Genezing

image_pdf

15 oktober 1965

Aan het begin van deze bijeenkomst gevoel ik het als een plicht, u er op te wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Het is dus uw taak de gebrachte onderwerpen zelf te beoordelen.

Ons onderwerp heden is:  Genezing.

Er zijn omtrent genezen twee opvattingen: De eerste stelt, dat een genezing alleen aanvaardbaar is, wanneer zij geschiedt op een wetenschappelijk verantwoorde wijze. De tweede stelling luidt: Al wat bij kan dragen tot de genezing van een patiënt, moet aanvaard worden. Tussen deze twee standpunten ligt het geheel van de medische wetenschap, het medisch denken; de moeilijkheden en problemen ook, die schuilen in de medische ethiek.

Ik zou u op deze bijeenkomst gaarne enkele voorbeelden geven van de mogelijkheden tot genezing.

Natuurlijk bestaat er geen enkel panaceum – wondermiddel – geen al-geneesmiddel, ook al worden steeds weer geneesmiddelen met een dergelijk beeld op de achtergrond bij u aangediend. Wij hebben een dergelijke sfeer aangetroffen rond het penicilline, een zeer nuttig geneesmiddel, dat echter later toch wel bleek minder aangename nevenverschijnselen met zich te brengen. Wij zien een dergelijke sfeer rond vele stellingen, die op medisch terrein als altijd geldend naar voren werden geschoven; er was een tijd, dat men voor alle ziekten een al-geneesmiddel meende te kennen. Degene die ziek was, ging naar de geneesheer en deze liet voor alles koppen zetten. En dankzij deze werkwijze is de patiënt soms genezen, soms ook overleden, zoals dat altijd weer gebeurt.

Indien ik echter een patiënt – ongeacht de therapie, het gebruikte geneesmiddel – de suggestie mee kan geven, dat dit iets bijzonders is, iets exclusief bv., zo blijkt hij een gevoel van eigenwaarde aan deze therapie of medicatie te ontlenen. Wat meer is, op zichzelf waardeloze of zinloze middelen blijken dan vaak in staat bij de patiënt een genezing of verbetering van toestand te weeg te brengen.

Dit is een punt, dat, helaas, in deze dagen door vele geneesheren minder wordt beseft – en gebruikt – dan voorheen het geval was. Vroeger greep men al snel naar het aqua distillata coloratum, of de bekende broodpil en deed, alsof dit iets zeer bijzonders was. In deze dagen grijpt men eerder naar algemeen bekende vitaminepreparaten, die op zich misschien even weinig werkelijk nut beloven. Maar de mens van heden kent deze preparaten en beschouwt ze als normale middelen, die men ook zonder arts kan toepassen. Juist hierdoor zal de uitwerking ervan vaak minder zijn, dan verwacht kon worden. Want het gevoel van exclusieve aandacht, behandeling, medicijn, valt weg. Kennelijk beseffen velen niet meer, hoe belangrijk juist dit voor de doorsnee patiënt zal zijn.

Steeds duidelijker blijkt immers, dat de ziekten niet alleen lichamelijk bestaan, maar dat de ziekte haar basis zeer vaak voor een groot of zelfs het grootste deel zal vinden in het innerlijk, in de innerlijke reacties op wereld en milieu van de mens. Een wat vergeten volgeling van Paracelsus zei eens: “Wanneer wij de ziel in de mens gezond kunnen maken en zijn huid haar veerkracht weer kunnen geven, zal hij genezen zijn. Kunnen wij dit zo houden, zo heeft hij het eeuwige leven.” Nu is dit natuurlijk wat overdreven.

Maar het innerlijk van de mens moet de genezing en de geneesmiddelen of geneeswijzen aanvaarden. Wanneer de genezing het Ik verheft, zal de genezing door dit Ik vanzelf bevorderd worden met alle middelen en mogelijkheden. Is daarentegen eerder de ziekte een punt van verschil met anderen, waarop men zich dus beroemen kan, zo zal over het algemeen geen enkele therapie of medicatie blijvend baat kunnen verschaffen.

Dit is een voorbeeld van de mogelijkheden en moeilijkheden in de geneeskunde, waaraan wij vele beschouwingen zouden kunnen verbinden. Wij kennen allen de psychotherapeut, die in deze tijd in verschijning is getreden. Deze zoekt de mogelijkheden in het gelijktijdig behandelen van de psychische achtergronden en het verschaffen van de nodige middelen, waarmee het herstel van het lichaam – stoffelijk – kan worden bevorderd. Men gaat hiermede in een richting – al beseft men dit vaak zelf nog niet – die zeer dicht komt bij de occulte praktijken, zoals wij deze aantreffen bij de genezers van India, China, Afrika en alle andere meer primitieve of minder materialistisch georiënteerde gebieden. Denk nu echter niet, dat dergelijke genezers alleen in niet-westerse of onbeschaafde gebieden voor komen. Ik vraag mij wel eens af, hoe het komt, dat een medicament dat door de pendel wordt aangewezen – in bijzijn van de patiënt – zo vaak meer succes heeft dan een zelfde geneesmiddel, dat wordt toegediend – al dan niet door een erkend medicus – zonder dat een pendel daarbij te pas komt. Ik meen dit te kunnen verklaren door het feit, dat juist het magische, het onbegrijpelijke, therapeutisch van veel grotere betekenis blijft, dan men in deze verlichte tijden over het algemeen wil aanvaarden.

Hiermede vond ik een inleiding tot een punt, dat voor mij een van de meest belangrijke is. U begrijpt, dat wij nu, vooral in een milieu als dit, allereerst denken aan de paranormale geneeswijzen. Zowel voor het geloof in de mogelijkheid als voor de bereikte resultaten – want ook die zijn er – kent men vele verschillende verklaringen, als bv. “Indian scouts” die, als weldoende medicijnmannen uit een verleden, weldoende en magische krachten naar patiënten uitstralen, daarbij van patiënt tot patiënt gaande op bevel van hun magiër of medium. Zij zouden op deze wijze ook een behandelen op afstand van grote menigten mogelijk maken. Voor soortgelijke mogelijkheden en verschijnselen treffen wij ook andere verklaringen aan, waarbij supernaturale krachten als stralen van Licht, engelen, concentratie van gedachten en meer magische praktijken, de verklaring vormen voor een geloof en riten, waarmede steeds weer hetzelfde beoogd wordt: Genezing.

Wat is hier juist, wat is niet juist? Wij moeten dan in de eerste plaats stellen, dat de genezing op afstand voornamelijk resultaten blijkt te kunnen geven, wanneer de patiënt – of iemand in zijn omgeving in sommige gevallen – in het contact met de genezer, dat meestal schriftelijk plaats vindt, een kans krijgt om hoop en zorgen uit te spreken. Dit brengt a.h.w. een ontspanning teweeg. De innerlijke gevoelens, die men zelfs aan eigen omgeving vaak verzwijgt, de hoop, waarvan men niet hardop durft spreken, worden naar de onbekende genezer geprojecteerd, terwijl gelijktijdig de verwachting ontstaat, dat de genezer – vaak op een te voren bepaald ogenblik – zijn wonderlijke krachten naar de patiënt zal doen uitstralen. Hierdoor krijgen wij bij de patiënt te maken met een voor elke geneeskundige toch wel zeer begeerlijke toestand.

In de eerste plaats is er sprake van een patiënt, die ontspannen, relaxed is, terwijl in de tweede plaats de patiënt in de genezing gelooft, en gezien de wijze van de genezing, daaruit zelfs voor zich een zeker boven anderen verheven zijn, een zeker prestige hoopt te verkrijgen. Ten laatste is er hierbij sprake van een, meestal op vaste tijden optredende, vorm van autosuggestie.

Hierbij worden de, al dan niet werkelijk aanwezige krachten voorgesteld en zal, zo er krachten in of rond de patiënt aanwezig zijn, die tot genezing bij kunnen dragen, een zo volledig mogelijk ontvangen en verwerken hiervan bevorderd worden. Het suggestieve element kan ook in de omgeving van de patiënt bestaan. Maar is er voor de patiënt geen mogelijkheid, zich uit te spreken, dan blijkt, dat dit massaal genezen op afstand opeens veel minder resultaten geeft, terwijl dezen dan slechts zelden van blijvende aard zijn.

U kent natuurlijk het beeld van de genezer in de geest, die via een stoffelijk contact de patiënt bezoekt. De ervaring leert, dat de ervaring van dergelijke geestelijke dokters over het algemeen met een korrel zout en 20 gram voorzichtigheid moeten worden genomen. Er komen daarbij, zij het door het “medium”, zij het door verkeerde weergave van de “geestelijke dokter”, vaak verschrijvingen van de meest krankzinnige aard voor.

Ik herinner mij een geval, dat een collega van mij overkwam. Hier was dus werkelijk sprake van een medicus in de sferen, die vanuit de geest op aarde praktiseerde. Hij gaf een recept op voor pillen, waarin zich 0,01 gram arsenicum zou moeten bevinden om te dienen als hartstimulator.

Dit is al een zware dosis, door het medium werd echter – een verwarring of vergissing – opgeschreven 100 gram arsenicum. Het zo geschreven recept was wel voor het betreden van de eeuwigheid, maar niet voor het behoud van het tijdelijke stofbestaan bevorderlijk. Dit is een extreem voorbeeld, maar minder opvallende vergissingen vinden vaak plaats. Wij zien dan ook, dat “mediamiek” voorgeschreven kruidenmengsels, al zijn zij vaak niet werkelijk schadelijk, toch vaak een verkeerde samenstelling krijgen en zo het beoogde resultaat niet kunnen geven – waarvan dan vaak de patiënt en niet de “genezer” de schuld krijgt. Een direct ingrijpen vanuit de geest kan, ik heb dit bij verschillende collegae in de geest gezien, wel eens goed verlopen, maar daarvoor is het noodzakelijk, dat men ook over de voor het ingrijpen noodzakelijke krachten kan beschikken. En dit is lang niet altijd het geval.

Een geestelijke operatie is inderdaad wel mogelijk. Men kan door een soort tensor van energie te gebruiken a.h.w. 4-dimensionaal in het lichaam ingrijpen en daar dus bepaalde belemmeringen opheffen. Zo kan men dus wel iets doen. Maar men kan toch zeker niet eenvoudig een stuk weefsel vervangen. Maar zelfs indien men alle beperkingen beseft, die aan een dergelijk ingrijpen verbonden zullen blijven, geldt nog steeds, dat de ingrijpende geest over voldoende kracht moet beschikken en dat deze kracht grotendeels van meer stoffelijke aard moet zijn. Daarom geldt dus: In enkele gevallen kan een dergelijke poging tot ingrijpen wel spectaculaire resultaten opleveren, maar dit zal lang niet altijd het geval zijn.

Dan kennen wij het genezen door “magnetisme”, waarbij wij te maken hebben met iemand, die als intermediair fungeert voor de geest, of eigen krachten afgeeft. Hier blijkt, dat in vele gevallen een – meestal tijdelijke – verhoging van levenskracht bereikt kan worden, terwijl daarnaast een vermindering van de factor pijn voor de patiënt schijnt op te treden. Zover ik dit na kan gaan, is de vermindering van pijn echter voor rond 60% te danken aan een andere geestelijke – psychische – benadering van het pijnverschijnsel. De feitelijke afname van de pijnprikkel is dus veel minder in werkelijkheid, dan men meent te constateren.

Langs deze weg kan zeker veel goed worden gedaan. Maar men zou in staat moeten zijn om op een verantwoorde wijze de ontwikkelingen in het lichaam van de patiënt gade te slaan, vooral daar door suggestie en een andere geesteshouding vaak een vervalsing van symptomen op zal treden. Deze mogelijkheid, ontbreekt maar al te vaak. Ook hier rijst dus de vraag, of men zich zonder meer kan verlaten op de door helderzienden of andere sensitieve op aarde gedane waarnemingen, dan wel het overbrengen van de waarnemingen, die vanuit de geest omtrent de patiënt worden gedaan via een medium.

Ook hier zijn vaak eigenaardige vergissingen voorgekomen. Ik herinner mij een geval van iemand, die last had van een hardnekkige vorm van eczema. Deze waterachtige blaasvorming werd oorspronkelijk door een medicus behandeld. Men was met de resultaten niet tevreden en ging naar een medium. De geestelijke behandeling, die tevens een vorm van magnetiseren inhield, deed de kwaal afnemen; de plekken, eerst zo groot als een hand, smolten langzaam tot de grootte van een vierkante stuiver. Men kon dus van resultaat spreken. Wat echter niet was opgevallen: De oorzaak van de kwaal lag in het bloed. Daar wel de verschijnselen bestreden werden, maar geen controle op interne resultaten van de behandeling mogelijk schijnt te zijn geweest, ontstond een lichte algehele vergiftiging, die voerde tot een uitbreken van – weliswaar droge – scrofuleuze, verschilfering van de huid over het gehele lichaam, gevolgd door een over het ganse lichaam optreden van blaarvorming, terwijl ook veel puistjes werden gevormd, die in wezen cysten bleken te zijn vol pus. Na medische behandeling namen de verschijnselen af, maar de puistjes werden lelijke littekens. Dit had voorkomen kunnen worden, indien een voldoende controle op de patiënt aanwezig was geweest.

Waarmede de vraag moet worden gesteld: Wat is er voor paranormale geneeswijzen te zeggen en wat spreekt daartegen? Daarbij stel ik, dat volgens mij alles, wat de patiënt op enigerlei wijze kan baten, aanvaard moet worden. Zo te denken en te handelen is zeker geen afwijken van de waardigheid van de arts of de stelregels van Hypocrates.

Wanneer men tot de medische stand behoort, kan men dergelijke hulp aan de patiënt echter m.i. alleen aanvaarden, wanneer men voor de algehele toestand van de patiënt verantwoording kan blijven dragen. Ik wil daarom als basis stellen, dat op verantwoorde wijze de paranormale geneeswijze alleen kan worden beoefend, wanneer er sprake is van voortdurende medische controle van de patiënt – op aarde – en bij voorkeur de behandelende medicus ook aandacht wil schenken aan eventuele prescripties en aanwijzingen, die – zoals men dit meestal pleegt te stellen – van een geestelijke dokter stammen. De geneesheer zou daarbij, niet als stelregel mogen huldigen, dat iets, dat volgens zijn kennis nutteloos of een lapmiddel is, a priori moet worden afgewezen, maar zou eerder moeten uitgaan van het standpunt, dat alle voorschriften en medicatie, die niet kenbaar schadelijk zijn, onder zijn controle beproefd mogen worden.

Ook andere factoren spelen in de hedendaagse vorm van genezing een rol. De farmaceutische wetenschap werkt in deze dagen voornamelijk met synthetische producten. De natuurlijke middelen van eens zijn ofwel te kostbaar dan wel te lastig – of te weinig winstgevend – bevonden en moesten plaats maken voor vervangingsmiddelen. Indien ik hier een vergelijking mag maken: Wanneer je geen koffie hebt, kun je gebrande mout drinken. Maar de geur en stimulans, die de echte koffie geeft, zal de mout ontberen. Ook wanneer men aroma en cafeïne toevoegt, ontstaat nog geen product, dat aan de echte koffie gelijk komt. Op dezelfde wijze kunnen wij dit stellen t.a.v. vele geneesmiddelen – ook op recept – die in deze tijd worden gebruikt. Zij zijn op zich niet slecht. Dat zou ik zeker niet willen beweren. Maar zij bevatten vaak elementen, die minder natuurlijk zijn en in een lichaam nevenverschijnselen veroorzaken, die minder gunstig zijn. Noodzakelijk is dit niet, zolang een natuurlijk product bestaat, dat de goede eigenschappen bezit, zonder de kwade bijkomstigheden. Sommige producten blijken een neerslag in de urine te veroorzaken, die alles behalve goed is. Vaak betekent dit, dat de medicatie, wanneer zij in deze vorm langere tijd wordt voortgezet, een belasting voor de nieren gaat betekenen.

Opvallend is de lichtzinnigheid, waarmede men van bepaalde producten gebruik maakt in niet medisch geschoolde kringen. Leken zullen vaak gebruik maken van in de handel zijnde schimmelconcentraten en distillaten, maar hebben de neiging, om naast de volgens indicatie juiste dosis, nog een flinke dosis of zelfs doses toe te voegen. Dat dit voor het lichaam alles behalve goed is, zal een ieder kunnen begrijpen. Op medisch voorschrift zien wij vaak eveneens een onverantwoorde overdosering, bv. bij het gebruik van vele sulfonamiden. Het gevolg daarvan is, dat de interne en symbiotische flora en fauna van de mens ernstig wordt aangetast en niet alleen de voor het lichaam schadelijke organismen worden vernietigd, maar ook de voor het lichaam belangrijke en vaak onmisbare. Daarom zou volgens mij bij alle genezing moeten gelden: Grijp alleen naar niet organische geneesmiddelen, wanneer natuurlijke geneesmiddelen geen enkele uitwerking, of een voor de mogelijkheid van genezing te trage uitwerking hebben.

Voor de vorm, waarin men geneesmiddelen zou moeten gebruiken en toedienen, kan ik geen voorkeur kenbaar maken. In sommige gevallen bestrijd je immers het kwaad met het kwaad, terwijl in andere gevallen aan het lichaam ontbrekende stoffen moeten worden toegevoegd, of voor de genezing schadelijke werkingen en symptomen in het lichaam onderdrukt moeten worden.

I.v.m. deze tijd meen ik, dat de manipulatie van het menselijk lichaam over het algemeen vaardig geschiedt, maar dat een gebrek aan begrip bestaat voor de mens als deel van de natuur, als een geheel van geestelijke en stoffelijke waarden en zelfs als deel van een bepaald milieu. Hiermede snijd ik een tweede punt aan, dat zeker de aandacht waardig is: Ik zal u een voorbeeld geven. Iemand heeft last van furunculose – een overal uitbreken van steenpuisten.

Ter bestrijding zou men gebruik kunnen maken van oude middelen als netelthee en dergelijke tisanes, van veel uien en knoflook in de voeding. In oude recepturen vinden wij deze middelen steeds weer terug. De moderne wetenschap gebruikt echter in dit geval bij voorkeur bepaalde sulfapreparaten.

In het mij voor ogen staande geval werd gebruik gemaakt van een Duits preparaat, dat de naam Prontosil droeg. Dit middel deed inderdaad de furunkels snel verdwijnen, maar de patiënt hield maag en darmklachten over en klaagde ook over een onregelmatige werking van de gal. De medici stelden dat er geen kennelijk verband bestond tussen de toegediende medicijnen en deze verschijnselen. Uit het beeld van klinische proeven bleek echter, dat op intense behandeling met dit preparaat 1 op de 87 patiënten met soortgelijke klachten reageerde, waarbij de meesten na 3 of 4 maanden de klachten zagen afnemen. Bij meerderen werd echter een ingrijpen noodzakelijk, nadat zich niersteen had gevormd en andere afwijkingen aan de urinewegen optraden.

U denkt misschien: Wat is dit alles van belang? Is hierbij een geestelijk belang in het geding? Het antwoord luidt: zeer zeker, hier wordt aangetoond, dat men het kunstmatige, vaak actievere en sterkere middel alleen kan gebruiken op straffe van het gevaar voor nevenverschijnselen die even ernstig of zelfs ernstiger kunnen zijn dan de kwaal zelf. Bij natuurlijke geneesmiddelen zien wij veelal een veel langzamer genezingsproces. Hier tegenover staat dan, dat deze natuurlijker geneesmiddelen maar zelden nevenverschijnselen van werkelijk ongunstige aard doen zien, terwijl de mens zowel lichamelijk als geestelijk beter in staat blijkt de fasen van het genezingsproces te verwerken, zodat bepaalde klachten van meer psychische aard achterwege blijven. De nadruk, die in uw dagen op spoed bij behandeling en genezing valt, gaat dan ook, – naar ik meen – zeker niet alleen meer van de patiënt uit. Overigens vind ik het zeer begrijpelijk, dat een patiënt vooral aandringt op een zo spoedig mogelijke genezing en opheffing van de voor hem hinderlijke symptomen. Alleen bij sommige kleinere kwalen schijnt men in deze dagen er prijs op te stellen, wanneer de arts langer dan noodzakelijk “ziek schrijft”, indien ik althans de verklaringen van de laatste tijd bij ons gearriveerde collegae mag geloven.

Laat ons ook hier naar een gelijkenis grijpen; wanneer ik bij iemand een gewichtsvermindering tot stand wil brengen, zo kan dit binnen medisch verantwoorde normen, betrekkelijk snel gebeuren. Binnen rond twee weken kan vaak 10 tot 15 pond gewicht worden weggewerkt. Maar indien men met de behandelwijze verder gaat, komt er een punt van stilstand. Er is geen verdere gewichtsafname. Blijft men nu dezelfde preparaten toedienen, dan zal na ongeveer 3 maanden zelfs een gewichtstoename niet uitblijven. Ik heb in dit geval dus wel een tijdelijk en snel resultaat bereikt, maar kennelijk heeft de behandeling niet blijvend geholpen.

Indien het echter mogelijk is een patiënt via een therapie, die dieet, beweging en ademhaling omvat, er toe te bewegen, voor langere tijd matigheid in acht te nemen, dan blijkt de gewichtsvermindering blijvend te ontstaan, terwijl er geen sprake blijkt te zijn van kwab- en plooivorming bij de huid, die zich in het eerste geval niet aanpassen kan aan de veranderingen in het lichaam. Ook blijkt in dit geval geen sprake te zijn van ongezonde nevenaspecten als pijntjes enz. Dat men deze wijze van werken vaak prijsgeeft voor een snel, maar veelal niet blijvend resultaat, heeft m.i. vooral te maken met psychologische factoren.

In analogie hiermede wil ik stellen, dat de langzame genezing vaak te verkiezen is boven een geforceerd snelle genezing, omdat op deze manier een betere algemene gezondheid bereikt wordt en een vermijden van vele ongewenste nevenwerkingen en verschijnselen mogelijk blijkt te zijn. Bij de voorkeur voor een “snel” genezen speelt de mentaliteit van de moderne mens een grote rol: U zult mij niet kwalijk nemen, dat ik ook hier even een van mijn stokpaardjes berijd.

Het stoffelijk organisme wordt in deze dagen al te veel beschouwd als een soort machine. Het menselijke lichaam is echter niet alleen een biologische machine, maar een samenstel van werkingen en reacties, waarin een regelmaat van belevingen, evenwichtigheid en persoonlijke – aan elk lichaam geheel eigen – werkingen een rol spelen. De moderne geneeskunde lijkt mij meer en meer gespecialiseerd te raken op een normaliseren van het lichaam, daarbij zelden rekening houdend met de geheel eigen kwaliteiten en evenwichtigheden, zoals die bij het ontstaan reeds genetisch bepaald zijn, maar in de richting van theoretische normen, die, omdat zij een gemiddelde omvatten, voor niemand geheel juist zijn en toch via statistieken een schijnbare juistheid kunnen bezitten.

Ik zou willen zeggen, dat dit in feite een vermindering van de weerstandskracht van de mens in doorsnede ten gevolge heeft, dat hierdoor zijn lichaam niet meer de juiste plaats kent in het leven. Het lichaam is, zo goed als de geest, deel van een magisch geheel. Wij kunnen geest en lichaam niet gescheiden beschouwen. In de geneeswijze moet een behandelen van stof en geest steeds samengaan. De karakteristiek van de geest, de habitus van de mens, zijn leefwijze, zijn gewetenskwesties, zijn geloof, spelen bij elke genezing een even grote rol als de organische afwijkingen en het normaliseren daarvan volgens geldende normen. Al deze dingen tezamen scheppen een evenwicht, dat voor de persoon in kwestie optimaal is.

Dit zal inhouden, dat in vele gevallen iets, wat medisch als kwaal wordt beschouwd, in de patiënt aanvaard en getolereerd moet worden, omdat hij alleen met deze “kwaal” een maximum aan beleven, geluk en bewustwording zal kunnen bereiken.

Dit brengt ons tot een wat eigenaardig verschijnsel, dat op alle geneeswijzen zijn invloed doet gelden: De wederkerige beïnvloeding van psyche en fysiek met daarnaast de inwerking en invloed van geestelijke waarden op het mentale deel van het menselijk bestaan en via de mentale reacties ook op het fysieke. Wanneer ik een mens geestelijk benader, ontstaat in hem een zekere stemming. Het is moeilijk dit effect anders te omschrijven. Dit gevoel zet zich vreemd genoeg om in een spanning of ontspanning van delen van het zenuwstelsel. Men kan dus zeggen, dat in het gehele lichaam prikkels van stoffelijke aard worden gewekt aan de hand van contact met geest of sferen. Dat de reactie op deze waarden niet uniform is, behoeft ons m.i. niet te deren. Het is mij bv. bekend, dat er mensen bestaan, die een benadering van hun wezen vanuit bv. Zomerlandsferen of de astrale wereld, in de eerste plaats ondergaan als een duizeling. Om het anders te zeggen: door de inwerking wordt hun evenwichtszin gestoord. Als nevenverschijnsel, een zuiver lichamelijke reactie op het verlies van de evenwichtszin, treedt verder daarbij vaak een gevoel van misselijkheid op.

Hier blijft echter het feit bestaan, dat de lichamelijke reactie tot stand komt door het aanvoelen van een geestelijke waarde. Dit toont wel aan, hoe sterk suggestieve werkingen invloed hebben op het welbevinden van een mens. Indien ik een patiënt neem, die redelijk goed gezond is, maar hem leg tussen patiënten, die stervend zijn of voortdurend en met reden klagen, zo zal ik vaak na 3 of 4 dagen de toestand van de patiënt reeds aanmerkelijk zien verslechteren. Wanneer hij langere tijd in deze omgeving verblijft, zal hij symptomen en klachten gaan tonen, die niet passen bij zijn eigen ziektebeeld, maar kennelijk zijn overgenomen uit de klachten van anderen.

De verschijnselen zijn echter voor de patiënt van werkelijke betekenis en kunnen zijn algehele lichamelijke toestand aanmerkelijk wijzigen. Ook hier is sprake van een beïnvloeding, waarbij het directe bewustzijn een kleine, te verwaarlozen rol pleegt te spelen.

Ik neem iemand, die leeft in een onrustige omgeving. Als beeld voor zo iets kunnen wij de moderne maatschappij wel nemen. In deze onrustige omgeving ontstaan zonder dat dit bewust gerealiseerd wordt, voortdurend spanningen. Men heeft daaraan dus bewust geen deel en ondergaat dezen slechts. Maar een langer vertoeven in een dergelijke onrustige sfeer betekent vaak, dat op zich onbetekende spanningen en zelfs onverwachte kleine wijzigingen in het omgeving klachten met zich brengen als “steken rond het hart” – om een zeer veel voorkomende klacht te noemen. Wij zien, dat mensen, die beseffen, dat er tussen hun stoffelijke reacties en geestelijke houding iets niet in orde is, verschijnselen vertonen als reumatiek, zenuwpijnen en “knopen” en zelfs zenuwontstekingen. Hoe komt dat? Wanneer men dit alleen behandelt met massage, bestralingen, massage, stimulerende medicijnen, tranquilizers enz. zullen de verschijnselen wel tijdelijk verdwijnen, maar veelal na kortere tijd weer terug keren – soms in licht gewijzigde vorm. De oorzaak is immers blijven bestaan.

De geest heeft veel meer invloed op het lichaam, de mentaliteit is meer bepalend voor de gezondheid, dan men zich pleegt te realiseren. Wij zien dan ook, dat dergelijke klachten soms verdwijnen of weggenomen kunnen worden door de meest krankzinnige dingen: Een reumapatiënt beschouwde zichzelf als agnosticus, maar stamde uit een religieus milieu.

Na enige tijd kwam hij, door zijn kwaal, in contact met een hem sympathieke godsdienstleraar – niet van zijn oorspronkelijk geloof – die met hem een deel van de bijbel besprak. Het gevolg was een bijna onmiddellijke verbetering in de toestand van de patiënt. U mag stellen, dat dit, medisch gezien, vreemd is. Het bewijst echter m.i., dat hier een geloofswaarde noodzakelijk was voor deze mens.

De strijd tussen uiterlijk ongeloof en innerlijk geloof was hier m.i. de eerste oorzaak van de ziekteverschijnselen. Het ziektebeeld werd dan ook sterk beïnvloed door alle factoren in het leven, die op dit innerlijke probleem betrekking hadden.

Ik heb zelfs eigenaardiger gevallen meegemaakt. Ik was ongeveer 10 jaren overgegaan en begon mij, zoals velen van onze professie doen, mij weer vanuit de geest bezig te houden met de geneeskunde. Er was sprake van een dame, die steeds op bed bleef liggen, aanvallen had van melancholie.

Zij vertoonde eigenaardige en plotselinge dalingen van de bloeddruk, zodra zij zich gedwongen zag het bed voor enige tijd te verlaten. Men vroeg mij, via via, om raad voor dit geval. Na beraad met een in geestelijke genezing reeds meer ervaren vriend, kwam ik tot de oplossing: Noodzakelijk was een pak slaag – wat een eenvoudige vorm van shock-kuur is, zoals u misschien wel weet. Het bleek, dat niemand in de stof bereid was dit pak slaag te geven, maar er kwam wat later iemand, die te beïnvloeden was in die richting en tot hardhandigheid bereid was. Het resultaat was, dat de patiënt een lange tijd zich normaal kon bewegen zonder dalingen van bloeddruk en andere symptomen van onbehagen zich buiten bed kon bewegen en niet meer de gehele dag op bed bleef liggen. Ook de melancholie verdween. De achtergrond door therapie was hier, dat zelfmedelijden, dat geconfronteerd wordt met de absolute verachting van, en een hardhandig ingrijpen t.a.v. de voor anderen niet aanvaardbare verschijnselen van het zelfbeklag, dwong tot een zich suggereren van mogelijkheden en noodzaken, die zonder dit verworpen of onmogelijk genoemd zouden worden. De mentaliteit gaat daardoor, in verzet tegen het ingrijpen in eigen bestaan, uit van de vraag: “Wat kan ik nog wel?”, en houdt zich niet meer voornamelijk bezig met de vraag, wat het niet meer kan. Het resultaat is, dat alles, wat buiten het gewende door het Ik volbracht wordt, als een suggestie gaat werken, waardoor een cumulatief effect ontstaat, dat oefening met zich brengt en zo het bereik van het mogelijke steeds uitbreidt.

Dit is geen paranormale genezing in de algemeen erkende zin van het woord. Het was een zeer normaal en natuurlijk genezingsproces. Maar hier blijkt wel, dat een goed pak slaag soms meer nodig is dan alle medicijnen en bemoedigende woorden. Nu begrijp ik wel, dat de medische tuchtraad tegen dergelijke therapieën bezwaar zou maken. Toch meen ik dat, op grond van dit geval en vele soortgelijke gevallen, waarbij van shockkuren gebruikt wordt gemaakt, om iemand weer op zijn omgeving te oriënteren, men niet zovele bezwaren – op psychologische en gevoelsgronden – zou moeten maken tegen het pak slaag als normaal oriëntatiemiddel en de gemeenschap voor hen, die kennelijk de geldende normen voor zich en de maatschappij niet meer willen en kunnen aanvaarden door een al te grote belangstelling voor hun eigen probleempjes en kwaaltjes, die zij zo tot ernstiger opschroeven, dan voor hen en de maatschappij wel wenselijk is.

Ik zou ook hierop gaarne nog doorgaan, maar ik mag mijn inleiding niet al te lang maken. Ik volsta dus met te constateren, dat wij bij alle geneeswijzen geconfronteerd worden met vreemde verschijnselen, waarvan, naar ik meen, de medische wetenschap wel begrip heeft, maar waarmede zij kennelijk nog niet durft te werken. Ik vat het voornaamste in enkele regels samen:

  1. Elke invloed op de geest van de mens vindt zijn weerslag in diens mentaliteit en stemming, die op hun beurt weer grotendeels aansprakelijk geacht moeten worden voor de wijze, waarop de mens lichamelijk zal reageren op bepaalde bezwaren en kwalen.
  1. Het is dwaas om te stellen, dat alle kwalen een geestelijke oorzaak hebben, ofschoon bepaalde vatbaarheden misschien mede door eigen mentaliteit en geestelijke houding kunnen ontstaan. Het is echter even dwaas om te stellen, dat geest, mentaliteit en psyche met “normale” ziektegevallen niet van doen hebben. De weerstand van het lichaam wordt voor een zeer groot deel bepaald door de weerstand in de psyche.
  2. Indien ik stel, dat de psyche in alle gevallen belangrijk is, zo moet ik ook aanvaarden, dat de geestelijke bestanddelen van deze psyche voor de gezondheid van de patiënt van het hoogste belang kunnen zijn. Wanneer de ziel evenwichtig is, zal de mentaliteit eveneens evenwichtig blijken te zijn en beschikt de mens over grote krachtreserves. Het bestaan van deze reserve kan zich zowel tonen in de wijze, waarop een lijden wordt aanvaard en gedragen – met de tendens tot snellere genezing – als ook onmiddellijk in snelle veranderingen en reacties binnen het lichaam zonder meer.

Een aardig beeld van hetgeen ik bedoel, vindt u, wanneer u denkt aan twee roodvonk patiënten. Voor beiden zal de tijd van isolement het zelfde zijn, in de eerste dagen zal de toestand van beiden ook ongeveer gelijk zijn.

Nu is de eerste optimistisch, terwijl de tweede niet prettig gestemd is. Het gevolg is, dat wanneer de eerste reeds rondloopt en zich geheel gezond voelt en gedraagt als zodanig, de tweede nog steeds zal klagen, terwijl ook koorts of verhoging van temperatuur bij de tweede patiënt langer zal aanhouden. De kans op complicaties – door de ziekte mede veroorzaakte afwijkingen enz. in het lichaam – zal voor de eerste slechts 1/10 zijn van de voor de tweede patiënt geldende gevarennorm.

Een groot deel der genezende werkingen zal, bij alle wijzen van genezen – paranormaal, normaal medisch of afwijkend medisch – daarom op de volgende regels gebaseerd kunnen worden:

  1. Geef de patiënt vertrouwen in zichzelf en het proces der genezing.
  2. Omschrijf nimmer de ziekte op een interessante of zelfs geheimzinnige wijze. Ik zou mijn collegae in de stof willen aanbevelen, zoveel mogelijk Latijnse termen te vermijden en ook het bespreken van eventueel meer exceptionele aspecten van het ziektebeeld met de patiënt ten hoogste na zijn genezing te bespreken. Hierdoor bereikt men, dat de patiënt zich niet hecht aan zijn ziekte, of door angsten een vertrokken beeld daarvan krijgt.
  3. Voor elke patiënt is geestelijke hulp en bijstand noodzakelijk. Soms wordt de steun onmiddellijk in eigen omgeving gevonden en valt buiten de gezag sfeer van de arts. Zo dit niet het geval is, zal men moeten proberen de patiënt in contact te brengen met iemand, die op een voor de patiënt aanvaardbare wijze – zij het via geloof, gebedsgenezing, magnetische behandeling, Christian Science, zolang dit niet tot onderbreken van de behandeling voert – deze geestelijke rust kan verschaffen.
  4. Ten laatste moeten wij altijd trachten de patiënt een beeld van leven te blijven geven en hem daarom zoveel mogelijk een deelname aan gemeenschappelijk bestaan mogelijk maken, tot het ogenblik dat zijn bewustzijn hem verlaat – bv. voor hij succombeert. Door op deze wijze de patiënt voortdurend, zover zijn vermogens reiken, in het leven te blijven betrekken, zal alles wat in hem geest is, ervaring blijven putten uit elk moment van ziekte en bestaan. De mens zal niet zo snel in een waanwereld gaan leven en zijn geestelijke krachten blijven gebruiken, zelfs wanneer hij zelf misschien niet meer te redden is, om de genezing van anderen mogelijk te maken. Daarnaast zal hij door het delen van het lijden en de mogelijkheid om, al is het maar met een enkel woord, anderen te kunnen helpen, eerder tot rust komen en zo de kansen op genezing, die er voor hem bestaan, volledig kunnen uitbuiten.
  5. Dankzij de geestelijke ervaring, de psychische krachten die op deze wijze gewekt worden, zijn zelfs schijnbare wonderen niet uitgesloten. Vele artsen kennen in hun praktijk dergelijke wonderen, al spreken zij daarover liever niet, omdat zij uiteindelijk zelf toch ook veel tot de genezing hebben bijgedragen en een aandacht vestigen op het wonderlijke van de genezing hun gezag schaadt en voor leken alleen maar verwarring dreigt te doen ontstaan.

Bij elke wijze van genezen treffen wij dergelijke wonderen. Laat ons de mogelijkheid tot het geschieden van dergelijke wonderen activeren, door niet uit te gaan van een strikt wetenschappelijk standpunt, een zuiver mechanisch en materialistisch denken in stoffelijke oorzaken en gevolgen, maar trachten het beetje innerlijke krachten, dat vaak een rol speelt, op te wekken en aan te vullen. Laat ons trachten de levenskracht en levenslust van de patiënt te verhogen, opdat hij juist daardoor meer kan volbrengen in zich, dan welke genezer ook, die van buitenaf moet werken.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.

  • Bij het dubbelblind onderzoek blijkt, dat patiënten op de schijntablet van bv. melksuiker eveneens de meest uiteenlopende bijwerkingen kunnen vertonen als benauwdheid, koorts, urticaria enz. Hoe verklaart u dit?

M.i. is dit het directe gevolg van de voorstelling, die de patiënt in zich heeft omtrent de werking van medicijnen en de ervaringen, die hij bij vroegere medicatie heeft opgedaan.

Kennelijk is hier dus sprake van door suggestie veroorzaakte processen. Daar dezen echter niet beperkt blijven tot genoemde nevenverschijnselen, maar vaak wel degelijk therapeutisch gezien juiste gevolgen hebben, rijst dus de vraag, of de schijntablet in vele gevallen niet gelijktijdig voor het lichaam onschuldiger en toch meer werkzaam of t.m. bruikbaar kan zijn dan de echte tablet. De nevenverschijnselen blijken immers vaak van kortere duur en van minder gevaarlijke omvang te zijn dan bij een gelijksoortig “echt” geneesmiddel. Een ander punt, dat m.i. hierbij naar voren komt, is het feit, dat voor de patiënt kennelijke de voorstellingswereld bij het verwerken van medicatie een veel grotere rol speelt, dan over het algemeen wordt aangenomen.

  • Is voor een genezing langs paranormale weg een geloof in de genezer noodzakelijk?

Wij kunnen stellen, dat een beleden of beseft geloof in de genezer niet noodzakelijk is. De patiënt mag dus rustig stellen, dat hij van die kolder niets gelooft e.d. Maar dan moet er in de patiënt toch wel ergens een gevoel, een verwachting of hoop bestaan, dat het gestelde – de paranormaal mogelijke genezing – toch wel waar zou kunnen zijn. Bestaat er, bewust of onbewust, geen enkele erkenning, dat de paranormale genezing mogelijkheden in zich bergt, dan zal een resultaat van de behandeling in de praktijk altijd uitblijven. Een uitzondering maak ik hier voor de mensen, die zover gevorderd zijn in de geestelijke wetenschap, dat zij en inzicht hebben in de werkelijke psychische gesteldheid van hun patiënt en deze dus gelijktijdig met het lichaam – en vaak met dezelfde middelen – kunnen manipuleren. Dergelijke genezers komen echter zeer zelden voor.

  • Wat zijn de nadelige gevolgen van het gebruik van penicilline?

Allereerst wel een vergroten van de overgevoeligheden, die in het menselijk lichaam kunnen ontstaan en tot ongemakken of zelfs kwalen aanleiding geven. Wij zien daarnaast, dat reeds een overgevoeligheid voor penicilline kan bestaan, wat aanleiding geeft tot hoge koortsen, onregelmatige werking van het hart, tijdelijke adervernauwingen en hierdoor stremmingen in de normale bloedsomloop. Schadelijk is ook vaak een te sterke aantasting van levende organismen in de mens, die met hem in symbiose leven en voor bepaalde processen in het lichaam als b.v. spijsvertering van groot nut zijn.

Men mag dus stellen, dat penicilline, streptomycine, aurea-mecyne en dergelijke producten in vele gevallen wel de kwaal zullen genezen, maar daarnaast gevaren in zich bergen, zodat alleen wanneer werkelijke nood bestaat, van deze middelen verantwoord gebruik kan worden gemaakt. Zeer gevaarlijk is het ook, een vreemde onmiddellijk een volle doses of zelfs overdosis van deze middelen toe te dienen, wanneer men niet weet, of gevoeligheid hiervoor misschien bestaat. Kort gezegd, er is sprake van een niet altijd regelmatige reactie op dergelijke middelen, waarbij afwijkende reacties kunnen ontstaan, die zelfs tot hartinfarct kunnen voeren.

  • Weet de arts van te voren, dat hij te veel of te weinig penicilline aan een patiënt geeft?

Voor de arts is er in feite altijd sprake van een gissen. Hij kent bepaalde standaard doses, die door klinisch onderzoek zijn bewezen als algemeen wel nuttig en aanvaardbaar.

Indien de arts de regelmatig behandelende geneesheer is, dan zal hij zich een beeld hebben gevormd van gevoeligheid, weerstandsvermogens enz. van de patiënt. Hij zal dan, vaak haast gevoelsmatig, zijn dosering mede op deze kennis baseren. Is dit niet het geval, dan zal de arts uitgaan van normale indicatie en dosering, zoals deze tijdens langdurige proeven zijn vastgesteld, maar is niet in staat te voren te zien of de patiënt daarop nu wel of niet gunstig zal reageren.

  • Kan een magnetische behandeling samengaan met injecties, bestralingen en zware medicijnen als bv. morfine?

Dit kan natuurlijk altijd. Het is alleen de vraag, wat onder dergelijke omstandigheden de uitwerking van de magnetische behandeling zal zijn. Ik meen te mogen stellen, dat, waar grote hoeveelheden verdovende middelen regelmatig worden gebruikt, het helpen van de magnetiseur beperkt zal blijven tot het scheppen van kleine perioden van groter welbehagen bij de patiënt, terwijl geen werkelijke beïnvloeding van een genezingsproces plaats zal vinden. Dit geldt overal, waar een regelmatig of tijdelijk, maar overmatig gebruik is gemaakt van op het zenuwstelsel verdovende middelen.

Niet zo verwonderlijk is dit, wanneer u zich realiseert, dat de bonafide magnetiseur werkt met een vorm van kracht, die voornamelijk via het zenuwstelsel wordt overgebracht, terwijl het eigen zenuwstelsel van de patiënt de kracht opneemt en op de punten, waar ziekte verschijnselen en pijnprikkels bestaan, deze tot ontlading brengt. Bij normale, zelfs betrekkelijk zware medicatie, mits deze het zenuwstelsel niet verdooft of aantast, gelden deze bezwaren niet. Ook bij injecties zal geen sterke belemmering optreden, terwijl sommigen daarvan, bv. lever- en vitamine-injecties, vergroten vaak de reactie van de weefsels of harmoniseren het zenuwstelsel. In deze gevallen zou de uitwerking van de magnetische behandeling zelfs versterkt kunnen worden. Bij bestralingen en andere therapieën kan over het algemeen worden aangenomen, dat de processen in kwestie zich voltrekken in de weefsels of in de bloedbaan, zodat de overbrengingsmogelijkheden van het zenuwstelsel niet worden aangetast. In algemene regel kan worden gezegd, dat gevaarlijk of schadelijk voor een ieder, die onder magnetische behandeling staat, alle stoffen zijn, die coördinatievermogen aantasten of verdovend werken.

  • Rudolf Steiner heeft een eigen geneesmethode ontwikkeld, die, zover het de voorgeschreven medicijnen betreft, nog steeds ongewijzigd wordt toegepast. Ofschoon van natuurgeneesmiddelen gebruik wordt gemaakt, vraag ik mij af, of deze methode niet dreigt te verouderen. Het z.g. kristallijnen-bloedonderzoek wordt, zover, mij bekend, niet door de allopaten aanvaard. Is hiervoor enige reden?

Dit zijn in wezen twee vragen. De methodiek, het Steinerisme in de medicijnen, draagt een soort religieuze verstarring in zich.

Ik meen, dat deze geneeswijze door onderzoek naar en toepassing van nieuwe middelen en mogelijkheden, ook wat medicatie betreft, zou moeten worden uitgebreid. U stelt, dat dit in het geheel niet het geval zou zijn, ik meen echter te weten, dat t.a.v. vooral bepaalde homeopathische methoden dit wel degelijk gebeurd is.

Wat de methoden van bloedonderzoek betreft, dienen wij te beseffen dat door het bloed te doen neerslaan en chemisch te ontleden, wel aanwijzingen kunnen worden verkregen, maar dat deze indices toch niet de werkelijke toestand geheel weergeven. Het verschil kan vergeleken worden met een weerbericht – analyse – en het weer, zoals het werkelijk is.

De overeenstemming kan bestaan, maar in de analyse, die tot een weerbericht voert, blijven vele onvoorziene of schijnbaar geringe factoren buiten beschouwing, terwijl in wezen juist deze soms het ogenblikkelijk weerbeeld gaan bepalen.

Ik weet niet, of dit officieel de reden is, dat men b.v. het kristallijnen bloedonderzoek zou verwerpen, of dat men zijn waardering daarvoor zeer beperkt. Ik voor mij ben ouderwets genoeg om te stellen, dat het onderzoek van het levende bloed veel meer mogelijkheden biedt dan een ontleding door verhitting, centrifugering enz. enz., waardoor het in zijn bestanddelen wordt ontleed.

Alleen wanneer het gaat om het vaststellen van de aanwezigheid van bepaalde stoffen, kunnen ontledingsprocessen dienstig zijn, maar hun resultaat moet m.i. altijd gebruikt worden, om de waargenomen verschijnselen en afwijkingen in het levende bloed nader te verklaren, niet om op zich als diagnostisch materiaal zonder meer te dienen. Volgens mij is bloed wel degelijk een zeer bijzonder vocht met eigenschappen, werkingen en mogelijkheden, die bij een ontleden in bestanddelen weg zullen vallen, zodat bepaalde opvallende afwijkingen van de norm vaak door een te mechanische wijze van onderzoek vaak vergeten zullen worden, of over het hoofd gezien zullen worden.

Of dit nu werkelijk de reden is, dat allopaten of sommige niet daaronder gerangschikte medici delen van het gangbare bloedonderzoek verwerpen, is mij niet bekend.

  • Uw uiteenzetting betreffende de geneeskunde komt veel overeen met de zienswijze van de antroposofische artsen (Steiner). Hoe is uw menig over deze richting?

Om het op mijn wijze uit te drukken: Ik houd meer van een levende vogel dan van een opgezette vogel. Wanneer een dogmatische verstarring ontstaat, vrees ik – en zeker niet alleen in de richting van Steiner – dat er van de medische wetenschap alleen maar een soort opgezette vogel overblijft, die daarmee haar feitelijke drijfveer en roeping, namelijk het gebruiken en onderzoeken van alle mogelijkheden ten bate van de mensheid, niet meer volbrengt.

Voor mij is het dus ergens niet aanvaardbaar. Mijn standpunt in deze is: Wanneer het mogelijk is met natuurlijke geneesmiddelen het gewenste resultaat te bereiken, is dit het beste. Dus eerst beproeven men het natuurlijk geneesmiddel. Schiet dit echter te kort, dan heeft het weinig zin, dit aan verkeerde behandeling of onjuiste samenstelling van het geneesmiddel alleen te wijten en verder op de oude weg voort te gaan. Dan moet men eventueel overwegen alle andere middelen, die beschikbaar zijn, te gebruiken, en mag dus niet zeggen: dit is de juiste behandelwijze en als dat niet helpt, kunnen wij er niets aan doen.

Een patiënt laten overlijden, omdat je je systeem – of je wetenschappelijke onfeilbaarheid, wat vaak op hetzelfde neerkomt – niet wilt verloochenen, is, naar ik meen, wel een van de ernstigste fouten, die de dokter, deze moderne medicijnman, zich kan permitteren. Als arts zal men daarin vaak slagen, als mens en waar medicus schiet men dan altijd zeer veel te kort.

  • De bekende geestelijke genezer Harry Edwards geeft in een van zijn boeken aan, dat de grote Pasteur een van zijn geestelijke leiders is. Is dit juist?

Het was mij niet bekend, dat de geneeswijze van Edwards reeds gepasteuriseerd was.

Sta mij toe een enkele maal een – voor mij onweerstaanbare – woordspeling te gebruiken. Hier wordt een naam genoemd. Dat is niet altijd prettig. Harry Edwards is, vooral in contactgenezingen, iemand, die buitengewone prestaties levert. Dit stel ik voorop. Edwards is ook iemand, die, zij het in veel beperktere mate, met afstand genezingen wel succes heeft. Hij heeft voor zijn geneeswijze – langs laat ons zeggen mediamieke weg – aanwijzingen en verklaringen gekregen. Het is opvallend, dat, zoals bij bijna alle geestelijk richtingen van dergelijke aard – ik wil de groep waarvoor ik spreek zelfs hiervan niet uitsluiten – naast werkelijke feiten en mogelijkheden de neiging tot rationalisaties bestaat. Hierbij komen vele stellingen naar voren, die op geen enkel feit berusten en worden van vroeger bekende namen genoemd als raadgevers, zegslieden of zelfs onmiddellijke medewerkers.

Meen niet, dat dit een op zichzelf staand verschijnsel is. Er zijn groepen, waarin – zo zegt men en gelooft men misschien ook wel – Meester Jezus – van Nazareth dus – regelmatig lessen geeft.

Ik kan u verzekeren dat ook dit niet juist is. Er zijn groepen, waarin filosofen, schrijvers en beroemdheden uit het verleden hun lessen heten te geven. Er zijn zelfs bepaalde godsdienstvormen waarin dit optreedt, zoals bij de Bao Dai bv., waar Victor Hugo geldt als een geestelijke meester en leider, die bij vele plechtigheden in geest tegenwoordig zou zijn. Geloof mij: Deze dingen zijn zuiver menselijke reacties. Zij berusten slechts in de uitzonderlijkste gevallen voor een korte tijd – en nimmer permanent – op feiten, het spijt mij te moeten zeggen, dat dit ook voor het werk van de heer Edwards, zover het zijn verklaring daarover betreft, het geval is.

  • Hoe denkt u over dieptepsychologie?

Dieptepsychologie is in wezen nog een zoeken naar datgene, wat men niet kent. Voor de onderzoeker is het een avontuur, voor degene, die onderzocht wordt, zal het, in de huidige vorm en ontwikkeling, slechts zeer zelden een oplossing betekenen. Proeven, onderzoek, pogingen om tot een benadering van het onkenbare in de mens te komen acht ik van het hoogste belang om de psychologie, van een soort toverdoktersgedoe, dat nog maar half wetenschappelijk rijp is, te doen uitgroeien tot een werkelijke wetenschap, waarin plaats is voor het geheel der psychische verschijnselen en de aandacht niet beperkt blijft tot betrekkelijk kleine delen daarvan.

Ik meen daarom, dat de huidige dieptepsychologie slechts een aanloop vormt voor het ontstaan van en werkelijk inzicht in het geheel der menselijke psyche.

  • Meent u, dat dit in de toekomst een grote vlucht zal nemen, zij het misschien in een ietwat andere vorm?

Ik ben daarvan overtuigd. Wanneer u weet, dat reclameonderzoek en politieke propaganda nu reeds gebruik maken van de resultaten van de dieptepsychologie en de daarover bestaande beschouwingen, dan kunt u wel begrijpen, dat een snelle, ja zeer versnelde, ontwikkeling van dit gebied te verwachten is. Zoals u weet, is het altijd weer in een oorlog, in het zoeken naar een wapen, dat vele nu onmisbare vindingen en ontdekkingen bereikt konden worden. Uit nood dus. Ook hier lijkt mij dit het geval te zijn. Vanuit de gewinzucht en machtslust komt de mens eerst tot het verschaffen van noodzakelijke middelen en het intensieve werk, dat noodzakelijk is. Tot zijn eigen verbazing ontdekt de mens dan later, dat dit hem in staat stelt om, ook bij een wegvallen van het winstmotief, de machtslust, of de behoefte aan wapens, voor het geheel der mensheid belangrijke en kostbare waarden over te houden en vaak eerst dan te komen tot een werkelijke juiste en goede toepassing van het gevondene. Ik meen, dat dit ook hier zeker het geval zal zijn.

  • Waarop berust de werking van de pendel?

De werking van de pendel berust op de onbewuste reacties, meestal onregelmatigheden in de polsslag, van de pendelaar. Deze zijn een indicatie van hetgeen zich in het onbewuste van de mens af kan spelen. Als zodanig geeft de pendel dus niet slechts bv. een boodschap van de geest weer, of reageert zij op eigenschappen van de materie, maar geeft zij daarnaast en vooral de onbewuste of onderbewuste reactie van de pendelaar op de problemen, waarmede deze geconfronteerd wordt.

  • Maar het vaststellen van een plaats door het pendelen boven een kaart, hoe is dit dan te verklaren?

Heel eenvoudig. De geest van de mens is gebonden met het bovenbewuste, het totaal van het menselijk denken. Wanneer een bewuste poging wordt gedaan daaruit te putten, zal men hierin meestal niet slagen, omdat men zichzelf als daarbuiten staande beschouwt en zo vooral de redelijke weergave van bovenbewuste waarden voor zich sterk beperkt. Een pendelaar, die zichzelf als middel tot redelijke interpretatie grotendeels uitschakelt, zal echter wanneer hij enigszins geconcentreerd werkt en gevoelig is, over de gegevens beschikken, die in het bewustzijn van de mensheid liggen en door hemzelf dus niet geformuleerd zouden kunnen worden. Door zijn onderbewuste reactie hierop – pendel, kruis en bord, wichelroede e.d. vormen vaak het middel – kan hij de waarden vanuit het onbewuste tot openbaring brengen.

Het is zeker niet uitgesloten, dat in sommige gevallen ook invloeden vanuit de geest mede kenbaar worden gemaakt, maar het feit zal altijd blijven bestaan, dat de pendel reageert, zoals zij doet, dankzij de pendelaar. Maakt men gebruik van een onafhankelijk opgehangen pendel, afgeschermd tegen luchtverplaatsingen zoals deze voort zouden kunnen komen uit onregelmatigheden van de menselijke ademhaling, dan blijkt dat maar 1 op de 1000 goede pendelaars nog een kenbare uitslag van de pendel weet te bereiken. Zelfs dan rijst de vraag, of hier niet in de eerste plaats van een telekinetisch effect sprake is, in plaats van een door de geest onmiddellijk geleide beweging van de pendel.

  • Indien een patiënt verkeerd reageert op chemische preparaten of daar geheel niet tegen kan, kan dit veroorzaakt worden door de geestelijke ontwikkeling van die mens?

De geestelijke toestand, ja; de ontwikkeling niet. U moet als volgt denken. Wanneer ik ergens niet tegen denk te kunnen, kan ik daar niet tegen. Wanneer er dus een vooroordeel tegen het chemische preparaat bestaat, zal dit zich vaak door ongunstige lichamelijke reactie op het preparaat kenbaar kunnen maken.

Er is daarnaast natuurlijk de mogelijkheid, dat van reële maar zuiver lichamelijke overgevoeligheden sprake is. U moogt hier bv. denken aan de verschillende vormen van astma – in wezen ademnood met kramp. Sommige patiënten blijken hun aanvallen te krijgen, nadat zij chocolade gegeten hebben. Anderen reageren op creosoot, de geur van een bepaalde plant of bloem, terwijl weer anderen op stof reageren enz. Deze zeer verschillende dingen, die elk voor zich onschadelijk zijn voor normale mensen en andere astmalijders, kunnen voor de eenling, die op dit gebied overgevoelig is, de ademnood doen ontstaan.

Iets dergelijks zien wij bij het ontstaan van uitslag. Sommige mensen krijgen hiervan last, wanneer zij slapen op een veren hoofdkussen, anderen reageren op schuimrubber, polyester, bepaalde voedingsmiddelen enz.

Nu blijkt, dat, zo wij iemand waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van het gebruik van een van deze stoffen, bij deze persoon, die normalerwijze daarvan geen last heeft, en ook misschien geen werkelijke overlast daarvan zal ondervinden, de gevoeligheid toch tijdelijk aanmerkelijk toeneemt. Daarbij geldt: hoe groter het voorstellingsvermogen van de persoon in kwestie is, hoe groter ook de kans wordt, dat wij in de zin van het gestelde een positieve reactie zullen verkrijgen.

U kunt hieruit afleiden, dat de instelling t.a.v. een medicament niet noodzakelijkerwijze alle verschijnselen hoeft te verklaren, maar dat de mentaliteit, de instelling dus, de gevoeligheid voor een chemisch preparaat en andere stoffen aanmerkelijk zal vergroten en tot ongewenste reacties daarop aanleiding kan zijn.

  • Ik bedoelde het anders. Wanneer een patiënt geen vooroordeel heeft, maar reageert op zeer kleine doses, waarop een ander niet reageert of er geheel niet tegen kan en onaangename gevolgen ondervindt daarvan ….?

Dan is er dus sprake van overgevoeligheid. Met het bereikte geestelijke peil heeft dit weinig te maken. Blijft de vraag, of er werkelijk geen vooroordeel bestaat, en dit kan men moeilijk uit de verklaringen van een patiënt alleen opmaken.

Dat kan men alleen weten, wanneer men het geheel van de achtergronden van de patiënt kent.

Heeft men bv. in de jeugdjaren altijd gehoord, dat medicijnen vergif zijn – om een voorbeeld te geven – of dat alleen de minder bewuste geest deze medicijnen kan verdragen, dan is het zeer wel mogelijk, dat een lange tijd in het leven verloopt, waarin van overgevoeligheid geen sprake is. Dan wordt de mens iets ouder en meent zelf, dat hij nog precies zo denkt en reageert als in de tijd, dat medicijn voor hem emotioneel geheel onbelangrijk was.

In wezen is door het isolement echter de oude reeks begrippen en vooroordelen weer dichter bij de oppervlakte van het bewustzijn gekomen met als gevolg, dat men terugvalt in de reacties en denkgewoonten van de jeugd. Het lichaam vertoont dan de reacties, die daarbij passen.

Ik weet, dat u het anders zou willen horen, maar gezien de feiten moet ik mijn antwoord wel inkleden als ik doe. Nogmaals: Er kan sprake zijn van erfelijke of later in het leven ontstane overgevoeligheden, maar daarnaast kunnen – desnoods onbewuste – vooroordelen een rol spelen en kan zelfs een boek, dat men kort voor het innemen der medicijnen las, vaak invloed hebben op de wijze, waarop men reageert daarop.

  • Staan wij met de moderne medische wetenschap en de cultuur niet wat onnatuurlijk tegenover ziekten en vooral tegenover de dood, die toch veelal beschouwd wordt als een soort boeman. Wanneer wij ziek zijn of vrezen te sterven, komen wij meteen heftig in opstand. Wanneer wij zouden aanvaarden, zouden wij waarschijnlijk veel sneller over het kritieke punt heen zijn …

U snijdt hiermede wel een probleem aan, dat typisch van deze dagen is. Hoe meer een mens denkt te weten, hoe minder hij vertrouwt. Dat zal u wel bekend zijn. Hij vertrouwt dan naar buiten toe alleen op zichzelf, maar weet innerlijk wel van zichzelf, dat hij niet te vertrouwen is.  Het gevolg hiervan zal zijn, dat men alles, wat niet een onmiddellijk feit – voltooid – of een algehele zekerheid is, verafschuwt en verwerpt.

Het zoeken van genezing is voor de mens altijd een normale reactie geweest; een mens wilde nooit graag sterven, zolang het leven nog enige waarde voor hem had. Of hij nu in het stenen tijdperk, een grote geest en voorouders aanriep of, zoals bv. rond het begin der jaartelling, de tempelslaap en een beroerd worden door een heilige slang als geneeswijze beschouwde, dan wel in deze dagen van de psychiater naar de specialist loopt, de reactie is en blijft hetzelfde. Daarom lijkt het mij goed bij een beantwoorden van uw vraag een onderscheid te maken tussen de reactie van de enkeling op ziekte en dood – die vele vormen aan kan nemen – en de meer algemene en openlijk beleden reactie daarop.

Vroeger besefte men in de gemeenschap, dat het levende een bepaalde weerstand moet bezitten, om het leven levenswaard te vinden en het leven waardig te zijn. Men stelde daarom dat de zwakke het natuurlijk slachtoffer was en werd van eigen zwakheden. Zou men met alle middelen trachten deze zwakheden te compenseren, zo redeneerde men, dan zou het leven voor zo iemand niet meer waard worden, maar wel zou de weerstand, het vermogen tot leven en levensvreugde van anderen daaronder veel te lijden hebben.

Om een voorbeeld van deze denkwijze te geven: In de geneeswijze van de Druïden gold, wie niet volwaardig is – of niet meer is – mag wel blijven leven, maar hij heeft geen recht op de zorgen, die men besteedt aan iemand, die weer een goed krijger kan worden, die een groot bard is of iets dergelijks. Pas indien alles, wat voor de gemeenschap waardevol was, alle mogelijke zorgen had ontvangen, gaf men, zover mogelijk, ook enige aandacht aan de anderen.

In deze dagen is die nadruk sterk verschoven. Men heeft de eigen angst voor onvolwaardigheid tot een drijfveer gemaakt, waardoor men voor alles het minderwaardige beschermt en in stand tracht te houden. Nu geldt in wezen: Hoe zwakker men is, hoe meer zorg men behoeft, hoe meer aandacht men krijgt. In de landbouw zou een dergelijke opvatting betekenen: Hoe meer ziekte er in een ras aardappelen zit, hoe meer men juist dit ras moet blijven kweken en hoe meer zorg men aan juist deze teelt zal moeten besteden. Daar vindt men zoiets onzin en laat het ras eenvoudig vergaan.

Bij mensen zal men helaas wel juist de aandacht op het zwakkere en minder normale richten, vaak ten koste van het normale, dat toch voor deze gemeenschap meer waarde bezit. Hierdoor is langzaamaan een cultus van gezondheidszorg ontstaan, die in wezen niet het scheppen van kracht en weerstand ten doel heeft, maar tracht te komen tot een aanpassing van milieu en levensomstandigheden, zodat alles, zelfs het zwakste, levensmogelijkheden zal hebben.

Daarmede heeft men voor het menselijke ras bepaalde natuurwetten ongedaan gemaakt, die door selectie het menselijke ras op peil hielden. Ofschoon ik persoonlijk van mening ben, dat een ieder recht heeft op alle mogelijke bijstand, meen ik toch, dat een medicus in de eerste plaats zijn zorgen en aandacht zal moeten besteden aan degene, die voor de gemeenschap door bekwaamheid, kracht of eigenschappen werkelijk waardevol is en pas, wanneer hij daaraan alle zorgen heeft besteedt, aan onvolwaardigen zijn krachten mag gaan wijden. Dit is een stelling, waarmede men het waarschijnlijk niet eens is.

Wanneer men tegen deze nuchtere beschouwing protesteert, die, let wel, betrekking heeft op de algemeen geldende mentaliteit en de daaruit voortkomende gedragingen, vergeet men echter één feit: Juist door een exces van zorg voor het minderwaardige dwingt de mensheid zichzelf steeds verder van de natuurlijke levensomstandigheden af te wijken en een steeds meer kunstmatig milieu te scheppen, waarbij het bestaan van de mens op de duur geheel afhankelijk wordt van het ter beschikking zijn van zijn hulpmiddelen.

De zorg voor lichamelijk of moreel minder validen zal met elke nieuwe generatie groeien en meer mensen gaan omvatten. Hierdoor bevordert men in wezen de slechte eigenschappen van het huidige ras in plaats van de natuurlijk goede. Er zal een ogenblik kunnen komen, dat de negatieve levenseigenschappen van de mensen zozeer gaan overheersen, dat het geheel van de mensheid daaraan ten onder zou kunnen gaan.

Ik stel dus niet, dat men zich ten koste van alles aan de zorg voor minder validen zal moeten onttrekken, maar stel wel, dat deze verkeerd gelegde nadruk, het denkbeeld, dat de zwakste de grootste rechten heeft, zal voeren tot een voorkeur voor een zich zwak tonen bij hen, die meer hadden kunnen worden, omdat deze zwakte voor hen geborgenheid en vrijdom van aansprakelijkheid in gaat houden.

Wat impliceert, dat een afwijzen der werkelijke eisen en waarden van het leven en daarmede ook een vermindering van de stoffelijke mogelijkheden tot bewustwording, steeds verder toe zal nemen. Wat voor de geest weer betekent, dat een incarnatie als mens voor de geest steeds minder mogelijkheden en baten met zich zal gaan brengen. Ik hoop, dat u mij dit standpunt niet kwalijk neemt. Ik gun u zeker uw eigen opvattingen, maar hoop, dat u toch ook mijn argumenten eens ernstig wilt overwegen.

Tot slot van deze bijeenkomst wil ik nog opmerken, dat de mens er vaak in denkt te slagen ziekten uit te roeien, terwijl hij in wezen de ziekten alleen maar verplaatst. Men heeft tbc uitgeroeid en een even epidemisch optreden van kanker daarvoor teruggekregen enz. Wij kunnen de mens nooit werkelijk bevrijden van kwalen en ziekte. Dat kan hijzelf alleen, door werkelijk en gedurende meerdere generaties voor zich en uit eigen overtuiging te streven naar een gezond geestesleven in een gezond lichaam.

Laat de geest, de ziel, gezond worden, en de lichamen die op de wereld komen, zullen steeds gezonder worden. Eerst wanneer een gezonde ziel kan wonen in een werkelijk gezond lichaam, zullen wij een mens aantreffen, die zijn ziekten zelf geneest, de dood niet meer vreest als een schrikbeeld, maar beiden aanvaardt en vanuit zich bestrijdt als een natuurlijk deel van het bestaan. Dan zal men leven zonder angsten en verwachtingen, zoals nu, maar met een begrip voor eigen niet eindige waarden.

Ik hoop u aan het denken te hebben gebracht en u toch niet te erg geschokt te hebben. Zoek in uzelf de kracht van een innerlijk weten of vertrouwen en gebruik de middelen, die u ten dienste staan en zelfs gij zult genezen en anderen de mogelijkheid tot genezing schenken. Want het is de psyche, van waaruit alle genezingsprocessen eerst waarlijk mogelijk worden.

image_pdf