Geloof en waarheid

17 juli 1959

Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar. Daarom ligt het in de lijn dat u zelfstandig nadenkt.  Ik zou willen spreken over: GELOOF EN WAARHEID.

Geloof is iets dat je niet bewijzen kunt. Op het ogenblik dat je het bewijzen kunt, houdt het op geloof te zijn.

Wat is waarheid? Waarheid is datgene dat te allen tijde onveranderlijk blijft, zichzelf steeds gelijk is en geen enkele verandering kan ondergaan. Een waarheid is eeuwig en kosmisch tegelijk.

Kan een geloof een kosmische waarheid omvatten? Ik geloof het niet. Wanneer wij het geloof zien bij de mens, dan valt ons onmiddellijk op, dat hij dit geloof probeert aan te passen aan zijn eigen bewustzijn. Hij voelt natuurlijk wel een deel van de kosmische waarheid aan, maar het moet passen in zijn eigen wereld en in zijn eigen levensconcept. Geloof kan nooit de gehele waarheid zijn. Maar het kan wel een deel van de waarheid zijn. Je zou zelfs zover kunnen gaan, dat je stelt, dat elke vorm van geloof een deel van een kosmische waarheid omschrijft op een voor de mens nog aanvaardbare manier. Dat is wel prettig en leuk, maar dan is geen enkel geloof een absolute waarheid, dan is elke geloofsvorm een fragment van de waarheid.

Dat klinkt zo te vreemder, omdat menigeen denkt dat waarheid alleen in wetenschap is te vinden. Wetenschap is het onderzoek van waarden op een beperkte basis, met een beperkt begrip en met een beperkte vaststelling van verschijnselen. Dat houdt in, dat wetenschap een poging is een waarheid te benaderen die nooit geheel vervuld zal worden.

Er blijft altijd een raadsel bestaan dat niet-weten is. Het niet-weten in de wetenschap wordt tot these, tot theorie en de theorie is in feite niets anders dan een geloof, dat dan gebaseerd is op gekende feiten. Wij kunnen hierin ook wel de wetenschap betrekken, maar juist in dat deel waarin zijzelf zich onzeker voelt.

Wij staan tegenover grote raadselen. Wij spreken over God. Maar wie van u durft mij te zeggen wat God is? Wie kan mij dat zeggen? Er zijn er onder ons die daar studie van hebben gemaakt. Niet enkele jaren, maar enkele eeuwen lang. Zij zijn uiteindelijk zover gekomen dat zij in een theorie iets van hun godsconcept durven vastleggen. Maar uiteindelijk geven ook zij toe: het wezen Gods blijft voor ons een geheim.

Toch is er iets. Dit “toch is er iets” is eigenlijk de basis van ons geloof. Ondanks alles is er iets. Iets onbegrensbaars, iets onkenbaars. Iets waar je geen raad mee weet. Juist dat iets heb je nodig. Is dat waarheid? In dat wezen zal ongetwijfeld een waarheid schuilen. Maar wij kunnen geen waarheid beoordelen. Als je als mens op de wereld leeft, dan kun je als één enkele flard misschien iets als een waarheid in jezelf ervaren. Een flard, een kort ogenblik.

Als je gewoon als mens leeft, probeer je die waarheid wel te vinden, maar je kunt ze nooit vinden, want ze ligt veel te ver van je af. De waarheid-zoeker zal dit op den duur gaan beseffen. De mens die een waarheid geopenbaard wil zien, begrijpt op den duur dat hij buiten hem niet gevonden kan worden. Het is juist hier dat het geloof zijn sterkste werking vertoont. Geloof, werkelijk geloof, gaat gepaard met een absoluut vertrouwen. Je neemt voor zeker aan, ook al kun je niet bewijzen. Met dit geloof gaat hij in zichzelf zoeken, uit zichzelf krachten puren. Met dit bewustzijn probeert hij in zich God te vinden. Dan komt het geloof hem te hulp op een zeer wonderlijke wijze, niet door zijn begrip van de wereld aan te vullen, maar door langzaam maar zeker delen van zijn voorstelling omtrent zichzelf uit te vagen. Als hij begint met het Ik-begrip, dan is het omvangrijk, vol van kwaliteiten en eigenschappen, van opdrachten en taken, van belangrijkheid.

Dan komt het ogenblik dat het geloof je zegt: maar dit kan niet belangrijk zijn…… op het ogenblik dat je begint te begrijpen: ja, wanneer het er werkelijk op aan komt en ik wil in mijzelf vrede houden ik wil in mijzelf gelukkig zijn, dan moet ik mij eigenlijk als een soort pion laten verzetten op het schaakbord der eeuwigheid, terwijl ik de speler niet ken. Ik vóél dat ik dingen moet doen, maar ik weet niet waarom. Maar als ik ze niet doe zal ik niet gelukkig zijn. Daarmee begint dan de ontluistering van de menselijke voorstelling van het Ik. Maar gelijktijdig krijgen wij in de plaats van het klatergoud de kermisfaçade, die de normale mens zijn eigen Ik noemt, het edele goud, de flonkerende diamant van geestelijke kracht, de zacht glanzende parels van bewustzijn, zodat zich de schat die in het Ik is gelegen, kan openbaren.

Op dat ogenblik wéét je niet meer. Zo complex is je wereld geworden, dat al de verschijnselen buiten je, die zin moeten hebben alhoewel je die niet beseft, terzijde worden gelegd. Je accepteert ze en je gelooft dat alle dingen zin en rede hebben. Op het ogenblik dat je dat gelooft, ben je dichter bij de waarheid. God schept een volmaaktheid. Alles is volmaakt. Elk gebeuren is volmaakt. Elke placering van persoonlijkheid, wezen, in tijd en ruimte, is volmaakt. Het is deel van Gods schepping. Een geloofspunt. Maar als dat zo is, dan hebben alle gebeurtenissen hun zin. Dan moeten de sporen der oneindigheid, die elkaar hier in deze wereld voor u en voor onze wereld ons kruisen, dit niet zinloos doen, of door het toeval, zelfs alleen maar door een karma. Elk gebeuren, hoe klein en onbelangrijk ook, is een intrinsiek deel van de eeuwigheid.

Kun je dit geloven, dan begrijpt u ook dat het niet gaat om wat er buiten je gebeurt, maar om wat er in je gebeurt, de wijze waarop jij reageert op de buitenwereld. Je kunt niets veranderen. Het enige dat je veranderen kunt, is je zelf. Je kunt voor een ander mens niets doen. Je kunt alleen die mens leren om zichzelf beter te zien, om meer tot zichzelf te komen, om meer vrede in zichzelf te winnen misschien. Dat is het enige dat je werkelijk kunt doen. In al het andere wordt je gedreven. In al het andere zul je steeds weer moeten ontdekken: ho, men drijft mij en ik weet niet waarom. Want gisteren wilde ik dit en toen kon ik niet. De dag daarop zal ik het misschien weer willen en ik zal het misschien weer niet kunnen. Maar nu op dit ogenblik wil ik het niet, maar ik moet het doen… Haast onbewust word je zo geleid en gestuurd. Dit begrip van de al-belangrijkheid van het gehele leven, tot de kleinste gebeurtenis toe, is nu eigenlijk het eerste begrip, het eerste lichten van de waarheid. Het begrip van je eigen taak daarin.

Bewust zijn van jezelf is een geloof, dat tot een zekerheid wordt en zo op den duur tot een weten. Daar hebben wij eigenlijk de hele verhouding, ten voeten uit. Geen enkel geloof op zichzelf kan een waarheid zijn. Het is een deel. Wanneer ik een deel van een geheel uitgeef, is het een leugen. Wanneer ik vijf maten uit een symfonie geef, ik speel ze en ik zeg: dit is het kunstwerk van Beethoven…… dan heb ik gelogen. Dan heb ik juist de climax weggelaten, of ik heb het zachte adagio weg laten smelten en daarvoor in de plaats alleen de laatste gewelddadige akkoorden gegeven. Op dezelfde manier werken wij, wanneer wij spreken over waarheid. Wij zien wel iets dat reëel is, maar wij zien het niet in verhouding. Wij begrijpen niet waarom. Dan zeggen wij: dit is ons geopenbaard……. Natuurlijk, het is ons geopenbaard. Maar als wij nu geloven dat dit de enige waarheid is. Als je gelooft dat vijf maten “Die Unvollendete” is van Schubert, of de 5de van Beethoven, ben je dan eigenlijk niet dwaas? Wij hebben allemaal een fragment van de waarheid, dat wij in ons geloof bevestigen. Met dit geloof zouden wij moeten zoeken naar een grotere waarheid.

De meesten van ons doen echter niets anders dan in dit geloof hun eigen onfeilbaarheid, hun eigen meer-wetendheid, een betere status in de wereld te verdedigen. Dat is dwaasheid. In het geloof kan de waarheid sterven op het ogenblik dat men de geloofswaarde maakt tot het enig-zaligmakende, het alleen bestaande. Het geloof kan een stuwende kracht zijn, als wij van daaruit op kunnen groeien tot een steeds verder reikend geloof, een steeds dieper inzicht in onze eigen verhouding t.o.v. een Goddelijk en raadselachtig wezen dat wij niet begrijpen. Te beseffen wat je zelf bent dat is waarheid.

U zult mij voorwerpen dat er hier in de wereld toch heel wat waarheid wordt gesproken. Is dat wel waar? U spreekt de waarheid zo goed als u ze kent. Als ik zeg dat het warm is, heb ik relatief gelijk, iemand anders zal misschien zeggen dat het een normaal lekkere temperatuur is en dat het tamelijk koel is vandaag. Wat u zegt is misschien voor uzelf op dit ogenblik waar, maar het is niet alomvattend.

Het geeft geen kosmische relatie of verhouding aan. U zegt, zoals men misschien vroeger heeft gezegd: deze mens is een misdadiger…… over een paar honderd jaar zal men zeggen: deze mens was een heilige: Jeanne d’Arc….. Wie sprak nu de waarheid? Wat is er nu waar? Is Jeanne d’Arc de heilige, of is zij het opgeschoten boerenmeisje dat als een misdadigster zich verzette tegen de koninklijke macht van Engeland en tegen de wil van de kerk? Wat is waar? Napoleon was een groot krijgsman. Ook zeggen wij: Napoleon was een beul. Wat is nu waar? Het kan allebei waar zijn. Het een maakt het ander niet minder waar. Wij zijn in onze eenzijdigheid steeds maar weer genoopt tot het erkennen van één aspect van de zaak. U hebt allemaal wel een munt in uw zak, een kwartje, of een gulden. Houd deze nu eens aan één kant voor u en zeg dat dat een gulden is. Als dat waar is, kan ik u van alles voorgoochelen wat precies diezelfde tekening en glans vertoont, tot een kartonnetje toe. Er moet nog een achterkant aanzitten, er moet een bepaalde legering van metaal zijn. Dan pas is het echt.

Zo is het nu met alle gebeurtenissen op aarde en ook met elk geloof. Wij zien één kant. Daar naar kijken wij. Misschien dat wij ook op den duur leren het tegendeel, de tweede kant te zien. Als wij nog wat verder gaan, dan leren wij ook nog het randschrift te lezen, om de jaartelling te zien. Verder komen wij niet. Wij kunnen ons nog niet realiseren, waaruit de munten van het leven worden geslagen. Wij weten niets af van energieverhoudingen. Wij kunnen ons niet voorstellen wanneer wij op aarde zijn, dat zuivere energie een levend en denkend wezen kan zijn. Nog minder kan men zich voorstellen, dat het schijnbare Niets een levende en werkelijke persoonlijkheid is. Omdat men het zich niet voor kan stellen, gelooft men het niet.

Men zal soms zeggen het te geloven, terwijl men in werkelijkheid hoopt dat het waar is, of meent daardoor anderen te kunnen overbluffen. Maar het is voor ons niet waar. Er zijn veel mensen die zeggen dat zij niet bang zijn om te sterven. Maar van hoevelen is het werkelijk waar, wanneer het er op aankomt? Er zijn mensen die zeggen dat zij altijd het goede willen doen. Maar hoe vaak is het waar? Er zijn mensen, die zeggen: ik geloof in God als een liefdevolle Vader. Hoe vaak is dat waar? Hoe vaak houden zij dat geloof ook, wanneer zij tegenslag hebben, wanneer zij ellende hebben? Daar heb je nu eigenlijk het gehele geval. Waarheid moet eeuwig zijn en onveranderlijk. Waarheid is misschien een ander woord voor God, Alomvattend, aldoordringend, niet gebonden aan tijd, gebonden niet aan grenzen. Geloof is onze methode, om dat, wat wij vaag aanvoelen over de werkelijkheid, een uitdrukking te geven die voor ons past, meer niet.

Elk geloven is een stap op de weg naar een mogelijke waarheid, meer niet. In het leven zelf,  bestaat er geen absolute waarheid. Er bestaan alleen gedeeltelijke waarheden die je als mens en als geest soms ver kunt samenvoegen op een meer betekenend geheel, maar die je nooit tot een alomsluitend geheel kunt samenvatten, zodat ze je God doen kennen. Daarom wil ik aan de hand van dit onderwerp de stelling poneren: zonder een geloof kun je niet leven. Je geloof is de uiting van je zoeken naar de waarheid. Maar elke waarheid die je vindt, sluit een deel van een grotere waarheid in. Ik geloof dat dit voor uw wereld en voor de onze waar is. Ik geloof het; zeker weten doe ik zelfs dat niet.

  • U zei zo-even: “voor uw wereld en de onze”. Is dat in uw wereld ook zo betrekkelijk?

Natuurlijk, anders zou ik dat niet zeggen. Zo lang als wij werken, hier in Nederland, hebben wij er steeds op gewezen dat wij niet alle dingen weten. In 1919 gebruikten wij daarvoor de zin: “Bedenk wel, slechts wat voor u waar is, kan u verder helpen op uw pad.” En rond 1930 gebruikten wij de zinsnede: “alleen Gods stem in u is de absolute waarheid.” Tegenwoordig zijn wij nog wat redelijker geworden en zeggen wij: “bedenk wel, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.” Wijst dat er niet op, dat ook wij nog moeten zoeken? Zeker, wij weten vaak veel meer dan u, dat geef ik graag toe. Maar wat hebben wij aan louter feiten? Het gaat niet alleen om de feiten, het gaat om een inzicht. Wanneer dat inzicht van ons dan groter is dan het uwe, dan zijn wij er ons toch zeker van bewust dat het onvoldoende is. Wij moeten verder en hoger. Zelfs degenen die ons leiden, zijn voor ons alleen zuilen van wit Licht. Die kennen nog niet een absolute waarheid. Een gedeeltelijke waarheid ja, maar nog niet absoluut, nog niet alomvattend. Dat zeggen zij ons ook.

Daarom zeg ik: voor uw wereld, zowel als voor de onze. Voor onze wereld, zowel als voor de uwe is waarheid een betrekkelijk iets, dat langzaam groeit, totdat wij waarheid bij waarheid bij waarheid voegen, een steeds grotere waarheid in onszelf dragende, misschien eens komen tot een absolute waarheid, waarin wij niet slechts onszelf, maar ook de Schepper en schepping gelijkelijk kunnen erkennen.

  • Alles wat voor onze zintuigen waarneembaar is, is dat waarheid? Alleen ons bewustzijn is a.h.w. zo betrekkelijk, dat de zintuigen die waarheid niet kunnen omvatten. Dus met het groeien van bewustzijn zullen wij meer de waarheid kunnen beleven.

Daar kan ik met mee gaan voor een heel groot gedeelte. Wij mogen rustig zeggen: de waarheid die zijn sterfelijk woord erkent, is een illusie, waarachter een werkelijkheid schuil gaat. M.a.w. alles wat u waarneemt – zintuiglijk – wat u beleeft, wat u doet, is werkelijk. Het is waar in de zin dat het behoort tot de Goddelijke Schepping, tot een kosmisch geheel. U kunt de betekenis daarvan niet begrijpen. U kunt niet begrijpen waarom het zo is en waarom u zo moet reageren. Hier komt de vraag bewustzijn naar voren. Nu wil ik stellen dat niet alleen het bewustzijn, maar zelfs het vermogen tot zintuiglijke ervaring te beperkt is om iets van de inhoud van een gebeuren te begrijpen. Om dat te kunnen doen zou je micro- en macrokosmos gelijkelijk moeten kunnen beleven en zien. In feite leeft u tussen beiden. De kleine wereld is te klein en de grote te groot. Uw zintuigen nemen maar een zeer beperkt gebied waar. Juist omdat dat het geval is, heeft de mens van het begin af aan getracht de onverklaarbare verschijnselen te verklaren door het geloof. Het geloof is de verklaring van iets, dat je als waarheid erkent, maar wat in redelijke redeneringen niet passen kan. Ongeacht de Goddelijke waarheid, die buiten ons geopenbaard is en door ons zintuiglijk kan worden waargenomen, is er slechts één benadering van de waarheid feitelijk mogelijk. Dat is: in onszelf, waar niet de limiteren gelden van zintuigen, van wereldbeperking en waarin je, door jezelf a.h.w. kunt gaan langs alle werelden, tot in de grootste Goddelijke kracht Zelf.

  • De waarheid ligt in onszelf en neemt geen oorsprong in uitwendige dingen. Er is een innerlijk middelpunt in ons hart, waar de waarheid in volheid leeft.

Dan hoef ik niets meer te zeggen, want dat hebt u voor mij gedaan. Dank u. Voor de mens is dit een doel en dit doel is in redelijke mate bereikbaar. De mens kan dus tot erkenning komen van zijn innerlijke waarheid en zijn innerlijke kracht. Dat wil nog niet zeggen dat nu alle geloof plotseling overbodig is en daarvoor in de plaats een kosmisch weten komt. Het wil alleen zeggen dat daardoor het mogelijk wordt tot een erkennen van de waarheid op een ander vlak over te gaan. Eerst wie zichzelf kent, zal de waarheid omtrent de wereld kunnen ervaren. Slechts wie zichzelf kent, weet hoe hij moet handelen. Uit het onbegrip van zijn eigen persoonlijkheid bouwt de mens zijn afgoden. Hieruit kunt u begrijpen dat de strijd tot zelfkennis niet als een feitelijke kennis, maar als een begrip voor de mens nodig is.

Ik geef graag toe dat lang niet iedere mens dat begrijpen zal. In vele gevallen zal de mens ofwel te redelijk willen streven, dus te wetenschappelijk, dan wel te veel op het geloof afgaan en daardoor zichzelf steeds misleiden. Er komt een ogenblik dat de mens het begrip omtrent zijn innerlijke kracht met zeker weten omtrent zich en de wereld kan vereenzelvigen. Dan vinden wij de steen der wijzen, de bron der eeuwige jeugd, de boom des levens. Dit erkennen verjongt de ziel. Brengt de ziel bewust dichter bij het Goddelijke. Het geeft aan het geloof een nieuwe inhoud, die een veel grotere zekerheid is dan hij voor de doorsneemens kan zijn. Er zijn van dergelijke mensen op aarde geweest en er zijn er nog. Men noemt ze meesters. Men noemt zo ingewijden. Zij doen soms wonderen, soms scheppen zij een kunstwerk van onvergelijkelijke grootte. Maar altijd weer is het vreemde, dat zij geest en stof samen weten te brengen in een harmonie die iedereen kan erkennen; alleen begrijpt men niet hoe en waarom, men kan alle regels mathematisch berekenen, men kan alle melodieën volgen en toch is het niet mogelijk, om alleen met die gegevens de bezieling te herscheppen die zij in hun werk hebben gelegd. Het is mogelijk om precies te verklaren hoe men door ingrijpen, of suggestie, een mens kan genezen van een dodelijke ziekte.

Zover is men. Maar men kan het niet, omdat de wetenschap op zichzelf niet voldoende is, er is een bezieling nodig. Die bezieling kan alleen voort komen uit een grote zelfkennis, waardoor je in staat bent op de juiste wijze de waarde van je geloof uit te drukken in de stof. Dit is niet alleen mogelijk voor de mens, maar haast noodzakelijk. Want indien hij dit niet bereikt in één leven, zo zal hij terug moeten keren. Wanneer hij het bijna, maar nog niet geheel bereikt heeft, dan zijn er werelden van vormen, waarin hem gelukkig en vrediger vaak iets van het stoffelijke wordt herhaald, waarin men dan dit bewustzijn kan vinden. Maar, zoals een groot denker zei: eens komt voor ons het ogenblik dat wij staan voor de zwarte kloof der tijd. Wie de moed geeft zich in deze stroom te storten, hij ontwaakt in het Rijk dat ligt buiten alle werelden en dat als naam draagt: Waarheid.

Het is eigenlijk ook een geloofsbelijdenis. Zover ik kan gaan, is zij waar. Eerst wanneer wij de wereld van vormen verlaten en in het vormloze onze eenheid zoeken uit te drukken met God, worden wij beter van onszelf bewust; begrijpen wij, hoe klein het deel der waarheid is dat wij tot op dat ogenblik bezaten en zijn daardoor in staat steeds meer waarheid uit de kosmos toe te voegen aan de beperkte waarheid die wij omtrent onszelf reeds kennen.

  • Is het niet zo, dat bij het voortschrijden der ontwikkeling, elke geloof langzaamaan tot bijgeloof wordt?

Het is niet zo, dat bij het voortgaan van de ontwikkeling, geestelijk, stoffelijk, het geloof zonder meer verandert in bijgeloof. Over bijgeloof spreekt namelijk alleen degene die geen begrip heeft voor de beperkte innerlijke waarheden van de primitievere mens. Er bestaat geen bijgeloof. Alleen geloof bestaat er. Geloof, dat een onvolledige verklaring en uitdrukking geeft aan iets van eeuwige, of onzichtbare waarden, door het Ik ervaren. Als u zout morst, heeft dat bijgeloof zeker zijn redelijke gronden. Het heeft ook zijn magische gronden. Het is het zout dat wijdt. Het is het zout dat reinigt. Het is het zout dat de band van vriendschap bindt, omdat het wordt opgenomen in het menselijk lichaam op een zo absolute wijze, dat zij, die van hetzelfde zout gegeten hebben, zichzelf zouden schaden, wanneer zij de ander zouden kwetsen. Dat is niet alleen bijgeloof. Het is wáár. Er zijn banden, materiële en minder materiële, die ons binden. Het bijgeloof is een uitdrukking daarvan.

Hetzelfde bv. als het onder de ladder doorgaan. Je zult zeggen: “het is toch maar een heel simpel bijgeloof….” Zeker. Maar de basis daarvan is een geloof. Het geloof namelijk aan de hemelladder, die weer een vertekening is van de wereldboom, of levensboom. Degenen die achter die ladder gaat, ontmoet niet wat opstijgt, maar wat afdaalt. Door dus onder de ladder des levens door te gaan, kom je terecht in stromingen die voor jouw bewustwording negatief zijn. Degenen die dit vroeger ervaren hebben – heus niet alleen omdat er spatten van boven vielen – hebben gedacht dat het demonen waren. Zij hebben niet begrepen dat het een negatieve vorm van bewustzijn was die zij ontmoetten. Toen zij daarin gingen geloven, waren zij dus beter in staat die werkingen, die niet van de ladder afhingen, maar van hun eigen instellingen – dus een geestelijk contact met hogere sferen – te bemerken. Zo heeft elke bijgeloof – zoals men het noemt – een achtergrond, die vaak heel ver ligt van hetgeen men op het ogenblik denkt. Veel bijgelovigheden zijn, gezien de kennis van de mensheid, zinloos, tenzij wij ons realiseren dat zij slechts symbolen zijn van een ander geloof, dat eerst heeft bestaan.

Daarom zou ik het anders uit willen drukken. Wanneer de mens zichzelf wijzer acht verwerpt hij waarheden uit het verleden. Maar hij kan zich van die gebruiken niet bevrijden en zo schept hij uit geloof, bijgeloof, en maakt hij, uit wat eens een bewustzijn was, een dwaasheid die hij zelf schouderophalende begaat.

  • Hetgeen nu voor ons abstract is, wordt toch eens voor ons realiteit?

Een abstractie is iets wat in de huidige vorm en volgens het huidig bewustzijn, niet als een kenbare en tastbare waarde gerealiseerd kan worden. De enige werkelijke abstractie die er bestaat is ons eigen wezen. Ons wezen is namelijk een theorie en een voorstelling, die op de duur teloor gaat in de erkenning van waarheid, deelgenootschap in de Schepping, deel zijn van de Goddelijke kracht. Alle andere abstracties komen tot een zekere mate van werkelijkheid. Niet zoals wij ze kennen, maar zoals zij in de kosmische wetten zelf zijn uitgedrukt. Misschien is het wel goed dat abstractie een zekere correctie ondergaat, voordat zij werkelijkheid wordt. Stelt u zich eens voor hoe verschrikkelijk het zal zijn, als abstracte schilderijen, zoals van Ouborg, plotseling tot werkelijkheid zouden worden. Dingen die tastbaar zijn, maar die in hun ideeën abstract zijn. Die een weerkaatsing zijn van een onbegrepen werkelijkheid bij de kunstenaars en daarom nooit anders kunnen zijn dan een weerkaatsing van een stemming, die hen beheerste.

  • Wij hebben het woord “geloven” in onze taal. Maar als een soort tegenstelling “weten”. Dat weten, moet ik dat nu zien als een vorm van geloven en niet als een werkelijk weten?

Een werkelijk weten, een kosmisch weten, staat boven geloven en groeit op den duur uit het geloof. Maar datgene wat men geloof noemt, voordat men tot geloven komt, is de eigen vermetelheid, waarmee men waarden van de eeuwigheid verwaarloost om daarvoor in de plaats zijn eigen beperkte conclusies te stellen. Veel van het weten is slechts een misvorming van het geloof. Het is geen geloof, alleen een misvorming ervan. Wij moeten ook vaststellen dat het beperkte weten als instrument het middel is tot bevestiging en verdieping van het geloof en als zodanig heeft het dus wel zin. Weten wordt over het algemeen verkeerdelijk gebruikt, namelijk als een vaststelling van een waarheid, i.p.v. als een basis, van waaruit men naar een nieuwe waarheid kan zoeken.

DE NIEUWE WERELDLERAAR

Een tijd geleden hebt u gehoord over de nieuwe wereldleraar. Het wordt tijd dat wij u weer eens gaan herinneren aan zijn bestaan en zijn werken. Het is op het ogenblik dan de periode dat deze nieuwe wereldleraar langzaamaan bewust gaat worden van eigen zending en taak. Tot op dit ogenblik heeft hij meer gehandeld als een meer ingewijde. Hij heeft leringen verzameld, hij heeft gewerkt. Op het ogenblik schijnt hij in retraite te zijn. Wij nemen aan, dat hij voor zich daaruit grote kracht zal winnen en dat hij dus sterker en meer openbaar zal gaan leven als vóór die tijd. Dat kan nog wel een maand of zes duren, maar wij vonden het toch wel even prettig dat te vertellen.

Wij vinden het vooral prettig dit te vertellen, daar wij op het ogenblik te maken hebben met heel andere dingen dan alleen maar esoterische werkingen op aarde. Er is een hele tijd een zware strijd aan de gang geweest tussen Licht en Duister. Het is op zichzelf niets nieuws. Dat komt regelmatig voor. Maar slechts zelden heeft een dergelijke strijd hoogtepunten bereikt, als in de laatste 50 jaar. Nu op het ogenblik drijft alles weer naar een hoogtepunt toe. Dit jaar zelf – 1959 – begint tekenen te vertonen van een steeds toenemende spanning, die niet alleen ligt op sociaal, politiek, of economisch terrein; zij ligt overal. Vergroting van prikkelbaarheid, wisselvalligheid van humeur en van handelen zijn op de hele wereld steeds toegenomen. De irrationaliteit van denken neemt ook toe. Dat wij daarnaast – gelukkig – geestelijke werkingen hebben, waardoor meer inzicht en bewustzijn wordt verworven, is niet in staat dit alles te neutraliseren.

Nu kunnen wij heel prettig tegen elkaar gaan zeggen: ja, dan zijn wij zeker degenen die meer geestelijk bewust worden, want wij voelen toch, dat wij geestelijk een eindje verder komen. Daar komen wij niet mee. Daarom wil ik eerst eens erover praten, hoe deze dingen in elkaar zitten. Ik wil u erop wijzen dat wij al verschillende dagen hebben gehad van buitengewone ongelukken. Dat wij vele, volkomen irrationele daden hebben gezien van mensen. U kunt op een geven ogenblik horen: een politieman pleegt een roofoverval. Jongelui stichten brand Zo gaat het verder. Man en vrouw benemen zichzelf het leven. Kinderen vermoord… Overal hoor je die gekke dingen. De hele wereld is er vol van. U hoeft niet alleen daar naar te kijken.  Dat zijn de invloeden die op het ogenblik op de wereld werken. Invloeden, waar u – voor uzelf – persoonlijk ook mee te worstelen hebt, zoals iedereen. U denkt nu, dat u zo heerlijk gezellig zit en dat u volkomen rechtvaardig bent en dat u volkomen het recht hebt een ander eens op zijn nummer te zetten. Of misschien wilt u – met een dienstvaardige glimlach – proberen een ander duidelijk te maken dat hij het toch niet helemaal juist heeft. Maar daarmee handelt u precies heel vaak net zoals die andere, op een onredelijke wijze, u reageert niet meer redelijk.

U eist soms meer dan redelijk is, op andere ogenblikken vraagt u veel minder dan redelijk is. Uw gedrag is in zekere mate irrationeel geworden onder de invloeden die uw wereld op het ogenblik beheersen. Als je dat nu ziet, dan zul je met jezelf toch wel overeen kunnen komen, dat hier op een of andere manier een grens aan moet worden gesteld. Het heeft geen zin hier allemaal te zitten en te zeggen, wij zijn allemaal goede jongens en wij zijn nu geestelijk en vol van bewustwording, en de wereld ondertussen naar de maan laten gaan. Wij kunnen ook wel heerlijk op een wolkje met een harpje gaan zitten als engeltjes, i.p.v. ons af te zwoegen om hier op de aarde te helpen. Dan kunnen wij de naastenliefde er ook wel een eindje bij laten zitten en ons met goed doen in een lagere sfeer tevreden stellen.

Als wij dat doen, gaat de wereld eraan. Niet alleen de wereld, maar dan gaat onze hele bewustwordingscyclus eraan. Dat is voor ons niet zo erg, wij komen er toch wel, maar voor u is het heel erg. Voor ons zou het erg zijn, omdat wij dan het gevoel hebben, dat wij tekort zijn geschoten tegenover u. Het is daarom, dat ik dus allereerst de aandacht wil vragen voor die omstandigheden en ook het optreden van de nieuwe wereldleraar. In deze grote spanning, dit steeds toenemen van strijd, zal hij binnenkort optreden. Dan zult u misschien horen over de een of andere waanzinnige leraar die daar in India optreedt. U zult horen over een paar mullahs die in Arabië en Turkije plotseling met een soort hervorming van de Islam tevoorschijn komen, met alle gevolgen van dien, opstanden ook. Ruzie, vechten.

U zult waarschijnlijk zeggen: gelukkig, wij zijn wijzer en beschaafder… . U zult niet begrijpen, dat het hier gaat om een nieuwe richting die belangrijk is, ja, misschien beslissend in drie, of vier jaar. Wij kunnen niet van u verwachten dat u al die dingen au sérieux neemt; ook wanneer het in de krant staat. Dan krijgt u het zo verwrongen en vertekend, dat u er toch niets van hoort. Wanneer het al doordringt, dan hoort u in het begin niet de ware leer. Dan hoort u alleen maar een vertekende versie ervan. Het is daarom, dat ik zo brutaal ben, gezien deze strijd tussen licht en donker, gezien deze irrationaliteit, die als een wolk over de wereld ligt en ook u mee beïnvloedt, alvast enkele stellingen aan zou willen halen, die door de nieuwe wereldleraar tot op heden reeds heden gegeven zijn.

Het zijn misschien erg praktische leerstellingen en zij worden ten dele ook in gelijkenissen bekleed. Hij zegt ons: “De mens die zichzelf gerechtvaardigd acht, begaat een onrechtvaardigheid tegenover de mensheid. De mens die in plaats van te betrouwen op God, rekent op zijn verstand, komt bedrogen uit. Wij moeten voortdurend waakzaam zijn, omdat de Goddelijke kracht ons voortdurend benadert. Op het ogenblik dat wij echter insluimeren, gaat Hij ons voorbij en wij blijven eenzaam en ledig achter.” En: “De krachten van God Zelf, het Licht van alle geestelijke Groten, daalt sterk op deze wereld neer. In deze wereld leeft op dit ogenblik reeds een uiting van Gods wil, de openbaring van Zijn Kracht.” Hij, de wereldleraar, zegt dit alles niet ten onrechte. Nog weet hij niet, of ternauwernood, welke grote rol hij er zelf in vervullen moet, zoals Jezus dat ook niet geweten heeft, zoals Hij het ook langzaam moest ontdekken, voordat Hij in Zijn openbaar leven Zijn zending kon volbrengen. Maar hij zal het weten.

Zo geeft hij ons een gelijkenis die als een soort “bon mot” in vele bazaars van het oosten op het ogenblik verteld wordt: Er waren drie mensen die met een karavaan mee wilden trekken. De eerste kocht zich voor geld een plaats en meende: “Nu ik zo goed betaald heb, zal men mij waarschuwen.” Men vergat hem echter en hij bleef achter, verarmd, omdat de karavaan verder ging met zijn geld en zonder hem. De tweede had zich een plaats verworven als kameeldrijver. Hij dacht: “Op die manier kom ik onder de bescherming van de karavaan tóch waar ik wezen moet en ik zal voor de rest geen last hebben.” Alleen had hij vergeten, dat hij niet getraind was in het lopen. Na enkele dagen was hij zo moe, dat men hem achterliet. Hij was in de woestijn en ternauwernood slechts kon hij een oase bereiken, waarin hij verder kon leven, zij het zeer karig. De derde had van tevoren uitgemaakt waar hij heen wilde gaan. Hij had zich getraind, elke dag. Hij betaalde een zekere som, zij het geen grote, om mee te mogen gaan. Hij verzekerde zich, in geval van vermoeidheid, een plaats op een dier. Het grootste deel van de dag liep hij echter met de dienaren van de leider van de karavaan en kwam zo, gesterkt en gehard, aan in de plaats waar men hem bewonderde, waar hij door deze kracht en dit uithoudingsvermogen zich een baan wist te veroveren van buitengewoon groot belang en nu is hij een man die betekenis heeft.

Wat moet eigenlijk zo’n verhaal betekenen? Het is nog niet zo ver dat u moet kiezen, u kunt op het ogenblik nog rustig verder gaan en u kunt in uw stoeltje gaan zitten dommelen en gaan slapen. U kunt op het strand gaan liggen en u heerlijk bruin laten braden. Er is niets wat u zou hinderen. U kunt romannetjes lezen over typistetjes die met miljonairs trouwen, en chauffeurs die er met miljardairs van door gaan. U kunt zich amuseren zoals u wilt. Maar als u zich niet beheerst, wanneer u niet op het ogenblik traint om uzelf te beheersen, wanneer u zich niet traint om juist te reageren, wanneer u voor alles niet probeert om in uzelf de zaak te verwerken en het niet aan anderen op de hals te schuiven, dan komt het ogenblik dat u achter gelaten wordt. Dan zegt u misschien: ik ben geestelijk rijk. Maar die rijkdom is niet voldoende. Die rijkdom kan alleen door de daad worden ondersteund en dan heeft ze betekenis. Dan gaat het u als de man die in de karavaanserail lag. Die rustig in slaap dommelde en die de karavaan zonder hem zag vertrekken.

Als wij zeker zijn van ons geestelijk bezit, dan komen wij nergens terecht, zeker niet in tijden als deze. Wij kunnen misschien ook menen dat wij beperkt, zo genoeg zijn en dat wij kunnen gaan beginnen zonder ons te oefenen, zonder dag in dag uit een ogenblik van onze kracht te richten op het Goddelijke, zonder dag in dag uit ons te trainen in beheersen, zonder dag in dag uit voor onszelf uit te maken: wat is belangrijk en wat moet er gedaan worden? Je valt halverwege uit, je komt misschien een eindje mee, maar als de grote verwarring komt over deze wereld, dan komt u niet meer mee, dan weet u niet welke kant u moet kiezen en wat u moet doen. Dan weet u niet eens hoe u geestelijk, of stoffelijk, een ander bij moet staan.

Alleen wanneer u nu reeds vanaf dit ogenblik – hopelijk is u er al eerder mee begonnen – dag in dag uit uzelf oefent om mee te komen, u oefent op de omstandigheden die er thans nog niet zijn, die omstandigheden die het voor u nodig kunnen maken om, als een laatste redmiddel alleen maar de Goddelijke kracht te nemen, en uit die kracht te leven, wanneer al het andere faalt, dan voorkomt u een verkeerd uitkomen. Wanneer u zich niet vandaag aan de dag in de beheersing traint, dan zult u morgen in uw gevoel van rechtvaardigheid een paar woorden spreken, die voor u ondergang kunnen betekenen. Dan zult u schade ondervinden, in plaats van goed, door uw idee van recht door te zetten, i.p.v. u eerst af te vragen: wat is hier juist? Wat is de goede, wat is de Goddelijke kant die in de zaak zit. Hoe kan ik die naar voren brengen?

Het is tijd op aan deze dingen te gaan denken. Onze nieuwe wereldleraar is niet op deze wereld gekomen omdat het zo gezellig is, omdat wij nu allemaal aan een 1000 jarig rijk gaan beginnen. Hij is gekomen op deze wereld van verwarring, van spanning, van oorlog, omdat het noodzakelijk is, dat in de geestelijke omwenteling een kern wordt gevormd van een nieuwe mensheid. Zodat het noodzakelijk is die mensheid voor te bereiden, opdat zij niet zo dadelijk i.p.v.in een wereld die technisch de mogelijkheid heeft om zo te leven, dat je tijd overhoud voor een geestelijke bewustwording, terugzakt tot het jachtgebied, levend in kleine stammen, zoals dit eens in het stenen tijdperk bestond. Het is belangrijk dat deze dingen zo nu en dan eens gezegd worden. Over het algemeen vinden wij het goed. Wij spreken over het geloof, over de waarheid, over de esoterie, over de inhoud van het leven en de werkelijke wetten en betekenissen. Wij houden ons bezig met de kringloop van de ziel. Ja, ook wij, niet alleen jullie. Wij ook. Maar op den duur zijn wij geneigd om te vergeten, dat het hier op het ogenblik niet alleen maar gaat om: hoe worden wij bewuster, maar dat het erom gaat om nu en in deze wereld ons voor te bereiden op de moeilijkheden die komen.

Vergeet niet, dat het voor ons allemaal – ook voor ons in de geest – erom gaat, om nu de kracht te verzamelen die wij dadelijk nodig hebben, de beheersing. Als het tussen Licht en Duister gaat, vrienden, dan is het niet zo simpel en eenvoudig als u denkt. Als het tussen Licht en Duister gaat, dan wordt er gestreden en niet alleen met stoffelijke wapens. Dan wordt er gestreden met de verwarring en de verdeeldheid in jezelf. Dan zul je moeten beslissen, of je voor of tegen je vader of je moeder bent, je broeder, je zuster, je kinderen. Dan zul je moeten beslissen, hoe je kiest. Voor de kerk, of voor een dictatuur. Dan zul je moeten beslissen, hoe je kiest: voor je medemensen, of voor de waarheid. Dan zul je moeten kiezen, wat je wilt zijn.

Die keuze is moeilijk. Er zijn zoveel factoren die je kunnen misleiden, vrienden. Je meent misschien het beste te doen van de hele wereld, maar je hebt er nooit echt over nagedacht, wat de werkelijkheid is. Je kiest averechts verkeerd. Misschien wil je dan terug, misschien zou je willen veranderen, maar dan kun je niet meer. Je zult misschien de zaak een beetje anders willen stellen. Je zou voor jezelf zeggen: nu ja, ik zal dan toch in ieder geval doen wat recht is. Je zult je eigen leven en dat van een ander in de waagschaal stellen. Je zult de geestelijke kracht uitgooien daar, waar zij geen nut heeft. Je zult niet redden, wat niet te redden is. Je zult niet de waarheid brengen, daar waar de waarheid noodzakelijk is.

Jezus zei ook al: “Gooi geen paarlen voor de zwijnen…..” Het is geen esoterie, maar de droevige waarheid. Het wordt tijd dat wij vandaag hiermee beginnen. Je zult zeggen: waarom spreek je niet in een volle zaal…? Dat zullen wij ook nog wel doen, maar het is nodig dat wij elke keer weer er de nadruk op leggen. O, de wereld vergaat niet; maakt u zich geen zorgen. Er blijft geen grijze woestenij over, omringd door de acht lichtende wolken van atomair geladen lucht. Zo erg wordt het niet. Stoffelijk niet, maar geestelijk wel.

Geestelijk moet een keuze gedaan worden. Dat is een keuze die soms heel moeilijk is. Het zal een keus zijn tussen welvaart en vrijheid. Het zal een keuze zijn tussen waarheid en geborgenheid. Het zal een keuze zijn tussen plicht en vaak verlangens. Het zal een keuze zijn tussen de geestelijke waarheid die je in je draagt, en het heerlijk wegsuffen in een stoffelijke verdoving. Met al die strijd en al die dingen zult u het misschien wel merken. Misschien zult u zo over een maand of tien wel te horen krijgen, dat er overal zo ineens veel verdovende middelen worden gebruikt. Misschien zult u dan horen, dat de mensen allemaal zo suf zijn, dat zij geen interesse meer hebben voor wat anders, dan goedkoop vermaak. Dan zult u misschien in de kritieken lezen, dat al die klassieke werkjes zo mechanisch worden volvoerd.

Men zal kraken of breken, waar men kan. Als dat dan gebeurt, dan moet u niet meelopen met die massa, dan moet u voor uzelf proberen om de geestelijke waarde en het geestelijk Licht erin te vinden. Zeg nu niet dat u dat niet kunt. Begin nu in ’s Heren naam niet te vertellen dat het zo moeilijk is om tegen een massa in te gaan, want dat weet ik veel te goed. Vertel niet dat je op aarde je eigen meester bent, want ook dat weet ik. Ondanks deze dingen is alles wat ik u zeg, noodzakelijk. Ondanks alles wat u kunt aanvoeren, ter verontschuldiging van uw eigen lauwheid, uw laksheid, al datgene dat u kunt aanvoeren om uw eigen beheerstheid misschien te verklaren, blijft het precies wat ik gezegd heb: een keuze tussen leven en dood. Niet stoffelijk, maar geestelijk. Een keuze tussen een lichte en vrije wereld, een mensheid die terugvalt tot barbarisme en primitiviteit. U hebt de keuze, nog steeds.

Er is een nieuwe leraar gekomen om de mensheid de laatste kans te geven. Een leraar die zo dadelijk, bewust van zijn macht, op zal treden en dan de wonderen zal gaan doen die niet meer ontkend zullen worden, zoals de kleine wonderen, die hij tot nu toe deed. Over wie u zult horen. Iemand, om wie zich volksmenigten zullen groeperen. Als u vindt, dat dit allemaal heel mooi klinkt, maar dat u geen bewijs hebt, dan kan ik alleen maar zeggen: wacht u. Binnen zes maanden zult u hiervan horen, zoals het in de kranten geschreven staat. Lees het en hoop dan, dat u niet te laat begint met uw training. Ik hoop, dat u niet te laat bent begonnen met het zoeken naar beheersing. Hoop dan, dat u toch nog de weg vindt tot het innerlijke Licht dat je nodig hebt, wanneer de hele wereld je in de steek schijnt te laten.

Zo, dat was een boodschap. Nu zouden wij eigenlijk nog een klein beetje aan esoterie gaan doen. Deze dingen moesten gezegd worden. Het leven gaat verder. Wij hopen dat u zich eraan houdt. Wij gaan over tot de orde van de dag. Zo is het altijd in het leven. Zo is het zelfs in de esoterie. Je kunt wel zeggen: ach, ik wil in mijzelf die kennis verwerven, dat bewustzijn, waardoor ik God a.h.w. in het gelaat kan zien…… Maar het leven gaat verder. Het laat je soms de tijd niet om je zover uit je eigen wereld terug te trekken. Je kunt natuurlijk wel vertellen dat je, als je de kans maar had, geestelijk wel bewuster zou worden. Maar de wereld laat je er de tijd niet voor, vrienden.

Daarom mag ik misschien toch nog een paar opmerkingen plaatsen, voordat ik het woord aan de laatste spreker overgeef. U hebt 1000 keer gehoord, dat in elk ding en in alles wat u doet, in alles wat u beleeft, iets van de Goddelijke waarheid schuilt. U hebt ook gehoord, dat u ernaar moet zoeken. U hebt echter misschien nog niet gehoord, hoe u het in de praktijk moet brengen. Het is heel normaal, dat je zo nu en dan dingen moet doen die je niet prettig vindt.

Het is heel normaal dat je moppert, wanneer je die dingen moet doen. Het is heel normaal dat je soms geboeid wordt door zuiver stoffelijke belangen en dat je soms in de materie wel eens het zuiver geestelijke vergeet. Het zijn niet deze dingen die een geestelijke ondergang kunnen betekenen. Het zijn niet deze dingen die u weg voeren van de esoterische bewustwording. Er zijn andere dingen. Als je voor jezelf voortdurend probeert goed te doen, dan ben je al een heel eind op streek. Wanneer je verder je steeds je realiseert al is het maar aan het einde van elke dag, wat je nu eigenlijk verkeerd hebt gedaan. Je kiest elke dag één of twee fouten uit en je het onrecht van je eigen wezen hebt erkend, om dit deze dag definitief niet te doen, één dag maar, dan kom je verder, want je leert jezelf beheersen. Door deze beheersing zul je bij elk aspect dat je op die manier tracht te onderdrukken, ook een andere reactie zien van de omgeving. Die reactie zal niet altijd een prettige zijn.

Heel vaak zal het u lijken of men, nu ja, of u een extra last gaat betekenen, wanneer u bijvoorbeeld wat verdraagzamer bent. Wanneer u zich dan gaat realiseren hoe dit beantwoordt aan een behoefte in een ander, dan zult u het toch misschien kunnen verdragen, dan leert u meer en meer begrijpen van anderen. Zo vreemd als het moge klinken: wanneer wij anderen leren kennen – ook in de stof – dan leren wij daarmee iets omtrent onszelf. Ik heb een aardig sprookje over:

DE MENS DIE EEN WONDERSPIEGEL HAD

Deze wonderspiegel liet hem iedereen zien, zoals hij werkelijk was. U begrijpt, dat hij steeds probeerde iedereen in dat spiegelbeeld te vangen en te bekijken. Eens kwam er een plechtig gepijde monnik voorbij. Hij keek in de spiegel en zag een vos die waarschijnlijk net op weg was om de passie te gaan preken. Hij zag een mooie vrouw voorbij gaan. Hij keek in de spiegel en zag de dood zelf die voorbij ging. Want zij had alle hoop en Licht verloren. Zo keek hij dag in dag uit. Nu eens zoekend naar een zakenman die soms achter zijn welgedaan uiterlijk iets van een asceet bleek te hebben. Dan weer naar een sportman die soms een geleerde was, soms een hersenloze machine.

Zo ging hij verder. Hij leerde, dat de uiterlijkheid van de mens veel onverwachte dingen verbergt. In hem was steeds de nieuwsgierigheid gegroeid: Wat zal ik nu zijn? Wat zal in mijn wezen zijn? Eindelijk kon hij zich niet langer bedwingen. Hij greep de spiegel en zag erin. Weet u, welk beeld hij zag? Hij zag de monnik met het vossengelaat. Hij zag de vrouw die de dood was. Hij zag de onaanzienlijke die een levenbrengster was. Hij zag de man die achter zijn zakelijk uiterlijk het gezicht van een asceet bleek te hebben. Hij zag de geleerde en de machinemens. Hij zag de dofheid en de ellende, allen tezamen.

Toen, verpletterd door dat gezicht, wilde hij de spiegel breken. Maar een geheimzinnige kracht greep hem vast en dwong hem te zien en nog eens te zien, zeggende: “Ziet, al wat u zag in de wereld, bent u zelf.” Juist dit je één dag bedwingen om niet een enkele fout te begaan – let dan maar niet op de rest, begin maar met één enkele fout – dat heeft zin, want op het ogenblik dat je dat doet, ga je je wat realiseren van de omgeving. Je gaat andere mensen beter zien. Als je nu maar begrijpt dat al die fouten die je in een ander ziet, eigenlijk ook fouten van jezelf zijn, dat de dwaasheid van een ander, op een ander ogenblik bij jou precies zo wordt geuit. Dan ben je al een heel eind verder, dan kom je tot zelfkennis die je weer kunt gebruiken om in de wereld zo goed en zo nuttig mogelijk te leven.

Voor de esoterie is deze zelfkennis belangrijk, niet omdat zij u verder helpt tot andere werelden en andere sferen. Maar omdat zij u in uw ware vorm doet ontstaan in uw eigen wereld. Zij geeft u de achtergrond, waardoor u uw eigen verhouding tot God gaat beseffen. Niet kosmisch misschien, maar alleen als functie in een enkele wereld, of in een enkele sfeer. U doet uw werk. Aan de ene kant doet u het misschien graag, aan de andere kant met ergernis. U studeert. U doet het met vreugde en toch met verontwaardiging over sommige stellingen. Zie uzelf daarin. Zoals u reageert op deze dingen, zo reageert de wereld op u.

Bedwing uzelf daarin en de wereld zal u zelf anders gaan zien. De wereld bestaat uit een aantal mensen die gezamenlijk de mensheid uitmaken, die volmaakt kan zijn, wanneer de mensen voor zich de volmaakten beter nastreven. God openbaart Zich in alles wat de volmaaktheid benadert, kenbaar. De realisatie van het Ik wordt dan geboren uit het gezamenlijk bereiken. Daarom wil ik u dan de praktische raad geven: u moet eens proberen elke dag één fout, die je de vorige zo erg gemaakt hebt, niet te begaan, maar dan ook werkelijk niet begaan. Koste, wat het kost. Dan ook eens opletten, wat anderen doen. Als je die gewoonte maakt, dan zul je ontdekken, dat de wereld meer voor je gaat leven. Hoe meer je je isoleert, hoe minder je je bewust wordt. Hoe meer je de wereld erkent, in de wereld leeft en voor de wereld leeft, maar dan met een eerlijk erkennen van jezelf en anderen, hoe dichter je staat bij de eeuwigheid.

Ook uw wereld is deel van de eeuwigheid. Ook zij heeft haar vaste plaats in het eeuwig bestel. Nu woont u hier, morgen in een andere wereld. Maar wat u hier achterlaat aan bewustzijn, dat bouwt u in deze wereld verder voort. Het is u in een andere wereld vaak het innerlijk weten, waardoor u ook daarmee kunt bouwen de realisatie van de volmaaktheid door alle schepping. Het is maar goed zo nu en dan, dat wij onze leraren hebben. U hebt misschien wel gemerkt dat ik zo-even haast heftig was, of misschien wel helemaal heftig. Gelooft u mij, mijn heftigheid vindt zijn oorzaak in mijn eigen onvolkomenheid. Net zo goed als datgene wat ik in de wereld zie. U mag er rustig over oordelen. U kunt het mooi, of lelijk vinden, u kunt het afkeuren, of goedkeuren, maar onthoudt één ding: wat u in mij hebt gezien, dat leeft in u. Dan mag ik blij zijn dat ik in u, zoals wij hier bij elkaar zitten, toch iets van Licht zien. Zoals ik in u Licht zie, zo moet het ook in mij wonen. Daar ben ik erg gelukkig mee. Ik hoop dat u op die manier Licht zult kunnen vinden in de wereld rond u en u zo bewuster kunt worden van het Licht dat in uzelf leeft.

HET SCHONE WOORD

HET DRAAIORGEL

Het tinkelt als een carillon, het strooit zijn gouden klanken, die mengen, zich met zon de wegen in de vreugd van het zijn, ons wezen tot een baken vol leven.

Dansende melodietjes, die huppelend vlieden.

Centen, die vallen met koperen klank, één woord, door de melodie gemengd, dat spreekt van daad en verder vraagt.

Een melodie, die stil aan het wezen knaagt en soms het de benen moeilijk maakt om rechte gang te gaan; “wij zouden willen dansen, en moeten stille staan!”

Ach, draaiorgel, in de eeuwigheid klinkt soms een zonnig lied; een mens, die het horen kan, voelt zich getroffen en geniet. hij zou in zonnig zijn, al dansend door de wereld willen gaan.

Maar het is niet goed fatsoen, een mens moet stille staan en plechtig zijn, met lang gestreken geestelijke verworvenheid, erkennend niet de vreugd, maar sombere verdorvenheid en zo vergeet men d ‘engelenzang.

Maar als een orgeltje u zingt, of groter soms een carillon zijn liedje door de luchten zingt, laat dan je hart maar dansen gaan.

Geniet de vreugde van het bestaan en dank je God voor al, wat jou gegeven. De eeuwigheid vind je juist, wanneer je steeds kunt leven.

MOERAS

Een moeras is een heel verraderlijk iets. Het verraderlijkste is een moeras altijd, als je het ziet. Het is zo mooi groen. Er staan mooie bloemen in. Het is net of het daar prettiger te rusten zal zijn dan ergens anders. Maar o wee, als je één stap doet. Plomp! En je bent gelukkig als je nog stinkend uit de modder komt. Groene velden, riet, dat wiegelt in de zomerlucht, lokkend, belovend vrede. wonderlijke klucht van het menselijk heden misschien?

Kijk in de wereld, kijk naar het vertier, kijk naar het lokkend, lachend plezier, het staat als een licht aan de hemel geschreven: kom, drink, lach en dans, dat is pas leven. Striptease! De grote revue! Gij zijt onder dames: toutes nues! Kom, de balletjes draaien, het wervelende rad!

Je hebt toch vroeger geluk gehad? Gooi op je geld, je ziel en je leven en hoopt, dat het misschien wat winst zal geven.

Of zoek je misschien een verguld lekker klussie om te gokken, neem dan maar een lot van s.u.s.sie….

Maar weet dat op al dat klatergoud, het moeras van het leven is gebouwd, al die vrolijkheid is maar schijn.

Het dooft de geest, wat je moet zijn, het gaat wel daarin teloren.

Neen, beter is de stilte dan, waarin je nog kunt horen de stem, die roept, de werkelijkheid.

Beter als het moeras, dat steeds je maar misleidt, naar het spel, zijn drank, zijn revue, begoocheling, gemaakt voor u, om daar het leven te vergeten.

Moeras, het ziet er zo zonnig uit, zo licht, zo zonnig en zo groen.

Je zou er willen rusten, zo lustig je slaapje er gaan doen.

Maar waag je je op dat schemerende vlak dan breek je door de schoonheid heen.

Je valt in de modder, je stikt, je vergaat en je blijft met je ellende alleen.

Zoek niet al het schone, dat lokt en dat roept, blijf op een basis van werkelijkheid, ook als je zoekt naar geestelijk licht, naar stoffelijke vreugde, of naar eeuwigheid.

Want met ons gelach, onze spot, onze joel vergeten wij vaak de wetten ons in de ziel gegrift, de ervaring door het leven, lang geleden in ons reeds geschreven.

Wij nemen een droom van zijn, in plaats van de werkelijkheid, in plaats van streven, dat voert tot bewustzijn, tot eeuwigheid.

Ja, dat lokt, dat moeras.

Wie de wegen weet, wie de wegen kan gaan, kan de beproevingen van het moeras, en de verlokking ervan weerstaan.

Ken je die weg niet, sta stil en wacht, tot dat je een gids vindt.

Dan wordt je vanzelf, veilig naar het andere einde gebracht.

Moeras is een deel van de wereld, van het leven.

Zonder dat is het niet werkelijk compleet; maar de gids die je past, en die je voert door die dreven tot zijn wereld en zijn realiteit, dat is God die het leven zelf heeft gegeven.

Zijn kracht is het, die je draagt tot een eind wanneer je voor de verlokking niet zwijgen wilt.

Als je dit weet, duurt het wachten niet lang, omdat weten om God, is een vreugd in jezelf.

Je denken en je wezen verstilt, tot er vrede is zonder eind.

° ° °

Wie kan lachen als een kind, wie kan blij zijn als een kind, leeft als een geest in werkelijkheid. ’t Kinderlijk aanvaarden van leven en God is de overwinning op het lot, dat de rede vaak geeft. De lach van een kind, is de ziel van een mens, die nog in het bewustzijn van Goddelijke werelden leeft.