Gewoon praten

8 februari 1959

Ik zou vandaag een beetje zo gewoon met u willen praten.  Per slot van rekening kunnen wij wel alle wijzen citeren, maar als we voor onszelf geen wijsheid weten te vinden, dan helpen ons alle wijsgeren van de wereld geen jota. En het lijkt me wel eens dienstig om na te gaan wat nu eigenlijk werkelijk wijsheid kan zijn als het van ons uit moet komen. Ligt wijsheid van leven en van denken in het stellen van mooi omschreven regels? Gelijkenissen zijn er te over te vinden. Als u dadelijk naar buiten komt en u kijkt naar een boom, dan kunt u gaan filosoferen over de gelijkenis van een dode wereld, die uit de witte mist witte bloesemkristallen op de bomen geboren doet worden en meer dergelijke dingen. Maar is dat nu wijsheid? Het is misschien een observatie maar meer niet. En ik geloof, dat dat observeren in vele gevallen voor wijsheid doorgaat.

Men ziet in het leven verschillende verschijnselen, trekt er zijn conclusies uit en zegt: Dit is wijsheid. Maar moeten wij eigenlijk niet veel verder in de werkelijkheid van de dingen doordringen, voor we kunnen begrijpen wat er gaande is? Ik denk hier aan de regel, die in de Pythagorese kring gold. Daar was nl. de eerste taak een paar jaren tenminste een jaar maar meestal een paar jaren. toehoren, toekijken en zwijgen. Op het ogenblik, dat je je mening direct bekend gaat maken, dat je direct gaat verklaren: O, ik heb een keer dit fenomeen gezien en nu is het zus of zo, dan heb je al de grootste dwaasheid begaan, die er te begaan is. Want slechts uit herhaalde observatie en een langdurig verwerken van het geobserveerde in jezelf, kun je komen tot een conclusie, die steek houdt en die ook blijft bestaan, wanneer die condities zijn opgehouden.

Het geloof geeft ons natuurlijk een basis voor die wijsheid en die kunnen we gemakkelijk genoeg stellen: Alle dingen zijn uit één kracht geboren. De mist van vandaag en de zonneschijn van morgen zijn in feite een kracht. Want als er niet ergens zonneschijn op de wereld geweest zou zijn, zou er nu geen mist zijn. En wanneer deze mist hier op het ogenblik niet het land zou afschutten, dan zouden er misschien elders weer wolken gevormd zijn, die hier de boel dicht, potdicht zouden gooien met een loodzware hemel i.p.v. over enkele dagen de zon door te laten komen. Wanneer je die dingen in het verloop van tijd weet, dan begrijp je: alles is een wisselwerking, alles is eigenlijk een verschijnsel van hetzelfde. Maar dat maakt ons nog niet vrij van de gevolgen van het fenomeen. Je kunt wel zeggen: Ten slotte is de zonneschijn en de mist, die wij ervaren, identiek; het is dezelfde kracht, alleen in een andere vorm geuit. Maar ik geloof, dat ieder van u het onmiddellijk met mij eens zoudt zijn, wanneer ik zou zeggen: “Geef mij nu maar de zonneschijn en houdt u de mist.” Dus de reactie op een bepaalde uitingsvorm van de kracht kan een geheel andere zijn.

Ik geloof, dat de grootste wijsheid ligt in het begrijpen van de relatie tussen de kracht en haar uiting en gelijktijdig het vaststellen van eigen reactie t.o.v. de kracht. Jezus heeft dat in zijn leven ook steeds weer gedaan. Hij heeft steeds achter de verschijnselen gezocht naar wat voor hem het allerhoogste was en dan sprak hij van de Vader. Maar sprekende van de Vader en dat mogen we niet vergeten werkte hij in de uitingen zijns Vaders, in de werelden.

Van hieruit moeten wij natuurlijk verdergaan. Want wijsheid heeft alleen zin, wanneer ze geboren is uit de daad. Wijsheid, die een theorie blijft, is geen feitelijke wijsheid. Het is een speculatief denken, dat misschien in de ogen van anderen buitengewoon schoon en groot kan zijn, maar dat geen feitelijke grondslag heeft. En daarom moeten we stellen, dat we bepaalde grondslagen nodig hebben om onze wijsheid op de wereld betekenis en inhoud te geven. Dat geldt voor elke wereld, waarin u ooit zult leven. Niet alleen voor de aardse en dus voor de stoffelijke wereld.

In de eerste plaats hebben we daarvoor nodig: begrip, kennis en weten. Deze drie zijn eigenlijk uitingen van dezelfde kracht om in dezelfde beeldspraak te blijven. Begrip kan alleen voortkomen uit een erkennen. Dus begrip is in feite voor een deel weten. Maar het erkennen op zichzelf alleen moet weer gesteund worden door kennen omtrent vroegere feiten, een weten omtrent mogelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, wil het voldoende inhoud krijgen. Zo is kennis ook wel degelijk noodzakelijk. Dat is de eerste basis, de eerste steen.

Daarnaast echter: Wat heeft begrip voor waarde, indien het niet mede ons handelen bepaalt? Wat heeft kennis voor betekenis, wanneer ze niet in praktijk wordt gebracht? En hoe kan weten ooit blijken, wanneer het begraven blijft in de eigen persoonlijkheid? De tweede basissteen, die we nodig hebben, is de daad. De daad te beheersen juist door ons begrijpen, ons kennen, ons weten is de zwaarste taak, die een mens op aarde en een geest in de sferen gegeven kan worden. Het is niet zo moeilijk om te handelen, maar het is moeilijk om juist te handelen. En het is nog moeilijker om bij het juist handelen zelf nog de goede afstand te bewaren t.o.v. het gebeuren.

Dan mag ik dit als volgt stellen, hoop ik: Ware wijsheid is een levenshouding, waardoor je slechts handelt, wanneer tot handelen een noodzaak bestaat; maar gelijktijdig erkent, dat elke innerlijke noodzaak slechts door handelen kan worden opgelost. Van hieruit is het een kleine stap verder naar meer logische en praktische conclusies, die uit dit wat theoretische geschermutsel voortkomen.

Zoals u hier in het leven staat, heeft u uw eigen gedachtewereld, u meent waarschijnlijk, dat deze gedachtewereld alleen is voortgekomen uit uw kennen, uw ervaren en wat erbij hoort, U vergeet meestal, dat een groot gedeelte van uw gedachtewereld wordt bepaald door een verzet tegen de voor u werkelijke wereld. Het verzet tegen de wereld is meer bepalend voor ons handelen, is meer bepalend voor ons denken wanneer we in de stof of in de geest zijn dan elke andere factor. Laat ons dus niet omwille van het verzet, dat steeds op de voorgrond komt, de inhoud van ons eigen wezen onderdrukken. Ik mag misschien een voorbeeld geven: Op een gegeven ogenblik ergert u zich aan een paar mensen. (Het komt zo vaak voor, dat je je aan mensen ergert.) U bent van goeden wille. U wilt heus in die wereld iedereen helpen, tegenover iedereen aangenaam zijn. Maar wanneer u op dit ogenblik wat zoudt toegeven aan degene, die u zo geërgerd heeft, meent u dat u uzelf zoudt vernederen en dat kunt u uzelf niet aandoen. U handelt tegen beter weten in, kiest een onjuiste handelwijze, alleen dus op grond van deze emotie, van uw eigen zien van de wereld. Maar nu is het heel goed mogelijk, dat die mensen, die volgens u zo beledigend of zo vervelend zijn, helemaal die intentie niet hebben. Ze hebben er helemaal niet aan gedacht u te kwetsen, te krenken, u achteruit te zetten of u onaangenaam te zijn. Ze hebben logisch gehandeld vanuit hun standpunt. Maar u reageert daarop, u verwerpt uw eigen redelijk goed en juist handelen…. omdat u in feite een ander niet begrepen hebt. Hoeveel mensen denkt u zouden er ongelukkig worden op die manier? Hoe vaak zou een dergelijk misverstand tussen staten geen aanleiding zijn tot oorlog? Hoe vaak denkt u zouden mensen gestorven zijn of zelfs zielen in het duister terecht zijn gekomen, alleen door deze fatale vergissing, dit fataal gebrek aan wijsheid?

Op het ogenblik, dat u datgene wat rond u is laat bepalen hoe u gaat reageren, bent u bovendien geen meester meer van uw eigen leven. U bent hier gekomen op de wereld met individuele mogelijkheden, individueel besef, een individuele taak. U heeft geestelijk een voertuig gekozen om een taak te vervullen op aarde. U bent hier niet zo maar gekomen. Zoudt u deze taak en alles wat erbij hoort, zoudt u dit begrip, dat in u steeds groter kan worden, prijsgeven alleen maar om te reageren op anderen? En toch doen heel veel mensen en heel veel wezens dat. Ze reageren niet volgens hun eigen waarheid, maar volgens die van anderen. En dan moeten wij natuurlijk respect hebben voor ander en we moeten de anderen de vrijheid laten om volgens hun inzichten, hun denken, hun weten te handelen. Maar wij mogen niet onszelf gaan aanpassen aan die anderen, omdat anders onze persoonlijkheid in het gedrang zou komen. Want onze persoonlijkheid kan niet in het gedrang komen, zolang wij daadwerkelijk streven naar datgene, wat wij in onszelf als goed erkennen.

Wijsheid betekent o.m. begrip, heb ik gezegd. Is niet het eerste begrip, dat we nodig hebben, een begrip voor onszelf? Voor onze eigen reacties, onze eigen gedachten? En is het dan wel wijs om uit nu ja trots heel vaak of uit minderwaardigheidsgevoel in andere gevallen die waarheid, die werkelijkheid, dat begrip, dat we omtrent onszelf wel degelijk bezitten, eenvoudig terzijde te stellen? Want u begrijpt meer van uzelf, dan u denkt. U ziet heel vaak de dingen a.h.w. tweemaal, wanneer ze uzelf betreffen. Aan de ene kant ziet u het onpartijdig. Aan de andere kant gaat u er zwaar onder gebogen of voelt u zich hemelhoog boven de massa verheven.

Voorbeeld: Het gaat je niet goed. Je zit enerzijds te treuren. Je zegt: “Ach, kan het nou nog erger! Wat ben ik hopeloos, wat ben ik eenzaam, wat ben ik verlaten, wat ben ik dit, wat ben ik dat.” En anderzijds weet je gelijktijdig, dat het zo eigenlijk niet is. Dat je alleen maar eisen stelt aan het leven, die volledig onredelijk zijn en dat je handelt als een pruilend kind, dat tegen beter weten in begint te gillen in de hoop meer te krijgen dan waarop het recht heeft. Dat weet je. Toch blijf je door treuren. Toch blijf je met diezelfde mismoedigheid t.o.v. anderen reageren. En heel vaak zegt men er dan nog bij: “Hou ja, ik kan er niets aan doen. Zo ben ik nou eenmaal.” Is dat waar? Als u begrip heeft voor uzelf, dan weet u, dat het helemaal niet waar is, u bent niet zo. Maar u heeft zich dit nu eenmaal als een methode van leven en denken aangemeten. U heeft zo de waarheid van uw eigen persoonlijkheid voor uzelf een beetje bemanteld. Niet om het leven gemakkelijker te maken want dat doet u er zeker niet mee maar om voor uzelf een ontladen, van wat u voelt als taak, op anderen mogelijk te maken. Daar zal natuurlijk niet iedereen het mee eens zijn hier. Dat kan ik me best begrijpen. Toch is dat een feit.

Een ander voorbeeld: Iemand heeft een beetje geluk. Het loopt hem een paar keer mee. Wat gaat hij zeggen? “Ja, dan moet ik toch wel erg handig, dan moet ik toch erg knap zijn. Anders zou me dat niet allemaal zo gelukken.” Een misleidende redenering. Want hij weet heel goed, dat het eigenlijk zijns ondanks is, dat het zo meeloopt. Maar hij kan dat niet aannemen. Hij gaat nu op deze knapheid, die hij in feite weet niet te bezitten, zich baseren om een oordeel te geven over dingen, waar hij niets van af weet. Hij veroorzaakt daardoor en voor zichzelf en voor anderen onnodige conflicten. Hij komt in een toestand te staan in het leven, die hem steeds voor allerhande wankele situaties plaatst. Is dat nu die werkelijke persoonlijkheid? Is dat het ware “ik”? Ik geloof het niet. Het werkelijke “ik”, het ego, dat geborgen zit in de mens, weet heel wel, dat het de omstandigheden zijn geweest meer dan eigen zakelijk inzicht of eigen kracht of eigen snelheid of eigen reactie, die gered hebben, die meevallers hebben gebracht. Maar men geeft het voor zichzelf niet toe.

Daar hebben we dan wel het eerste punt, dat streven naar wijsheid moet zijn: Proberen om die tweede stem, die je meestal maar op de achtergrond laat en die je hoogstens gebruikt tegenover anderen om te laten zien, dat je dan toch nog niet zo dwaas bent als zij misschien denken, eens meer te laten spreken t.o.v. je daden. Niet alleen zeggen tegen anderen: “Nu ja, ik weet het wel. Ik zou anders moeten zijn, maar ik ben nu eenmaal zo.” Dat “ik zou zo moeten zijn”, is de omschrijving van uw werkelijke bewustzijn, van uw werkelijk vermogen en van uw werkelijke kracht. En dat kan de drijfveer van uw daad zijn. Dat kan de kracht zijn, waardoor u steeds meer uzelf leert kennen. Maar meestal gebruikt u het ding alleen maar als een argument tegen anderen. Net zo goed als in het tweede geval de valse bescheidenheid. Nietwaar, dan zegt men: “Nu ja, ik weet natuurlijk wel, het is mij heel erg meegelopen.” En men denkt er bij zichzelf bij. Maar ik heb het dan toch maar klaar gespeeld en jullie niet. Ik ben jullie meerdere.”

Het is vreemd, dat zoveel mensen de waarheid omtrent zichzelf tegenover anderen kunnen uitspreken maar haar voor zichzelf nooit geloven. Ik zou zeggen, dat is een opvallend gebrek aan inzicht, aan wijsheid. En dit opvallende gebrek aan inzicht is verantwoordelijk voor veel daden, die in strijd zijn met de werkelijke persoonlijkheid en daardoor conflicten doen ontstaan die neemt u me niet kwalijk, dat ik het zo opmerk onnodig, overbodig, van uit eigen verkeerd willen geforceerd zijn en die men dan later wijt aan toeval, aan het noodlot en aan de wereld. Dat is niet noodzakelijk.

Wijsheid houdt nog iets anders in. Het houdt ook in een aanvaarden van het onontkoombare. Er was eens een wijze, die in een sneeuwstorm heel rustig ging zitten achter een rots en hij bleef daar rustig zitten. Toen kwam er een ander naar hem toe en deze zei: “Ja, maar meester, u met uw wijsheid, u moet toch een weg kunnen vinden door de sneeuw.” “Hoor eens,” zei de wijze, “ik kan die weg misschien vinden, maar ik kan niet tegen de storm op. Hier in de luwte kan ik wachten, totdat de storm het me mogelijk maakt wel verder te gaan. Want mijn wijsheid is me van geen nut, wanneer mijn krachten falen.”

Dit kleine beeld moet u nu eens overzetten in uw eigen leven. Er zijn ogenblikken, dat u niet tegen de omstandigheden op kunt. Je kunt er eenvoudig niets aan doen. De hele wereld of zo u wilt: het noodlot is op dat ogenblik sterker dan u. De omstandigheden dwingen u om een zeker aantal onaangenaamheden te ondergaan of een zeker aantal voordelen te verwerven, waarmee u het eigenlijk niet eens bent. Wijsheid zegt: “Accepteer dit. Blijf jezelf, blijf staan waar je nu bent. Laat de storm over je heengaan, totdat je voelt: nu kan ik eindelijk weer zelf mijn eigen richting kiezen.” In de wijsheid ook in de esoterie geldt nl. dit: Stilstand is altijd achteruitgang, behalve indien stilstand een zich handhaven is tegenover krachten, die men niet begrijpt, of welker richting tegengesteld is aan het bewustzijn van eigen streven.

Alles wat u in uw leven meemaakt, alles wat u in de sferen ooit zult zien en zult meemaken en beleven, is niets anders dan een onthulling van uw eigen wezen. U heeft, voordat u hier kwam, al een hele reeks van die levens achter de rug. Het gevolg is, dat u een redelijk grote zelfkennis bezit. Een zelfkennis, die in u steeds weer spreekt. Natuurlijk, wanneer u haar terzijde gaat stellen voor verstandelijke redeneringen of verklaringen “dat u nu eenmaal zo bent”, dan verliest u heel veel van dat behaalde voordeel van vroegere levens.

Ik hoor ook heel vaak de opmerking: “Ja, wij zijn niet sterk genoeg.” Neem me niet kwalijk, dat ik ook dit moet ontkennen. Men is wel sterk genoeg. Wanneer de mens werkelijk gedreven wordt door de omstandigheden, dan is het verwonderlijk wat hij kan uithouden en toch nog mens blijven. Denkt u eens aan een hongerwinter. Met hoe weinig eten kon u toen niet gelukkig zijn. Met wat een eenvoudige spijzen kon u toen niet een feestmaal, een bacchanaal aanrichten. Met hoe weinig weelde of luxe of zon, volgens het huidig principe, kon u toen al blij zijn en toch nog weer vreugde vinden. Denk er eens over na en vraag u dan eens af, hoeveel mensen, die toen van een korst brood feest konden vieren, op het ogenblik met enige afwijzing tegenover de beste gerechten staan. Vraag u eens af, hoeveel mensen, die toen zorgen konden dragen en risico’s konden lopen, die haast onmetelijk groot waren, mensen die dag in dag uit in levensgevaar voor een kleinigheid eigenlijk de vermoeiendste trektochten maakten, op het ogenblik al in een klagen en wenen vervallen, wanneer ze i.p.v. een taxi een tram moeten nemen. Toch zijn het precies dezelfde mensen. Wanneer u zegt: “Ja, maar ik ben nu eenmaal zo en ik kan niet anders,” dan bedoelt u daar alleen mee: Ik laat me door de omstandigheden leiden. Ik stel mijn eisen niet naar mijn eigen behoeften en noodzaken, omdat ik datgene, wat ik zie, dat er in de wereld bestaat, voor mezelf als redelijk meen te mogen begeren.

Dat is ook een belangrijk punt. U heeft geen recht om van de wereld meer te begeren, dan u voor uzelf kunt bereiken. U heeft geen recht een beroep te doen op anderen. Wanneer anderen u helpen, is dat een gunst nooit een recht. U heeft geen recht erop gelijke weelde te kennen als alle anderen, U heeft geen recht op vrijheid van zorgen en van problemen, u heeft geen recht op een voortdurend slagen, ook al handelt u meestal, alsof het wel zo ware. U heeft maar een recht en dat is: Uzelf te zijn en uit uw eigen krachten te beantwoorden aan de grote Kracht, die u in de ziel bij u draagt en die zich in de wereld voor u openbaart: God, verder niets. Wijsheid zegt ons, dat het niet onze taak is ons te beklagen over datgene, wat anders is dan we wensen. Maar dat het onze taak is met uiterste inzet van al onze krachten ook wanneer dat misschien erg veel lijkt op het ogenblik te streven naar dat, wat wij wensen te bereiken. Te streven naar datgene, wat voor ons zo belangrijk is. En het is meestal een gebrek aan geven van je persoonlijkheid, dat de mislukking inhoudt.

Nu ja, als u dat nu allemaal verwerkt het is natuurlijk maar een gewoon praatje dan zult u misschien toch wel de eindconclusie met me eens zijn: Om in het leven wijsheid te kennen en verder te komen, moet je weten wat je wilt, moet je begrijpen, hoe je dit bereiken kunt; moet je met alle krachten en alle vermogens geestelijk en stoffelijk die je bezit, dit doel metterdaad nastreven. En je moogt jezelf nooit verontschuldigen tegenover jezelf of anderen, je moogt jezelf nooit meer of minder achten dan een ander, je moet alleen handelen volgens datgene, wat in jou leeft. Want individuele bewustwording en individueel streven is de basis van de schepping. Individuele bewustwording is de kracht, waaruit de goddelijke glorie is opgebouwd.

Als u dat ook nog erbij wilt nemen, dan geloof ik, dat ik meer dan voldoende heb gezegd. Misschien heeft u wel kritiek op mij. Dat is heel goed mogelijk. Ik voor mij heb geprobeerd om mijn gedachten zo helder en zo klaar mogelijk naar voren te brengen. En omgekeerd heb ik misschien wel kritiek op u, maar dit komt ongetwijfeld voort uit het feit, dat ik u minder goed begrijp, dan ik denk te doen.

o-o-o-o-o

Ik geloof, dat aan de betogen van mijn voorganger weinig toe of af te doen is. Die neem je of die neem je niet. Maar misschien mag ik op mijn manier dan ook de gedachtegang van wijsheid een klein beetje illustreren.

Er wordt verteld van Soleiman niet de Salomon maar Soleiman, de kalief, dat hij buitengewoon wijs en buitengewoon rechtvaardig was. Een van zijn slagzinnen was: Ervaring en aanschouwelijk onderricht maken de mens wijs. En hij ging soms een heel eind ver in het doorvoeren ervan. Nu was in dat Ottomaanse rijk natuurlijk het paard erg belangrijk, dat is te begrijpen. Die luitjes waren in het begin vechtende nomaden en langzaam maar zeker is daar een groot kalifaat uit gegroeid. Nu ging onze Soleiman dan eens een keertje door de straten heen op zijn paard, zoals dat gebruikelijk was, en hij zag daar een boer staan, die een paard bij zich had, dat zwaar was beladen. Dat was op zichzelf al niet mooi. Maar het ergste was, dat die boer dat paard daar rustig onder die last liet staan, terwijl hij zelf heel gezellig zat te smikkelen bij zo’n eet zaakje, dat daar door de een of andere handige koopman op de hoek was opgebouwd. De vorst bleef stil staan, de boer at, het paard stond. Toen kreeg Soleiman een schitterend idee. Hij zei tegen zijn bediende: “Zodra die boer klaar is met eten, haal je een heel grote bak met haver. Dan legt die boer dat zadel met de last op en dan moet hij naast het paard staan, totdat het paard gegeten heeft.” Op die manier probeerde hij dus aanschouwelijk te maken, dat die boer van het paard een geduld verwachtte, dat hij zelf niet had. En door de ervaring probeerde hij hem ertoe te brengen het beest een beetje beter te behandelen.

Die kleine anekdote brengt mij eigenlijk midden in mijn eigen discours. Wij zijn geneigd om rustig verder te gaan en van uit ons eigen standpunt gemakkelijk onze eigen zaken af te doen. En of anderen nu staan te wachten interesseert ons minder. We laten heel vaak een ander met zware lasten beladen rustig eens eventjes wachten, want wij moeten toch eerst onze eigen zaken doen. Onze gezelligheid of onze aardigheid of ons eigen belang gaat voor.

En nou vertellen ze dat over een kalief. Maar weet je, God de Vader is net zo wijs of wijzer natuurlijk, dat snap je wel. Dus wat gebeurt er nou? Dan gaan we van de anekdote even over naar de sferen. Op een gegeven ogenblik heeft u zonder het nou direct kwaad te bedoelen een ander laten wachten. Laten we zeggen ….. u zit toevallig gezellig te praten u bent tandarts en er komt een patiënt met kiespijn. U zegt: “Hou ja, laat die vent maar even een kwartiertje wachten, hoor. Eerst even mijn gesprek uit.” Dan ga je over. Wat gebeurt er nou? Dan wordt die situatie hernieuwd beleefd. Maar nu zit jij met de kiespijn te wachten en je weet waarom de ander je laat wachten. Je kunt me geloven of niet, maar dan word je zwaar giftig op jezelf.

Zo gaat het in het leven heel vaak. Ik weet bv. wel, dat mijn vrouw zaliger heel rustig met haar vriendinnen zat te kletsen het huis was goed in orde overigens, hoor en dan zat zij te kletsen tot negen uur, want ze wist, dat ik tegen half tien thuiskwam. Dan begon ze tegen mij te jammeren, dat ze de hele avond alleen had gezeten en dat ik maar naar de soos ging. De kwestie is, dat ze nou zelf dus in de geest datzelfde heeft moeten ondergaan. Maar dat ze beter dan ik wist, dat al die verwijten alleen maar een poging waren om eigen leven zwaarder voor te stellen. (En ja, ik heb van mijn kant zo ook wel een paar dingen moeten leren, hoor. Maar daar vertel ik liever niet over.) Kijk, dat is nu zo’n kwestie van evenwicht eigenlijk. In de sferen krijg je dus je trekken thuis. En misschien is het wel eens aardig, als je daar op de wereld aan denkt. Volgens mijn ervaring zou het je misschien een hele hoop last kunnen besparen.

Ik denk bv. hieraan; Een ander bedoelt het goed en wil eigenlijk wel goed voor je zorgen, maar jij zegt: “Potverdorie, mens, zit niet te zaniken!” Je weet wel, hé, hoe dat gaat. Je probeert niet om er op een nette manier onderuit te komen. Je bijt van je af. Maar als je nu in die sferen komt, dan heb je precies het tegenovergestelde. Dan wil jij wat goeds doen en dan krijg je ook geen kans om goed te doen. Een beroerde toestand. Dan leer je, hoe je een beetje geduldiger moet zijn.

Op een gegeven ogenblik heb je eigenlijk geen zin om wat te doen. Dat overkomt iedereen. Dat overkomt de beste, zou ik zeggen. Dan heb je van die mensen, die zeggen: “Ja, maar nou ben ik zo ziek en nou moet ik…..Ik kan niet, hoor! En dan laten ze een ander dubbel werk doen. Vergeet niet, in de sferen maak je dat door. Het is een droom, goed. Maar in die droom moet jij dubbel werk doen en je weet, dat de ander komedie speelt. En je kunt er toch niets aan veranderen. Je moet het toch doen. Wat kun je jezelf eigenlijk op aarde veel ergernis besparen, als je een klein beetje eerlijker bent tegenover jezelf en tegenover anderen. En wanneer je vooral ook eens een beetje meer denkt aan anderen. Er zijn natuurlijk een hele hoop van die verhaaltjes, maar er is nog zo’n verhaaltje, dat dat wel aardig illustreert. En dat is wel over de echte Salomon.

Onze vriend Salomon, de wijze koning en rechter, was o.m. ook heerser over de geesten. En dat wil zeggen, dat hij ook de baas was over de verschillende soorten sylfen, (Dat zijn dus geesten, een soort van djinni.) En op een gegeven ogenblik kwamen er twee geesten bij Salomon en zeiden: “Heer, wij hebben een grote strijd. Hij is een zwarte djinn, ik ben een witte djinn. Wij beiden, wij sylfen, wij geesten, die door de luchten gaan, wij hebben nu op het ogenblik een strijd wie van ons de snelste is.” “Nou,” zei Salomon, “dat zullen wij heel gauw uitmaken.” Hij sprak een magisch woord en daar stonden beide sylfen zonder vleugels en met een lichaam. En omdat ze altijd nogal gemakkelijk leefden zoals dat bij vele efrioten vaak gaat waren ze nou niet direct volslank. Salomon gaf elk een tulband en een lendendoek. “Zo,” zei hij, “nu hoef je niets anders te doen dan hier rond mijn paleis te wandelen. Loop dus door de tuinen rond het paleis zo hard je kunt en zo lang je kunt. Degene, die het langste voortloopt, zal ik erkennen als de snelste. Nou, daar waren die twee sylfen het helemaal niet mee eens. Ze zeiden: “Ja, maar heer, het gaat ons over vliegen.” “Neen,” zei Salomon, “daar gaat het niet over. De schijn van snelheid kan misschien liggen in een enkele beweging. Maar de snelheid in Gods wereld wordt bepaald door het uithoudingsvermogen. Hoe meer uithoudingsvermogen je bezit, hoe verder je komt. Al het andere, is maar waan, dat is maar ogenblikkelijk.” Nu weet ik niet precies, hoe het verder is gegaan met de sylfen, Maar ik weet wel, dat ze o.a. met de diefstal van de worm Shamir in verband stonden. Ze waren klaarblijkelijk nogal boos op de rechter.

Waar het mij hier om gaat is dit? Er zijn mensen, die gaan uit van het standpunt: Bewustwordingen? Nou, ik weet al heel veel. En ik leer nog steeds meer. Dus ben ik wel een hele hoop verder dan daar die arme sukkel, die niet veel verder is gekomen dan aap-noot-mies en zijn eigen naam. Maar is dat nu wel waar? Misschien dat die ander op het ogenblik een ietsje langzamer is dan u. Maar het is zijn uithoudingsvermogen en zijn gestaag verdergaan, dat bepaalt wat hij waard is, niet de rest. Er zijn hier op aarde mensen, die menen dat ze, omdat ze gymnasium hebben, meer zijn dan ieder ander, die alleen maar H.B.S (nou ja, die kunnen er nog mee door) of Mulo (eigenlijk wat ondergeschikte rang) of zelfs alleen maar lagere school (vulgus vulgarum) hebben. Maar wat zegt dat nou? Het gekke is, dat er net zoveel mensen met lagere school miljonair worden als lui met gymnasium. En het gekke is, dat er heel wat meer grote ontdekkers zijn geweest en grote mensen, die geen gymnasium hadden, dan die het wel hadden. Want het gaat niet om de geleerdheid, die je bezit of het aantal boeken, dat je hebt gelezen. Het gaat om de vasthoudendheid, waarmee je voort kunt gaan met streven.

En dat is dan zo’n beetje mijn tweede punt voor vandaag. Met hoe vlug je voortgaat, maar hoe gestadig je voortgaat, bepaalt wat je in de eeuwigheid bereikt. En als je verstandig bent, probeer je niet jezelf een tempo te stellen, dat te hoog is. Daar kan ik uit ervaring over meepraten. Als ik me voornam om mezelf te beheersen, beheerste ik mezelf zo goed, dat ik van binnen kookte, totdat de zaak explodeerde. En dan vielen er stukken. (Het heeft mij zelfs eens een keer een nieuwe strohoed van 99 cent gekost.) In ieder geval, waar het mij dus om gaat is dit: Leg jezelf niet te zware lasten op. Maar zorg, dat wat je op je neemt, dat je dat ook steeds weer volbrengt en voortdurend. Werk niet bij vlagen om er dan ineens weer mee uit te scheiden. Studeer niet bij vlagen om dan ineens de zaak opzij te gooien. Zorg, dat je iets kiest voor je streven, voor je werken, dat je vol kunt houden.

Dat zijn twee heel belangrijke dingen, als je het zo beziet van uit onze sfeer. (Nou ja, niet de onze, want er zijn heel wat hogere bij de sprekers. Nou ja, goed, laten we zeggen; mijn sfeer dan.) Want datgene wat je voor anderen niet doet, terwijl je het kunt, dat krijg je later op je boterham, totdat je geleerd hebt om je het standpunt van anderen voortdurend in te denken en redelijk te handelen, zonder te grote toegevendheid maar ook zonder te grote laksheid of minachting voor anderen. En in de tweede plaats (dat moet je mij ook niet kwalijk nemen, als ik het nogmaals zeg: Leer om jezelf niet een te grote taak te stellen, die je toch maar voor een kort ogenblik misschien half volbrengt. Maar zorg, dat wat je je voorneemt te doen, dat je dat dag in dag uit en altijd weer vol kunt houden.

Nou, dat is dan mijn bijdrage voor vandaag. Ik hoop dat je ook mijn bescheiden waarheden niet wilt verwerpen. Want als je ze opzij gooit, dan heb je grote kans, dat je er later een dure prijs voor betaalt, als je bent overgegaan.

o-o-o-o-o

Er wordt wel eens gezegd: De mens is als de Phoenix. Lang leeft hij. En wanneer zijn bewustzijn verouderd is, stort hij zich in het vuur van de zon en herrijst, verjongd en herboren en leeft verder zonder einde. Deze stelling is eigenlijk waar, wanneer wij nagaan, hoe de innerlijke wereld is samengesteld; nagaan ook, hoe de uiterlijke levens elkaar met de regelmaat van een tikkende klok opvolgen.

In ons leeft de lichtende kracht. De kracht, die we niet beseffen. Het licht, dat zo fel is,dat het ons soms de duisternis van een gapend Niet lijkt. Rond dit Niet, dit licht, ligt een wereld van verre dromen. Een wereld bevolkt met goden, met engelen en demonen. Een wereld van grootse krachten, waarvoor we ons sidderend zouden willen buigen. En daaromheen? Daar ligt de wereld van onze idealen. Onze ervaringen van lange tijden en onze innerlijke drijfveren zijn samengesmolten tot wereldbeelden, die we zouden willen verwerkelijken en die ons toch wat onmogelijk schijnen. En eerst daarbuiten ligt ons normaal denken, ligt de geestelijke wereld.

Wat gebeurt er nu, wanneer een mens zich innerlijk bewust wordt op aarde? Hij dringt door tot een nieuwe wereld. Hij maakt a.h.w. het licht wat zichtbaarder, het ideaal wat werkelijker en de God wat meer een realisatie van zijn eigen innerlijke waarde. Daardoor verwerpt hij a.h.w. verschillende werelden. Want in de grote cyclus van levens bestaan er ook verschillende kringlopen.

De uiterlijke kringloop is die van allen, die aan de volledige waan zijn geketend. Zij, gaande van voorstelling tot voorstelling, zich latende leven door het leven, worden voortgesleurd. Zij gaan over uit de stof, komen in de geest en leven in een stoffelijke wereld misschien een kort ogenblik in meer geestelijke omstandigheden. En zij keren weer terug naar een stoffelijke wereld, waarin de vrijheid van vorm, die de geest kent, verloren ging. En zo wisselen zij tussen een wereld van werkelijkheid in de stof en een wereld van geestelijke werkelijkheid vol zon of vol duisternis. En zij ontkomen niet daaraan.

Want om te ontkomen aan deze uiterlijke kringloop moet de mens innerlijk weten wie en wat hij is. Hij moet zijn gedachtegangen, zijn geestelijk streven, ja, zijn dromen en idealen terugbrengen tot meer werkelijke dingen. Hij moet meer beseffen wat hij zelf is en wat hij zelve kan doen. Hij moet bovenal begrijpen, hoe er een eeuwige wet is, die zijn verhouding tot de kosmos heeft vastgelegd en gereguleerd van het begin af aan. Heeft hij die eerste schrede gedaan, dan keert hij in de stof en komt in een wereld als stof. Maar vandaaruit verdergaande vindt hij een wereld, waar de wazigheid van vorm de vastheid van idee betekent. Hier voor het eerst spiegelt hij zichzelf in een kosmische werkelijkheid. En als hij zijn beeld aanvaardt, wie weet of hij nog terug zal keren in materie, ook al zal hij terug moeten keren tot lagere sferen.

Zo gaat dat steeds verder, cyclus na cyclus, totdat de mens beseft en dit is het belangrijke punt dat de wet, de Godheid en het licht een zijn. Wanneer hij zijn godenwereld ziet teruggebracht tot een kracht; een kracht, die is het licht; wanneer hij het licht ziet als de wet, die zijn leven regeert en zijn verhouding tot alle leven bepaalt, dan is hij vrij. Want wel zegt men: Al bouwen de apen een berg tot in het rijk der goden, ze blijven apen. En Hanoeman, gevangen, dwingt hen terug te gaan, want in het hemelrijk passen ze niet. Mag ik met een kleine variant zeggen; Mensen, die mensen blijven en toch het allerhoogste nastreven, mensen, die blijven denken in zuiver menselijke beelden zonder grotere kennis van het “ik”, kunnen misschien voor een kort ogenblik de hemelen betreden en de krachten daarvan kennen, maar zij zullen worden teruggeworpen naar de wereld, keer op keer. Omdat zij niet worden meer dan mens. Kenners van het eigen “ik”, erkenners van de eeuwige wet. Wezens, die het licht niet slechts ondergaan maar aanschouwen; voor wie de schijnbare leegte van de kosmos gevuld wordt met het wezen van de scheppende God, Die rond en met hen is.

Dit, is onze weg en onze toekomst: Meer te zijn dan mens, meer te zijn dan geest door minder te eisen, door meer te begrijpen en vooral meer te aanvaarden. Te aanvaarden de kracht van de eeuwigheid, die in ons leeft.