Geheimen van het oude Egypte

SVGZ – 24 september 1965

Er is geen land, dat in de ogen zo geheimzinnig lijkt als juist het oude Egypte. Het is een land, waaruit onnoemelijk veel is overgeleverd, terwijl gelijktijdig vele dingen in het duister verborgen blijven, terwijl zelfs de moderne wetenschap geen aanvaardbare methode heeft kunnen vinden om door te dringen in alles, wat er in die oudheid, naar men zegt, zou hebben bestaan. Wanneer ik met u spreek over geheimen van het oude Egypte, zo doel ik niet op de feiten van het verleden, die reeds in vele boeken zijn beschreven. Ik wil liever terug gaan tot de eerste ontwikkeling van geestelijke waarden, waarop grote geesten als bv. Ptah-Moses grote invloed hebben uitgeoefend. Het gaat hier om de ontdekking van de mystieke waarden in het leven.

U moet zich Egypte voorstellen als een betrekkelijk gemengde bevolking hebbende. Er is geen sprake van één enkele stam, één enkel volk. Er waren vele verschillende volkeren, die, al rondtrekkende, uiteindelijk in de Nijlvallei zijn gaan wonen en daar het Boven-Egyptisch en het Beneden-Egyptisch rijk hebben gesticht. Het Boven-Egyptisch rijk kent vele Nubische invloeden, terwijl het Beneden-Egyptische rijk veel Oosterse, Arabische invloeden ondergaat. Later komen daarbij bv. de vroeg Kretenzische en Griekse invloeden, evenals invloeden vanuit Europa. In dit rijk treffen elkander dus vele beschavingen. Maar juist in een landbouwgebied is de mens over het algemeen geneigd de natuurinvloeden te gaan vereren. Wij vinden dan ook vele namen voor producten uit de natuur, zoals het graan, dat een Osiris naam draagt. Ook de werkingen van de Nijl zelf, de gang van de maan e.d. worden omschreven als goden van een vaak haast grotesk aandoend pantheon.

Allereerst is er dus het natuurgeloof, dat echter weer het aanzijn geeft aan priesterschappen, groeperingen, die niet te vergelijken zijn aan de opzet der moderne kerken, maar vooral in het begin doen denken aan kloostergemeenschappen, waarin men eredienst en magie bedrijft, maar gelijktijdig wetenschappelijke studies volbrengt. Deze mensen worden de mystici, die de invloeden vanuit het Oosten, het Westen en het toenmalig Europa samen proberen te voegen. U denkt misschien, dat Europa in die tijd niet veel te betekenen heeft. Daarom wil ik u er aan herinneren dat de oudste barnsteenexport uit de buurt van het hedendaagse Danzig, welke Egypte bereikte, reeds 7 à 8000 jaren geleden heeft plaats gehad. Lang voor de bekende geschiedenis van Europa dus begint, is er reeds sprake geweest van een – zij het beperkte – handel. Zo zijn – op een misschien niet geheel redelijk verklaarbare wijze – zelfs de geloofswaarden en praktijken van de druïden afgezakt tot het land van Egypte.

In deze ontwikkeling is, zoals overal, de eerste gedachte natuurlijk gericht op de aarde. De verering van de Grote Moeder, die wij bij vele primitieven aantreffen wordt hier de basis van de latere Isis- en Ammoncultus. Osiris is in dit verband de “gekomene” een Messiasfiguur, die wij ergens wel mogen vergelijken met Jezus. Dit mag oneerbiedig aandoen, maar indien wij inzicht willen verwerven in de bronnen, waaruit de geheimen van Egypte voortkwamen, moeten wij begrijpen, dat het verhaal van Osiris, Isis en Seth niet beschouwd mag worden als een gebeuren in de godenwereld.  Het heeft zich volgens het denken van de Egyptenaar op aarde afgespeeld, en geeft de natuurlijke ontwikkelingen weer; Osiris is hierbij degene, die het volk het graan geeft, zoals een Prometheus het vuur uit de hemelen haalde om het de mensen te schenken. Dat men hem als een godheid behandelt, is begrijpelijk, wanneer men beseft van hoe groot belang juist de verbouw van graan voor het gehele rijk is.

Wanneer men echter een hoofdgod stelt, omgeven met een groot gevolg van mindere goden, en daarnaast een “verlosser”, een middelaar stelt, zal voor de denker al snel het probleem van de verhouding tussen mens en god rijzen. De geheimen van Egypte en de vele onbegrijpelijke praktijken van de gelovigen in het oude land worden echter begrijpelijker, wanneer men weet, dat de eerste mystici op de relatie tussen mens en Godheid dezelfde wetten van toepassing achten, die zij reeds in de natuur hebben leren kennen. God is als het ware dé natuur. De relatie van de mens tot de goden moet dus ook volgens de normen verlopen, die de natuur steeds weer stelt. In de natuur heeft alles zijn plaats. De denkers kunnen zich bv. niet voorstellen, dat er een heilige krokodil of krokodillen-god kan bestaan, die niet als al deze dieren een klein vogeltje bij zich heeft, dat parasieten en onreinheden wegpikt. Dieren en zelfs planten leven in bepaalde gemeenschappen. In die gemeenschappen ligt voor de beschouwer het verband, de werkelijke zin der dingen.

Het eerste gevolg hiervan is, dat als symbool voor de goden vaak dieren worden gebruikt, omdat dezen een juist beeld geven van de relaties tussen wereld en god. Denk maar eens aan Apis, aan de kat, die te Bubastis vereerd werd, de ibis, de jakhals enz. Wanneer men nu tussen alle dingen een vaste relatie gaat stellen, moet ook alles, wat in en rond de mens bestaat, een vaste relatie kennen t.a.v. de godheid en t.a.v. het Al. Dit is het punt van uitgang, waardoor men onder meer komt tot een vorm van letterwichelarij. In het begin is deze naam misschien niet geheel juist, omdat hiërogliefen, beeldtekeningen, in het begin algehele uitbeeldingen zijn van het bedoelde en daarna nog langere tijd lettergrepen blijven vertegenwoordigen; toch is in de relatie tussen de voorstellingen, de lettergrepen en hetgeen zij omschrijven, zonder twijfel voor hen een wetmatigheid. Wij zullen dan ook vele namen aantreffen, waarin ergens de naam van een godheid verwerkt is. Door die naam te nemen of te geven, bindt men zich, of het kind dat men een naam geeft, aan de godheid, waardoor mede het lot van deze mens bepaald zal worden.

Ook de kennis van de loop en stand der sterren is al snel voor de mensen belangrijk, zij het in het begin vooral voor doeleinden als wichelarij. Men heeft deze kennis ten dele geërfd van de herdersvolkeren, ten dele ongetwijfeld is hierbij ook sprake van een kennis, die uit het oudere rijk, het z.g. Atlantis, stamt. De hemel kent vaste wetten, en de aarde en al wat daarop leeft, bestaat mede hierdoor onder bepaalde vaste verhoudingen. Dit alles kan weer in tekens worden uitgedrukt. Zo ontstaat een wichelaars-alfabet, dat oorspronkelijk 78 tekens kende en gebruikt werd om aan de hand daarvan de relaties tussen alles wat benoemd is, en de goden of hoofdgod uit te drukken, en eventueel ook aan de hand van de naam te berekenen. Wij zullen dit systeem in gewijzigde vorm en dan met 22 lettertekens terugvinden als de via het jodendom overleverde Kabbala. In Egypte is dus alles op de wetmatigheid van de natuur en het bestaan van vaste en door de mens niet verder te beïnvloeden samenhangen gebaseerd. Het gehele leven en denken in dit gebied wordt hierdoor lange tijd geregeerd, alle magie is een weergave hiervan en gaat uit van de stelling, dat alles volgens vaste normen onderling verbonden is, terwijl alle reacties eveneens volgens vaste normen en wetten zullen verlopen.

Elk experiment, dat men wetenschappelijk zou kunnen noemen – en daaraan wordt in vele tempels en “kloosters” gedaan – dient niet, zoals in deze dagen, om een fenomeen te onderzoeken, maar om een relatie die vaak via deze vroege Egyptische versie van de Kabbala is ontdekt – kenbaar te maken; het gaat hier om het herleiden van de reeds gestelde wet tot voor de mens hanteerbare en waarneembare feiten. De inwijdingen van Egypte ontlenen daaraan hun karakter. Wanneer wij het woord inwijding nu gebruiken, denkt men meestal alleen aan de mystieke zijde van dit gebeuren. Oorspronkelijk was de betekenis van dit woord echter enigszins anders. Het gaf weer, dat voor de mens de relatie, waarin hij tot de natuur staat en tot de krachten die de natuur regeren, kenbaar werd gemaakt. Er is daarbij sprake van onderricht. Zo moet men allereerst leren lezen en schrijven.  Dit is van het hoogste belang, omdat men eerst krachtens het hanteren der lettertekens in staat is de juiste verhoudingen die bestaan, kan bepalen. Verder leert men bepaalde proefnemingen doen en – belangrijk voor het contact met de eenvoudige gelovigen – de wijze, waarop men de gelijkenissen en godenverhalen openbaar moet interpreteren en daarnaast voor zich mag begrijpen.

Het dodenboek en het boek Toht spelen hier nog geen rol. Zij maken zelfs later geen werkelijk deel uit van de werkelijke geheimen van Egypte, maar zijn eerder een omschrijving ervan. Het werkelijke geheim van Egypte is in deze tijd vooral het beheersen van krachten. Wanneer u nu iets ziet van de ruïnen van oude tempels, denkt u onmiddellijk aan de 10.000den slaven, die daaraan wel gewerkt moeten hebben. Maar zeker in de tijd, dat de beide rijken nog gescheiden waren, speelden vaak priesters en magiërs bij de bouw een grote rol en was het aantal slaven aanmerkelijk kleiner dan men nu veronderstelt. Men wist namelijk – al is de kennis sindsdien in praktische zin grotendeels teloor gegaan – dat de menselijke energie en gedachtekracht kan werken als een soort katalyse, waardoor natuurlijke krachten tot ontlading kunnen worden gebracht. De ingewijden en hogere priesters kenden vele verschijnselen die nu natuurwetenschap zijn, maar door hen op geheel andere wijze werden gebruikt. Ik denk hierbij aan het magnetisme, dat in de vorm van magneetsteen bij de magie vaak een grote rol speelt, maar nog niet wordt gebruikt om een kompas te maken. Een van de effecten, die men bereikte via mengsels, waarbij magneetsteen een rol speelde, was een procedure, waardoor men materiaal met groter kracht en minder moeite dan normaal kon verplaatsen.

Ook hefboom- en takelsystemen – die men meestal van latere oorsprong acht en aan de Feniciërs pleegt toe te schrijven – zijn de priesters reeds bekend, maar zijn deel van de geheimen, die men niet mag “openbaren”. Hefboom en combinaties van hefboom en wiel zijn bekend. Zelfs is reeds iets van de kracht van stoom bekend. Veel later zal men deze kracht gebruiken om op schijnbaar geheimzinnige wijze beelden van stand te doen veranderen en tempeldeuren door “onzichtbare handen” te doen openen. In het begin gebruikt men deze kracht alleen, wanneer het gaat om het tot stand brengen van een permanente druk in een bepaalde richting. Daarbij is nog geen sprake van een machine. Door iets, wat structureel veel gemeen heeft met een kurkpistool, verplaatst men wel bepaalde voorwerpen. Ook maakt men van deze kracht in de groeven – de steengroeven – wel gebruik om het op maat afsplijten van de steen te vergemakkelijken. Wanneer men over meer mankracht en minder ijverige priesters beschikt, raakt overigens deze werkwijze later weer in onbruik.

Ik zou over dergelijke technieken meer kunnen vertellen, maar in de eerste plaats zou men mij waarschijnlijk niet geloven, terwijl het voor ons in de tweede plaats van meer belang is de ontwikkeling van het mystieke denken te volgen. De kern van de Egyptische mystiek heeft vooral in het begin niets te maken met een mogelijk hiernamaals. Zij houdt zich niet alleen met hemelwerelden en bovennatuurlijke waarden bezig, maar tracht in de eerste plaats te komen tot erkenning van innerlijke of geestelijke waarden, die dan onmiddellijk van toepassing worden verklaard op de eigen wereld.

Nu rijst misschien de vraag, wat wij dan wel moeten denken van de symboliek, die langzaamaan geheel Egypte overwoekert. Alles heeft in het leven zijn vaste plaats. Dit staat vast. Toch bestaat een groot deel van de Egyptische godsdienst – en mystiek – uit een soort toneelspel, reeksen van symbolen en symbolische handelingen. Het is voor de mens van heden moeilijk aan te nemen, dat dit alles nog enige relatie kende met de menselijke wereld. Maar de Egyptenaar stelde, dat de afbeelding van iets gelijk komt aan het oorspronkelijke, zolang men het oorspronkelijke in de afbeelding erkende. Wanneer men een beeld van een god vanuit het verborgene tot midden onder de mensen brengt, is dit geen beeldenaanbidding – het beeld zelf is immers geen God, maar alleen de voorstelling van die God – maar doet de mensen de godheid erkennen als een macht, die onmiddellijk rond of naast hen aanwezig is. Voor de mysticus wordt hierdoor deze kracht van de God ook onmiddellijk bruikbaar. Wanneer men het spel opvoert, waarin de strijd tussen Osiris en Seth wordt uitgebeeld, gevolgd door de opstanding van Osiris dankzij Isis, gaat het daarbij niet alleen om het uitbeelden van een godsdienstige overlevering.  De kracht van de opstanding – voor de mensen meestal de kracht van het steeds weer herboren wordende graan – wekt de gedachte aan hernieuwing, die juist hierdoor gemakkelijker mogelijk wordt, omdat de aanwezigheid van die kracht de juiste invloeden in de natuur voor een goede oogst samenbrengt.

Ook in het verleden waren er mystici, die tot zeer hoge sferen wisten door te dringen. Rond 8000 jaren geleden waren er reeds mensen in Egypte, die allerhande mystieke ervaringen doormaakten en daarbij – zoals wij dit nu noemen – werden geconfronteerd met het ware Licht Gods . Zij ervaren dit echter niet als iets, wat boven hun wereld staat of daarvan gescheiden is, maar trachten onmiddellijk die Kracht van Licht op hun eigen wereld kenbaar te maken. Wanneer de verschijning of beleving van die kracht voor hen met bepaalde nevenverschijnselen gepaard ging, of onder bepaalde omstandigheden plaats vond, stelde men weer dezelfde toestand voor, reproduceerde alle bijkomstige omstandigheden en zegde dan: “nu is ook de Kracht, het Licht hier weer aanwezig.”

Zo wordt de bouw van de tempel, de grafheuvel, de indeling van paleizen en zelfs de constructie van de kaden in de steden van het grootste belang: men bouwt niet alleen maar iets, maar reconstrueert a.h.w. de weergave van een bepaalde kracht, een bepaalde samenhang. Wanneer de Egyptenaar- zoals hij graag deed – een trapvormige steiger aanlegt en deze een halfronde vorm geeft, om daarvoor nog een kade te kunnen bouwen, bouwt hij daarmede meteen het symbool van de maan – die ook de wateren wel regeert – en een symbool van de rijzende zon. Volgens zijn geloof zullen deze beiden onnodige conflicten, ongelukken ja, zelfs gevaarlijke krokodillen verre houden. Door dus zijn “haven” op deze wijze te construeren, voorkomt men veel nadelige werkingen, die elders aanwezig zullen blijven. Daarbij gelden schijnbaar vreemde regels: indien men een beeld van een riviergod opstelt, zal men dit nooit op de kade zelf, maar altijd op de steiger of kade tussen aanlegplaats en rivier doen. Boven of op de eigenlijke – vaak trapvormige – kade mag men beelden van stadsgoden of heersers stellen, maar nimmer een beeld van een watergod. Hierdoor zou die God immers reeds op het land aanwezig zijn en zo het water verleiden om op deze plaats, waar het niet gewenst is, het land te betreden.

Elders, waar men water nodig heeft – bv. voor bevloeiing – stelt men echter ook verder land- inwaarts, vaak beelden van watergoden op. Het vreemde hierbij is, dat, al construeerde men ze dus op deze wijze hoofdzakelijk uit godsdienstige gronden, zij zo gebouwd blijken te zijn, dat zelfs bij hevige overstromingen van de Nijl juist deze kaden droog en onaangetast bleven; men kan hier natuurlijk van gezond verstand of toeval spreken. Ik voor mij meen, dat bouwwijze e.d. de uiting zijn van een volk, dat begrepen had dat alles, wat als besef en mystiek binnen de mens bestaat, door deze mens ook in eigen wereld kan en moet worden uitgedrukt. Door dit uitdrukken in eigen wereld van de innerlijke belevingen schept men voor zich voordelen en mogelijkheden, die anders alleen innerlijk zouden kunnen worden ervaren en gebruikt.

De ontwikkeling gaat verder, magie én mystiek krijgen een ander gezicht. Maar ook dan trekt men – vooral rond sommige woestijnkloosters – of scholen voor hogere inwijding – magische ringen. Het vreemde is hierbij, dat inderdaad reizigers deze kloosters steeds weer schijnen te passeren zonder ze te zien en, indien wij de overleveringen mogen geloven, alleen het omringde gebied zullen betreden, wanneer het klooster werkelijk hun doel is en zij de bewoners daarvan niet vijandig gezind zijn. Dit kan men nog een toeval of een conventie noemen. Maar wat te zeggen, wanneer wij horen dat binnen deze toverkringen ook slangen en schorpioenen weinig of niet voorkomen, terwijl het in de omliggende woestenijen daarvan pleegt te wemelen? Nu zal die toverkring zeker een dergelijke werking niet alleen ontlenen aan het feit, dat er een plechtige processie met een godenbeeld is rondgetrokken langs deze lijn.

Ook het feit, dat men tijdens die rondgang tafeltjes met bepaalde godsdienstige tekens heeft begraven, kan zonder meer geen verklaring zijn. Je kunt het echter anders zeggen: de mens kent in zich een toestand van vrede, die gezien de vaste samenhang der dingen, verbonden is met een bepaalde vorm en orde van bestaan, door deze kracht niet alleen in zichzelf te verkennen of aan bepaalde tekenen te binden, maar door het hanteren van de tekenen de vrede als een milieu buiten en rond zich plaatst, zal de sfeer van die innerlijke vrede het gehele gebied gaan regeren. Alles, wat met deze vorm van vrede niet harmonisch is, zal dan ook in dit gebied niet willen – en daardoor volgens eigen denken niet kunnen – binnen dringen. Deze verklaring gaven de Egyptische mystici en magiërs zelf voor dit verschijnsel.

Deze denkbeelden en voorstellingen worden langzaam maar zeker de basis van een grotere geestelijke scholing. Daarin zien wij invloeden opduiken van de eerste zowel als de tweede Atlantische golf. De eerste golf bestaat hoofdzakelijk uit blonde priesters, de tweede heeft meer een karakter van een kleine volksverhuizing en brengt ook in Egypte donkerharige stammen, die waarschijnlijk zeer veel gemeen hebben met de stammen, die men nu kent als Kelten. De eerste golf – die waarschijnlijk reeds in het begin werkzaam is – brengt o.m. naast het denkbeeld van een werkelijk contact met goden enig begrip voor het directe contact met “groepsgeesten”. Gestalten, die oorspronkelijk slechts de natuur en de krachten van de natuur weergeven, krijgen een andere betekenis. Wij krijgen te maken met “goden”, die in wezen de representanten zijn van gemeenschappen en rassen. De stadsgoden, die wij in zo rijke mate langs de Nijl aantreffen, zijn voor de ingewijden nu de “Gestalt”, de groepsgeest van degenen, die in dit gebied leven. Zij benaderen die goden nu als de vertegenwoordigers van menselijke of dierlijke groepen, waardoor het mogelijk wordt het bovenbewustzijn van de groep te beïnvloeden en te fixeren. Wanneer men spreekt tot de stadsgod, spreekt men in wezen tot allen in de stad, die aan die god gebonden zijn en /of geloven, dat het geheel van de inwoners van de stad volgens dit denken alles zal ervaren en ondergaan, wat men de stadsgod geeft of aandoet.

In Babylon vinden wij soortgelijke denkbeelden. De wijze, waarop men deze “Heren” vereerde, had een beïnvloeding van het volk, de stad ten doel. Een vijand zal vaak paleizen ongemoeid laten tot de afgod is vernietigd – want daarmede valt het rijk. Aan de andere kant brengt men aan de “Heren ” offers zonder enige restrictie. Vooral wanneer er nood is, brengt men vaak offers van jong leven, om zo hun krachten te vernieuwen en te vergroten en zo ook om de kracht en mogelijkheden van de stad of het volk herboren te doen worden. Nu worden dergelijke opvattingen in Egypte over het algemeen niet zo wreed tot uiting gebracht als wij van andere volkeren wel horen. Toch is deze voorstelling zo zeer deel van het leven en geloof in het land, dat er allerwegen godsdienstige groepen ontstaan, waarin elke onderlinge relatie en verhouding op het karakter van de vereerde godheid is gebaseerd. Daden en gebruiken hebben daardoor een andere betekenis, dan men nu wel pleegt te veronderstellen.

Neem bv. tempelprostitutie. In vele gevallen ging het hier om priesteressen van watergoden, of godinnen. Een ingaan tot hen betekende een ingaan tot de godheid en zo met deze god verwant worden. Schippers gingen dan ook vaak niet alleen naar dergelijke plaatsen, om hun lusten te bevredigen, maar om bescherming te verwerven voor hun reizen op het water. Zij werden immers op deze wijze met de wateren en de daarin wonende geesten verbonden en namen aan, dat gelijk, gelijk niet zal schaden. De denkers beseffen wel, dat dit alles niet geheel juist is, maar vinden nog geen uitweg. Aan de ene kant zien zij, dat goden als beeld van een gemeenschap kunnen gelden en beseffen daarnaast, dat de gemeenschap meer is dan het totaal der daarin aanwezige individuen, zodat de gemeenschap wel degelijk ook een eigen persoonlijkheid heeft, die aangesproken en gehanteerd kan worden. Aan de andere kant zien zij wel, dat de praktijken van de eenvoudige gelovigen niet de gewenste resultaten brengen. Voor hen heeft echter het symbool nog een werkelijkheidswaarde.

De komst van de tweede Atlantische golf leert hen echter, dat men symbolen ook op een andere manier kan zien en benaderen. Nu wordt voor hen het symbool en de symbolische handeling niet meer zonder meer de weergave van een werkelijkheid, die je dan ook zult beleven, maar eerder de uitdrukking van een wens, een willen, waarbij de innerlijke kracht bepalend is, niet de uiterlijke weergave of benadering. Hiermede treedt in Egypte een nieuwe waarde op: de ingewijde of priester, die tot nu toe eerder een soort ontvangpost was voor de wil der goden, en evenals anderen gevangen in een onveranderlijke lotsordening, wordt nu iemand, die pressie uit kan gaan oefenen. Zijn aandeel wordt nu veel meer actief dan voorheen en ook de ingewijde zal door symbolen niet alleen meer de werkelijkheid erkennen of weergeven, maar voelt zich door een samengaan van bewuste innerlijke waarden en symbolen in staat de wet van lot en goden te wijzigen.

Met moderne termen weergegeven zien wij nu dit beeld: God drukt zich uit door een totale wet. Wij kunnen die god of delen van die god soms beleven. Deze beleving gaat gepaard met definitief omschrijfbare verschijnselen. Wanneer de verschijnselen worden gewekt, zal ook het contact met god of een deel van die god ontstaan.

In dit Al zijn condities en mogelijkheden aanwezig, die voor de mens wenselijk zijn. Wanneer hij datgene, wat de conditie omschrijft, uitbeeldt en daarbij innerlijke de god inschakelt, zal de god het begeerde waar maken binnen het kader van de bestaande wetten, maar met een afwijken van de normale ordening volgens die wetten. De volgende stap luidt dan: al datgene, wat voor mij een geestelijke werkelijkheid is, is vanuit de materie te beïnvloeden, terwijl alles, wat ik geestelijk zal doen, de materie zal beïnvloeden. Daar de wetten vaststaan, is in beide gevallen het te bereiken effect bewust te bepalen.

Er is sprake van een tweede fase in de mystieke ontwikkeling, want nu komt de mens als een bewuste en mede scheppende factor in het geding. Hij kan a.h.w. de plaats innemen van de tot dan toe als alleenheersers op bepaald gebied erkende goden. De nadruk valt nu veel sterker dan eerst op de eigen waarde van de mystieke beleving, en komt tot de conclusie, dat er voor de geest bepaalde milieus – omgevingen met eigen wetten en eigenschappen – kunnen bestaan. Wij zouden hier spreken van sferen, zomerland e.d. De conclusie wordt, nu dat de reeks van wetten waaraan je onderworpen bent, en de mogelijkheden, waarover je kunt beschikken, zich zullen wijzigen naarmate je een ander geestelijk rijk binnentreedt.

Wanneer u het dodenboek doorleest, zult u bemerken, dat ook daarin van vele verschillende “sferen” of “rijken” sprake is. De werkelijke mystici gaan verder en stellen: om de kracht, die in al die rijken aanwezig is, waarlijk te kunnen gebruiken, zal ik eerst al die rijken moeten betreden. Moderner gezegd: om God te erkennen in het totaal van zijn krachten, moet ik alle aspecten, waarin Hij zich openbaart, voor mijzelf ervaren en aanvaard hebben. Om dit weer te geven maakt men gebruik van een riviersymbool, dat in vele opzichten doet denken aan het later gebruikte symbool van de levensboom. Deze vergelijking is natuurlijk meer bedoeld als verduidelijking dan om een gelijkwaardigheid van – of zelfs identiciteit met – deze voorstellingen te suggereren. Van een meer directe relatie tussen de Joodse kabbala en de Egyptische is eerst in een veel later stadium enige malen sprake, maar zelfs dan is een verschil in progressie en interpretatie tussen deze beiden steeds weer kenbaar. Laat ons dus volstaan met aan te nemen, dat in de tijd van 5000 v. Chr. tot 4000 v. Chr. een groter begrip ontstaat omtrent de relatie tussen de mens en de verschillende facetten van het totaal Goddelijke.

De mysticus gaat meer en meer de goden zien als groepsuitingen die ergens in het geheel van het leven de goddelijke macht alleen op bepaalde wijze weerkaatsen en kent hen geen persoonlijke eigenschappen en karakters toe buiten dit verband. In deze periode worden voor de priesters de windrichtingen of beter de streken van het kompas van groot belang en de sterren, die tot nog toe vooral dienst deden als orakels, krijgen nu als tweede functie het nauwkeurig bepalen van de juiste tijd voor de verschillende fasen van het leven. De tempels, die in deze tijd gebouwd worden, bezitten haast allen zogenaamde zonne- of sterrenpoorten, waardoor op een bepaald uur van een bepaalde dag in het jaar het altaar belicht wordt, of van het altaar af door de opening een ster zichtbaar wordt. De oriëntatie van het heilige der tempels is bijna algemeen op het oosten in deze dagen. Dit duurt tot rond 2500 v. Chr. Voordien treffen wij vaak een oriëntatie van het heilige op het westen aan, daarna zullen wij in meerdere gevallen een oriëntatie op het noordwesten vinden.

Er ontstaat meer eenheid in godsdienst, maar bovenal een grote eenheid in esoterische en magische scholingen. Hieruit zullen later de geschriften en regels ontstaan, die wij in hun gesublimeerde vorm wel het boek van Toth noemen, maar ook aanspreken als hermetische wijsheid. Het geheel van deze voor leken versloten wijsheden is gebaseerd op het erkennen van de innerlijke waarden van de mens, een vorm van bewustwording, waardoor hij bv. leert gedachten over te dragen. In het onderling verkeer tussen verschillende in dit opzicht belangrijke tempels speelt dan ook telepathie een grote rol. De “ingewijden” leren al snel, ook waarden als suggestie en hypnose beter te hanteren en geven hun kennis door aan de grote tempels en godsdiensten. Wij horen dan ook in de resterende verhalen en overleveringen omtrent het oude Egypte steeds weer van wonderen en wonderlijke verschijnselen, die vooral kenmerkend schijnen te zijn geweest voor tempeloptochten en het z.g. elkaar bezoeken van de goden. Daarnaast blijkt men gebruik te maken van een soort narcose, die in wezen slechts een zeer beheerst toegepaste vorm van hypnose blijkt te zijn.

De artsen van deze tijd komen eerst zeer langzaam tot het inzicht, dat hypnose wel eens beter zou kunnen zijn dan chemische narcose bij vele operaties, maar schijnen nog niet in staat te zijn, hiervan een bewust en verantwoord gebruik te maken.

Opvallend is, dat in deze periode van het menselijke bestaan de psyche van de mens eerder wordt doorvorst en juister wordt erkend, dan de meer fysieke zijde van het menselijke leven. Terwijl men het bloed wel heeft leren zien als een “zeer belangrijk sap”, maar van bloedsomloop en hartfunctie maar zeer weinig schijnt te begrijpen, beseft men wel reeds hoe bepaalde suggesties een geestelijke kracht kunnen doen ontwaken en op het totaal van het menselijke leven en gevoel grote invloed uit kunnen oefenen. Onder invloed van dit alles neemt de angst voor geesten en demonen aanmerkelijk af. In deze periode worden dan ook voor het eerst tomben van oude koningen beroofd. Want ook de gewone man, gevoelig voor de instelling van de wijzen en priesters, verliest zijn daadwerkelijke angst voor de doden en beschouwt de verhalen van hun macht en wraak dan ook eerder als een vorm van geloof dat door niets bewezen schijnt te zijn.

De wijzen van deze dagen komen tot een splitsen van de mens in drie afzonderlijke delen, waarbij de geest buiten het astraal lichaam een soort levenslichaam bezit, dat kan gaan tot aan de poorten van de werkelijkheid, terwijl het derde en belangrijkste deel van het ego de ziel is, die eeuwig is, eeuwig leeft en de beide andere geestelijke delen van het Ik in stand houdt. Het begrip van drie-eenheid wordt in het denken vanaf deze tijd een steeds belangrijker factor in de menselijke beschouwingen omtrent zichzelf en zijn verhouding tot God. Men leert nu, dat de mens, die lichaam, astraal levensvoertuig en ziel tot een geheel weet te maken, beschikt over “het geheime woord der eeuwigheid”. Hierdoor is hij niet slechts meester in het rijk der zaligen en de onderwereld, maar beheerst hij het geheel van alle leven en alle verschijnselen en zal met dit “woord” macht hebben over alle dingen. Het erkennen van deze eenheid betekent een erkennen van de waarde van elke natuurwet als actie. Zij is niet meer een uitdrukking van het onveranderlijke wezen van de hoofdgodheid, maar is eerder een uitdrukking van zijn geweld en macht geworden. De natuur met haar wetten is niet meer een zelfstandige godheid, maar een reeks van omstandigheden en wetmatigheden, die uit het bestaan van de hoofdgodheid voortvloeien maar, mits men de eenheid met deze godheid in zichzelf beleeft en beseft, ook door de mens geheel beheerst kunnen worden en naar believen teniet gedaan, gewijzigd of toegepast kunnen worden.

De wonderen, die de wijzen doen, zijn echter in de ogen van de gewone burgers werkelijke wonderen. De beschrijvingen van hun prestaties klinken haast onaanvaardbaar, onmogelijk. Maar wanneer Jozua de zon gebiedt om stil te staan, beveelt hij de mensen en niet alleen de zon. Wanneer wij dit wonder, dat meer algemeen bekend is, omdat het in de bijbel staat, bezien in het licht van moderne wetenschap en de wetenschap van Egyptische priesters, dan kunnen wij zeggen: de zon kan niet werkelijk stilstaan. De aarde zou dan niet voort kunnen bestaan. Maar wel kan men het tijdsbesef van de mensen aanmerkelijk veranderen, zodat het voor hen haast schijnt, of de dag veel langer wordt dan normaal – dus de zon voor hen stilstaat aan de hemel.

Er wordt bij de z.g. wonderen van de ingewijden in deze dagen wel gebruik gemaakt van natuurlijke krachten en verschijnselen, maar in wezen berusten hun wonderen op een beïnvloeden van de mens, waardoor zijn reactie op zijn waarneming van de feiten verandert. Waarmede wij de grote wijsheid van Egypte eerst goed gaan beseffen. De gehanteerde stelling luidt immers: verander de mens en je verandert tevens het totaal van de waarden van leven die voor hem, volgens zijn besef van kracht zijn. Het is duidelijk, dat, al worden deze stellingen in de eerste plaats nog naar buiten toe in toepassing gebracht, men deze denkbeelden al snel zal gaan beschouwen als vooral voor het innerlijk van de mens belangrijk. Zo gaat naast het hoofdzakelijk magische streven, waarbij de wereld van het onderbewuste nog een grote rol speelt, de esoterische, de innerlijk bewuste beleving van het bestaan, een steeds grotere rol spelen en zal de innerlijke eenwording van de mens door de Wijzen steeds meer als het werkelijke doel van het leven beschouwd worden.

Een nevenverschijnsel is hierbij, dat in de tempels een vorm van psychiatrie haar intrede doet, die de wereld van het onderbewuste openbaart en de mens van zijn té strijdige problemen trachten te bevrijden; daaronder vinden wij een soort biechtvaders, maar ook droomuitleggers, zoals wij bv. in het verhaal van Jozef, aantreffen. Deze droomuitleggers zijn dus niet alleen maar waarzeggers en profeten, maar mensen, die aan de hand van dromen trachten het innerlijk van de mens te erkennen en hem zo te bevrijden van zijn vele innerlijke strijdigheden en problemen. Daarnaast hebben zij, misschien zelfs meer dan de geleerden van deze dagen, die zich met de psyche bezighouden, begrip voor de voorkennis en krachten, die in het onderbewuste van de mens verborgen liggen. Dergelijke wichelaars zijn dan ook na korte tijd in bijna alle tempelvoorhoven aanwezig en blijken, al dan niet tegen vergoeding, bereid de mensen aan te horen, hun dromen uit te leggen, hun problemen op te lossen en – wanneer zij niet behoren tot de vele onbekwamen – proberen de mens zijn innerlijke eenheid weer te geven.

De inwijding is nu geworden tot een bereiken van eenheid tussen alle verschillende delen en fasen van het ik. U hoort in deze dagen misschien vaak vertellen over de beproeving, die bestond uit het overwinnen van de elementen, iets wat bij vele inwijdingen inderdaad gebruikelijk was, zoals u veel zult horen van de symbolische dood, die van praktisch alle inwijdingen deel uitmaakte. De zin van dit alles kan men terugvinden, wanneer men zich de oude Egyptische geheimen te binnen brengt. Je sterft niet om te sterven, maar om een deel van je persoonlijkheid er bij te winnen. Het is niet een overschrijden van een drempel, waardoor men het leven achter zich laat, maar het overschrijden van een drempel, waardoor men een nieuw bereik van besef aan het leven toe kan voegen.

De eerste beproevingen zijn in Egypte nog betrekkelijk eenvoudig en berusten in wezen op het toevoegen van bepaalde elementen uit het onderbewustzijn aan het menselijke bewustzijn. Dit zijn o.m. beproevingsnachten, zoals zelfs de laagste priesters door dienen te maken in de tempels zelf, tijdens een nachtelijke  wacht voor het beeld van de goden. Dit is in vele gevallen niet veel meer dan een schijnvertoning. Maar hoe verder je gaat op het pad der persoonlijkheidsintegratie, hoe meer men ook moet staan boven de eenvoudige wetten der natuur, hoe meer men zich bewust moet zijn van eigen kracht en kunnen. Ik meen dat deze  wijze van “inwijden”, waarbij men spreekt van een “worstelen met goden of engelen” en een “treden voor God”, zowel voor de joodse mystiek, waaraan het christendom zoveel heeft ontleend, als voor de Oosterse inwijdingen, die later in de vorm van esoterische leringen het Westen bereikt hebben, van beslissende aard is geweest. Want overal vinden wij deze voorstellingen en denkbeelden terug.

Op het ogenblik, dat de mens zich gaat realiseren, dat hij een zekere eenheid met het Hoogste kan bereiken en dan, krachtens deze eenheid, ook de macht van het Hoogste in de schepping kan uitdrukken, is volgens mij een van de belangrijkste ontwikkelingen op esoterisch en magisch gebied, bepalend zelfs voor de vorm en formulering van alle latere godsdiensten.

Bij dit streven naar innerlijke eenheid, een inwijding, die het innerlijk beroert, wordt helaas de nadruk op kennis bij de leerlingen steeds minder sterk. Nu is dit wel te begrijpen; het karakter van de Egyptenaar is nu eenmaal blijmoedig, en zelfs vaak haast lichtzinnig. Hij is wel veel bezig met de dood, maar zelfs de dood is hem slechts een aansporing te meer, om te leven. De blijmoedigheid van dit volk houdt tevens in, dat het zich al snel bij gezagsverhoudingen neerlegt. Vandaar, dat ook voor degenen die geestelijk streven, de stoffelijke aspecten – die immers met macht te doen hebben – van minder belang schijnen te zijn. Het gevolg is, dat het uiterlijke leven nog, evenals vroeger, een op natuurordening berustende orde en regels van onderwerping hanteert, terwijl men aan de andere kant slechts weinig morele limieten kent, terwijl ook in het geestelijke leven het leven zonder vaste regels of limieten toeneemt, zover het zich buiten de directe en uiterlijke heerschappij van de priestergroepen afspeelt.

De nadruk ligt in vele gevallen op instincten en instinctieve reacties, die door het voortdurend aanboren van het onderbewustzijn echter vaak tot grote prestaties voeren. Bouwkundige berekeningen blijken gebaseerd te worden op overleveringen en een persoonlijke, maar niet beredeneerde interpretatie van deze overleveringen.

Het rekenen van de sterrenkundigen en wiskundigen blijkt eerder instinctief te gaan, zoals bij een rekenwonder of de beroemde rekenende paarden, dan een gevolg te zijn van bewuste en redelijke scholing op dit terrein. Er was wel sprake van enige training op dit gebied, maar men “zag” de uitkomst van de som, het probleem en berekende haar dus in wezen niet.

Dit alles is in overeenstemming met de stellingen van de mystici: wanneer je immers het goddelijke bereikt hebt en je daar deel van voelt, zal het erkennen van het probleem gelijkstaan aan het kennen van de oplossing. En al kunnen wij daarover wel eens anders denken, voor de ingewijden en denkers van Egypte was dit lange tijd een onweerlegbare waarheid. Ook een schilder, beeldhouwer, schrijver, gaf in zijn kunstwerken niet de werkelijkheid weer, zoals die op aarde bestond. Hij gaf weer, wat volgens zijn besef eeuwig was. Gelijkenis met de materiële werkelijkheid was daarbij a.h.w. een toeval. De gestileerde beelden van koningen, waarbij zelfs de houding traditioneel schijnt te zijn, lijkt dit ons vreemd en onnatuurlijk.

De Egyptenaar zag het echter anders: voor hem was de vorst de representant van de goddelijke macht op aarde. Wat werd uitgebeeld was het eeuwige wezen van de vorst, waarbij vaak als symbolen de “goden”, die tevens de innerlijke waarden van het ego weergeven, werden afgebeeld, om zo aan te geven, dat de vorst de innerlijke bereiking kende, die eeuwig leven en bewustzijn brengt. Wanneer wij zien, hoe men ook elders symbolen gebruikt, als het bekende papyrusmotief, dat zelfs in gewone huizen zeer vaak wordt aangetroffen, moeten wij ons realiseren, dat dit motief niet een sier is, maar een weergave van wijsheid en bezinning – men schreef immers op papyrusblad, terwijl tevens het leven en het contact met het vruchtbaarheid brengende water werd uitgebeeld. Het symbool was een synthese van de waarden van wereld en geest en moest en sfeer van begrip, rust en levensaanvaarding scheppen. Belangrijk is hierbij, dat men beseft, hoezeer de stelling van de ingewijden overal was doorgedrongen, dat leven niet slechts een ondergaan was, maar voor de waardige mens a.h.w. een concluderen van bestaan vanuit het eeuwige inhield.

In latere mysteriën als bv. die van Isis en Osiris treffen wij later dergelijke denkbeelden aan: in het begin wordt hier de verhouding mens-god uitgebeeld, maar later worden de mysteriën meer en meer een weergave van de eeuwigheid, die door de tijd, door het leven gedefinieerd wordt, zodat het leven voor het werkelijke leven slechts een voortdurende zelfvernieuwing is, die het wezen daarvan echter niet of slechts zeer weinig aantast. Ook Osiris wordt bij deze mysteriën steeds weer betrokken. Was hij eens in feite de god van het graan, dat na overstromingen en dorheid steeds weer uit de rijpe aarde opkwam en zich verveelvoudigde, nu wordt hij het beeld van de eeuwigheid – zelfs de dode wordt aangesproken als “nieuwe Osiris” – en geeft aan, hoe de mens met zijn tegenstellingen geconfronteerd wordt en dan, door de macht van de natuur, zonder overleg, een nieuwe eenheid bereikt, waardoor hij overwint en het antwoord vindt op de tegenstellingen, die tot dan toe zijn bestaan hebben geregeerd.

Het weten omtrent de toekomst, de magische bereikingen van de ingewijden en grote priesters van dit volk zijn alleen maar de uiterlijkheden, een soort trucjes. Degenen, die zich alleen hieraan wijden, staan tot de werkelijke ingewijden als de fakirs staan tegenover de ingewijde yogi. In de scholing van degenen, die naar inwijding streven, treft men elementen aan, die modern aandoen. Men leert bv. de neofiet, dat hij zichzelf “van gedachten en wensen ledig moet maken”. Letterlijk luidt een van de voorschriften: “Gij zult in eenzaamheid uzelf ledig maken van erkenning en gedachten, zo zult gij uw zintuigen doen verstommen en niets zal u, zo gij dit doet, verhuld worden van het hogere.” Dit is zelfs deel van de z.g. piramide inwijdingen – waarvan het mogelijke bestaan door de wetenschap waarschijnlijk wel vaak ontkend zal worden, maar die toch werkelijk bestaan hebben. Het denkbeeld zich van eigen bewustzijn ledig te maken, om zo het geheel van het leven te kunnen beleven en overzien, blijft zelfs tot rond 1200 v. Chr. de belangrijkste formulering van inwijding. Dan eerst formuleert men de geheimen van de natuur en de geheimen van de innerlijke mens nogmaals op een meer begrijpelijke wijze.  Als gevolg hiervan ontstaan regels, voorschriften en grondstellingen, die de aan Hermes toegeschreven leringen en inwijdingen doen ontstaan. Een invloed van buitenaf, waarschijnlijk van Kreta, is de aanleiding tot deze reformatie.

Vanaf dit ogenblik is er sprake van een hermetische wetenschap, die voor de leken gesloten blijft.  De mens kan slechts door een afsluiting van eigen wezen voor de waarden van de wereld deze leer begrijpen. Nog steeds geldt dus, dat men a.h.w. eerst door te sterven voor de wereld, die men tot dan toe kende, het grote geheim kan ervaren én begrijpen. De geheimen van de stellingen vormen in wezen de inhoud van het nu werkelijke eerste blad van het boek Toth – ook wel later de eerste gouden tafel van Hermes genoemd. Zij geven het geheim van de erkenning, die moet bestaan, wil men de macht van de schepping in zich ervaren. Het z.g. tweede blad – ook wel de tweede gouden tafel – geeft de regels, waardoor de mens kan weten, hoe hij de in hem gewekte macht binnen het kader van de schepping moet toepassen. Belangrijk is het feit, dat men hier stelt mens te kunnen zijn met de mensen en toch God en alle goddelijke macht in zich te kunnen erkennen en zelfs als macht te kunnen uiten. Daarbij gaat men uit van het denkbeeld dat je, om de krachten van de natuur te kunnen beheersen, je deze moet leiden en vormen volgens hun wezen.

Dit is in deze periode het grote geheim: er is een harmonie – die voor de Egyptenaar natuurlijk voortkomt uit zijn godsdienst en de daarin primaire verering van natuur en natuurkracht. Al ziet men zich niet meer redeloos en machteloos onderworpen aan de natuurkrachten, toch beseft men, dat men er in zekere mate harmonisch mee moet zijn en dus niet werkelijk deze krachten kan beheersen, wanneer men hen wil brengen tot reacties en acties, die tegen hun wezen ingaan.

Indien men een slang wil regeren, zo zegt men, kan dit alleen, wanneer men uitgaat van het gedrag en de prikkels, die voor de slang normaal zijn. Innerlijke eenheid met de slang is niet voldoende, men moet ook één zijn met de processen van het slangenbestaan. Zo men dit bereikt, zal de slang gehoorzamen. Ook voor planten stelt men soortgelijke regels; om planten waarlijk te beheersen, moet men doordringen in de “geest” van de plant en eigen kracht met de levenskracht van de plant mengen. Dan is men meester over de plant, daar men zonder de levensprocessen, die haar maken tot wat zij is, deze nu kan versterken of verzwakken, tot zij de wil van de beheerser vervult.

Een magiër in die dagen merkte op dat het dwaasheid is de rivier te bezweren; zij zal van zichzelf stijgen. Wel kun je het water zien als dalend uit de hemel – wat in feite juist is, daar de stijging van de Nijl in verband staat met regenval in de buurt van de Victoria Falls – en hierdoor het stijgen van de vloed tot stand brengen. Dit is kentekenend voor de verlichte magiërs van de latere periode: men tracht niet het gebeuren onmiddellijk tot stand te brengen, maar beïnvloedt “vanuit de hemel” de wet, die een gebeuren op aarde activeert. Wij kunnen daarom wel zeggen, dat Egypte, ofschoon de uiting van zijn geheimen steeds een magisch karakter draagt, toch beschikte over grote geestelijke wijsheid en juist door dit samenvallen van innerlijke wijsheid en het bewust gebruik van natuurlijke krachten om ongewone werkingen tot stand te brengen, ook over grote geestelijke en stoffelijke macht kon beschikken.

Naarmate boven en beneden rijk met elkander in strijd kwamen en versmolten werden zodat de krijgsheren gingen regeren boven de priesters, heeft Egypte een groot deel van zijn wijsheid verborgen en verloren: toch is die wijsheid naar alle naties van die tijd uitgedragen. Joden droegen veel van die wijsheid met zich, toen de eerste uittocht begon, Hethieten, Grieken, Romeinen, Oosterlingen leerden iets van de Egyptische wijsheden en wisten dezen aan te passen en om te zetten, zodat zij pasten binnen hun eigen denken. Wanneer de Griekse wijsgeer spreekt van “de daimon in mij” waarbij daimon als Lichtgeest of geest van Licht kan worden vertaald, zegt hij eigenlijk niets anders dan de Egyptenaar, die zegt: “de eenheid van de drie in mij is het Licht der Lichten.” Wij mogen dus wel zeggen, dat het geheim van Egypte de wisselwerking van vele invloeden en volkeren was, geformuleerd in een innerlijk besef en een magische praktijk. Helaas is de werkelijke wijsheid van Egypte later uiteengevallen.  De “magie” kwam in de verdrukking. Zo kwamen er beoefenaren van de mystieke kabbala, die niet meer begrepen dat je, om de waarde daarvan werkelijk te beleven, daarnaast de praktische kabbala moet beoefenen.

Zoals er in deze dagen wel alchemisten zijn, die niet begrijpen kunnen, dat naast de wetenschap van het mengen van geest en stof, sprake moet zijn zowel van de stoffelijke proefneming als de proef in eigen geest.  De modernere mens heeft geest en stof van elkander gescheiden en beroept zich toch nog op de geheimen van Egypte. Hij begrijpt niet, dat juist bij een doordringen in de mystieke geheimen de kentekenen van dit beleven zijn, een God kenbaar maken in je zelf, jezelf één maken met God en gelijktijdig, volgens de heersende wetten en normen, die God weergeven in eigen wereld. Als ik de wereld van heden met alle verdeeldheid en problemen bezie, rijst mij de vraag, hoe men zover van dit eens bereikte geestelijk resultaat kon afwijken. Synthese van alle waarden wordt, vooral praktisch, steeds minder aanvaard. Een ieder meent, dat zijn korreltje van de waarheid de gehele en enige waarheid is. Misschien is het juist door het uitdragen van de vele delen van geheimen naar alle windstreken, het vaak ondoelmatig en zonder begrip pogen, Egyptes geheimen met eigen geloof en filosofie geweest, die de mensen het moeilijk gemaakt hebben de eenvoudige waarheid te blijven zien.

Zeker is dat, bv. 500 v. Chr. een boeddha opstaat, die de oude wijsheid weer predikt en deze niet maakt tot een systeem om een evenwichtig bestaan en eeuwige rust te verwerven, maar haar wel degelijk ook als een systeem van leven en bereiken van macht verkondigt. Dit laatste vergeet men na korte tijd maar liever, evenals dit geschiedt bij de Perzen, waar een leer over het evenwicht tussen goed en kwaad – de eeuwige strijd – eveneens vele oude Egyptische stellingen bevat, en de gelovigen de praktische wetten en mogelijkheden eveneens maar liever snel vergeten. Toch zien wij, dat de wijzen van eens hun opvolgers hebben. Wanneer wij bv. de werken van Paracelsus bestuderen, treffen wij daarin een magische interpretatie aan, waarin innerlijke en uiterlijke waarden als geheel worden beschouwd, omdat het innerlijk erkende een macht vormt, waardoor men de verschijnselen van het leven kan regelen volgens de daarin reeds bestaande wetmatigheden.

Uit de verwarringen van symboliek en bijgeloof, die Egypte heeft voortgebracht rijst de oude mystieke waarheid tot in deze dagen onverwoestbaar en blijvend op: een erfdeel, dat de mensheid langs vele wegen schijnbaar steeds weer gegeven wordt, een erfdeel, dat in alle tijden de mensen ook weer zullen kunnen gebruiken. Soms heet het magie – maar is meer dan dit – soms ook godsdienst – maar houdt meer in dan slechts een God dienen en erkennen – soms heet het esoterie, filosofie. Ongeacht de naam, die men geeft aan de uiting zal de wereld echter altijd weer de mogelijkheid bezitten de oude geheimen ook persoonlijk te kennen en te leven. Indien u hierover vragen wilt stellen, kunt u dit nu doen.

*Wat deed men met die magneetsteen? Moeten wij ons voorstellen, dat dit in verband stond met gedachtekracht?

De magneetsteen maakte deel uit van mengsels, waardoor men voor korte tijd de energie van mensen en de kracht, die zij konden uitoefenen, aanmerkelijk kon vergroten. Gedachtekracht werd echter mede gebruikt. Voor dit laatste maakte men gebruik van zeer grove lensvormige spiegels en bollen van een bijna ondoorzichtig kristal, die naar men aannam, de concentratie en daarmede de kracht aanmerkelijk konden verhogen. De actieve kracht, die de krachtsinspanning mogelijk maakte en zelfs verschijnselen van levitatie tot stand kon brengen, waarbij zeer zware blokken steen tot zelfs 4 à 5 m. hoog werden opgelicht, was volgens mij echter wel de gedachtekracht van de magiër. Het hefverschijnsel, dat ik hier aanstipte, was m.i. een astrale werking, die grote overeenkomst vertoont in werking en oorzaak met poltergeistverschijnselen en de verschijnselen bij bepaalde seances, die hier bewust werd gebruikt.

* Is ook de werking van de magische cirkels uit gedachtekracht of iets dergelijks te verklaren?

Het trekken van een magische cirkel – door rondgang en meestal het aanbrengen van vloek of weerplaatjes van klei – betekende in de eerste plaats een uiterlijk vastleggen van het begrensde terrein, zodat het ook innerlijk erkend kon worden. In de zegels of plaatjes, werd meestal een toestand, die op astraal of zelfs hoger gebied voor een of meer van de magiërs of ingewijden bestond, in tekens gefixeerd. Men stelde, dat het teken of de voorstelling gelijk zou zijn aan het origineel, zolang men dit besefte – aannam -. Zolang er dus in een dergelijk klooster iemand was, die de oorspronkelijke kracht kende en daarop vertrouwde, waren de plaatjes a.h.w. de magiër of ingewijde zelf en straalden zij de kracht uit, die deze bezat.

Er is volgens mij als gevolg hiervan sprake van een door de gemeenschap – misschien door de meesten daarvan wel onbewust – in stand gehouden beïnvloeding van de psyche van anderen, waardoor zij wel met de ogen het klooster zagen, maar zich niet wilden realiseren dat het er was. Ook voor dieren was volgens mij geen sprake van een werkelijke grens – enkele dieren doorbraken immers de gestelde grens wel eens, maar voelden bij deze grens aan, dat het elders net iets interessanter, warmer, aangenamer was, waardoor zij in een andere richting verder gingen. Volgens mij was hier dus in wezen sprake van een geestelijke werking, waarbij alles berust op het vermogen innerlijke waarden en uiterlijke waarden zozeer als eenheid te beseffen en te gebruiken, dat geest de stof en stof de geest wederkerig activeert.

 * Zoals u weet, heeft men de laatste jaren met hypnose proeven voor narcose gedaan en schijnbaar goede resultaten behaald. Waarom heeft de medische stand deze proeven dan weer afgewezen?  

Dit is begrijpelijk. In de moderne wereld zijn er maar betrekkelijk weinig mensen, die de kunst van hypnose werkelijk in alle aspecten beheersen. Voor een narcose langs deze weg heeft men echter wel een zeer kundig en ervaren hypnotiseur nodig. Daarnaast zou deze behoorlijke medische kennis moeten bezitten. Het is zeer moeilijk zo iemand te vinden. Vandaar dat het gemakkelijker is, chemische narcose te gebruiken.

Er is nog een andere factor hierbij: wanneer blijkt, dat hypnose bij operaties van allerhande aard veel voordelen biedt boven de normaal gangbare narcose, zullen steeds meer mensen daarom gaan vragen. Maar op dit terrein is de medische wetenschap nog niet zover, dat zij precies kan zeggen, waaraan zij met hypnose nu eigenlijk toe is. Zij zal daarom in vele gevallen een dergelijke procedure niet verantwoord achten vanuit een wetenschappelijk standpunt en beschikt nog niet over de kennis en middelen, om tot hypnotiseur gevormde narcotiseurs op te leiden. Men is te veel afhankelijk op dit terrein, van wat in de eerste plaats natuurlijke of spontane gaven zijn. Het is begrijpelijk dat zij dit af blijft wijzen of aan een eventuele toepassing geen publiciteit wenst te geven.

Hypnose heeft echter grote voordelen, al zal men die in de moderne tijd nog niet geheel gebruikt hebben: men kan met een hypnotisch bevel zover gaan, dat een soort vernieuwing, bijna een afgrendeling van arteriën mogelijk is, waardoor de vaak hinderlijke en soms gevaarlijke bloedingen bij operaties beperkt kunnen worden, terwijl ook de hartfunctie voor een deel via hypnotisch bevel gereguleerd kan worden. De voordelen zijn duidelijk. Men kan zelfs de impulsactie van bepaalde organen, als bv. een long, langs deze weg tijdelijk verzwakken of zelfs stil leggen. Dit vergt grote anatomische kennis en beheersing. Zover mij bekend, is men in het Westen nog niet zover, dat men zelfs maar weet, hoe men een bevel ter beheersing van een lichaamsfunctie op de juiste wijze en snel over moet brengen. Wanneer het echter alleen om het wekken van ongevoeligheid gaat, heeft hypnose wel enkele voordelen boven de normale narcose door het uitblijven van nawerkingen enz., maar daar blijft het bij. Leert men echter de hypnose juist gebruiken, dan kan men onder deze invloed ook operaties volbrengen, die nu alleen middels een z.g. schokbevriezing of onderkoeling van het lichaam mogelijk zijn en zal men, met minder grote instrumentaria en minder specialisten meer kunnen doen.

Vergeet bij dit alles niet, dat de huidige medische wetenschap in de eerste plaats een materiële wetenschap is, die zelfs nu slechts aarzelend de psychotherapie aan haar behandelwijze voor stoffelijke kwalen hier en daar heeft toegevoegd. Eerst wanneer men beseft, dat psychische beïnvloeding en medicatie samen dienen te gaan, zal men in deze richting vooruitgang boeken. Dan zal de psychologie en ook de parapsychologie van een omschrijven van de werkingen en toestanden in de mens over moeten gaan tot een beïnvloeden en beheersen van de innerlijke werkingen en beelden, zo de krachten van het ik inschakelende op een voor snelle therapeutische werking noodzakelijke wijze. In de gegeven standpunten der medici ging ik uit van het gemiddelde standpunt aan de universiteiten, waar geneeskunde wordt gedoceerd. Ten laatste wil ik opmerken, dat, zo kapitaalswaarden evenveel interesse hadden voor de geneeskunde als voor reclame, men op dit terrein waarschijnlijk reeds veel verder zou zijn.

HET BEGRIP WAARHEID

Ik zou gaarne de ons resterende tijd willen gebruiken voor een korte beschouwing over het begrip waarheid.

Al datgene, wat een mens ziet als waarheid, is slechts een reeks van relatieve waarden. Een absolute waarheid kan slechts erkend worden, wanneer alle bij de waarheid betrokken waarden eveneens geheel erkend kunnen worden. Dientengevolge is geen enkele waarheid, die men op deze wereld meent te kennen – of zij nu ervaren is, geopenbaard of op andere wijze beseft wordt – werkelijkheid.

Wie in zijn wezen, streven en leven, de waarheid zoekt, heeft daarom de keuze uit te gaan van zijn persoonlijke waarheid, dan wel uit te gaan van het standpunt, dat waarheid geen omschrijfbaar of vastlegbaar begrip is.

Zolang het slechts gaat om eigen leven en beleven, kan met de persoonlijke waarheid ruimschoots worden volstaan; ook wanneer men een bepaald streven begint, zal men van deze persoonlijke waarheid uit kunnen gaan, omdat hierdoor immers de inzet van de gehele persoonlijkheid voor het gekozen doel mogelijk wordt. Zodra wij echter pogen het hogere te erkennen, mogen wij geen enkele, zelfs de meest waarschijnlijke, constellatie van feiten als onomstotelijk waar aanvaarden.

De tocht van de mens naar de werkelijkheid wordt niet bepaald door mijlpalen, die waarheid heten. De mijlpalen op het pad der bewustwording zijn eerder de punten, die de definitieve erkenning van onjuistheden en onwaarheden inhouden.

Elke benadering van het eeuwige is voor ons gebaseerd op een elimineren van alles, wat niet waar is. Nimmer is de benadering uitsluitend te baseren op het erkennen van het ware, daar dan de waan van eigen ik een overheersende rol zal blijven spelen ondanks alle erkenning.

Het gehele bewustwordingsproces bestaat grotendeels uit een vereenvoudigen van eigen erkenningen. Men begint immers steeds weer met grote reeksen van stellingen en opvattingen, die elk voor zich waarschijnlijk of schijnbaar bewijsbaar zijn onder bepaalde omstandigheden, maar niet onder alle condities hanteerbaar blijken.

Gaat men dit eenmaal beseffen, dan zal men alle stellingen en z.g. feiten als zelfstandige waarden terzijde kunnen stellen en zien als verschijnselen van een grotere waarheid, zonder hen dus nog te beschouwen als alomvattend of karakterbepalend onder alle omstandigheden.

Op deze wijze leert men al, wat tot de werelden van interpretatie en schijn behoort, terzijde te stellen en zal men alles, wat voor het Ik blijvend waar of feitelijk is, in het Ik of in de gekende wereld, op de juiste wijze leren gebruiken als punt van uitgang bij elke poging, om een beter inzicht in hogere waarden of een alomvattende waarheid te verkrijgen.

Hiermede hebben wij dus het belangrijke punt van de esoterische bewustwording, maar ook voor menselijke bereiking, gesteld: erken, wat niet waar is, neem wat niet waar is en laat het in verdere acties en werken buiten beschouwing. Besef dat de onwaarheid van feiten en stellingen evenals de schijnbare waarheid daarvan een relatieve is, zodat een hernieuwd optreden van een verschijnsel onder nieuwe condities, een hernieuwd toetsen daarvan vergt.

De vereenvoudiging ligt hier niet in het feit, dat wij op de duur steeds minder mogelijkheden believen te onderzoeken, maar vooral in het feit, dat wij voor onszelf steeds minder feiten en waarden als onomstotelijk vaststaand, zullen aanvaarden, zo minder geremd wordend bij onderzoek en ontdekking.

De eeuwigheid te zien als een voortdurende relativiteit is alleen mogelijk, wanneer wij uitgaan van een wezen, dat bij voortduring te klein is, om het geheel der feiten van die eeuwigheid te overzien. Dit is voor de meesten van ons voorlopig een feit.

Wij moeten in de plaats ons oordeel – een oordeel dat geïmpliceerd wordt, wanneer wij stellen, dat iets waar is – plaats doen maken voor erkenningen, die niet alleen op redelijke gronden gebaseerd zijn, maar eigen innerlijke erkenningen en ervaringen weergeven, zelfs indien deze niet redelijk verklaarbaar of aanvaardbaar schijnen te zijn.

Het eigen Ik is voortdurend verbonden met eeuwige krachten. Het kan niet los gedacht worden van het totaal van de schepping en van alle – al dan niet ook werkelijk bestaande – waarden, die het Ik daarin voor zich projecteert. Het Ik is een voortdurend deel van het geheel en kan van dit geheel niet gescheiden bestaan. Dan zal het Ik in de erkenning dat het deel is van dit geheel, de waarden van dit geheel in zichzelf leren beseffen.

Toch is er meer nodig dan slechts dit. Het beseffen van een waarheid is een ogenblikkelijk gebeuren, dat zichzelf teniet pleegt te doen op het ogenblik van ontstaan. Het is een lichtflits als een bliksem, die slechts de weergave is van een energie, die zich reeds ontladen heeft en zeer snel verbleekt.

Zo gezien moeten wij voor onszelf, dat, wat in ons opkomt, als een feitelijk deel van het bestaan beschouwen en tot uitdrukking brengen. Wij moeten het herleiden tot een voor ons hanteerbare en nog aanvaardbare waarde. Dit kan alleen door deze waarde niet te zien in verhouding tot andere waarden van onze wereld, maar haar voortdurend uit te drukken in relatie tot het Ik alleen.

Het niet logisch en verstandelijk omschrijfbare deel van het leven wordt daardoor zo sterk met het Ik verweven, dat de wetmatigheden van het Ik kunnen worden afgeleid uit de ervaring van het verstandelijk onbekende. Hier blijkt dan, dat het onbekende kenbaar wordt en de waarheid van het Ik kenbaar wordt, omdat de wetten die uit het ongekende voortvloeien, in hun werkingen en gevolgen beleefd kunnen worden.

Misschien kan ik een vergelijking maken.

Stel dat God bestaat. Dit is niet noodzakelijk waar. Indien ik mij op God beroep en mij blijkt, dat onder bepaalde voorwaarden, dit beroep gevolgen heeft, dan kan ik stellen, dat mijn beroep doen  onder bepaalde condities werkt als een regel, die berekenbare gevolgen schept. De oorzaak daarvan blijft nog onbekend, maar ik weet in ieder geval, dat een aantal benaderingen voor mij niet van kracht zijn en er dan dus geen harmonie met de al dan niet denkbeeldige Godheid mogelijk is. De omstandigheden, die wél harmonie en gevolgen mogelijk maken, bewijzen het bestaan van een God zoals ik mij die denk wel niet, maar geven toch een waar – voor mij waar – beeld van de onbekende kracht, waarmede ik zo contact heb.

Juist voor ons, die een geestelijk bewust leven nastreven, is het belangrijk, dat oorzaak en gevolg ook erkend worden, wanneer zij in verband staan met geestelijke krachten of niet redelijk kenbare waarden. Dit is geen redelijke, maar eerder een intuïtieve of gevoelskwestie, die ons helpt ons eigen Ik beter te kennen. Het is hierdoor mogelijk ook te erkennen, wat de ware betekenis van dit ik kan zijn.

Alle vooropgesteld oordeel is een onwaarheid, die een hinderpaal vormt op de weg naar waarheid. Alle kennis, die a priori wordt gesteld en niet persoonlijk wordt beleefd, vormt in het bestaan een onzeker element, dat, zo wij het als zeker aannemen, ons zal beletten een meer feitelijke waarheid te erkennen.

Daarom dienen wij voorzichtig te zijn t.a.v. wat wij waar en onwaar noemen. Eens mens die van bepaalde dingen uitgaat als vaststaand zonder ze zelf te kennen of te zien en zonder te beseffen, dat de “waarheden” mogelijk slechts gevolgen zijn en geen oorzaken, zal in zijn leven steeds weer met de wereld in botsing komen, strijd en ellende daarin veroorzaken, maar ook in strijd geraken met de geestelijke werkelijkheden van zijn wezen en zo losraken van de banden met het leven, waarin hij behoort te bestaan. Eenzaamheid is voor velen de illusie, die aan de erkenning van een waarheid vooraf gaat. In dit geval is zij echter het isolement, dat voortkomt uit het als waarheid stellen van onbewezen of slechts eenzijdig geldende feiten en stellingen.

Eenzaamheid ontstaat het meest door een ontkennen van de waarden, die eigen wezen heeft in relatie tot anderen. De mens isoleert zich zo van de verschijnselen in het leven, die voor hem daaraan eerst werkelijk zin geven.

Ik hoop dan ook, dat u deze beschouwing een nadere overweging waardig zult achten, daar dit van grote invloed kan zijn op uw eigen bereikingen.