Geheime oosterse filosofie

16 februari 1958

Het is ons onmogelijk het heelal te begrijpen of een grote Schepper ons ook feitelijk voor te stellen. Het heeft weinig zin om een God voor onszelf te vinden. Die wij niet kunnen begrijpen. Het is voldoende, dat wij het zijn van deze God als een werkelijkheid aanvaarden. Er is een God. Een onbereikbare God. Daarnaast is er een leven, een bereikbaar, een kenbaar, een beheersbaar leven. Macht bezitten over God kunnen wij niet. Wel kunnen wij meester worden van het leven zelve.

Meester te zijn van het leven betekent allereerst meester te zijn van jezelf. Dit meesterschap wordt bereikt langs drie trappen.

De eerste is: beheersing van het lichaam;

De tweede: beheersing der gevoelens;

De derde: beheersing van al, wat met ons in contact komt.

Deze weg kan een ieder gaan, maar men kan ze niet gaan zonder voldoende leiding, zonder een meester, die U bij de hand voert. Echter behoeft deze meester niet in een bepaald leven te bestaan. Want wat wij het zijn noemen, is een keten van aaneengesmede levensvormen, waarin ons bewustzijn voortdurend weer ontwaakt en insluimert. Elk dier levens kan ons een deel der inwijding, een deel der beheersing geven.

Omtrent de beheersingen, die nodig zijn, kan het volgende worden gesteld; Wie het lichaam beheerst, laat niet de vragen van zijn lichaam bepalen, hoe hij handelt, noch zal hij zich laten kwellen door vermoeidheid of zich door grote emoties buiten een redelijke werkelijkheid laten stellen. Men is meester over ademhaling en bloedsomloop, men beheerst de spieren en weet de kracht van eigen wezen te gebruiken, waar lichamelijke krachten zouden falen.

Meester over zijn gevoelens is men, wanneer men niets in het bijzonder vreest of bemint. Angst betekent gebonden zijn aan hetgeen je vreest. Want hetgeen je vreest bepaalt dan je leven. Vreugde, beminnen, bezitten, wanneer gericht op een enkel voorwerp of enkele voorwerpen of personen, is evenzeer een binding. Want een dergelijke gespecialiseerde liefde legt een band, waaraan men niet kan ontkomen. Men is allereerst verplicht tegenover datgene, wat men mint, datgene wat men begeert; eerst daarna tegenover de wereld. Om meester te zijn over de gevoelens, is het noodzakelijk, dat wij niets vrezen en niets minnen, tenzij dan vrezen het duister, dat is uitblussing van eigen erkennen, of minnen het licht, dat is uiting van alle levende kracht in alle dingen.

Meester te zijn over al wat ons omgeeft (de laatste fase dus) betekent in de eerste plaats; het erkennen van de eenheid, die ons verenigt met al. In de tweede plaats: weten hoe deze eenheid door onze wil gestuwd kan worden. Wanneer twee wezens dit erkennen en deze meesterschap bezitten, zo zal hun wil gelijk zijn, gericht tot het Goddelijke en zullen zij nooit elkaar kunnen verdelgen.

Heeft men deze drie graden begrepen en tracht men ze in de veelheid van levens voor zichzelf tot werkelijkheid te maken, dan komen de grote waarden van elk leven afzonderlijk naar voren. Het is de taak van de mens in elk leven weer te begrijpen de kennis der ouden, te bestuderen de kennis der ouden en aan te vullen de kennis der ouden met eigen beleven. Zo zal het erfdeel der mensheid voortdurend verrijkt worden tot een basis, waarop men zichzelf steeds weer kan richten en uit welke men de juiste weg, de weg der redelijke verplichting, kan volgen.

In het menselijk leven is het belangrijk, dat men zijn eigen plaats erkent. Elke mens heeft een plaats in de wereld. Deze wordt bepaald door zijn incarnatie, door zijn geboorte, door de wijze, waarop hij het leven benadert. Deze plaatsing is voor elke mens het goede, ongeacht de wijze, waarop de wereld deze plaats waardeert. Wie geboren wordt als bedelaar en de toestand bedelaar kan aanvaarden, zal niet trachten te worden tot koopman. Zijn taak is te zwerven en te gaan, slechts hierin vindt hij vrede. Doch wie als vorst geboren wordt, ga niet over tot het lagere van adel, of tot de beperking van handel. Zijn taak en plicht is het vorst te zijn en slechts hierin kan hij bewustzijn vinden. Deel van een keten van levens brengt elk leven ons juist datgene, wat voor ons noodzakelijk is. Niet meer, niet minder. Het is daarom in elk leven noodzakelijk dit leven geheel te aanvaarden met alle consequenties, met alle vreugden, met alle leed.

Meen niet, dat een mens, die tot bewustwording moet komen, tot meesterschap over de dingen en tot weten omtrent de grote geheimen, afstand kan doen van het leed. Lijden is een noodzakelijk deel van het leven. Maar wij mogen dit lijden niet gedogen in dat, wat rond ons bestaat. Want al wat rond ons bestaat, is op deze plaats gesteld als deel van ons leven, niet als een vreemde waarde door toeval ons benaderend. Zo kunnen wij het lijden der andere waarden rond ons in onszelf dragen en hiermede grote rijkdommen der geest verwerven. Wij kunnen echter niet aan die wereld rond ons lijden opleggen, dan wel het lijden zonder enige hindernis laten voortbestaan, indien wij niet zelf ten onder willen gaan in hetgeen wij scheppen.

Buiten het leven in de stof zijn er andere werelden. Die werelden zijn te delen in vreugdige en sombere. Elke sombere wereld is het antwoord van eigen bewustzijn op eigen onvermogen. Wie zichzelf beheerst, kan ingaan in de lichtende werelden en daar kennen de volheid van vreugde. Want hij draagt de kern dier vreugde in zich. Wie echter slaaf is van lichaam en omstandigheden, van begeerte en angst, zal gekweld worden door dit, wat hem een tekort is op het ogenblik, dat hij bevrijd is van zijn stoffelijk lichaam. Elke wereld van duister kent juist die toestanden, die noodzakelijk zijn de wens tot beheersing te openbaren. Elke wereld van vreugde is de juiste bevestiging van de door het “ik” bereikte beheersing en de uitdrukking van de volledige kennis, die door het “ik” begeerd wordt. Begeerd, niet voor zichzelf, maar als uitdrukking van het wereldzijn.

Indien men echter de volle beheersing heeft en het volle weten, dan zullen noch lichte noch duistere werelden invloed kunnen hebben. Want wie meester is over zichzelf, is meester over de kracht, die in hem woont. De vlam van zijn bewustzijn herrijst als een Phoenix, herboren niet in wereld maar in het niet-zijnde, waarin het zijn zelf is; eenheid met een kosmische Kracht, Die voor de beperkten niet-kenbaar is.

Te leven wil zeggen: streven. Men kan niet leven zonder hetzij vooruit te gaan in de richting van het licht, dan wel zich toe te wenden tot het duister. Zo zal niemand trachten in zijn leven bewegingloos en rustig de omgeving op zich af te laten en over zich heen te laten gaan, zelve onberoerd en zonder daadkracht. In de bespiegeling van zelfvoldaanheid is het Rijk van het Midden ondergegaan. Uit streven, door noodzaak geboren, herrijst het Rijk van het Midden. Streven geboren uit noodzaak, maar beter nog streven geboren uit bewustzijn is de enige weg, die ons kan voeren tot bereikingen in stof en geest.

Een geheim in de oude wijsheid lijkt misschien onchristelijk. Toch is de kern daarvan christelijk en waar; Een ieder wekt de demon in zich, die uitdrukking geeft aan zijn wezen. Een ieder, die zichzelf beheerst, beheerst zich door de demon te overwinnen. Want niet zoals men denkt ligt het kwaad slechts in de mens. Diep onder de aarde ligt de zwarte draak, hoog in de luchten zweeft de witte draak. De symbolen van het leven, goed en kwaad, Yang en Yin. Beide tezamen zijn de volmaaktheid. Het kwaad echter heeft vorm gekregen ook buiten de mens. Het kwaad kent werelden van zichzelf, die een volmaakt spiegelbeeld zijn van alle goede werelden. Zoals er geestelijke krachten leven in het licht en de lichtende wereld, zo leven er geestelijke krachten in het duister en de duistere wereld. Zoals de mens streeft, roept hij krachten van buiten zich. Hij versmelt met hen door zijn begeren en zijn angst, wordt een met hen door zijn beheersing en zijn slaafsheid.

Wie het duister wekt, wekt daarmede niet zijn ondergang, maar in zich het onvermogen om de wereld te begrijpen, die hij benadert. De demonen van het duister geven hun, die zich keren tot hen, het geluk van hun wereld, zoals zij dit kennen. Maar het geluk der duisteren is de kwelling van hen, die voor het licht geboren zijn. En wij zijn voor het licht geboren. Wij kunnen de vreugden proeven en de bereiking van het lichte. Wij kunnen echter niet proeven door kennen of door voelen de vreugden van het duister.

Er is geen lijfelijke duivel maar wel een baarlijke demon. Want elk van ons, mens en geest, is in harmonie met lichte krachten, maar in zijn onvolmaaktheid tevens harmonisch met duistere geesten. Het is nu onze taak meester over onszelf te zijn, opdat wij het duister, dat voor ons onbegrip, blindheid en lijden betekent, verwerpen, overwinnen en beperken. Evenzeer is het onze taak het lichte te aanvaarden, te begrijpen en te doorleven.

Het kwaad moet verworpen worden, zowel als het goede. Want wij bezitten daarvan geen enkel punt afzonderlijk. In het samenspel van licht en kwaad, het beheerste kwaad en het aanvaarde licht, vinden wij een meesterschap, dat ons stelt buiten leven en werelden, dat de schakels van vele levens verbreekt en buiten het rad stelt het wezen, dat opgaat in de Oneindigheid.

o-o-o-o-o

U hebt wel gemerkt, dat onze eerste spreker niet een van de sprekers is, die U regelmatig hoort. Hij is eerder, een gastspreker, die U de visie van het oosten heeft gegeven en wel van een bijzonder deel van het oosten n.l. het noorden van Indië, China tot de Mongolië en een deel van Tibet. Dat is een land van magiërs, van tovenaars, van meesters der oude filosofie en de oude kracht van beheersing der geesten. En een daarvan heeft tot U willen spreken, maar stelde de voorwaarde, dat hij niet zou worden ingeleid, want hij wilde gezien worden als ieder ander spreker. Ik vrees, dat dit laatste hem niet helemaal gelukt is, maar dat ligt aan zijn eigen wijze van spreken en betogen. Echter aan ons om van uit het standpunt der Orde na te gaan, wat hij ons heeft getracht te leren en te brengen.

Een keten van levens. Natuurlijk. Wij geloven, dat niet met een bepaalde fase van bestaan het totale leven is afgedaan. Onverschillig of die levens liggen in andere werelden of in één bepaalde wereld, zal er een opeenvolging van steeds weer bestaan noodzakelijk zijn om op te groeien tot het hoogste en tot het licht. Daarmee zijn wij het volledig eens. Wat we verwerpen is de voorstelling van de Chinese hel zou ik haast zeggen zoals die wordt geïmpliceerd, n.l. van een duistere wereld, die volledig is aangepast aan je eigen wezen. Er bestaat buiten ons geen duistere wereld. Er bestaat alleen licht. Het duister, dat wij baren uit het licht, dus wat we uit onszelf voortbrengen, betekent onze hel. Het licht, dat wij weten te puren uit ons bestaan, is onze hemel. Hemel en hel zijn met ons te allen tijde en niet alleen in een bepaalde fase van bestaan of na de overgang. Hemel en hel zijn deel van ons leven, overal. En ik vrees, dat onze vriend van zo even dat eigenlijk wel een beetje verworpen zou hebben.

Dan stelt hij verder, dat wij op de duur ons zouden kunnen onttrekken aan deze voortdurende cirkelgang. Dit is ook weer waar volgens ons inzicht, maar ook hier weer een klein verschil van mening. Wij geloven niet, dat je je onttrekt aan de bestaande werelden. In een dergelijk geval zou er sprake zijn van een werkelijke dood, van een ondergang, waarbij je geheel uit het geschapene wordt verwijderd en dus uit het Goddelijke a.h.w. wordt teruggetrokken. Wij geloven eerder, dat alle werelden binnen jezelf hun spiegelbeeld vinden en dat op het ogenblik, dat die spiegelbeelden met elkaar in volledige harmonie zijn, evenwichtig zijn geworden, het “ik” niet meer beroerd kan worden door de werelden der schepping, die buiten het “ik” bestaan, maar alleen in het “ik” de goddelijke Kracht ervaart.

Dan is er nog een puntje en dat is wel die kwestie van beheersing. Die theorie van beheersing vinden we in het oosten natuurlijk meer dan in het westen, ofschoon ook hier een zeker meesterschap over het “ik” toch wel aanbevelenswaard is. De indeling, die werd gegeven, is voor ons slechts onder voorbehoud te aanvaarden. Want wij stellen niet, dat een lichamelijke beheersing de allereerste noodzaak is. We vinden zeker ook een lichamelijke beheersing zeer gunstig en weten, dat deze mogelijkheden biedt om verder te komen ook op geestelijk terrein. Maar ze is geen noodzaak.

Wat betreft de beheersing der gevoelens, daarmee kunnen we eerder meegaan, maar dan ook weer niet precies, zoals deze spreker het heeft bedoeld. Wij geloven, dat het beheersen der gevoelens niet betekent de gevoelens a.h.w. onderdrukken en terugbrengen tot nul, tot een algemeen gevoel, dat de hele wereld omvat en daardoor nooit tot een bijzondere top of piek van intensiteit kan komen. Maar wij geloven erin, dat het gevoel door het “ik” moet kunnen worden gebruikt. Je moet je gevoelens a.h.w. zelf weten te richten, te remmen of te ontwikkelen, opdat ze de stuwkracht van je leven zullen worden,

Wat betreft de beheersing van je omgeving? Ach, waarvoor is dat eigenlijk nodig? Wij zijn nu eenmaal niet geboren om hier wonderen te gaan doen. We zijn alleen geboren om te leven binnen een gemeenschap, tezamen met een gemeenschap zo goed als wij kunnen. Meer niet.

Dus U ziet, er zijn wel enige verschillen van mening. Maar ik zou zeker unfair zijn, als ik niet gelijktijdig ook probeerde naar voren te brengen, wat de kernwaarheden zijn in het betoog van deze spreker, die gelden voor ons allen en die ook binnen het christendom belangrijk zijn. Want ofschoon hij het geprobeerd heeft, geloof ik niet, dat hij deze christelijke achtergronden zo buitengewoon scherp en zuiver naar voren heeft laten komen.

Wanneer wij trachten om het goed en het kwaad in onszelf in harmonie te brengen, dan doen wij daarmee iets, wat ook in het christendom aanvaardbaar is. Het christendom realiseert zich en dat heeft Jezus ook geleerd dat de mens uit het duister tot het licht komt. Met andere woorden een groot gedeelte van hetgeen in ons bestaat, behoort a.h.w. tot de duistere wereld. Vooral wanneer we mens zijn, wanneer wij leven in een lichaam. Dit duister moet worden aangevuld tot een harmonisch en daaraan gelijk zijnd licht in ons is ontstaan. Wij moeten, als mens levende, het Koninkrijk Gods in ons trachten te erkennen.

Dit Koninkrijk Gods, de bekende christelijke term, moet worden begrepen als de heerschappij van de lichtende geest. Maar de heerschappij van de lichtende geest betekent, dat ook op aarde deze geest eenmaal zal kunnen regeren, maar dat niet doet. Ik wil U hierbij wijzen op het Onze Vader, waar de smeekbede wordt uitgesproken; Uw Koninkrijk kome op aarde zowel als in het rijk der hemelen. Dus; dat het kome op aarde zowel als het is in het Koninkrijk der Hemelen.

Er is op het ogenblik een grote tegenstelling. Het Yang en Yin principe is voor de mens uitgedrukt in het kwade, dat het materiële beheerst en het goede, dat het geestelijk leven beheerst. Dat is een betrekkelijk willekeurige indeling, maar wij kunnen daarin meegaan, omdat het erkennen en de kern van de geest pas de uitdrukking kan worden van het licht, terwijl de materie als zodanig steeds weer terugvalt, steeds weer zich ontbindt uit de vorm en mag worden genoemd de weergave van het chaotisch principe.

Nu is het onze taak om chaos en geestelijke vorm, geestelijk licht, op een harmonische manier met elkaar te verbinden. Dat betekent niet, dat wij de werkingen van het duister ontkennen. Evenmin als onze Chinese filosoof van zo even erover zou hebben gedacht om het duistere principe te verwerpen en alleen het lichte te aanvaarden. Want beide vullen elkaar aan en beide vormen tezamen de werkelijke wereld. Maar in ons al ontkennen wij het kwade niet moeten wij naast dit kwade een even goed licht zetten, een even goed bereiken.

En juist deze evenwichtskwestie binnen het “ik” brengt ons ook tevens weer zijn beginstelling; Er is geen God, Die wij kunnen kennen. Dat is volkomen waar. Er is geen God, Die wij kunnen kennen. Die God is te groot, te machtig, te veelomvattend. Maar gelijktijdig is die God voor ons de uitdrukking van het licht. Kunnen wij het licht naast ons neerleggen? Ik geloof het niet. En dan krijgen we dus een verschil van benadering tussen onze eigen weg, zoals wij die zien in de Orde, en de weg van deze filosoof. Wij trachten niet God in Zijn geheel te erkennen, maar God te erkennen in alle punten, waar Hij slechts voor ons kenbaar kan worden, ook al weten wij, dat dit kennen onvolledig is. Voor ons is het bewustzijn van een God niet iets, dat terzijde wordt gelegd, maar iets, dat intens wordt gebruikt, waar ons geloof op wordt gericht, waar onze hoop op wordt gebouwd, om zo het licht in onszelf voortdurend te versterken, tot een grotere eenheid in ons wezen ontstaat.

Dan verder de tradities der ouden. Ook weer een punt, dat spreker noemde en waarbij ongetwijfeld zijn oorsprong ook een woordje meespreekt. Wat hebben wij aan de wijsheid der klassieken of der ouden? Wat heeft U aan alle esoterische kennis, die er bestaat op de gehele wereld, alle weten, dat is opgetekend en neergeschreven van af de tweede periode van Atlantis tot heden toe? U hebt er niets aan, tenzij U het zich eigen maakt en het in de praktijk brengt. En daarom menen wij, dat het goed is om veel te weten, mits deze kennis ook daadwerkelijk wordt gebruikt. Het is echter belangrijker, dat men weinig kennis bezit en deze volledig gebruikt, dan dat men veel kennis bezit en deze grotendeels eigenlijk teloor laat gaan. De daadkracht, ons eigen streven is bepalend.

Spreker brengt hierbij een christelijke waarheid naar voren, n.l. dat ons bereiken gelijk moet zijn aan ons offer, dat ons licht gelijk moet zijn aan ons duister; dat onze vreugde gelijk moet zijn aan ons leed, dat alles in ons evenwichtig en harmonisch moet zijn, omdat eerst daardoor de eenheid van beide waarden in ons ontstaat, waaruit wij God leren kennen.

En dan kunnen wij natuurlijk ook de rest van zijn termen vertalen in christelijke bewoordingen. En dan is “beheers Uw omgeving” eigenlijk gelijk aan “heb Uw naasten lief gelijk Uzelf.” Want wanneer je eerst je lichaam en daarna je gevoelens hebt leren beheersen, dan ben je geworden tot iemand, die uitdrukking geeft aan een kosmisch principe, en als zodanig is het beheersen van je omgeving het vaststellen van de gelijkheid binnen het Goddelijke tussen jou en al het andere.

Ik kan nog wel een tijdje zo doorgaan, maar ik geloof niet, dat ik te veel tijd in beslag zal nemen. En daarom zal ik een einde gaan maken aan dit betoog. Maar ik wil dit slechts doen door vast te stellen; Wat zo’n gastspreker zegt, behoeft U niet als waar en volledig waar zonder meer te accepteren. Maar U zult ontdekken, dat elk van hen een eigen waarheid kent, waarin een gelijke grondkern zit, een gelijke grondwaarde. En deze grondtoon, deze grondwaarde is het belangrijke. Want dat is dus a.h.w. de gemeenzame factor van het Goddelijke, geopenbaard binnen mens en geest.

Zoek daarnaar. U behoeft onze uitleg en onze commentaren niet te aanvaarden, zoals we ze geven. Maar ze kunnen misschien verhelderend werken, zodat U bepaalde punten nu ook wat meer uit het standpunt der Orde kunt overzien. Deze kennis kan U veel nut brengen, veel baat geven, mits U ook het ervarene, het geleerde, tevens in de praktijk wilt brengen.

0-0-0-0-0-0-0

INZICHT

Wat is het leven anders dan een maskerdans, die rij na rij trekt in net bewustzijn voorbij. Voorbij. Je weet niet, wat leeft achter uiterlijke schijn, je kent niet de kern van het wezen en het zijn, dat rond je bestaat. Het is vaak, of de wereld je eenzaam laat en onberoerd je dwingt om voort te gaan zonder te kennen werkelijke waarde, inhoud van alle bestaan.

De maskers verwrongen, getekend zo vreemd, zijn uit Uw denken ontsproten. Ze zijn als het ware het geschapen beeld van levens en denkgenoten. Maar achter dat alles door het “ik” nog verheeld, daar leeft een werkelijkheid. Daar is het leven niet een rij, die lang voorbij U glijdt, maar één en vast en ongedeeld. Daar kunt ge werkelijk leven.

Zou U het zijn na lange tijd voldoende inzicht geven om in te gaan tot dit bestaan, dat is zo zonder grens? Dit zijn, dat U verheffen kan boven beperkte mens en mensheid?

Inzicht is: Weten, al wat ik beleef is deel van onveranderde werkelijkheid. Er is geen moment, geen moment, dat ik beleef, dat in feite mijn wezen ontglijdt. Ik kan niet verliezen dat, wat ik geef, niet gewinnen dat, wat ik ontvang. Want het Al, dat is deel der oneindigheid, het is deel van mijzelf reeds zo lang. Er bestaat geen dood en geen ondergang. Er bestaat geen leven en strijd. Er bestaat slechts uit God geboren en levend de grote werkelijkheid. In inzicht, verworven om alle bestaan, moet je vinden de levende Kracht, Die binnen de vorm en achter het masker al tot aanzijn heeft gebracht. Het doet je erkennen de band, die je bindt en nimmer teloor meer gaat, omdat deel van jezelf en al wat je kent, al wat je verwerpt zelfs, bestaat.