft gegeven? Het klinkt als een aanmoediging tot een “laisser fairé, tot een “dolce far nienté, tot een rust zonder gelijke. En in zekere zin is dit zo. Want wanneer ge nu eens even luistert, voor een heel kort ogenblik, hoort ge dan niet achter het rumoer van de stad de vogels zingen?

Wanneer ge een ogenblik luistert in uzelf, hoort ge dan niet hoe achter de storm en het lawaai van uw eigen gedachten de engelen zingen, ook in uw hart? Wanneer ge u zo gegrepen voelt door machten en krachten, wanneer uw wezen in oproer is, kunt ge dan niet even luisteren en ontdekken dat achter dit alles de gouden, zonnige stilte ligt van de goddelijke eenheid, de verbondenheid met alle dingen? Misschien is het dwaas om hierover zo ver door te praten, want de mens zoekt al heel snel naar de praktische betekenis en de praktische waarden. Maar kan ik u nu een praktische waarde geven van deze eenheid?

De conclusie zult ge zelf moeten trekken; want ge zijt een met God en ge zijt toch uzelf. Ge zijt verbonden met het Al en ge kunt u niet onttrekken aan uw feitelijke betekenis en bestemming. En toch hebt. ge een zekere vrijheid om deze zelf te beleven, te zien en zelfs zo nu en dan een weinig te wijzigen, ofschoon ge altijd zult moeten herstellen, waar ge zijt afgeweken van het werkelijke pad der bewustwording. Wat kan ik u praktisch daarover eigenlijk vertellen? Heel weinig. Ik kan u misschien vertellen, hoe ik geloof. Ik kan u iets vertellen misschien hoe ik leef. Maar ik weet niet eens, of ge me zult kunnen begrijpen. En toch zijn we één; gij en ik en mijn vrienden hier rond mij en al wat er is, we zijn een eenheid.

We kunnen aan die eenheid nooit ontkomen. Die eenheid is blijvend, eeuwig en onveranderlijk. Laat ik het daarom proberen. Misschien dat ik ergens een echo in u wek, waarin het mystiek denken, het beleven van een andere wereld en uw eigen beleven toch een bepaalde balans vinden, een gezamenlijke klankbodem juist in die eenheid, die ons verbindt. Ik geloof. Geloof ik in God? Ik weet het eigenlijk niet. God is zo’n groot woord en zo’n groot begrip. Maar ik geloof in een levende eenheid. En ergens voel ik dat er een bewustzijn is.

Welk? Ach, wie ben ik om dat te bestemmen? Hoe kan de zandkorrel zeggen wat de vorm is van het strand? Hoe kan de steen zeggen wat de architectonische structuur is van een gebouw? Waarlijk, ik weet het niet. Is er een God, zoals wij dromen en denken; of is er iets anders? En toch geloof ik. Ik geloof in de zin van alle dingen, die gebeuren. Ik geloof in de zin, de betekenis van alles, wat in mij bestaat. Ik geloof in de zin, de betekenis van de band met al het geschapene en ik meen voor mijzelf te mogen stellen: Als er een kracht is, die alles voor mij omspant, dan is dat het gulden licht der waarheid. De waarheid van mijn wezen en van uw wezen is dezelfde. Er zijn geen twee waarheden en geen twee wegen, als we komen tot de werkelijkheid. Dat geloof ik. Ik geloof, dat alle verschijnselen eigenlijk dezelfde zijn.

Wanneer ik de lichtende kleurensluiers van mijn eigen wereld zie en ik zie hoe de teer verlopende tinten een loflied vormen op de Schepper, dan denk ik soms aan een vogel, die niet eens weet, waarom hij zingt, die in de naderende nacht met zwellende tonen het nachtegalenlied vlecht, als een heiligdom, dat wordt versierd met een rij parels. Ik geloof dat, wat er in mij leeft en wat er in de vogel leeft, gelijk is. Ik geloof dat, wat in mij bestaat aan kracht en aan gevoel en aan streven, een weerklank zal vinden in alle dingen, ook al kan ik die weerklank niet altijd beseffen, maar ik geloof dat ze er is; leven, licht, kracht en vreugde. En vreemd, als ik zo nadenk over wat ik geloof, dan geloof ik eigenlijk dat de uitdrukking van de werkelijkheid een glimlach is. Niet de luide, aanhoudende schaterlach, maar de uitdrukking van een innerlijke vreugde, een aanvaarding, en misschien ook een heel klein beetje zelfspot over de belangrijkheid, die je voor jezelf meent te vinden. En ik denk, dat de schepping zelve precies zo zal zijn.

Wanneer ik de vissen in het water zie schieten, soms met dromerige, sluierende bewegingen, soms als fel schietende zilveren pijlen in het duister van het groenachtig bruine water, dan denk ik aan mijn gedachten. Zoals de gedachten in mij heen en weer schieten in het onbegrepen water van mijn wezen, zo schieten de vissen in een vijver heen en weer. En mijn gedachten en die vissen, zouden die zoveel verschillen? Ik wil zeggen, dat de vis niet weet en niet denkt, zoals ik, denk en weet, maar verandert dat veel? Moet ik dan werkelijk de gradatie van het bereiken van geestelijk bewustzijn en menselijk denken toepassen? Of mag ik die alleen maar zien als een uiting van mijn eigen behoeften een aanduiding van mijn plaats misschien in de schepping?

Waarlijk, ik geloof dat al, wat wij bewustwording en bewustzijn noemen, belangrijk voor ons is, omdat het onze plaats is; maar dat het helemaal geen betekenis heeft voor het Al. En ik geloof, dat als er een hemel is en soms denk ik dat onze lichtende wereld een hemel is dat de vis daarin zijn plaats heeft, en de mug en de vlieg en de vlinder? dat de planten er hun plaats vinden en dat ze alle even lichtend zijn. Ik geloof in een vreugdige eenheid van alle dingen, die ontstaat als je begrijpt hoe je verbonden bent, allen, zonder uitzondering. Er is een tijd geweest dat ik heb opgezien tegen de grootmachten; de Engelen, de Tronen, de Heerschappijen. Nu denk ik soms: Ach, zoals ik ben tegen een bloem, een vis, een vogel, zo zullen zij zijn tegen mij en zij zullen tot zichzelf zeggen: “Ziet, dit wezen is deel van dezelfde eenheid, zo schoon als ik en zo lichtend als ik. Hoe jammer, dat men dit nog niet beseft!” Maar misschien zeggen ze dat niet eens.

Het zou misschien indrukwekkender zijn, als ik u zei, dat ik geloof in een liefdevolle God, een liefdevolle Vader. Maar ik weet het eerlijk niet. Ik kan me geen liefdevolle Vader voorstellen, Die zorgzaam zijn stoffelijke en geestelijke kinderen toestopt, wanneer ze vermoeid door het spel van de dag de ogen sluiten. Ik kan me geen Vader voorstellen, Die aan al Zijn schepselen een zakgeld verstrekt. Ik kan me geen Vader voorstellen als Heer van de schepping, Die tuchtigt. Want als ik probeer door te dringen tot de kern van de dingen, dan vind ik daar een serene vrede, een glimlachende vrede, zoals een korenveld dat een ogenblik heel zachtjes beweegt in een opkomende wind, goud en stil en vredig, misschien soms ruisend, meer niet. Ik geloof in de vreugde van het leven. De vreugde van de zwerver misschien wel. De volheid van vreugde, die je kent, als je ziet hoe gedachten zich ontplooien als een spel van kleurige lichten; als een gebed wordt tot een wervelende zuil, die tot in de hoogste hemelen reikt. Dan ben ik ergens gelukkig door die schoonheid. Dan voel ik mij beroerd door een vreemd geweld en toch gelijktijdig besef ik, al deze beweging keert terug tot een gouden stilte. Ik weet niet, of ge het u kunt voorstellen?

Wanneer ik uw wereld zie net alle mensen, met alle drukte, met het gedraaf en gejacht, met de persoonlijke belangrijkheid, dan doet het me soms denken aan een stormachtige zee. En dan zie ik de golven brullen en denk; Ach, brul maar door, zo dadelijk zijn jullie wolken, die langzaam aan de hemel drijven, een ogenblik een schaduw werpend voor de maan, of een versiering vlechtend van kleine, witte wolken, die hoog aan de hemel staan en door hun witheid het blauw reliëf geven, waarachter de sterren en de einder zich scherper aftekenen. Misschien is het dwaas; naar zo geloof ik het.

En ik kan proberen u duidelijk te maken, wat ik als belangrijk zie. Want als ik zo spreek, lijkt het misschien, of ik niets belang vind. Belangrijk is het voor mij, dat de eenheid wordt erkend, dat mensen zich één voelen met elkaar. Belangrijk is het voor mij, dat een mens zich kan koesteren in de zon, of dat hij met een uitgelaten kreet zich kan laten nat regenen. Belangrijk is het voor mij, dat een mens haast juichend tegen de wind in stormt en een ogenblik verstild het geweld ondergaat van een stormachtige zee, of zijn gedachten laat wegglijden op een pad, getekend door een ondergaande zon in de metalen spiegel van een oceaan, die rust. Belangrijk is het voor mij, dat de mens een is, een met alle dingen. Dat hij de tegenstellingen vergeet. Dat hij een ogenblik zichzelf vergeet en al zijn zorgen en noden, zijn bedreigingen en daarvoor in de plaats iets beleeft van de kracht van het bestaan. Want als een mens vreugdig is of dat nu is in de storm en in lijden, of dat het is in zonneschijn en in vreugde dan voel ik me op een vreemde wijze daarmee verbonden; en dan weet ik dat ik onvolmaakt ben.

Maar op zon ogenblik wordt mijn wereld voller en rijker. Dan herken ik weer wat ik bijna vergeten was. Dan leeft in mij een verleden en een verre toekomst gelijktijdig in dat ene moment van besef. Eenheid is alles, alles is eenheid, alles is uit God. En dan vlecht zich uit die gedachte voor mij persoonlijk (ik spreek nu dus van uit mijn persoonlijkheid) een beeld van zinvolle omvorming. Dat klinkt misschien gek, een volmaaktheid en dan te spreken over omvorming; een eeuwige eenheid en dan te spreken van verandering. En toch is het waarheid. Je voelt het zo ergens van binnen. Daarom zeg ik ook: Ik kan me geen God precies voorstellen. Ik kan over die God praten met veel verstand, met veel logica en met veel weten, en ik kan u vertellen wat elke sfeer erover zegt, maar wat ik geloof, wat ik beleef, dat is toch wat anders. Maar het is vaag, want God is zo ver en zo dichtbij tegelijk. En dan denk ik: Ja, altijd weer vindt ergens een wezen zichzelf: een geest of een mens; een bloem misschien, die openbloeit, een dier dat door het woud loopt. Wie weet? En als het zichzelf vindt, dan begint er een verandering. Ik zie God eigenlijk meer als een bouwende en hervormende kracht in onszelf. De eenheid is er, maar op het ogenblik, dat die God in ons werkzaam wordt, breekt en kraakt het in je wezen. Dan wordt alles afgebroken wat niet deugt. Dan word je a.h.w. zo hervormd, dat je die eenheid kunt beleven, dat je die kunt aanvaarden en dat ze werkelijkheid voor je is. O, ik ben zeker vervelend op deze zonnige zondag. Maar als je het zo beleeft, hoe kun je het dan anders zeggen? En juist op deze dag, dat de mensen zeggen: “Ha, misschien komt toch eindelijk de zomer nog,” ben ik geneigd te zeggen: Ach, mensen waar maak je je zorgen over? O, ik weet het, de een is lichamelijk niet in orde, de ander heeft problemen, en de derde vraagt zich af, wat de zin van het bestaan is en hoe je nog iets kunt betekenen voor anderen. Ik weet het wel. De een zou graag de tovernacht hebben om mensen te genezen en de ander zou de gave van het woord willen hebben om anderen te overtuigen, ik weet het heus wel. Maar als ik het dan zo zie: die zon en de mensheid en dat gevoel van: ha, het is eindelijk zomer, dan wordt in mij iets van die vreugde wakker en zeg ik: Ja, dat is nu het gevoel, het geluksgevoel van de sferen. Wat stil misschien en maar half begrepen, alsof je hart een klein beetje sneller klopt, als je mens bent en je de verwachting hebt, dat het morgen Sinterklaas of Kerstmis zal zijn, dat het morgen een grote dag zal zijn.

En dan zeg ik zo: Mensen, jullie zoeken nu wel allemaal die dingen, maar als je nu de eenheid accepteert, de eenheid beseft, de eenheid aanvaardt, dan is die vreugde er toch, wat kan je dan deren? En indien het dan noodzakelijk is, dat je doden opwekt, nu ja, dan wek je doden op. Dat is toch niets bijzonders? Jij bent het niet, het is God in jou. Jij bent deel van een kosmisch geheel. En als het noodzakelijk is, dat je goede woorden spreekt, dat je precies het juiste zegt, dan spreekt God met jouw stem. En als je voor een ogenblik uitkijkt over de wereld en je wordt dronken van schoonheid, dan is het God, Die Zich bedrinkt aan de schoonheid van Zijn eigen wezen door jouw ogen. Waarom zou je je dan zo druk maken?

Leef, streef en werk, daarvoor ben je mens. Zoals wij leven, streven en werken, omdat we geest zijn. Maar doe dat niet met dat krampachtige, dat gespannen van “ik moet wat bereiken. En als het nu maar gaat, als ik nu eindelijk maar dit of dat doe!” Doe het een beetje stil, mens, een beetje rustig, want alles is goed. Ik zou kunnen spreken over het aanbreken van de dag van Aquarius, van het opgaan van de zon, die op het ogenblik vreemde loodkleurige wolken belicht met hier en daar een zilveren rand en ergens een veer van groen en purper en roze, terwijl de hele wereld ligt in de sidderende verwachting, niet wetend wat er komen zoals de storm, die hele wouden van de mensheid neergeselt of misschien een dag met stilte en vogelzang, rust en zon. Maar ik geloof in de zon en ik geloof in het licht.

Dat is maar geloof. Maar hoe kan ik niet geloven, als iets in mijn wezen spreekt, als ik in mezelf weet: Dit heeft zin, dit heeft betekenis, dit wordt de volheid van het leven. Is het dan zo belangrijk, wat ik doe? Als ik maar kan beantwoorden aan die eenheid, welke in mij wordt beseft. Als ik iets mag betekenen voor een ander mens, voor een dier, voor een plant. Als ik maar iets mag betekenen al is het misschien maar een schim van licht voor een ander, die wat ongelukkig is, dan ben ik tevreden, dan kan ik glimlachen, dan kan ik de schoonheid van de opbouw zien. En dan zal ik zeker bewuster worden, dat weet ik wel en zal ik dichter bij de werkelijkheid komen. O, ik besef het heel goed, dat is het proces, dat is wat toch gebeurt, als maar eerst die eenheid besef, die broederschap, die lichtende vreugde.

En daarom zou ik eigenlijk op een dag als vandaag geen geschikter onderwerp weten dan juist deze lofzang, een lofzang op de schepping. In licht en in duister, in storm en geweld, in luister van vrede,in felheid van rede en in verdiepte stilte van geloof leeft God. In mijn zorgen, in mijn pijn en mijn lijden, in mijn vreugde, mijn bereiken en bewustzijn leeft God. Waar ik ook ben en waar ik ook ga, God treedt me tegemoet. God is het stof van de wegen, waarin mijn voeten treden. God is het water, dat mijn dorst lest. God is de boom, die me schaduw geeft en de zon, die me verwarmt. God is de geborgenheid van de nacht en de openheid van weidse velden. God is de rechtvaardigheid, die mij dwingt om mijzelf te zijn en te worden tot mijn waarlijk wezen. God is de liefde, die me de kracht geeft om steeds te gaan, steeds te bereiken en toch ondanks alles steeds weer de vreugde, de stilte om mijzelf te kennen. God is voor mij zuster Zon. Hij is zuster maan. Hij is de broederschap van het woud. Hij is de kleurige gemeenschap van de bloemen, die in hun kleuren vragen, of ik hun schoonheid wel besef. God is de adelaar, die zweeft, hoog aan het zwerk. God is het werk, dat ik verricht op aarde. God is de sfeer en de lichtende kracht. God is de macht, die zelfs in het duister Zijn luister openbaart. En één met dat alles ben ik; broeder van al wat leeft, verwant met al wat leeft, een met al wat leeft. Waar is grootser macht, waar is grotere schoonheid en juister recht, waar een intenser lichtende liefde dan in dit Al?

Zon of regen, winter of zomer, het is verwant met mij. Zal ik dan niet, tot de wereld roepen: Broeder, zuster, laat ons blij zijn, laat ons vrolijk zijn, laat ons innerlijk juichen, laat ons dronken worden van schoonheid en laat ons beseffen, dat altijd weer de waarheid tot ons spreekt. Als ge dat kent, als ge dat beseft, vrienden, zoals ik het mag beseffen, dan weet ge dat er geen lijden en geen ongeluk en niets meer bestaat, niets meer dan het lichtende zijn, waarin ge de waarheid beseft. En misschien – wie zal het zeggen – zullen we die waarheid beseffen, welke de juiste werktuigen in de hands Gods zijn.

o-o-o-o-o

Ik bevind mij in een wat moeilijk parket; want als de dichter zingt van de werkelijkheid, hoe moet dan de denker de juiste gestalte vinden voor zijn gedachten? Als het gevoel de wereld overspoelt, hoe moet je dan nog wetmatig en ambtelijk een uitdrukking vinden voor alles, wat er is gezegd?

Zoals u weet, heeft een tweede spreker op deze bijeenkomsten de taak om de eerste te commentariëren. Wat moet ik nu eigenlijk zeggen? Want wat er is gezegd, is waar, volledig waar, en ik geloof niet, dat ik er een van kritiek op durf uiten; ook de vorm durf ik niet kritiseren. Misschien is het u gegaan als mij, ik heb toegehoord en het was me, of er ergens in mijn hart iets werd beroerd, of ik iets beleefde. Ik zei tot mijzelf: Ja, dat is waar, dat is de vreugde van onze wereld, dat is de zin van het bestaan. Maar toch moeten we even proberen ook wat zakelijker te zijn. U bent ten slotte allemaal mensen. En het is misschien aardig om de honing te puren uit de goddelijke eenheid, maar zolang je nog niet volkomen aan die eenheid gelooft, moet je ook voor je boterham zorgen.

En daarom wil ik proberen – niet als een kritiek en zelfs niet als een aanvulling, maar toch uitgaande van het meer menselijke, het meer beperkte – een paar dingetjes te zeggen. Als u lijdt, komt uw lijden op de een of andere manier uit uzelf voort. En dan is het wel goed te zeggen dat God in dat lijden ook tot je spreekt, maar dan krijg je toch zo’n klein beetje het idee; Ik wou dat God nu eens een andere stem uitkoos dan die vervloekte kiespijn. Met andere woorden: het mag waar zijn, dat God in de regen zowel als in de zon is en in de vreugde zowel als in het lijden, maar er bestaat toch wel een uitgesproken voorkeur voor de zon en voor de vreugde.

En daarom lijkt het mij voor ons verstandig, als we eerst eens proberen alles te converteren, dus om te zetten in zon en in vreugde. Het lijkt mij dan verstandig, dat je als mens of als geest, die nog niet die eenheid altijd en volledig beleven kan, probeert van de nood een deugd te maken. Als het regent, moet je proberen zelf de zon te vervangen. Uit de eenheid zou het kunnen, want God is regen en zon. Als het buiten maar regent, laat mij de zon zijn; ik verdrijf de regen. Als er ergens in of buiten mij lijden is, laat mij dan proberen eens gezondheid te zijn, laat mij proberen uit mijn geestelijke kracht niet een bestrijden van het lijden tot stand te brengen (het is een deel van God), maar om ergens het tegenwicht te vinden om uit de ziekte a.h.w. gezondheid te maken door haar op de juiste manier te aanvaarden en om te zetten in een juist beleven. Als je meent, dat je verstand niet toereikend is om te begrijpen, neem je geloof en wees ervan overtuigd, dat het dan de verstandelijke middelen geeft. Natuurlijk is het allemaal een beetje kinderlijk, want als je kiespijn hebt, dan praat je haar niet weg. Maar doe ertegen wat je kunt en ga uit van het standpunt; Als ik nu maar doe, wat ik kan zonder daarbij enige uitzondering te maken of een preferentie te tonen, de eenheid accepterend dan zal door datgene, wat ik doe, het lijden verdwijnen, bij mijzelf of bij anderen.

Als ik nu maar accepteer wat er in mij aan kracht en bewustzijn is, dan zal daaruit een wijsheid groeien, die voor het hele Al bestaat. U zou dus moeten uitgaan van het standpunt, dat uzelf beperkte middelen hebt. Doe met die beperkte middelen wat ge kunt, dan krijgt u de rest erbij. Om even in de soms wat dichterlijke, kinderlijke stijl van onze vriend te spreken, zou ik willen zeggen: Stel je jezelf voor als een kind, dat voor een fiets of voor een stuk speelgoed spaart. Wanneer je zelf iets hebt gespaard, dan legt God er de rest wel bij, God is de vader. En dan wil ik niet zo kinderlijk zijn om te denken aan een God, Die Zijn kinderen zakgeld geeft. Maar het lijkt me toch wel, dat we ergens steeds een kapitaaltje meekrijgen. We krijgen leven, we krijgen denken, we krijgen bewustzijn, dus we krijgen de mogelijkheid om ons te ontplooien. En dat zie ik wel degelijk in tegenstelling met mijn overigens zeer gerespecteerde, mystieke vriend als zakgeld. Wat wij sparen uit ons eigen leven, ons eigen ervaren, met een bepaald doel, zal – als we intens genoeg sparen om iets te bereiken – vanzelf met zich brengen dat de rest ons wordt gegeven.

We weten niet wanneer en we kunnen niet precies zeggen hoeveel het zal zijn. Misschien sparen wij voor een sportfiets, maar de Vader zegt: “Neen, begin nu maar eens met een driewielertje.” Dan kunnen we daarover wel erg ontevreden zijn, maar we moeten het accepteren. Al wat wij hebben wordt aangevuld. Laten we dus niet alleen maar proberen om die mystieke eenheid te ondergaan, maar laten we gelijktijdig eens proberen om onze eigen middelen zo goed mogelijk te gebruiken. De gedachte aan eenheid – ik heb het al gezegd – onderschrijf ik volledig, ik ben het daarmee volledig eens. Ik hoop u ook. Als ik dus aan die eenheid geloof, als ik het besef heb dat ze bestaat, dan zal ik mijn beperkte middelen zo goed mogelijk moeten gebruiken om die eenheid voor mezelf te realiseren en uit te drukken tegenover anderen. En als ik dat doe, dan komt er het ogenblik, dat ik er ook op reken, dat uit het Goddelijke wordt aangevuld wat mij tekort komt, waar ik niet kan slagen.

Misschien begrijpt u wat ik wil betogen. Het is erg moeilijk te proberen redelijk te reageren op een zo dichterlijke en mystieke spreker. Ik zou hier misschien het best regels kunnen stellen.

1e Wanneer een mens naar zijn beste weten en krachten, gelovend in en werkend in de richting van de kosmische eenheid, zijn wezen inzet en geeft – zelfs als dit geschiedt volgens menselijke beperkingen – dan zal het Goddelijke deze eenheid verwerkelijken en mogelijk maken op elk vlak en elk terrein.

2e Al wat ik afkeur, bestrijd en ontken, zal voor mij een steeds grotere vijand worden in het leven. Al wat ik echter erken en waarin ik het goede en het Goddelijke zoek, zal door mijn eigen streven om dit goede te versterken voor mij tot het goede worden.

3e Niets is mij onmogelijk, zolang ik in de mogelijkheid geloof. Want indien ik volledig aanvaard dat er een eenheid is, volledig geloof dat alle dingen mogelijk zijn en de verwerkelijking , daarvan niet voor mijzelf of uit mijzelf alleen opeis, dan zal uit het Goddelijke mijn pogen tot verwerkelijking worden beloond met een slagen.

4e Indien wij mens of geest zijnde in een beperkt begrip eerlijk streven, zal ons het begrip worden gegeven, waardoor wij bewuster, meer omvattend en juister kunnen streven, tot het ogenblik dat ons streven een erkenning van de eenheid is geworden en wij in deze eenheid de mystieke verwerkelijking van ons eigen bestaan als kosmische waarde ervaren.

Dit zijn dan mijn conclusies, die naar ik meen toch ook wel vallen in het kader van een bijeenkomst, die enigszins het karakter van wijding moet dragen. Het is me een waar genoegen geweest om naar beste kunnen en met alle tekortkomingen vandien een commentaar te geven op een onderwerp, dat ook voor mij zo levend is, dit begrip van de lichtende eenheid, de kosmische schoonheid die zich overal openbaart en de kosmische liefde die wij door deze schoonheid overal kunnen ervaren.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

DE JACOBSLADDER

Aarzelend, wankelend stijg ik voort. Pijnlijk gaande tree na trede van de Jacobsladder, opdat ik aan het heden mag ontkomen en mijn dromen mag zien als een werkelijkheid van gouden leven. Maar zie ik omhoog, zo lang nog is de weg, zo lang nog moet ik streven en stijgen.

En kijk ik naar onder neer, zo ver reeds ligt de wereld onder mij; dan bevangt mij duizeling en zwijgen, zodat ik rusten moet. Wie stijgen wil uit eigen kracht, de voeten bebloed door de scherpte der treden, erkent nog niet de werkelijkheid.

Kijk niet omhoog, kijk niet omlaag, doch kijk terzijde naar de kracht, die u gedurig begeleidt. En erkent gij die kracht en de lichtende zegen uit die krachten tot u gebracht, dan zult gij gaan, vliegend de ladder langs, de lichtende poort tegemoet.

Dan wordt uit het lijden een lichtende vreugde en uit duistere wanhoop de lichtende gloed van het bereiken ervaren. Erkennend en wetend stijgt men – het is uw weg – tree na trede dan voort. Maar erken, dat wie eenheid, aanvaarding kan vinden door de hogere machten geleid wordt daar, waar hij zelf niet kan gaan en voort vliegt omhoog met een wervelende snelheid.

Maar hij, die op eigen kracht vertrouwt, die slechts op eigen streven bouwt, uitgeput weer stil moet staan. En kijk niet alleen terzijde, maar zie om u heen hoe het leven steeds groeit, tot de wereld – eens zo verworpen en moeilijk ontvlucht langs de ladder – wordt tot een droom, die in een kosmisch mededogen vol schone glans openbloeit.

Stijg uwe ladder, ga uw wegen. Maar zie rond u, terwijl ge op uw God vertrouwt en zelve gaat, wetend, dat met u zijn de krachten die uw wezen niet verstaat, maar die als God gezonden machten u verheffen boven schimmenwereld, onbegrepenheid en waan en u, zodra gij moe zijt, dan in gouden vluchten opwaarts dragen.

Gij, die uw proeve hebt doorstaan, gij moogt door gulden poorten treden en buiten werkelijkheid en heden van menselijkheid en lagere sfeer zien in het gouden heden der eeuwigheid.

Kijk dan niet naar wat lager is neer, maar put het licht en word een kracht, die anderen, vermoeid nog eeuwige reeksen treden stijgend, opwaarts voert, wanneer zij uitgeput terneder zijgen, totdat ook hen het licht van waarheid, het gouden licht beroert.

Een Jacobsladder begint waar mensen dromen. Een Jacobsladder eindigt waar God de schepping droomt voor alle tijd. De Jacobsladder is de band tussen het beperkte persoonlijke wezen en de kosmische eenheid, het ware, de enige werkelijkheid.

Misschien schiet ik tekort in mijn pogen om dit zo moeilijke onderwerp de juiste betekenis te geven, maar het kan in enkele korte en oude regels worden uitgedrukt. “De adem is uitgegaan door het Al, een zachte wind, die alles beroert en tot leven brengt, weten schenkt en tot bewustzijn voert. Een adem keert weer tot zijn Schepper uit ’t Al, een bewustzijn van wereld, die lacht; een dansende vreugde om schepping volmaakt, om leven dat is volbracht. En zo, in het doven van alle licht ontstaat de droom van de werkelijkheid, die tot gouden steden voort geleid, waarin de goden voortbestaan en enkelen weer de adem geven, waaruit een nieuw bewustzijn de gouden stad zal weven, die in de Schepper, woon van al, dan lichtend herontstaat.”

Moge de zonnigheid van de dag overeenstemmen met de zon in uw harten. Moge de vreugde van de Schepper zijn de kracht, die u draagt op alle levenspaden. En moge bovenal uw innerlijke rust en vrede worden de steun, de trede, waarop gij stijgt tot hoogste bereiken.