Geestelijke werkelijkheid

image_pdf

11 oktober 1976,

Wij hebben vanavond een gastspreker die sommigen van u in het verleden ook wel als gewone spreker van de Orde (n.v.d.r. Orde der Verdraagzamen) hebben ontmoet. Het onderwerp is: ‘Geestelijke werkelijkheid’, en een klein beetje neo-confucianisme. De achtergrond van het geheel: Poorten van de Werkelijkheid. Er wordt verwacht dat ik ook het een en ander daarover zeg. Ik zou in de eerste plaats dan dit willen zeggen:

De werkelijkheid is datgene wat zich verbergt achter onze waarneming. Wat je als mens of als geest ziet en beleeft, is eigenlijk je eigen interpretatie van een zeer beperkt deel van de werkelijkheid. Wanneer je soms  ineens wordt geconfronteerd met invloeden, krachten, zaken, belevingen  zelfs die ver buiten de normen liggen die je voor jezelf hebt gesteld, dan betreed je voor een ogenblik de werkelijkheid.

 Die werkelijkheid betekent dat je heel anders denkt en beleeft dan je tot nu toe hebt gedaan. De ervaring op zich, soms teleurstellend, soms een eeuwig heimwee veroorzakend, brengt met zich mee dat je denken, je innerlijk beleven, je reactie anders wordt. Want iemand die eenmaal de werkelijkheid, al is het maar voor een ogenblik, heeft doorvoeld,  die is niet meer in staat terug te keren tot een kleiner wereldje, tot grotere beperkingen. Hij zal achter alle zaken die eens een zekerheid waren, een vraagteken zetten.

De werkelijkheid op zich is een wetmatigheid. Die wetmatigheid komt niet overeen met hetgeen wij ervan denken, Er is bv. in de totaliteit niet iets wat je rechtvaardigheid kunt noemen, want rechtvaardigheid impliceert oordeel. Er is wel iets wat je juistheid kunt noemen, of met een andere term: evenwichtigheid. Het is kennelijk steeds weer een balanceren tussen uitersten; in de balans ligt de erkenning van het totaal mogelijke.

Nu kun je die erkenning op vele verschillende manieren ervaren. Als je rechtvaardigheid zoekt, kom je toch terecht in de mystiek. Zoek je naar liefde (de totale aanvaarding), dan kom je terecht bij leven en levenskracht, bij de energie zelf waaruit alles bestaat.

We kunnen dat in kleuren tekenen. We kunnen proberen dat te schetsen in een soort hiernamaals of een paradijs dat aan de mens vooraf is gegaan, maar de werkelijkheid waarin wij denken te leven, maakt het ons onmogelijk om een lange tijd achtereen die wezenlijke toestand en de wezenlijke wetten te beleven. De redenen daarvoor schijnen te liggen in onze persoonlijke benadering.

Wanneer ik iets zie, en nu spreek ik voor mijzelf, dan ben ik ook geneigd te oordelen volgens mijn waarden en mijn normen. Of ik wil of niet, ik ga ervan uit dat wat ik denk, wel juist is, dat mijn oordeel toch zeker even goed is of beter dan dat van een ander. Wat ik zie, is dan de werkelijkheid. Als een ander iets anders ziet, dan heeft hij het mis, en zo kun je doorgaan. Nu zal ik dat allemaal onder voorbehoud zeggen, want ik weet hoe beperkt ik in mijn mogelijkheden en vermogens ben; als mens op aarde besef je dat minder snel.

De situatie waarin wij nu die Poorten van de Werkelijkheid gaan zoeken en aantreffen, is in feite het  ogenblik waarop we twijfelen aan alles, zelfs aan onszelf. Twijfel houdt in: nadenken, het verwerpen van vaste normen of waarden. Het is het zoeken naar een nieuwe betekenis of een nieuwe inhoud. Als je dat wilt doen, dan moet je eigenlijk beginnen met alles, maar werkelijk alles wat je denkt en wat je meent te weten, van een paar vraagtekens te voorzien. Vroeger zei je: Ik wéét.  Nu  zeg je: Weet ik? Wie die werkelijkheid goed beziet, zegt ook nog: Als er een werkelijkheid is, dan  moet ik haar bereiken door vele werelden.

Het is het bekende verhaal: je gaat van de ene sfeer naar de andere, door alle sferen heen en eindelijk komt er een punt waarop je eerst jezelf ontmoet en na jezelf de werkelijkheid. Dit verhaal is ergens waar. Want omdat wij allen, of wij nu stof zijn of geest, een veelzijdige wereldbelevingsmogelijkheid hebben in de verschillende voertuigen, zullen we altijd verschillende wereldwaarden en wereldvoorstellingen naast elkaar hanteren. Onze grootste moeilijkheid om door die poort te kunnen gaan, is wel dat we elke hogere waarde beschouwen aas een absolute norm.

Wanneer je als mens een hogere wereld betreedt, zul je zeggen: Dit is dan toch wel de werkelijkheid. Wanneer een geest een nieuwe sfeer binnenkomt en zijn besef ziet uitbreiden, dan zegt hij: Nu heb ik de werkelijkheid gevonden.

Wij kunnen niet vraagtekens blijven zetten. Op het ogenblik, dat je daarmee begint, heb je geen zekerheid meer, dan weet je niet meer wat je moet doen en de basis van het wezen van mens en geest is toch wel actie; je wilt iets volbrengen. Dit volbrengen zal ons zijn ingeschapen; het is een eigenschap die bij ons hoort. Het wil echter niet zeggen dat die eigenschap nu bijzonder geschikt is om de werkelijkheid te ontmoeten.

De situatie waarin men de zaak pleegt te schetsen, kan nogal eens verschillen. Een van de bekende voorstellingen is ‘het Kasteel met de 42 poorten’. En dan zegt men erbij: Maar één poort voert naar de binnenste veste. Dat is heel aardig, als men er bovendien nog bij zou zeggen: En eenieder kan alleen door verschillende poorten, en dus niet door één voor eenieder geldende poort die binnenste veste (de Werkelijkheid) bereiken.

Wij hebben allen een eigen benadering nodig om tot God of tot het Wezen van het zijn te komen. Wij hebben allemaal een bepaalde manier waarop wij grotere krachtbronnen kunnen aanboren; en ook dat is niet voor eenieder gelijk. Als je deze hele zaak probeert te onderzoeken, kom je tot enkele conclusies. Omdat ik de gastspreker niet teveel gras voor de voeten wil wegmaaien, geef ik u hier de mijne.

In de eerste plaats: Kracht is voor mij alleen beleefbaar op het ogenblik dat ze voor mij innerlijk aanvaardbaar blijft en tevens voor een normale actie naar buiten toe betekent. Op het ogenblik dat ik een kracht als een bijzondere werking wil gaan beschouwen, belemmer ik mijzelf al om die kracht volledig te aanvaarden. Op het ogenblik dat ik die kracht alleen aan een bepaald punt ga toeschrijven waarin ik zelf niet helemaal kan opgaan, heb ik mij van de Bron afgesneden.

In de tweede plaats: Alle werkelijkheidsbeleving, die voor ons mogelijk is, bestaat uit korte fragmenten. Wij kunnen de Werkelijkheid niet volledig en blijvend beleven voordat wij het geheel van alle werelden hebben doorleefd. Mijn conclusie is dan ook dat onze flitsen van de Werkelijkheid eerder een oriëntatie betekenen op onze weg door de sferen en werelden heen dan een absolute bereiking.

In de derde plaats: Alles wat wij zijn en doen, zal mee worden bepaald door onze hogere of, voor u, geestelijke voertuigen. Een hoger voertuig leeft in een andere wereld; dat wil zeggen in andere illusies. Het is zeer belangrijk deze illusies te doen overeenstemmen met een deel van de eigen wereld. Want levend in een bepaalde sfeer of wereld, kun je daarin alleen meer bereiken indien je de waarden van een hogere wereld zo volledig mogelijk daaraan weet toe te voegen. Niemand kan zijn eigen wereld en beleving ontkennen. Hij kan die wel zoveel mogelijk aanvullen totdat er een vergelijkbaarheid met een hogere wereld ontstaat.

In de vierde plaats: Er zijn eeuwige wetten. Wij kermen deze wetten niet en zullen ze niet kennen voordat we de Werkelijkheid betreden. Wij zien alleen de werking die ze hebben op de voor ons kenbare werelden. Dientengevolge zijn zelfs kosmische wetten niet vaststaande wetten in onze formulering, maar slechts een leidraad tot erkenning van een werkelijkheid, wanneer we haar voor een ogenblik mogen beleven.

Dat is allemaal nogal stevige kost, meen ik. Je moet proberen om uit dat geheel en met de mooie titel welke wij er nog bij hebben gegeven, ook nog  te komen tot een persoonlijke betekenis.

De persoonlijke betekenis zal voor een mens grotendeels liggen in de daad. Gedachten en woorden kunnen nooit volledig compenseren wat de daad doet. De daad is een van de belangrijkste feiten, omdat voor het menselijk besef het gehele wezen, inclusief denken, redenering en de andere delen van het ego, daarbij betrokken is. Een verlossing met woorden is dus niet bereikbaar. Een verlossing door de daad is bereikbaar, maar alleen indien we innerlijk de daad als zodanig reeds beseffen. Het is voor ons daardoor vaak heel moeilijk te weten wat verlossing feitelijk betekent.

 Nu zal dat in het neo-confusianisme wel niet zo’n grote rol hebben gespeeld, maar voor ons, en zeker voor de mens die in net westen leeft, is het beeld van de verlossing toch altijd wel belangrijk. Verlossing, vrijmaking, vrijwording zijn eigenlijk woorden waarmee we willen aangeven dat  beperkingen, banden wegvallen.

Een verlossing is natuurlijk alleen denkbaar op het ogenblik dat wij gelijktijdig één zijn met de verlosser en onszelf beseffen als de verloste; en dat kunnen wij weer niet, indien ons gehele wezen niet daarbij betrokken is. Een mens wordt vrij door de daad. Pas uit de daad vindt hij de gedachte, en pas uit de gedachte kan hij de innerlijke beleving vinden die, voortvloeiend uit de daad, een contact betekent met hogere werelden.  Een moeilijk denkbeeld voor veel mensen die juist zeggen: Wij moeten van de daad af. Maar er is een verschil tussen menselijke daadstelling en meer kosmische daadstelling.

 Een menselijke daad komt voort uit menselijke beredenering zonder meer. De kosmische daad is een innerlijk erkende harmonie omgezet in denkbeelden, uitgedrukt in een actie en door die actie gecorrigeerd ervaren zodat een grotere werkelijkheidswaarde in de beleving van de kosmos ontstaat.

Wat kan ik persoonlijk zijn of doen? Want ieder van ons gaat uit van de eigen persoonlijkheid. Wel, persoonlijk kan ik aanvoelen wat waar is. Die waarheid kan mijn persoonlijke waarheid zijn. Ze is dus niet volledig en geen werkelijkheid in kosmische zin, maar voor mij geldt ze. Dan zal ik haar ook moeten beleven.  Slechts op het ogenblik dat ik bereid ben alleen het voor mij wezenlijke waar te maken en al het andere terzijde schuif, kom ik als mens of als geest vanzelf tot een herleiden van mijn wezen en streven, tot essenties. Die essenties zullen ongetwijfeld onder meer bestaan uit kosmische verbondenheden, samenhangen met bepaalde grootkosmische krachten, het behoren tot bepaalde kosmische werkingen en sferen. Maar dat is eigenlijk minder  belangrijk, want het is een deel van jezelf.

Als je behoort tot een bepaalde inwijding, je hebt een zekere graad, dan is je hele leven eenvoudig gebaseerd op die graad. Dat is geen bijzonder iets. Het is ook niet iets waardoor je kunt zeggen: Ik ben meer of minder dm een ander. Het is alleen een toestand, een feit. Wanneer ieder van ons nu vanuit zichzelf en volgens zijn graad van bewustzijn probeert de kosmos te erkennen, dan zal hij daarbij vele dingen terzijde schuiven die eens belangrijk waren. Men zal gaan begrijpen dat sommige zaken in de tijd of in de sfeer waarin men leeft, eenvoudig niet realiseerbaar zijn, maar dat andere zaken waaraan men eigenlijk is voorbijgegaan of die men zelfs heeft afgewezen, wel degelijk nog invloed uitoefenen. Je komt dichter bij de werkelijkheid te staan. Door het elimineren van het niet ter zake doende, bereiken wij een verfijning van onze beleving en ons besef. Hoe groter ons besef, hoe beter wij ook de Poort van de Werkelijkheid kunnen vinden die voor ons geschikt is. Want de totaliteit is altijd aanwezig en de Poort van de Werkelijkheid is niets anders dan het ogenblik waarop wij met onze beperking en al wat daartoe wordt gerekend, harmonisch zijn met die totaliteit. Willen we dit interpreteren in menselijke zin, dan kunnen we zeggen:

Wanneer ik in mij de hoofdzaken van mijn bestaan en wereldervaren weet samen te vatten als een gedachte, eventueel mede uit te drukken in een actie, onverschillig welke, dan zal ik hierdoor een harmonie bereiken met de totale kosmos die reflecteert in een kort moment van kosmisch besef.

Helaas zit daar natuurlijk ook een negatieve kant aan, want degene die eenmaal de Werkelijkheid, de Totaliteit, heeft ervaren, heeft altijd het gevoel: ik moet terug daarheen. Men zou ook de essentie van eigen beleven van wereld en bestaan terzijde willen schuiven om alleen dat ene ogenblik terug te vinden, maar dat zal men nooit meer precies zo kunnen terugvinden.

Wanneer ik eenmaal door de Poort van de Werkelijkheid ben gegaan, ben ik veranderd. Vanaf dat ogenblik zal de Poort voor mij niet meer toegankelijk zijn. Ik zal een nieuwe, een voor mij geschikte poort moeten vinden 0m verder te kunnen gaan. Elke fase van het leven bestaat in een afronden en afsluiten van wat is gebeurd, wat ik ben geweest en het opnieuw beginnen op basis van wat ik ben geworden. Daarom is er ook niet één poort naar de Werkelijkheid. Neen, u vindt vele verschillende momenten waarin werkelijkheidsbeleving mogelijk is. En om daar dichtbij te komen, kunt u verschillende systemen prediken.

Eén van die systemen is: de berusting. Een soort ‘que sera, sera’ (wat zal zijn, zal zijn), maar dan wel uitgedrukt in kosmische termen. Inderdaad, het heeft in zoverre zin dat ik morgen nooit kan bepalen, alleen vandaag. Maar ik kan vandaag niet leven zonder te denken aan morgen; en dat vergeten de mensen wel eens. Je kunt de toekomst niet uitschakelen, omdat ze deel uitmaakt van je gehele bewogenheid in het heden. Dientengevolge is een absoluut je neerleggen bij de feiten, een soort onveranderlijk fatalisme dat zelfs de erkenning van morgen als een verantwoordelijkheid die in het heden ligt, uitsluit. Het is absoluut onaanvaardbaar. Fatalisme kan verkeerd zijn.

Dan is daar de weg van de uiterste beheersing. Ik erken wel wat er nu bestaat en wat er morgen kan bestaan, maar ik blijf er onberoerd door. Een mooie theorie! Zoals de monnik zei, toen de gong op zijn tenen viel: “Wie kan zijn concentratie handhaven als de wereld zo sterk spreekt?” Je kunt niet altijd je beheersing handhaven. Je kunt misschien uiterlijk doen alsof. Maar met doen alsof, ben je er niet, want wat er in jezelf bestaat, blijft zoeken naar de daad, naar de uiting. Als je je die uiting ontzegt, dan betekent dat alleen maar disharmonie in jezelf, grotere moeilijkheden. Daarom is ook deze weg voor de meeste mensen niet weggelegd; het is niet de meest juiste weg.

Anderen zeggen: “Heb God lief, de wereld en de mensen.” Dat is een verstandige benadering, ongetwijfeld. Harmonie is een belangrijk facet in het bestaan, maar als je alles alleen maar liefhebt, dan word je ook niet wijzer. Liefde is blind. We moeten gewoon de werkelijkheid blijven beleven. Dat wil zeggen: wij moeten het leven liefhebben zonder gelijktijdig daarbij alle verschijnselen van dat leven lief te hebben. Wij moeten het leven verdragen, natuurlijk, maar onze verdraagzaamheid moet vooral daar gelegen zijn waar ons eigen leven door de verschijnselen onberoerd blijft en ons innerlijk niet in strijd is met die verschijnselen.

Wij moeten een beperking vinden, dat is waar. Maar die beperking mag nooit zo ver gaan dat we ons onze wereld eenvoudig ontzeggen of dat we een andere wereld tot enig doel van het bestaan verheffen. Eenvoudig gezegd: Menigeen die voortdurend in concentratie probeert zijn ziel te witten, zou met dezelfde energie beter zijn plafond kunnen doen.

Je kunt niet tot in het oneindige verder gaan. Er blijft over: betekenis vinden in de wereld, de geestelijke waarde van die betekenis innerlijk beleven, zo het beeld van de toekomst zien als een leidraad en niet als een bepaling en vanuit dit leidsnoer proberen te komen tot een steeds grotere realisatie zowel van je betekenis in de wereld als van je innerlijk gevoel van  eenheid met wereld en totaliteit.

De werkelijkheid is iets waarvoor we niet kunnen weglopen. Als er iets is waarvoor we kunnen vluchten, dan is dat niet werkelijk; wij vluchten voor onze illusies. De werkelijkheid is onontkoombaar en blijft voortdurend en gelijkwaardig op ons inwerken omdat we er deel van zijn, ongeacht ons onvermogen die werkelijkheid volledig te beseffen.

Onze gastspreker zal zo dadelijk ongetwijfeld een groot aantal wijsheden en spreuken aanhalen. Zoals ik hem ken, zal hij dat ook uitermate charmant doen. Maar wijsheden en spreuken zijn eigenlijk alleen maar richtsnoeren. Als we opnieuw beginnen met deze esoterische lessen, dan moeten we, meen ik, beginnen met vast te stellen: alle esoterie kan alleen de richting aanwijzen. Ze kan nooit het doel bepalen. Het doel kun je alleen zelf bepalen. Je kunt magisch grote krachten verwerven. Maar het verwerven van kracht is secondair. Want hij die zichzelf is, beschikt over al zijn krachten, dus in feite over de krachten van de kosmos waarvan hij deel is. Hoe meer we ons richten op een enkel doel, op een kleine bestemming, des te moeilijker het voor ons wordt om het grote geheel te aanvaarden en te beleven. Ik zou zeggen dat iedereen die deze reeks lessen met goed resultaat wil volgen, moet proberen om in de eerste plaats aan te voelen wat waar is; dit is wel heel belangrijk. In de tweede plaats: daaraan zijn persoonlijke conclusies te verbinden. In de derde plaats die conclusies om te zetten in voor het ‘ik’ aanvaardbare en juiste daden, dus in een leefwijze.

De gastsprekers, die u in deze cursus regelmatig zult ontmoeten, moet u ook niet beschouwen als hogere wezens die als profetische goden u de eeuwige wetten komen verkondigen. Het zijn wezens die een eigen sfeer, misschien een eigen contact met de werkelijkheid hebben. Zij bezitten begrip  voor uw wereld dat van het uwe verschilt, en ze stralen die waarden uit. Die uitstraling kan voor u reden zijn om innerlijk uw besef en uw beleven te hergroeperen. Hier is het soms een kracht, een hulpmiddel, soms is het weer een richtingwijzer. De waarheid, de werkelijkheid die wij proberen te geven, is dé onze, niet de uwe.

Wanneer ik probeer om in mijn betoog en beredeneringen te blijven dicht bij hetgeen voor mensen aanvaardbaar is, en dat zal ‘elke gastspreker doen, dan gaat het niet in de eerste plaats erom dat u het met ons eens bent. Het gaat er wel om dat u aan het denken wordt gezet, dat u innerlijk bepaalde zaken beleeft en misschien daardoor uw visie kunt veranderen. Ik mag zo langzamerhand gaan afsluiten. Ik ontdek dat ik nog een heel groot terrein onberoerd heb gelaten.

De geloofsbelijdenis van het neo-confucianisme was in feite: De eeuwige Kracht of Heerser is geen God, maar een wet. Anders gezegd: het Wezen is niet kenbaar, maar de eigenschappen van het Wezen waaraan wij onderworpen zijn, zullen kenbaar kunnen worden. Leven en dood spelen hierbij eigenlijk geen rol. Een hiernamaals is er niet; er is alleen een fase van bewustzijn. Er is ook geen bijzonder noodlot; er is alleen een persoonlijke beleving van de verbondenheid met het geheel. Je kunt de zaak eenvoudig formuleren door te zeggen: Alles wat ik denk te kunnen zijn, te moeten zijn, wat ik heb gedaan en zal doen, dat alles samengevat is niets anders dan mijn interpretatie van de wet waaronder ik leef, van de krachten die mij beheersen.

Je kunt dan ook nooit zuiver persoonlijke waarden erkennen. Elke persoonlijkheid is alleen een manifestatie van het geheel. Dat wil zeggen dat al wat in die manifestatie ligt, zinvol en zinrijk is maar, en dat is een voorbehoud, de zinvolheid ervan behoeft voor mij niet klaarblijkelijk te zijn.

Elke leugen is een vorm van waarheid, maar als de waarheid daarin door mij niet wordt erkend, zal ik haar moeten benaderen als een leugen. Mijn beperkingen bepalen de wijze waarop  ik  uit alles het wezenlijke kan distilleren.

En om daarmee de inleiding te besluiten: Mijn contact met de Werkelijkheid, mijn gaan voor een ogenblik door de Poort van de Werkelijkheid, is gebaseerd op de ogenblikken dat ik de essentie, de zin in het andere ken en beleef en dat ik de zinloosheid, die mij anders bij vele dingen toch voor ogen staat, even verlies, want zinloosheid bestaat niet in de kosmos, maar alleen in het ‘ik’ en zijn beleving.

U krijgt zo dadelijk onze vriend en gastspreker die, naar ik aanneem, weer enigszins zijn oude Chinese gewoonte zal hervatten. Ik kan u in ieder geval verzekeren dat u te maken heeft met een entiteit die, al behoort die nog steeds tot de Orde en is spreker van de Orde geweest, het toch aardig ver heeft gebracht. Laten we dan maar hopen dat zijn visie van de werkelijkheid zo eenvoudig is, dat ze voor u een poort wordt tot een nieuwe werkelijkheidsbeleving.

Gastspreker

Het is lang geleden dat ik mij in deze vorm tot u heb gewend — en het is gisteren. Eigenlijk spraken wij elkaar vandaag nog en misschien spreken wij elkaar morgen. Want er is één kracht, één wet. Die wet kent geen tijd. Gelukkige wet!

Men heeft mij  gevraagd om uit te gaan van het neo-confucianisme. Maar ik wil noch Kung Fu Tze noch andere denkers als Lao Tze beledigen. Wie ben ik om te spreken over theorieën die de Werkelijkheid alleen maar benaderen? De werkelijkheid van het leven en van het menselijk leven is als die van vissen in een ronde vijver. De wand die ons afschermt, is eindeloos en wij denken reizen te maken van dagen ver, terwijl wij slechts in een cirkel gaan. Maar waarom zouden wij het betreuren? Want de vis die zwemt, geeft vreugde aan het oog dat de vis beschouwt. Of de vis denkt te reizen en wij denken dat hij speelt, dat maakt geen verschil. De vis gaat zijn wegen; wij beleven hem op onze wijze. En indien er een kosmische en eeuwige wet is, is het bij die wet dat wij allen beleven op onze wijze. Er is geen andere  weg dan de weg die in ons ligt.

Ongetwijfeld beledig ik u in uw wijsheid als ik deze dingen met grote nadruk zeg. U had het allang begrepen. Ik was zelf dwazer. Het heeft mij een lange tijd gekost, lang zoeken in mijzelf, lang zoeken in de werelden die ik heb beleefd, voordat ik kon begrijpen hoe onbelangrijk het is wat de ander doet en denkt. Toch is er een tijd geweest dat de rechter recht sprak zonder te vragen wat de misdadiger dacht, want de wet is de wet. Nu kunnen wij zeggen dat de misdaad voor de misdadiger anders is dan voor de rechter, want de rechter oordeelt, de misdadiger niet. Dit is nu de Werkelijkheid waarin wij leven.

Er zijn regels en wetten. Wanneer wij daartegen zondigen, wordt niet gevraagd wat wij daarmee bedoelen. Het gevolg komt zonder meer. Maar wijzelf beleven het oordeel anders als we iets goeds hebben bedoeld dan als wij het verkeerd hebben gedaan.

Je plaats in het leven is een vaststaande plaats. Als je geroepen bent om bv. handel te drijven, moet je niet trachten te prediken. Een koopman die predikt, verkoopt geestelijke waarden die veel minder betekenen dan de kostprijs. En als de prediker handel drijft, dan weet hij niet wat hij verkoopt en zullen al zijn klanten klagen.

Er bestond in China het denkbeeld van de T’ong. Een T’ong is een familie of een verbond. Nu is een T’ong een lichaam dat eigen wetten kent. Het kent eigen gezag, kent zijn eigen oudste. Hij die deel is van de T’ong, zal aan die wetten moeten gehoorzamen, want indien hij niet gehoorzaamt, zorgt de T’ong dat hij wordt geroyeerd op een zeer afdoende manier. Ik heb zelf ook, om een overigens niet zo belangrijk geschil, het hoofd verloren; en dat is menig ander ook overkomen.

Toch zijn de wetten van de T’ong niet gelijk aan de wetten van de Keizer. Als jij je als deel van de T’ong wilt beroepen op de wetten van de Keizer, aanvaardt de T’ong je niet, met alle gevolgen daarvan. Als jij je tegenover de Keizer beroept op de wetten van de T’ong, zo glimlacht hij en het einde is het zwaard. Dat maakt duidelijk dat er voor ons twee soorten wetten zijn.

Er is de grote Wetmatigheid van de gehele kosmos,  Daaraan zijn wij gebonden door alle gevolgen van onze daden. Wij kunnen deze wet niet ontwijken. Zo moeten wij haar aanvaarden en zien als de enige weg om tot een groter begrip te komen van zijn en werkelijkheid.

Maar wij behoren ook tot een T’ong. Wij behoren tot een sfeer, tot een menselijke groep, een natie. Een natie heeft haar eigen wetten. Ze zijn niet kosmisch, maar wij zijn er toch aan gebonden. Alleen geldt wel één ding: soms is het verstandiger te zondigen tegen de wetten van een T’ong dan tegen de wetten van de Keizer, want de dood die de Keizer geeft, is pijnlozer dan die welke de T’ong geeft. Het is een treurige keuze, maar het is de enige.

Er  zijn ogenblikken dat wij innerlijk ervaren: er is een grotere wet, er is een grotere kracht. En overwegende wat de gevolgen zijn van het tegen deze wet ingaan, zullen wij ook ervaren, helaas en onvermijdelijk, dat niets in onze groep ons kan redden. Laat dan onze eigen groep proberen ons te wreken, want mogelijk beschermt de Keizer ons.

Wanneer u leeft en u vraagt zich af: Wat zijn de wetten van de kosmos? Zo antwoordt de kosmos: wet is dat u bestaat en groeit volgens ùw wezen.

Vraag je naar de wetten van een T’ong of van een land, dan zegt deze: Mijn wet is dat u groeit volgens mijn  wezen. Daarom geef ik de voorkeur aan hem, die mij laat groeien op mijn wijze.

Ik ben moeizaam, want mijn onvermogen is u bekend, opgeklommen van wereld tot wereld, van lichtschijn tot parelmoeren sfeer. En in de zachte weerkaatsing van de oneindigheid koester ik mij en zie terug op wat ik ben geweest. Ik zeg tot mijzelf: “Je bent een aardige dwaas geweest.” Niet dat ik dit van een ander ooit zou tolereren, maar tot mijzelf mag ik dit zeggen. Ik heb tot mezelf gezegd: “Wat was dan de wet waaronder je stond?” De wet was eenvoudig, o zo eenvoudig: Open je hart, open je geest en laat geest en nart ervaren, opdat je weet wat te doen. Zegt mijn geest tot mijn hart: ‘Wees stil’, dan is het niet goed. Zegt hart tot mijn geest: ‘Zwijg’, het is dwaas. Maar zeggen mijn hart en mijn geest: ‘Zo is je leven’, dan is het goed en dan is dat de wet van de kosmos.

Altijd was er bij mij de strijdigheid tussen het denken en het hart, altijd weer wilde ik geven en zei: ‘Je bent dwaas om te geven.’ Altijd weer wilde ik nemen en zei: ‘Het is niet goed om te nemen.’ En zie, daardoor heb ik een lange weg moeten afleggen door menige wereld en sfeer. Vele bezoekingen zijn mij niet bespaard gebleven. Ik heb gesproken met mensen over de gehele wereld. Niet dat ik dit, gezien uw aanwezigheid, als een bezoeking wil beschrijven, maar het is ongetwijfeld een beproeving van je vermogen en je mogelijkheden. Eerst toen ik daarin mijzelf had overwonnen en had geleerd dat hoffelijkheid zelfs een zwaard kan zijn dat met gratie en genade wordt gehanteerd, kon ik een stap verder doen, want dit was de wet die in mij lag.

Wanneer ik zoek naar weten en ik zeg tot mijn hart: ‘Wees stil’, dan zal ik nooit begrijpen. Zeg ik tot mijn hart: ‘Voel aan’ en tot mijn denken: ‘Sta stil’, ik zal nooit weten wat ik weet. En hij, die niet weet wat hij weet, weet niets. Daarom moeten beide samengaan.

Wanneer mijn innerlijk ‘ik’ oprijst tot de hoogste wereld die ik kan beroeren en mijn hart wordt vervuld van de kracht die daarin heerst, dan kan mijn verstand zijn gegevens opnieuw rangschikken, dan kunnen de spreuken van de ouden een nieuwe betekenis krijgen en kan ik een waarheid ontdekken die kosmisch is en toch ook waar in mijn wereld.

Een mens leeft in zijn eigen wereld; misschien is dat voor de meesten maar goed ook. Want als je niet op jouw manier leeft, streeft en werkt, hoe kun je dan jezelf zijn? Maar als je leert beseffen wat er in je leeft, als je leert hoe te reizen in jezelf totdat je nieuwe werelden betreedt, dan zul je ook veranderen. Verandering is de eigenschap die wij hebben onder de Grote Wet. Gelijkblijvendheid is de eigenschap die de kleine wet van ons vergt. Laat ons daarom voorzichtig veranderen, zodat de kleine wet niets bemerkt  en de Grote Wet tevreden is.

Leven is een kunst, want hij die leeft zonder vreugde, leeft niet. Hij, die alleen leeft voor de vreugde, beleeft niet. Dan is het ongetwijfeld een zeer belangrijke zaak soms te rijden op de Rode Draak der vreugde en soms te strijden met de Zwarte Draak van de chaos.

De Rode Draak laat beseffen. De Zwarte Draak dwingt ons onszelf te beseffen. Hij, die slechts zichzelf kent en niet zijn wereld, hij is als een huis zonder bewoner; daar leven snel kwade geesten in.

Hij, die zichzelf kent en zichzelf niet leeft, is als een bewoner zonder huis; hij rust langs de weg en weet niet of wraakgierige demonen in schijngestalten hem zullen belagen. Doch hij die zichzelf kent en leeft volgens zijn wereld, is meester in zijn eigen huis. Hij richt in de poort een muur op die demonen buiten houdt en in de binnenhoven kweekt hij de chrysanten der tedere vreugde en der zilveren beschouwing.

Leven is vreugde kennen en strijden tegen de chaos. Leven betekent steeds weer elke dag proberen al wat mismoedig is, al wat onordelijk is, te overwinnen, maar ook de vreugden van de dag te plukken en te koesteren als de schone bloemen die de eeuwigheid ons voortbrengt.

U bent geboren in een bepaald land. Dat is niet uw schuld, wel uw keuze. U bent geboren voor een bepaalde status. Dat is uw keuze, niet uw voorrecht. U bent gegroeid tot een bepaald geloof. Dat is uw illusie, niet uw zekerheid.

U heeft een taak aanvaard in uw wereld. Dat is het zwaard waarmee u doordringt in de betoverde bergen en zonder vrees kunt gaan in de holen der draken.

Al wat je bent, moet je aanvaarden, ook je geloof. En  als je niet kunt geloven, zoek iets wat je wilt geloven en kunt. En dan moet je leven wat je bent: dwaas en klein of groot en wijs. Want niet wat de wereld dènkt dat je bent, is belangrijk, maar wat je weet te zijn voor de wereld. Wat je doet, doe je nimmer voor jezelf. De vrek, die de wereld en zichzelf besteelt om schatten te vergaren, verrijkt slechts zijn erfgenamen. Bedenk dit!

Al wat je hebt aan kennis, aan geestelijke inhoud en aan alle andere goederen en middelen, behoort evengoed aan de wereld als aan jou. Maar jij bent het die erover beschikt. Daarom zul je het schenken volgens je  innerlijke wet waarin hart en verstand elkaar weten te vinden.

Denk niet dat de eeuwige wet ophoudt te bestaan wanneer je deze vorm verlaat. Want de schimmen die overgaan, wachten op de rook van het verbrande geld om zich rijk te kunnen voelen. De illusies blijven bestaan. Het is niet erg te leven in illusies, maar het is verkeerd te beseffen dat je leeft in illusies en verder te dromen.

 Langzaam zul je groeien, stap na stap. Je behoeft je verleden niet af te zweren. Zelfs ik die, sta mij toe dit nederig te vermelden, enige schreden omhoog ben gegaan op het pad der waarheid, verschijn nog in mijn oude vorm. Ik hanteer nog mijn oude denken. Ik leef nog mijn oude voelen. Ook u kunt dat doen. Maar wanneer u verder gaat op het pad, dan ziet u dat uiting slechts een fragment weergeeft van de inhoud, Uit de splinter kunt ge aflezen van welke boom hij komt; maar de splinter is niet de boom. De uiting van uw wezen of van mijn wezen, indien u dat voor dit ogenblik als een nederig voorbeeld wilt aanvaarden, is de splinter. U kunt vermoeden waar de boom staat of wat de boom was of is, maar u kunt nooit zeggen: Dit is de boom.

De verschijning is bijkomstig  en toch deel van het geheel. Maar het geheel is het belangrijke, want dit leeft. De vorm echter vergaat en verwaait als een wierookstokje dat even brandt, om dan koud te worden en slechts as achter te laten.

De Wet zegt ons dat wij moeten leven met heel ons wezen, maar dan ook leven volgens de wet die wij erkennen. Laat ons dan niet slechts uiterlijk zo leven, want het uiterlijk is onbelangrijk. Laat ons innerlijk zo leven, opdat de Wet spreekt in datgene wat voor ons de waarheid is. Belangrijk zijn: het besef dat niet sterft, het wezen dat verder gaat, het leven dat geen einde kent.

Tsoe Long Pin, de edelman, was dronken en hij schreef op de muur: “Nu mijn voeten mij niet dragen en mijn gedachten zwerven, leef ik in de oneindigheid.” Maar helaas, hij ontwaakte uit zijn roes en schreef een tweede vers: “De arbeiders, die in schedel zwoegen, vergeven mij met een bitter gif de eeuwigheid die ik was.”

Wanneer wij alleen eeuwigheid willen beleven of als in een roes eeuwigheid willen ervaren, komt daarna altijd de kater. Wij kunnen zeggen: Het is schoon de roes te hebben gekend, als wij ons niet beklagen over de gevolgen. Maar wij vergeten de roes, niet de gevolgen. Daarom is het beter de eeuwige Wet niet te willen beleven in een roes, al het andere vergetend.

Nogmaals, de wet van de Keizer staat boven de wet van de T’ong. Maar daar waar je de T’ong volgt en de Keizer niet weerstreeft, daar vind je de meest vreugdige weg naar de werkelijkheid.

U ziet hoezeer de beperkingen van een persoon blijven voortbestaan.

Men vroeg mij te spreken over het neo-confucianisme en ik kan niet anders doen dan bazelen over mijzelf. Hoe menselijk blijft ook de geest nog lange tijd! Vergeeft u mij; niet u bazelt, maar ik. Altijd weer zien wij het ‘ik’ op de voorgrond treden. Het is de machtige reus, die zelfs bergen en dalen doet inkrimpen tot kleine onbetekenende pukkels op het gerimpeld aangezicht van de aarde. Maar zo reusachtig zijn wij niet. De reus moet Ieren bergen en dalen te zien. De draak die uitgaat om rivieren stil te leggen of de bergen te doen beven, wordt pas waarlijk een bewust wezen wanneer hij wandelt in de steden der mensen in de gestalte van een mens.

Wij zijn geen draken en geen drakendoders. Laat ons gaan en wandelen tussen de mensen in de gestalten van mensen. Laat ons spreken en begrijpen, vieren en klagen met de mensen, opdat onze innerlijke wet niet wordt verstoord door onze verwerping van de wereld, die wij gering achten. “De waarlijk  wijze  leert veel van de dwaze.” Dat is dan wel van Lioe Poe Sin (?), die een zeer bekend neo-contucianist was.

Vrienden, mijn hart is met u verbonden en mijn besef zegt: je hebt al te lang gesproken. Hoe kan ik deze twee tot één klank samenbrengen? Misschien door dit te stellen:

In de Werkelijkheid bestaat geen scheiding.

In de Werkelijkheid bestaat geen afzonderlijkheid, want de eeuwige Wet zegt dat al verbonden is en blijft en dat geen band ooit waarlijk wordt verbroken, dat geen band wordt gesmeed die niet in het begin bestond.

Daarom zijn wij verbonden. Maar ook zegt de Wet, dat de waarde van de geest in de wereld van de mensen beperkt is; en die waarde heb ik opgebruikt.

 Ik heb u gegeven wat voor mij het belangrijkst was, beseffend hoe gering het moet zijn als u uit uw wijsheid en in uw totale beschouwing daarop neerziet. Maar ik heb gegeven; en dit is belangrijker dan de vraag of u het aanvaardt.

Sta mij toe u een lang leven en een gelukkig leven te wensen. Maar bovenal u toe te wensen dat u de eeuwigheid van banden beseft en dus niet haastig bent in uw tijd; dat u de ware Wet die al beheerst, in uzelf erkent en zo in uw T’ong kunt leven onder de wetten van de Hemelse Keizer.

Sta mij toe u nederig toe te wensen dat u eens mij zult mogen beleren, zoals ik in mijn onvermogen thans heb getracht het u doen.

Moge het pad voor uw schreden bloemrijk en zacht zijn.

Moge uw rust zijn als die van een Keizer in de vrede van zijn paleis. Moge uw avond zijn vol van de vreugde, alsof de zang van de nachtegaal voor u alleen over de wereld zou weerklinken.

image_pdf