Genezers en duiveluitdrijvers in Babylon

image_pdf

27 februari 1959

Aan het begin van deze avond wil ik u er op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik zou iets willen vertellen over: Genezers en duivel uitdrijvers in Babylon.

Babylon: Een grote lange muur, bijna vierkant, op een zestal plaatsen onderbroken door grote poorten, aan de zijkanten de schilderingen van de geestelijke poortwachters. De stad zelf: Enkele, wat armelijke kwartieren, waar de werklieden en ook soms slaven zijn ondergebracht.

Midden door de stad: Een grote, ruime straat die op een gegeven ogenblik ook weer langs een paar extra muren loopt. Aan de ene kant vinden wij daar de paleistuinen, het paleis, aan de andere kant vinden wij als eerste blikvanger een grote gebedstoren. Dat is een soort piramideachtig bouw, die aan drie kanten bijna recht naar beneden valt en daar is de helling zeer klein. Aan de overblijvende kant vinden wij eerst een grote trap van bijna 300 treden in totaal die in het laatste gedeelte zigzag verder gaat langs een steeds smaller wordende hoogtegang. Wanneer je daar staat en je ziet al die kleuren van blauw en azuur, dan lijkt het – van een afstand gezien – een overweldigend gedenkteken, waarin de grootheid van Babylons Goden bevestigd wordt. Maar ga je echter de poorten door, dan kom je al snel tot de conclusie dat er niet één, maar meerdere concurrerende tempels zijn gelegen.

Wij zien dat door lagere muren, soms ook door hogere muren of vijvers gescheiden, een aantal heiligdommen bij elkaar liggen. Onze interesse in dit geval is wel speciaal gericht op een afdeling die betrekkelijk laag is. Geteld in enkel drie, in de meeste ten hoogste twee verdiepingen, groepeert het zich rond twee binnenplaatsen. De een zou je een soort ouderwetse apotheek kunnen noemen. Op deze binnenplaats worden allerhande heksenzalven en brouwsels gemaakt, waarmee zieken, waanzinnigen en bezetenen genezen worden. In de voorste hof vinden wij een aantal afgeschermde hokjes, waarin men zijn problemen kan voorleggen aan wichelaars, maar vooral aan duiveluitbanners en geneesheren. Voor een modern mens lijkt dit een klein tikje bijgeloof. Je kunt je haast niet voorstellen, dat al die mensen uit die grote stad, die toch een behoorlijke beschaving genieten, daar komen om – bevend van angst haast – een duiveluitbanner te vragen, of zij de demon die hun zaken belaagt, nu toch eindelijk kwijt kunnen raken. Wat meer begrip kunnen wij misschien hebben voor die anderen die vaak tegen betaling van zilver of handelswaren – een enkele keer zelfs goud – hier hun geneesmiddelen halen.

Als wij echter doordringen achter dit uiterlijk, met zijn marktachtige drukte en zijn vaak haast ontstellende pracht en praal, dan zien wij daar de scholen liggen. Lage gebouwen, twee verdiepingen hoog. Boven slaapzalen, beneden leslokalen en hier en daar een kleine tempel of heiligdom. Om bij deze mensen nu eens te gaan kijken naar hun eigenlijke werk is wel interessant en bovendien belangrijk voor een begrip voor dat, wat ook vandaag op de wereld  zich afspeelt. Laten wij maar eens een klaslokaaltje van de meer gevorderden binnengaan. Het ziet er een klein beetje anders uit dan een moderne klas, want de leerlingen hebben zich hurkend en liggend gegroepeerd rond een tweetal kaalgeschoren priesters – zij hebben wel een baard, maar zijn toch kaalgeschoren – plus een eunuch. Dat kunt u zien aan zijn kleding, maar ook aan het feit dat hij geen baard heeft. Dezen geven op het ogenblik les in, wat men nu zou kunnen noemen, demonologie.

Wij horen ongeveer de volgende lezing: Toen alles geschapen werd, vielen de krachten uiteen in zeven. Overeenkomst dus met het toen bekende aantal planeten. Er zijn zeven Goden. Enkelen van hen scheppen licht, anderen doen de aarde voortbestaan en geven vruchtbaarheid, er zijn er ook die wijsheid schenken, of de kracht om oorlog te voeren. Elk van hen heeft een apart leger onder zich. Een leger van dienende geesten, die ons behulpzaam kunnen zijn bij ons werk.

Er bestaat ook de God van het boze, want hij is een van de zeven. Hij is de duistere, wrede God van de dood, die in een voortdurende strijd is gewikkeld met de scheppende krachten. Degenen die tot zijn leger behoren, zijn verschrikkelijke gedaanten. Men mag zich niet door hen laten verschrikken. Hun kleinere dienaren zullen zich vaak in mensen vestigen. Zij hechten zich aan hem vast, nemen bezit van hem en vreten hem het lichaam uit.

Dan volgt een hele uiteenzetting, waarbij leverziekten bij het overdadig gebruik van bepaalde sterke dranken daar veel voorkomend, worden toegeschreven aan een demon. Wat dat betreft is de opvatting bijna gelijk aan die van de geheelonthouders. Daarnaast horen wij beschrijven, hoe tbc – ofschoon in dat klimaat niet zo erg veel voorkomend – ook al aan een demon wordt toegeschreven, die, zoals men zegt, de longen opeet. Wij horen hoe de zonnegod – in zijn toorn – soms de hersenen doet verschrompelen, enz.

Interessant echter is, dat daarna de eunuch het woord neemt en ons vertelt hoe wij een patiënt moeten genezen. Dit zal ik dan wel zo woordelijk mogelijk vertellen, want daar hebt u vandaag aan de dag nog iets aan.

In elke mens woont een andere geest. (Niet helemaal waar, maar wanneer wij het onderbewustzijn nemen, mogen wij toch wel zeggen dat er een soort tweede persoonlijkheid is die zich meestal achter die eerste verbergt.) Wanneer wij een mens willen genezen, dan is het noodzakelijk dat wij eerst zien wat die tweede persoonlijkheid is. Ontdekken wij daarin verwantschap met bepaalde demonen – denk eens aan de invloed van bepaalde sterrenbeelden op de geboortehoroscoop en de gevolgen daarvan bv. voor lichamelijke zwakheden en dergelijke – dan kunnen wij aan de hand van de symptomen bv. vatbaarheid voor borstziekten, of aandoeningen van bloedsomloop, boen e.d. – van bloedsomloop spreken zij daar niet – kunnen wij dus zien, welke demon hen aantast. Een demon wordt uitgedreven door het gebruik van kruiden, plus concentratie.

Het laatste vind ik een zeer interessant punt. Hier begint men onder de hand met de bekende methode der sympathische magie. De patiënt moet er meestal goed voor betalen, maar de geneesheer is dan wel bereid om uit klei, of een enkele keer uit was, een beeldje te maken. Dat beeldje wordt vervolgens verrijkt met de afbeelding van een demon. Men begint zich hierop te concentreren en de demon staat – laat ons dat niet vergeten – voor een aantal aparte en kenbare ziektebeelden. Wanneer nu op het beeldje de demon wordt weggewist, of wordt uitgerukt – men neemt een stukje weg waar de afbeelding van de demon op staat en werpt dit meestal in water, zodat het opgelost wordt, was wordt in vuur geworpen dat in een houtskoolbekken ligt – dan is inderdaad al heel vaak de zieke genezen. Dat is een lering, daar kunnen wij ook wel iets mee doen. Wanneer wij ons sterk concentreren op bepaalde verschijnselen die op aarde voorkomen, ziektebeelden, soms dingen die ons zelf soms ergeren of irriteren en wij rukken dezen a.h.w. symbolisch uit en wij gooien ze weg, dan betekent dat in 9 van de 10 gevallen dat wij een overwinning behalen, dat wij door deze concentratie een verbetering bereiken. Technisch gezien is het wel wat anders dan hier geleerd wordt. Ik stel dan ook voor dat wij de technische uiteenzettingen omtrent de demonen even laten rusten.

Terwijl wij zo verder gaan zullen wij eens even nadenken hoe het eigenlijk staat met onze eigen wereld, met gedachten en krachten. Wanneer onze gedachten nu verweven zijn met de problemen die voorkomen op deze wereld, hoe kunnen wij dan ontkomen aan die problemen?

Alleen door ze in onszelf op te lossen, zou ik zeggen. Je moet voor jezelf weten, hoe er een oplossing is te vinden voor je problemen. Als je dat niet weet, maar dat kunnen wij hier horen…

Hier vinden wij alweer iets anders. U ziet een aantal slaven aan het vijzelen aan de ene kant, aan de andere kant is een man in een lang gewaad met enkele purperen banden bezet, is een van de adellijke geslachten, om iets te vertellen over de manier waarop je met gedachten magie kunt bedrijven. Wanneer een mens denkt, dan geeft hij – door zijn gedachten – mede inhoud aan de wereld. Wanneer je niet denkt dat je iemand kunt genezen, zul je hem nooit genezen.

Wanneer je meent dat je krachteloos bent, zal elke vijand je verslaan. Wie echter weet hoe zijn gedachten te beheersen, is in staat in zich alle krachten op te wekken die buiten de mens zo vaak aanwezig zijn, maar in de mens steeds slapen en verloren gaan. Hij gebruikt hiervoor het symbool van de God van de dood. Hij zegt dat in elke mens de dood verborgen is. In feite, zo stelt hij, is er een voortdurende strijd tussen leven en dood. Maar wat men niet begrijpt, is dat de dood tevens leven is, want alle Goden hebben twee aangezichten. Zo hebben ook alle problemen twee aangezichten. Wanneer men zich wendt tot de Goden, dan zoekt men een goedertierend aangezicht te vinden. M.a.w. als je van een God iets gedaan wilt hebben, moet je je niet tot een toornige, maar tot een liefdevolle God wenden. Dat is heel logisch, per slot van rekening. Aangenomen dat u een baan hebt, dan gaat u bij voorkeur niet om opslag bij de directeur vragen, wanneer hij net als een briesende leeuw door het kantoor is geraasd.

Men zoekt in gedachten dus dat aspect van het waarlijk Goddelijke te vinden, dat ook inderdaad deze gunst kan en wil vervullen. Zoek het lichtende aangezicht van de dood. Interessant punt, hè? Ook voor ons. U bent toch hier omdat u gelooft dat leven eigenlijk verder gaat, ook wanneer de mensheid over “dood” spreekt. Het Lichtend aangezicht van de dood, hoe zou men dat anders moeten vertalen door: Het herleven in een vrijere en betere wereld?

Onze vriend beweert verder. “Indien wij een probleem hebben en wij vinden de krachten die daar mede mee gemoeid zijn en wij zoeken het Lichtende aangezicht, dus het beste aspect op, dan zullen wij, door onze aandacht daar geheel aan te wijden, voor onszelf of anderen dit beste ook tot stand kunnen brengen.” Nu zijn die priesters uit die oude tijd erg praktisch, vandaar dat hij er onmiddellijk een waarschuwing achteraan geeft. Die zou menigeen zich ook in de oren kunnen knopen: “Zoek nooit het onmogelijke te verwerkelijken, maar zoek naar het best mogelijke. Geloof in dit en streef er naar met al je krachten.”

Hij heeft natuurlijk nog veel meer te vertellen. Maar wij kunnen wel even langs die slaven lopen. U ziet, dat zij hier veel met reukstoffen werken. In de moderne tijd moet een medicijn een kleurtje hebben, of een verpakking met heel veel wetenschappelijke woorden erop. Dan staat er in het Latijn op geschreven: “vulstof” en zeggen de mensen: daarvan zit veel in, dat is het werkzame bestanddeel…. Zo was het in de Oudheid vaak dat geur en de smaak vooral niet te zoet moesten zijn. Vandaar dat heel wat smaak gevende bestanddelen ook worden verwerkt.

Als u kijkt, dan ziet u, dat zij bezig zijn bepaalde wortelen te verbrijzelen. Deze wortelen bevatten o.a. iets wat lijkt op het tegenwoordige product “Efedrine”. Het wordt toegediend aan mensen die een klein beetje over hun neerslachtigheid heen geholpen moeten worden. Wanneer u verder kijkt, dan ziet u, hoe o.a. maanzaad, dus papaverbollen verwerkt worden, tezamen met iets dat ons doet denken aan wolfsmelk. Deze drank wordt speciaal gegeven aan mensen die geestesziek zijn, om ze rustig te krijgen, of om een omschrijving van hun visioenen te verwerven. Iets verder – daar wordt ook maanzaad gestampt – maakt men slaapdranken.

Wij vinden hier eigenlijk alle soorten verdovende middelen vertegenwoordigd. Die laatste pot daar wordt gebruikt om hennepproducten te vervaardigen. Dan komen wij bij dat product dat heel veel later hasjiesj zal heten, voor de z.g. “assassins” de moordenaars van de man op de berg.

Als je zo over Goden nadenkt – wij weten dat er één God is – maar zoals deze mensen over Goden nadenken, dan ga je je onwillekeurig afvragen, hoe deze Goden werken, wat voor invloed zij hebben. Daarvoor doen wij verstandig om hier eventjes door te steken, door die kleine poort heen…….. Ziet u die mooie azuren tegels? Die zie je tegenwoordig niet meer. Dat azuur is een speciale brandmethode die, naar ik meen, na de brand van Alexandrië praktisch teloor is gegaan. In Alexandrië gebruikte men dat ook nog. Dan zien wij hier tuinen, die hoofdzakelijk zijn voor de dames, die verbonden zijn aan de Tempel van de Godin der Vruchtbaarheid. Kijkt u maar recht voor u, dan zal niets uw ogen kwetsen. Dan vinden wij de grote doorgang hier en staan nu voor de grote tempel. In plaats van die grote trappen op te gaan, wat alleen bij plechtige gelegenheden gebeurt, gaan wij achterom. Dan moeten wij ook wel een paar trapjes lopen, want dit is een massief stenen bouwsel, waarin hier en daar grote zalen en gangen zijn uitgespaard. Elke gang en zaal heeft zijn eigen doel en is bovendien gewijd aan een bepaalde God. In deze toren wordt uiteindelijk de zonnegod vereerd. Dat is dat kleine gebouwtje, dat u daar boven op de top ziet staan. Hierin vinden wij verschillende Godendiensten. Wij gaan kijken bij de God der wijsheid. De kleur is hier weer azuur, dus veel blauw. De priesters hier zijn in gezamenlijke overwegingen verzonken. Wij hebben hier dan ook te maken met ernstige studenten. Dit is een andere kaste dan de priesters, die namens dezelfde God der Wijsheid – soms ook wel Naboe genoemd – een reeks van orakels verkopen tegen gereduceerde prijs ergens beneden in de voorhof.

Laten wij eens in hun gedachten doordringen en kijken wat zij ons te vertellen hebben over het heelal. Alle Goden zijn van elkaar afhankelijk. De Goden voeren samen een reidans op, waarvan de aarde het middelpunt is. Astrologisch gezien, in die tijd, was dat niet onjuist. Als alle Goden steeds weer hun weg kiezen langs dezelfde baan, dan is er ook een Heerser, Die deze baan bepaalt. Zelfs boven de machtige zon staat een Macht, Die de Goden regeert. Deze regerende kracht is het leven zelf. Wij kunnen tot dit leven zelf komen, wanneer wij kunnen indringen in onszelf. Later zouden de Grieken het neer beitelen boven hun tempels: “Ken U Zelf”. Hierboven deze tempel staat het ook. Zó oud is deze gedachte al, dat je God terugvindt in jezelf.

Nu citeer ik iets van een ziener uit deze periode: “Wanneer de mens in zichzelf leeft, komt er een ogenblik dat hij zich omwendt, zonder zijn gelaat te wenden.” Hier wordt klaarblijkelijk bedoeld dat de geest gericht wordt maar anders dan de stof. In de wereld van de Goden zien wij dat allen hen dienen die de kracht van het Licht – Licht, niet Bel (Zonnegod), het licht, dus klaarblijkelijk hoger gesteld dan deze God – in zich dragen, gehoorzamen, of voor hem terugwijken. Wie zuiver is in zijn hart, kan gaan tot de vele landen – u zegt misschien: de vele sferen – en vermoedelijk is een groot gedeelte van deze landen te benoemen als astraal gebied en Zomerland.

Nu een heel typische verklaring: “Het past de priester niet in deze landen iets te beroeren.

Onthoudt u van spijs en drank. Aanvaard geen gift, doch schenk, zo gij schenken wilt.” Nu de verklaring die ook weer heel aardig is: “Want wie gegeten heeft in deze wereld, is daaraan gebonden.”

Speciaal voor deze uitspraken heb ik u hierheen meegenomen. Nu ga ik eventjes ter zake komen. Wanneer u hier op aarde bent, dan droomt u van andere werelden en van andere sferen, u zult misschien eens een enkele keer, wanneer u gelukkig bent, uittreden, misschien naar Zomerland. U zult misschien in een ogenblik van concentratie iets voelen van die Goddelijke nabijheid. Maar deze werelden zijn niet de uwe. U mag daaraan niet gebonden zijn. Uw taak ligt evenals die van de priesters, in het dienen van een bepaald principe. Dat principe is het hoogste, wat wij kunnen vinden in het heelal. Wij dienen de God van liefde, de kosmische Schepper, Die in Zijn alomvattend bewustzijn ons allen draagt. Wanneer wij die God dienen, dan moeten wij vrij blijven van andere dingen. Dan mogen wij zeker niet gaan zeggen: “O, was ik maar in Zomerland” of: “O, was ik maar dood, want wat ik hebben wil, krijg ik niet meer…..” Alles wat u hier op aarde hebt is onbelangrijk. Alles wat u in de sferen tijdelijk kunt verwerven, terwijl u leeft, is onbelangrijk. Belangrijk zijn een paar dingen. In het verhaal hebben wij daarvan al iets verweven, maar die gaan wij nu eens even scherp stellen.

Zorg dat je gedachten steeds gericht zijn op die kosmische God. Dat wil niet zeggen, dat je de hele dag voor je heen moet lopen murmelen: God dit, of God dat. Maak jezelf niet al te ziek met dergelijke dingen. Dat is een overdrijving die je op den duur uit de normale wereld wegdrijft, zonder dat je daarvoor iets werkelijk terugkrijgt. Wees ervan bewust dat die God er is. Geloof in die God, in die Kracht van liefde. Laat volgens je bewustzijn omtrent die God je eigen gedachten werken en gaan. Zorg, dat je rond jezelf steeds een sfeer hebt van een tevredenheid met God, maar gelijktijdig een ernstig streven om wat Hij gegeven heeft te maken tot iets moois.

Onder de vele gelijkenissen die voorkomen in Babylon is er een van twee Goden en wel de God des doods en de Godin des levens. Zij krijgen beiden een stukje klei en een steen en daarvan moeten zij iets maken. De Godin des levens verpulvert de steen, maakt met de klei een mens en met de verpulverde steen akker, waardoor je leven kan. Daarbij schenkt zij hem uit haar eigen kracht de symbolen van haar wezen, twee duiven, plus het graan, symbool van de levende aarde. De God des doods, precies hetzelfde doende, maakt echter een verwrongen figuur met, typisch, een stenen hart en zonder wereld om op te staan. In die gelijkenis kunt u iets vinden.

Wij krijgen allen precies hetzelfde van God om mee te werken. Wij krijgen onze ervaring, wij krijgen een stoffelijk lichaam voor een zekere tijd misschien, wij krijgen een innerlijk weten, een drang naar bepaalde dingen. Kunnen wij daar iets levends, iets vruchtbaars van maken, kunnen wij a.h.w. een wereld daarmee helpen opbouwen, dan is het goed. Maar indien wij proberen abstract dit te verwerken voor onszelf, hetzij in een eeuwig hunkeren naar een betere wereld, waar God op ons wacht en alles in orde maakt, hetzij door eenvoudig te denken: “Als ik maar voor mijzelf zorg, wat deert mij de rest?” Dan maken wij net als de God des doods, een monster met een stenen hart, maken een wereld die de moeite niet waard is.

Conclusie: de grote wijsheid vind je nooit daar, waar de hoogste Goden worden aanbeden. Als wij voor onszelf iets willen presteren en verwerkelijken dat in het kosmisch bestel past, dan moeten wij niet te ver van de stoffelijke werkelijkheid afgaan. Aan de andere kant moeten wij onze tijd ook wijden aan het geestelijke. Deze dingen horen samen te gaan. Om werkelijk goed te leven, heb je nodig een innerlijk begrip van de grote geestelijke waarden, naast een stoffelijke daadkracht, die het je mogelijk stelt, zolang je in de stof bent, ook werkelijk met de stof te handelen, te werken en te leven, je nooit onttrekkend aan de problemen ervan, nooit trachtende de oplossing ervan op paranormale wijze te vinden, zolang er een normale weg mogelijk is.

Ik heb u over de God des doods gesproken. Hij was in Babylon niet direct een prettige God, want aan hem werden ontzettend veel mensenoffers gebracht en de mensen die hem dienden waren ook niet direct prettige typen over het algemeen.

Van die God werd het volgende verteld: Waar hij is, is levende duisternis. Wie hem nadert, sterft, terwijl hij leeft. Zijn gedachten vloeien weg en hij valt zonder ooit op te houden. Dat is nu eigenlijk een omschrijving van de dood die voor elk mens zou kunnen gelden, als hij niet die twee dingen had, die twee mogelijkheden die gelukkig ons allemaal gegeven zijn: Ten eerste: De mogelijkheid om stoffelijk te leven en te werken in de stof, of in een sfeer met vormen. Ten tweede: daarnaast is ons de kracht gegeven om in onszelf uit te grijpen tot het Goddelijke en zo vrij te komen ervan, van die stoffelijke sfeer. Wanneer nu, wat wel eens gebeurde, de magische test tussen een priester van de doodsgod en van de zonnegod – de God des levens – plaats vond, dan was dat een duel van fantasmagorieën, een soort hypnose. Dergelijke duels werden door de hooggeplaatsten bijgewoond. Het is een van de weinige gelegenheden dat je strijdwagens en draagstoelen bij de vleet samen ziet stromen naar de plaats waar dat gebeurt. Wat zie je dan? Wanneer het eenmaal bijna duister is, het geschiedt bijna altijd in de schemering of in het begin van de nacht, dan lijkt, dat die priester van het duister een soort wolk, een soort tol rond laat gaan, die alles wil verslinden. De priester van de andere God produceert daartegen dan zijn eigen denkbeelden en die worden ook zichtbaar. Het zal wel massasuggestie geweest zijn, een andere oplossing kan ik ook niet geven.

Het typische is nu, dat datgene, waarin zo een priester werkelijk geloofde, bleef bestaan, tegen alle duisternis en niet wegviel in het duister. Men meende dan, dat elk beeld, dat zo een priester uitzond en wel in die duistere wolk verslonden werd, weg zou vallen en ergens vernietigd werd in de oneindigheid door de doodsgod. Dat, waarin je geloofde, bleef werkelijk bestaan.

De dingen, waarin je werkelijk geloofd hebt blijven bestaan, niet uw aarzelingen, niet uw leuke ideetjes, niet uw heerlijke onttrekking aan de werkelijkheid, die gaan allemaal te niet. Wanneer u niets meer overhebt, dan geldt ook voor u datzelfde duister, dat wij bij het christendom vinden als “buitenste duisternis”. Maar wanneer je ergens oprecht in geloofd hebt, oprecht naar geleefd en gestreefd hebt, dan is dit een werkelijkheid die nooit teniet kan gaan, die overwint. Als u in staat bent om in dit leven een beeld voor uzelf op te bouwen van een liefdevolle God, van een wereld die ondanks alle geschillen die erin bestaan, ondanks alle lelijke dingen die u misschien ziet, een goed, een volmaking nastrevend doel hebt, dan zult u boven het duister kunnen zweven.

Dan zult u misschien net als wij, nu en dan eens terug willen kijken. Dan kijkt u ook naar Babylon, of naar de oude haven van Ur, of u gaat misschien kijken naar de grote steden van de eerste Chinese keizers, dan ontdekt u één ding, wat ook wij ontdekt hebben: Het grote probleem van de mensen is altijd hetzelfde geweest. Duiveluitbanners en de genezers van de oude tijd, ach, zij verschillen niet zoveel van degenen in de nieuwe tijd. Er zijn er bij die eerlijk zijn. Goud, zuiver goud, in hun uitstraling en in hun werk. Er zijn er velen bij, die niets anders zijn dan handige goochelaars. Wanneer wij ons steeds weer tot die goochelaars blijven wenden, dan gaat het ons verkeerd. Maar wanneer je kunt begrijpen, dat er een waarheid ligt in elke godsdienst, een waarheid ligt in elke gedachtegang, onverschillig of die politiek is, of economisch, of sociaal, dat in alle dingen het Lichtende aangezicht Gods Zich openbaart. Dan heb je een zodanige rijkdom, dan zie je zoveel Licht, zelfs van deze arme verscheurde wereld uitgaan, dat je niet anders kunt dan blij zijn, verdraagzaam zijn. Meer dan verdraagzaam. Je gaat die wereld lief hebben met alles wat er op leeft. U heeft zich misschien wel eens afgevraagd, waarom die geesten soms niet alleen maar bepaalde familieleden trachten te helpen, maar soms trachten die hele wereld te helpen.

Waarom zouden zij dat doen? Dan ga je misschien zeggen: Ter wille van de Goddelijke liefde. Neen, ook ter wille van het Licht, dat ook deze wereld baart. Meer Licht dan op de zon wordt soms in één ogenblik op de wereld geboren, meer pracht dan in een hele sterrenhemel, soms in één enkele mensengedachte. Om dat te begrijpen moet je zien, hoe de Goddelijke liefde en de Goddelijke volmaaktheid zich door alle tijden, door alle geslachten heen, openbaart, telkens weer opnieuw, nu hier, dan daar. Wanneer je dat begrepen hebt, dan zult u begrijpen, waarom wij u steeds weer voorhouden: Mensen, wees verdraagzaam! Mensen, denk het goede! Mensen, denk positief! Mensen, leef als mensen en probeer niet als geesten te leven!

Dit is de geboorteplaats van menige Lichtende geest, van menige glorie van Licht en kracht en schittering, die ons doet juichen van bewondering en toch een ogenblik weg doet zien, omdat het zo groots is, dat men het haast niet verdragen kan. Uw wereld, deze wereld, deze stoffelijke wereld. Wij zullen geen tempels oprichten waarin zeven goden regeren. Wij bouwen geen binnenhoven en geen paleizen. Maar wat wij wel weten is dit: dat de mens in zijn dwaasheid soms scheidingen bouwt, waar zij niet nodig zijn. Dat de mensheid veroordeelt, waar een juist erkennen en samengaan en een samenwerking geboren zouden kunnen worden. Wij zien soms, hoe u – onbewust – met uw vooroordeel, uw vreemde gedachtegangen, ook mentaal-astraal gebied beïnvloedend, krachten schept, die zo duister zijn, terwijl het zo Licht kan zijn, wanneer je gelooft in het Licht, wanneer je gelooft in de kracht, wanneer u gelooft in de God die woont in uzelf. Dan kunnen wij, beter dan al die wonderdokters en duiveluitbanners uit het verleden, het grote werk beginnen om in onszelf de duivel der verdeeldheid uit te bannen, onszelf te maken tot een eenheid van aanvaarding van heel de wereld en alle geestelijke krachten. Dan kunnen wij als de geneesheren, trachten om, zij het door sympathische magie, door het begrijpen en daardoor liefhebben van de wereld, hetzij misschien door de middelen van eenvoudig werken, tot je er bij neervalt desnoods, in onze werelden de eenheid scheppend waarvoor wij uiteindelijk allemaal gemaakt zijn. Wees verdraagzaam waar je niet begrijpt, opdat je door de verdraagzaamheid tot begrijpen kunt komen en daarin het Lichtende schijnsel kunt vinden van een Goddelijke openbaring, die de hele wereld beheerst.

  • Van wanneer stamt deze beschrijving?

Ongeveer 1400 v. Christus. Ik heb het in een tijd, waarin een typische beschaving aan zijn opkomst bezig was. Babylon is later – zoals veel van die staten – ten gronden gegaan aan te groot en een te machtig worden. In de dagen waar ik over sprak, was het werkelijk een opkomende maatschappij vol vitaliteit.

Mohenjo-Daro.

Dat is al een hele tijd geleden. De vernietiging ligt in 570 n. Chr. In de oude tijd gebeurde vaak dit: Een vorst aanvaardde zijn rijk. Heel vaak bracht hij zijn verdere familieleden die aanspraak op de troon hadden, op een zeer discrete manier om hals. Dan was er altijd nog iets wat hem bedreigde. Dat was namelijk de grootheid van de voor hem levende vorsten.

Zo ging men er vaak toe over om een nieuwe stad te bouwen. In het geval Mohenjo-Daro is dit het begin geweest. Een vorst begon een stad te bouwen. Om een stad veel pronk en praal te geven zijn er paleizen nodig en tempels, veel tempels, maar ook veel paleizen. Er zijn ruimten nodig, waar het volk kan worden geboeid door de pracht en de sterkte en ook de macht van de vorst en zijn krijgers. Wanneer de vorst dan sterft en zijn navolger probeert niet – wat ook wel eens gebeurde – om zo een stad eenvoudig met de grond gelijk te maken, dan zijn er de erfgenamen van zijn grootheid, veelal de priesters, ondersteund door enkele lagere edelen.

Dan begint zo een stad een leven van grote bouwwerken, grootse tempel- en offerdiensten en daarnaast vaak een ravitailleren van koeriers voor de vorst, het opslaan ook van voorraden voor zijn legers. Er zijn echter tijden dat de Goden toornen. Wanneer de Goden toornig zijn, dan slaan zij niet alleen met besmettelijke ziekten, maar dan weigeren de orakels te spreken, dan breken beelden op onbegrijpelijke wijze, dan trekken de priesters heen. Op een vervloekte plaats durven zij hun God niet te dienen. Dan blijven alleen nog de edelen over. Maar ook dezen trekken uit een stad weg, die uiteindelijk weinig meer oplevert. Zolang de tempels functioneren hebben zij het goed. Dan kunnen zij tol heffen van de pelgrims en vooral van de handelaren die aan de pelgrims verdienen. Wanneer ook dat niet meer het geval is, wat dan?

Soms blijven zij nog een tijdlang daar wonen en worden soms zelfs een soort roversvorsten. Maar in dit geval gebeurde er iets anders: de toorn van de God, in een stad van een vreemd geslacht ontstaan, deed een van de voorvaderen van de grote Akbar binnenvallen en allen die nog leefden, over de kling jagen. Daarna werd de lege stad prijsgegeven. Niemand, behalve misschien de vervloekte leprozen, en wat uitgestotenen, mochten nog in dit gebied binnengaan.

Zo ontstond een verlaten stad, waarbij sommige bouwwerken nog maar half waren afgemaakt. Zo zien wij, zelfs nu nog, overwoekerd vaak door de plantengroei de pleinen liggen – reeds met hun rode zand bestrooid – waar eigenlijk de glorie en de zegepraal van de vorsten vertoond zouden moeten worden, waar hoogstens op het ogenblik een paar apen een dansje maken. Wat wil zeggen, dat er aan de pronk veel teniet is gegaan. Wat het gezelschap betreft, nu ja, daar kan een ieder zijn eigen mening over hebben…..

Dit geldt niet voor een enkele stad. Zo zijn er echter vele. Dergelijke steden kunt u vinden tot in de Gobi toe. Ook steden die verlaten werden, omdat de vloek der Goden erover kwam, al was het toen in de vorm van gebrek en droogte. Als u nu naar Indochina gaat, naar Pakistan, u trekt verder tot de gebieden naar Aden toe zelfs, overal zult u weer gestalten van dergelijke steden vinden, soms door het nageslacht in gebruik genomen en weer opgebouwd, zoals de geheimzinnige steden van de Arabieren in het binnenland, soms zijn het alleen maar verlaten ruïnes, met beeldhouwwerk, met vreemde figuren, soms met friezen, die invloeden doen zien, die eigenaardig Grieks schijnen te zijn, of Chinees, een enkele keer zelfs soms een herhaling van enkele Mayatekens, soms alleen maar een puinhoopje, waarin de onderzoeker dan een restant van een vroeger beeld, of van een inscriptie terugvindt. Die verlaten steden van Indië zijn niet alleen de spiegel van de angst voor de Goden en de aanvaarding van de wil van die Goden boven alles en boven eigen rijkdom. Zij zijn vooral een spiegel van de grootheidswaan van de rijke en vaak wrede vorsten die die volkeren beheerst hebben en die liever een hele stad lieten vervallen, dan dat ook maar een smet op hun eigen grootheid zou komen.

  • Was die vernietiging niet 1500 v. Christus?

Dat is niet helemaal juist. Die cultuur is gebouwd rond Christus geboorte. Die bouwwerken zijn niet zo oud als men op het ogenblik aan schijnt te nemen.

  • Was het een Indo-Germaans ras?

Het vorstenras, wat daar dus regeerde, stamt af van de bergrassen, die kunnen wij niet Indo-Germaans noemen. Er zit veel Mongoolse invloed tussen. De bewoners zelf zijn gedeeltelijk Indo-Germaans geweest, maar voor het grootste gedeelte van andere rassen afstammend. Een typisch aspect daarbij is, wat u tegenwoordig Maleiers noemt. Die rassen zijn allemaal gaan rondzwerven. De beschavingen van Java bv. zijn ook voor een groot gedeelte aan die trek te danken. Niet alleen wat betreft de tempelbouw, maar ook wat de bevolking betreft.

De edele rassen van Java bv. zijn weer verwant met de edele rassen van India. Als je op Madoera gaat kijken, dan zul je zien dat de Madoerees een ander type is dan de doorsnee Javaan. Niet alleen dat hij een andere cultuur heeft, eigenlijk een eilandcultuur, daarnaast ook dat hij lichamelijk een heel andere bouw heeft, vooral aan zijn beenderenstructuur kun je dat zien, hij heeft veel sterkere botten. Dat is dus allemaal trek, trek, trek geweest. Om terug te komen op die kwestie. Ik wil niet spreken over vol Indo-Germaans, ik wil eerder spreken van een overheersing door bergvolkeren met een meer mongoloïde inslag, op ongeveer dezelfde manier als de Mantsjoes zich delen van China prijs maakten en begonnen te overheersen. Later zijn zij daarin geabsorbeerd.

 Paracelsus.

Paracelsus is een opmerkelijke figuur geworden, vooral door zijn successen in de geneeskunde.

Toch, men vergist zich wel, als men hem in de eerste plaats als een genezer wil zien. Paracelsus was eigenlijk een mysticus. Zijn opvoeding bracht met zich mee dat hij voor zijn tijd betrekkelijk veel kon leren. Hij werd goed geschoold door zijn omgeving in de kennis van kruiden. Dat was in die tijd iets wat aan hekserij verwant was. Hij maakte kennis met bepaalde heksenkringen.

Wij vinden delen van die recepten bij hem terug, en was hij van die magie dus op de hoogte.

Omdat hij in zijn jongere jaren – 14 – 15 jaar – bovendien nog in contact kwam met hofkringen, stak hij heel wat op. Hij was erg leergierig. Hij stak ook heel wat op van de sterrenwichelarij van die tijd. Hij was dus, toen hij ongeveer 20 jaar was, niet alleen een kruidenkenner, een kenner van bepaalde magische denkbeelden en rituelen, daarbij ook al een tikje van chemische onderzoekingen, maar hij was eigenlijk bovendien als kruidenkundige zeer bekwaam. In zijn leven en denken vinden wij hem in verschillende functies. Menigeen weet bv. niet dat Paracelsus een tijdlang ook het oorlogsgeluk heeft gevolgd en als krijgsman is opgetreden.

De naam die hij zich heeft aangemeten is waarschijnlijk niet voor honderd procent echt. Er zijn alle aanwijzingen voor dat hij niet uit een wettige echt geboren was. Maar indirect zal hij op zijn naam toch recht hebben kunnen doen gelden. Verder valt dan op dat hij buitengewoon zelfverzekerd is. Dat hij in die zelfverzekerdheid begint met een studietje van de toenmalige geneeskunde, zoals u of ik een partijtje zouden gaan ganzenborden. Daarnaast studeert hij zeer ernstig in de alchemie. Op den duur komt hij tot een begrip de mens te helpen als een witte magische kracht. Daar ontwikkelt hij in de eerste plaats een magisch-mystiek systeem.

Dat heeft minder te maken met de geneeskunde dan u wel denkt. Hij maakt op ons eerder de indruk van een soort tijdgenoot van Rabbi Nachman, ook in gedachten, en van Israël Jacobs, een mysticus van het joodse volk, die in die tijd in de Neurenbergse buurt nogal van zich deed spreken, terwijl hij voor alles steeds het helpen gaat stellen. Men zou hem soms kunnen vergelijken met een soort mannelijke Florence Nightingale, ook al zag hij er niet direct naar uit.

Hij gaat al zijn recepten opschrijven en gebruikt daarbij ook die oude recepten die hij geleerd heeft. Het feit alleen al dat hij schrijven kan, is in zijn tijd al een hele kunst, zeer belangrijk.

Hij leert anderen om deze geneeswijze te gebruiken. Zijn zoeken naar het elixer des levens en de werkelijke magie brengt hem ook tot eigenaardige experimenten, waarbij o.a. de mandragorawortel een rol speelt. Dat hij niet helemaal zeker is van zijn zaak, blijkt uit een van zijn geschriften, waar hij de raad geeft om een mandragora heel voorzichtig rondom uit te graven, dan aan de staart van een hond vast te binden met een touw en die hond weg te jagen.

Het komt, omdat hij niet helemaal zeker is dat die wortel – waaraan menselijke eigenschappen werden toegeschreven – niet iemand dood zou maken, maar dat het een levend iets was, en degene die het uit de aarde nam, zou doden. Dan liet men het aan een hond over. Krijgt die hond dan een hartaanval, het is jammer van de hond, maar men hield dan in ieder geval de wortel over. Hij was nu niet direct een verlichte geest, vrij van alle bijgeloof. Integendeel.

Heel vaak geeft hij ons de indruk dat hij helemaal verknocht is aan de magie van die tijd. Hij publiceert ook, naast vele andere recepten, recepten voor heksenzalven, waarbij ons opvalt, dat hij geen mensenvet gebruikt en ook geen nagels, haar, of baard van een gehangene, maar dat hij zich voorlopig houdt bij dierlijk vet en wel bij voorkeur ganzenvet, dat hij vermengt met vruchten van nachtschaden.

Op die manier krijg je het beeld van Paracelsus als iemand die direct in zijn eigen tijd staat.

Soms zo bijgelovig als iedereen in die tijd, op het andere ogenblik een scherp en helder denker.

Voor alles een man die niet bang is voor een experiment. Dat laatste brengt hem weer in contact met vele van de esoterisch geschoolden, die ook in die dagen bestonden. De mysticus in hem werd ontzettend aangetrokken tot de leringen omtrent eenheid, waarbij men vrijer staat tegenover God, ervaringen met engelen heeft desnoods, maar waarbij men dan even vrij komt van dat normale heksenwaantje, waarbij men langzaam maar zeker natuurlijke oorzaken gaat zien, in plaats van het ingrijpen van allerhande demonen, enz.

Aan het eind van zijn leven zou je Paracelsus niet alleen kunnen beschouwen als een groot man, ondanks zijn verwaandheid – hij heet niet voor niets Bombastus, hij heeft inderdaad heel wat bombast vertoond, hij zou in de moderne tijd een goed staatsman zijn, hij zou confereren tegen de de klippen op – maar hij is dus voor alles ook een mens die zich één voelt met de natuur, die de krachten van de natuur begrijpt en God in de natuur vindt. Daarmee heeft hij voor ons zijn meest waardevolle vorm bereikt. Zijn vroegere werk van recepten vindt in deze tijd nog wel enige toevoegingen. Ook al is hij oud, hij ontdekt nog nieuwe dingen, hij vindt nieuwe behandelingsmethoden uit en voor alles leert hij de sympathische werkingen van de magie om te zetten in een begrip voor de sympathische werkingen tussen bepaalde giften en bepaalde menselijke ziekten. Hij leert hoe men door een verschijnsel in het klein op te wekken, de ziekte die hetzelfde verschijnsel groter openbaart, eenvoudig van de sokken af kan krijgen. Het einde van zijn leven is niet zo buitengewoon gelukkig. Iets hebt u willen horen over Paracelsus en iets hebt u ook gehoord.

Dadelijk krijgt u nog een beetje esoterie. Gezien de spreker die komt, nemen wij aan, dat het wel een zwaarder gehalte zal hebben, dan vaak gebruikelijk is. Wij hebben alvast de pleister gegeven, voordat de wond geslagen is.

Esoterische beschouwing.

Wij willen dit laatste deel van deze bijeenkomst besteden aan enige beschouwingen op het esoterisch vlak.

Het is begrijpelijk, dat de doorsnee mens en ook de doorsnee geest, grote moeilijkheden ondervindt, wanneer hij een weg zoekt tot de kern van zijn eigen wezen, of verder gaande, om tot een begrip en aanvaarden van God te komen. Deze moeilijkheden zijn over het algemeen te stellen als de producten van angst en ook van begeren. Ik zal zo vrij zijn op grond hiervan voor u een korte beschouwing te houden, waarin ik wil trachten u de weg tot de werkelijke waarheid, tot het Goddelijke zelf, te tonen. Ik ben mij er wel van bewust, dat het onmogelijk is u een weg te geven, waarmee u nu onmiddellijk en zelf zonder meer kunt komen tot die grote vrijheid van het aanvaarden der werkelijkheid en afschudden van elke waan, van elke haast demonische behebtheid. Gelukkig hoef ik mij hier niet de mindere te gevoelen. Anderen hebben u getracht deze weg te tonen en de wereld heeft ook deze wegen verworpen.

In de eerste plaats moeten wij rekening houden met ons eigen wezen, wat wij zijn en zoals wij leven. Wij begeren over het algemeen vele dingen. Dezen zijn soms van stoffelijke, soms van geestelijke vrijheid. In dit begeren vertekenen wij onze voorstelling van de werkelijkheid. Wij zijn niet in staat een waarheid te begrijpen, of in ons op te nemen. Door het begeren en soms ook door angst opgezweept, vertonen wij allen, geest en stof, maar al te vaak deze gevreesde eenzijdigheid, die het ons onmogelijk maakt het alomvattend wonder van de Goddelijke Schepping voor onszelf te verwerken en onszelf daarvan een bewust deel te maken.

U begeert vele dingen. Soms begeert u macht. Misschien macht ten goede, maar toch: Macht. Soms begeert u rust en vrede, maar dan een rust en vrede die anderen uitsluit en anderen terzijde stelt. Soms verwacht u, dat u wijsheid zal worden geschonken boven alles. U bent niet bereid lange tijd wachtende door te brengen, totdat deze wijsheid in u geopenbaard wordt. Uw begeren is verdeeld over vele, schijnbaar tegenstrijdige werkingen. Vraag uzelf wat u innerlijk verlangt en vraag u af, wat uw daad is. Toch dient u te zijn, zeker als mens op aarde, één geheel, niet zeggende: Dit is het pad des vlezes en dat is het pad van de geest. Om één te zijn in jezelf, is het noodzakelijk, dat je geen vrees kent voor al datgene wat de stof belaagt, noch een begeren naar al datgene wat de persoonlijkheid tijdelijk bevredigt, zonder een werkelijke invloed en werking achter te laten.

Ik wil trachten hieraan enige voorbeelden aan toe te voegen. U verlangt misschien geestelijke macht om te genezen. Soms wordt zij u gegeven. Maar begeert u deze macht niet, opdat u zou kunnen genezen? Gaat het u niet als de apostelen die tot hun Meester keerden met het verwijt a.h.w.: “Heer, anderen genezen in Uwe Naam”? Gaat het u niet als de wonderdoeners die zeggen: “Als er dan een wonder moet gebeuren, laat het dan door mij zijn, opdat ik er deel van zij”? U begeert misschien stoffelijke zaken. Rijkdom, vreugde, geluk. Waarvoor begeert u deze?

Begeert u die voor uzelf? U begeert die voor de wereld, maar vanuit uw denken en vanuit uw standpunt en anders niet. Wanneer het niet úw vrede is, dan ontneemt u de wereld de vrede!

Begrijp deze dingen allereerst!

Daarbij komt dat u angstig zijt. Misschien weet u dat niet vanuit uzelf. Misschien meent u, dat u vrij en moedig op deze wereld staat. Maar wanneer morgen de pijniging, de honger aankomen, dan vlucht u weg, dan laat u alles in de steek. U staat daarin niet alleen. Ook Petrus heeft zijn Meester drie maal verraden. Maar hij heeft daarover tenminste berouw getoond. Hoeveel mensen zullen hun eigen verraad aan principes en gedachten niet goed praten met het woord: nu ja, dit was niet anders mogelijk en zo moet het nu eenmaal maar geschieden……. Wanneer u een pad verlaat dat u niet past, kunt u gelijk hebben. U bent vrij uw weg naar God op uw eigen wijze te kiezen. Maar indien u een pad verlaat, omdat u meent dat daaraan te veel nadelen verbonden zijn, dan hebt u toegegeven aan angsten en begeren: de grote hinderpalen voor het erkennen van het ik en het kunnen en erkennen van de eenheid met God.

Vrees is er ook voor uw ware gedaante. Wilt u uzelf en uw handelingen en ook uw daden zien, zoals u bent, of droomt u van een ander wezen, een geïdealiseerd Ik, waaraan u alle dingen toeschrijft, terwijl men de werkelijkheid vergeet? Nu is er echter een mogelijkheid om juist deze hinderpaal, deze vrees, te overkomen. Deze zeer belangrijke hinderpaal op uw weg naar geestelijke bewustwording. Niet slechts het zich afvragen: Wat ben ik, is voldoende. Er moet in u iets meer zijn dan alleen dit streven. Geheel de Schepping is voortgekomen uit één God.

Dat geloven wij. Die God heeft heel Zijn Schepping lief, dat moeten jullie toch wel aanvaarden.

Want hoe zou Hij een deel van Zichzelf verloochenen? Hoe zou Hij iets, wat Zijn werk en Zijn Schepping is, uitwerpen voor eeuwig? God is liefde. Indien u als mens op deze liefde kunt vertrouwen, zonder er misbruik van te maken, dan hebt u een weg gevonden achter uw eigen begeren en vrees. Indien uw begeren té sterk wordt, zo zult gij uzelf kunnen zeggen: Maar God heeft mij lief. Wie zal mij haten? Indien uw angst té groot is, zo kunt gij u tot deze God keren, tot dit begrip.

Wij hebben voor deze God duizenden namen. Als God van liefde roept men Hem aan als Adonai, of de Christus. Men geeft Hem alle namen die een mens maar bedenken kan, het Hoogste, het Edelste wat bestaat in de Schepping weer te geven. Slechts de mens die kan en durft geloven in die God, kan een stap verder doen. Maar u bent nog uzelf. Zolang je jezelf bent en slechts vanuit jezelf de wereld wilt zien en ervaren, zul je nooit in staat zijn ver te zien. Hoe kan de korrel zand een oceaan overzien? Hoe kan één wezen, één Ik-heid, de onmetelijkheid van het Goddelijk wezen erkennen? Toch zult u dat moeten doen, wilt u beseffen wat u waarlijk bent.

Hier is het pad misschien moeilijker. Wanneer wij eenmaal komen tot de aanvaarding van het Goddelijke en de Goddelijke wil, dan moeten wij trachten – ongeacht de uiterlijke verschijningsvorm van ons wezen, ongeacht de fouten die wij misschien gedreven zijn te maken, ongeacht de schuld die wij menen op ons geladen te hebben, ongeacht de deugden misschien, waarop je je beroept – zoeken naar kennis. Kennis is een van de noodzaken om je bewust te worden van je eigen kleinheid, je bewust te worden van de noodzaak tot een absolute aanvaarding van de Goddelijke kracht, zoals zij zich openbaart. Wanneer wij zover komen, dan zal ons ik door ons gezien worden als van buiten af. Het is een deel van de wereld met bepaalde functies, met bepaalde werking. Maar het is niet meer het middelpunt van de wereld. Tot op dat ogenblik kan de dichter waarlijk uitroepen: “Mijn God, Gij moet mij danken, want zo ik sterf, sterft Gij mee en gaat Gij ten onder in het laatste duister, dat mijn oog doet slinken in een laatste ademtocht”.

Zolang gij uit uzelf denkt, kunt gij alleen vanuit uzelf ervaren. Maar de weg tot het Goddelijke rijk, tot het kosmisch bewustzijn, die oervorm, waarin het ene Wezen Zich eens openbaarde, dan moet u vergeten dat ook maar iets dit kan doven en blussen, dan blijft alleen over de Goddelijke kracht, eeuwig en onveranderlijk, dragend uw wezen door alle sferen, niet omdat GIJ het zijt, maar omdat in Zijn scheppingsplan UW wezen een rol speelt. Beschouw die rol en erken de Schepper in Zijn liefdevolle grootheid. Afstand doende van het schijnbaar zo noodzakelijke denken vanuit het Ik, komende tot het denken vanuit de wereld, zult gij zien, hoe vele werelden zich samen reien. Niet één wereld, maar ongetelde werelden, altijd hetzelfde weerspiegelend: Goddelijke kracht en eeuwigheid.

Laat u niet misleiden door hen die zeggen: wij kennen de ene weg, of wij kennen de enige waarheid. In God zijn alle dingen waar. In God zijn alle dingen Gods kracht. Zeker, ik geef u toe: Er is één weg en één waarheid. Dat is niet de waarheid van de godsdienst, niet de waarheid van een persoonlijk standpunt, dat is de waarheid van de Goddelijke Al-liefde, die allen omvaamt.

Er is niet één verlosser, maar er is de voortdurende verlossende kracht, die zich openbaart, soms in de mens Jezus, soms in een ander, in een leraar van deze tijd net zo goed als in een ver verleden. Spreek mij van een Christusgeest en zeg mij, wie heeft de tong der profeten bewogen? Wie heeft zich geopenbaard in de wonderen en in de dood van Jezus Christus? Wie is het, die sedertdien telkenmale weer als een geweten de wereld heeft wakker geroepen?

Het is een kosmische weg, een weg die voor u open ligt, indien u er toe komt God te aanvaarden boven alles, maar meer zult u nog moeten bereiken. Het is niet voldoende om alleen jezelf weg te cijferen, al denk je dat misschien wel. Wij zouden misschien kunnen zeggen: kom laat ons neerzitten, Gods wil zij in ons vervuld. Indien Hij ons dwingt tot handelen, zo handelen wij.

Vergeet een ding niet, jullie, elk van u, zoals u hier zit, met uw eigen denken en problemen, u hebt in u de Goddelijke wil die in u leeft. Deze vervullen betekent harmonie kennen, betekent: Ontwaken uit de gebondenheid van uw ogenblikkelijk bestaan. Deze Goddelijke wil negeren, niet zelf strevende en daadwerkelijk deze wil vervullen, betekent voor uzelf een steeds grotere wal van waan, van angst en begeerten opwerpen.

Bedenk wel, dat gij stof zijt én geest zijt. U bent eindig en tijdgebonden, oneindig en tijdloos tegelijk, zoals wij allen zijn door de wil van Hem, Die ons geschapen heeft. Luistert goed: het eeuwige in u kan vaak strijden met het eindige. Het stoffelijke bewustzijn wordt soms tot vreemde daden gevoerd door een onbewust weten, dan bent u zich niet bewust van de zin van hetgeen geschiedde. Streven naar het goede, zoals u het erkent, is noodzaak.

Maar nog noodzakelijker is het, dat u, werkend zo goed als u kunt, vervullend Gods wil en niet uzelf beschouwend als het middelpunt van het Al, komt tot een zonder berouw, zonder een nazoeken van consequenties voor of nadien de Goddelijke wil in de praktijk te brengen.

Geen aarzeling. Toen de Boeddha met zijn leerlingen samen was, zei hij tot een van hen: Spoed u huiswaarts, want uw vader verlangt u te zien……. De vader was stervende. Had de leerling geaarzeld één enkel uur, hij zou de zegen van hem die hij zo hoog schatte, moeten ontberen.

Toen echter tot de Boeddha zelf een bode kwam en zei: “Uw vader wacht om U te zien”, toen bleef hij nog enige maanden, want hij wist dat dit niet nodig was. Wij weten dat niet. Wanneer voor ons de roepstem komt, dan mogen wij niet zeggen: “Het is nog zo aangenaam te toeven, en dat werk is nog niet afgemaakt, wij moeten kunnen gaan uit de volheid van ons wezen”. Eerst op deze wijze word je bewust van wat in je leeft. Eerst op deze manier krijg je een inzicht in de innerlijke waarheid en werkelijkheid. Laat ons ook niet vergeten dat de grootste van de u erkende leraren, Jezus Christus, tot zijn leerlingen heeft gezegd: “Alles zult gij achter laten. Huis en goed, ouders en geliefden om Mij te volgen”. Zeker, ik citeer vrij. Want hoe kan ik u duidelijk genoeg die zin inhameren? Uw geliefde voorstellingen en uw gedachten zijn van geen enkel belang, wanneer het gaat om de waarheid. Uw ideeën van belangrijkheid en van verplichting hebben geen enkele zin, tegenover de werkelijkheid van Gods wil. Veel van wat u noemt uw taak en werk is een samenstelling van angst en begeren, zonder meer. Dat is de ene weg tot de werkelijkheid.

Er is echter meer.

Wanneer wij horen van geboorte van grote Meesters op de wereld, dan horen wij van wonderen, van lichten in de hemel, van engelen die aankondigen. Wanneer wij lezen over hun leven, dan horen wij hoe zij omgeven door Licht ontrukt zijn aan alle werkelijkheid. Of dat nu is Boeddha op de meditatiestoel plots ontheven, omringd door Licht, dat zelfs demonen niet kunnen doordringen, of Jezus, Die verheerlijkt omhoog rijst op de berg Thabor, of Mozes, die omringd wordt door een Goddelijk vuur, dat het nodig maakt dat hij een sluier over zijn gelaat werpt. Er is altijd weer sprake van dat Licht en van deze ontruktheid. Om iets te begrijpen van esoterie, moeten wij juist dat Licht leren begrijpen. Wanneer je jezelf geheel vergeet, dan komt dat Licht.

Wanneer je je mens-zijn, je geest-zijn vergetend, innerlijke eenheid zoekt met God, dan is het soms, of jezelf gedompeld wordt in een Licht, waarin niets overblijft. Het licht is natuurlijk onze voorstelling, onze waan desnoods. Het is onze wijze om het onbegrijpelijk vervulde van het Goddelijk wezen voor onszelf terug te brengen tot een voor ons begrijpbare werkelijkheid.

Mijne vrienden, voor elk van ons, voor elk menselijk leven is er dat ogenblik, dat gij dat Licht in u voelt. Dan kunt u zeggen: “Jezus is mij verschenen, God heeft tot mij gesproken, Gij, de Eeuwigheid hebt mij gewekt tot een werk.” De naam die u eraan geeft doet niets ter zake. Maar eenmaal uzelf vergeten hebbend, eenmaal die innerlijke werkelijkheid, die kracht die in u leeft, geopenbaard ziende, zult u maar al te vaak zeggen: Wanneer weer? Wanneer het u nog niet gegeven was, dan roept u uit: Laat mij dat Licht zien. Ik wil die kracht, ik wil dat Licht…..Het is vaak moeilijk, dat geef ik vaak toe. Nu denk ik, vooral nu de Paasdagen nader komen met Jezus in de Hof van Olijven. Dan kunnen wij strijden over het al of niet werkelijk zijn van het woord, maar dit is esoterisch gezien, één van de mooiste en de meest ware ooit gezegd: “Vader, niet mijn, maar Uw wil geschiede”. Niet: “Wij willen dat Licht hebben. O, het was zo gelukzalig, wanneer kan ik weer terug in dat Licht…” Neen, wij hebben een taak, die misschien heel eenvoudig is. De ene is huisvrouw en de ander typiste. De een dient in het leger en de ander is een zakenman. De een doet aan woningbouw en de ander aan verzekeringen, kortom, een ieder heeft zijn eigen plaatsje. Elk plaatsje, waar u het ook heeft, brengt u in contact met het Goddelijke dat rond u bestaat. U leeft vanuit uzelf. Wanneer u probeert om die innerlijke waarheid, erkend als een Licht misschien, of alleen begeren, te zien in alles rond u, te erkennen, hoe Gods wil werkt in alles rond u, dan komt dat Licht tot u.

Zolang u vanuit uzelf denkt, dan leeft u in een bol besloten. Rond u een spiegel. Alle misvormde gestalten, die de wereld toont, is niets anders dan uw eigen streven en uw eigen denken en werken. Wordt er een wereld vernietigd? In u, zo goed als buiten u. Zijn er dieven, zijn er roddelaars? Mensen die anderen ongelukkig maken? Veroordeelt u dat zozeer? Wat is het anders dan een vertekende weergave van uw eigen gedachten en eigen bewustzijn? Daarom staat er geschreven: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde.” Indien gij niet oordeelt, maar God zoekt rond u, dan zult u niet slechts uzelf vinden, maar vindt u meer dan dat. Vanuit dit meerdere, dat de wereld vanuit u toont, kunt gij in uzelf het beeld Gods vinden, dat daar verborgen is. Vanuit het vertrouwen, dat in het erkennen van God buiten jou je geeft, kunt u de weg vinden tot die God in jou, kunt u komen tot het vervullen van die Goddelijke wil, die in jou geopenbaard wordt.

Noem mij nu geen prediker, want dat ben ik niet. Ik probeer niet door een predicatie te bewegen, of te beroeren. Ik weet voor mijzelf dat ik nog een weg te gaan heb, voordat ik dit bereik, dit één zijn met God zonder meer, deze absolute volledige overgave, net zo goed als u.

Maar ik weet ook, dat de weg naar binnen toe, deze kennis van hetgeen achter de schaduwen van het leven geborgen ligt, alleen verworven kan worden langs deze weg. Of u uitgaat van theosofie, of rozenkruisers, of u het kiest in de kerk van Rome, of in een christelijke beweging, de Hindoeleer, de oude geschriften, of het nieuwste van het nieuwe, het maakt niets uit. Dit is de enige weg en die weg wordt in alle richtingen gelijkelijk aangeduid.

Laat ons dan trachten die weg te gaan, vrienden. En anders niet. Dan wordt aan u vervuld, wat het grootste geluk is, zo wij het nog geluk mogen noemen, voor onszelf, waar het ik teloor schijnt te gaan, verdrinkend in de zee van Goddelijke kracht is mijn kracht met die van God gemengd tot in de oneindigheid. Ik spreek niet van mijzelf, maar ik ken slechts mijn Schepper en Heer in Wiens liefde ik voltrek Zijne wil, zolang Hij het gedoogt. Er is niets beter dan dat: Een absolute overgave. Dat is het uiteindelijke resultaat van elk esoterisch zoeken, waarbij de mens langs de innerlijke weg zijn juiste plaats vindt in de Schepping en komt tot de juiste en absolute overgave en de Goddelijke wil. Zeg niet, dat gij in deze hulpeloos zijt.

Dan wil ik u nog herinneren aan een paar woorden van grote Meesters. De Boeddha zegt: “Bewogen door medelijden zal ik niet ingaan, doch keren, totdat allen uit de ijdelheid tot waarheid geboren zijn.” Jezus zegt: “Waar twee of drie uwer in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben ik in uw midden.” Deze kracht der oneindigheid, deze Goddelijke liefde, die spreekt met zovele stemmen en zovele toonaarden, is altijd rond ons. Indien wij haar niet begrijpen en misschien nog niet zijn gekomen tot de kennis van het innerlijke, absoluut reële, dan kunnen wij tenminste ons laten dragen door deze liefdekracht bij al ons streven en zo komen tot de verwerkelijking.

Een enkele maal mogen deze dingen toch wel eens anders gezegd worden dan door de gelijkenis die voor de menigte zo attractief is, maar die gelijkelijk vaak verblindt door haar beeld voor de inhoud, die zij moet weergeven.

image_pdf