Geloof

uit de cursus ‘Filosofieën over het Goddelijke’ 1955-1956

Als wij zeggen “ik geloof”, dan geven wij daarmee gelijktijdig aan, dat we iets niet weten. Een punt dat velen uit het oog dreigen te verliezen en dat iemand ertoe brengt zijn geloof als een definitieve en vaststaande wetenschap te zien. U zult begrijpen dat het geloof wel innerlijk een weten kan zijn, maar slechts dan geloof is, indien het in de wereld onbewijsbaar blijft.

In het geloof kennen wij verschillende genres, waarvan de meer profane gemakkelijk en kort kunnen worden afgedaan.

Als u wordt verteld dat er een uitbarsting is in Griekenland, dan gelooft u dat. U weet het niet zeker. U heeft het niet zelf meegemaakt, noch heeft u de onaantastbare bewijzen ervan gezien. De ervaring heeft u echter geleerd dat een dergelijke berichtgeving tamelijk betrouwbaar is en dus gelooft u dat. Als u erover spreekt, dan zegt u dat u dit weet.

Een tweede vorm van geloof is ‑ vooral op het gebied van de wetenschap ‑ vaak een misplaatste overtuiging van eigen weten. Men heeft zo het een en ander gehoord over wetenschappelijke feiten en men weet bv. hoe een atoom in elkaar zit. Men wéét dat niet, men gelooft het te weten. In feite is het anders.

Een derde punt, dat volgens uw inzien misschien wel heel vreemd in deze reeks staat, maar toch erbij hoort, is het zgn. bijgeloof. Men meent te weten dat bepaalde handelingen en feiten resultaten met zich brengen, ofschoon deze redelijk in generlei verband staan met de oorzaak.

En dan natuurlijk het geloof zelf, waarover u bij voorkeur zou willen spreken deze avond: het geloof in religieuze zin.

Het wordt moeilijk een geloof te definiëren. Echter kent elk religieus geloof een begin dat ligt in de openbaring. Om dus een geloof te kunnen definiëren moeten we ons allereerst afvragen: wat is de openbaring?

Een openbaring is de weergave van een aantal feiten, het geven van een aantal voorschriften e.d. uit een hogere bron, waaraan men niet mag twijfelen. Dit laatste punt is juist in de wereld van religieuze overtuigingen een zeer pijnlijk punt waaraan men niet mag twijfelen. Ik mag er niet aan twijfelen of het Oude Testament door God zelf is gedicteerd. Ik mag er niet aan twijfelen of Jezus ook de vleselijke zoon Gods was. ik mag er niet aan twijfelen dat Mohammed werkelijk is opgegaan tot in hoogste hemelen en God zelf daar heeft gesproken. Ik mag er niet aan twijfelen dat hetgeen hij in de Koran heeft weergegeven de waarheid is, zoals die uit de goddelijke Bron op deze wereld komt. En zo kan ik verdergaan.

Hier hebben we het zwakke punt van het geloof. Iets geloven ‑ persoonlijk ‑ is goed. Natuurlijk, we hebben allemaal dingen die wij innerlijk menen te weten, ook al zijn we niet zo ver dat we ze kunnen bewijzen. U zegt bv.: Ouders houden van hun kinderen. Dat is een geloof, dat is geen wetenschap. Dat kun je alleen weten voor zover het jezelf aangaat, maar nooit waar het anderen betreft. Je zegt: Iemand houdt van mij. Dat is een geloof. U kunt nooit zo in de kern van dat andere wezen doordringen dat u daarover zeker bent. Maar u neemt het aan op grond van de verschijnselen.

Echter, een dergelijk geloof is nog altijd gebaseerd op een waarneming van feiten. Dat wil zeggen dat er een aantal feiten te noemen zijn, waardoor de stelling zelf ‑ ofschoon niet bewijsbaar – zo volledig wordt bevestigd, dat men meent iets overdreven te doen door het werkelijke bewijs te eisen. We vinden dat bv. in de wiskunde, de meetkunde.

Als men u vertelt dat de kortste verbinding tussen twee punten een rechte lijn is, dan zegt men u daar iets, wat niet bewijsbaar is. Het is te demonstreren, maar men kan het niet bewijzen. Want het geldt niet alleen voor de vlakken waarin u zich kunt bewegen. Het geldt verder alleen voor de wijze van constructie, die u kent.

Als we de zaak kosmisch gaan bezien, dan blijkt ons ook dat deze stelling niet juist is. Degenen, die dit echter als wetenschap aanvaarden, geloven in feite iets axiomatisch, omdat het tegengestelde nog niet bewijsbaar is. En dan zijn we al heel dicht bij het geloof gekomen.

Als u gelooft dat de Rooms‑Katholieke kerk een voortzetting betekent van Jezus’ leer en een directe voortzetting van het gezag dat hij aan één van zijn leerlingen opdroeg, dan is het uw volste recht om dit te geloven. Er is niemand die u van het tegendeel zal kunnen overtuigen met bewijzen die doorslaggevend zijn. Maar u kunt ook niet van een ander verlangen dat hij dat accepteert. Want die ander ‑ vergeet dat niet ‑ vraagt niet zoals u: Bewijs me dat het niet zo is. Hij zegt: Bewijs me dat het wel zo is. En hier zitten we dan met de grote moeilijkheid, waarmee elke mens te worstelen krijgt.

Er kan u een aantal geloofspunten worden voorgelegd. Men kan u zeggen: Er is een leven na de dood. Dan zegt waarschijnlijk iedereen, die hier zit: Ja, natuurlijk, er is een leven na de dood. Hoe kun je daaraan twijfelen! We hebben toch contact door middel van media. We hebben dat gelezen in alle heilige boeken en overal wordt het aan­genomen. Daar kun je niet tegen vechten. Ho, wacht even! Er is geen definitief bewijs te leveren.

Omgekeerd: degenen die u zeggen dat dood, dood is en meer niet, kun­nen u daarvan ook geen werkelijk bewijs leveren. Een geloof is dus wel een zeer persoonlijke kwestie. En ik meen dan ook dat niemand het recht heeft een ander zijn geloof op te dringen. Dat zou je alleen kunnen doen, indien het behalve een innerlijke overtuiging ook een weten­schappelijk bewezen feit is dat je een ander verstandelijk kunt voor­leggen. En dat kun je juist niet.

Nu wordt het natuurlijk nog lastiger als wij zelf niet weten wat wij geloven. En dat komt meer voor dan men misschien aanneemt. Heel veel mensen volgen een kerk, juist omdat ze zelf niet weten wat ze geloven en dan aanvaarden ze de uiterlijke vorm van een bepaald genootschap of groepering om in ieder geval iets te hebben, Maar dat is zelfbedrog. Geloof moet je van binnen hebben. Dat is een weten. En zo vreemd als het is, er is geen mens die zich niet een bepaald geloof heeft gevormd. Maar dat geloof is meestal niet gericht op die hoge dingen waarover wij spreken: God, kosmische krachten en waarden, de goddelijke wetten. Wij weten daarvan te weinig en ‑ laten we eerlijk zijn ‑ ze interesseren ons heel weinig. Natuurlijk, men zegt dat God in uw leven veel betekent. Maar als we het op de keper beschouwen, dan blijkt dat God hoogstens een gedachte is of een middel, waardoor je tijdelijk kunt vluchten uit je onbelangrijkheid en zekere schuldgevoelens en bepaalde mogelijkheden kunt afreageren naar een hoger niveau. Verder betekent het eigenlijk niets. Toch moet je in jezelf een geloof hebben.

Waar geloven de meeste mensen dan in? In hun eigen belangrijkheid. Dat is ook meestal onbewijsbaar. In vele gevallen is zelfs het tegendeel bewijsbaar. Maar goed, daarin gelooft men. Men gelooft in de continuïteit van eigen leven. Zelfs als men de dood naast zich ziet, gelooft men nog­ dat het leven niet kan worden uitgeblust. Dat weet men niet, dat gelooft men.

Men gelooft verder dat men zelf een zeker inzicht heeft in de samenhang van de wereld ‑ ofschoon men ook dat niet kan bewijzen – en dat men in staat is voor zichzelf redelijke waarden te vinden, waarin men het gehele schema van denken en geloven kan inpassen.

Nu gaat het erom het geloof dat wij hebben te definiëren. En dat kan ik gemakkelijk genoeg doen als ik mij baseer op hetgeen in mij leeft. Zeg ik u: Er is een God. Dat geloven wij. De vorige maal heb ik getracht het bewijs te leveren dat er een denkend vermogen moet zijn. Dat is een logisch bewijs. Er moet iets zijn. Wat dat “iets” is, weet ik niet. Nu zeg ik: Dat is een God. En aan de voorstelling God knoop ik een reeks gedachten, voorstellingen en meningen vast. Zijn die echter Juist? Het komt voort uit mij en uit niemand anders. Het is mijn, “Dat er iets is”, kan ik een ander aannemelijk maken. Maar wat er is, meen ik te weten. Een ander kan daarover heel anders denken.

Dan moet ik natuurlijk voor mijn geloof een bepaalde grondslag vinden. Zo geloven wij niet alleen dat er een God is, maar dat er een liefdevolle God is. Waarop baseren we dit? Op onze eigen levensbeschouwing en onze levenshouding. Wij geloven niet dat er een God kan bestaan die zijn schepping vernietigt. Dit is volgens ons leven en denken zo uitermate doelloos, dat dit doelloze op zichzelf voor ons het begrip God ten gronde zou doen gaan. Ik hoop dat u begrijpt wat ik daarmee be­doel. Een God die vernietigt wat hij zelf schept, vernietigt zichzelf. En een God die zelfmoord pleegt, is geen God.

Aanvaardbaar? Misschien. Maar een zekerheid? Helemaal niet. Een ander kan met evenveel recht beweren dat er een toornige God is. Alleen als het om de argumenten gaat, dan blijkt dat wij over het algemeen met onze argumenten meer doorslagkracht hebben, een grotere omvang, een grotere redelijkheid dan degene die alleen maar over een toornige God spreekt. Maar bewijzen kunnen we hier geen van beiden. We kunnen God niet benaderen en dus ook niet kennen.

Dan gaan we vanzelf verder en vragen ons af :Waarom leven we? We zeggen dan: Om tot God te komen. Dat geloven wij eerlijk. Maar is het op de keper beschouwd een redelijk geloof? Het is een geloof dat noodza­kelijk is voor ons gevoel van eigenwaarde. Want een marionet zijn van de een of andere poppenspeler die in de kosmos leeft, zou een vernedering betekenen van al hetgeen wij menen te kunnen zijn. Dan zou ons leven geen waarde meer hebben, dan zou geen enkele daad meer zin hebben. Daarom moeten wij dit verwerpen. In dit geval is dus ons geloof op emotie gebaseerd en niet op redelijkheid, zelfs niet op logica.

Ik kan zo nog heel veel geloofspunten aanhalen, maar dan zou ik afdwalen van onze stellingen en zo te partijdig worden in mijn beschouwing. Ik wil slechts een paar geloofsvormen aanhalen, die in het algemeen bestaan.

Er zijn mensen die geloven in een absolute voorbeschikking. Als ik die mensen beschouw, dan zijn ze vanuit mijn standpunt, let wel niet juist in hun beslissingen en hun gedachten. Want op het ogenblik dat ik een absolute voorbeschikking aanneem, ben ik weer marionet. Marionet zijn wil ik niet en kan ik niet. Dus. Vrije wil. Beperkt of onbeperkt, maar een vrije wil. Er zijn er die leren: uitverkiezing. Indien ik daarin zou geloven, zou ik doen aan zelfverheffing, ik ben uitverkoren en jullie niet. Ik schep mij dus een meerwaardigheid op grond van onbewezen feiten. Verder maak ik mijn God tot iemand die op z’n minst genomen niet geheel rechtvaardig is. Wat moet ik dan zeggen? Ik kan hoogstens zeg­gen: Het ZOU mogelijk zijn, Maar al hetgeen ik heb geleerd in het leven, in mijn hele bestaan, doet mij het tegenovergestelde geloven.

Men zegt dat er maar één weg is om tot God te gaan. Alweer: men kan gelijk hebben. Maar als ik de wereld zie, de kosmos, de sferen, als ik uw wereld en alle andere werelden met stoffelijke wezens beschouw, dan moet ik tot de conclusie komen dat er ofwel weer een onrechtvaardige God is ‑ en die kan ik niet aanvaarden ‑ dan wel dat er zeer vele wegen zijn die alle tot hetzelfde einddoel zullen leiden.

Eén kerk, uitverkoren boven alle andere onmogelijk! Want dan zou men daarmee iedereen dwingen zich tot die kerk te bekeren. Waar echter God de mensen geboren laat worden in verschillende omgevin­gen met verschillende achtergronden, kan het nooit zuiver en redelijk zijn dat één kerk voor deze mensen de weg betekent en dat ze zonder de­ze weg niet zalig worden.

Dan: “Deze kerk is de weg, zodra men haar kent.” Een stelling die ik ook heel vaak heb horen verkondigen. Indien dat waar is, dan betekent dit, dat ik een waarheid van anderen boven mijn eigen waarheid moet stellen. Dat ik dus blindelings moet aanvaarden wat voor mij niet te begrijpen valt. In een dergelijk geval moet ik datgene, waarop ik mij beroep als mens en als geest (mijn verstandelijk en denkend vermogen), terzijde stellen en daarvoor in de plaats zetten een stupide aanvaarding van waarden, die ik dan toch zeker ook niet kan beleven en waarderen. Mijns inziens een tegenstrijdigheid, waardoor ik deze stelling niet aanvaardbaar acht.

We moeten in onze kerk vrij zijn! Inderdaad. Ik kan het daarmee eens zijn. Maar houdt het begrip kerk zelf niet in dat de vrijheid eigenlijk voor een groot gedeelte wordt beperkt?

Een kerk, zo zegt men, is een vereniging van mensen met een gelijk geloof. Akkoord. Dat men daarover spreekt, dat men discussieert, dat men leraren naar voren brengt, ik vind het allemaal heel mooi. Maar mijn geloof vraagt voor mij dan toch een bewijs, zodra ik de mening van ande­ren boven mijn eigen mening moet aanvaarden.

Ik kan geloven op gezag van een persoon, zoals de leerlingen van Jezus geloofden, toen hij zei.‑ “Ik ben het.” We kunnen ook wetenschappelijk zijn, zoals Thomas en zeggen. “Ja, maar dan wil ik eerst de wonden wel eens zien. Maar dat zullen we nog niet eens doen. Wij willen geloven op gezag van een persoon. Maar moeten we dan die persoon niet eerst goed kennen? Je moeten toch weten met wie wij te doen hebben. Anders kan ik zo iemand toch niet geloven en op diens gezag mijn hele leven opbouwen? Toch is het in feite juist dat wat er in de meeste kerken gebeurt. Dat is gevaarlijk. Ik geloof dan ook niet dat wij voor het geloof in de eerste plaats de religieuze geloofsvormen, zoals die op het ogenblik bestaan, primair moeten stellen, Zij kunnen leidinggevend zijn. Zij kunnen de mens misschien zeer ver tot de bewustwording voeren, indien hij in zichzelf niet voldoende inzicht bezit. Maar ik geloof daarentegen ook dat velen zonder die kerken verder kunnen komen, dichter bij een waar geloof en de waarheid dan met hen.

Je moet in iets geloven Iemand die geen geloof heeft, is geen mens. Want op het ogenblik dat je mens wordt (en alle verdere vormen die je na het mens‑zijn zult bekleden), heb je de capaciteit verkregen jezelf niet slechts te beschouwen als een centrum van waaruit de wereld wordt bezien, maar ook jezelf te zien in verhouding tot die wereld. Dat wil zeggen dat je persoonlijke reactie op de wereld te allen tijde, je leven moet uitmaken en dat je dit leven zelf kent.

Nu is het eigenaardige dat er in ons wezen iets bestaat dat volmaaktheid aanvoelt, ook wanneer die niet wordt beleefd. Wij kijken verder dan het feitelijke en zien grotere mogelijkheden dan we in ons op het ogenblik realiseren. Dan is datgene wat wij aannemen dat kan worden bereikt ‑ ofschoon het niet is bereikt ‑ geloof. Dat is toch een logische conclusie.

Nu zegt men wel eens: Waarin moet ik geloven? Je kunt natuurlijk geloven in een man met een grijze baard, die in een hemelse troonzaal te midden van jubelende engelen en groepen harpisten en schalmei‑spelers zit. Je kunt geloven in een vreemd ongevormd kosmisch Iets, dat denkt, dat deel heeft aan je leven en dat je toch niet kunt erkennen of vinden en in alle trappen ertussen. U kunt geloven in een God die woont in een boom, die woont in de zeeën. Je kunt tenslotte zoveel verschillende vormen van goden aanvaarden. Maar indien zo’n God volgens mijn geloof reëel is, dan is het ‑ zou ik toch zeggen ‑ mijn beeld van het Goddelijke. Ik neem dus het Goddelijke maar aan, zonder dat kan ik niet betogen. Dat is ook een geloofszaak. Op het ogenblik dat ik dat Goddelijke volgens mijn voorstellingsvermogen vorm en gestalte geef (of misschien zelfs vorm en gestalte ontneem) beleef ik iets, wat verder gaat dan mijn persoonlijkheid. Wat dat is, weet ik niet. Maar het eigenaardige is, dat ik uit die God kracht kan putten die ik niet zelf ‑ althans bewust zelf bezit.

Als we nog verder gaan, dan kunnen we zeggen: Alle geloof bestaat tenslotte uit een persoonlijk Godsbeeld plus een in de maatschappij geformaliseerde houding tegenover dit Godsbeeld. Dan kan er nooit een gedeeld geloof zijn. We kunnen ons geloof niet met anderen delen. Wij kunnen slechts trachten hen duidelijk te maken hoe we God zien, hoe we geloven dat de wereld is en de kosmos. We kunnen nooit ervan verzekerd zijn dat de anderen het zullen begrijpen, precies zoals wij het beeld tekenen,

Het Punt dat ik nu wil stellen is dit: Geloof is een zuiver persoonlijke zaak. Het bestaat alleen binnen de persoonlijkheid en zal mis­schien vanuit de persoonlijkheid tot een grootst gemene deler worden gebracht, waardoor ik met de gemeenschap contact kan hebben over een groot gedeelte van mijn geloofswaarden. Nooit over alles.

Dan blijft ons nog over ons af te vragen: Wat moet ik geloven om nu werkelijk geestelijk bewust te worden en verder te komen? Dat is één van de punten die u natuurlijk altijd graag wilt weten. Daarop kan ik u een heel eenvoudig antwoord geven: Indien u kunt geloven in een God, geloof dan ook in het feit dat die God u heeft geschapen en altijd met u is. Als u maar steeds tracht die God als factor in uw leven te zien, hoe klein of hoe groot Hij ook is, of het een kiezelsteentje is dat u in uw zak draagt en dat u God noemt met een eerlijk geloof of de grote kosmos‑omvattende Geest, Die niemand kan begrijpen, dat maakt minder uit. Leef aan de hand van hetgeen u meent dat uw God van u verlangt en dit ten volle. Dan zult u altijd bewustwording vinden.

Begrenzing

Zolang er een verschil bestaat tussen wat ik erken als mijzelf en het Al, is er een begrenzing. De wijze waarop ik die be­grenzing stel, is afhankelijk van mijn ervaring, mijn voorstellings­vermogen en mijn wil. Hoe meer ik mij richt tot mijzelf, des te ster­ker ik mij begrens ten aanzien van de omwereld, Ik kan gelijktijdig voor de omwereld volledig deel van die wereld zijn en voor mijzelf door de “ik”‑gerichtheid volkomen daarvan geïsoleerd en afgeschei­den. Als zodanig moge gelden:

Indien ik begrenzing zie als een grens tussen mij en de waarheid, tussen mij en mijn God, zo zal ik allereerst moeten trachten mijzelf, mijn lot, mijn wezen achter te stellen bij de totaliteit, waarin ik mij erken. Want slechts door het “ik” voortdurend als deel van het geheel te beseffen, zal ik erin slagen de grenzen, die er tussen mij en het andere bestaan, ter zijde te stellen; en zal ik voor mijn bewustzijn kunnen doordringen in het onbegrensde Al, waarin ik mijzelf ken, niet als “ik”‑heid of eenling, maar als deel van de totaliteit.

Indien gij in uw bestrevingen, door bemoeiingen, angsten, gevoelens omtrent uzelf begrensd bent, zo dient u te begrijpen dat die begrenzing voor U bestaat en niet voor anderen. Want in de werkelijkheid zijn er geen grenzen.

Grenzen, zelfs de begrenzingen van het “ik” zijn kunstmatige, uit menselijk denken geboren lijnen, die alleen gelden voor het menselijke ‑ misschien voor het geestelijke – maar niet voor de ware kracht van alle dingen.

Onbegrensd te zijn is ons einddoel. Onbegrensd in tijd, in ruimte.

Onbegrensd in beleving en vermogen; en gelijktijdig onbegrensd in rust en evenwichtigheid. Zolang wij dit niet kunnen bereiken, zullen wij moeten trachten de begrenzingen, die uit ons “ik” voortdurend geboren schijnen te worden en daaruit oprijzen, zoveel mogelijk teniet te doen door de nadruk te leggen op de relatie tussen ons en het andere. Een relatie, die niet het “ik” zoekt te dienen of te bevredigen, maar die slechts zoekt: de eenheid van het “ik” met het andere voor zichzelf te erkennen en te doorleven.

Dit is de oplossing van de begrenzing. Het is naastenliefde en meer dan naastenliefde. Het is een zelfvergetelheid, waarin het “ik” eerst waarlijk zichzelf kan vinden.