Gestalten

Inhoudstafel

uit de cursus ‘De Wereld’ (hoofdstuk 5) – februari 1974

Gestalten

Gestalten zien wij door de gehele wereldgeschiedenis optreden in de mythologie en in het geloof van de mens. Overal in sprookjes, in overleveringen en legenden duiken eigenaardige figuren op die bovennatuurlijk begaafd zijn, die misschien goden zijn en toch soms onder de mensen wandelen. Om eerlijk te zijn, het verschil is niet zo groot of we het nu hebben over Sint Pieter, die in Vlaanderen wandelt of over de oude Jupiter, die aan zijn vrouw ontkomen, ronddoolt ergens in Italië.

Wat is er aan de hand met al die gestalten? De mens heeft getracht in die personificatie de kwaliteiten en eigenschappen uit te drukken, die hij in de natuur vermoedt of die hij graag zelf zou willen bezitten om zo te komen tot een aantal figuren waarin hij de kracht, die hij wil ontmoeten, kan erkennen. En daar begint het wonderlijke raadsel van deze tijd.

In uw dagen namelijk zijn er nog maar heel weinig van deze gestalten. God is een abstractie geworden, die we met een symbool aanduiden. De heiligen zijn langzaam maar zeker zelfs door hun eigen kerk de hemel uitgejaagd. De goden, zoals ze elders bestaan, verliezen steeds meer het aanzicht van het bovennatuurlijke. Toch zijn dezelfde krachten en machten, die er altijd rond de wereld zijn geweest, ook nu nog aanwezig. Ook in deze vaak erg materialistische tijd is de mens omringd door het onzichtbare, het onbekende en blijft de kennis van de mens een klein eiland in een zee van onwetendheid.

Als ik zeg dat er krachten rond deze wereld zijn, dat er onzichtbare werelden bestaan vlak bij de mens, dan is dat zeker niet bij wijze van spreken. Ik zou hier nogmaals uitvoerig kunnen herinneren aan de beperkingen van de mens. De mens ziet maar een betrekkelijk klein deel van de werkelijkheid. Zodra hij verder gaat in het violette licht of misschien verder afdaalt in het rode, komt hij in een wereld waarin alle gestalten anders zijn, maar waar plotseling ook meer gestalten zijn dan door het menselijk gezichtsvermogen wordt vastgesteld. Maar waarom zouden we ons bezighouden met de onvolmaaktheid van de mens? Degenen die in de loop der tijden daarvan nog niet overtuigd zijn leren dat toch nooit, dus dat vergeten we dan maar. Laten wij beginnen met te stellen:

Alle bestaan is bezield. Een bezieling impliceert een bewustzijn. Een bewustzijn kan alleen daar bestaan waar een wisseling van krachten plus een mogelijkheid tot erkenning aanwezig is. Overal is er dus een vorm van bewustzijn, overal is energie. Of wij die energie nu definiëren als een veld, als een gedachtewolk of als een andere dimensie dat doet minder ter zake, want wij hebben eigenlijk niet te maken met een definieerbare kracht vanuit menselijk standpunt beschouwd. Wij hebben alleen maar te maken met een vermogen waaruit de mens soms kan putten. Op het ogenblik dat de mens een voorstelling heeft, hoe willekeurig en onjuist dan ook, die voor hem geassocieerd is met krachten of ver­schijnselen die uit het onzichtbare naar voren kunnen treden, ontstaat er voor hem een relatie met de kracht waaruit ze voortkomen en daardoor meer of minder een beheersingsmogelijkheid van de verschijnselen.­

Daar waar de mens benoemt en namen geeft aan deze krachten, antwoorden zij op deze namen. Niet omdat ze hun wezen omschrijven, maar omdat het gedachtebeeld voor de mens alles bevat wat deze kracht kan betekenen en zelfs ook bepaalde dingen die zij niet is, maar die tot een andere kracht zouden kunnen behoren. Wat de mens verbindt aan een naam is heel vaak een conglomeraat van verschillende krachten. Maar het beeld bestaat in hem en daardoor zal de naam voor hem de ontvangstmogelijkheid voor die kracht activeren. Dientengevolge stel ik:

  1. Alle gestalten die wij opbouwen zijn zinvol. Niet omdat ze bestaan, maar omdat ze onze uitdrukking vormen van een relatie die er tussen ons en de ongeziene wereld, de ongeziene delen van de kosmos bestaat.
  2. Als wij een kracht, een verschijnsel of een van de vooromschreven gestalten benoemen, dan is deze naam een machtwoord. Niet om dat ze werkelijk macht uitoefent ten aanzien van de kosmos, maar omdat zij voor ons de sleutel is tot een innerlijk begrip waardoor wij toegang krijgen tot vermogens die ons niet eigen zijn.

Waarom zijn de gestalten dan zo wisselend bij de mens? Want als u aanneemt dat het voorgaande juist is, dan kunt u zich voorstellen dat er een magische periode is in de mensheid waarin eigenlijk maar één God wordt vereerd. Dat blijkt in het begin van de historie der mensheid bij de eerste beschavingen inderdaad waar te zijn geweest. Daar was één God die alle verschijnselen omvatte. De naam van die God verschilde van volk tot volk, ook de wijze waarop hij werd uitgebeeld. Maar dat verschil deed eigenlijk niet ter zake, want dat was een plaatselijk gebruik. Men viel toen nog niet zo erg over het verschil van naamgeving. Het is duidelijk dat, als de één zegt Mohammed en de ander Jezus, daar al­tijd strijd over kan komen. Wie is de ware profeet? Maar als de een zegt God en de ander Allah, dan zeggen ze in wezen hetzelfde. De naam die wij geven omschrijft dezelfde kracht. Dientengevolge zal door elk van deze namen die kracht voor ons kunnen worden geactiveerd, indien wij daarin geloven. Zo was het in de oudheid. Langzaam maar zeker kwamen er kleine rijken. Er zijn zelfs keizerrijken geweest. Er was in die dagen een keizerrijk waarvan het bevolkings­aantal kleiner was dan dat van uw land op het ogenblik. Het keizerrijk Mu. Het had grote macht hoewel het niet veel meer inwoners telde dan een stad als Amsterdam. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat een dergelijke groepering zich gaat zien als afgezonderd, verschillend van de omgeving. Men kent zichzelf eigen vermogens toe, men heeft be­hoeften en men creëert dus een andere godsvoorstelling om te beantwoor­den aan datgene wat men zelf wil zijn. Zo ontstaan er verschillende goden in de verschillende stammen en groeperingen, omdat ze daarmede zich willen afzetten tegen andere stam­men en groeperingen. Maar dat betekent ook dat ze hun God krachten moe­ten toekennen die verschillen van die welke de God van een andere stam heeft. En daardoor zien wij langzamerhand een vervagen van het eenheidsbegrip. De algemene toegang tot kosmische waarden blijft grotendeels voor­behouden aan enkele inwijdingsscholen over de gehele wereld verspreid, terwijl de gestalten, die de volkeren opbouwen in steeds grotere mate slechts een bepaalde kwaliteit bevatten. En nu zien wij het wonderlijke. ­Omdat de goden, die men eert, alleen maar een bepaalde kracht kunnen wekken en men soms andere krachten nodig heeft, worden er meer goden gecreëerd. Een veel godendom ontstaat voor de mens niet alleen omdat hij alles wil benoemen, maar ook omdat zijn behoefte aan energie een groter aantal gestalten vraagt daar hij niet de gelijkwaardigheid van de Oer­kracht wil erkennen, omdat die ook bij een ander volk wordt vereerd.

Nu heeft u in deze tijd geen gestalten. Maar waarom zouden we geen gestalte opbouwen? Natuurlijk, wij kunnen geloven aan dat kleine volkje, de gnomen en elfen, die ronddartelen en ergens onder de aarde hun rijk hebben of die in de enkele bossen die nog overgebleven zijn dansen op een weideveldje waar paddestoelenkringetjes aanduiden dat ze er geweest zijn. Dat zijn sprookjes. Maar als wij weten wat voor kracht ze vertegen­woordigen, dan is het misschien niet eens zo dwaas om aan te nemen dat onze tuindwerg macht vertegenwoordigt.

Als wij spreken over God, dan is al die theorie onbelangrijk. Maar zo­dra God voor ons een kracht is die wij activeren, dan is het belangrijk dat we een naam hebben, al is dat God zonder meer en dat we nog een vage, maar toch voor ons aanvaardbare aanduiding kennen van wat Hij zou kunnen zijn. Wij moeten er een verschijningsvorm voor vinden. Het is hier­door dat je kunt komen tot het activeren van de energieën waarover ik reeds sprak.

Nu ziet u op de wereld tegenwoordig een aantal heel wonderlijke ver­schijnselen. Paranormale begaafdheden komen op het ogenblik kennelijk sterker voor, zijn beter wetenschappelijk controleerbaar en worden objec­tiever bestudeerd in de landen die geen godsdienst hebben dan in de lan­den die officieel wel een godsdienst hebben. Hoe zit dat?

Wel, de godsdienst probeert de macht, die buiten het menselijk be­reik ligt, in een eigen hiërarchie een gedaante te geven. Maar de werking van die gedaante wordt in diezelfde godsdienst aan een bepaalde kaste voorbehouden. En dat betekent dat de gewone mens er zelden toe komt om die totaalkracht te benaderen. Het is bijvoorbeeld opvallend dat er in het katholicisme heel veel bedevaartplaatsen zijn waar Maria of een andere heilige wonderen heten te doen, maar dat er geen enkele plaats te vin­den is waarin God zelf die wonderen doet. Dat komt, omdat de mensen de moed niet meer hebben om over het hoofd van de menselijke hiërarchie heen te grijpen naar de godsvoorstelling en daaruit zelf te putten. Als wij in deze tijd een onderzoek willen doen naar deze krachten, dan moeten wij daarvoor een mens hebben die er geen belang bij heeft om die krachten weg te drukken of ze voor te behouden aan een bepaalde groep.

Als je in het Oostblok seanceert, zoals sommige van onze broeders regelmatig doen, dan heb je wel eens een enkele keer contact. Dat gaat heel wonderlijk. We hebben daarvan kort geleden een ervaring gehad.

Er waren twee mensen die tot het partijkader behoorden. Een van hen had een behoorlijke academische opleiding gehad. Ze maakten het onmogelijk te seanceren, tenzij ze bij de seance aanwezig mochten zijn. Wat natuurlijk voor de spreker in kwestie aanleiding was om gegevens van onder meer technische aard te verschaffen, die niet algemeen bekend waren.

Nu zou men in het Westen hebben gezegd: Dit mag niet. dit is uit den boze, want hier worden onze heilige geheimen aangeraakt. Daar heeft men gezegd: het zou voor de Staat gevaarlijk kunnen zijn, maar er moet iets zijn waardoor die gegevens hier aanwezig zijn in een persoon waarvan wij weten dat hij daar niet de beschikking over heeft. Dus moeten wij nagaan wat hier aan de hand is. En dus voorzien wij in de nabije toekomst dat de Orde der Verdraagzamen (die zich overigens daar de Broederschap der Mensen noemt, dat is de juiste vertaling) deel gaat uitmaken van een aantal experimenten in de universiteit van Kiev. Een krankzinnige situatie. Maar wat kan daar nu gebeuren? Deze Orde zal zich in die omstandigheden, juist om een verder sean­ceren mogelijk te maken, moeten tonen als een bron van kennis en vooral van coördinatie van kennis. Dat betekent dat voor een aantal mensen, die wetenschappelijk gevormd zijn en die helemaal niet geloven dat we geesten zijn, laten we dat er maar meteen bij stipuleren, het begrip van de Broederschap der Mensen de gestalte wordt waaruit kennis kan worden geput. Voor hen wordt dit het beeld van een soort collectivum, waarschijnlijk voor hen het gemakkelijkst gesignaleerd in een seance, het denkbeeld van een seance of misschien zelfs de voorstelling van een medium, maar waaruit zij kennis kunnen putten. Ik garandeer u dat ze daardoor, al geloven zij niets, in staat zullen zijn hun eigen kennis, en vooral de coördinatie van bestaande kennis, aanmerkelijk te verbeteren.

Dat kan in het Westen niet. Het is hier zo dat een ieder zoekt naar eigen prestige. In het Oostblok is het experiment eigenlijk pas een prestige object op het ogenblik dat je dat experiment zelf kunt herhalen. Daarom is de ontleding van het verschijnsel en vooral ook het zelf werken met het verschijnsel voor hen belangrijker dan het prestige waarmede je je eigen oordeel over het verschijnsel velt en tegenover anderen probeert te handhaven.

Datzelfde is ons opgevallen ten aanzien van bepaalde praktijken van genezing, van voorspelling, van telepathie en telekinese. De mensen werken daar serieus mee. Het enige wat ze nog niet hebben begrepen, is de noodzaak een voorstelling te hebben. Laten we een eenvoudig voorbeeld geven.

Een telekineet wil een voorwerpje verplaatsen, laten we zeggen 1 cm naar links of naar rechts. Wat moet hij nu doen? Om dit mogelijk te ma­ken moet hij zich voorstellen dat hij persoonlijk dit voorwerp verplaatst, ook zonder dat hij lichamelijk maar één beweging maakt. Daarin ligt het hele geheim. Hij wordt hier zelf de gestalte die het verschijnsel veroorzaakt. Als hij dat op de juiste manier doet, dan is hij een goed telekineet. U ziet hoe eenvoudig het eigenlijk is.

Men heeft daar nog niet begrepen dat je niet noodzakelijkerwijze aan de geest hoeft te geloven, maar dat je om bepaalde verschijnselen uit de geest mogelijk te maken toch een voorstelling moet hebben. Of die voorstelling juist is of niet, dat doet minder ter zake. Het is belang­rijk dat je een beeld hebt waardoor je toegang krijgt tot het bereiken van kracht en mogelijkheden, die voor de mens normalerwijze niet toegan­kelijk zijn.

De situatie wordt misschien wat duidelijker, als ik u iets vertel over magie. In de magie roept men een groot aantal goden en demonen op. Op het eerste gezicht is het een beetje dwaas om monsters op te roepen, die doen denken aan bijvoorbeeld Balinese tempelwachters of aan gestalten van het schimmenspel de Wajang of die in de Wajang Wong worden gedanst. Vreemde gestalten. Figuren met wonderlijke capaciteiten, soms met een bijzondere dreiging. Waarom roepen ze juist die figuren op? Omdat in de magie de figuur die je oproept niet menselijk mag zijn, want een zuiver menselijke voorstelling zou je weer binden aan de menselijke mogelijkheids­voorstelling. Door je nu een wezen voor te stellen dat kennelijk niet menselijk is, dat behoort tot een andere wereld, is deze voorstelling op zichzelf al een sleutel geworden tot krachten en energieën.

Als wij horen welke krankzinnige namen worden uitgeroepen bij bepaal­de bezweringen, dan vragen wij ons af wie dergelijke klankuitdrukkingen heeft uitgedacht. Die namen of klanken zijn juist door de moeilijkheden, die ze bij het produceren ervan geven, begeerlijk geworden. Men geeft aan een niet menselijke gestalte een niet menselijke klankcombinatie, die bovendien zo moeilijk is dat ze door anderen niet te imiteren zijn zonder langdurige scholing. Zo bouwt men dan voor zichzelf een eigen poort tot de kracht, die rond de wereld is.

Wat is die kracht? Ik zal trachten daarover enige redelijke gegevens te verstrekken. Datgene wat we als deze kracht omschrijven, zou het best kunnen worden uitgedrukt als een potentiaal, een soort spanning, die niet tot ontlading komt, maar die door bepaalde begrippen tot een ontlading kan worden gebracht. Dit kan op verschillende manier geschieden. Voorbeeld.

Bij onweer zijn er vele verschillende bliksems. We hebben de enkel­voudige, de vertakte, de meervoudige, de neergaande, de opgaande en de bolbliksem. Allemaal verschijnselen van een verschil in statische lading tussen aarde en wolken. Er is maar één kracht. Maar nu zal een bolblik­sem heel andere verschijnselen teweeg brengen dan een eenvoudige vork­bliksem. Een z.g. meervoudige bliksem (een tijdelijke ontlading op meer dan één punt) zal bij inslag veel eerder brand veroorzaken dan een en­kelvoudige, omdat een meervoudige blikseminslag de neiging heeft om de hoogste inslagpunten tijdelijk te verzadigen, waardoor een deel van de inslag op grondniveau plaatsvindt en meestal in de omgeving van een punt waar reeds de inslag was. Hierdoor ontstaat een grote hitte. Als ik u vertel dat daarbij zand tot glas kan worden gesmolten, dan is de inslagtemperatuur boven de 2000° C. Als dat gebeurt waar brandbaar materiaal in de buurt is, dan ontstaat er dus brand.

Een enkelvoudige bliksem, en zelfs een vorkbliksem, zal over het al­gemeen niet zo een grote hitte veroorzaken, omdat hij zich op een hoogste punt kan ontladen.

Bij de vorkbliksem is de activiteit van een vorktak afhankelijk van de potentiaalmogelijkheid in de zogenaamde hoofdtak. Dat wil zeggen, als een meervoudige bliksem een maximum temperatuur (nu geef ik een reële tem­peratuur) kan veroorzaken tot 7000° C, dan zal een vorkbliksem, onder de ongunstigste omstandigheden, een temperatuur kunnen bereiken van circa 1500° C. Dan krijgen we wel gesmolten zand maar geen glas (de zogenaamde donderstenen), terwijl een enkelvoudige bliksem over het algemeen alleen inslaat in een hoogste punt en dus wel een boom kan treffen en misschien zelfs splijten, maar op de bodem zelf geen kenbare verschijnselen achterlaat behalve misschien een verschroeiing van een stukje plantenleven. Dat is één kracht met verschillende verschijnings­vormen.

We hebben dus te maken met één kracht. Die kracht zal in verschil­lende vormen optreden. In het leven van de mens treedt ze op als Od­kracht, levensenergie. Maar ze kan evengoed optreden als plasma, als telekinetische energie. Met een kleine variant kan ze ook optreden als een verruiming van bewustzijn, omdat ze dan een toegankelijkheid schept naar het gemeenschappelijk menselijk denken. De kracht is één en dezelf­de, de verschijnselen zijn verschillend. Als u dat kunt onthouden, dan rest alleen nog de vraag: Waar is dit potentiaal?

Voor zover mij bekend is, is dit potentiaal overal aanwezig, zelfs in de ledige ruimte. Het is dus niet afhankelijk van het bestaan van sterren of planeten. Zelfs in de leegte tussen twee Melkwegstelsels is deze kracht aanwezig; maar ze blijft een potentie. Het blijkt dat deze potentie van kracht tot uiting komt op het ogenblik dat energieën dit mogelijk maken, als er als het ware een negatief of een positief ten aan­zien van die kracht wordt geschapen. Een positief zal de mens doorgaans niet kunnen voortbrengen. Ik laat dit even buiten beschouwing. Een nega­tief, waardoor men ontvankelijk wordt voor die krachten, kan ontstaan door een zich afstemmen op die kracht. Het voorstellingsvermogen van de mens (imaginatie) is een van de middelen waardoor die afstemming kan ge­schieden.

Het zal u duidelijk zijn dat de omschrijving van de aard van een ener­gie voor de mens heel moeilijk zal zijn, vooral als ze een potentie is die alleen maar tot uiting kan komen doordat de mens in zichzelf een toestand schept waardoor die kracht zich kan ontladen. De mens zal geneigd zijn om die kracht ofwel aan zichzelf toe te schrijven, dan wel aan een toeval of een wetmatigheid die hij niet kent. De kracht zelf erkent hij echter niet, omdat ze alleen in verschijning treedt, als ze is omgevormd door het voorstellingsvermogen van de mens, die haar activeert. Daar zitten we nu met een grote moeilijkheid. Wij hebben die kracht en wij kunnen niets doen. Het enige wat wij weten, is dat de menselijke voor­stellingskracht en een concentratie, een beroep daarop een bepaalde functie heeft waardoor er verschijnselen ontstaan, die aan deze alge­mene kracht worden ontleend.

Dan gaan we weer even terug naar de oudheid. Er waren goden en godinnen. Het aanroepen van een god betekende voor degene die dat magisch deed, dus bewust deed, het activeren van een bepaalde eigenschap. Het is bekend dat bepaalde Romeinse heksen en magiërs zich beriepen op Jupiter als ze een onweer wilden wekken, dat ze met een beroep op Vulcanus inderdaad vulkanische verschijnselen konden verhevigen. Kennelijk hadden ze een voorstelling van datgene wat door die god (die gestalte) werd gedaan. En het was de voorstel­ling van de functie, eerder dan de voorstelling van de god zelf, waar­door het mechanisme in werking trad en er inderdaad wonderlijke ver­schijnselen tot stand werden gebracht.

Zegt u nu niet dat het niet kan. Als u naar de Vesuvius gaat, dan heb je daar de solfataren en is er altijd wel een gids, die je wil la­ten zien dat door een krant te laten branden en die dan op de grond neer te slaan ergens anders een verheviging van dampuitstoting kunt verkrijgen. Het verband daartussen is niet helemaal duidelijk. De weten­schap weet ook niet precies waarom; ze weet alleen dat het gaat.

Zo gaat het nu ook als wij ons voorstellingsvermogen gebruiken. Wat wij precies doen? Wij gebruiken een deel van onze gedachtekracht. We scheppen daardoor een ontvankelijkheid voor die andere energie. Maar aangezien de ontvankelijkheid ervoor gepaard gaat met een voorstelling van de vorm, welke die kracht zal aannemen, zal ze de vorm aanne­men die wij hebben gesteld. Zo heeft men eigenlijk altijd geprobeerd om in dat magisch werken met symbolen en anderszins krachtsverhoudingen uit te drukken.

Opvallend was in de tijd van de alchemisten dat ze op een gegeven ogenblik strijdige tekens gebruikten. In zo een werkplaats trof men aan: een zogenaamd katholiek kruis (ongelijkarmig) waaronder de voorstelling van de gehoornde maan, ook wel de Bok van Mendes en daaronder een voorstel­ling van de aarde, een bol waarin een wat gnoomachtig gezicht was gete­kend. Toen men de man van het atelier vroeg waarvoor dat nodig was, zei hij, dom genoeg overigens, dat het kruis de voorstelling was van de krachten die uit de godheid kwamen, de Bok van Mendes was de voorstel­ling van de beheersbaarheid die daarvoor bestond en de aarde was de voorstelling van datgene waarover de mens macht wilde verwerven en de elementen wilde veranderen. De goede man is verbrand. Wat hij zei was in zijn tijd ketterij.

Het gebruiken van symbolen betekende het stellen van een volgorde. Het stellen van die volgorde betekende een vormgeven aan de kracht, haar transformeren door je voorstelling tot iets wat je met je wil en je denken kon aanvaarden en beheersen. Dan stelde je je met het symbool een doel, zodat een dergelijk samenstel van symbolen een soort automaat was waardoor de mens niet alleen die kracht kon ontvangen, maar gelijk­tijdig en zonder verdere bewuste functie die ook ontlaadde op dat punt waar dat voor hem het meest belangrijke was.

Een krankzinnige situatie misschien vanuit het standpunt van een wetenschapsman. Deze zegt, wat heb je aan al die symbolen? Die doen niets. Maar de alchemisten wisten dat je door het gebruikmaken van deze krachtsverhoudingen en door het activeren van voorstellingen kon komen tot resultaten, die ver boven datgene lagen wat behoorde tot de erkende menselijke wetenschap.

Als wij horen dat er bepaalde bezweringen worden gemompeld bij het maken van zogenaamde natuurdranken, dan zitten we al in de tijd van Paracelsus. We zien dat er spreuken bij horen. Wat betekenen die spreuken eigenlijk? Ze betekenen dat bepaalde eigenschappen, die in de tisanen aanwezig heten te zijn, door de energie als het ware naar voren worden geschoven, andere kwaliteiten en eigenschappen worden van kracht ontdaan zodat het eindresultaat een werkzame drank is.

Dat klinkt wetenschappelijk natuurlijk kolderiek. Maar hoe komt het dan dat men in de laatste tijd heeft moeten vaststellen dat een pijlgift, dat gemaakt wordt zónder spreuken, niet precies gelijk van uitwerking is als het pijlgift dat mét spreuken wordt gemaakt? Ik bedoel hier de pijlgiften in verschillende samenstellingen waarvan men ook wel spreekt als curare. De samenstellingen zijn echter niet altijd gelijk aan die zo­als bij de Jivaro’s worden gemaakt. Men heeft daar proeven mee genomen.

En het wonderlijke is dat chemisch beide stoffen volkomen gelijk zijn, maar dat als men een prooidier daarmee aanschiet, de stof waarin de be­zwering zit verwerkt een praktisch onmiddellijke verlamming veroorzaakt, terwijl de stof waarin geen bezwering zit eerst na een wat langere periode resultaat heeft. Bij het aanschieten van een aap bleek het verschil te liggen op bijna 1½ minuut (84 sec). Indien men dat nagaat, dan doet de spreuk dus wel iets. Maar de spreuk heeft alleen zin, indien men de betekenis van de daarbij behorende voorstelling kent. Kent men de voor­stelling, dan is de spreuk eigenlijk overbodig. Het is de voorstelling waardoor wij krachten kunnen brengen in datgene waarmee wij werken.

U ziet het, dat is magie, geen wetenschap. Of misschien wel? Het is een wetenschap waar de wetenschap nog niet aan toe is gekomen.

U leeft in een wereld waarin magie niet bestaat. U gelooft er mis­schien in, maar u denkt, ik kan er niets mee doen. Maar u heeft uw eigen voorstelling van iets of iemand die u kan helpen, de gestalte. Een ge­stalte die variëren kan naarmate in uw leven veranderingen optreden. Voor de een is het misschien de gestalte van een dierbare overgegane, voor een ander is het Jezus zelf of mogelijk de een of andere geestelijke broeder of leider, mijnentwege een Tibetaanse monnik, die hier en daar meditaties leidt. Het is niet belangrijk wat die gestalte is. Wel is be­langrijk dat die gestalte voor u reëel is. U moet haar aanvaarden als een werkelijkheid. Niet om de uiterlijke vorm, maar omdat ze kracht of wijsheid kan betekenen. Wat blijkt nu?

Als wij onze aandacht richten en concentreren op deze gestalte, dan maken we haar als het ware selectief. De kracht die daaruit tot ons komt, is in overeenstemming met de vraag die wij hebben uitgezonden; tenminste de vraag die wij werkelijk hebben uitgezonden en niet de vraag die wij wilden formuleren. Er zijn mensen die die kracht uitzenden met de mooie formulering, geef ons allen alle kracht die nodig is. In wezen bedoe­len ze, geef mij de kracht om net een beetje vlugger te zijn dan de an­deren. En dan zijn ze wat vlugger dan de anderen, want die hebben er geen heil van. De formulering is dus bijkomstig. Uw eigen afstemming is bepalend.

In deze moderne wereld moet het geloof aan magie en aan magische mogelijkheden weer vorm en gestalte krijgen. Ik verlang helemaal niet dat men de oude vrezen uit de Middeleeuwen weer opbouwt: rondsluipende duivels, allerlei zich transformerende monsters onder de mensen.

Maar je zou toch weer een gestalte moeten vinden waarin je kunt geloven en waarop je kunt vertrouwen. Een naam, die voor jou het summum van kracht en vermogen is. Want krachtens de menselijke imaginatie ontstaat er een afstemming van het menselijk wezen en door deze afstemming heeft hij toegang tot deze kracht die ons allen omringt.

Deze kracht is niet beperkt tot uw wereld. Het wonderlijke is dat zij in onze wereld op precies gelijke wijze te benaderen is, dat ze voor ons op dezelfde wijze werkzaam kan zijn. Onze relatie tot die kracht verschilt niet veel van de menselijke relatie, zij het dat je er in de geest gemakkelijker gebruik van maakt. Het is dus een kracht die wij zeker niet kunnen beschouwen als behorend tot een geestelijke sfeer. Ik denk dat ze eerder een deel is van de structuur van de ruimte. Al kunnen wij haar wezen niet definiëren, wij kunnen de kracht gebruiken. Het gebruiken van die kracht is het belangrijkste dat er bestaat.

Als u gaat kijken naar het paleis op de Dam, dan treft u boven op het dak de gestalte van Atlas aan die de wereld torst. Dat was vroeger een zeer geliefde voorstelling. Een mens kan de wereld dragen, als hij maar gelooft dat het mogelijk is. Veel van die mythologische figuren en gestalten geven alleen maar aan wat mogelijk is. Het is mogelijk om een augiasstal te reinigen. Dan moet je natuurlijk niet eerst een reini­gingsdienst op touw zetten, want daarmee kom je niet verder. Maar als er werkelijk een reden is om iets te reinigen, dan kun je bepaalde krach­ten vrijmaken die de reiniging voor jou tot stand brengen, zoals Her­cules heeft gedaan door een rivier te leiden door de stal van Koning Augias.

De mythologische voorstellingen en de mooie verhalen zijn maar al te vaak aanduidingen van wat werkelijk kan gebeuren. Als wij horen dat de Argonauten op een zeker eiland tot zwijnen worden, dan denken wij aan een toververhaaltje met een gedaanteverandering. Maar als we even na­denken, dan weten wij dat mensen plotseling door onverklaarbare luiheid en gretigheid overvallen kunnen worden, als de condities juist zijn en men zich onderwerpt aan een uitstraling of een invloed. Maar wij horen ook dat de held van het verhaal in staat is om op den duur aan deze be­tovering te ontkomen, omdat hij haar beseft en zijn eigen kracht daar te­genover stelt. Hij moet ergens in geloven anders kan dat niet. In sommi­ge gevallen moet je het zelfs onmogelijk maken om te reageren, zoals bij de bekende tocht tussen Scylla en Charybdis waarbij de zang van de sire­nen de mannen altijd in hun bederf stortte. De enige die kan horen, laat zich dan ook aan de mast vastbinden.

De mens moet zich vaak verankeren, ook in een realiteitsbesef, om niet te worden meegesleurd door krachten. Aan de andere kant moet hij toch de moed hebben om die krachten te horen, te zien en te aanvaarden, m.a.w. er vorm en gestalte aan te geven en er een beroep op te doen, indien hij ze nodig heeft.

Misschien wordt u nu duidelijk waarom ik gestalten boven dit onder­werp heb gezet. In deze dagen ontwerpt de mens vaak een gestalte die destructief is omdat hij niet beter weet. Als u allemaal tezamen zit te denken aan het atoomgevaar, dan ontstaat de neiging om dat atoomgevaar te bevorderen. En als u gelooft dat het onvermijdelijk is, dan is de kans groot dat uw nabijheid alleen al voldoende is om bepaalde rampzalige om­standigheden in het leven te roepen. Als u gelooft dat de mensheid slecht is, dan zal de reactie van de mensheid op u en waarschijnlijk op uw hele omgeving inderdaad slechter worden. Want, of u het wilt of niet, als u in u een beeld ontwerpt en u gelooft daarin, dan heeft u daarmee krachten aangeboord. Maar u zendt die kracht zelf uit in overeenstem­ming met het beeld dat u heeft opgebouwd.

Een mens die op de wereld leeft, moet leren positief te denken. Niet alleen omdat voor hemzelf die positiviteit beter is, maar ook om­dat hij in zijn positief denken en in zijn positieve benadering van de problemen onwillekeurig krachten tot zich trekt waardoor hij beter zal slagen, waardoor hij ook voor anderen een beter slagen, een beter begrij­pen, een beter werken mogelijk maakt, zelfs indien paranormale verschijn­selen buiten beschouwing blijven.

Gelooft de mens dat er wonderen kunnen gebeuren, dan zullen er won­deren gebeuren. Dan maakt die mens de wonderen zelf waar. Waarom zou u zich als mens dan voortdurend afhankelijker maken van de vaak zeer ne­gatieve voorstellingen, die anderen zich vormen van het leven en de ontwikkelingen in de wereld? Indien u oprecht gelooft dat iets noodzake­lijk is en u heeft de voorstelling van een kracht die u daarbij kan hel­pen, roep dan die kracht aan en begin aan uw werk. U zult zien dat u meer presteert dan u ooit had gedacht. U zult zien dat het toeval u helpt, dat u zonder te weten waarom een juiste keuze doet uit duizen­den. U bereikt dan veel meer.

Indien u zelf kracht wilt uitzenden om een mens te genezen, dan moet u natuurlijk geloven dat u het kunt. Het is misschien nog beter te geloven dat er een kracht is die u helpt. Er zijn energieën en krachten rond u, zo groot dat u daarmee werelden tot een bal zou kunnen maken. De mens heeft de voorstelling niet waardoor hij dat zou kunnen activeren. Hij heeft de grootheid niet om die krachten te ontvangen. Maar hij kan kleinere krachten en energieën wel degelijk ontvangen en er mee werken. Het is dan niet belangrijk hoe daarmee wordt gewerkt, als er maar mee wordt gewerkt en dit werken vanuit menselijk besef zo positief moge­lijk is gericht.

Als de gestalten uit de oudheid verbleken en er in het geloof van de mens een vaagheid optreedt, zo verliest hij vele mogelijkheden. Het is belangrijk dat je een voorstelling hebt waarin je gelooft en dat je krachtens die voorstelling de kosmische energieën rond je activeert, dat je de potentie rond je tot actie maakt en zo jezelf en anderen helpt om de positieve waarden en neigingen van het menselijk leven te versterken en ten slotte tot waarheid te maken.