Geluidsmagie

uit de cursus ‘Occult practicum’ (hoofdstuk 11) – februari 1967

Geluidsmagie

Geluid is natuurlijk de overbrenging van een trilling. Een trilling kan dus resonanties kennen, waarbij neventonen ‑ zelfs in het niet-waarneembare of onhoorbare ‑ kunnen ontstaan en worden gewekt. Het bekende hondenfluitje is maar een van de voorbeelden van supersone trillingen, die met een kleine variant voor de hond supersoon blijken te blijven en aan de andere kant hoorbaar worden, maar niet luid, voor de eigenaar van het bewuste fluitje.

Wij moeten ons proberen voor te stellen, dat de menselijke geest in zijn voertuigen, het menselijk lichaam in zijn z.g. chakra’s, zelfs de planeten, de metalen, de planten, alles wat er op aarde bestaat, uiteen valt in een aantal hoofdfrequenties. Wij kennen bv. de grote frequentie (16‑bladige lotus), dat is de ya. Nu denkt u, dat dit ya op zichzelf een betekenis heeft. Ja. Maar het is eigen, een letter. Het is dus niet direct alleen maar een klank.

Spreken we over de 2‑bladige lotus, dan kennen wij de hoofdklank mm. Een M dus. Dat is ook een letter.

Er bestaat a.h.w. een alfabet van frequenties. Een alfabet dat, als we het in letters zouden moeten uitdrukken, voor de doorsnee‑mens 51 tot 53 tekens zou bevatten. Elke letter geeft dus een bepaalde klank en een klankcombinatie weer. Indien ik die klankcombinatie op de juiste manier weet te vormen, zal ik hierdoor inwerken op al wat er met die klanken verwant is. En wanneer de klanken, die ik produceer, in een bepaalde verhouding t.o.v. elkaar staan, dan zal in verhouding daarmee dus ook een werking van de verschillende krachten worden veroorzaakt.

Als u nu eens probeert terug te denken aan dat alombekende woord “Aum“. Wat vinden we daar eigenlijk in, als het goed wordt uitgesproken? We vinden daarin de beginletter ya. Yaum zou het eigenlijk moeten zijn.

Wij vinden daar verder in; de um of am. Een letter die een lager chakra aanspreekt (acht‑bladig). We vinden daarin de m, die hoofdzakelijk het voorhoofdschakra beroert. Als wij nu deze combinatie zien, dan wordt er door het woord uit te spreken een verbinding gemaakt tussen de verschillende fasen en factoren van het menselijk bestaan. Aum. En als u het gebaar ziet dat ik erbij maak, dan denkt u onwillekeurig aan bepaalde oosterlingen, die met dat gebaar a.h.w. zeggen, dat ze u met hun denken, hun spreken en hun hart ontvan­gen; dat ze dus eerlijk zijn. Een samengaan van verschillende factoren. Zoals de drie bekende aapjes, die niet zien, niet horen, niet spreken. Het is de samenwerking van deze dingen die een bepaalde waarde inhoudt.

Als ik nu die klank uitstoot, dan zal ik niet alleen tot mijzelf spreken. Ik zal alles, wat in een bepaalde frequentie met mij harmonisch kan zijn of kan resoneren, eveneens beroeren. Het woord “Aum” is dus niet slechts een beïnvloeding van mijn persoonlijkheid, maar ook van mijn totale omgeving. Het is ‑ mits op de juiste wijze gebruikt ‑ een middel om de daar heersende wetmatigheden en verhoudingen tijdelijk of misschien zelfs blijvend te wijzigen.

Men noemt dit dan: klankmagie. U zou het evengoed kunnen noemen; de chemie der trillingen. Want wij doen met deze klanken niets anders dan mengen. Wij mengen een bepaald element met een ander element; en wel in een zekere verhouding. Het resultaat bevat beide elementen, maar vertoont eigenschappen die in de beide elementen afzonderlijk niet tot uiting kwamen. Ik mag dus aannemen, dat elke klankcombinatie ‑ onverschillig welke ‑ een bepaalde betekenis heeft. Ook een naam.

Nu moet u eens even nadenken, hoe vreemd het is, dat wij klanken als Ma en Pa overal ter wereld zullen aantreffen. Ma en Pa worden in de menselijke taal gebruikt om aan te geven, dat er al een resultaat is: dat er een kind is; of dat er een bepaalde actie is. Het kan dus een bepaalde status of rang uitdrukken. Dit zijn algemene begrippen. Het zijn begrippen, die voor een groot gedeelte der mensheid ongeveer gelijk zijn. En of je nu Pa bent, omdat je kinderen hebt, of Pa(k) bent, omdat je boer bent, of Pa(h) bent, omdat je ergens regeert, heer bent, dat maakt niet veel verschil uit. In alle drie de gevallen werk je op het andere in en ben je bepalend voor de resultaten die in het andere ontstaan.

Als dit kan gelden voor een gewoon woord, dan zal dit ook moeten gelden voor elke naam. Een naam met a‑klanken is over het algemeen een primaire naam. We kennen bv. Marie, Karel, Arie, enz. Dit zijn primaire namen. Zij zijn gebaseerd op een bepaald chakra, dat voor iemand, die die naam draagt, meestal dominerend is. En vreemd genoeg niet, omdat dit in hem de meest ontwikkelde eigenschap is, maar omgekeerd: omdat de naam, die een veel voorkomend verschijnsel is in zijn gedachten en in zijn woorden, voor hem een voortdurende activering betekent van een bepaald chakra. Namen kunnen in dit geval eigenschapsbepalend zijn.

Nu gaan we over naar namen die z.g. secundair zijn. Bijvoorbeeld: Tom, Monica. Als de ca erbij komt, dan is er toch weer een primair element bij. Maar zeggen we Monique (zoals de Fransman), dan valt het weer weg.

Hilda, afgekort tot Hil, ontbeert de a‑klank, dus de primaire‑werking.

We zeggen van dergelijke namen, dat zij combinatiewaarden bevatten.

Een o‑ of om‑klank betekent over het algemeen een gelijktijdige stimulus van enkele der lagere en één der hogere chakra’s.

Een oe‑klank geeft over het algemeen een evenwichtigheid tussen bepaalde hogere en bepaalde lagere chakra’s aan; een wisselwerking.

Krijgen we een ie‑klank, zoals bij Piet, maar ook bij Hilda (het zijn vergelijkbare klankwaarden), dan spreken wij van een primair geestelijk element, waardoor het lagere wordt beheerst.

Om het dus heel eenvoudig te stellen: Als we een Arie hebben, dan zal hij over het algemeen “down te earth” zijn, hij zal dus erg stoffelijk denken; een uitgeslapen jongen zijn. Maar Arie zal in zijn uitgeslapen handelen worden gedomineerd door een idealisme. Hebben we te maken met een Piet, dan zal die naar buiten toe vaak heel wat idealistischer zijn dan hij werkelijk is. Zijn motiveringen zijn in feite vaak sterk materieel. Al het andere is alleen maar een soort bekleding, een zelfhandhaving; dat is secundair. Dat wil niet zeggen dat die idealen niet gemeend zijn. Het wil alleen maar zeggen, dat ze a.h.w. de aanvulling zijn van het stoffelijke; de stoffelijke nood. Bij Arie is het omgekeerd. Daar is de realiteitszin noodzakelijk om zijn ideaal te kunnen bewaren.

Als we dat voor namen kunnen doen, dan is het logisch dat we dat ook voor begrippen en woorden kunnen doen. En dan zouden we zo ver kun­nen gaan, dat ik zeg: Ik stel een nieuw woord samen. Dat woord heeft dus een bepaalde klankbetekenis. Ik kan uit de letters (ik heb er nu maar een paar van gebruikt) een woord samenstel­len, dat een heel eigenaardige invloed op de mens heeft. Ik behoef dan nog niet eens een nieuwe samenstelling te nemen. Ik kan bv. denken aan een samenstelling als Karakorum. En bv. in een secundair woord: vobiscum.

Ik kan die woorden nu gaan gebruiken, zonder dat ze in een zinnig contact met elkaar staan. Zoals ik elementen, die eigenlijk niet bij el­kaar behoren, kan gebruiken om een bepaalde actie te doen ontstaan. We kunnen bv. zeggen: Ongebluste kalk en water zijn helemaal niet no­dig voor een maaltijd. Maar als ik geen vuur heb, kan ik door die twee bij elkaar te voegen de maaltijd verwarmen. Zo kan ik dus bepaalde woor­den of woord‑combinaties gebruiken, niet omdat ze een doel in zichzelf zijn, maar omdat zij resonansmogelijkheden bevatten, waardoor de werkingen, die wij werkelijk wensen, gemakkelijker tot stand worden gebracht.

Dan beëindigen wij dit misschien wat meer abstracte onderwerpje met enkele korte formuleringen:

  1. Elke a‑letter ofwel combinatie van de a‑klank met een andere letter of letters ( voorbeelden: ja, ka, ma, ra, pa, ya, wa, e.d.) bepalen primair geestelijke en mentale impulsen. Hun grootste in­vloed betreft over het algemeen het denkvermogen, het onderbewust­zijn en eventuele geestelijke waarden of werelden.
  2. Alle letterklanken, waarin meeklinkt een i , een oe, een e, e.d. zijn combinatieklanken of ‑woorden. Zij zullen als verbindend materiaal of als onderstreping over het algemeen niet zonder meer als magisch‑resultaat‑brengend woord kunnen worden gebruikt.
  3. Het is niet zo belangrijk dat u die klanken leert beheersen, dan wel dat u begrijpt wat deze klanken doen. Elke klank is een stimulus o.m. voor enkele van uw chakra’s, voor enkele delen van uw lichaam en voor bepaalde dingen in uw omgeving. De woorden, die u het meest gebruikt, zullen daarom zowel uw eigen reactie en geaard­heid als de reactie en geaardheid van de omgeving t.a.v. u medebe­palen. Indien u daarbij dus nadrukkelijk en met intensiteit vermijdt o‑ , i‑, e‑ en oe‑klanken te gebruiken en daarentegen over het alge­meen wel de a‑klank met een zekere nadruk inschakelt, kunt u er ze­ker van zijn dat geestelijke waarden en mentale mogelijkheden de voor­rang krijgen. Voor alle reiniging gebruikt men woorden en formule­ringen, waarin de a‑klank veelvuldig voorkomt, met een voorkeur voor de combinaties ka, ya, la.
  4. Klankmagie vergt een zeer langdurige studie. De eenvoudige principes, zoals ik ze hier heb uiteengezet, zijn echter zonder meer te begrijpen. Zorg ervoor dat u zich niet in een omgeving beweegt ‑ en zeker niet te lang beweegt ‑ waarin bij herhaling bepaalde klankwaarden te sterk voorkomen. U verliest uw zelfbeheersing en uw redelijkheid; en zowel uw geestelijke als uw stoffelijke processen gaan op een door u niet beheersbaar onbewust vlak verder. U kunt dan de resultaten van uw eigen zijn en werken niet meer voldoende bepalen.

Bezweringen

De meesten van u weten wel wat er onder bezwering wordt verstaan. Een bezwering is een aantal gedachtekrachten, eventueel ondersteund door andere riten, waardoor men zekere krachten oproept, richt en bepaalde resultaten tracht te bereiken.
Nu kan men natuurlijk bij bezweringen altijd uitgaan van het standpunt dat het alleen goden en demonen zijn, die het hem doen; en trachten de krachten te richten, zoals iemand een rozenkrans laat zegenen met wijwater door de pastoor. Maar de feitelijke situatie ligt een klein tikje anders. Ik denk dat het binnen het kader van deze cursus daarom wel interessant zou zijn om eens na te gaan wat de ingrediënten zijn, die gezamenlijk dan “bezwering” heten.
Bij elke bezwering is vooropgesteld: een denkbeeld van het doel. Als je iets wilt bezweren of iets wilt oproepen of wat dan ook, dan zul je moeten beginnen met een doel te hebben. Dit is nl. bepalend voor je mogelijkheden. Een bezwering is nl. een gebouw, dat wordt opgebouwd uit vele verschillende bestanddelen. Maar je moet een fundament hebben; en dat moet stevig zijn, het moet goed omschreven zijn. Anders deugt het geheel niet en krijg je de meest krankzinnige afwijkingen. Wij noemen dit: een doel.
Wat kan bij de bezwering een doel zijn? Wel, we krijgen in de eerste plaats: het denkbeeld van informatie (ik wil iets weten); in de tweede plaats: van reformatie (ik wil iets hervormen, een toestand veranderen); in de derde plaats: van deformatie (ik wil iets aantasten); en in de vierde plaats: een conformatie (ik wil iets bevestigen). Alle doelstellingen vallen dus onder de genoemde hoofden. Elke keer als ik een doel heb, moet ik dus beginnen met na te gaan:

  1. Wat wil ik? Wil ik iets veranderen (een kracht richten op iemand om bij hem iets te veranderen ten voordele of ten nadele)? Wil ik wéten wat er aan de hand is? Of: wil ik zeggen wat er moet gebeuren? Ik moet precies weten: wat ga ik doen. Dat is heel be­langrijk, want je eigen wezen, je persoonlijkheid, wordt door dit doel evenzeer gericht als de eventuele krachten die je oproept.
  2. Je moet begrip hebben van macht. Nu kan macht regel zijn. Ik kan dus een praktisch vermogen hebben, waardoor ik geesten of mensen kan dwingen. Maar ik kan evengoed een beroep doen op ande­re kracht. Ik kan dus een ontleend gezag of een ontleende macht gebruiken.(ik beroep mij o.a. op godsnamen).
  3. Ik kan werken met een volledig fictieve macht of een fictief gezag. U zult zeggen: Is dat laatste nu werkelijk mogelijk? Ja. Op het ogenblik dat ik zelf geloof een macht te bezitten (ook in­dien ik die in feite niet bezit), ontleen ik hieraan voor mijzelf een voldoende zekerheid om die macht uit te oefenen, zolang ik niet direct word aangevallen en verslagen in de macht die ik veronder­stel. Dat wil dus zeggen, dat we soms eigenlijk helemaal zonder geesten en werkelijke goden of engelen werken. Wij kunnen eenvoudig werken met fantasie. Maar die moet dan ook wel zo stevig in haar schoenen staan, dat wij er zelf volledig in geloven.

Dan zult u zeggen: Maar als we nu een God oproepen, is dat dan anders? Ja. Als ik een Godsnaam gebruik, dan moet ik wel weten wat die Godsnaam omschrijft. Als ik roep naar Jahwe, Tetagrammaton wat mij betreft, dan moet ik weten wat ik ermee bedoel. Ik moet dus wel het begrip kennen dat er in die Godsnaam zit. Maar die God zelf en de krachten van die God behoef ik verder niet te kennen. De naam is hier nl. (en dat is een magisch principe) een samenstelling van klanken en waarden, waardoor een verbinding met die andere kracht tot stand komt. Ontleende macht vergt dus begrip en een zekere kennis. Ze vergt niet ‑ zoals men misschien hieruit al heeft begrepen ‑ een volledig geloof of zelfs maar een volledige aanvaarding. Aanvaarding of geloof kunnen conditioneel, tijdelijk zijn. En wat geloof betreft, dit kan soms geheel ontbreken.

Dan kan ik natuurlijk werken met mijn eigen macht. Nu ja, die eigen macht, daarvan moet je overtuigd zijn; die groeit altijd langzaam. Daarom geldt dus bij een bezwering: Als ik het doel heb, dan zal ik de weg kiezen, die voor mij de meest aanvaardbare is om macht tot uiting te brengen. Voor de doorsnee‑mens is dit ontleende macht.

Bij ontleende macht dient men te weten, welk aspect van het Goddelijke men met een bepaalde naam aanroept. Of men erin gelooft, is verder niet van belang. En als we dat hebben, dan komen we aan het volgende punt:

We moeten zorgen dat de krachten onszelf niet kunnen beroeren. De macht, die wij bezitten, kan misschien voldoende zijn, maar er zou een aarzeling kunnen komen in ons aanvaarden van de kracht van die God bv., in ons geloof in onszelf, of zelfs in de fantasie, die we hebben opgebouwd. Daarom stellen wij tussen onszelf en datgene wat wij bezweren – ook als het hier niet gaat om het oproepen van een geest ‑ altijd een grens. Die grens kan een temperatuurgrens zijn. Ik kan bv. iets (een voorwerp dat ik voor een bezwering gebruik) in het midden van een bakje water laten drijven. Ik kan zorgen dat het warmer staat; dat het gloeiend heet is bv.. Ik kan het ook in de koelkast stoppen. Ik heb dan een begrenzing geschapen. Er is een verschil tussen het milieu, waarin datgene wat ik wil bezweren (of het symbool ervan) zich bevindt en mijn eigen milieu. Dit schept een onaantastbaarheid. Op het ogenblik dat er een volledige gelijkheid van waarde bestaat voor mij en hetgeen ik wil bezweren of waarop mijn bezwering is gericht, zal elke werking op mijzelf terugslaan of kunnen terugslaan. Dat is begrijpelijk. Per slot van rekening, als je samen op het aambeeld gaat zitten en je zegt dan tegen de voorhamer “val maar”, dan is de kans heel groot dat je allebei een opdonder krijgt. Daarom moet je dus zorgen dat er een verschil is.

Ten laatste: Ik heb altijd iets nodig, waardoor de bezwering van kracht wordt. Dat kan een geest, een demon of een duivel zijn. Het kan ook een bepaalde natuurwet of iets anders zijn. Maar ook daarvoor moet ik een omschrijving hebben. En dan geldt in dit geval:

Ik gebruik altijd als uitdrukking van de volbrenging een naam (die dan wederom in zijn betekenis bekend moet zijn), een kracht of een gebaar (eveneens bekend in zijn betekenis), een symbool (bekend in zijn betekenis) of ‑ en dat kan ook mogelijk zijn ‑ een associatie.

Die associatie kan een element zijn. Ik wil iemand door een bezwering behoeden voor bv. verdrinken. Dan doe ik dit door het voorwerp in een kommetje water te gooien en er wat water uit te halen. Met andere woorden: het water mag en kan u niet schaden. Dat is dus een associatie. Daarmee is het beeld voldoende overgebracht.

Hier heeft u dan de grondbeginselen van bezweringen. Maar er zit nog veel meer aan vast. En dat is ook logisch.

Als ik met die bezweringen bezig ben, dan bouw ik over het algemeen een ritueel op. Of dat ritueel er nu één is om iemand op afstand te genezen, hem dood te maken of om een geest op te roepen of te verdrijven, ik gebruik daarvoor bepaalde vaststaande formules en gebaren en ­gewoonlijk ook vastliggende stoffen. Waarom doe ik dat?

Wel, door gewoontevorming, dus door het voortdurend gebruik van gelijke associaties, wordt het mij mogelijk weliswaar beperktere bezweringen uit te spreken, maar ze steeds juist en volledig uit te spreken. Het is of ik de taal van de wereld van geestelijke machten moet leren. En omdat ik weet, dat ik de totale vocabulaire niet kan beheersen, beperk ik mij tot een basis‑vocabulaire van bv. 200 woorden, waarmee ik reeds het nodige toch wel kan zeggen, al wordt het ingewikkelder. De ritus wordt dan eigenlijk schijnbaar zwaarder en meer omvattend dan noodzakelijk is. Maar dat komt nu juist, omdat ik alles heb teruggebracht tot grondbegrippen; en vaak meer begrippen nodig heb om hetzelfde uit te drukken.

Bij de opbouw van de riten ga ik dus weer uit van het doel; en daarbij kunnen we de indeling, die ik zo even heb gegeven, gemakkelijk gebruiken.

Elk doel (dus de wijze, waarop het doel afzonderlijk bestaat) wordt alweer uitgedrukt in een afzonderlijke wijze van beginnen en van handelen. Indien wij voor onszelf met die bezwering nog bijzonder veel resultaten willen behalen en we willen de bezwering een langere tijd handhaven, dan is het heel verstandig om ook daar de zaak vast te leggen.

Als ik iemand bv. de waarheid wil laten zien, dan kan ik natuurlijk moeilijk een beeld van de waarheid nemen. Maar ik kan wel een portret van die persoon nemen, daarop schrijven “waarheid” en het dan met het gezicht naar beneden op een spiegeltje plakken, bij wijze van spreken. Dat alles dan op een plankje leggen en rondom dat plankje mijn symbool en mijn tekens vastleggen. Want elke keer, als ik dat ding zie, het benader of daaraan maar denk, dan werkt die bezwering door.

Dat is dus een eenvoudige methode om de werking te verlengen en te zorgen dat steeds weer de gelijke kracht wordt uitgezonden. De hoofdwaarde of de macht waarmee de doorsnee‑mens werkt, zal over het algemeen zijn ontleend aan het Goddelijke.

Er zijn ook nog een paar dingen, die u er altijd bij moet onthouden:

Indien ik iets negatiefs wil bereiken, dan kan ik dat nooit van uit het Goddelijke zelf doen. Maar in het totaal van de schepping (dus onder het gezag van het Goddelijke) zijn krachten, die daarvoor speciaal geschikt zijn. Bij wijze van spreken: Ik kan van de goeie God niet vragen dat Hij met de een of andere tandenstoker iemand in zijn lichaam gaat prikken om hem door pijnen af te persen of op een andere wijze tot bezinning te brengen. Maar wat ik wel kan doen, dat is een macht zoeken, die reeds zo geaard is en die dan te sturen in de naam van God. Maar ik kan dan nooit een liefdevolle God gebruiken. Ik moet dan altijd een gezag‑handhavende, een toornige, een actieve God hebben. Dus kies ik mijn Godsnaam in overeenstemming met de kracht die ik wil gebruiken.

U zult dan zeggen: Maar waarom nou eigenlijk met die bezweringen altijd denken aan het negatieve? Nou, de mensen gebruiken bezweringen meestal wel daarvoor.

Maar als ik nu iets bijzonder goeds wil doen, dan is het duidelijk dat ik daaraan ook uitdrukking moet geven. En die uitdrukking ‑ zelfs al is dat alleen maar een uitzenden van doodgewoon kracht naar een ander, zonder meer ‑ moet voor mij gefixeerd zijn. Wat is voor mij het aspect van God, waarin de grootste kracht ligt?

Punt 1: De kracht, die voor mij nog kan werken. Ik antwoord daarop. Dan: welke naam past daar bij? Die naam is de naam die ik in mijn bezwering gebruik.

Punt 2 : Heeft die God misschien voor mij nog enkele boden (laten we zeggen: Michaël, Gabriël of een ander. Azraël zou ik maar buiten beschouwing laten; dat is een soort transporteur van zielen). Weet ik dus welke kracht ik als uitvoerende kracht daarnaast kan stellen, dan heb ik verder niets meer nodig. Want: ik heb de kracht, die optreedt als bemiddelaar; ik heb de naam van een God, die voor mij de macht uitdrukt; en ik heb mijn eigen wezen dat tot die God roept.

Maar misschien zou die God niet luisteren. Ik moet Hem dus eigenlijk wakker schudden; of beter gezegd: ik moet Hem voor mijzelf waar maken. De een doet dat door op zijn knieën te vallen; de ander door een zegenend gebaar te maken; en de derde misschien door een tekeningetje of een plaatje te bekijken of een kaarsje aan te steken.

Punt 3: Wat drukt de aanwezigheid van dit aspect van God voor u het zuiverst uit? Herhaal elke keer, als u eraan denkt, dezelfde handeling. En u zult tot uw verbazing zien, dat de zaak als vanzelf loopt.

Is het nu werkelijk een engel, die die krachten overbrengt? Och, in 9 van de 10 gevallen: neen. Net zomin als het een Indian scout is, zoals sommige anderen beweren, of een liefdevolle geeste­lijke broeder of zo iets. Dat is allemaal maar formulering. Waar het in feite om gaat, dat is dat er een soort heelal in het heelal wordt geschapen.

We behoren tot verschillende werelden of sferen, dat is dui­delijk, en tot een bepaalde sfeer van een bepaalde kracht. Ik behoor ertoe; ieder ander kan er ook toe behoren. Wanneer de ander in contact is met die sfeer, dan kan ik mijn kracht via die sfeer automatisch geven. Maar wat meer is, de ander zal ‑ doordat hij mijn intentie in die sfeer voelt ‑ voor zichzelf de kracht van die sfeer ne­men en gebruiken. Het is dus een soort inductie‑proces. Er behoeft helemaal geen God en ook geen geest bij te pas te komen. Het gaat er alleen om: Wie ben ik? Wat ben ik? Wat denk ik? Wat is die an­der? Daarom geldt nog iets anders:

Ik kan nooit een kracht via bezweringen op anderen richten of van anderen weghouden, indien ik niet tenminste de trilling en de naam van die ander ken en zo mogelijk een voorstelling van diens persoon bezit. De voorstelling behoeft niet gelijk te zijn aan het origineel. Ze moet voor mij echter wel het origineel representeren.
Zo ziet u, dat een bezwering helemaal niet zo moeilijk is, als het wel lijkt. Nu kan ik mij voorstellen, dat iemand zegt: Maar hoe zit het nu met de fantasiewereld? De fantasiewereld is eigenlijk een soort afstemsysteem. Kijk eens, als u een radio heeft en u draait de wijzer op de schaal op Hilversum, dan zit u toch ook niet in Hilversum? Maar u schept een conditie, waar­door Hilversum te ontvangen is. Wat ik dus doe, heeft erg veel weg van een soort bezwering. Ik weet helemaal niet wat er precies in die kast gebeurt als ik aan de knop draai. Maar voor mij is het belangrijk, dat ik net zo lang draai, totdat de wijzer staat waar hij voor mij op dat mo­ment behoort te staan. Iemand, die u gaat vertellen dat hij afstemt door de wijzer te ver­schuiven, leeft in een fantasiewereld. Die wijzer is alleen maar een aanwijzing, een indicatie, meer niet. Maar aangezien die wijzer nu eenmaal is verbonden met de rest, zal dat afstemmen inhouden, dat inderdaad alles wat er achter zit, op de juiste wijze draait. Zo moet u die fantasiewereld eigenlijk zien.

In de fantasiewereld ga ik de scala van mogelijkheden na. Die scala van mogelijkheden is kosmisch. Alles, wat ik denk, kan bestaan. Als ik dat logisch opbouw, heb ik een beeld. Ik heb iets gefixeerd. Ik heb a.h.w. de wijzer der mogelijkheden voor mij gezet op een bepaald gebied. Wat dat gebied voorstelt, dat geeft toch helemaal niet. Het gaat erom dat de instelling juist is. Indien de instelling juist is, dan werkt het mechanisme, zullen we maar zeggen, van de eigen geest, dus, van de eigen persoonlijkheid. Het stelt zich dus in op sferen en op bepaalde krachten.

Het stelt een bepaald doel. Een doel, dat helemaal niet reëel is zoals het wordt gefantaseerd, maar dat past bij mogelijkheden, die wel in de realiteit bestaan. En zo schep ik, als ik nu maar denk dat ik een macht bezit (dus als ik denk aan de knop te kunnen draaien; ik durf het aan), dan schep ik vanzelf een resonantie, een contact of een harmonie (dat kan verschillend zijn) met die ander of dat andere dat ik mij in de fantasiewereld voorstel. Er is een verbinding.

Wanneer die verbinding er is, zal wat er in mij bestaat als fantasie of idee voor de ander worden getransponeerd in waarden, in macht en in werkelijkheden die in zijn realiteit, in zijn leven passen. En dan hebben we dus helemaal niet te maken gehad met een echte God of met een echte engel. Dan hebben we alleen te maken met de structuur van de kosmos, van het heelal. Alleen daardoor al kan de bezwering reeds werken; kan ze al van kracht zijn.

Nou, dan kan ik dit zo langzamerhand gaan afronden door op te merken, dat een bezwering veel meer inhoudt dan de meeste mensen denken. Ze denken: een bezwering, dat is een geest of zo iets. Maar als u een wrat wegneemt door haar voor een cent te kopen, dan is dit ook een vorm van bezwering.

Als u een symbolische handeling verricht ‑ onverschillig welke – dan is dit in wezen dus reeds een vorm van bezwering, zodra daarmee de voorstelling is verbonden van iets, wat daardoor ergens op aarde of in de geest gebeurt, zonder dat er eigenlijk een directe samenhang bestaat, behalve in de gedachten. Dat is dus al een bezwering.

Als u bv. sterk zit te denken: “laat het morgen mooi weer zijn, want ik moet morgen uit”, dan is dit een poging tot bezwering. En als u nu maar gelooft, in uw beheersing van de hoge en lage drukgebieden, dan heeft u nog kans dat het lukt ook. Alleen, in Nederland zijn de behoeften vaak zo verdeeld, dat het een vraag is hoe lang je het houdt, als je het eenmaal hebt; dat geef ik graag toe.

De eindconclusie is dus duidelijk: Als bezwering mag alles worden beschouwd, waardoor ‑ zonder dat er een direct redelijk oorzakelijk verband bestaat ‑ resultaten of werkingen worden beoogd en bereikt in of buiten het “ik”.

En als we dat weten, dan kunnen we de indelingen daarop toepassen. En we kunnen ook besluiten om zelfs deze eenvoudige daden, die een bezwering inhouden, tot een klein ritueel te maken, waardoor de kans op blijvend goede resultaten groter is.

Horizon

Horizon, einder. Einde van hetgeen je ziet. De buiging van de aarde, waardoor de lucht als een lijn zichtbaar wordt, die het zijn beperkt. Maar als je verdergaat, dan gaat de einder met je mee. Wat achter je werd gezien, verdwijnt in het niet. En vóór je komt in het verschiet, wat zo even nog niet was voor jou; want je draagt je horizon met je.

De buiging van de wereld waarop je staat, je vermogen tot zien, de manier waarop je het zijn ondergaat, al tezamen bouwt de horizon van het bestaan. Dat geldt voor de geest zowel alsook voor de stof.

Wie tracht boven de einder uit te zien, hij zal illusies ondergaan. En eerst wanneer hij kan stijgen, zodat hij meer van het onvermoede kromme van het bestaan kan beseffen of overzien, wat méér gaan zien. En hij zal zien verheffen uit het niet, wat anderen nog niet zien en niet beseffen.

Zo is de horizon van het bestaan in feite het vermogen om boven de waan van het eigen heden en het eigen “ik” uitstijgend wat meer te zien van werkelijkheid, wat meer te overzien vooral van alle krachten, die er samenwerken; het vinden van een verbond met de oneindigheid. En zelfs dan blijft er nog een horizon. Want als de einder wegvalt, dan is er slechts oneindigheid.

Oneindigheid kan voor een mens toch niet bestaan. Niet slechts de tijd, maar ook de ruimte moet voor hem begrensd zijn. Anders valt hij in een ledig niet, waarin hij niet kan bestaan, omdat hij niet durft te zijn, zonder een begrenzing. Dus je hebt je eigen horizon.

Maar weet: dit is niet werkelijkheid. Dit is een schijn, die uit mijzelf is voortgekomen.

Naarmate het “ik” stijgt en zich meer verheft, beseft het meer van wat er is, al blijft begrenzing voor mij bestaan. En eerst wanneer ik mijzelf heb ontworsteld aan al wat nog begrenzing kan zijn of kan betekenen en de laatste waan is gevloden en ik mijzelf heb gevonden in werkelijkheid, dan is er slechts één horizon: Gods Oneindigheid, waarbuiten voor mij niets bestaat en niets kan bestaan; waarbuiten ik niet meer kan gaan. Maar dan kan ik niet meer stijgen. Dan moet ik aanvaarden het bestaan, dat God heeft gegeven, dat uit Hem voor mij voortbestaat, waarin mijn wezen leeft.