Geestelijke werkingen in de wereld

uit de cursus ‘Actief geestelijk streven’ – (Hoofdstuk 3)   december 1957

Onder deze geestelijke werkingen moeten wij verstaan alle krachten van niet‑stoffelijke aard, die optreden in de stoffelijke werelden. Bij onze beschouwing zullen wij ons uiteraard hoofdzakelijk bepalen tot de werkingen, die op aarde voorkomen. Hier moet allereerst worden gesteld dat deze invloeden in meerdere categorieën kunnen uiteenvallen, te weten:

  1. Niet stoffelijke werkingen, uitgaande van in de stof levende wezens;
  2. Niet stoffelijke werkingen, uitgaande van half‑stoffelijken en
  3. Niet‑stoffelijke werkingen, uitgaande van geestelijke wezens.

Deze werkingen zijn over het algemeen in een reeks van verschijnselen kenbaar. Toch zal het in vele gevallen niet gemakkelijk zijn om de oorsprong en de gevolgen met elkaar te rijmen vanuit een stoffelijk en redelijk standpunt. Ik vestig hierop de nadruk, opdat u niet zult komen tot een zuiver redelijk beschouwen aan de hand van al hetgeen u bekend is, maar eerder tot een zoeken naar de bewijsmaterialen, die overal in de wereld voor de hand liggen, zodat u zichzelf kunt overtuigen dat genoemde geestelijke werkingen inderdaad ook in uw leven voortdurend optreden en mee invloed hebben op al hetgeen u meemaakte.
De in de eerste alinea genoemde, dus de stoffelijk veroorzaakte geestelijke werkingen, vallen uiteen in de magische en de niet‑magische werkingen. De magische werkingen zijn een bewust en daadwerkelijk ingrijpen met behulp van krachten of wetten, die buiten de normaal bekende stoffelijke wereld staan. Hierover kunnen verschillende punten worden opgenoemd zoals gebedsgenezing, magnetisme waarbij geestelijke krachten ter genezing worden aangewend. Verder het oproepen van geesten, necromantie, bepaalde vormen van helderziendheid; bovendien het beïnvloeden op afstand van mensen d.m.v. telepathie of telepathisch opgedragen suggesties en obsederende gedachten.
De niet‑magische werkingen kunnen van elke mens uitgaan. Zij kunnen kort worden omschreven als uitstraling van emoties, uitstraling van intense gedachten, waardoor de omgeving wordt beroerd en in die omgeving ‑ ongeacht of zij van menselijke of andere geaardheid is ‑ bepaalde veranderingen en ook bepaalde emotionele veranderingen kunnen veroorzaken.
Het gebruik van de magische krachten berust dus op een bewustzijn. De stofmens, die zich hiervan wil bedienen, zal over het algemeen een redelijke kennis hebben van geestelijke krachten en mogelijkheden, terwijl hij verder aan de hand van bepaalde handelingen, bepaalde bezweringen ook, soms komt tot het werkzaam maken van deze krachten. Hierbij is het zeer goed mogelijk dat de kracht zelf stamt uit een andere sfeer dan de aardse. Toch wordt dit stoffelijk genoemd omdat deze krachten alleen door stoffelijke bemiddeling, geleid door een stoffelijk mens, in de wereld werkzaam zijn.
Bij deze beheersing is het nog eenvoudig om te overzien wat aan resultaten wordt geboekt. Mogen deze dan niet altijd in overeenstemming zijn met het verwachte ‑ er doen zich hier soms zeer eigenaardige ver­schijnselen voor ‑ dan kan toch worden gezegd dat men in ieder geval weet dat, ten 1e: men een bepaalde kracht heeft gewekt, ten 2e: dat men de uit werking van deze kracht op de wereld gadeslaat. Hier kan dus voor de doorsnee‑bewustzijnszoeker geen bezwaar liggen. Hier is een oorzaak in de stof bekend en deze oorzaak kan nauwkeurig omschreven worden. Het gevolg is in overeenstemming met deze oorzaak en wij behoeven ons dus niet te vermoeien met een zoeken naar mogelijkheden om ons juist hiertegen te verdedigen. Deze middelen draagt eenieder in zijn bewust­zijn mee.
De tweede fase echter, de onbewuste beïnvloeding a.h.w., is gevaarlijker. Want menig mens weet niet eens dat hij zijn omgeving beïnvloedt terwijl omgekeerd, beïnvloeding vanuit de omgeving, vaak zo ongemerkt gebeurt, dat men wordt meegesleept in gevoelens, emoties en gedachten, zonder zich bewust te zijn van het feit, dat deze niet uit het ‘ik’ stammen. De gevolgen hiervan zijn moeilijker te overzien. Een zeer grote zelfbeheersing is nodig, wil men alle gevolgen van een dergelijke werking voorkomen.
Dan de tweede alinea van onze eerste onderverdeling, nl. de half‑stoffelijken. Misschien mag ik allereerst omschrijven wat ik met dit woord bedoel. Er bestaan vele wezens, die ‑ ofschoon niet uit de u bekende materie bestaande ‑ op aarde leven en die tijdens dit leven op aarde invloed hebben zowel in geestelijke als in stoffelijke werelden. Hun vermogen en bewustzijn kan zeer uiteenlopen en er mag worden gezegd dat, ofschoon deze wezens als een normaal verschijnsel niet zichtbaar of kenbaar zijn, noch in de stoffelijke noch in de geestelijke wereld, hun uitwerking in deze beide werelden zeer groot kan zijn, zodat hun invloed hier zeker mee bepalend kan zijn voor de omstandigheden, waaronder wij leven. Degenen, die wat meer uitvoerig hierover willen weten, zou ik willen aanbevelen het verslag van de afgelopen vrijdag (29/11 ’57) te lezen en wel het eerste artikel, dat na de pauze is uitgesproken. Hierbij kan men een onderverdeling vinden.
De half‑stoffelijken verschillen in wezen en geaardheid zowel als in emotionele en redelijke mogelijkheden aanmerkelijk van geesten, die de menselijke vorm gekend hebben en van mensen, die op aarde le­ven. Zo zijn hun gevolgtrekkingen vaak heel anders dan wijzelf zou­den willen maken en hun ingrijpen zal, gebaseerd op het volgens hen redelijke, vaak voor ons onredelijke situaties en toestanden doen ontstaan. Een verweer hiertegen is alleen mogelijk, wanneer wij elke invloed, die van buitenaf tot ons komt, zelf leren erkennen.
Dat laatste is betrekkelijk moeilijk. Daarom is de eerste en meest praktische maatregel tegen dergelijke beïnvloedingen: hou u voortdurend vast aan hetgeen u zuiver menselijk goed acht; laat u niet verleiden tot handelingen, die u eigenlijk slecht vindt, omdat het gevolg misschien goed zou zijn; tracht steeds en te allen tijde uzelf volledig te rechtvaardigen reeds vóór u de daad stelt en voorkom bij elke zelfrechtvaardiging een zelfbedrog door goedpraterij.
Een natuurgeest behoort tot deze half‑stoffelijken. Maar er zijn zelfs grotere krachten, die evenzeer tot dit rijk behoren. De kleinsten daaronder zijn de geesten, die in planten, bloemen en bomen kunnen leven, de geesten ook, die half‑stoffelijk onder de naam van feeën, kobolden en dergelijken bekend zijn. De grootsten daaronder zijn planeet‑ en zonnegeesten, die evenzeer hun invloed op aarde merkbaar maken.
Elke werking, die van deze kant komt, onderscheidt zich echter door een niet‑redelijk verloop; bovendien door een voortdurende fluctuatie, waarbij gelijke invloeden met regelmatige tussenpozen hernieuwd optreden. Dit laatste geldt dus niet alleen voor planeet‑ en zonnegeesten, maar ook voor de kleinste geesten, de gnomen en kobolden. Deze wezens hebben hun eigen levensritme en dit levensritme houdt in dat zij afwisselend dichter bij de mens en dichter bij de sfeer staan.
Wanneer ze dicht bij de mens zijn, zullen zij heel sterk trachten hun eigen inzichten ‑ vaak ook uit geestelijke sferen ontvangen – kenbaar te maken en tot uitdrukking te brengen door middel van mensen, dieren, planten en voorwerpen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met menselijke moraal, menselijk weten, alleen met een einddoel, dat de na­tuurgeest ‑ lang niet altijd volledig bewust van zijn streven ‑ op dit ogenblik begeerlijk lijkt.
De totale geaardheid van de geest, de natuurgeest ‑ van de half-stoffelijken in het algemeen ‑ is bepalend voor de wijze, waarop hij optreedt en de invloed, die hij uitoefent. Zo kan b.v. een natuurgeest of een half‑stoffelijk wezen, dat niet aards geweest is dan wel op aarde geleefd hebbende, nu daar als een soort spook nog vertoeft – een aardgebondene dus ‑ o.m. het volgende tot stand brengen.
Afwisselende fasen van geluk en pech, die elkaar met buitengewone regelmaat opvolgen. Deze pech wordt heel vaak nog onderverdeeld in b.v. fasen van zoek raken van dingen, fasen van breken van dingen, fa­sen ook van absolute neerslachtigheid vaak, of grote innerlijke spanning en onrust. Al deze genoemde factoren worden gewekt door natuurgeesten, die trachten hiermee iets voor hen begeerlijks te bereiken. Zo kan het zoek raken heel vaak gepaard gaan met een poging van de natuurgeest om hechting aan de materie te verkrijgen, waardoor zijn eigen persoonlijkheid dichter kan naderen tot de stof. In dergelijke gevallen zal de tegenge­stelde fase betekenen een teruggeven van deze voorwerpen, waar de in­teresse in de stof langzamerhand is afgenomen en men zich door het ont­nemen a.h.w. gebonden heeft aan de menselijke wereld, die men op dit ogenblik althans niet begeert verder te beleven. Ik geef dus alleen maar een enkel voorbeeld, menende dat u het verdere eventueel uit ande­re literatuur zelf kunt aanvullen.
Dan hebben we te maken met de z.g. spook‑ of geestesverschijnselen. Hierbij bepaal ik uitdrukkelijk hier alleen diegenen te bespreken, die in half‑stoffelijke voertuigen voortdurend over de aarde dolen en trachten vanuit een menselijk standpunt op deze aarde in een menselijk leven in te grijpen, waarbij echter geen juist begrip van de op aarde bestaande toestanden meer bestaat. Deze geesten kunnen o.a. voeren tot eenzijdig handelen, eenzijdig zoeken van genietingen, eenzijdig denken, met alle gevolgen van dien. Zij veroorzaken soms ziekten, maar ook een onredelijke opgewektheid, die echter niet bestemd is voor anderen (die dus alleen beperkt blijft tot het ‘ik’.) De invloed van dergelijke wezens is gemak­kelijk te herkennen, omdat zij voortdurend gebonden blijven aan bepaalde plaatsen. Slechts op deze plaatsen kan deze half‑stoffelijke invloed ‑ hetzij via voorwerpen, hetzij onmiddellijk ‑ op u worden afgedrukt. Wanneer u de plaats verlaat, sterven deze emoties en gevoelens en zult u met enige verwondering uw gedrag van zo kort te voren bekijken.
De derde en misschien de meest omvattende is die van de geest. Hierbij bedoel ik niet alleen de zuiver menselijke geest, maar ook enkele lichtende geesten, die kunnen worden beschouwd als verder te staan op het pad der bewustwording dan wij, kleineren, die pas aan de aarde ontsnapt zijn. Hierbij wordt gestreefd naar harmonie met het Onein­dige. Hun invloed is dus het wekken van harmonieën en daarmee het be­reiken van een voor het ‘ik’ aanvaardbare, prettige toestand, die het eigen bewustzijn vergroot en gelijktijdig de mogelijkheid geeft meer krach­ten uit het Goddelijke te onttrekken en deze te ontladen op een lager gelegen wereld. Hierbij zullen de goede geesten o.a. het volgende tot stand kunnen brengen:

  1. Een onverwacht, maar plotseling omslaan van de gevoelens, vaak bij een menigte, waarbij haatgedachten in genegenheidsgedachten worden omgezet.
  2. Het plotseling ontstaan van een bewustzijn, waarbij aanwezige kennis ‑ nu in het juiste patroon vallende ‑ een totaal nieuwe levensbeschouwing of levenshouding bij individuen mogelijk maakt.
  3. Verder ingrijpen in levenscondities van personen, die een leidende invloed hebben op de wereld, zodat zij uitgeschakeld worden, wanneer hun werking binnen de wereld op dit ogenblik niet gewenst lijkt, en zij daarentegen soms op onbegrijpelijke wijze hun vitaliteit behouden ondanks zeer zware belasting, zolang hun werken vanuit het standpunt dezer geesten ten bate van de wereld is en de harmonie van de wereld met het Goddelijke.

De kleinere geesten trachten over het algemeen hier dezelfde werkingen te bereiken. Daarbij grijpen ze echter naar middelen, die de mens ook wel gebruikt zodat de werkingen, door mij genoemd, als specificatie van alinea 1. gelijktijdig toepasselijk kunnen worden geacht voor de kleinere geest, die op aarde werkt, dus om bewustzijn te wekken, maar ook toestanden en emoties te wekken, die grotere harmonie met het Al mogelijk maken.
Met deze algemene omschrijving hebben we eigenlijk nog maar het eerste doel van onze lezing uitgesproken. Deze geestelijke werkingen maken nl. een zoveel groter deel uit van het menselijk bestaan dan de mens zich als mens realiseert, dat het noodzakelijk is voor eenieder, die bewustwording zoekt om te letten op de verschijnselen en zich steeds weer te realiseren dat hier dus werkelijk ook andere invloeden werkzaam zijn. Men moet a.h.w. in staat zijn vanuit eigen wil en bewustzijn werkzaam te zijn en blijven, wil en bewustzijn te erkennen, welke invloeden en factoren er voor het ‘ik’ begeerlijk zijn en in overeenstemming met de bewustwordingsweg, die men voor zichzelf heeft gekozen. Is men daartoe in staat, dan kan men nl. al deze geestelijke werkingen in de wereld maken tot iets, dat uw eigen streven versterkt.
Een vergelijkend voorbeeld: Wanneer men weet, waarheen een stroom voert en men moet zich in dezelfde richting bewegen, dan is het mogelijk zich met een klein bootje in die stroom te begeven en zonder veel moeite zijn eigen weg af te leggen; dan wel de eigen normale inspanning voegend bij de kracht van de stroom op snellere wijze ook wederom zijn doel te bereiken, dan anders mogelijk is. Wanneer wij zoeken naar bewustwording en geestelijke scholing, moeten wij noodzakelijkerwijze gebruik maken van elke hulp, die ons wordt geboden. Zonder deze hulp zullen wij ongetwijfeld ons doel evengoed kunnen bereiken, maar niet zo snel, niet zo volledig.
Er kan dus worden gesteld: Eenieder, die streeft naar een actief geestelijk leven, eenieder, die zoekt naar een groter in het ‘ik’ volledig bestaande bewustwording, zal te allen tijde trachten de geestelijke werkingen in zijn omgeving ‑ ja, in zijn eigen persoonlijkheid desnoods ‑ te erkennen en deze, in overeenstemming brengende met eigen doelen, te gebruiken. Daar, waar geestelijke werkingen volledig in strijd zijn met het ‘ik’ en het doel ervan, zal men zich daartegen trachten af te schermen. Deze afscherming zal ik ook kort bespreken.
Wij moeten ons verder bewust zijn van het feit, dat naast krachten, die voor ons ten goede werken en voor ons aanvaardbaar zijn, absoluut tegengestelde geestelijke stromingen en werkingen altijd weer optreden in de wereld. Wij mogen deze niet verwerpen als zijnde op zichzelf duis­ter of kwaad. Het staat niet aan ons, te oordelen over een geestelijk streven uit een andere wereld of toestand. Wel moeten wij ons juist hiertegen volledig weten te verzetten. Deze beïnvloedingen zullen in de eerste plaats samenhangen met het al dan niet gericht zijn van ons leven.
Gericht zijn van het leven houdt in: het streven naar een vast doel; daarbij het zoeken naar een vaste inhoud en het aanpassen van eigen leven aan deze inhoud. Wanneer echter een schijnbaar willekeu­rig zwerven van de geest optreedt, moet dit worden gezien als een beïnvloeding ten kwade. Naarmate het chaotische in ons eigen bestaan sterker op de voorgrond komt, kunnen wij er zeker van zijn dat duiste­re invloeden mee werkzaam zijn binnen het bereik van ons eigen ‘ik’. Komen die chaotische invloeden uit eigen omgeving, dan zullen wij ze ook daarin erkennen en ons ook hiertegen volledig trachten af te scher­men.
Het is onze vaste taak in de wereld voortdurend ons bewustzijn te vergroten en gelijktijdig grotere harmonie met het Goddelijke te bereiken. Alle andere factoren zijn van minder belang. Zij hebben niet zo’n grote betekenis als deze ene. Wat het belangrijkste is, moet te allen tijde voorgaan. Zoeken naar harmonie met de kosmos is de belangrijkste taak voor de mens. Hiervoor moet hij desnoods afstand doen van de voordelen, die sommige chaotische krachten bieden wanneer men zich laat drijven door hun werkzaamheid en hun ideeën a.h.w. helpt verwerkelijken. Ditzelfde houdt in een verzet tegen b.v. half‑stoffelijke krachten, die weliswaar onze stoffelijke welvaart schijnen te bevorderen, maar daarbij geestelijke problemen doen rijzen, die ten slotte een vernauwing van bewustzijn ten gevolge kunnen hebben. Bij deze afscherming gaan wij als volgt te werk:

Bescherming tegen invloeden uit het stoffelijke.

  1. Zorg dat u stoffelijk rein bent. Het klinkt misschien vreemd maar vervuiling, verstopping van poriën e.d. kan onder omstandigheden een vergrote vatbaarheid voor gedachtekrachten van buitenaf betekenen.
  2. Probeer te allen tijde uw denken algemeen te houden, zodra u in een grote menigte bent. Bent u in gezelschap van enkele personen of een enkele persoon, realiseer u wie deze andere persoon is en stel bewust uw eigen wezen ‑ waar dit zowel harmonieën als disharmonieën betreft – daar tegenover. In deze realisatie bent u over het algemeen dan onvatbaar geworden voor suggesties e.d., die zowel langs telepathische weg als door andere invloeden en werkingen tot u komen.
  3. Vreest u soms dat iemand u te sterk af zal zijn, bescherm u dan daartegen, zelfs door amuletten, door gebeden of formules of gebaar. Ook wanneer deze op zichzelf niet werkzaam zijn, kunnen zij op u een zodanige auto‑suggestieve invloed uitoefenen, dat u hierdoor zelf in staat bent weerstand te bieden, waar u dit anders niet zou lukken.

Verzet tegen half‑stoffelijke invloeden;

Hier kan een afscherming in de eerste plaats bereikt worden binnen besloten ruimten door het gebruik van reukwerken. Hierbij denk ik o.a. aan de z.g. bloemenwierook en verder aan sandelhoutwierook, die beide in deze gevallen een zuiverende en reinigende werking hebben. Zij verdrijven niet alle natuurgeesten uit onze nabijheid, maar dwingen deze als het ware op te gaan in de sfeer, zodat onze gedachten tijdelijk superieur zijn boven die van de natuurgeest en voor ons zo al geen beheersing althans neutralisatie van ons niet passende gedachten mogelijk maken.
In de buitenlucht dienen wij altijd te onthouden dat vrede en gemoedsrust in ons eigen wezen voor de natuurgeest een wonderlijk verschijnsel is. De kleinere geesten zullen dan trachten de aura van de mens te gebruiken om iets voor zichzelf ‑ een zekere verjonging, een zekere kracht – te winnen. Aan de andere kant zullen zij door de uitstraling van die aura, die hen zeer boeit, er niet toe komen hun eigen gedachten te vervolgen, hun eigen taak te volvoeren. Voor de grotere natuurgeesten betekent vrede in een mens het afwezig zijn van elementen, waarop zij invloed moeten uitoefenen. Hier is nl. reeds harmonie en als zodanig zullen zij geen verdere invloed op deze mens uitoefenen.
Innerlijke vrede is de beste bescherming. Is deze niet aanwezig en zou men zich op een bepaalde plaats toch moeten beschermen, herinner u dan de oude magische cirkel, die getrokken kan worden, hetzij met krijt, hetzij door eenvoudig een lijn in de bodem te trekken. Waarbij driemaal dezelfde cirkel wordt afgelegd en men hierbij voor zichzelf een gebed uitspreekt, dat ‑ onverschillig zijn inhoud ‑ gericht is tot God en om bescherming en vrede vraagt. Dit houdt in dat de kleine natuurgeest door een lichtend scherm wordt afgesloten terwijl de grote natuurgeest ‑ hier een werking ziende uit de kosmos ‑ met deze werking in harmonie tracht te komen en daar wordt tot uw verdediger i.p.v. iemand, die mogelijk uw vrijheid zou willen aanvallen.
Zoudt u zich tegen demonische krachten in de natuur, dus ook halfstoffelijke dan wel menselijke wezens en spoken moeten verdedigen, onthoud dan het volgende:

  1. Een magnetische passe langs het lichaam gemaakt kan, indien de intentie daarbij zeer sterk in gedachten wordt gewekt, een afscherming betekenen van de gehele aura tegen mogelijke aanhechtingen van dergelijke half‑stoffelijke wezens.
  2. Elke kracht‑uitstraling van het ‘ik’ wordt hierdoor tijdelijk beperkt. Deze beperking houdt in dat half‑stoffelijken dus aan u geen kracht kunnen ontnemen en daarmee dus niet hun eigen doeleinden kunnen dienen.
  3. Verder zult u uw gedachten trachten te richten op lichte, zuivere zaken. U zult u niet laten beïnvloeden door enigerlei waarneming door de zintuigen gedaan. Ja, indien het nodig is, zult u trachten uzelf deze zintuiglijke waarnemingen, althans voorlopig, onmogelijk te maken. De concentratiemogelijkheid, die hier ontstaat, wordt gebruikt om te denken aan licht. Hierdoor is men voor duistere krachten onaantastbaar. Lichte krachten, het licht erkennende, zullen heel vaak tot dienaren wor­den bij het bereiken van het goede, i.p.v. hinderpalen op de weg naar be­wustwording en het volbrengen van het voor het ‘ik’ noodzakelijke.

Afscherming tegen zuiver geestelijke krachten.

Hierbij kan gebruik gemaakt worden van alle gewijde voorwerpen. De wijding behoeft niet uit een bepaalde religie te stammen maar dient wel met volledig geloof te geschieden. Wanneer het vloeistoffen betreft, is het belangrijk, dat bij de wijding zout wordt gebruikt. Is er geen zout voorhanden of kan er geen zout verkregen worden, dan is houtas ook goed. Verder zijn bloemen van knolvruchten of bollen over het algemeen afwerend. De beste echter vinden we o.a. bij de ui en de knoflook. De bloemen hiervan zijn voor duistere geestelijke krachten absoluut volledig afwerend.
Om ook goede geestelijke krachten af te weren, is het noodzakelijk, dat wij onszelf wederom afschermen, waarbij dan ‑ buiten een normaal plotseling zich afschermen ‑ het noodzakelijk is dat het ‘ik’ zoveel mogelijk bevrijd wordt van vuil; dat geen vuile of zelfs lichtbesmeurde kleding wordt gedragen, dat zo men in vertrekken vertoeft, zon en wind daar toegang hebben, althans regelmatig krijgen; dat zo ge u buiten bevindt, u zich niet begeeft in schaduwplaatsen met een moerasachtige bodem; dat ge u vrij houdt van alle naaldbomen; daarentegen is loofhout over het algemeen met zijn schaduw wel aanvaardbaar. Dat laatste ligt aan de geaardheid van natuurgeesten, die bij beide soorten van bomen optreden en bovendien aan hun eigen uitwaseming. De naaldbomen hebben nl. een zekere geur, die, ofschoon aangenaam, soms bevorderlijk kan zijn voor het optreden van manifestaties van de geest. Een afschermingsmaatregel, die betrekkelijk eenvoudig te volvoeren is, wanneer men een voldoende concentratie heeft en die absoluut afdoende is, maar voor de toepassing wel enige oefening vraagt, is de volgende:

Men concentreert zich een ogenblik op het Goddelijke, b.v. door gebed. Men zal dan in dit gebed voor zichzelf de kracht vergaren om rond zich een lichtende bol op te bouwen. Deze bol bouwt men op uit de aura en dit geschiedt a.h.w. automatisch, wanneer de voorstelling in het ‘ik’ voldoende gerealiseerd wordt. De kleur van de bol zou goudkleurig moeten zijn of – zo ge u dit niet kunt voorstellen ‑ lichtblauw, desnoods violet, maar dan tegen wit aan. Verder zal men in deze bol zich het ‘ik’ voorstellen als een kruis en daarbij houdt men er rekening mee, dat men omhoog ziende gedurende deze concentratie zegt:
“Vanuit mijzelf reik ik tot God, in mijzelf stam ik uit aarde. In mijn handen draag ik de verantwoording voor de medemens en het bewustzijn van mijzelf.”
Dat is een spreuk, die niet woordelijk hoeft te worden herhaald, wanneer de inhoud maar goed in de gedachte optreedt. Een dergelijke afscherming maakt het mogelijk om, zelfs te midden van de meest demonische krachten zich te bewegen zonder door hen te worden aangetast, zolang het geloof in God intens blijft en men zich niet laat storen door verschijnselen, die zij buiten de u beveiligende bol eventueel doen optreden.
Men moet dus de bol in stand houden zolang de daarvoor benodigde kracht aanwezig is. Dit houdt in dat bij een concentratie op de bol en een volledig geloof in deze werking, de afscherming blijft bestaan zolang het geloof bestaat. Zij zal echter wegvallen, wanneer harmonische krachten optreden om onmiddellijk, wanneer er disharmonische krachten zich rond u bewegen, wederom a.h.w. automatisch tot stand te komen.
Waar het betreft bescherming d.m.v. reukwerken, bloemen e.d., kan worden opgemerkt dat voor reukwerken ongeveer een 24 uur werkzaamheid geldt. Ook wanneer uzelf deze niet waarneemt, zijn voldoende kleine bestanddelen meestal nog in de atmosfeer aanwezig. Dit geldt niet voor vertrekken, die voortdurend en volledig gelucht worden, waar hier het reukwerk slechts werkzaam is, zolang het voor u waarneembaar is en bij een niet al te sterk doortochten meestal nog ongeveer een uur nadien.
Wat betreft de bescherming door bepaalde bloemen, deze bestaat zolang de bloem nog levensvatbaar is en begint dus af te nemen, wanneer de eerste bruine randen aan de bloembladen kenbaar worden, terwijl ze verdwijnt op het ogenblik, dat meer dan 1/3 van de bloemen is verwelkt. Dit is in feite bij het laatste niet helemaal waar, maar dan is de werkzaamheid toch wel zodanig afgenomen, dat men beter doet de bescherming te vernieuwen door nieuwe bloemen te plaatsen.
Ik ben ervan overtuigd dat de meesten van u deze beschermingsmaatregelen niet al te vaak nodig zullen hebben. Maar komt het voor, onthoud dan dat wijzelf evenzeer in staat zijn een geestelijke werking op de wereld te veroorzaken. De wijze, waarop wijzelf al dan niet in harmonie zijn met de Oneindigheid, bepaalt de kracht, waarmee wij kunnen optreden. De inhoud echter van hetgeen wij scheppen plus de werking daarvan wordt te allen tijde bepaald door onze eigen wil en ons eigen bewustzijn. Dit betekent dat, zo wij ons al niet kunnen beschermen op een wijze, die anderen mee in die bescherming betrekt, het voor ons te allen tijde mogelijk is om het ‘ik’ af te schermen. Ook bij grote gevoeligheid, ja, zelfs bij het bezitten van mediamieke kwaliteiten, kan geen aantasting plaatsvinden indien men zich een dergelijke bescherming voorstelt. Ik hoop dat u zich dit goed realiseert.
Er is dus geen enkele reden om angstig te zijn, wanneer u geestelijke werkingen in de wereld ontdekt. U bezit daartegen voldoende afweermiddelen. De meeste van deze afweermiddelen zijn betrekkelijk eenvoudig en ofschoon zij ten dele mechanisch zijn ‑ dus berusten op het gebruik van reukwerken e.d. ‑ zijn zij over het algemeen ook eenvoudig toe te passen.
Verder kunt u nog onthouden dat geestelijke werkingen in de wereld versterkt kunnen worden door meditatie. Het gebruiken van geestelijke krachten, hetzij van andere mensen hetzij van half‑stoffelijken hetzij van de geest zelf, kan altijd plaatsvinden door met een deel van deze wezens ‑ mensen, half‑stoffelijken of geesten ‑ in harmonie te komen en in de eigen wil een volledige uitdrukking van dat streven te geven. Bestaat er harmonie, dan kan worden beschikt over praktisch alle kracht van het geheel, waarmee men in harmonie is.
Om deze kracht te gebruiken, moet echter een volledige overtuiging in het ‘ik’ aanwezig zijn. Anders verkeert men in de toestand van iemand, die zich wel in het water bevindt maar, rondom gescheiden door een glazen wand, niet in staat is voor zichzelf dit water te beroeren. Geloof is dus één van de noodzaken. Geloof niet zozeer in de werkingen, waarover ik sprak, dan wel het geloof in het ‘ik’ en in God. Hebben wij dit geloof, dan kunnen wij desnoods stellen dat wij alle dingen uit God volbrengen en hoeven wij ons niet te bekommeren om de krachten, die eventueel optreden bij de verwerkelijking, die door ons en ook verschillende anderen plaatsvindt.
Nu ik u heb gesproken over deze geestelijke werkingen, hun oorsprong en de mogelijkheid tot ontwijken, is het misschien ook goed u nog enkele duidelijke voorbeelden te geven van geestelijke werkingen, die in uw wereld optreden. Allereerst vanuit de mens én de geest, de werking van de z.g. Witte Broederschap.
Deze Witte Broederschap moet worden gezien als een harmonisch samenwerkende groep, bestaande uit mens zowel als geest, die zich ten doel stelt de harmonie op de wereld te bevorderen en daardoor een kli­maat te scheppen, dat voor een snelle en juiste geestelijke bewustwor­ding goed is, aanvaardbaar is. Hierbij wordt echter ingegrepen zonder rekening te houden met de menselijke moraal noch met de menselijke be­grippen van goed en kwaad. Heel vaak wordt geweld gebruikt. Niet om het geweld te bestrijden, maar om een uitlaat te scheppen voor krachten, die anders geestelijk nog vernietigender zouden zijn.
Een dergelijk ingrijpen kan b.v. politiek en economisch een zeer sterke invloed uitoefenen. Deze invloed is niet altijd aangenaam en soms zeer moeilijk te ervaren. Men meent dat het de onredelijkheid van de mens­heid is, terwijl in feite een lichtende kracht hier een verandering van toestand a.h.w. opdwingt. Wil men hier zelf buiten blijven, dan is het noodzakelijk dat men afstand neemt van dergelijke politieke en economi­sche gebeurtenissen en ze beschouwt onafhankelijk van de commentaren van anderen, verder trachtend zoveel mogelijk elke beïnvloeding, behalve­ die der eigen rede en het eigen geestelijk bewustzijn, uit te sluiten. Zou men echter daartoe overgaan, dan zullen de meeste mensen, die stre­ven naar het goede, zich a.h.w. automatisch aansluiten bij het streven der Witte Broederschap, waar zij moeten erkennen dat dit praktisch de enige mogelijkheid is om de wereld verder te helpen.
Daarnaast bestaan kleinere groepen, die zuiver stoffelijk werken met magie. Hierbij hoeven wij niet in de eerste plaats te denken aan heksen en tovenaars, maar kunnen wij b.v. ook denken aan de z.g. paranormale work‑teams, zoals wij b.v. vinden in het Pentagon, in het Kremlin e.d. Deze groepen hebben vaak zeer nauwkeurig omschreven doelen, die vanuit het nationaal bewustzijn gezien goed zijn, maar o.i. toch een ingrijpen zijn in de redelijk stoffelijke bewustwording en vrijheid van anderen. Hierbij hoort o.a. envoûtement (hekserij, tovenarij), doodwensen, e.d. naast pogingen om waar te nemen en anderen op afstand te beïnvloeden. Wanneer dergelijke beïnvloedingen optreden, doet men het best voor zichzelf hiertegen een schild te werpen. Zelfs indien men het eens zou zijn met het einddoel door een dergelijk streven behaald, is het raadzaam zo mogelijk de beschermende kracht uit te breiden tot allen, die door een dergelijke beïnvloeding en werking worden bedreigd.
De beïnvloeding door natuurgeesten kan vaak een heel ander karakter hebben. Hierbij denk ik als het meest kenbare verschijnsel aan het ontstaan van natuurrampen en overstromingen, bosbranden, mijninstortingen, veranderingen van waterlopen e.d. Al deze veranderingen vinden op korte termijn plaats. Zij zijn onmiddellijke verschijnselen, waaraan weinig of geen waarschuwing vooraf gaat. Zij worden door de natuurgeest veroorzaakt omdat de werking van de mens in de natuurgeesten zodanige chaotische span­ningen heeft opgewekt, dat hiervoor dus de enige uitweg wordt in de na­tuur een verstoring te veroorzaken, die harmonisch is met het in-het-ik-bestaande. De mens kan zich hiertegen niet verzetten als eenling. Slechts de menigte kan zich hiertegen verzetten door het uitstralen van goede gedachten. Dit komt echter veel te weinig voor.
Beïnvloeding door de geest kan soms ook zeer sterk ingrijpen in het stoffelijke bestaan. Ik denk hier allereerst aan inspiratief of zelfs overschaduwend ingrijpen van geesten, die hierdoor b.v. staatslieden brengen tot uitspraken, die zij niet bedoelden te doen; bepaalde situaties forceren, waarbij een prestige‑kwestie de mens dan dwingt om in de ingeslagen richting verder te gaan e.d. Ook een uitschakelen van bewustzijn of een vertragen van reactievermogen kan soms door de geest plaatsvinden. Hierdoor kunnen dan b.v. treinongelukken ontstaan, vliegtuigrampen, misrekeningen bij navigatie van schepen e.d.; maar ook nalatigheden, die soms mensen redden. Dergelijke invloeden moeten ook altijd weer als mogelijkheid worden gerealiseerd. Is men zich bewust van deze mogelijkheden, dan zal het bewustzijn zelf meestal reeds veel ertoe bijdragen de verschijnselen daarvan te verminderen, althans in veel mildere vorm tot uiting te doen komen.
En nu ‑ buiten al het door mij genoemde om ‑ een punt, waarover ik nog weinig heb gesproken. Ik noemde u in het begin ook geesten als aardgeesten, dus planeetgeesten en zonnegeesten. Het is begrijpelijk dat deze grootse persoonlijkheden niet over één kam geschoren dienen te worden met de kleinere invloeden, waartegen wij ons veelal kunnen beschermen. Wezens van een importantie als een planeetgeest en een zonnegeest hebben een werkingsbereik, waartegen wij onszelf meestal niet eens afdoende kunnen beschermen, laat staan onze omgeving. Het is dus niet mogelijk de gevolgen hiervan geheel te voorkomen.
Een realisatie echter van de werking van bepaalde planeten in uw eigen leven kan ertoe bijdragen een aanpassing aan de werking van deze pla­neten in eigen gedrag te bewerkstelligen. Wanneer wij weten dat b.v. de periode van volle maan voor ons een periode van zenuwspanning is, zullen wij elke werkzaamheid, die meer dan normale beheersing vereist, verschui­ven naar de periode van afnemende of opkomende maan. Ja, misschien zelfs naar nieuwe maan, ofschoon deze vaak dan een absoluut tegendeel is en een zekere lethargie teweegbrengt.
Wij zullen ons trachten de eigen kleine levenscycli te ontdekken. Hierbij zijn zowel de periodiek optredende slapte‑ en energiebuien, alsook perioden van geluk en ongeluk. Het erkennen hiervan, b.v. alleen al in het samengaan met de maanloop, betekent de indeling van eigen leven kun­nen aanpassen aan de mogelijkheden, die buiten ons bestaan. Wij zijn dan weliswaar niet in staat de invloed van buiten uit te sluiten, maar we zijn wel in staat, door een indelen van ons eigen leven, deze krachten zo te gebruiken dat ze ons zo weinig mogelijk schaden en zoveel mogelijk ons eigen streven en werken bevorderen.
Onthoud goed dat periodiciteit van verschijnselen bij alle natuurgeesten steeds weer voorkomt. Zijn er dus verschijnselen in ons eigen leven, die zich periodiek herhalen, dan zullen wij trachten vast te stellen waarvan zij kunnen stammen. Blijkt het dat wij in onszelf daarvoor geen verklaring vinden, dan nemen wij aan dat deze door natuurgeesten worden veroorzaakt en treffen wij alle maatregelen om de kleine verschijnselen door onze eigen instelling eenvoudig te onderdrukken, dan wel door harmonie met deze krachten voor onszelf zodanig te versterken, dat ze meer bruikbaar worden. Terwijl we bij de grote en de dwingende verschijnselen ons eigen leven daarnaar zozeer richten dat hierdoor voor ons een zo groot mogelijke vrijheid van handelen worden gewaarborgd.
Ik geloof dat ik in deze korte samenvatting u een indruk heb kunnen geven van de geestelijke werkingen in de wereld. Ongetwijfeld is dit slechts een inleiding tot het onderwerp van de volgende maand, waarbij wij zullen spreken over geestelijke zelfwerkzaamheid. Maar onthoud goed: Slechts indien wij ons voortdurend bewust zijn van de geestelijke werkingen in de wereld, kunnen wij komen tot een volledige geestelijke zelfwerkzaamheid, die doel heeft, die resultaten brengt en voor onszelf een gemakkelijker en groter weg naar bewustwording inhoudt.

Kosmos versus de mens

Wanneer wij ons bewust worden van het verschil tussen ons eigen streven en dat van de kosmos, dat het onze niet erkent, dan komt bij ons wel eens de vraag op: Is Gods wil dan altijd strijdig met het door ons begeerde? En omgekeerd, is al hetgeen voor ons begeerlijk is, dan strijdig met Gods wil?
Om op deze vraag in het kort antwoord te geven, is uiteraard moeilijk. Ik geloof dat ik het beste doe, wanneer ik een paar punten vastleg; in de eerste plaats omtrent de goddelijke wil, in de tweede plaats omtrent de menselijke wil.
De kosmische wet, groeiend uit het kosmische bewustzijn, is de vormende kracht van al wat bestaat. De mens zowel als zijn omgeving, ja, al wat is in stoffelijke of in geestelijke zin, komt voort uit het Goddelijke. Als zodanig is in het bestaan van alle dingen ook tevens de goddelijke wil uitgedrukt, waar niets tegen Gods wil kan bestaan. Eenvoudigheidshalve zullen wij enkele punten van het specifiek menselijk bestaan bezien als zijnde in verband of in strijd met Gods wil.
De mens meent in vele gevallen dat het b.v. tegen Gods wil is zich te vergrijpen aan eigendommen van anderen. In sommige kringen wordt seksueel contact gezien als strijdig met Gods wil. In andere gevallen wordt een zich verzetten tegen het gezag gezien als zijnde strijdig met Gods wil. Ik zou hier commentariërend aan willen toevoegen: God heeft de mens geschapen. Hij heeft al het zijnde geschapen. Hij heeft de mens echter niet geschapen met een bezit. Als zodanig kan een vergrijp tegen het bezitsrecht van anderen niet in strijd zijn met de goddelijke wil, tenzij de mens zich hierdoor verzet en wel bewust tegen waarden, die hijzelf als goed erkende.
Seksueel verkeer en contact kan niet zijn tegen de goddelijke wil, want God schiep de wezens tweeërlei. Wel echter kan elk vergrijp tegen hetgeen door de mens als goed wordt beschouwd, tegen de goddelijke wil worden geacht. Want wij mogen stellen dat het bewustzijn, dat in de mens leeft, uit de goddelijke wil is voortgekomen. Elk vergrijp tegen dit bewustzijn is dus een vergrijp tegen het ‘ik’ en de volmaakte toestand, die God daarin gecreëerd heeft krachtens Zijn wil.
Protesten tegen dit ‘volmaakt’ zullen ongetwijfeld op mij neerhagelen, zo ik daartoe de gelegenheid geef. Ik meen echter dat dit niet noodzakelijk is om de doodeenvoudige reden dat zowel christenen als vele anderen erkennen dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, en dus in wezen een perfecte weerkaatsing van de goddelijke volmaaktheid in een deel van de schepping heeft vastgelegd. Aan de hand daarvan kan worden gesteld dat, indien ons bewustzijn al onvolledig is, elk ons vergrijpen tegen dat bewustzijn in strijd moet zijn met de goddelijke wil, voor zover die in ons wezen kenbaar is. Hiermee treedt aan de hand hiervan, en niet anders, een schuldgevoel op. Wat betreft een verzet tegen heersende macht, geloof ik niet dat deze ooit tegen de goddelijke wil kan zijn, zolang een dergelijk verzet wordt gedragen door een innerlijk bewustzijn van het goede van eigen handeling en een absoluut erkennen van het niet‑goede in de macht of personen, tegen wie men zich verzet. Want het feit, dat de mens binnen redelijke grenzen een vrije wil heeft, betekent dat de mens het recht van keuze heeft, onafhankelijk van alles en allen behalve van het Goddelijke, dat zich in hem openbaart. Er bestaat dus in feite geen tegenstelling tussen de goddelijke wil en de kosmische wil, en de mens en de menselijke wil. Integendeel, deze beide zijn één, zolang de mens zich niet laat beïnvloeden door factoren, die buiten hem bestaan, maar slechts door het in hem levende bewustzijn. Dit houdt in dat het kwaad der mensen niet geboren wordt uit kosmische toestanden dan wel krachtens kosmische wetten, maar slechts krachtens een vergrijp tegen eigen wezen, waarbij men, om in foutief begrip aan consequenties te ontkomen, tracht zichzelf te bedriegen en te handelen tegen eigen beter weten in.