Geestelijke zelfwerkzaamheid

uit de cursus ‘Actief geestelijk streven’ – (Hoofdstuk 4)   januari 1958

Geestelijke zelfwerkzaamheid betekent: de activiteit, die men normalerwijze op aarde mentaal en ook lichamelijk kent, overbrengen in het geestelijke. Daardoor krijgt men een harmonie van geestelijk en stoffelijk werkzaam zijn, waarbij de geest evenzeer verdiensten heeft in het stoffelijk bestaan en bovendien in zijn eigen wereld impulsen kan verwerven, die wederom tot uitdrukking kunnen komen in de stof.
Er bestaan op aarde, alleen al in geheimscholen, ruim 70 verschillende wegen. Het is mij helaas onmogelijk elke weg afzonderlijk op zijn merites hier voor u te beoordelen en te behandelen. Ik kies echter kort de wegen, gaande van de in de stof gebaseerde tot de onmiddellijk zuiver geestelijke.
Ten eerste: Stoffelijk gebaseerd komt men tot een geestelijke zelfwerkzaamheid, wanneer men in staat is voortdurend alle innerlijke impulsen op een zodanige wijze te oriënteren, dat ze richting geven aan het eigen beleven. Hierbij is het noodlot, het toeval, zoals het in het leven optreedt, zeer belangrijk. Wij leven door tekens, die ons geworden en die a.h.w. een noodlotsbestemming voor ons neerleggen. Op deze wijze wordt de activiteit van de geest zelf wel niet geprikkeld, maar zal elke impuls, die uit het geestelijke komt of komen kan, mee in het stoffelijk beleven verwerkt zijn.
De resultaten van een dergelijke geestelijke zelfwerkzaamheid zijn stoffelijk nihil; geestelijk echter, door een intens beleven en een intens geloof, dat meestal hiermee gepaard gaat, een grotere realisatie voor de geest dan normaal van alle mogelijkheden der stof en der lagere gebieden. Hierdoor kan de geest voor zichzelf o.a. verwerven:
De mogelijkheid om volgende incarnaties zelf te bestemmen, zo ze nog nodig zijn.
De mogelijkheid om vanuit geestelijk bestaan later in de stof in te grijpen, behulpzaam te zijn en zo de bewustwording der mensheid te helpen bevorderen.
Een beheersing van primitiever stoffelijke wezens, waardoor een dergelijke geest leidinggevend kan optreden o.a. in de lagere natuurgebieden.
Op zichzelf is deze weg dienstig, werd in het verleden ook veel gevolgd, doch is m.i. niet voldoende aangepast aan de mogelijkheden, die een moderne mens hoeft.

De tweede weg erkent het geestelijke maar als een onbeheersbare en onbewuste factor. Uitgegaan wordt van het standpunt: Ik leef hier in deze wereld maar in mij is iets dat met andere werelden contact krijgt Dit contact ligt buiten mijn beheersing. Ik heb zelf in die andere we­reld geen mogelijkheden, maar kan door aanroepingen, smekingen, bezwe­ringen, eventueel magische handelingen, het contact zodanig verstevigen, dat voor mij een begrip van deze andere wereld mogelijk wordt en ik dus werkingen op aarde kan bereiken, die anders buiten mijn normaal bestek zullen vallen.
Hierbij speelt zich het volgende onbewust af: Een vereenzelviging met de krachten, die men aanroept, brengt een, zij het niet gerealiseerd, leven op andere vlakken met zich mee. Degenen, die deze weg volgen, zijn over het algemeen zeer bekwaam tot handelen en werken in astrale sferen. Zij zijn zich ook bewust van hetgeen zich daar voltrekt, doch zijn zich niet bewust van het feit, dat zijzelf dit volbrengen. Zij nemen aan dat andere figuren, goden, e.d. hier als handelende factor optreden.
Voor de geest zijn hieraan natuurlijk vele mogelijkheden verbonden. De stof komt alleen tot het magisch werken, dat over het algemeen beperkt blijft tot kleinere handelingen, die in de naaste omgeving tot uitdrukking komen: Geestelijk gezien, vergroting van kennis van de verschillende lagere sferen, een beter begrip voor het wezen van demonen, een begrip omtrent de werkingen van geestelijke krachten, die zich op aarde uiten en als zodanig voor deze geest de mogelijkheid om na overgang ditzelfde te bereiken. Verder de mogelijkheid om door onbewuste overgave aan hoger geestelijke krachten reeds bewustzijn te puren in het stoffelijk bewustzijn, zonder dat dit stoffelijk tot uitdrukking komt.

De derde weg, die ik met u wil behandelen ‑ en nu maak ik even een sprong en sla dus het een en ander over ‑ is de weg vanuit de stof bewust geestelijk te streven. Basis: Ik ben meer dan stof alleen. Het feit, dat ik meer ben dan stof alleen, brengt mij ertoe te zoeken naar een weg, waardoor ik ook het niet‑stoffelijke voor mijzelf steeds reëler zal kunnen erkennen. In deze erkenning zoek ik allereerst en vooral naar een begrip. Begrip van mijn eigen wezen in niet‑stoffelijke conditie, begrip van niet‑stoffelijke werkingen in mijn eigen wezen en leven.
Hierbij zijn geen magische werkingen of werkzaamheden te verwachten. Een dergelijk persoon is wat men noemt nuchter en toch gelovig. In het geloof treedt dan over het algemeen op een scherpe overgave aan een bepaalde godheid, die echter niet de directe Al-god is, doch een deel daarvan of een ondergeschikte god. Vergelijkenderwijze zou ik willen opmerken dat wij dit hier krijgen bij christenen, die zich alleen overgeven aan Jezus, maar daarbij de Vader ‑ God, de Schepper‑ dus wel eens uit het oog verliezen. Ook zij hebben een dergelijk geloof. Wij vinden dit ook bij de vereerders van Kali Durga, die zich dus overgeven aan de godin Kali, een bepaald aspect van de scheppende werking. Vele andere voorbeelden daarvan kunt u zelf nog vinden en aanhalen.
In een dergelijk geval wordt een harmonie gevonden, die onbewust is. Een harmonie nl. van het geestelijk streven, dat voor de geest nu ook in het stoffelijke wordt uitgedrukt, maar dat niet onmiddellijk realiseerbaar is. Er is een geloof. Dit geloof leidt de stoffelijke handelingen, speelt een grote rol bij stoffelijk bewuste en onbewuste overwegingen, maar zal nooit en te nimmer een volledig bewuste beheersing betekenen. Er is een voortdurend aanvaarden. In deze aanvaarding zal de geest waarden van zijn eigen sfeer en toestand kunnen behouden tijdens zijn contact met het stoffelijke. Hij is niet in staat deze stoffelijk uit te drukken, maar zal dankzij het geloof toch een uitbreiding krijgen in de richting van zijn eigen sfeer en bestaan.
Hier kan worden gezegd dat onbewuste uittreding kan voorkomen, waarbij dus werkzaamheid op geestelijk gebied zonder stoffelijk bewustzijn mogelijk is. Verder is hier het geloof heel vaak de factor, waardoor ook z.g. magische of pseudo‑magische werkingen tot stand komen, die als resultaat brengen: zegeningen, profetieën en dergelijke. Deze worden echter nooit erkend als komend uit het eigen ‘ik’ of in verband staande met de eigen geest. Geestelijk gezien: een vrijheid van eigen sfeer, gedurende het leven, zo bewerkstelligende een vergroot begrip voor eigen sfeer en ook een scherper contact met meer sferen plus de aarde. Dit harmonisch blijven en begrip hebben van meer sferen, is belangrijk voor de geest, waar het zijn eigen bewustzijnsuitbreiding zeer ten goede komt en hij zich dus sneller in hogere sferen kan gaan bewegen.
De voorgaande wegen, door mij aangestipt, zijn in de eerste plaats wegen, zoals zij normaal voorkomen. Zij bevatten geen geheime leer en zijn het normale resultaat van het menselijk denken, het menselijk streven, plus een mogelijke geloofsaanvaarding of een aanvoelen van het bovennatuurlijke. De volgende wegen, die ik zal aangeven, zijn echter gebaseerd op het bestaan van een geestelijke wijsheid, die verder reikt dan een zuiver stoffelijk bestaan. Daarbij wil ik allereerst aanstippen de z.g. karma‑leer, waarbij de weg als volgt wordt gekozen:
Het leven moet door mij aanvaard en ondergaan worden. Al hetgeen ik beleef, komt voort uit vroeger bestaan, uit vroegere verantwoordelijkheid. Er is geen god noch duivel verantwoordelijk voor hetgeen mij overkomt. Ik ben het zelf, die deze krachten tot mij roept. Slechts de wijze waarop ik beleef, is belangrijk. Daardoor zal een zoeken naar de geestelijke inhoud en achtergrond van al hetgeen ik beleef, een voortdurend deel van mijn leven uitmaken. Op deze wijze zal een zoeken naar oorzaak en gevolg in het totaal stoffelijk bestaan een voortdurende uitbreiding van bewustzijn, al is het maar een bewustzijn van mogelijk­heden, inhouden.
Natuurlijk krijgen wij hierbij vaak foutieve uitleggingen, pogingen om zekere edele idealen te forceren in een karma‑beleven e.d. Desondanks kan worden gezegd dat de intensiteit, waarmee het leven wordt ondergaan, op de duur voor de geest een veel grotere verrijking kan betekenen dan enige andere weg. Ik zeg dit uitdrukkelijk, omdat de weg van karma en karma‑realisatie voor de mens via het kennen van oorzaak en gevolg betekent een kennen van de scheppende Kracht en dus voor de geest een mogelijkheid om zich meer met die scheppende Kracht te vereenzelvigen, zelfs tijdens het stoffelijk bestaan. Stoffelijk gezien resulteert hieruit een zekere duldzaamheid, soms zelfs gelijkend op apathie. In geestelijk opzicht, zoals ik reeds heb gezegd, is de vereenzelviging met hogere sferen eenvoudiger, waar het begrip voor de schepping steeds dieper wordt en het geestelijk leven een normale continuering wordt van het stoffelijk bestaan, waardoor een bewuste cyclus en mogelijkerwijze een bewuste reïncarnatie kan plaatsvinden.
Gaat men verder met deze karma‑leer, dan komen we tot de weg, waarbij karma wordt gezien als iets, niet het persoonlijke ik betreffende. Hierbij wordt een absolute scheiding gemaakt tussen het geestelijk bestaan en het stoffelijk bestaan, dat onder invloed van oorzaak en gevolg nu eenmaal bepaalde problemen geeft en bepaalde situaties met zich meebrengt. Het afwijzen van verantwoording voor alle toestanden, waarop het ‘ik’ geen verdere invloed kan uitoefenen, houdt hier in een zich vervreemden van de waarden der gevolgen in het stoffelijk bestaan. De bevrijding, die hierdoor plaatsvindt, is groter. Men zal dus niet zo snel stofgebonden zijn en zal verder door het wegdrukken uit het eigen bestaan van vele stoffelijke probleemwaarden, komen tot een dieper mentaal begrip voor geestelijke waarden.
De geest heeft hierbij het voordeel van een grotere vrijheid, een minder gebonden zijn aan een oorzaak‑en‑gevolg‑cyclus en dus ook de mogelijkheid om, ongeacht het stoffelijk beleven, in zijn eigen sfeer voort te bestaan en daarin zijn eigen wijsheid op te doen. Het nadeel is echter dat hierdoor heel vaak gebrek aan intens beleven ontstaat. De geest heeft hierdoor niet een zodanige bewustzijnsuitbreiding als soms verkieselijk is.
De laatste z.g. karma‑weg houdt verband met het erkennen van andere krachten in het eigen leven als uitvoerders van een goddelijk raadsbesluit. Hier stelt men, dat al hetgeen in het eigen leven gebeurt, gebeurt met een bedoeling, met een betekenis. Evenals in de eerste weg, tracht men deze betekenis wel degelijk te doorgronden. Men aanvaardt echter niet een eigen aansprakelijkheid voor hetgeen men ondergaat. Hierin verschilt deze weg dus wel zeer van de eerste weg, die hierin naar zichzelf zoekt.
Deze derde weg van karma, die ik hier aangeef, zoekt echter God te erkennen in al hetgeen Hij op onze weg brengt. Hierbij kan soms een zeer grote geestelijke waarde bereikt worden, terwijl gelijktijdig ook stoffelijke resultaten kenbaar worden. Want door het erkennen van God in al hetgeen rond mij gebeurt, zal ik ook leren te putten uit de krachten Gods overal rond mij. Hierdoor krijgt men lichamelijk de mogelijkheid om vaak helpend op te treden als een extensie van het Goddelijke t.o.v. zijn medemensen. Verschijnselen als wonderdadige genezingen e.d. kunnen hieruit voortvloeien. Beheersing van de materie echter, die niet leeft, kan hier niet optreden. Voor de geest heeft dit grote waarden door een uitbreiding van het bewustzijn, waar men zich verzinkt in het Goddelijke rond het ‘ik’ en daardoor het uitbreiden van wereldervaring maakt tot een uitbreiden van eigen wezen. De benadering van het Goddelijke wordt zo intenser mogelijk en gelijktijdig leert men zijn functie binnen het Goddelijke bewust volbrengen. Een volledig bewustzijn hiervan in de stof komt echter slechts zeer zelden voor.
Na de wegen van karma bezien te hebben, moeten wij ons ongetwijfeld ook wenden tot de z.g. magische weg, die in sommige esoterische scholen wordt onderwezen en ook deel uitmaakt van de stellingen van vele geheimscholen. De grondstelling, voor al deze wegen gelijk zijnde, is als volgt:
Er is een voortdurende kringloop van goddelijke kracht. Deze kringloop is in feite de schepping. Ons bewustzijn beweegt zich met deze kringloop mee en zal dus voortdurend en te allen tijde alle sferen blijven passeren, zowel de hoogste als de diepste. Eigen bewustwording maakt echter uit in hoeverre die sferen bewust worden ondergaan en beleefd. Het doel van degene, die langs deze weg streeft, is nu om zo hoog mogelijke waarden te kunnen beleven, terwijl men gelijktijdig de lagere waarden uitschakelt, voor zover zij voor het ‘ik’ niet aanvaardbaar zijn,‑ en daarbij toch voor zichzelf daadwerkelijk blijft leven, ook in die lagere sfeer. Hier wordt het ‘ik’ gemaakt tot een replica van de goddelijke schepping ‑ niet de Schepper Zelf ‑ en put men voortdurend in elke beleving uit de hoogste sferen, die voor dat ‘ik’ bereikbaar zijn.
De stoffelijke weg kan die zijn van de beheersing. De stoffelijke weg van beheersing houdt in: Afstand doen van alle middelen, die niet stroken met een zo groot mogelijke stoffelijke harmonie. Een afstand doen van alle wetten en belevingen, die niet passen voor het ‘ik’, waar het ‘ik’ hier ‑ door begeerten, etc. ‑ op een verkeerd spoor zou kunnen worden gebracht. Verder een afstand doen van het contact met mensen in zuiver menselijke zin, hen slechts benaderen uit een geeste­lijk standpunt, met hen levende maar nooit levende zelf met hen. Het ‘ik’ is hierbij voortdurend uitgeschakeld en wordt teruggebracht tot een minimale waarde. De realisatie van de wereld is slechts de re­alisatie van één van de vele sferen, terwijl men voortdurend tracht com­pensatie voor eigen bestaan te vinden in alle mogelijkheden, dus in al wat er bestaat.
De magische weg stelt hierbij dan verder dat het projecteren van de waarden van één wereld in de eigen wereld of andere werelden inhoudt een verloop van krachten, die gericht kunnen worden door de magiër, die dit verloop van krachten tot stand brengt. Er wordt dus a.h.w. gebruik gemaakt van potentiaal‑verschillen tussen verschillende bewustzijnssferen, waardoor het bewustzijn een dragende en werkende kracht wordt in alle sferen, die door de magiër beroerd worden. Hierbij is het niet alleen mogelijk krachten van hogere sferen werkzaam te maken in eigen wereld, maar ook omgekeerd ‑ de weg van de krachten volgende ‑ zichzelf tijdelijk te verheffen tot hogere werelden.
Hier komt voor het eerst een zogenaamd meervoudig bewustzijn voor, waarbij dus gelijktijdig tenminste de stoffelijke wereld en één geestelijke sfeer wordt beleefd. Degenen, die hierin het verst doorgaan, kunnen soms zeven sferen gelijktijdig beleven en afwisselend hierin werkzaam zijn, zonder in een der sferen ooit hun totale bewustzijn te verliezen. Dit betekent het omvatten van een groot gedeelte van het Al en ‑ mits onzelfzuchtig en op het Al gericht streven de voortdurende richtlijn blijft ‑ kan hierdoor een zodanig groot bewustzijn worden verworven, dat eventuele reïncarnaties praktisch nooit meer zullen voorkomen, tenzij dan als onmiddellijke uitvoerder van een goddelijke taak, waarbij het ‘ik’ in de hoogste sferen blijft vertoeven, dan wel dat men incarneert omdat men ‑ door zelfzucht bedrogen ‑ heeft getracht het totaal der potenties, uit het Goddelijke geput, slechts voor zichzelf te gebruiken. De gevaren van deze weg zijn groot.
De stoffelijke mogelijkheden ervan kunnen worden genoemd als het doen optreden van alle verschijnselen als occult aangeduid, waaronder teleportatie, levitatie, geestelijke genezing, telepathie, eventueel het veranderen van elementen, het tot stand brengen van veranderingen in materie maar ook in weefsels, het bevorderen of remmen van plantengroei, het beheersen van de kleinere natuurkrachten als er zijn, regen, wind, zon, e.d. (Het beheersen daarvan kan slechts binnen een beperkt gebied geschieden.)
De geestelijke voordelen zijn dus: Een grotere kennis van het Al en van de werkingen, die de Schepper daarin uitoefent. Gelijktijdig het vermogen om zelf in meer sferen te vertoeven en zo gelijktijdig in één periode een dubbele bewustwording op te doen. Het resultaat kan zeer goed of zeer slecht zijn.
De zogenaamde ethisch‑esoterische richting is enigszins anders. Zij zoekt de kennis binnen het ‘ik’ te vinden en, uitgaande van de voornoemde stellingen, brengt zij voor zichzelf een beeld van het ‘ik’ tot stand, waarbij heel vaak een vereenzelviging optreedt met bepaalde lichaamsdelen in stoffelijke staat. Men benoemt dus a.h.w. lichaamsdelen en functies met de naam en de kracht van bepaalde sferen. Hierdoor kan een mentale associatie ontstaan, die via het onderbewustzijn inderdaad het realiseren van die krachten mogelijk maakt. Aardig is hierbij misschien te vermelden dat op deze wijze het associëren van verschillende chakra’s met bewustzijnstoestanden maar ook met sferen oorspronkelijk tot stand is gekomen.
Het streven naar verinnerlijking, betekent dat men de gehele wereld in zich opneemt en als deel van zichzelf beschouwt. Hierbij komt voor het eerst de naastenliefde tot werking en tot volledige uitdrukking. Is men in staat dit voor zichzelf werkelijk te realiseren, dan ontstaat stoffelijk een zodanige band met de gehele schepping, dat de schepping dienend wordt, zonder dat zij bevel krijgt. Er is geen sprake van een magische handeling doch slechts van een zodanig in harmonie zijn met de schepping als zodanig én de Schepper, dat de schepping zelf zich voortdurend dienend maakt. Voorbeelden hiervan: Het gaan door water en vuur zonder gekwetst te worden. Het gedragen worden door de wind, indien het nodig is. Het vinden van vruchten, waar zij eigenlijk niet aanwezig zouden moeten zijn. Het ontstaan van versnelde groeiverschijnselen, wanneer dit voor de persoonlijkheid nodig is. Het wegvallen van bepaalde weerscondities rond de persoon, wanneer dit gewenst. is. Het vermogen om door te dringen in de harten van anderen en juist daar de oplossing te geven, die noodzakelijk is. Geestelijk gezien kan het ‘ik’ door zijn naastenliefde en de vereenzelviging dus met schepping en Schepper komen tot een zodanig uitgebreid begrip, dat het patroon van de schepping gezien wordt en daardoor een kennen van de Schepper mogelijk wordt. De weg ‑ mits ten einde gevolgd ‑ betekent een volledig opgaan in de Schepper met volledig behoud van eigen bewustzijn. Is deze weg goed gevolgd, dan zal geen reïncarnatie meer noodzakelijk zijn.

Een laatste weg zou ik niet met een bepaalde naam kunnen benoemen. Hij wordt niet onderwezen in openlijke scholen en maakt ten hoogste deel uit van de zeer geheime leer van enkele esoterische en magische scholen op aarde. Berustend op voornoemd principe, stelt zij: Wanneer ik deel ben van de schepping en van alle sferen, kan ik zijn in alle schepping en alle sferen en door vereenzelviging met een willekeurig deel van schepping of sfeer zal ik voortdurend in staat zijn voor mijzelf dat beleven maar ook die daadkracht te gewinnen die noodzakelijk is. Het verlaten van het ‘ik’ kan hierbij zover worden doorgevoerd, dat men overgaat tot een projectie van een z.g. etherisch dubbel, dat zodanig wordt verdicht, dat hierdoor werkingen op aarde ‑ dus in de stof ‑kunnen worden volbracht.
Is dit het geval, dan treedt verder nog het verschijnsel op van tijdloze verplaatsingen. In enkele gevallen ‑ zeer zelden ‑ van z.g. duplicatie, waarbij dus één persoon op twee plaatsen aanwezig en handelend aanwezig kan zijn en gelijktijdig a.h.w. daar één taak kan volbrengen. Het is echter niet mogelijk op twee plaatsen verschillende daden te volbrengen.
Degenen, die deze scholing hebben doorgemaakt, zijn zozeer meester over hun eigen wezen en lichaam, dat zij alle lichaamsstromen beheersen. Ze beheersen daardoor ook de vloed o.a. van od, dus van levenskracht­, en zijn in staat deze zeer juist en over zeer grote afstand te richten. Het bewustzijn, niet gebonden aan het stoffelijke, kan, gebruik makende van zijn voertuigen, andere stoffelijke werelden ‑ maar ook alle sferen, tot de hoogste sfeer van Zomerland, voortdurend bezoeken en ook daar werkzaam zijn.
Geestelijk gezien zijn hier de mogelijkheden iets minder dan in de voorgaand beschreven weg. Daar staat tegenover dat de stoffelijke mogelijkheden groter zijn. Het is deze gang, die dan ook voornamelijk wordt gekozen door degenen, die op aarde een dienende functie willen uitoefenen t.o.v. de mensheid. Deze dienende functie betekent dan vaak dat innerlijk gelijktijdig de gevolgen van de vooromschreven weg dus ook mee bereikt worden. Opgang in het Goddelijke, onmiddellijk, zelfs tijdens het stoffelijk leven, is hier theoretisch mogelijk. Zij brengt echter wel grote bezwaren met zich mee waar deze weg niet gevolgd kan worden met inachtneming van de wetten der normale menselijke maatschappij.
Ik heb u nu een aantal wegen genoemd. Zoals u uit mijn inleiding reeds hebt begrepen, zijn er veel en veel meer; het gaat ons hier echter niet slechts om een opsomming van feiten en mogelijkheden, doch ook om het stellen van praktische leefwijzen, praktische methoden, waardoor u zelf tot een intensifiëren van uw geestelijke zelfwerkzaamheid kunt komen.
Praktisch gezien moet voor geestelijke zelfwerkzaamheid allereerst een eis worden gesteld. Wordt hieraan niet voldaan, dan kan men nooit spreken van een geestelijke zelfwerkzaamheid. Te allen tijde zal men trachten de geestelijke inhoud van leven en toestand te realiseren. Dit is moeilijker dan het lijkt in deze enkele zin. U te realiseren wat de geestelijke inhoud en betekenis is van al hetgeen u overkomt, betekent dat u de geestelijke achtergronden moet zien zowel van drift als van vreugde. Dat u zowel een politieke situatie, die u een ogenblik treft, als een geloofsverklaring, die een ander u voorlegt, zult moeten zien in de geestelijke verhouding tot de kosmos.
Het is dus noodzakelijk voor geestelijke zelfwerkzaamheid voortdurend een contact te leggen tussen eigen toestand en het daarin optredende, plus eigen geestelijke toestand en de daarin bestaande mogelijkheden. Ongetwijfeld zijn deze overwegingen zeer vaak van ietwat twijfelachtige geaardheid. Men heeft nl. hier geen zekerheid en meent heel vaak in de dag weg te dromen. Er is echter een corrigerende factor aanwezig, die toch dergelijke overwegingen een voldoende vruchtbaarheid geeft. In het onderbewustzijn is een voortdurende werking van de geest mee verdisconteerd. De associaties, die optreden in het denken, worden dus mede door het geestelijke gericht. De toevallige combinaties betekenen een onthulling van eigen innerlijke waarden, ook tevens een combinatie van geestelijke waarden, die met het stoffelijke in verband staan. De geest ontkent zichzelf hierin niet en maakt dus een realisatie van de betekenis van het geheel voor hem zelf mogelijk.
Heeft men eenmaal aan deze eis beantwoord, dan kan men gaan spreken over een werkelijk ‘werkzaam’ zijn. Velen vergissen zich en nemen aan dat b.v. magnetiseren al kan behoren tot geestelijke zelfwerkzaamheid. Dat is niet waar. Geestelijke zelfwerkzaamheid kan magnetiseren met zich meebrengen, maar het omgekeerde is niet het geval. Geestelijke krachten werkzaam maken, betekent in de eerste plaats een proces zich doen afspelen binnen het eigen bewustzijn. Dit proces moet voortkomen uit een geestelijke waardering van stoffelijke zaken. Daarom zijn de volgende punten hier wel een praktische handleiding.

Richt u altijd in de eerste plaats op de geestelijke betekenis. Laat u niet treffen of verslaan door de stoffelijke betekenis van bepaalde manualen, gebaren, gebeurtenissen, verliezen, winsten, e.d. Alleen wat voor de geest belangrijk is, is voor ons belangrijk.

In uw geestelijk streven heeft u een weten omtrent hetgeen voor u geestelijk aanvaardbaar is. Tracht dit voor uzelf zo volkomen mogelijk te verwerkelijken zonder het aan anderen op te dringen.

Tracht de geestelijke begrippen, die in uzelf bestaan, nuchter te beschouwen; niet als iets, wat boven deze aarde staat of u boven de mensen verheft, maar als een normaal element, verweven met uw stoffelijk en geestelijk bestaan.

Wanneer u tracht te komen tot verwerkelijking op aarde van hetgeen u erkent als uw geestelijke inhoud zonder hierbij een beroep te doen op de krachten van anderen dan wel anderen in hun persoonlijke uitingen te bemoeilijken, zult u hierdoor juist komen tot een voortdurend grotere objectivering van het tot nog toe subjectieve geweten, dat uw geestelijke leidsman is in normale gevallen. Een verandering van waardering voor stoffelijke wetten en regels zal hier ongetwijfeld uit voortspruiten, maar het betekent tevens een grotere‑zelfbeperking dan in zuiver stoffelijke zin zou kunnen worden aanvaard. Hierdoor wordt men dienend.

Dienend zijn, is de eerste eis van geestelijke zelfwerkzaamheid, indien men wil komen tot een praktische verwerkelijking daarvan. Het dienen van anderen geschiedt echter nooit door het eigen ‘ik’ aan anderen op te leggen, doch slechts door anderen op hun wegen zo veel mogelijk te steunen door eigen erkennen en streven. Heeft men aan deze regels gevolg gegeven, dan heeft men verder de basis geschapen, waarop vele aspecten van geestelijke zelfwerkzaamheid tot uiting kunnen komen.

De verschillende uitingen van geestelijke zelfwerkzaamheid mogen we verdelen in de direct geestelijke en in de stoffelijk kenbare. De laatste zal ik allereerst nemen. Stoffelijk kenbare uitingen: Genezende kracht. Harmonische werking, waardoor het eigen ‘ik’ corrigerend kan optreden bij gedachteprocessen en moeilijkheden van anderen. Het z.g. scheppen van sfeer, het zonder het te willen haast veranderen van waarden die dus zowel haast abstract kunnen zijn als volkomen reëel. Er kan b.v. een verandering van waarden optreden in een conversatie, maar ook in de oogst van iemand, die u bezoekt op het juiste ogenblik.
Heeft men deze stoffelijke uitingen tot stand gebracht, dan gaat men verder natuurlijk onmiddellijk denken aan genezing, een punt waaraan wij ongetwijfeld nog enige lezingen moeten wijden. U zult verder ook denken aan telepathische beïnvloeding in een contact, dat half‑stoffelijk bestaat; dus b.v. telepathische contacten via het astraal gebied. Ook al deze worden gerekend onder stoffelijke mogelijkheden en uitingen. Deze mogelijkheden zijn voor eenieder weggelegd, die de door mij gestelde waarden van zo-even voor zich heeft kunnen verwerven.
Geestelijk echter zijn er nog veel meer mogelijkheden. En daaronder behoort het geestelijk genezen van geest tot geest. Hierbij is een ingrijpen in de stof noodzakelijk, maar zal het scheppen van de juiste harmonie voor een andere geest de beïnvloeding in de stof betekenen, zowel t.o.v. eigen lichaam als van omgeving. Verder het helpend of werkzaam optreden in andere sferen. Dit gebeurt heel vaak, wanneer het lichaam rust, doch kan soms ook tijdens de normale lichamelijke bezigheid reeds optraden. Helderziendheid en helderhorendheid treden in dergelijke gevallen meestal heel sterk op.
De geestelijke werking gaat zo ver dat men op de duur in staat is aan de hand van uit het stoffelijke of geestelijke stammende manifestaties – ik denk hier b.v. aan kunstuitingen als muziek ‑ contacten te leggen overal, waar nog een geringe harmonie voor deze waarden te vinden is. Iemand kan dan geestelijk doordringen tot in de diepste sfeer en aan de hand van één gemeenschappelijke impuls een ander zo ver geestelijk genezen, dat hijzelf zijn weg hogerop kan vinden en daar dan – geholpen door anderen met krachtiger wezen ‑ ongetwijfeld verder naar het licht kan stijgen. Gelijktijdig is men in staat deel te nemen aan de z.g. Broederschapsverenigingen, die in de geest bestaan. En nu moet u hier niet denken aan een verenigingswezen als op aarde, maar aan samenkomsten, waarbij een zodanige geestelijke harmonie door de aanwezigen wordt bereikt, dat zij gezamenlijk een deel van het Goddelijke in zich dragen en dit verwerkelijken in hun eigen gebied op hun eigen wijze.
U zult begrijpen dat al deze dingen zeer begerenswaard zijn. Het brengt dan ook met zich mee dat buiten de stoffelijke wegen, die ik heb aangeduid, er geestelijke bestaan. Deze geestelijke wegen zijn niet afhankelijk van een leven in de stof. Zij hebben ook niets meer te maken, zoals de voorgaande, met de voortdurende wisseling van waarden zoals bewustzijn, onderbewustzijn, bovenbewustzijn en geest. Zij zijn zuiver gebaseerd op de geest en het geestelijke.
Wij kennen in de eerste plaats de weg van zelf‑negatie als de chaotische. Bij de chaotische weg wordt de ondergang van het eigen ‘ik’ bewerkstelligd ‑ zover men dit kan ‑ door het verwerpen van alle krachten en gedachten. Hierbij wordt ook een bewustwording doorgemaakt, zij het een negatieve, want in de vernietiging van het ‘ik’ maakt men de opbouw mogelijk van het volmaakte ‘ik’. Deze weg is voor de normale mens niet te volgen, maar wordt door geesten uit sommige sferen en ook bewoners van enkele andere werelden wel gevolgd. Als zodanig komt hij niet voor verdere beschouwing hier in aanmerking en wordt slechts genoemd om de volledige scala althans enigszins weer te geven.
De daarop volgende weg is de weg van erkenning. Hier is een zelf-negatie aanwezig, die een voortdurend aanvaarden van alle gedachtebeelden inhoudt. Het aanvaarden van gedachtebeelden en invloeden, die op je toekomen en het verwerken hiervan binnen het ‘ik’, betekent gelijktijdig een vergroting van eigen mogelijkheid om in contact en harmonie te komen met anderen, zowel in andere werelden als sferen. De realisatie van hun leven zal in de volkomen passiviteit van het eigen zijn de eigen krachten deel doen zijn van hun streven en hierdoor voor het ‘ik’ een grotere aanvaarding van het Al mogelijk maken.
Degenen, die deze weg volgen, zijn vaak zeer lange tijd gebonden in lagere sferen. Wij vinden hen b.v. vaak als heersers op astraal gebied, verder in Nevelland, terwijl ook in Zomerland wezens voorkomen, die deze weg volgen. De weg is mogelijk voor degene, die de menselijke weg gekozen hebben, maar komt niet al te vaak voor, dan de geestelijke weg, waarbij de zelf-negatie een nieuwe vorm aanneemt. Het ‘ik’ onderwerpt zich aan een hogere kracht en volbrengt dienend, tot het begrijpen kan wat de hogere kracht opdraagt. Hierbij wordt het volvoeren van taken, door anderen opgelegd zonder begrip van hun werkelijke inhoud, gemaakt tot een erkennen van de waarden uit die hogere sfeer of uit dat hogere wezen. Men wordt hierdoor aan dit hogere wezen of aan die sfeer gelijk en is in staat van daaruit wederom hogere leiding te zoeken. Deze weg wordt heel vaak gevolgd door degenen, die stoffelijk gefaald hebbende, toch trachten zonder verdere incarnatie geestelijk hun weg voort te zetten.
Dan volgt nog een weg, die door ons in de Orde over het algemeen wordt gevolgd. Wanneer men in staat is geestelijk volkomen verdraagzaam te zijn t.o.v. anderen, gelijktijdig de naastenliefde te uiten zonder zichzelf te verliezen, zichzelf dus gelijk ziende aan de naaste zonder de naaste te regeren, kan men komen tot het volgen van een verstandelijke weg waarbij de raad van groteren en wijzeren wordt geaccepteerd, maar eerst begrepen wordt, voordat men verdergaat. Hierbij is een voortdurende vergroting van bewustzijn noodzakelijk en komt men stap na stap tot hoger bewustzijn en hogere sfeer. Uit elke sfeer echter zal men dezelfde werking trachten te geven naar beneden toe, zoals men naar boven toe bewustwording zoekt. Hierbij is sprake van een grote daadwerkelijke kennis. Verder is er sprake van een groot gevoel voor harmonie, waarbij het ‘ik’ onmiddellijk de bepalende factor is voor het al of niet ontstaan van harmonische verschijnselen (deze worden dus bewust gewekt of verworpen), terwijl men bovendien de kracht leert kennen, die in het ‘ik’ schuilt en er vooral wordt ingegrepen en gewerkt met de levenskracht binnen het eigen ‘ik’. Werkzaamheden in het Al buiten tijd en ruimte zijn hier reeds mogelijk in de hogere gebieden, toch worden ze over het algemeen niet of slechts zeer aarzelend volbracht.
En dan de hoogste geestelijke weg die ik, misschien, wel ken: Jezelf zozeer één maken met het hoogste licht dat, ondanks de pijn, die dat ongetwijfeld met zich meebrengt, het ‘ik’ vervlochten wordt met dit licht. Men heeft geen functie, stelt geen daden, blijft in zijn sfeer, onafhankelijk van de gedachten van anderen, die optreden of de reacties van anderen. Men deelt ook niet meer de uitwisseling van gedachtebeelden, maar is licht. Dit licht zijn, betekent dat langzaam maar zeker het gehele ‘ik’ in dezelfde vibratie‑verhouding komt als het licht en men zo tot het intenser Licht, dus God, onmiddellijk kan opgaan. Deze weg betekent een overslaan van alle sferen, die aparte bewustzijnstoestanden betekenen. Integendeel, een vanuit de sfeer waarin de aanvaarding plaatsvindt, onmiddellijk ingroeien in het Goddelijke, waarbij de realisatie langzaam groter wordt, maar waarbij de toestand te allen tijde gelijk blijft: eenheid met God.
Onverschillig echter vanuit welk standpunt wij naar het Goddelijke willen gaan, onverschillig hoe wij een weg voor onszelf menen te mogen aanvaarden, blijft er altijd één groot probleem staan: Hoe kan ik, wanneer ik mij nog niet van een bepaalde weg bewust ben, een weg kiezen?
Bij het kiezen van een weg, zal de mens (de geest laat ik hier dus verder maar buiten beschouwing) rekening moeten houden met de volgende punten: In hoeverre ben ik mentaal ontwikkeld? Dit betekent niet: Hoe groot is mijn parate kennis? Maar: Hoe is het gesteld met mijn begrips‑ en mijn voorstellingsvermogen? Hoe is het gesteld met mijn werkelijkheidszin? Heeft men zich antwoord gegeven op die vraag, dan is er a.h.w. reeds een zekere selectie ontstaan. Want wie scherp zakelijk denkt, wie met twee voeten op de grond staat en toch een levendig voorstellingsvermogen heeft, zal te allen tijde een weg moeten kiezen, die gebaseerd is op de rede.
Het voorstellingsvermogen wordt gebruikt om de rede a.h.w. oefening te verschaffen en de aanpassing van de voorstelling aan de werkelijkheid betekent de mogelijkheid tot een direct uitvoeren van al hetgeen men heeft erkend. De geestelijke ontwikkeling zal in een dergelijk geval dus er een zijn van praktische waarde, waarbij ook de onmiddellijk stoffelijke werkingen zeer belangrijk zijn voor het ontwaken en verder stijgen van de geest. Kiest men deze weg, dan zal elke werkzaamheid op occult of geestelijk gebied gedragen moeten worden door een weten omtrent hetgeen men tracht te volvoeren.
Gelooft u mij, dit is voor zeer velen te moeilijk. Heeft men dus voor zich de realisatie, dat het mentaal werken ‑ dus het werken met de gedachten ‑ te vaak op vaagheden, op onmogelijkheden zelfs stuit, dat men to vaak een misinterpretatie van omstandigheden geeft etc., kies dan een weg, die in de eerste plaats gebaseerd is op geloof en op aanvaarden.
Hierbij zijn wederom vele wegen mogelijk. Alle echter houden in een groot intensifiëren van eigen geloof. De niet bewijsbare zekerheid van het bestaan van een God, geestelijke krachten e.d., moeten voor het ‘ik’ tot een grote werkelijkheid worden. Heeft men dit tot stand gebracht, dan zal men in elk opzicht volgens dit geloof moeten leven. Men zal steeds een beroep moeten doen op de waarden, waarin men gelooft. Men zal zich onthouden van kritiek op het ogenblik, dat men bemerkt dat de kritiek zelf geen opbouw (dus een betere oplossing) inhoudt. Wie op deze wijze werkt en leeft, kan hierdoor komen tot een grotere ge­loofswaarde in het ‘ik’, die ‑ vaak in de eerste plaats van het onderbewustzijn, later mogelijkerwijze ook via de rede ‑ in het ‘ik’ de kracht schept uit het Goddelijke te putten, in de geest de mogelijkheid schept om een uitdrukking te vinden in de stof en verder ook natuurlijk de mens de mogelijkheid geeft om met deze krachten ook voor anderen meer te be­tekenen dan normaal.
Heeft men geen kwaliteiten op mentaal gebied, is men niet in staat te geloven, dan blijft slechts over een disciplinaire weg. Een discipli­naire weg wordt opgebouwd uit stoffelijke oefeningen, waarbij lichaams­oefeningen worden afgewisseld met denkoefeningen. Hier vindt een scho­ling in één richting plaats, die ongetwijfeld eenzijdigheid in de hand werkt, aan de andere kant echter toch voor de geest een perfecter instrument schept en door de scholing van denken ongetwijfeld onbewuste maar zeer daadwerkelijke factoren wakker roept vanuit de geest in de stof.
Ook zal men bij de keuze van een weg voor zichzelf nog een ander antwoord moeten geven. Het antwoord op de vraag: In hoeverre ben ik bereid de consequenties te aanvaarden? Dit laatste antwoord is zeer belangrijk. Want menigeen kiest zichzelf een geestelijke weg, menigeen zoekt tot ontwikkeling en zelfwerkzaamheid te komen, maar aarzelt halverwege omdat blijkt dat de prijs, die moet worden betaald, te zwaar is.
Bedenk wel, wie een werkelijk geestelijke ontwikkeling wil doormaken, zal te allen tijde daarvoor andere dingen moeten opofferen. Hieraan is niet te ontkomen. Wil men het gehele stoffelijke zo nodig offeren aan het geestelijke, dan heeft men de juiste mentaliteit en kan men elke weg gaan. Maakt men echter een voorbehoud (b.v, ik wil hier niet bepaalde menselijke relaties aan offeren) dan zal men alleen de wegen moeten kiezen, die gaan van liefde, genegenheid en vereenzelviging en daarbij de persoonlijkheid niet onmiddellijk op het Goddelijke richten. Want elke band is voor degenen, die begeerteloos streven onmiddellijk op te gaan in het Goddelijke, een belemmering, die een volkomen mislukken van hun streven kan inhouden.
Is men ook niet bereid zich te verzetten tegen de menselijke wetten, is men niet bereid afstand te doen van de gewoonten en gebruiken van zijn tijd, wenst men a. h.w. erkend te worden door de mensheid, dan blijft er nog maar één mogelijkheid: Men tracht dan zich te distantiëren van alles wat als een stoffelijke noodzaak wordt ervaren. Hen dwingt zich tot een voortdurende onverschilligheid, al doet men ook nog, zoals men gewend is te doen. Laat men op de duur hierdoor de betekenis voor het ‘ik’ ver­zwakken, dan zal binnen de lege schil van uiterlijke houding een geeste­lijke vrijheid mogelijk worden. Wie deze weg kiest, kan ook hierin, door vergroting van bewustzijn, intenser beleven van geestelijke waarden vooral, komen tot een geestelijke zelfwerkzaamheid, die mogelijkerwijze zelfs stoffelijk kenbaar kan worden.
Het al of niet aanvaarden van consequenties, is juist bij het zoeken naar oprecht geestelijk werken bepalend. U zult soms veel moeten opof­feren en prijsgeven. Dat u daarvoor andere dingen worden gegeven, is ze­ker. Maar ze zullen vaak zozeer verschillen van hetgeen u hebt gekend in uw leven, dat u nog niet weet, wat u met deze gaven moet doen. Men moet dus inderdaad bereid zijn om a.h.w. stoffelijk én geestelijk dood­arm te zijn.
Ik zou hierbij willen voegen: Wie zo ver komt dat hij alle consequenties van een volgen van de goddelijke weg, zoals hij ze beleeft, wil aanvaarden, die heeft een volledige vrijheid gevonden van alle duisternis, van alle stoffelijke beperking. Ook al zal men misschien evenals Jezus eerst Calvariën moeten beklimmen, voordat de bevrijding ook voor anderen kenbaar wordt.
Een volgend en ook niet onbelangrijk punt is verder de basis, waarop wij moeten bouwen. Want er zijn vele wegen en leerstellingen, die vreemd zijn aan b.v. het westerse of het oosterse denken. Voor de westerse mens wil ik de raad geven om te allen tijde zich mee te baseren op het christendom.
Niet omdat u een christen moet zijn in kerkelijke zin, maar omdat de gedachte aan de offeraar en verlosser Jezus, aan de liefdegeest op aarde geopenbaard als de Christus, de stelregel is geweest waarop uw maatschappij word gebouwd; omdat zij de grondstelling is van alle leringen, die u kent. Het is een ingeroest weten. U kunt er niet aan ontkomen. Het is een kracht, die uw onderbewustzijn beheerst. Kies dus te allen tijde uw weg op een christelijke basis, onverschillig of deze basis kerkelijk, esoterisch of magisch is.
Houd verder ook rekening met uzelf en uw eigen wensen. Mens-zijn betekent in feite ook zwak zijn. Want als mens heb je behoeften, heb je begeerten; kortom, je bent als mens beperkt door datgene, wat je nodig hebt. Het is menselijk gezien niet mogelijk om alle begeerten plotseling en gelijktijdig te overwinnen. Evenmin is het mogelijk het lichaam te ont­doen van al hetgeen wat het als behoefte heeft buiten het allernood­zakelijkste. Houd rekening met uw eigen leefwijze. Houd rekening met uw eigen gewoonten, vooral met uw begeerten en uw behoeften. Wanneer u een weg zoekt, zoek een weg, waarin u kunt beginnen in deze omstandig­heden. Waar niet een eerste eis is een zelfoverwinning op velerlei ge­bied; dan zou u falen. Wilt u komen tot een werkelijke zelfwerkzaamheid, vooral op geestelijk terrein, begin dan met een weg te zoeken, die het u mogelijk maakt geleidelijk uw eigen wezen in uw milieu aan te pas­sen.
Dat houdt ook in: Grijp niet boven uw macht. De gedachten, die een mens heeft, zijn idealen, liggen soms zo ver buiten het zuiver stoffelijk mogelijke, liggen zo ver buiten het voor hem of haar realiseerbare, dat een zich daaraan vasthouden soms noodlottig is door een totaal verliezen van de werkelijkheid; wat stoffelijk allerhande onheil met zich brengt, maar ook gelijktijdig geestelijk absoluut verwarrend kan werken. Houd u vast aan uw werkelijkheid.
Probeer niet uzelf voor te praten, dat u zelf mooier, dapperder, beter bent dab u bent. Erken uzelf voor wat u bent. Zoek niet krampachtig naar zelfkennis. Want zodra u tracht te veel te realiseren omtrent uzelf, zult u gaan dromen en uzelf veel vertellen, wat niet waar is. Slechts wanneer men bepaalde wegen volgt, kan ook dat laatste zijn nut hebben. Voor de doorsnee‑mens echter heeft het grote gevaren.
Probeer dus uzelf redelijk te kennen, zonder daarbij te ver te willen gaan. Houd rekening met uzelf in elk opzicht. Stel uw geestelijk doel en zoek de weg die u de benadering daarvan het eenvoudigst mogelijk maakt. En nogmaals, overweeg, vóór u zo’n weg gaat, de consequenties.
Want wie geestelijk werkelijk actief wil worden, wie op aarde en in de sfeer betekenis wil krijgen in de zin van licht voor Geest en mens, die mag niet halverwege blijven staan.
Ik moet hier nog iets aan toevoegen: Ik heb over mensen en geesten gesproken als afzonderlijke entiteiten. Dit is maar ten dele waar. Want ‑ al weten we soms niet precies hoe ‑ we zijn allen tezamen gebon­den. Ook wanneer u er zich niet bewust van bent dat u anderen helpt­ door hetgeen u uitstraalt misschien, door hetgeen u doet, zult u toch voor hen betekenis hebben. En misschien zijn zij geestelijk of stof­felijk niet vrij genoeg om zonder u voort te gaan. Hebt u een weg geko­zen, hebt u een pad gekozen, dan bent u juist aan de anderen, die steun vinden in u, a.h.w. verplicht om voort te gaan. Halverwege blijven staan, betekent veelal niet alleen voor uzelf iets goeds verwerpen of een taak onafgemaakt neerleggen. Het betekent ook de verantwoording dragen voor die anderen, die op u gesteund hebben. Overweeg dit allemaal goed. Een teruggaan is moeilijk, maar een eenvoudig terzijde leggen, is onmoge­lijk zonder ernstige schade op geestelijk en stoffelijk terrein.
Na deze kleine zedenpreek nog kort een paar richtlijnen voor degenen, die vooral ook in het gebruiken van geestelijke gaven op aarde hun zending zien; die juist daarnaar verlangen. Wanneer u op aarde de geestelijke krachten activeert, dan is hier sprake van een zelfwerkzaamheid, ongetwijfeld. Wanneer tenminste deze krachten door uw eigen be­wustzijn, uw eigen streven en concentratie tot stand komen. Niet wanneer u slechts krachten van anderen door u heen laat vloeien, zonder meer. Niet wanneer u slechts gebruik maakt van krachten, die u slechts half begrijpt. Wilt u dus op aarde werkelijk betekenis hebben, dan zult u én stoffelijk én geestelijk rekening moeten houden met hetgeen u wilt volbrengen. Zoekt u naar genezing, dan zult u voor de zuiverheid, die u aan anderen moet brengen ‑ genezing betekent in feite nl. niets anders dan zuivering – ook zelf zuiver moeten zijn. Wilt u een ander wijsheid brengen, dan zult u allereerst in uzelf het eerste kenteken der wijsheid moeten vinden: de berusting, die een onpartijdige beschouwing mogelijk maakt.
Het is niet zo eenvoudig om éven geestelijk te gaan werken voor an­deren. Wanneer u uw gedachten wil concentreren om tezamen met vele anderen én in de sferen én in het bovenbewustzijn der mensheid langzaam maar zeker een goede tendens te scheppen, dan is dat ongetwijfeld zeer begeerlijk. Maar bedenk wel: slechts dan is dit volledig werkzaam, wanneer niet uw eigen vrezen of verlangens aan dit streven gekoppeld zijn. Eerst dan krijgen we een absoluut geestelijke werking. Dan kan uw eigen geest en de gehele sfeer, waartoe hij behoort, mee actief worden in dit streven, dat u stoffelijk tracht tot stand te brengen, te verwerkelijken.
Daarom wil ik u de raad geven: Wanneer u voelt voor genezing in velerlei opzicht, overweeg goed wat wij de volgende maanden zullen zeg­gen hierover. Kies voor uzelf een weg uit, die juist voor u in uw om­standigheden de meest juiste lijkt. Schuw ‑ wanneer u die weg eenmaal gaat ‑ geen verantwoording. Schuw geen offer. Ga deze weg en u zult zien, dat ze absoluut en volledig een verlichting van de geest brengt, die niet bevrediging maar meer ‘vrede’ betekent in het ‘ik’, harmonie met grotere waarden en een opgang tot het Goddelijke.
Ik wil hiermee nu eindigen om dan een volgende keer de aspecten van genezing voor u te behandelen, die uiteen zullen vallen in: genezing van de geest en genezing van de stof.