Gelijkenissen

image_pdf

28 mei 1965

Bij het begin van deze bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, zodat het wel wenselijk is, dat u zelf nadenkt over alles, wat naar voren wordt gebracht. Als onderwerp zou ik willen spreken over: Gelijkenissen.

In elke lering komen wij namelijk gelijkenissen tegen. Elk grootmeester spreekt in gelijkenissen. Dit is wel duidelijk, maar de grote vraag voor mij hierbij is in de eerste plaats wel: Waarom spreekt men in gelijkenissen, en ten tweede vraag ik mij af, wat een gelijkenis wel betekenen kan. Het is betrekkelijk eenvoudig een gelijkenis te “vertalen”. Dit neemt echter niet weg, dat degene, die de gelijkenis hoort, zelf een conclusie moet trekken. Deze conclusie is niet noodzakelijk gelijk aan de waarheid, die de meester zijn leerlingen wil voorhouden. Het is alleen de reactie van een mens op een stelling, die de meester via de gelijkenis tracht kenbaar en duidelijk te maken.

De eerste vraag, die van het “waarom” kan eenvoudig worden afgedaan. Er zijn vele waarheden en wijsheden in het Al, waarvoor geen mensenwoorden te vinden zijn! Wanneer men bv. het begrip ‘eeuwig’ wil gebruiken, is dit een abstractie, waaronder eenieder zich iets voor kan stellen, maar dat voor de meeste mensen – ondanks een veelvuldig gebruik – een zinledig woord blijft. Men tracht nu aan dit begrip inhoud te verschaffen door de bekende gelijkenis van een aarde, geheel van ijzer, waarop eens in de honderd jaar een vogeltje even gaat zitten.

Wanneer, zo volgt men het beeld met woorden, de aarde geheel versleten is, is er een seconde van de eeuwigheid voorbij. Dit klinkt wel erg aannemelijk en wijsgerig, maar met deze poging om het onzegbare te zeggen heeft men, zo wij de woorden volgen, aangenomen dat eeuwigheid een vorm van tijd is. En volgens mij is de eeuwigheid juist tijdloos. Met alle moeite heeft men dus toch nog een verkeerd resultaat behaald. Dit komt, omdat men let op de woorden. Men zou volgens mij bij het verklaren van een gelijkenis eerder uit moeten gaan van de sfeer, die zij weergeeft. In dat geval geeft het door mij gegeven beeld een indruk van tijd, tijd…, tijd…, zoveel, dat de tijd haar belang en meetbaarheid verliest. Daarmede is men, ook al zal er nog een verschil bestaan tussen de werkelijke tijdloosheid en de voorstelling, het gevoel, in aanvoelen dicht gekomen bij een werkelijke oneindigheid.

Men kan op dezelfde manier ook de gelijkenissen van bijvoorbeeld Jezus vertalen in iets geheel anders, dan de gebruikelijke uitleg. Daar is bv. het verhaal van de zaaier, die uitgaat om te zaaien. Een deel van het zaadgoed wordt opgepikt door de vogels, een ander deel valt op stenige bodem en komt niet op, een deel echter valt in goede grond en geeft rijpe oogst.

Wanneer men dit wil uitleggen, zegt men al snel: “God geeft als de zaaier overal in het leven zijn genade. Zij die zijn als wij zijn de vruchtbare boden en dragen vrucht. Anderen echter willen niet geloven. Zij zijn de stenige bodem. Nog anderen willen de genade alleen voor zich gebruiken. Zij zijn het zaad, dat de vogels verslinden, want voor hen wordt alle genade en leven verteerd door de zelfzucht. Maar wij, de goede christenen, zijn het zaad, dat opkomt.”

Een aardige, maar wat eenzijdige verklaring. Volgens mij ligt de zaak nog anders. Een zaaier gaat uit om te zaaien. Dat is niet alleen maar een beeld van een mens, die een bepaalde handeling verricht, het is het bestaande omzetten in nieuwe leven. Volgens mij gaat dit eerste beeld uit de gelijkenis alleen hierom. Wanneer men dit doet, zal niet alles volledig tot wasdom komen. Er zullen dingen teloor gaan, bepaalde dingen blijken onvruchtbaar te zijn.

Proef de sfeer van het beeld: Dit is heel anders dan de zelfvoldaanheid, die de eerste uitleg bevat. Het gaat hier niet om het verschil tussen niet gelovigen en vromen, deugdzame en mensen zonder deugden. De sfeer van de gelijkenis doet mij denken aan denkbeelden: Je denkt, je hebt misschien wel honderd verschillende denkbeelden. Hoeveel van dezen dragen echter enige vrucht? Weinige. Daarom kan men met evenveel redenen zeggen, dat de gelijkenis niet bedoeld is om aan te tonen, hoe een deel van Gods genade teloor gaat, maar dat de Meester bedoelde hier de mensen aan te tonen, dat zelfs God, de Zaaier van alle leven, het schijnbaar nutteloze werk niet schroomt, zodat ook wij niet bang moeten zijn, eens iets tevergeefs te doen.

Het kleine deel van onze impulsen, gedachten en daden, dat waarlijk vrucht draagt, zal een rijkelijk loon inhouden voor alle arbeid.

Zonder mij aan te matigen, dat mijn interpretaties de juiste zijn, geef ik u deze voorbeelden om het geheel van de gelijkenissen voor u in een wat ander licht te plaatsen. Het licht van een aansporing tot zelfstandig denken, een aansporing tot het trekken van conclusies, het verwerven van een levensbeeld.

Misschien meent u, dat ik hier in het bijzonder op het christendom doel. Niets is minder waar. In het boeddhisme vinden wij bv. de gelijkenis van de vijf blinden, die een olifant ontmoeten en willen tasten, hoe het dier er eigenlijk uitziet. Elk van hen heeft een ander beeld, ontleend aan de delen, die hij heeft beroerd. Uitleg: “Ieder, die een deel van de waarheid beroert, denkt dat dit het geheel daarvan is. De blinden zien niet, maar ervaren een deel. De uitlegger gaat dan meestal voort: Zo is het met de godsdiensten en geloven van deze wereld, zij hebben een klein deel van de waarheid beroerd en bestrijden nu elkander, omdat zij menen, dat hun waarheid de enige en alomvattende is.” Maar is dit de enige mogelijkheid dit beeld uit te leggen? Je zou ook kunnen zeggen: Alles, wat wij beleven, neemt voor ons een vorm aan, die niet het geheel betekent, maar onze persoonlijke omschrijving en waardering betekent van het leven en van God. Waarmede het antwoord voor mij interessanter wordt, daar het nu niet alleen de meningsverschillen in de geloofswereld weergeeft, of ons zegt, dat wij allen uiteindelijk maar een klein deel van de uiteindelijke wijsheid bezitten, maar ons vooral duidelijk maakt, hoe onvolledig wij zelf zijn. Men legt nu de nadruk op het persoonlijke van alle ervaring, de zuiver persoonlijke waarde van alle erkenningen. Want al worden de blinden het uiteindelijk nog eens over een beeld, dat olifant betekent, toch zal elk van hen in zich, het zelf ervaren deel als het enig ware gevoelen. Voor de man, die de staart voelde, blijft de olifant een soort superplumeau met iets er aan; voor degene, die de poot voelde een zuil, waarop nog iets rust enz.

Wanneer wij dus eens wat verder ingaan op de waarde van de gelijkenissen en vraag twee willen beantwoorden, namelijk de betekenis, blijkt al snel, dat wij er beter aan doen, deze beelden niet te beschouwen als een verklaring van een feit, maar er beter aan doen, ze te zien als een raadsel, dat wij persoonlijk op moeten lossen. Een raadsel, dat nimmer verklaard kan worden op een wijze, die voor de gehele wereld als enig juiste interpretatie zal gelden. De oplossing heeft steeds een zuiver persoonlijke betekenis en zal juist hierdoor elke mens, die het raadsel tracht op te lossen, in staat stellen zichzelf wat juister te definiëren, zichzelf beter te kennen en misschien ook eigen betekenis volgens eigen inzicht binnen de wereld wat beter te stellen.

De verhalende gelijkenissen zijn echter niet de enige soort: een geheel ander type van gelijkenis treffen wij aan bij het gebruik van symboolbeelden als bv. in de Openbaring van Johannes. Daar krijgen wij beschrijvingen van de doodzonden, die voorbij trekken, van bepaalde ruiters, de troon Gods, de dieren, die daaromheen zitten en nog veel meer. Ieder van ons heeft daarvoor zo zijn eigen wijze van verklaren. Wil men erg wetenschappelijk doen, dan gaat men terug naar de oerbetekenis van de gebruikte symbolen binnen de verschillende culturen, waaruit zij stammen. Op deze wijze zal men inderdaad een soort verhaal krijgen. Ontleed wordt de betekenis van de beelden al heel wat duidelijker dan in het visioen zelf. Daarbij blijft echter de vraag onbeantwoord, waarom het visioen juist in deze vorm wordt ontvangen of weergegeven. Naar ik meen, is reeds bewezen, dat als zuivere voorspelling deze openbaring geen waarde heeft, omdat zij op te vele wijzen geduid kan worden. De enige waarde voor ons is dan m.i. ook gelegen in het feit, dat zij voor ons een persoonlijke les en conclusie kan bevatten.

Dan kan men onder meer aanvoelen, dat de “hoofdzonden” of “doodzonden” niet alleen maar een weergave zijn van bepaalde menselijke fouten, maar dat zij als beeld vooral een bepaalde levensbenadering uitdrukken.

De luiheid bv., gezeten op een varken, zal alleen een beeld van verwerpelijkheid uitdrukken voor iemand, die een varken als een onrein dier beschouwt. Iemand echter, die van deze diersoort houdt, kan het beeld en alles, wat het uitdrukt, als aangenaam en aanvaardbaar zien.

De vraag is nu maar of het, geïnterpreteerd volgens de maatstaven van deze tweede mens, nu nog een beeld van een zonde kan zijn. Volgens de westelijke theoloog en moralist blijft de zonde altijd een zonde. Maar is dit wel waarlijk zo? Zal de zondigheid niet in de eerste plaats bepaald worden door de maatschappelijke verhoudingen en culturele achtergronden, van waaruit men het beeld en alles wat het impliceert, beziet?

Een groot deel van de belangrijke gelijkenissen zijn voor de mens van heden teloor gegaan. Hij kent ze nog als volksverhalen en sprookjes. Om een voorbeeld te noemen: Waarom, staat het hutje van de in Rusland populaire heks Baba Yaga op kippenpoten? Zeg nu niet, dat dit nu eenmaal een sprookje is, maar overdenk even de zaak. Er is eerder sprake van een lichamelijk en een geestelijk principe: Het hutje draait met de zon mee, het reageert op bevelen. Het lijkt mij een aanvaardbaar beeld van het stoffelijke levensprincipe. De heks echter wordt hoofdzakelijk bewogen door haar eigen denkbeelden van goed en kwaad. Zij kent beide waarden, treedt soms op als weldoenster, soms als wrekende gerechtigheid en soms ook als een kwaadaardig oud wijf met kannibalistische neigingen. In de verhalen wordt Baba Yaga door niemand werkelijk beheerst. Het hutje bepaalt echter niets en is steeds gehoorzaam. De uitingen, bewegingen ervan worden kennelijk door de bewoonster bepaald.

In meerdere verhalen blijkt de heks haar hutje nog wat netjes gemaakt te hebben: Zij zet er een staketsel omheen. Ook hier is een belangrijke symboliek te vinden, als je de sfeer ten minste aanvoelen kunt: Op de palen van het staketsel staan doodshoofden, waarin ’s nachts een blauwgroen vuur brandt. Je kunt daarvan vele dingen maken, maar wanneer deze verhalen, op grond van hun sfeer, te beschouwen vallen als omschrijving van aspecten van het menselijke leven, kun je hier lezen: om zijn stoffelijke waarden te kunnen begrenzen, stelt de mens als grens aan zijn denken en reden voor zijn afzondering: De dood. Voor de mens is de dood niet in de eerste plaats het afscheid van het leven, maar de mogelijkheid zich beperkingen op te leggen; de reden, ook van de vele beperkingen, die hij voor zich steeds weer aanvaardt. Zo gelezen wordt het sprookje tot een diepzinnige beschouwing, die in aangename vorm vele denkbeelden omtrent mens, tijd en eeuwigheid, omtrent wetten van de natuur en machten uit de geest omvat.

Misschien meent u, dat sprookjes en gelijkenissen in deze dagen niet meer voorkomen. Volgens mij, is het echter een sprookje, wanneer een minister-president een regeringsprogramma opsomt, dat in Nederland rond 170 jaren vergt om het geheel te kunnen verwezenlijken en dan zegt, dat hij in zijn tweejarige ambtstermijn alles zal doen, om dit alles tot stand te brengen of t.m. te bevorderen. Proef de sfeer en niet alleen de woorden; er blijkt in wezen gezegd te worden: “Wat ik ga doen, weet ik nog niet. Wij voelen ons onzeker en machteloos. Daarom spiegelen wij u zovele dromen voor, dat wij altijd wel iets kunnen doen, dat strookt met onze verklaring.” Dit is natuurlijk een interpretatie. U kunt natuurlijk de zaak ook anders lezen en bv. zeggen: Deze mannen zijn een beeld van Nederland; vol van mooie idealen en fraaie compromissen; maar als het er op aan komt, zal van al deze fraaie en perfectionistische gedachten niets terecht komen. Men zou zelfs kunnen zeggen, dit is een zeer politiek en staatkundig verantwoord uitdrukken van de oude wijsheid , dat het toch altijd anders komt. Zo kan eenieder daarin ook iets lezen, dat niet gezegd wordt en toch duidelijk spreekt, wanneer men de sfeer proeft. Ik meen, dat het gehele leven is opgebouwd uit dergelijke gelijkenissen, zodat het voor de mens noodzakelijk wordt, achter de schijn van de uiterlijke betekenissen heen te zien. Ik wil daarmede niet stellen dat een ieder nu ook moet leren, om dergelijke gelijkenissen ook op de zelfde wijze aan te voelen en te vertalen. Volgens mij zou dit zelfs onmogelijk zijn.

Wanneer een interpretatie te rechtlijnig wordt, wordt zij tot een opdracht op kennisgeving, maar dit blijkt voor de mensen niet zo eenvoudig te verwerken. Wanneer in de leer van de Grote Meesters een directe opdracht of waarheid tot uiting komt, die voor geen verdere interpretatie en misvorming bruikbaar blijkt, zeggen de mensen al snel, dat dit voor hen niet bedoeld is, dat zij daarmede niets kunnen doen. Als Jezus zegt: “Zalig zijn de armen van geest”, roept eenieder uit: Natuurlijk. Maar laat daarop volgen: “Ik ben toch maar blij, dat ik een redelijk en logisch verstand heb”. Wanneer Jezus zegt, dat men alle rijkdom en menselijke verplichtingen moet achterlaten, is de reactie: “Moeilijk, maar mooi, dat moesten vele mensen maar eens doen.

Hoeveel rente geeft de bank eigenlijk vandaag voor mijn bezit?”

Met eenvoudige, rechtlijnige verklaringen en opdrachten weten de mensen niet werkelijk raad.

Het schijnt mij, dat daarom de grote Meesters zowel als de grootste krachten van de natuur en het Al steeds weer grijpen naar een gelijkenis, naar een raadsel. Zij brengen de mens ertoe zelf de raadselen na te gaan en op te lossen, omdat alleen wanneer de mens alzo zelf een overtuiging heeft gewonnen, hij bereid zal zijn ook in overeenstemming daarmede te handelen.

Nu is de tijd van nu vol van aardige raadsels. Om u één gelijkenis te geven: Er is een president, die omentwille van de democratie, het recht tot vrije zelfbestemming van de mens, in andere landen probeert de mensen te beletten hun eigen maatschappelijke en politieke inzichten te volgen. U kunt dit zien als een feit, als iets wat op de wereld bestaat. U kunt het echter ook zien als een uitdrukking voor een meer algemene waarheid, een gelijkenis. Dan kunnen wij lezen, dat wij altijd voor het goede en de vrijheid zijn, mits het slechts datgene is, wat wíj goed noemen, dat wat goed is voor ons, mits het maar onze vorm van vrijheid is. Wij willen eenieder zijn vrijheid gaarne gunnen, wanneer zij maar niet ingaat tegen de vrijheid, die wij voor onszelf eisen en juist heten; zodra het beeld van juistheid, vrijheid, van het goede, ook maar even afwijkt van onze eigen voorstelling daarvan, bestrijden wij het, aanvaarden het niet. Wij beroepen onszelf dan rustig op onze vrijheidsliefde en maken anderen tot slaven.

Dit blijkt evengoed het geval te zijn in bv. een huishouden als binnen een kerk of een staat. Door zo te reageren op het beeld, leren wij iets omtrent onszelf én eigen gedrag, in plaats van een veroordeling van anderen als enig resultaat van onze moeite over te houden. Het gehele leven is vol van dergelijke eigenaardigheden, waaruit men kan leren, door de sfeer daarvan aan te voelen en niet alleen af te gaan op de uiterlijkheden ervan. Elke gelijkenis brengt ons een tegenstelling als kern van het beeld. De door mij genoemde gelijkenis uit het boeddhisme b.v. brengt ons de werkelijkheid van de olifant – een geëerd wezen – in tegenstelling tot de blindheid, de niet erkende waarheid, welke tot de vreemdste conclusies kan voeren.

Jezus brengt ons bv. de tegenstelling van geloof en mosterdzaad dat uitgroeit tot een boom.

Oppervlakkig bezien lijkt het, dat Jezus hier zegt: wanneer je maar een klein beetje geloof hebt, zal het vanzelf groter worden. Maar je kunt ook anders redeneren en zeggen: Jezus gebruikt hier een beeld uit de oude joodse wijsheid. Met de boom is een levensboom bedoeld. De sfeer van de gelijkenis, die sterk doet denken aan de beelden van de wijze rabbi’s voor Hem, brengt mij tot de interpretatie: Het begin van alle groei in het leven is een klein beetje vertrouwen, een beetje geloof. Zonder dit bereik je niets. Deze verklaring voldoet mij persoonlijk beter. Ik heb nog nooit meegemaakt, dat iemand, die maar een beetje geloof bezat en daarmede de komedie van een toch al gelovig zijn speelde, opeens werkelijk gelovig werd in korte tijd. Integendeel, ondanks alle hoop op genade en alle dreigingen met de hel, zie ik steeds weer, dat mensen die iets maar een klein beetje geloven, zelf moeizaam moeten zoeken naar een vollediger geloof en, zo zij dit niet doen, eindigen met een verwerpen van alles, wat zij wilden geloven of het, even voorlopig, aanvaarden van een geheel ander geloof.

Laat ons eens zoeken naar mogelijke beelden en gelijkenissen in deze tijd. Daar zijn bv. de mensen, die voor vrede op aarde en tegen alle geweld zijn, maar zitten te genieten, wanneer hun clublid iemand van de tegenpartij op het voetbalveld lens schopt – dat heet geloof ik natrappen.

Wij kunnen daaruit de lering trekken, dat de mens van vandaag een zekere voorliefde heeft voor geweld, zolang hij daarvan zelf maar geen deel uitmaakt en daarvan zelve geen last of lijden hoeft te vrezen. Of, anders gezegd, de mens van heden zoekt maar al te vaak primitieve en gewelddadige genoegens, mits hij deze maar van alle voor hem persoonlijk onaangename aspecten kan ontdoen. Indien u wilt, kunt u daaruit nog meer conclusies trekken. Bijvoorbeeld, de wereld van heden is schizofreen; zij denkt dat zij in staat is haar verlangens heel te scheiden van de feiten. Dit echter is onmogelijk. Je kunt daarnaast hieruit leren, dat de meeste mensen van menig zijn, dat een ander zeer veel kan, en moet kunnen uithouden, maar gelijktijdig daarop de verklaring voor eigen zwakte baseren. En zo voorts.

Neem bv. het Wessacfeest. Dit is al zeer oud en is in wezen het feest van de geboorte van het Licht op aarde, zoiets dus als het christelijke kerstfeest. Dit feest speelde zich steeds af in India en rond de oude nederzettingen van de Witte Broederschap. Juist op deze feesten werden steeds Meesters en Boeddha’s in de stof geboren. Niet één enkele dus, maar velen. Het feest is dus veel ouder dan men zou denken, wanneer men het beschouwt als een viering van de geboortedag van de laatste Gautama Boeddha. In het Westen is het beeld van de Wessac langzaamaan weer ontdaan van een groot deel van zijn werkelijke betekenis: Men ziet het niet meer als een Licht, dat in zijn uitstorting allereerst materieel op aarde werkzaam is, maar maakte het tot een soort geestelijk of hemels gebeuren, waarbij verder niets meer te pas komt.

De mens heeft het ook hier weer klaargespeeld een scheiding te maken tussen zijn wereld en het andere. In wezen is deze scheiding er natuurlijk niet. Indien wij een ogenblik het Wessacfeest als een soort gelijkenis beschouwen, kunnen wij aan de hand daarvan zeggen: Het Hoogste Licht vanuit de sterren komt tot het altaar, de offerbereidheid van de mens dus, breidt zich vandaar uit over ster, vierkant en maan, breidt zich uit over de vleugelen en gaat in tot de mensheid. Het Licht van Wessac is voor de mensheid zonder betekenis, tenzij het in de mensen tot leven komt.

Ook hier zijn nog meer conclusies mogelijk. Nu weet ik wel, dat deze eis na te denken over alle mogelijke verborgen waarden, de mensen niet aangenaam is. Men houdt er nu eenmaal van de zaken als een feit zonder meer aan te nemen en verkiest niet over eventuele andere en verborgen waarden nog verder na te denken. En toch is het goed, dit zo nu en dan wel eens te doen.

Ik geef u een gelijkenis, die gebaseerd is op feiten uit het heden. Er was eens een vorst, die ten strijde trok om zo het aanzien van zijn land en de eer van zijn vaderen te dienen. Hij vocht daarom met dezelfde wreedheid en roekeloosheid als zijn tegenstanders. Maar helaas, hij werd door hen verslagen. De tegenstanders nu namen niet alleen, zoals gebruikelijk, de vorst gevangen om hem te vernederen en desnoods te doden, maar noemden hem een misdadiger, want hij was gevaarlijk dicht bij de overwinning gekomen en dat konden zij hem niet vergeven.

Pas dit nu eens toe op het leven: U streeft in het leven, maar mislukt, met of zonder eigen schuld. Het feit, dat u mislukt, wil men u graag vergeven. Als u dicht bij een resultaat geweest bent, zal men u een misdadiger, een asociaal wezen noemen, u verachten en veroordelen, zal uw praktijken gebruiken om uw onwaardigheid aan te tonen. Maar dezelfde die dit doen, zullen u, wanneer u op dezelfde wijze en met dezelfde praktijken tot resultaten komt, een goed mens, een knappe kop noemen. Proef vooral de sfeer van een dergelijk verhaal en zeg mij, dat het geen juist beeld is van uw beschaving en gebruiken. In wezen komt men dan tot een erkennen van de stelling van Darwin, dat alleen de sterksten overleven en dat hun inzichten het heersende recht betekenen in alle evolutie.

En zo men dit als redelijk juist aanvaard, moet men daarop nog even verder gaan. Ook bij een geestelijke evolutie zal ongeveer hetzelfde optreden. Want de tegenstellingen zullen ook daar heersen. Hoe mooi zij ook in geloof en gelijkenissen spreken over een liefdevolle God, er zal altijd een ogenblik komen, waarop die God anders is en handelt. Men stelt bv. – wat volgens mij een gelijkenis is – dat God ons, die zijn wetten getrouw volgen, in Zijn vaderhuis zal ontvangen, maar allen, die zich hieraan niet houden, zal uitwerpen tot in het diepste duister, tot in de hel.

Men beseft niet, dat men daarmede stelt, dat deze God niet alleen een liefdevolle vader en goede vriend is, maar ook een wreed en verschrikkelijk wezen, dat weliswaar allen zou kunnen redden, maar dit eenvoudig niet doet en eenieder die – door een scheppende daad van deze God – faalt of falen kan, kwelt in eeuwigheid. Men tracht het dan voor te doen komen, of deze God, waarin men gelooft, alleen zo verschrikkelijk is voor hen, die Hem niet aanvaard hebben, maar voor alle anderen alleen maar een goedertierende God is.

Beseft men dan niet, dat dit niet mogelijk is? God is zichzelf. Hij kan niet het ene niet en gelijktijdig het andere wel zijn. Hij is beiden gelijk of Hij is niet – althans niet, zoals men ons Hem tekent. Wanneer wij tot het Huis des Vaders gaan, bevat dit alle mogelijkheden om in Gods schepping te leven, niet alleen de hemelen, maar ook de wereld en de hel. In Gods uiting zullen wij altijd naast elkander het duistere en het Lichtende aantreffen – of wij dit nu aangenaam vinden of niet.

Alles in deze wereld, dat niet een geheel concreet en onaantastbaar feit is – niet meer vatbaar voor uitleg enz.- wordt aangetast door de persoonlijke interpretatie. Dat lijkt misschien schadelijk. Maar de geest heeft behoefte aan een vrije ontwikkeling. Deze geest moet kunnen doordringen achter de beelden, de uiterlijkheden. Zij kan dit echter nooit volbrengen door het volgen van één algemeen geldende stelling. Zij kan niet zeggen; dit is weliswaar een gedeeltelijke waarheid of zelfs een gelijkenis, maar er is een vaste regel, waardoor ik toch kan stellen: Het is voor allen en alles juist zo en anders niet. Of men de gelijkenis neemt van Hiram Abiff, van Jonas en zijn walvis, de profetieën van de profeten, of de grootheid van Salomo, die men de beheerser van alle geesten noemde, men spreekt in wezen steeds weer over beelden, over mogelijkheden en niet over een werkelijkheid, die voor alle beelden slechts één en dezelfde oplossing kent. U spreekt over een gedachtewereld, waarin het eigen wezen van de mens tot uiting moet komen, wil die mens bewust kunnen leven. Het is niet zo, dat bv. Hiram, de architect en handwerksman als een noodzakelijke tegenstelling van Salomo moet fungeren, of alleen als aanvulling van deze grote vorst kan dienen. Er zijn vele andere wegen en mogelijkheden, die men alleen door een vrij denken uit de gelijkenis kan putten.

Het gevaar is voor de mens gelegen in de wijze, waarop hij een gelijkenis, een verhaal als een onaantastbaar feit pleegt te stellen en eigen denkbeelden en reacties als enige werkelijkheid beschouwt. Wanneer de mensen niet na willen denken over mogelijke verborgen waarden en inzichten, die voor het ik van belang zijn, en bij uiterlijkheden en spitsvondigheden stil willen blijven staan, zijn de gelijkenissen en leringen van Jezus een algehele rechtvaardiging voor alle wreedheden, die de mensen door de eeuwen in Zijn naam hebben begaan. U beseft echter zeer wel, dat, ondanks alle verkondiging van de stellingen als enige waarheid, zij geen feiten zijn, maar denkbeelden zonder vaste waarde, zodat deze rechtvaardiging in wezen niet bestaat voor allen, maar ten hoogste voor een enkeling van kracht kan zijn.

Gelijkenissen zijn raadselen, die de mens worden voorgelegd. Zij vormen een oefening in denken, niet een aardige wat sprookjesachtige omschrijving van onomstotelijke feiten. De eenzijdigheid, waarmede de mensen geestelijke waarheden en levenswaarheden benaderen, doet mij denken aan de z.g. fatsoenlijke jonge lieden, die voorgeven, dat de mens onder het middel eenvoudig ophoudt te bestaan. Iets wat in het leven van groot nut is en zelfs voor vele z.g. goede daden een drijfveer heeft gevormd telt dan niet mee in de openlijke erkenningen en beschouwingen, het hoort er niet bij en zo men het bestaan toegeeft, noemt men het vies, onsmakelijk enz. De benadering van geestelijke wijsheden toont vaak dezelfde afwijking; wanneer je iets presenteert als een oude wijsheid, vindt men het mooi en belangrijk. Maar dan wil men daarbij alleen zien naar de geestelijke zijde ervan. Men wil niet zien naar de betekenis die deze oude wijsheid heeft voor het heden, voor het gebruik van de levensprocessen enz. Zelfs weigert men zich al te vaak bezig te houden met de raadselen, de moeilijkheden, die in de spreuken verborgen zitten en volstaat met een wat stupide bewonderen der hemelse glans, die men wel niet ziet, maar die er dan toch in verborgen moet zijn.

Dat men zo niet verder komt, is wel duidelijk. Wanneer een Meester u een gelijkenis geeft, is dit niet alleen maar een illustreren van een wijsheid of een omschrijven van het onzegbare. Het is een vraag aan u, de eis, daaruit een eigen beeld, een eigen conclusie te trekken, iets wat voor u praktische betekenis en waarde heeft, iets wat voor u bruikbaar is. Een gelijkenis is nooit een dogma, het is een proeve. Wanneer een Meester begint met een gelijkenis, zo kan ik mij voorstellen, dat het zijn doel niet is om daarmee allereerst iets duidelijk te maken. In de meeste gevallen gebruikt hij het beeld vooral om de rijpheid van zijn leerlingen en volgelingen te toetsen.

Er bestaan zelfs geestelijke scholen, die geheel gebaseerd zijn op raadselen, waarbij de gehele scholing bestaat uit het je voorstellen van absurditeiten en het oplossen van raadsels. Toch kun je ook met dit systeem geestelijk verder komen.

Waarop, zouden wij dan aannemen, dat al deze wijze Meesters met hun verhalen, die wij zo moeizaam maar heerlijk in kunnen passen in de algemeen geldende opvattingen, precies bedoeld hebben, wat men daarin als officiële waarheid wil lezen? U staat bv. tegenover de bijbel, een groot boek, dat zo hier en daar wel erg vervelend kan zijn. Een groot boek echter, omdat je er alles in kunt vinden, schelmenromans en ridderverhalen, wezens als Lancelot, de Saint, de Defenders, kortom de figuren van alle tv- programma’s. Alle intriges en verhalen, die ooit geschreven zijn, kun je terug vinden in dit boek, wanneer je het maar weet te lezen. Maar ook in dit boek staan wij niet alleen maar voor verhalen of historische waarheden. Steeds weer wordt men ook hier geconfronteerd met een raadsel; men moet om te begrijpen, wat er in staat, steeds weer eerst de beelden oplossen voor zich. Nu kan men dit natuurlijk op de gebruikelijke wijze, daarbij alles terzijde latende en wegpratende buiten die punten, die de algemeen geldende opvattingen bevestigen en ons gelijk geven bij onze eigen opvattingen omtrent het leven. Volgens mij is dit echter de bedoeling niet.

De gehele bijbel, inclusief de evangeliën, doet niets anders dan steeds weer de mens op de proef stellen, de mens de vraag stellende, wat hij in deze verhalen en spreuken in werkelijke ziet en aanvoelt. Want ook de “feiten” van de bijbel zijn op een andere wijze te interpreteren, dan men algemeen pleegt te doen. Bv. toen God in 6 dagen mensheid en wereld geschapen had, staat er: “En hij zag dat het goed was. En de zevende dag rustte hij.” De eenvoudige oplossing voor de mensen is dus: Elke zevende dag zullen wij, ter ere Gods, rusten. Maar God rustte eerst, toen Hij zag, dat het goed was! Indien wij van een persoonlijk bestaande God, een op de mens gelijkende God uitgaan, is dus de rust op de zevende dag dwaasheid en zal men God het beste eren, door eerst na de arbeid te rusten, wanneer men de taak voltooid heeft en ziet, dat dit goed geschied is. Misschien gaat het niet om een persoonlijke God, maar om de uitingen die God in de natuur en moet men die zevende dag niet zien als een bewuste rust, maar eerder als een rustpauze, die optreedt tussen de perioden van evolutie en omvorming, een tijd van rust tussen de perioden van onvoorstelbare ferociteit in ontwikkeling vol onverwachte mutaties, de tijd van een aarde, die kookt en kolkt en haar vorm en wezen wijzigt.

Ik zeg niet, dat dit zo is. Maar men zou er tenminste eens over na moeten danken. Want als de mens zich de moeite getroost over alle mogelijke interpretaties eens na te denken en niet een bepaalde aangename of algemeen geldende interpretatie als enige waarheid stelt, komt hij tot andere denkbeelden, een ander besef van de wereld, een ander begrip ook van eigen weten en belangrijkheid. Denk bv. eens aan de haren van Samsom. Het is een aardig verhaal met een verleidelijke spionne in de hoofdrol. Hierin horen wij, dat de goede Sam zijn krachten verliest, wanneer hij zijn haren verliest. Hoe staat het, heren, die uw haren begint te verliezen, met uw krachten? Is het misschien ouderdom, die hier wordt uitgebeeld? Of gaat het hier om de macht van een denkbeeld? Want het is toch niet logisch, dat iemand zijn krachten kwijt raakt, omdat hij naar de kapper gaat? Dat is alleen maar een tovenaarsverhaaltje, een soort sprookje. Maar denk eens even verder: Wanneer een mens meent, dat zijn gaven en mogelijkheden van een bepaalde waarde afhankelijk zijn en hij verliest datgene, wat hij als bron daarvan beschouwt, is hij dan niet in feite zwak, alleen maar, doordat hij niet meer in zichzelf en zijn krachten vertrouwt? Is hier geen sprake van een – door verkeerd begrip ontstane – opvatting en zelf opgelegde zwakte, waardoor de mens in slavernij kan vallen en bv. zijn persoonlijke vrijheid van leven en denken verliest door een misvertrouwen omtrent eigen kunnen.

Zo zou men er ook over kunnen denken. Dan wordt het verhaal een geheel andere verhandeling met een geheel andere en ook nu voor eenieder nog bruikbare les. Neem nu bv. de ouderlingen, die loerden naar Suzanna in het bad. U kunt dit zien als een teken van Gods macht, of een argument tegen gemengd zwemmen. Maar op de keper beschouwt, zullen vele mensen de feiten van het werkelijke leven ongeveer even heimelijk begluren als de ouderlingen eens de schone Suzanna. Het strafwaardige lijkt mij dan ook niet in het gluren op zich gelegen te zijn, maar in de denkbeelden, de verkramptheid, de tweeslachtigheid, die deze ouderlingen tot uiting brengen.

Ik zou wel tot morgen voort kunnen gaan met het citeren van verhalen en gelijkenissen, die wel eens een geheel andere betekenis zouden kunnen hebben, als men daaraan normalerwijze pleegt toe te kennen. Ik wil echter met een laatste gelijkenis volstaan: Mohammed valt neer. Hij is geslagen door de hand Gods, hij had een epileptische aanval: M.a.w. hij ziet zijn paard staan, stapt daarop en rijdt nu door de zeven hemelen tot voor Gods troon. Als christen vind je dit maar een gek verhaal, een bewijs voor de bijgelovigheid van de mohammedanen. Maar als je Islamiet bent, zie je hierin een bewijs voor het uitverkoren zijn van de profeet. Je kunt dit verhaal natuurlijk ook “wetenschappelijk” verklaren als en droom van een epilepticus, die zijn zwakheden moest weg verklaren. Maar het lijkt mij juister die verhalen te zien als een uitdaging, waarbij het er niet meer omgaat, of dit nu wel of niet zo is gebeurd, maar eenvoudig om de vraag, wat dit betekent. Volgens mij kan men o.m. het volgende daarin vinden. De mens Mohammed is ziek en verliest de macht over een deel van zichzelf, maar aanvaardt de middelen, die hij vindt tot bereiking – i.c. het paard. Hierdoor blijft hij zich bewust en gaat door de verschillende hemelen tot de hoogste hemel. Indien ook wij onze ziekten, rampen en bezoekingen eens niet zouden beschouwen als een teken van minderwaardigheid, maar in die fouten zouden zoeken naar het ene element dat ons helpen of redden kan, zouden wij misschien ook ondanks alles slagen, en zelfs door de sferen kunnen reizen tot voor de troon van God. De les is volgens mij, dat uiterlijke sterkte of zwakte onbelangrijk is in vergelijking met de innerlijke mogelijkheden, waarbij wij zelfs uit onze zwakten een kracht kunnen putten, die ons tot bereiken in staat stelt.

Dit is voor mij een weergave van de moeilijkheden waarmede elke beoefenaar van de esoterie heeft te maken, evenals elke mens, die in zich worstelt met de vraag, of er nu wel dan wel niet een leven na de dood bestaat. De les zegt: Keer eerst terug tot je eigen zwakten, je ongeloof, geloof, denkbeelden, en zie of daarin niet ergens een middel is gelegen om op te stijgen. Tracht niet jezelf boven jezelf te verheffen, maar zoek vanuit je wezen, inclusief je zwakten, een middel om te stijgen.

Met dit alles heb ik wel duidelijk gemaakt, wat ik bedoel met het gebruik maken van de werkelijke waarden van de gelijkenissen. Ik zal daarom dit onderwerpje afronden. Alles, wat wij rond ons zien en niet geheel feitelijk is, kan worden beschouwd als een gelijkenis. Alle denkbeelden, idealen, ja, alle leugens zelfs, zijn op de feiten, op de waarheid gebaseerd.

Wanneer wij dit beseffen en die dingen willen overdenken vanuit ons eigen wezen en standpunt, zonder daarbij bepaalde dingen à priori als vaststaand aan te nemen, zullen wij daaruit materieel en geestelijk ons juister leren bewegen. Wij zullen dan de waarheid leren kennen en in onszelf een inwijding vinden.

Ten tweede moeten wij wel begrijpen, dat elke interpretatie, die gegeven wordt, onverschillig van welke gelijkenis of welk feit, nimmer de enig juist kan zijn voor ons. Het raadsel, dat gelegen is in de gelijkenis of de oorzaak was van de behoefte tot verklaren van de feiten, is een uitdaging aan u. U kunt geestelijk nooit veel verder stijgen, wanneer u niet bereid bent deze belangrijkste geestelijke uitdaging in het leven aan te nemen.

Ten derde nog het volgende. Geen mens zal, met of zonder uitleg van gelijkenissen enz. verder kunnen komen, wanneer hij niet voortdurend een beroep doet op eigen begripsvermogen, eigen werkelijkheidszin en zelfkennis. Er worden hem voortdurend hulpmiddelen ter bereiking gegeven. Er zijn systemen en leringen gegeven en krachten hem terzijde gesteld om het Hogere voor zich te kunnen bereiken. Maar dit alles is slechts hulpmiddel. De werkelijk bewegende Kracht ben je zelf, het bereiken van een volledig bewustzijn in jezelf is het doel.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

De spiraal van de tijd

U kent allen de kwestie van de spiraal van de tijd? Ook dit is een vorm van gelijkenis, een symbool. Wij weten ook dat gebeurtenissen volgens die voorstelling, zich in de menselijke historie zullen moeten herhalen. Een dergelijke herhaling is geen volledige gelijkheid van gebeuren of waarden. Er is geen volledige en werkelijke overeenkomst. Toch kunnen wij zeggen, dat in de menselijke historie een bepaalde tendens na zekere tijd weer terug pleegt te keren.

Wanneer wij de spiraal van de tijd nog verder bezien, zal ons opvallen, dat de buitenste wikkelingen groter zijn – en dus voor degene, die deze weg volgt, ook een grotere afstand betekenen – dan de binnenste wikkelingen van de spiraal. Daaruit zouden wij de conclusie kunnen trekken, dat als de tijd een gelijkblijvende waarde is, de gebeurtenissen en tendensen in de binnenste spiralen dichter bijeen liggen, zodat herhalingen sneller op zullen treden bij het begin van de spiraal.

Dit verder interpreterende zou ik willen zeggen: Op de wereld is de toename van levenstempo, maar ook de opeenvolging van gebeurtenissen, niet slechts een willekeurig of tijdelijk verschijnsel. Dit is het logische gevolg van een gelijkblijvende mentaliteit, terwijl de tijdsspiraal dichter het middelpunt benadert.

Ook in de toekomst zal een dergelijke versnelling van tempo dus verder verwacht kunnen worden. De basis van leven en levenstempo is voor de mens o.m. reactiesnelheid en denksnelheid. Vanuit een geestelijk standpunt hebben deze beide waarden misschien niet zo veel betekenis, maar zij zullen voor de mens in de stof bepalen, op welke wijze hij zijn ervaringen in het leven opdoet en daarnaast zullen zij ook de mogelijkheden vastleggen, die er voor hem bestaan om tot een ervaren te komen.

Het resultaat hiervan kan weer gezien worden op de volgende wijze: In deze dagen liggen de feitelijke mogelijkheden tot ervaring veel dichter bijeen van vroeger, zodat het tempo van bewustwording eveneens veel hoger zal liggen en een volledige bewustwording zich sneller zal kunnen voltrekken, tenzij, door de intensiteit van gebeuren voor de mens de intensiteit, waarmede hij het gebeuren pleegt te beleven, evenredig afneemt.

Geestelijk hebben wij allen namelijk zeer veel belang bij een werkelijk beleven der dingen. Wij moeten in het gebeuren van de schepping niet slechts een toeschouwer zijn, iemand die registreert, wat er met het ik en de wereld gebeurt, zonder daarbij enige emotie of gevoelens van verbondenheid te kennen. Wij moeten opgaan in alles wat wij zijn en doen. Juist hierdoor zullen zeer vele ervaringen voor ons als deel van het ik werkelijk waardevol voor de bewustwording op kunnen treden.

Een dergelijke ervaring houdt een vergroting in van ons geestelijk potentieel, houdt een vergroting van kracht en harmonie in, evenals een groter en juister besef voor eigen relaties met de omwereld. Dit impliceert dus ook, dat een versnelde bewustwording gepaard zal gaan met een schijnbaar minder stabiel leven van de mens, indien men hem aan zijn gedragslijn alleen zou willen beoordelen.

Ik kan mij voorstellen, dat hier bij de luisterende esotericus en filosoof enige aarzeling ontstaat. Deze zal zich gaan afvragen, of dit nu wel geheel juist kan zijn.

Indien een gebeurtenis met een bepaalde gevoelsintensiteit, tot bewustwording voert in zeg drie jaren, zo zal bij een verkorting van de tijdsfactor tot bv. één jaar het geheel qua geestelijke waarde wel gelijk kunnen blijven, maar de intensiteit van de gevoelens zal met de factor drie toenemen, terwijl de wisseling van houding en bewustzijn tot een derde van de oorspronkelijke waarde wordt samengeperst. De uitingen van buiten, zowel als de erkenning naar binnen toe, vormen dus een veel snellere fluctuatie van waarden, waarbij de snellere wisseling voor iemand, die de oude maatstaven nog in zijn begrip draagt, een vergroting van instabiliteit met zich schijnen te brengen. Het is echter niet voldoende dit te stellen en hiermede de zaak als afgedaan te beschouwen. De versnelling van gebeuren binnen de tijd is namelijk niet de enige factor in het huidige bewustzijn. Daarnaast moeten wij aandacht wijden aan de uitbreiding van wereldbesef, het steeds meer in staat zijn kennis te nemen van ontwikkelingen en gebeurtenissen over geheel de wereld. Er is een tijd geweest, waarin de gehele wereld voor een mens bestond uit een enkel dal of misschien een stukje grond van zeg 50 à 60 km2. Nu kan de mens, zij het in persona of via intermediaire instanties, kennis dragen van een meeleven met het gebeuren over de gehele grote wereld of tenminste een zeer groot deel daarvan.

Deze factor, de vergroting van het wereldbeeld, de daarmede gepaard gaande verandering van besef en belangstelling, maakt het de mens moeilijk, zoal mogelijk, gelijktijdig eigen leven en het beeld van ontwikkelingen over de gehele wereld bewust te bezien. Men zal dan ook een keuze moeten maken en zich ofwel geheel aan het ene terrein – eigen wereld – dan wel aan het andere – de gehele wereld – moeten wijden. Zou een mens zeggen: “Ik wil de gehele wereld beleven en beseffen”, dan zou hij tegen de norm ingaande, zijn eigen tempo van leven moeten vertragen om zo de ontwikkelingen op de wereld – die trager zijn dan de persoonlijke aspecten daarvan – te kunnen verwerken en overzien. Zo iemand heeft dan geheel zijn capaciteit van denken en gevoelen nodig, om de werkingen en veranderingen in de gehele wereld te kunnen verwerken. Voor een gevoelsmatig beleven of verstandelijk overwegen van zijn persoonlijk leven blijft hem dan weinig of geen mogelijkheid.

Zou iemand kiezen voor een intens beleven van het persoonlijk bestaan, zo zal zijn karakter voor de buitenwereld veel wisselvalliger en onbeheerster lijken dan in het eerste geval. Wij zien dan snelle wijzigingen van stemming, snelle en vaak niet geheel verklaarbare veranderingen in de emotionele reactie op de feiten. Dit wordt begrijpelijk, wanneer men zich realiseert, dat processen van erkenning, die vroeger 20, 60, 100 jaren vergden, nu vaak enkele maanden of ten hoogste enkele jaren vergen, en de mens zal in overeenstemming met zijn erkenningen ook zijn gedrag enigszins wijzigen.

Ook de verhouding tussen de mens en de hem omringende wereld zal op dezelfde wijze veranderingen ondergaan als gevolg van een snel toenemen van besef, een snellere verandering van inzicht en oordeel. Ik concludeer hieruit, dat juist degenen, die in hun persoonlijk leven de versnelling van de tijdsspiraal het meest bewust ervaren, voor hun medemensen vaak uitermate instabiel zullen lijken en voor de anderen slechts zeer weinig vastheid van weten, overtuiging en gedragslijn zullen vertonen.

Er is echter één enkel kenmerk, dat hen onderscheidt van de zwakkelingen, die onder invloed van hun omgeving vaak soortgelijke verschijnselen vertonen: Zij zijn bij alle wijzigingen in hun hantering van eigen leven zowel als in hun besef voor de mogelijkheden van het leven steeds progressief. Zij gaan dan ook in hun ontwikkelingen en reacties steeds verder, en blijven niet, zoals bij de zwakkelingen het geval is, bij een herhaling van een en dezelfde reeks van reacties en redeneringen beperkt.

Misschien dat dit laatste u wat verveelt. Ik zou mij dit tenminste wel voor kunnen stellen. Maar als je uit wilt gaan van de mens van vandaag en vooral van zijn mogelijkheden tot geestelijke bewustwording en bereikingen, zal men dit alles, evenals de voornoemde elementen van de tijdscyclus, wel degelijk onder het oog moeten zien. Je kunt je er niet vanaf maken door bv. te zeggen, dat men in het leven toch een enkele vaste lijn moet volgen, dat men een constant en vast geloof moet kennen, dat er slechts sprake kan zijn van een constant gelijkblijvende morele waarde in de wereld, terwijl het gedrag tegenover de medemensen eveneens steeds op gelijke basis moet berusten. Dit zou wel gemakkelijker zijn voor velen, daarvan ben ik mij bewust. Maar indien onze geest bewuster wordt, zal deze geest een intenser contact hebben met een groter deel van de bewuste waarden, die in de schepping bestaan.

Er zullen ook grotere entiteiten binnen het bereik van het eigen geestelijk of misschien zelfs stoffelijk bewustzijn van de mens komen. Men zal inzicht krijgen in de raadselen, die in sferen en werelden bestaan, maar normalerwijze voor de doorsnee mens niet kenbaar, laat staan toegankelijk zijn.

En met al deze dingen zal men als mens rekening moeten houden. Men kan niet stellen, dat het stoffelijke leven moet beantwoorden aan vaste normen en daaraan toevoegen, dat de geest in zijn eigen ontwikkelingen daaraan geheel vrij en onafhankelijk zijn weg kan gaan. Wij moeten steeds weer erkennen, dat de wisselwerking, die nu eenmaal bestaat tussen stof en geest met zich brengt, dat elke wijziging in bewustzijn, achtergrond of ervaring, ook bij de geest dus, gepaard gaat met wijzigingen in stoffelijke waardering, materieel gedrag en materiële reactie op feiten.

Misschien is het u een troost te kunnen beseffen, dat hierdoor de schijnbare wisselvalligheid en wankelmoedigheid van het menselijk gedrag in deze dagen ten dele verklaard kan worden. Het is natuurlijk eenvoudig genoeg de wereld en de mensen daarin eenvoudigweg te veroordelen, je wantrouwen uit te spreken tegenover de mensheid en alles, wat deze mensheid als ideaal en doel van bestrevingen kent. Inderdaad, die dingen doen vaak vreemd aan, wij zien vaak, ook bij zeer belangrijke of zeer hoogstaande mensen, een volte face die haast onvoorstelbaar is voor ons. Maar dit kan voorkomen uit een vergroting van bewustzijn en zal in vele gevallen daar ook uit voortvloeien.

Uw wereld wordt steeds wisselvalliger. Zelfs uw geestelijke wereld blijkt met steeds grotere snelheid zich heen en weer te bewegen tussen ongeloof, anarchie en een innerlijke godserkenning, waarvoor je geen uitdrukking of uiterlijke waarde meer kunt vinden. Ook dit is begrijpelijk. Als ik spreek over de kwestie van de tijdsspiraal, dan spreek ik van iets, wat voor de aarde geldt. Maar eenzelfde spiraal bestaat voor de werelden van de geest. Wanneer je dus in de geest te maken krijgt met een versnelling van ervaringen, betekent dit ook, dat de groei, maar ook de verandering in de geest, steeds sneller plaats vindt. Daarbij zullen in het begrip de nieuwe waarden – zeker wanneer dit het stoffelijk begrijpen van de mens is – niet onmiddellijk tot uiting komen, niet onmiddellijk geheel gerealiseerd zijn en zo een gevoel van alleen zijn, hulpeloosheid enz. kunnen doen ontstaan.

Trouw blijven aan jezelf wordt in dit geval toch een voortdurend proces van verandering. God is de enige onveranderlijke factor in ons leven. Daarbij mogen wij wel zeggen, dat het van geen belang is, of wij die God nu wel of niet aanvaarden. Ongeacht onze benadering van Zijn bestaan is Hij er. Deze ene en onveranderlijke waarde wordt echter door ons vanuit een steeds veranderende instelling, een steeds zich wijzigend standpunt benaderd. Onze reactie op deze zich gelijkblijvende waarde zal daarom toch steeds een andere zijn. God is, juist door de snelheid, waarmede wij ons bewegen, door de vele mogelijkheden tot bewustwording, voor ons een soort caleidoscoop, waarin dezelfde grondwaarden zich tot voortdurend andere patronen samenvoegen.

Van hieruit vergt het nog maar één enkele stap om te durven zeggen: In de veelvoudigheid van godsbeleving en godserkenning, in de vergroting van emotionele wisselvalligheid, ligt voor de mens in deze dagen een van de grootste mogelijkheden tot bewustwording. Let wel: Niet feiten, maar mogelijkheden. Wij realiseren ons de potentie, die in ons gelegen is, zelden volledig en weten daarom van onszelf maar zelden, wat wij wel en wat wij niet kunnen. Wij sluiten onszelf als geest en mens uiteindelijk maar al te vaak op in een grondvorm, die niet ons ware wezen is, doch die alleen een deel daarvan zal weergeven.

Dit deel kan op zich geheel waar en echt zijn. Maar door het ontbreken in uiting en zelfbewuste aanvaarding van het Ik zal deze uiterlijke vorm een soort karikatuur van de werkelijke mens worden. Ook dit zouden wij moeten leren veranderen. Waarvoor heeft de mens immers deze naar buiten toe gestelde vaste vorm, vaste gedragslijn enz. immers nodig? Zij zijn alleen een beperking van bewustzijn en mogelijkheden, een beperking van de werkelijke levens-en gedragsvrijheid. Een beperking vooral ook van ons bewustzijn en onze bewuste aanvaarding van de werkelijke God.

Elk fixeren van het eigen wezen en de eigenschappen daarvan binnen de tijd impliceert, dat wij niet beantwoorden aan de mogelijkheden, die deze tijd voor allen met zich brengt.

U hebt ongetwijfeld veel gehoord over kosmische invloeden en u hebt u misschien afgevraagd hoe het komt, dat zij op het ogenblik in een zo bijzonder hoog tempo optreden. Ook hier kunnen wij de werking van de spiraal aanhalen: Wanneer het bewustzijn van de mensheid zodanig toeneemt, dat in toenemende mate ook een contact en harmonie met hogere werelden wordt bereikt, zullen de krachten uit de hogere werelden ook in overeenstemming met het voor de mens verhoogde levenstempo tot uitdrukking komen op de stoffelijke wereld.

Wij kunnen voor dit alles dan nog verdere verklaringen geven, die op een meer materieel vlak liggen natuurlijk. Maar de kern van de zaak is toch eigenlijk wél, dat het de mens zelf is, met zijn bewustzijn, die deze krachten voor zich nu actief en sterk werkzaam maakt, waar deze invloeden vroeger als eenvoudige zeer korte beïnvloedingen zonder veel gevolgen voorbij zouden zijn gegaan, zonder op opvallende wijze enige werkelijke schade op aarde aan te richten of voor de mensheid iets werkelijk goeds in het algemeen mee te brengen.

Hier ligt dan – ik bemerk, dat ik helaas zo langzaamaan rekening moet houden met een noodzakelijk beëindigen van mijn onderwerp -, hier ligt dan niet alleen een verklaring voor het heden, maar ook een gebruiksaanwijzing. Het leven, met zijn voortdurende veranderingen, is voor een mens meestal moeilijk te begrijpen. Als je iets niet begrijpt, weet je meestal ook niet, wat te doen, hoe te reageren. Men weet dan niet, hoe en wat men in wezen moet proberen te zijn.

Wanneer je nu beseft, dat de verandering een essentieel deel is in het leven van vandaag, geestelijk zowel als stoffelijk, zal men hierdoor volgens mij komen tot een gemakkelijker aanvaarden van de zich voortdurend wijzigende invloeden en waarden.

Besef, dat wat u van uzelf denkt volgens oude, in uw jeugd geleerde normen, op het ogenblik van geen belang meer is. Dit telt niet meer. Het enige, wat van belang is en invloed heeft, is wat u bent met uw daden, leven en werken op dit ogenblik. Dit alleen is voor de werkelijke situatie, voor de werking van oorzaak en gevolg, in het heden van belang. Zo uw vraag is: “Wat kan ik doen in en met mijn leven?”, zo ligt het antwoord op deze vraag in het voorgaande reeds geheel opgesloten: Voortdurend uzelf veranderen en aanpassen, uzelf voortdurend verder ontwikkelen, voortdurend een ander aangezicht tonen in uw geestelijke zowel als in uw stoffelijke benadering van de problemen. Voortdurend uw benadering van mogelijkheden en problemen veranderende, voortdurend u bezinnende op de nieuwe waarden van bewustzijn en denken die in u ontstaan, op de denkwijzen, die u nu beheersen, zo kunt u een stapje voor blijven op de feitelijke ontwikkelingen van de situatie op aarde, zoals u deze rond u ervaart.

Eens waren er bepaalde grote engelen van God, die voor de mens onvoorstelbaar ver weg waren. Je moest klimmen, strijden en streven, vele sferen verder gaan, voor je in staat was, hun grote waarden van bewustzijn en kracht te beroeren. Door de snelheid van de ontwikkelingen in de mensheid zijn diezelfde grote krachten uit de kosmos de mens in de stof vandaag vaak zeer nabij. Dit houdt aan een zijde in, dat er in verhouding minder verschil is tussen de lager en de geestelijk hoger ontwikkelde mens. Want beiden hebben in deze tijd steeds weer grotere mogelijkheden. Bestaande verschillen kunnen, eveneens door de snelle veranderingen, betrekkelijk snel worden opgeheven. Wat eens een veraf liggend raadsel was, is nu geworden tot een reeks van erkenningen, die reeds bijna algemeen in de materie plaats gaan vinden.

Daarom, wil ik eindigen met de constatering: Al wat in deze dagen gebeurt en zich wijzigt, brengt u dichter bij de Hoogste Krachten. Indien u die wijziging, die verandering, kunt verwerken – ook al geschiedt dit voor u alleen maar in uw eigen wijze van leven en denken, in uw gedrag – zult u steeds dichter bij hoge krachten staan en steeds meer ook daaruit kunnen putten.

De werkelijke bewustwordingsmogelijkheid is nu zo groot, dat in deze dagen velen binnen de korte spanne van één menselijk leven voorheen ondenkbare diepten van geestelijke erkenning kunnen bereiken.

image_pdf