Geestelijke wijsheid

SVGZ – 16 september 1960

Er zijn vele soorten van waarheid. Deze waarheden worden voor de mensen altijd weer afgewogen aan de hand van de gebieden, waartoe zij behoren. Wij hebben politieke waarheden, religieuze waarheden, economische waarheid, natuurkundige en biologische waarheid. Deze waarheden zullen elkaar vaak, maar niet te allen tijde, ondersteunen. Boven dit alles staat een waarheid, die ik geestelijke waarheid zou willen noemen. De waarheid, die voortkomt uit en gebonden is aan het innerlijke weten van de mens.

Stoffelijk kun je tijdens het leven op aarde wel veel weten en menen inzicht te hebben in haast alle dingen, maar ten slotte kunt u toch niet verder kijken dan de horizon van het leven, die de mens “dood” noemt. Daarachter ligt een grotere werkelijkheid. Achter het leven op aarde en de verschijnselen van dat leven ligt de geestelijke waarheid. Om die waarheid goed te kunnen beseffen, dienen wij vanuit onszelf en zeker ook uit de werelden, die wij geestelijk hebben leren kennen, onze geestelijke waarheid althans enigszins juist te zien. Om dit te kunnen, moeten wij weten, wat de wereld van de geest is en doet, wat de waarheid van de geest kan zijn.

Om hierover te kunnen spreken, moet ik beginnen met een stukje van de stoffelijke waarheid. Geest, zo zegt men, gaat dan wel onmiddellijk op naar God, dan wel wordt zij verworpen en gaat naar de duivel. Dat kan waar zijn vanuit een stoffelijk standpunt, want achter de horizon “dood” houdt alle stoffelijk weten en kennen op. Wat overblijft is het verschijnsel, de waarnemingen, die de mens kan doen aan de hand van allerhande manifestaties, het spreken van de geest e.d. Dit zijn echter allen verschijnselen van beperkte delen van de geestenwereld, die nooit een alles omvattende conclusie over het geheel kunnen wettigen.

Anderen beroepen zich voor hun beeld van waarheid omtrent de geest op een openbaring. Een openbaring is al evenmin bewijsbaar. Men kan haar ten hoogste aanvaarden. Een openbaring is pas een openbaring, wanneer zij ook aan mij en mijn innerlijk wezen wordt geopenbaard. Zij verliest haar wezen, zodra zij mij alleen op gezag van anderen wordt voorgelegd. Om haar voor mij tot waarheid te maken, moet ik haar verder innerlijk kunnen verwerken en aanvaarden. Op de aarde leven armen en rijken. Dat is waar. Maar het merendeel van de mensen is niet werkelijk arm, of werkelijk rijk. Er zijn vele trappen van bestaan tussen de grenzen van “arm” en “rijk”. Zo is het voor de geest tussen de trappen: hoogste Licht en duister. Juist tussen deze beide trappen ligt een grote geestelijke wereld, waarin vele groepen en toestanden kunnen bestaan, waarin vele geheel afzonderlijke belevingen en levensinhouden mogelijk blijven.

Door rede of openbaring komt men op aarde vaak tot de stelling: dood is dood. Want, zo zegt men vaak op aarde, wanneer je dood bent, ben je werkelijk geheel uitgeblust. Eens zal God ons allen weer op doen staan. Dan klinkt de trompet van het laatste oordeel en zullen alle doden ook stoffelijk weer uit hun graven opstaan. Dan pas is er sprake van een tweede leven. Anderen spreken niet over openbaring en stellen eenvoudig: Ik zie niets, wat mij kan overtuigen van een leven na de dood, dus dood is dood.

Kan dit geestelijk ooit waar zijn? Uitgaande van wat wij geestelijk ervaren, uitgaande verder van ons eigen innerlijk – ook wanneer wij stofmens zijn – is dit niet aanvaardbaar. In de geest kennen wij de openbaring van het ware leven na de dood. Dit is voor ons een werkelijkheid, zodra wij gestorven zijn. Voor allen, die dit nog niet hebben doorgemaakt, blijft het voort- bestaan een vraag, waarvan zij de oplossing alleen aan de hand van een openbaring, of alleen voor hen geldig bewijs kunnen aanvaarden.

Kan er een uitblussing bestaan? In een dergelijk geval wordt heel het stoffelijke leven tot een soort komedie, een marionettenspel, waarbij de vertolker marionet na marionet levenloos ophangt tot de finale, wanneer hij allen weer naar voren brengt en tot leven wekt om hen gezamenlijk bij het applaus van de eeuwigheid te laten buigen voor het publiek. Wanneer leven dan geen continuïteit meer heeft, heeft het weinig zin of betekenis, bestaat er geen recht. Tegen een dergelijke stelling of openbaring is dan ook nogal iets in te brengen. De geestelijke waarheid is hier de volgende: Leven en Zijn, zijn niet afhankelijk van stoffelijk leven of stoffelijke dood. Leven is al datgene, waarin bewustzijn bestaat en de geest zich bewust verder kan ontwikkelen, bewust contact kan opnemen met zijn God en bewust deel uit kan maken van enigerlei wereld. Geestelijke dood betekent: afgesloten zijn van de werelden, waarin je leven kunt. Hierbij zullen eigen daden een zeer grote rol spelen. In deze toestand zal men niet bewuster kunnen worden, niet zijn God kunnen benaderen, of met andere levende wezens contact op kunnen nemen.

Deze dood is – zover wij na kunnen gaan – nooit eeuwig. Men komt misschien tot een laagste punt. Daarna, is geen enkele mogelijkheid meer tot verder bestaan buiten een absolute ont- neming van het Licht en het “Ik”. Het eerste kan niet worden ontkend, omdat het uit God voortkomt, het tweede kan niet worden ontkend, omdat men zelfs in de ontkenning steeds nog zal weten, dat men ontkent. Overigens geldt als grote geestelijke waarheid: alles wat uit God voortkomt, kan door niemand vernietigd worden. Door God kan het in zijn wezen worden terug- genomen, maar zelfs Hij kan het niet werkelijk vernietigen. Volgens mij volgt hieruit, dat zelfs de zogenaamde geestelijke dood geen werkelijke of blijvende dood is, zodat daaruit te allen tijde een hernieuwd ontwaken mogelijk is.

Een volgend punt van geestelijke waarheid wordt op uw wereld nogal eens aangevallen en bestreden: de kracht der geest manifesteert zich op aarde. Zij werkt daar voor bewustwording van de mensheid, door genezen, openbaren, profeteren enz. Wanneer men al aan dit werken van de geest gelooft, vraagt men zich af: welke geest? In te vele gevallen stelt men dan, dat elke geest slecht moet zijn, wanneer zij zich op aarde openbaart, behalve natuurlijk, wanneer die geest zich toevallig openbaart door een geestelijke of geneeskundige en helemaal in overeenstemming handelt met hetgeen in de kerk of in de geneeskunde voor mensen aanvaardbaar bleek en gebruikelijk was. Een dergelijk standpunt kijkt mij nogal erg menselijk te zijn.

Toch kan de mens niet stellen, dat de geest op aarde maar willekeurig in zal grijpen. Er bestaan nu eenmaal wetten, kosmische wetten, waaraan ook de geest zich zal moeten houden, zover als deze wetten stoffelijk kenbaar zijn, zal de geest zich daar evenzeer aan moeten houden als de mensen. De geestelijke waarheid hierover luidt: alle geest kan zich op aarde openbaren, zoverre zij daarbij in overeenstemming blijft met A. haar eigen wezen, B. de kracht, waarover zij beschikt, of beschikken kan, en C. niet in gaat tegen Goddelijke kosmische wetten. Elke geest kan zich dus op aarde openbaren.

Nu kan men natuurlijk stellen, dat elke geest, die dit in feite doet, het in haar eigen wereld wel slecht zal hebben. De mens redeneert dan: terug te komen op aarde, terwijl je daarboven in een hemel kunt leven, zou toch wel heel dwaas zijn. Wanneer je in de hemel bent, weet je immers, dat God het zaakje wel opknapt? Laten wij deze stelling eens in meer huishoudelijke termen vertalen. Waarom zouden de kinderen ooit helpen bij de afwas, of bij de huishoudelijke bezigheden? Moeder is daarvoor. Laat dat maar aan moeder over en laten de kinderen maar lekker blijven zitten. Wanneer u dit zo hoort, zegt u waarschijnlijk, dat het wel heel erg egoïstisch klinkt. Juist! Is het aan te nemen, dat de geest, die in God leeft en deel is van het Koninkrijk Gods, zich tot God zou wenden met de idee: Vader, doet U het maar en laat ons vooral lekker zitten! Of zouden deze geesten misschien de grootste vreugde van hun bestaan mede vinden in het openbaren van het Licht, dat in hen is? Of is het meer aanvaardbaar, dat God Zich in hen openbaart en het hen mogelijk maakt deel te hebben aan Zijn Schepping?

De geest des Lichts openbaart zich dan ook evenzeer op aarde, als de geest uit het duister. De geest, die uit armoede tot de mens komt, heeft in principe dezelfde mogelijkheden als de geest, die dit doet uit zuiver naastenliefde. Geestelijk is de waarheid dat er geen uitzonderingen kunnen bestaan, maar dat alle geesten te zijner tijd in het Goddelijk scheppingswerk ook een geestelijke taak zullen krijgen. De geesten, die zich van God bewust zullen zijn, zullen deze uit liefde tot God en de Schepping volbrengen met ware vreugde. De geest uit het duister zal evenzeer zijn taak moeten volbrengen, maar lijden omdat de gevolgen van zijn werken en ingrijpen niet in overeenstemming blijken met zijn verlangen.

Een volgend punt brengt ons op meer gevaarlijk terrein, dat vaak wordt betreden door groepen, die gaarne over deze dingen argumenteren. Dit kan voor de mens soms gevaarlijk zijn. Dan stelt men: als u een echte geest bent, moet u ook alle dingen weten… Met andere woorden, door dood te gaan en geest te worden, moet je zoiets worden als een godje. Toch beseffen deze zelfde mensen wel degelijk, dat het dwaas is om naar een professor in de letterkunde te gaan om te vragen: haalt u even mijn blinde darm eruit? Vergelijkende met hun handelwijze met betrekking tot de geest zouden zij, (indien deze professor zou zeggen: dat kan ik niet….) uit moeten roepen: dan bent u ook geen professor… Dit is dwaas. Toch blijkt steeds weer, dat men in dergelijke groepjes aan de geest eisen stelt, die even onredelijk zijn. Dit komt voort uit een onbegrip voor het werkelijke wezen en bestaan van de geest.

Laten wij ook hier de geestelijke waarheid nog even nagaan. Elke geest, ook de geest des Lichts, die afdaalt tot een lagere wereld, zal daarin belemmerd worden, zolang zij de middelen en normen van de wereld, waartoe zij afdaalt, niet tijdelijk als de hare aanvaardt. Men kan niet als een hoger wezen zich onbestraft aan een lagere wereld openbaren en daar een langere tijd werkzaam zijn. Dit wordt u duidelijk, wanneer u overweegt, dat een hoeveelheid gas onder druk niet zonder meer aan de atmosfeer kan worden blootgesteld, waar het onmiddellijk zou begin- nen te vervliegen. Evenmin kan een kracht, die hoger in trilling is, in energetisch vermogen en bewustzijn, zo maar even in de wereld gebracht worden in de verwachting, dat zij haar eigen- schappen zal behouden en haar eigen functies daarin onbelemmerd uit zal kunnen oefenen. Ofwel de functie is voor de lagere wereld vernietigend door de plotselinge ontlading van kracht, dan wel de kracht dient aanmerkelijk beperkt te worden.

Voorbeeld: Jezus. Men doet het in deze dagen wel voorkomen, alsof Jezus iedereen zomaar genas. Alsof Hij een ieder, die genezen wilde worden, zonder meer hielp. Wanneer wij de evangeliën nalezen, zien wij echter, dat Hij altijd één voorwaarde stelt. Wanneer aan die voorwaarde voldaan is, zal Hij grote wonderen doen. Wij horen Hem zeggen: “Niet Ik, maar de Vader door Mij…” Maar altijd weer voegt Hij er bij: “Uw geloof heeft u behouden. U geschiedde naar uw geloof” etc. Klaarblijkelijk is de kracht van de geest dan ook gebonden aan de receptiviteit van degenen rond hem, zoals Jezus’ vermogen tot helpen en genezen is gebonden aan de aanvaarding van Zijn wezen en het geloof in de kracht van de Vader. Dit ziet men graag over het hoofd in vele kringen. Men houdt nu eenmaal niet van een dergelijke beperking.

Geestelijk bestaat deze waarheid: de geest kan zich slechts zover openbaren aan de mens als de eigen toestand van die mens dit mogelijk maakt, indien zij de mens niet wil schaden door haar openbaringen. Een volle openbaring van het wezen der Lichtende geesten – ik spreek hier nog niet eens over de eeuwige glorie Gods zelf – zou dodelijk zijn voor elk schepsel. Het ervaren van een dergelijke grootheid en kracht zou het de lagere wezens onmogelijk maken als bewuste “Ik-heid” voort te bestaan. Hieruit volgt, dat de geest alleen kan werken in een reactie op de mens of de wereld, waarin zij werkzaam is. Zij is ondanks haar hoge kracht, haar hoge weten en inhoud uiteindelijk niet veel meer dan een spiegel, een versterker voor hetgeen in de mens leeft. Genezen kan de geest, maar degene, die genezing nodig heeft, moet voor alles geloven, dat die genezing mogelijk is en werkelijk verlangen naar die genezing. Hoe groter uw geloof en hoe groter het verlangen, hoe zekerder de genezing.

Men kan u Goddelijke waarheden openbaren, maar dan moet u eerst komen tot een absolute verloochening van uzelf, een terzijde zetten van eigen stoffelijk weten en oordeel. Dan eerst kunt u de openbaring ontvangen. Hieruit blijkt wel, dat de eisen, die men vaak aan de geest meent te mogen stellen, of moeten stellen, niet in overeenstemming zijn met de geestelijke waarheid.

In weer andere kringen, vooral de meer wetenschappelijke kringen, horen wij: wanneer ik gelijke condities schep en de geest handelt onder deze condities eenmaal, dan zal die geest onder gelijke condities altijd dezelfde mogelijkheden hebben en gelijkelijk moeten handelen. Overigens lijkt het mij, dat een dergelijke stelling alleen kan zijn opgesteld door een wetenschapsmens, die nimmer gehuwd was. Degene, die gehuwd is, weet wel, dat volkomen gelijke omstandigheden soms geheel verschillende gevolgen voort kunnen brengen, want men heeft te maken met persoonlijkheden en niet alleen met dode materie, of boven alles geldende en bekende wetten.

Men stelt, dat de geest onder gelijke condities steeds het gelijke moet kunnen presteren. Dat de geest onder gelijke omstandigheden tot soortgelijke openbaringen zou moeten overgaan. De geestelijke waarheid is hier: Zo de ontvankelijkheid van de mens en de ontvankelijkheid van de geest belangrijk zijn voor de mogelijkheid, die de geest zal vinden om zich te openbaren, haar kracht te uiten en wat dies meer zij, zo is ook de instelling van de geest zelf, haar doel en verlangen in zeer grote mate bepalend voor hetgeen zij op een bepaald ogenblik en op een bepaalde wijze tot stand zal kunnen brengen.

Ook elders heb ik stemmen gehoord met niet geheel juiste verklaringen en inzichten. De volgende stamt van iemand, die toch werkelijk esoterisch en filosofisch ontwikkeld was. Deze werd namelijk geconfronteerd met het spiritisme en de daarmee verbonden vormen van esoterie. Hij stelde toen: “Voor mij zijn deze dingen alleen belangrijk, wanneer ik het bewijs van de waarheid daarvan in handen heb…” Wat voor bewijs zou die mens in handen moeten hebben? Zodra hij dit bewijs menselijk verstandelijk kan volgen, of geheel stoffelijk in handen kan houden, is het hier niet meer in overeenstemming met het wezen en de wetten van de geest. Het is dan niet meer een uitdrukking van het wezen van de geest en vormt zo niet meer een uitdrukkelijk bewijs voor geestelijke waarden en mogelijkheden.

Ik kan, zo sprak deze vriend, veel voelen voor vele van de stellingen en ben geneigd deze te aanhoren omdat ik daarvan wijzer word. Maar een bewijs is mij dit niet… . Wat zou hier de geestelijke waarheid zijn? Er kan geen bewijs gegeven worden voor het bestaan van een God, een geest, geestelijke krachten e.d., die sterker zijn dan de krachten van het dagelijkse leven. Is in de volheid van uw wereld immers voor u de volheid en de waarheid van uw leven niet steeds ten volle geopenbaard? Indien u echter een bewijs vraagt, dat verder gaat dan eigen beperkt bestaan en leven, zo zult gij alles verwerpen, dat op het ogenblik van bestaan én in uw wereld voor u niet te bevatten is. Daarom zal de lagere kracht, die een bewijs van het hogere volgens zijn eigen waarden eist, niet in staat zijn een dergelijk bewijs als zodanig te aan- vaarden, dan wel dit bewijs als zodanig te zien.

Het geven van een bewijs aan hen, die een bewijs vragen zonder geloof – dus zonder het daarbij inschakelen van innerlijke waarden – is praktisch onmogelijk. Elk bewijs, dat de geest geeft of geven kan op aarde, komt niet voort uit het stoffelijk of verstandelijk overtuigende, maar uit de inhoud van het leven, waarmee de mens zichzelf kan verrijken. Het overtuigende bewijs van bijvoorbeeld het voortbestaan na de dood is in de dood zelf gelegen. Dit alles is ongetwijfeld aardig, maar de geestelijke waarheid gaat natuurlijk veel verder dan dit alles. Daarbij komen wij op een gegeven ogenblik op een punt, waarbij menselijke stellingen niet meer, of slechts met de grootste moeite als vergelijking of aanleiding kunnen worden aangehaald.

De mens zal op een gegeven ogenblik gaan zeggen: God is dit of dat. Daarover kan men dan lang praten, maar niemand kan dit bewijzen. Niemand kan in deze dagen bewijzen, dat de geboden, die Mozes op de berg Sinaï ontving van God, inderdaad ontvangen zijn, zoals dit in de Bijbel beschreven wordt. Alleen Mozes was aanwezig. Mozes zelf geeft het verslag dus. Hij bracht zelf de tafelen mee. Mozes is de enige, die getuigt. Maar het is ook Mozes, die bij de aanvaarding van deze wetten, die zijn volk aan hem binden, belang heeft en op deze openbaring zijn macht grondvest na een opstand. (De aanbidding van het Gouden Kalf.) Redelijk en menselijk is geen bewijs mogelijk. Indien wij het innerlijk van de mens bezien, moeten wij stellen: misschien zijn de wetten wel niet zo gegeven als het ons alles gezegd is en beschreven wordt, maar de wetten zijn echt, want het gaat niet om het feit, dat die geboden ergens op een stenen tafel stonden, maar om het feit, dat deze wetten in elke mens leven als een steeds bestaand bewustzijn. Wetten, die kennelijk in mijn wezen zijn gelegd buiten de wereld, waarin ik leef, en bij anderen gelijk – of ongeveer gelijk – aanwezig zijn, kunnen wij niet ontkennen. Voor mij en allen, die deze wetten zo kennen, zijn die wetten Goddelijk en waar.

Op deze manier zou je alle dingen, waarin de mensen geloven, aan kunnen vallen. Men zou er over kunnen strijden. Op dezelfde wijze zult u alles aan kunnen vallen, wat ik u nu ga zeggen. U hoort dit alles van mij. Waar u dit alles van mij hoort, ik daarvoor op het ogenblik de enige getuige ben, terwijl ook weer andere geesten daarbij betrokken zouden kunnen zijn, het steeds weer ons werken op deze aarde betreft, kan men voor een verwerpen daarvan dezelfde argumenten aanhalen als bij de 10 geboden. Niemand van u weet het immers zeker. U kunt wel nagaan, of dit reeds als een soort weten in u werd gelegd. Is dat het geval, dan is het voor u een deel van de waarheid en zult u de geestelijke waarheid nader staan, dan u oppervlakkig schouwende zou willen geloven.

Geestelijk is het waar, dat uit de vele verschillende sferen en de vele verschillende mogelijk- heden van bestaan, daarbij zowel de uit de mensheid gekomen geesten, als andere geesten omvattende, die nooit mens zijn geweest, een soort rijk is opgebouwd. Dit rijk kan niet worden gezien als een gemeenschap. Het bestaat eerder uit een altijd gelijke kracht, die in alle delen van dit rijk gelijkelijk werkzaam is en door allen gelijkelijk bewust wordt ervaren en naar vermogen zal worden gebruikt. Eenvoudigheidshalve noemen wij deze kracht vaak het Licht. In andere gevallen noemt men het ook wel de adem Gods. Dit rijk, dat ook op aarde en in de stof zijn leden kan tellen, noemen wij dan – met de woorden, die Jezus daarvoor gebruikte – het Koninkrijk Gods. Dit rijk is niet afhankelijk van status of bewustzijn. Een behoren tot dit rijk betekent niet het einde van streven, of een volkomen bereiking. Het betekent slechts, dat een innerlijk bewustzijn bestaat, waardoor men kan beschikken over Goddelijke krachten, die men steeds intenser leert gebruiken en een Goddelijk weten, dat men steeds intenser leert verwerken, tot uiteindelijk misschien een maximum aan kracht en bewustzijn wordt bereikt.

Dit Koninkrijk Gods reageert op de bron, die het vormt en in leven houdt: de kracht van het Licht, de kracht Gods. Deze kracht zal steeds weer voor het geheel van alle sferen en alle wezens bepalen, op welke wijze zij kunnen streven. Het behoren tot dit rijk houdt verder in, voor hen, een zending, een taak, waaraan tevens een beloning aan verbonden is, die natuurlijk niet in klinkende munt wordt uitbetaald. Dus niet een prettige regeling als: win twee zielen en je krijgt ƒ 500. De beloning bestaat in een intensifiëring van krachten. Hoe juister en intenser men zijn taak vervult, hoe groter en sterker de eenheid wordt met de Kracht, die u die taak heeft opgelegd. Hierdoor ontstaat een versnelde bewustwording, een vergroot vermogen tot handelen, zodat met meer kracht en beter begrip verdere taken kunnen worden aanvaard en volvoerd.

Vanuit het Koninkrijk Gods wordt de ontwikkeling op uw wereld opgebouwd. Hierbij gaat men uit van de liefdeskracht van God, die ook wel de Christusgeest wordt genoemd. Deze werkt over de gehele wereld, terwijl zij in alle kosmische werelden, ook in de werelden en sferen, die niets met deze aarde te maken hebben, altijd gelijkelijk en even voortdurend aanwezig is. Deze Christusgeest is niet het volledig Goddelijke, maar een facet daarvan. Het is de liefde, de bindende kracht, die alle dingen tot elkaar brengt. In deze bindende kracht of Christusgeest vindt het Koninkrijk Gods zijn ware reden van bestaan. Dit houdt in, dat dit rijk eenzijdig is, maar ook, dat het voor de mens de enig mogelijk directe weg opent tot God Zelf en de Lichte werelden.

Natuurlijk zijn alle geesten die daarmede verbonden zijn, Lichtende geesten. Naast deze Lichtende geesten zullen er ook duistere geesten kunnen bestaan. Ik weet, dat men duistere geesten ook graag “duivels” noemt. Dit is een naam, waar wij niet veel mee op hebben. De duivel is een schrikgestalte geworden, die men in een stoffelijke vorm voorstelt. Men kan op menig bal masqué deze gedaante ijverig met de een of andere odaliske zien jitterbuggen.  Deze verstoffelijkte figuur kan niet de uitdrukking zijn van het negatieve of duistere. Laat ons dit onthouden: zoals voor het erkennen van de Christusgeest en het aanvaarden van de daaruit ontstane eenheid – het Koninkrijk Gods, waarin God Zelf het Licht, de beweegreden en de voortdurende openbaring is – men bepaalde bestrevingen dient te kennen. Zo kan er een rijk bestaan, dat op duisternis is gebaseerd. Voor dit duistere rijk zullen dezelfde wetten moeten gelden en zullen de werkingen gelijk moeten zijn, alleen de drijfveren kunnen verschillen. Indien men zichzelf zal moeten verloochenen om deel uit te kunnen maken van het Lichtende rijk, zo zal eigenbaat evenzeer uit moeten scheiden bij het werkelijk kwade. Waar Licht de kracht van het wezen is, de taak van het wezen en tevens de beloning van het wezen dat de taak volvoert, zo zal in het duister hetzelfde moeten gelden. In de voorgaande zin zal men voor Licht alleen het woord duister moeten substitueren. Verder blijven alle condities en mogelijkheden gelijk. Zoals micro- en macrokosmos elkaar spiegelen, spiegelen ook de werelden van goed en kwaad elkaar. Juist hierdoor is het zeer moeilijk een onderscheid te maken aan de hand van uiterlijke ver- schijnselen.

U kunt op voldoende wijze een onderscheid maken, wanneer u zich steeds houdt aan een paar eeuwige regels, die behoren tot de grootste geestelijke waarheid:

Heb uw God lief boven alle dingen, met geheel uw wezen, geheel uw vermogen, al uw denken en al uw krachten en bemin uw naaste gelijk uzelf.

God liefhebben en de naaste liefhebben is bijna identiek. Is het eerste belangrijker voor ons, omdat wij de naaste nog kunnen negeren, maar God nimmer werkelijk genegeerd kan worden, zo vinden wij in de naaste God weer. Dit is het eerste criterium. Daar, waar sprake is van haat, verweer en afwijzing, waar sprake is van zelfverheffing, het minachten, of vernederen van anderen, zal geen sprake kunnen zijn van een werkelijk Licht, of een geheel behoren tot het Koninkrijk Gods.

Een tweede regel zegt: Vraag u af, indien u de geestelijke waarheid omtrent de geest wilt kennen: wat is de werkelijke zin en inhoud, die voor mij nog bevattelijk is? Want de inhoud is steeds weer in zijn werkelijke betekenis een weerkaatsing van het wezen, dat haar voortbrengt. Een hulpmiddel hierbij is het feit, dat degene, die de paden des’ Lichts volgt, nimmer tracht te veroordelen, wetende, dat het oordeel aan de Schepper is, en niet aan hem. Hij, die de krachten des Lichts in zich kent, vraagt niet en eist niet, om dat hij weet, dat in deze Kracht alleen hij zijn sterkte kan vinden.

Wie voor zich uit de wereld en van de wereld meer eist van het werkelijk noodzakelijke, kan het Lichte niet waarlijk dienen. Jezus heeft ons hier een beeld van deze regel gegeven, wanneer Hij Zijn leerlingen zegt: “Neem geen tweede paar sandalen mee op Uw weg, of proviand, want gij zijt in dienst van God. Waar gij komt en leraart, daar zal men u al hetgeen gij behoeft, geven; voeding, onderdak, kleding. Waar men u weigert, zult gij verder gaan.” Deze vrije weergave is tevens een omschrijving van een geestelijke waarheid. Wie de kracht van het Licht dient, zal in elke sfeer door geesten of wezens, die het Licht en de kracht daarvan mogen ondergaan en ervaren, evenals door hen, die dit Licht en deze kracht reeds in zich kennen, gesteund en geholpen worden. Men heeft hierop recht en hoeft daarvoor niet te danken. Zodra hij meer dan het noodzakelijk vraagt, wanneer een mens voor zich bijvoorbeeld macht eist, of kapitalen gaat vormen, wanneer hij iets eist, wat voor zijn wezen niet werkelijk noodzakelijk is, volgens de normen van zijn tijd, kan hij niet tot de werkelijk Lichtende Krachten behoren.

Voor het duister geldt binnen de geestelijke waarheid dit: Alles, wat zwart-magisch, of demonisch is, alles wat tot de krachten en het rijk van het duister behoort, kenmerkt zich door grote eisen, waaraan nimmer werkelijk voldaan zal worden; want zij, die werken in deze krachten, verlangen voor zich alle dingen, doch van hetgeen zij werkelijk verlangen, zal niets hen worden gegeven. Al wat zij door hun werken en streven verkrijgen, gaat teniet en brengt geen vreugde.

Dit alles is geestelijke waarheid. De grootste waarheid, waar wij op een avond als deze over kunnen praten, is wel de waarheid van de kracht, die berust in u. U bent hier allen bijeen, de een met wat meer belangstelling, de ander met wat minder interesse. De een weet veel, de ander zegt ten hoogste: “Weet ik veel”. Wij allen hebben kracht. In ons Ik schuilt kracht, in ons is God. In ons is dezelfde mogelijkheid om het Koninkrijk Gods en de bond van lichtende geesten te beseffen. In ons is het vermogen eenheid te vinden met de grote werkelijkheid, die reikt van Gods’ troon tot het einde van het Al, van het eerste begin tot het laatste moment van uiterlijke werkelijkheid. Dit is onafhankelijk van onze ervaring en onze kennis.

Ook gij, mijne vrienden, zijt geest. Ook u zijt geboren uit de Goddelijke wil en de Goddelijke Kracht. Ook in u ligt de kracht en het Licht van het Goddelijke. Hiermede kunt u beantwoorden aan alle eisen, die u worden gesteld. Maar dan ook vertrouwen in uzelf hebben, geloven, dat hetgeen u doet, goed is. Voor alles is het dan noodzakelijk te geloven in Gods grootheid en Gods liefde, zonder daarin ooit een verontschuldiging te zoeken voor uw eigen onvolmaaktheden. Indien u zo leeft en denkt, zo zult u vanuit uzelf de Goddelijke kracht kunnen openbaren. Dit is voor mensen de grootste waarheid, die er kan bestaan.

Ieder van jullie kan geroepen worden en wordt geroepen. Niet om met een reclamebordje te gaan lopen. Niet om een oordeel te spreken over anderen, of de slechte gewoonten van anderen uit te roeien. Deze dingen behoren niet tot uw taak. Zij behoren niet tot de taak van de mens, die waarlijk op wil gaan in God. Uw aller taak is het de liefde Gods en de kracht Gods te openbaren in deze wereld en elke andere wereld, zover u dit door de Goddelijke wil mogelijk wordt gemaakt. Het is uw taak – zo u deze aanvaarden wilt – vanuit uzelf het begrip van eenheid, naastenliefde en daarmede de werkelijke eenheid onder de mensen te brengen. Dit zult u niet kunnen volvoeren door anderen te kleineren, door u als eens de wetgeleerden vol hoogmoed op de geboden te beroepen, of u met listigheden in een bepaalde richting van filosofie te ontwikkelen, maar dit kun je wél bereiken door mens te zijn, maar dan ook een mens, die in zich het Licht Gods draagt; een mens, die in zich een voortdurend vertrouwen heeft op God en het goede. Dit is een geestelijke waarheid, die op aarde meerdere malen werd geopenbaard, maar die – helaas – in deze tijden nogal eens vergeten wordt.

Laat ons de te grote ernst even breken. Mensen zie je altijd denken aan de jeugd, voetbaltoto, verbod van cafés om op zondag open te zijn e.d. De mens beantwoordt een vraag bevestigend. Wanneer hij zich afvraagt: Ben ik mijns broeders hoeder, zo roept hij “ja”, maar daarmede heeft hij al heel wat vreemde dingen gedaan. Stelling: ik vind drinken niet goed. Dus mag niemand drinken (sterke drank). Een dergelijke houding slaat in bij vele “doe-goed”ers. Wat is bv. het gevolg geweest van het drankverbod in de Verenigde Staten? De drankzucht nam aanmerkelijk toe. Door het gebruik van minderwaardige drank vielen vele doden, werden velen blind. Vele huwelijken zijn ongelukkig geworden. Een gangsterwezen werd opgebouwd, dat nu nog steeds sterk bestreden moet worden. Met het schijnbaar goed-doen had men in feite de duivel zelf gewekt. Zoiets komt voort uit het beoordelen van de wereld zonder haar te begrijpen of te kennen. Dwaas. Op het ogenblik bestaat er een andere groep, die zich met de bestrijding van de drankzucht bezig houdt: Alcoholics Anonymous. De leden zijn allen zelf slaven van de drankzucht geweest. Zonder ooit elkaar te veroordelen, of anderen als minderwaardig te zien, trachten zij elkaar te helpen, hun kwaal te overwinnen. Het vreemde is, dat dezen zonder verbieden beter slagen, dan de anderen, die hun “bekeren van anderen” op macht en geweld baseren.

Er is een tijd geweest, dat men in bepaalde kringen en Staten alles, wat maar op gokken leek, als kaarten en loterijen, achtervolgde en verbood. Het resultaat was ijverige smokkel in loterijbrieven van andere Staten, geheime roulette- en kaartclubs etc. Hierbij werd een attractie en een band gevormd, die zeer nadelig was. Mensen, die anders misschien zo nu en dan eens een kansje zouden hebben gewaagd, werden nu in contact gebracht met een milieu van goklustigen met als gevolg, dat zij – eenmaal in een dergelijke groep gekomen – werkelijk alle beheersing verloren. Daardoor werden huwelijken vernietigd, werden kinderen mishandeld, ondervoed. Daardoor werden zelfs kinderen verhandeld en trad men alle normen der menselijke moraal met de voeten. Er begon ook onder hen, die geen slaven van het spel waren, een geldzucht te heersen, die zeer schadelijk was en tot onjuiste handelingen voerde.

Hier hadden mensen getracht het goede te doen. Maar in hun bewustzijn van rechtvaardigheid en goed-weten vergaten zij, dat God nooit eist, dat je het denken van een ander zult beheersen tot het geheel conform is geworden aan het jouwe. God eist niet, dat je een ander er toe brengt zich te gedragen, zoals jij denkt, dat het goed is. Hij vraagt alleen, dat je in de mens steeds je broeder zult zien, dat je steeds je medemensen zult trachten te helpen. Maar ook, dat je hen de vrijheid laat hun eigen wegen te gaan en hen met alle krachten bij zult staan, wanneer zij trachten het goede te doen. Natuurlijk verwacht God niet van je, dat je een ander ook steun zult verlenen, wanneer hij het slechte doet. Wel zult u hem moeten helpen de gevolgen van het slechte zelf te overwinnen.

Dit klinkt weer erg stoffelijk. Kijk eens rond in de wereld, dan kunt u zelf uw conclusies wel trekken. Natuurlijk kunt u trachten de zaken stoffelijk voor iedereen in orde te maken, dan komt men tot slagzinnen als: “Elke mens heeft recht op goed eten… .” Menige mens zal dan antwoorden: “Wanneer ik toch recht heb op goed eten, waarom zou ik dan nog werken?” Zij werken dus niet meer, of zo weinig mogelijk. Daardoor hebben zij niets meer wat hun leven vult en inhoud geeft. Zij trachten het dan te vullen met alle dingen, die maar niet op werken lijken. Zo ontstaan reeksen van slechte eigenschappen en gewoonten, waardoor de mensen, die men trachtte stoffelijk al het goede te schenken, anderen en zichzelf het leven moeilijk maken en uiteindelijk geestelijk en vaak ook stoffelijk daaraan ten onder gaan. Om dergelijke dingen te volbrengen zal u dan ook nooit de kracht Gods worden gegeven. De geestelijke waarheid is niet, dat de mens op aarde is gesteld om op te treden als rechter over en hoeder van anderen. De geestelijke waarheid is, dat wij allen één zijn in de liefde van God. De waarheid is, dat, indien wij werkelijk vertrouwen op God en leven voor Hem, wij deel uitmaken van Zijn rijk. Dat in ons Zijn kracht is en deze kracht door ons kan worden gebruikt om ieder te helpen, die zich wil laten helpen. WIL, en niemand anders.

Nu wij toch ook over de stof spreken, kunt u misschien nog even aandacht wijden aan de tijd, waarin u nu leeft. Natuurlijk kunnen wij nu onze aandacht gaan richten op de Loemoemba’s, Kasavoeboe’ s enz. Er zijn op het ogenblik meer Afrikaanse namen populair dan in honderden jaren het geval is geweest. Wij zouden kunnen gaan spreken over Rusland, Chroesjtsjov, enz. Laten wij deze dingen eens buiten beschouwing en kijk dan rond in de wereld. Wat ziet u? Een wereld, die vol is van mensen, die bereid zijn alle andere mensen te helpen om te leven, zoals zíj het goed vinden. Maar er zijn maar weinigen, die bereid zijn anderen te helpen om te leven, zoals die anderen dit zelf wensen. De wereld is vol mensen, die wel zeggen overal respect voor te hebben en alles te willen onderzoeken, maar die uiteindelijk nergens werkelijk eerbied, of belangstelling voor hebben, dan voor hun eigen mening. Een wereld, die vol is van mensen, die zich op zuiver materialistische grondslagen menen te kunnen baseren en te verblind zijn om te beseffen, dat zij zo nodig verder zullen kunnen komen.

Vroeger had God bij de mensen nog iets te zeggen. Nu leggen de mensen hun eigen woorden God in de mond. Vroeger waren inspiratie en geestelijke krachten tenminste nog iets waard, ook al werd er misschien door enkelen ook reeds om gelachen. Nu gelden deze dingen niet meer en heet de nieuwe God: statistiek. Vroeger was het belangrijk, dat je zo eerlijk mogelijk leefde. Vroeger was het belangrijk, dat je iemand, die iets van je kocht, ook inderdaad het beste gaf, wat je hem kon geven. Tegenwoordig telt men dit niet meer. Integendeel. In deze dagen gaat het erom zoveel mogelijk te verdienen aan een product, dat zo slecht mogelijk is, opdat door de slechte kwaliteit van het product je omzet verhoogd zal worden, zodat je meer mensen werk zult kunnen geven, die dan je producten kunnen kopen, opdat je steeds rijker zult worden.

Het klinkt zo eenvoudig. Vergeet niet, dat het essentiële van deze tirade een stelling van de moderne economie is geworden. Men heeft uitgerekend, dat, indien alle radio-, tv.-, lampen- fabrieken e.d. producten zouden maken, zo goed als in hun vermogen ligt, zij failliet zouden gaan en er vele werkelozen zouden komen, want dan zouden deze producten vijftig jaren mee gaan. Een elektrische lamp, die volgens het huidige weten en met de huidige middelen inderdaad zo goed mogelijk zou worden gemaakt, zou ongeveer 150.000 branduren hebben. De lampen worden zo gemaakt, dat zij 800 tot 1000 uren gemiddelde levensduur hebben. Dit noemt men dan goed. Eigenlijk is dit een vervalsing van waarden. In de huidige maatschappij lijkt deze vervalsing van waarden noodzakelijk. Vraagt u zich nu ook eens even af, waar hierbij de eerbied voor de naaste blijft? Want naastenliefde betekent niet, dat je het voor allen zo gezellig mogelijk maakt, maar dat je het alle mensen zo goed mogelijk geeft en daarnaast de mogelijkheid biedt om in zo groot mogelijke vrijheid hun eigen leven te leiden. Want, zo zegt men, het is in de eerste plaats onze verantwoordelijkheid alle mensen aan het werk te houden, om alle mensen zoveel mogelijk te laten verdienen.

In de moderne termen lijkt dit aanvaardbaar. Is het niet belangrijker, dat je alle mensen eerst eens leert om gelukkig te zijn en waar, ook al is de luxe dan niet zo groot? Slagzinnen treffen wij in deze dagen te over aan. Het is zo belangrijk, zegt men. Het zedelijke en culturele peil van de massa wordt vergroot. Toch steekt mij iets, wanneer nu dit culturele peil alleen door steeds groter wordende subsidies kan worden gehandhaafd, wanneer het morele peil alleen door knuppels en waterkanonnen als op Oudejaar kan worden gehandhaafd, wat is daarvan dan de werkelijke waarde? M.i. worden in deze wereld krachten, gedachten en kapitalen besteed aan het oprichten van een façade. Maar waar vinden wij iets van de innerlijke kracht, die nood- zakelijk is om de mensheid verder te helpen? Een museum is mooi, maar werkelijk belangrijk wordt dat museum alleen, wanneer er mensen zijn, die daarin zoveel schoonheid vinden, dat zij daarvoor alles werkelijk over hebben. Sport is belangrijk voor de volksgezondheid. Daarom moeten er stadions worden gebouwd en grote complexe sportterreinen in alle gemeenschappen. Ik vind het mooi, dat dit alles geschiedt. Maar indien men daarvoor zelf geen offers meer brengt, waar blijft dan de waarde van dit alles.

De wereld wordt een vreemde wereld op die manier, je geeft de mensen alles wat zij nodig hebben op sociaal, cultureel gebied. Maar het enige, wat zij nodig hebben, geef je hen zo niet: werkelijke bereiking, werkelijke naastenliefde, begrip voor het streven van anderen en vertrouwen in eigen kunnen, zowel als in hun God. Vertrouwen ook in een kracht, die hen in heel het leven zal helpen. Vandaar, dat men naast de stadions, de musea en de vele kunst- manifestaties, atoomraketten bouwt, die al 5.000 mijlen precies gericht af kunnen leggen. Dat naast de mooie kunstmatig gevormde landschappen en parken, grote stukken natuurschoon vernietigd worden door oorlogsmachines.

Dit kan, mijne vrienden, toch niet het doel en de zin zijn van het menselijke leven? Daarom spreek ik over geestelijke werkelijkheid. Want nu nog is er tijd. Vandaag kun je nog zeggen: “Dit aanvaard ik, ik ga beginnen.” Dadelijk komt de stortvloed van feiten, die je meesleurt, tot je niet meer weet, waaraan u toe bent. Ik voorspel geen wereldondergang. Maakt u zich geen zorgen. Maar als u wacht tot het wereldgebeuren nog verder trekt, zult u niet meer in staat zijn uzelf er te vinden en te erkennen. Dan kunt u het eigen innerlijk niet meer benaderen. Dan zult u de mogelijkheid haast niet meer hebben om de krachten in uw eigen wezen te ontdekken, die zo dicht bij de oppervlakte liggen in deze dagen.

Geestelijke waarheid zegt: Heb je God boven alles lief en je naaste gelijk jezelf. Geloof, dat God in en met je is te allen tijde, dat Zijn kracht en weten altijd met jou zullen zijn… Aanvaard dit en volbreng de taak, die Hij je oplegt. Volbreng die taak op jouw wijze en met jouw middelen, zonder te vragen, wat de wereld ervan zegt. Dat is de geestelijke waarheid, waaruit het gehele rijk der geest is opgebouwd. In dat rijk vinden wij de Grootsten, die men noemt de Tronen, de Heerschappijen, de Seraphim. Daarin vinden wij alle krachten van leven en liefde: de engelen, de geesten van de overgeganen, de Meesters, alles tezamen als deel van één rijk, deel van het Koninkrijk Gods. Een Koninkrijk, dat ook voor u bestaat, maar niet volgens een kerk of een leer. Een rijk, dat bestaat krachtens uw innerlijk wezen en waartoe u zult kunnen behoren door de wijze, waarop u nu leeft en denkt. Een Koninkrijk Gods, dat niet op een bepaald ogenblik is ontstaan, maar voortvloeit uit de liefde Gods, zo zijnde van het begin en bestaande tot het einde der tijden. De grote werkelijkheid, waarvan al het andere, zoals de Witte Broederschap, de bonden en groepen van samenwerkenden in de geest, de meesters op aarde en de nieuwe wereldleraar, alleen maar een manifestatie zijn, meer niet. Dat is de geestelijke waarheid, de grote geestelijke kracht, die ook u, nu nog, vandaag nog, in staat kan stellen om wonderen te doen, die u nu, vandaag nog, tot een vrij mens kan maken en u nu, vandaag nog, actief kan doen worden voor de vrede op aarde en – wat nog belangrijker is – voor vrede in de harten der mensen.

 GEHOORZAAMHEID EN DISCIPLINE

Deze beide waarden worden nogal eens met elkaar verward. Ware gehoorzaamheid is de vrije en uit vrije wil geboren aanvaarding van het gezag van anderen. Wanneer ik een mens zozeer liefheb of vertrouw, dat ik daarom gehoorzaam, diens wil aanvaard, dan is dit waarlijk gehoorzaamheid. Wij kunnen dit bij dieren zien, die op de goede wijze gedresseerd zijn. Die dieren gehoorzamen uit genegenheid en vinden er een vreugde in hun aanvaarden van het gezag van hun meester uit te drukken. Er zijn ook mensen en dieren, die buitengewoon gehoorzaam lijken. Zij zijn zelfs zeer gedisciplineerd. Ik kan u deze discipline het best zo uitleggen: discipline is een vorm van gehoorzaamheid, die voortkomt uit angst of onderlinge haat. Er bestaat slechts één soort van discipline, die aanvaardbaar is voor mij, namelijk de zelfdiscipline.

Wat discipline in haar slechtste vorm betekent, heeft men kunnen zien in het Duitse leger, in Rusland en ook in bepaalde delen van bv. Soekarno’s leger. Men werkt daar als volgt. Er wordt een bevel gegeven. Wanneer aan dit bevel niet goed genoeg, of niet wordt gehoorzaamd, zo wordt het geheel bestraft, opdat de werkelijke schuldige door zijn gelijken zozeer zou worden gestraft als een hogere met goed fatsoen nooit zou kunnen of durven doen. Hierdoor bereikt men, dat iedereen uit angst voor zijn gehele wereld – en niet alleen voor de meerderen – precies tracht te doen, wat de meerderen van hem verlangen. Dat is in feite discipline.

Ik weet wel, dat men daarvan ook andere opvattingen kent. Men spreekt bv. over discipline in het verkeer en meent, dat men toch gedisciplineerd moet zijn. Een gehoorzaam zijn aan de wetten en regels, zowel die van de staat als van de menselijkheid en hoffelijkheid, zou zeker enige zelfdiscipline vergen. Wanneer er van een gehoorzaam zijn wordt gesproken, houdt dit tevens in, dat op de overtredingen geen straf, of geen grote straf, hoeft te staan. De straf is in dit geval het zelfverwijt, dat optreedt bij een gefaald hebben. Een discipline in het verkeer, die alleen met zware straffen kan worden gehandhaafd, bv. vijf jaren gevangenisstraf voor een ieder, die onder invloed van sterke drank rijdt, wordt een kadaverdiscipline. Jammer genoeg lijken dergelijke maatregelen in deze dagen vaak onvermijdelijk en noodzakelijk.

Uit deze voorbeelden begrijpt u reeds, waar ik naar toe wil. Wanneer ons iets wordt gezegd, bv. God zegt mij: “Ga uit en spreek…” dan kan ik zeggen: “Ja, Heer….” Ik kan ook zeggen: “In hoeverre kan ik dat doen op voor mij aanvaardbare wijze?” Ik kan God wel degelijk gehoorzamen, maar ik ben in staat beperkingen aan te brengen of te weigeren. Ik ben het dus zelf, die doet. Er is niemand, die mij dwingt. Er is niemand, die het besluit voor mij neemt. Ik ben het zélf. Zo gehoorzaam ik dus mijn God, in vertrouwen op die God, Zijn wijsheid, Zijn kracht en Zijn liefde. God kan mij bevelen, deze of gene kracht in een sfeer uitzenden. Ik gehoorzaam mijn God en verkrijg de krachten, die voor het volvoeren van die taak noodzakelijk zijn. Ik volbreng de taak zelf, op mijn manier. De krachten, hoezeer ook Goddelijke kracht, komen door en vanuit mijn wezen tot uiting. In die gehoorzaamheid ligt altijd een persoonlijke vervulling.

Nu kan ik dit zelfs op een andere wijze gaan zien. God zegt mij: “Ga uit in de wereld en spreek”. Wanneer God mij daarbij nu een prekenboek geeft en een reislijstje, terwijl Hij mij uitdrukkelijk voorhoudt, welke gebaren ik wel en welke ik niet mag maken – zoals in sommige landen wel geschiedt – en mij dreigt met straffen, wanneer ik daarvan afwijk, zo zal ik deze taak misschien vervullen. Maar ik ben het niet, die spreekt, gebaren maakt enz. Dat is nu discipline, een volgen, dat overgaat in een automatisme, waarbij de eigen reacties van het Ik betrekkelijk ver, of zelfs geheel zijn uitgeschakeld. Hierbij is alleen sprake van geheel volgens door andere vastgestelde normen en vormen, zonder eigen aansprakelijkheid hierover, verder te gaan. Hier is sprake van een afstand doen van het Ik en eigen reactie. Dit is natuurlijk wel erg gemakkelijk.

Er zijn meer mensen, die zich aangetrokken voelen tot de discipline dan tot een ware gehoor- zaamheid. Werkelijke gehoorzaamheid laat immers steeds nog een eigen aansprakelijkheid toe en stelt ons steeds weer voor de vraag, hoe a en b op dezelfde opdracht zullen reageren. Voorbeeld: Ik ben officier, of onderofficier. Er zijn acht rekruten. Ik breng dezen bij, dat zij bij het binnenkomen van een hogere eerbied moeten betuigen. Dan zeg ik: “Wanneer ik zeg: Geeft acht!, moeten jullie je eerbied betuigen aan degene die binnenkomt, dus respect tonen”. Ik zeg niet meer en vertel niet precies, wat zij moeten doen. Een generaal komt binnen. Ik roep: “Geef acht!” Onmiddellijk komt een van de rekruten naar voren en zegt: “Sigaretje, generaal?” Een ander gaat een stoel klaar zetten… . Dat is hun manier om respect te tonen en beleefd te zijn. Dat wordt een hele wanorde. Ik denk dan ook wel, dat een generaal in zo een geval met een zeer duidelijke toespraak, eerst tot de mannen en dan tot de officieren, de nadruk zou leggen op de noodzaak van discipline. Men moet hen eigenlijk leren: wanneer ik “Geef acht!” roep, dan sta je, waar je staat, hakken tegen elkaar, pink op de naad van de broek, borst vooruit, schouders naar achteren. Je roert je niet, voordat iemand zegt, dat dit mag, of iemand je iets vraagt. Wanneer ik het nu zover breng, dat deze rekruten, wanneer ik alleen maar: “Geef….” zeg, reeds in de houding staan, dan is dit discipline. Overigens volgt hieruit, dat de mens in bepaalde omstandigheden de discipline nodig heeft, omdat hij de ruimte en de tijd niet heeft om met alle persoonlijke reacties op de juiste wijze rekening te houden.

Geestelijk gezien ben ik tegen de idee van discipline in de door mij omschreven zin. Onnoemelijk veel kan ik voelen voor gehoorzaamheid. Er zijn hogere krachten, die het veel beter weten, dan wij. Wij weten, dat er wetten en krachten zijn, die zó sterk zijn, dat wij ons hij hun besluiten wel degelijk neer mogen leggen, maar altijd zullen wij dit op onze wijze doen. Want wij zijn, wij leven, wij zelf moeten verantwoordelijk blijven voor onze daden. Een ver doorgevoerde discipline maakt dit onmogelijk. Indien je je eigen gedrag vastlegt naar eigen beste weten en je – ongeacht de omstandigheden – zover beheerst, dat je je hieraan houdt, zo is er sprake van een vorm van zelfbeheersing, die men wel zelfdiscipline noemt. Deze acht ik bewonderenswaardig en voor allen noodzakelijk.

*Maar als mijn kinderen overal buiten vuil weggooien, moet ik hen dat toch  verbieden?

Inderdaad, u legt hen dan uit waarom. Doet u dit op de goede manier, dan zullen zij u gehoorzamen. Slaat u hen alleen maar, zolang, tot zij zonder begrip doen, wat u zegt, dan is er sprake van discipline. In de opvoeding moet wel gehoorzaamheid van de kinderen worden gevraagd, maar tevens is het uw taak hen begrip bij te brengen voor het waarom en hen dit steeds weer uit te leggen en in herinnering te brengen, tot zij het geheel begrijpen. Mij dunkt, dat men niet alleen t.o.v. kinderen, maar ook van burgers van een staat, de plicht heeft het waarom van een bevel of verzoek duidelijk te maken. Alleen op deze wijze kan een goed resultaat blijvend worden bereikt. Alleen uit begrip kan werkelijke gehoorzaamheid voortkomen.

* De vorige maal werd aan anarchie de voorkeur gegeven boven ordening.  Gehoorzaamheid behoort toch bij ordening?

Gehoorzaamheid, waar deze een vrijwillig aanvaarden van het gezag van anderen in kan houden, is in een anarchie bestaanbaar, discipline niet. Een ordening, die ver wordt doorgevoerd, eist meer dan louter gehoorzaamheid. Bij een vergaande ordening is een begrip voor alle maatregelen en een vrijwillig aanvaarden daarvan niet voor iedereen mogelijk. Om de ordening te doen slagen zal een ieder de besluiten van hogeren moeten aanvaarden en hun bevelen op moeten volgen, ook daar, waar hij zelf de zin, het nut of het doel daarvan niet inziet. Dus wordt in ordening de discipline onvermijdelijk. Gehoorzaamheid is iets, wat van jou uitgaat, waarmee een persoonlijk beleven en begrijpen mee verknoopt is. Discipline betekent tegenwoordig alles, wat je zonder meer van buiten af wordt opgelegd en alleen daarom wordt aanvaard of volbracht. Verder zal bij discipline geen persoonlijke wijze van volvoering te pas komen.

*Wat is de betekenis van de Chakra’s?

Dit zijn niets anders dan zenuwknooppunten, waarin een verbinding optreedt tussen het fijnstoffelijk deel van de mens en het stoffelijke deel. Elk chakra kan worden gezien als een verbinding tussen een deel van het zenuwstelsel en het levenslichaam, of astraal lichaam. Het laatste chakra heeft beide waarden te allen tijde gemeen. Het is een chakra, waardoor krachten kunnen worden ontnomen aan de omgeving. Dezen worden zowel gebruikt voor levenslichaam, astraal lichaam, als het stoflichaam. Naarmate het bewustzijn en daarmede ook de samenwerking tussen stof en geest verder groeit, zullen volgende chakra’s actief worden, of openbloeien. Hierbij zullen wij zien, dat, naarmate de samenwerking tussen stof en geest intenser wordt, een sterkere uitdrukking van geestelijke behoefte en mogelijkheid binnen het lichaam noodzakelijk is, evenzeer als een sterkere overdracht van krachten tussen stof en geest mogelijk en noodzakelijk wordt. Het gevolg is, dat de daarop volgende chakra’s steeds verder openbloeien en elk chakra een intenser en hoger gebruik van krachten inhoudt.

Wanneer ik stel, dat het kruinchakra bepaalde krachten uit kan stralen, die voor een mens dodelijk of verdovend kunnen werken, zo zeg ik hiermede niet, dat deze kracht een andere aard heeft dan de kracht van het zonnevlechtchakra, waarin immers hoofdzakelijk enkel genezende en waarnemende krachten kunnen worden gebruikt. Gezien de intensere samen- werking tussen stof en geest en de vergrote overdracht van kracht tussen deze beiden kan de intensiteit van de krachtoverdracht aanmerkelijk worden vergroot, terwijl tevens grotere delen van geestelijk bewustzijn en geestelijke waarneming voor het richten van deze kracht, zullen worden gebruikt. Men noemt meestal 7 chakra’s, maar het topaantal, dat in een mens ontwikkeld kan zijn, is negen

Vóór ik ga, wil ik u nog er op wijzen, dat het Licht er voor u is. NU. De kracht is er, ook voor u. NU. Als u vandaag begint deze dingen te gebruiken, er vandaag aan begint te geloven en ermee te werken, dan kan morgen de wereld reeds anders zijn. Eerst voor u, maar dan ook voor anderen.